Zoom out
Zoom in
Vorherige Seite
1/473
Nächste Seite
HANDBOEK
ADOBE
®
ILLUSTRATOR
®
CS3
1

Brauchen Sie Hilfe? Stellen Sie Ihre Frage.

Forenregeln

Inhalt der Seiten


  • Page 1

    ADOBE ILLUSTRATOR CS3
    ®

    HANDBOEK

    ®



  • Page 2

    © 2007 Adobe Systems Incorporated. Alle rechten voorbehouden.
    Copyright

    Adobe® Illustrator® CS3 Handboek voor Windows® en Mac OS
    Als bij dit handboek software wordt geleverd waarvoor een gebruiksrechtsovereenkomst geldt, worden dit handboek en de software die erin wordt beschreven, geleverd onder
    licentie en mogen de software en het handboek alleen worden gebruikt of gekopieerd in overeenstemming met de bepalingen in de licentie. Behoudens uitzonderingen
    voortvloeiende uit licenties, mag niets uit deze publicatie in welke vorm of op welke manier dan ook worden verveelvoudigd, opgeslagen op een gegevensopzoeksysteem of
    openbaar gemaakt door middel van elektronische of mechanische kopieën, geluidsdragers of op enigerlei andere wijze zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Adobe
    Systems Incorporated. Houd er rekening mee dat op de inhoud van dit handboek het copyright van toepassing is, ook als het handboek niet wordt verstrekt met software waarvoor
    een gebruiksrechtovereenkomst geldt.
    De inhoud van dit handboek wordt alleen ter informatie geleverd, kan zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd en houdt geen enkele verplichting in voor Adobe
    Systems Incorporated. Adobe Systems Incorporated wijst alle verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid van de hand voor fouten of onnauwkeurigheden die in de informatieve
    inhoud van dit handboek kunnen voorkomen.
    Op bestaande illustraties of afbeeldingen die u in uw project wilt opnemen is mogelijk copyright van toepassing. Ongeoorloofde opname van dergelijk materiaal in uw nieuwe
    werk is mogelijk in strijd met de rechten van de houder van het copyright. U wordt aangeraden toestemming te vragen aan de houder van het copyright voor gebruik van het
    betreffende werk.
    Eventuele bedrijfsnamen in voorbeeldsjablonen dienen slechts om het gebruik van het product te illustreren en zijn fictief.
    Adobe, het Adobe-logo, Acrobat, After Effects, Creative Suite, Dreamweaver, Flash, Illustrator, InDesign, het Open Type-logo en Photoshop zijn gedeponeerde merken of merken
    van Adobe Systems Incorporated in de Verenigde Staten en/of andere landen.
    Microsoft, OpenType en Windows zijn gedeponeerde merken van Microsoft Corporation in de Verenigde Staten en/of andere landen. Apple, Mac, Mac OS en Macintosh zijn als
    merken van Apple Inc. gedeponeerd in de Verenigde Staten en andere landen. Bepaalde merken zijn eigendom van The Proximity Division van Franklin Electronic Publishers,
    Inc., en worden met toestemming gebruikt. Merriam-Webster is een merk van Merriam-Webster, Inc. Alle andere merken zijn eigendom van hun respectieve eigenaren.
    Dit product bevat BISAFE- en/of TIPEM-software van RSA Data Security, Inc. Copyright © 1995-2002 Metrowerks Corporation. Alle rechten voorbehouden.Copyright © 1994
    Hewlett-Packard CompanyCopyright © 1996, 1997 Silicon Graphics Computer Systems, Inc.Copyright © 1998 Gilles VollantDit product bevat software die is ontwikkeld door
    de Apache Software Foundation (http://www.apache.org)Dit programma is geschreven met MacApp®: ©1985-1988 Apple Computer, Inc. De MacApp-software is eigendom van
    Apple Computer, Inc. en is uitsluitend voor distributie in licentie gegeven aan Adobe voor gebruik in combinatie met Adobe Illustrator.PANTONE®-kleuren die worden gebruikt
    in de software-toepassing of in de gebruikersdocumentatie kunnen afwijken van de door PANTONE vastgestelde standaards.Raadpleeg de actuele PANTONE Color Publications
    voor exacte kleuren. PANTONE® en andere Pantone, Inc.-merken zijn eigendom van Pantone, Inc. © Pantone, Inc. 2006. Pantone, Inc. is de eigenaar van het copyright op
    kleurgegevens en/of -software die voor distributie in licentie is gegeven aan Adobe Systems Incorporated uitsluitend voor gebruik in combinatie met Adobe Illustrator.
    PANTONE-kleurgegevens en/of -software mogen niet op een andere schijf of in geheugen worden gekopieerd tenzij als onderdeel van de uitvoering van Adobe Illustratorsoftware.Deze software wordt geproduceerd onder copyrights op DIC van de kleurgegevensdatabase die is gebaseerd op Sample Books.Flash 9-video wordt aangedreven door
    On2 TrueMotion-videotechnologie. © 1992-2005 On2 Technologies, Inc. Alle rechten voorbehouden. http://www.on2.com Dit product bevat software die is ontwikkeld door de
    OpenSymphony Group (http://www.opensymphony.com/)Delen van deze code worden gebruikt onder licentie van Nellymoser (www.nellymoser.com)Sorenson Spark™
    compressie- en decompressietechnologie voor video worden gebruikt onder licentie van Sorenson Media, Inc.
    Bepaalde spellingonderdelen van dit product zijn gebaseerd op Proximity Linguistic Technology. ©Copyright 1990 Merriam-Webster Inc. ©Copyright 1990 Alle rechten
    voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 2003 Franklin Electronic Publishers
    Inc.©Copyright 2003 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. Legal Supplement
    ©Copyright 1990/1994 Merriam-Webster Inc./Franklin Electronic Publishers Inc. ©Copyright 1994 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin
    Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 1990/1994 Merriam-Webster Inc./Franklin Electronic Publishers Inc. ©Copyright 1997Alle rechten
    voorbehouden. Proximity Technology, een divisie van Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA ©Copyright 1990 Merriam-Webster Inc. ©Copyright 1993
    Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 2004 Franklin Electronic
    Publishers Inc.©Copyright 2004 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology, een divisie van Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright
    1991 Dr. Lluis de Yzaguirre I Maura ©Copyright 1991 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New
    Jersey USA. ©Copyright 1990 Munksgaard International Publishers Ltd. ©Copyright 1990 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin Electronic
    Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 1990 Van Dale Lexicografie bv ©Copyright 1990 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of
    Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 1995 Van Dale Lexicografie bv ©Copyright 1996 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology
    A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 1990 IDE a.s. ©Copyright 1990 Alle rechten voorbehouden Proximity Technology
    A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 1992 Hachette/Franklin Electronic Publishers Inc.©Copyright 2004 Alle rechten
    voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 1991 Text & Satz Datentechnik ©Copyright
    1991 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 2004 Bertelsmann Lexikon
    Verlag ©Copyright 2004 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 2004
    MorphoLogic Inc. ©Copyright 2004 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA.
    ©Copyright 1990 William Collins Sons & Co. Ltd.©Copyright 1990 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc.
    Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 1993-95 Russicon Company Ltd. ©Copyright 1995 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin
    Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 2004 IDE a.s. ©Copyright 2004 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin
    Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. De onderdelen voor woordafbreking in dit product zijn gebaseerd op Proximity Linguistic Technology. ©Copyright 2003
    Franklin Electronic Publishers Inc.©Copyright 2003 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey
    USA. ©Copyright 1984 William Collins Sons & Co. Ltd.©Copyright 1988 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc.
    Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 1990 Munksgaard International Publishers Ltd. ©Copyright 1990 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of
    Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 1997 Van Dale Lexicografie bv ©Copyright 1997 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology
    A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 1984 Editions Fernand Nathan ©Copyright 1989 Alle rechten voorbehouden.
    Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 1983 S Fischer Verlag ©Copyright 1997 Alle rechten
    voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 1989 Zanichelli ©Copyright 1989 Alle rechten
    voorbehouden Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 1989 IDE a.s. ©Copyright 1989 Alle rechten
    voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 1990 Espasa-Calpe. ©Copyright 1990 Alle
    rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA. ©Copyright 1989 C.A. Stromberg AB. ©Copyright
    1989 Alle rechten voorbehouden. Proximity Technology A Division of Franklin Electronic Publishers, Inc. Burlington, New Jersey USA.
    Kennisgeving aan eindgebruikers bij de overheid van de VS: Deze software en documentatie zijn “commercial items”, zoals gedefinieerd onder 48 C.F.R. §2.101, bestaande uit
    “commercial computer software” en “commercial computer software documentation”, zoals deze begrippen worden gebruikt in 48 C.F.R. §12.212 of 48 C.F.R. §227.7202, indien
    van toepassing. Conform 48 C.F.R. §12.212 of 48 C.F.R. §227.7202-1 tot en met §227.7202-4, al naargelang hetgeen van toepassing is, is aan de eindgebruikers bij de Amerikaanse
    overheid een licentie voor de commerciële computersoftware en de documentatie bij de commerciële computersoftware verleend (a) alleen als commerciële artikelen en (b) met
    alleen de rechten die aan alle eindgebruikers worden verleend overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen in dit document. Niet gepubliceerde rechten zijn voorbehouden
    onder de Amerikaanse wet op het auteursrecht. Adobe verklaart te voldoen aan alle van toepassing zijnde wetten inzake gelijke kansen, waaronder, indien van toepassing, de
    bepalingen van Executive Order 11246, zoals geamendeerd, lid 402 van de Vietnam Era Veterans Readjustment Assistance Act van 1974 (38 USC 4212) en lid 503 van de
    Rehabilitation Act van 1973, zoals geamendeerd, en de bepalingen in 41 CFR deel 60-1 tot en met 60-60, 60-250 en 60-741. De clausule en regels betreffende positieve actie die
    zijn opgenomen in de voorafgaande zin zullen worden opgenomen via verwijzing.
    Adobe Systems Incorporated, 345 Park Avenue, San Jose, California 95110, Verenigde Staten.



  • Page 3

    iii

    Inhoud
    Hoofdstuk 1: Aan de slag
    Installatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1
    Adobe Help
    Bronnen

    ...............................................................................2

    ..................................................................................4

    Wat is er nieuw?

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10

    Hoofdstuk 2: Werkruimte
    Basisbeginselen van het werkgebied
    De werkruimte aanpassen
    Gereedschappen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22

    Bestanden en sjablonen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32

    Illustraties uitsnijden

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37

    Illustraties weergeven

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40

    Linialen, rasters en hulplijnen
    Voorkeuren instellen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48

    Herstellen, ongedaan maken en automatisch laten uitvoeren
    Hoofdstuk 3: Tekenen
    Grondbeginselen van tekenen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51

    Eenvoudige lijnen en vormen tekenen
    Flakkeringen tekenen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58

    Tekenen met het gereedschap Potlood
    Tekenen met het gereedschap Pen
    Paden bewerken

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 60

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 67

    Illustraties overtrekken
    Symbolen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 80

    Symboolgereedschappen en symboolsets

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86

    Hoofdstuk 4: Kleur
    Kleuren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 91
    Kleuren selecteren

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96

    Stalen maken en gebruiken
    Stalen beheren

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 99

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .104

    Werken met kleurgroepen
    Kleuren aanpassen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .106

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .119

    Hoofdstuk 5: Kleurbeheer
    Werken met kleurbeheer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .122
    Kleuren consistent houden

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .124

    Kleurbeheer toepassen op geïmporteerde afbeeldingen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .127

    Kleurbeheer toepassen op documenten voor online weergave
    Kleuren controleren

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .130

    Kleurbeheer toepassen op documenten bij afdrukken
    Werken met kleurprofielen
    Kleurinstellingen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .129

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .132

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .133

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .138



  • Page 4

    iv

    Hoofdstuk 6: Verven
    Verven met vullingen en streken
    Groepen van Actieve verf
    Penselen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .143

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .149

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .157

    Transparantie- en overvloeiingsmodi

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .164

    Verlopen, netten en kleurovervloeiingen
    Patronen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .172

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .177

    Hoofdstuk 7: Objecten selecteren en ordenen
    Objecten selecteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .183
    Objecten groeperen en uitbreiden

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .191

    Objecten verplaatsen uitlijnen en verdelen
    Objecten roteren en spiegelen
    Lagen gebruiken

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .192

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .196

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .200

    Objecten vergrendelen, verbergen en verwijderen
    Objecten stapelen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .203

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .205

    Objecten dupliceren

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .206

    Hoofdstuk 8: Objecten omvormen
    Objecten transformeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .209
    Objecten schalen, schuintrekken en vervormen
    Omvormen met omhulsels
    Objecten combineren

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .218

    Objecten knippen of splitsen
    Knipmaskers

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .211

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .215
    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .224

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .225

    Objecten laten overvloeien

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .227

    Objecten omvormen met effecten
    3D-objecten maken

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .231

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .232

    Hoofdstuk 9: Importeren, exporteren en opslaan
    Bestanden importeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .240
    Bitmapafbeeldingen importeren

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .244

    Adobe PDF-bestanden importeren

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .245

    EPS-, DCS- en AutoCAD-bestanden importeren
    Illustraties importeren uit Photoshop
    Illustraties opslaan

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .255

    Adobe PDF-bestanden maken

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .261

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .266

    Bestandsinformatie en metagegevens
    Hoofdstuk 10: Tekst
    Tekst maken en importeren
    Werken met vlaktekst
    Tekst schalen en roteren

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .273

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .275

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .278

    Werken met tekst op een pad

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .283

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .285

    Spelling- en taalwoordenboeken
    Fonts

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .248

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .250

    Illustraties exporteren
    Adobe PDF-opties

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .247

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .286

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .288

    Tekst opmaken

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .290

    Regelafstand en tekenspatiëring

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .298



  • Page 5

    v

    Speciale tekens

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .300

    Alinea's opmaken

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .303

    Woordafbreking en regelafbreking
    Tabs

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .307

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .309

    Teken- en alineastijlen
    Tekst exporteren

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .312

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .314

    Aziatische tekens opmaken

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .316

    Samengestelde fonts maken

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .324

    Tekst uit Illustrator 10 bijwerken

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .327

    Hoofdstuk 11: Speciale effecten maken
    Weergavekenmerken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .329
    Werken met effecten en filters

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .333

    Overzicht van effecten en filters

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .336

    Slagschaduw, gloed en doezeleffect
    Schetsen en mozaïeken maken

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .344

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .346

    Vectorafbeeldingen omzetten in bitmapafbeeldingen
    Afbeeldingsstijlen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .347

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .348

    Hoofdstuk 12: Webafbeeldingen
    Aanbevolen procedures voor het maken van webafbeeldingen
    Segmenten en afbeeldingen met hyperlinks
    SVG

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .351

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .352

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .356

    Animaties maken

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .359

    Afbeeldingen optimaliseren

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .362

    Optimalisatieopties voor webafbeeldingen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .367

    Uitvoerinstellingen voor webafbeeldingen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .378

    Hoofdstuk 13: Afdrukken
    Basisafdruktaken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .381
    Kleurscheidingen afdrukken

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .383

    Pagina's instellen voor afdrukken

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .386

    Drukkersmarkeringen en afloop

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .388

    PostScript-afdrukken

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .389

    Afdrukken met kleurbeheer

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .392

    Verlopen, netten en kleurovervloeiingen afdrukken
    Afdrukken illustraties afdrukken en opslaan
    Overdrukken
    Overvullen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .393

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .396

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .403
    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .405

    Afdrukvoorinstellingen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .409

    Hoofdstuk 14: Taken automatiseren
    Handelingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .411
    Scripts

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .418

    Gegevensgestuurde afbeeldingen

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .419

    Hoofdstuk 15: Grafieken
    Grafieken maken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .424
    Grafieken opmaken

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .428

    Afbeeldingen en symbolen toevoegen aan grafieken

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .432



  • Page 6

    vi

    Hoofdstuk 16: Sneltoetsen
    Sneltoetsen aanpassen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .437
    Standaardsneltoetsen
    Index

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .438

    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .449



  • Page 7

    1

    Hoofdstuk 1: Aan de slag
    Als u deze nieuwe software nog niet hebt geïnstalleerd, lees dan eerst de informatie over de installatie en andere inleidende
    onderwerpen. Neem voordat u met de software aan de slag gaat, even de tijd om het overzicht te lezen van de Adobe Help
    en van de vele bronnen waar gebruikers over beschikken. U kunt gebruikmaken van instructievideo's, insteekmodules,
    sjablonen, gebruikersgemeenschappen, seminars, handleidingen, RSS-invoer en nog veel meer.

    Installatie
    Vereisten
    ❖ In het Lees mij-bestand dat deel uitmaakt van de software vindt u alle systeemvereisten en aanbevelingen voor uw
    Adobe®-software.

    De software installeren
    1 Sluit alle andere Adobe-toepassingen die op uw computer worden weergegeven.
    2 Plaats de installatieschijf in het schijfstation en volg de aanwijzingen op het scherm op.
    Opmerking: Zie het Lees mij-bestand op de installatieschijf voor meer informatie.

    De software activeren
    Als u een licentie voor één gebruiker voor de Adobe-software hebt aangeschaft, wordt u gevraagd de software te activeren.
    Dit is een eenvoudige, anonieme procedure die u dient uit te voeren binnen 30 dagen nadat u de software in gebruik hebt
    genomen.
    Voor meer informatie over productactivering raadpleegt u het Lees mij-bestand op de installatieschijf of gaat u naar de
    website van Adobe op www.adobe.com/go/activation_nl.
    1 Als het dialoogvenster Activeren nog niet wordt weergegeven, kiest u Help > Activeren.
    2 Volg de aanwijzingen op het scherm.
    Opmerking: Als u de software wilt installeren op een andere computer, moet u deze eerst deactiveren op uw computer. Kies
    Help > Deactiveren.

    Registreren
    Registreer uw product voor gratis installatie-ondersteuning, berichten voor updates en andere services.
    ❖ Volg om uw product te registreren de aanwijzingen op het scherm in het dialoogvenster Registratie, dat verschijnt nadat
    u de software hebt geïnstalleerd en geactiveerd.

    Als u uw product niet meteen registreert, kunt u dit op elk moment doen door te kiezen voor Help > Registratie.

    Lees mij
    De installatieschijf bevat het Leesmij-bestand voor de software. (Tijdens de installatie van het product wordt ook dit
    bestand naar de toepassingsmap gekopieerd.) In dit bestand vindt u belangrijke informatie over de volgende onderwerpen:

    • Systeemvereisten
    • Installatie (en het verwijderen van de software)
    • Activering en registratie



  • Page 8

    ILLUSTRATOR CS3 2
    Handboek

    • Fontinstallatie
    • Problemen oplossen
    • Klantondersteuning
    • Juridische kennisgevingen

    Adobe Help
    Adobe Help-cursussen
    Documentatie voor uw Adobe-software is beschikbaar in verschillende indelingen.
    In-product en LiveDocs Help

    De Help in het product geeft toegang tot alle documentatie- en instructiemateriaal dat beschikbaar is op het moment dat
    de software wordt verzonden. U kunt de Help weergeven via het menu Help in uw Adobe-product.
    LiveDocs Help bevat de volledige inhoud van de Help in uw product, inclusief updates en koppelingen naar aanvullend
    instructiemateriaal dat op het web beschikbaar is. Voor bepaalde producten kunt u ook opmerkingen toevoegen aan de
    onderwerpen in LiveDocs Help. U vindt de LiveDocs Help voor uw product in het Adobe Help Resource Center op
    www.adobe.com/go/documentation_nl.

    De meeste versies van de in-product Help en LiveDocs Help bieden u de mogelijkheid om te zoeken binnen de Helpsystemen van meerdere producten. Ook de onderwerpen bevatten vaak koppelingen naar relevante inhoud op het internet
    of naar onderwerpen in de Help van een ander product.
    U kunt de Help, zowel in het product als op het web, beschouwen als een centrum voor toegang tot extra inhoud en
    gebruikersgroepen. De compleetste en bijgewerkte versie van de Help staat altijd op het internet.
    Adobe PDF-documentatie

    De in-product Help is ook beschikbaar als een PDF die is geoptimaliseerd om te worden afgedrukt. Andere documenten,
    zoals installatiehandleidingen en white papers, kunnen ook als PDF's worden geleverd.
    Al de PDF-documentatie is beschikbaar via het Adobe Help Resource Center, op www.adobe.com/go/documentation_nl.
    Als u de PDF-documentatie die bij uw software wordt geleverd, wilt inzien, kijkt u in de map Documentatie op de
    installatie- of programma-dvd.



  • Page 9

    ILLUSTRATOR CS3 3
    Handboek

    Gedrukte documentatie

    Afgedrukte versies van de Help binnen een product kunnen worden aangeschaft bij de Adobe Store op
    www.adobe.com/go/store_nl. U kunt in de Adobe Store ook boeken vinden die door de uitgeverspartners van Adobe zijn
    uitgegeven.
    Alle producten uit de Adobe Creative Suite® 3 worden geleverd met een afgedrukte workflowhandleiding, en op zichzelf
    staande Adobe-producten worden mogelijk geleverd met een afgedrukte basishandleiding.

    De Help in het product gebruiken
    De in-product Help is beschikbaar via het Help-menu. Klik nadat u de Adobe Help Viewer hebt gestart op Bladeren om de
    Help voor extra Adobe-producten die op uw computer zijn geïnstalleerd te raadplegen.
    Met deze voorzieningen in de Help hebt u ook toegang tot instructiemateriaal van andere Adobe-producten:

    • Onderwerpen kunnen koppelingen bevatten naar de Help-systemen van andere Adobe-producten of naar extra inhoud
    op het internet.

    • Sommige onderwerpen worden gedeeld door twee of meer producten. Als u bijvoorbeeld een Help-onderwerp ziet met
    pictogrammen van Adobe Photoshop® CS3 en Adobe After Effects®, weet u dat het onderwerp een beschrijving bevat van
    functies die in beide producten voorkomen of van workflows waarbij beide producten betrokken zijn.

    • U kunt zoeken in Help-systemen van meerdere producten.
    Als u naar een woordgroep zoekt, zoals "shape tool", plaats ze dan tussen aanhalingstekens om alleen die onderwerpen te
    raadplegen die alle woorden in de woordgroep bevatten.
    A

    C
    D

    B

    Adobe Help
    A. Knoppen Vooruit en Achteruit (koppelingen die eerder zijn bezocht) B. Subonderwerpen die kunnen worden uitgebreid C. Pictogrammen
    die een gedeeld onderwerp aangeven D. Knoppen Vorige en Volgende (onderwerpen op volgorde)

    Toegankelijkheidsfuncties

    De inhoud van Adobe Help is toegankelijk voor mensen met een handicap, zoals een motorische handicap, blindheid en
    slechtziendheid. De Help in de producten zelf ondersteunt de volgende standaardfuncties voor toegankelijkheid:

    • De gebruiker kan de tekstgrootte wijzigen met standaardopdrachten in een contextmenu.
    • Koppelingen zijn onderstreept om gemakkelijk te worden herkend.



  • Page 10

    ILLUSTRATOR CS3 4
    Handboek

    • Als een koppelingstekst niet overeenkomt met de titel van het koppelingsdoel, wordt naar de titel verwezen in het
    kenmerk Titel van de ankercode. Zo bevatten de koppelingen Volgende en Vorige de titels van de volgende en vorige
    onderwerpen.

    • Inhoud ondersteunt modus voor hoog contrast.
    • Afbeeldingen zonder bijschriften bevatten alternatieve tekst.
    • Elk frame heeft een titel die het doel ervan aangeeft.
    • Standaard HTML-codes definiëren de structuur van de inhoud voor lezen op het scherm of voor hulpprogramma's die
    tekst omzetten in spraak.

    • Stijlbladen bepalen de opmaak, zodat er geen lettertypen zijn ingesloten.
    Sneltoetsen voor knoppen op de Help-werkbalk (Windows)
    Knop Vorige Alt+Pijl-links
    Knop Volgende Alt+Pijl-rechts
    Afdrukken Ctrl+P
    Knop Info Ctrl+I
    Menu Bladeren Alt+Pijl-omlaag of Alt+Pijl-omhoog om Help om een andere toepassing weer te geven
    Zoekvenster Ctrl+S om het invoegpunt in het zoekvenster te plaatsen

    Sneltoetsen voor navigatie door de Help (Windows)

    • Druk op Ctrl+Tab (vooruit) of Shift+Ctrl+Tab (achteruit) om van het ene naar het andere deelvenster te gaan.
    • Druk op Tab (vooruit) of Shift+Tab (achteruit) om de koppelingen in een deelvenster te doorlopen en om koppelingen
    te markeren.

    • Druk op Enter om een omlijnde koppeling te activeren.
    • Druk op Ctrl+is gelijk aan (=) als u de tekst groter wilt maken.
    • Druk op Ctrl+afbrekingsteken om de tekst kleiner te maken.

    Bronnen
    Adobe Video Workshop
    De Video Workshop van de Adobe Creative Suite 3 bevat meer dan 200 trainingsvideo's over een groot aantal verschillende
    onderwerpen. Ze zijn bedoeld voor professionals die de Creative Suite 3-producten gebruiken voor het maken van
    afdrukken, webpagina's en video's.



  • Page 11

    ILLUSTRATOR CS3 5
    Handboek

    U kunt Adobe Video Workshop gebruiken om meer te weten te komen over alle Creative Suite 3-producten. Veel video's
    laten zien hoe u Adobe-toepassingen samen moet gebruiken.

    Wanneer u Adobe Video Workshop start, kunt u de producten kiezen waarover u meer wilt weten en de onderwerpen
    kiezen die u wilt lezen. U kunt details over elke video weergeven om na te gaan welke video's voor u van belang zijn.

    Presentatorgroepen

    Hiermee nodigt Adobe Systems de groep gebruikers van Adobe-producten uit om knowhow en ervaringen uit te wisselen.
    Adobe en lynda.com bieden u handleidingen, handige tips en slimme trucs van vooraanstaande ontwerpers en
    ontwikkelaars, zoals Joseph Lowery, Katrin Eismann en Chris Georgenes. U ziet en hoort Adobe-experts zoals Lynn Grillo,
    Greg Rewis en Russell Brown. In totaal delen meer dan 30 productexperts hun kennis.



  • Page 12

    ILLUSTRATOR CS3 6
    Handboek

    Handleidingen en bronbestanden

    Adobe Video Workshop bevat trainingen voor beginners en ervaren gebruikers. Verder bevinden zich hier ook video's over
    nieuwe functies en belangrijke technieken. Elke video behandelt één onderwerp en duurt meestal ongeveer 3 tot 5 minuten.
    De meeste video's worden geleverd met een geïllustreerde handleiding en bronbestanden, zodat u de gedetailleerde stappen
    kunt afdrukken en zelf met de handleiding aan de slag kunt gaan.
    Adobe Video Workshop gebruiken

    U kunt Adobe Video Workshop openen via de dvd die bij uw Creative Suite 3-product wordt geleverd. Deze is ook online
    beschikbaar op www.adobe.com/go/learn_videotutorials_nl. Adobe voegt regelmatig nieuwe video's aan de online Video
    Workshop toe, dus neem eens een kijkje om te zien wat er nieuw is.

    Illustrator CS3-video's
    In Adobe Video Workshop worden allerlei uiteenlopende onderwerpen behandeld die betrekking hebben op Adobe
    Illustrator® CS3, zoals:

    • Een nieuw document maken en instellen
    • Inhoud in Illustrator importeren
    • Objecten selecteren, bewerken en uitlijnen
    • Intelligente objecten en Live kleur gebruiken
    • Bestanden opslaan voor het web
    Video's laten u ook zien hoe u Illustrator CS3 in combinatie met andere Adobe-producten kunt gebruiken:

    • Tekst en symbolen tussen Illustrator en Adobe Flash doeltreffend gebruiken®
    • Mobiele inhoud maken in Illustrator
    • Gedeelde elementen gebruiken in Adobe Photoshop, Illustrator®, InDesign® en Flash
    • SWF-bestanden met animaties exporteren vanuit Illustrator
    U hebt toegang tot de Adobe Creative Suite 3-videohandleidingen via Adobe Video Workshop op
    www.adobe.com/go/learn_videotutorials_nl.

    Extra's
    U hebt toegang tot allerlei verschillende informatiebronnen waardoor u uw Adobe-software optimaal kunt benutten. Een
    aantal van deze hulpmiddelen is tijdens het installatieproces op uw computer geïnstalleerd; aanvullende nuttige
    voorbeelden en documenten staan op de schijf met de installatiesoftware of met de inhoud. Online worden unieke extra's
    aangeboden door de Adobe Exchange-community op www.adobe.com/go/exchange_nl.
    Geïnstalleerde hulpmiddelen

    Tijdens de software-installatie wordt een aantal hulpmiddelen in uw toepassingsmap geplaatst. Als u deze bestanden wilt
    bekijken, gaat u naar de toepassingsmap op uw computer.

    • Windows®: [opstartstation]\Program Files\Adobe\[Adobe-toepassing]
    • Mac OS®: [opstartstation]/Applications/[Adobe-toepassing]
    De toepassingsmap kan de volgende informatiebronnen bevatten:
    Insteekmodules Insteekmodules zijn kleine softwareprogramma's die functies uitbreiden of toevoegen aan uw software.

    Zodra u de insteekmodules hebt geïnstalleerd, worden deze als opties weergegeven in het menu Importeren of Exporteren;
    als bestandsindelingen in de dialoogvensters Openen, Opslaan als en Origineel exporteren of als filters in de submenu’s van
    het menu Filter. Een aantal insteekmodules voor speciale effecten wordt bijvoorbeeld automatisch in de map
    Insteekmodules in de Photoshop CS3-map geïnstalleerd.
    Voorinstellingen Voorinstellingen omvatten een groot aantal verschillende handige gereedschappen, voorkeuren, effecten
    en afbeeldingen. Productvoorinstellingen omvatten penselen, kleurstalen, kleurgroepen, symbolen, aangepaste vormen,
    afbeeldings- en laagstijlen, patronen, structuren, handelingen, werkruimten en meer. De inhoud van de voorinstellingen



  • Page 13

    ILLUSTRATOR CS3 7
    Handboek

    vindt u overal in de gebruikersinterface. Sommige voorinstellingen (zoals penseelbibliotheken voor Photoshop) zijn pas
    beschikbaar als u het desbetreffende gereedschap selecteert. Als u bij het maken van een effect of afbeelding niet helemaal
    bij nul wilt beginnen, gebruikt u de bibliotheken met voorinstellingen om inspiratie op te doen.
    Sjablonen Sjabloonbestanden kunt u vanuit Adobe Bridge CS3 openen en bekijken, of openen vanuit het Welkomstscherm

    of direct vanuit het menu Bestanden. Afhankelijk van het product lopen sjabloonbestanden uiteen van briefhoofden,
    nieuwsbrieven en websites tot dvd-menu's en videoknoppen. Elk sjabloonbestand is op professionele wijze samengesteld
    en laat zien hoe de productfuncties optimaal kunnen worden gebruikt. Sjablonen kunnen een waardevol hulpmiddel zijn
    wanneer u een duwtje in de rug nodig hebt bij het starten van een project.

    Yo ur Inv est

    me nt Gu ide

    Are you leav
    ing mon ey
    on the tabl
    e?

    Typi non habe
    nt claritatem
    insitam; est
    claritatem.
    Investigationes
    usus legen
    tis in iis qui
    demonstra
    legunt saepi
    facit eorum
    verunt lecto
    us. Claritas
    res legere me
    est etiam proce
    lius quod ii
    ssus.

    Vel:

    CORE INVE
    STME NT SPEC
    TRUM
    Vel illum dolore
    eu feugiat nulla
    et iusto odio
    facilisis at vero
    dignissim qui.
    eros et accum
    san

    Ad : Vulputate:

    Travel Earth

    RETIR EMEN
    T SAVI NG
    PLAN
    Vel illum dolore
    eu feugiat nulla
    et iusto odio
    facilisis at vero
    dignissim qui.
    eros et accum
    san

    Best 100 places to see on the planet
    in your lifetime

    01
    01

    ET
    ET
    DUO

    TETU

    R SADI

    PSCI

    NG

    ET JUSTO
    KASD.
    ET ACCUSAM
    CLITA
    EOS
    STET
    REBUM.
    ET EA

    COSE
    VERO

    Pelletir Inc.

    Ca
    si
    Sp opia
    A

    DOLORES

    volute
    ipsummy
    , commy
    re eugiarud tem
    eraesexer
    n ullutet

    NU

    vero LC H
    nulch dio E
    agiam
    e eum
    sum et
    ad
    $45 a
    lorp
    erit
    agiam
    vero et
    nulch dio ad atin
    agaim e su eum utet
    nu
    et ma
    $25 llam ad eu
    m
    lorp
    agiamerit
    vero et sum
    eum dio ad lo a
    rper
    $35 nulla
    it
    m

    SU

    C

    sucic C IV
    vero vero ER O
    nulch dio dio S
    e su eum
    ma

    SUR
    VIC
    E

    ME
    NU
    $15
    eum
    vero nulla
    nulch dio m
    agaim
    e su eum
    nu
    et ma
    $35 llam ad eu
    m

    N

    eum
    $35 nulla
    m

    SU

    C

    sucic C IV
    vero vero ER O
    nu dio dio S
    $15 lche su eum
    ma
    eum
    vero nulla
    nulch dio m
    agaim
    e su eum
    nu
    et ma
    $35 llam ad eu
    m

    Voorbeelden Voorbeeldbestanden bevatten ingewikkeldere ontwerpen en zijn een uitstekende manier om nieuwe functies

    in actie te zien. In deze bestanden wordt getoond welke creatieve mogelijkheden beschikbaar zijn.
    Fonts Uw Creative Suite-product wordt geleverd met verschillende OpenType®-fonts en fontfamilies. De fonts worden
    tijdens de installatie naar uw computer gekopieerd:

    • Windows: [opstartstation]\Windows\Fonts
    • Mac OS X: [opstartstation]/Bibliotheek/Fonts
    Zie het Lees mij-bestand op de installatie-dvd voor informatie over het installeren van lettertypen.
    Dvd-inhoud

    De installatie- of inhouds-dvd die met uw product wordt geleverd bevat extra hulpmiddelen voor gebruik met uw software.
    De map Extra's bevat productspecifieke bestanden zoals sjablonen, afbeeldingen, voorinstellingen, handelingen,
    insteekmodules en effecten, samen met submappen voor Fonts en Stockfotografie. De map Documentatie bevat een PDFversie van de Help, technische informatie en andere documenten zoals voorbeeldmodellen, referentiehandleidingen en
    informatie over gespecialiseerde functies.
    Adobe Exchange

    Bezoek voor meer gratis inhoud www.adobe.com/go/exchange_nl, een online groep waar gebruikers duizenden gratis
    handelingen, extensies, insteekmodules en andere inhoud voor gebruik met Adobe-producten downloaden en delen.

    Bridge Home
    Bridge Home, een nieuwe bestemming in Adobe Bridge CS3, biedt gemakkelijk toegang tot actuele informatie over alle
    Adobe Creative Suite 3-software. Start Adobe Bridge, klik vervolgens op het pictogram Bridge Home boven aan de het
    deelvenster Favorieten om de laatste tips, nieuws en hulpmiddelen voor uw Creative Suite-gereedschappen weer te geven.



  • Page 14

    ILLUSTRATOR CS3 8
    Handboek

    Opmerking: Bridge Home is mogelijk niet beschikbaar in alle talen.

    Adobe Design Center
    In het Adobe Design Center vindt u artikelen, inspiratie en aanwijzingen van experts uit de branche, topontwerpers en
    uitgeverspartners van Adobe. Maandelijks wordt nieuwe inhoud toegevoegd.

    Er zijn honderden handleidingen beschikbaar voor ontwerpproducten en leertips en -technieken, via video's, HTMLhandleidingen en voorbeeldhoofdstukken.
    Nieuwe ideeën vormen de kern van Think Tank, Dialog Box en Gallery:

    • In de Think Tank-artikelen wordt beschreven hoe hedendaagse ontwerpers omgaan met technologie en wat hun
    ervaringen betekenen voor ontwerp, ontwerpprogramma's en de samenleving.

    • In Dialog Box delen experts nieuwe ideeën over bewegende afbeeldingen en digitaal ontwerp.
    • De Gallery schenkt aandacht aan hoe artiesten ontwerp in beweging overbrengen.



  • Page 15

    ILLUSTRATOR CS3 9
    Handboek

    Bezoek Adobe Design Center op www.adobe.com/designcenter.

    Adobe Developer Center
    Adobe Developer Center biedt voorbeelden, handleidingen, artikelen en groepshulpmiddelen voor ontwikkelaars die met
    Adobe-producten krachtige internettoepassingen, websites, mobiele inhoud en andere projecten bouwen. Het Developer
    Center bevat ook hulpmiddelen voor ontwikkelaars die insteekmodules voor Adobe-producten ontwikkelen.

    Naast voorbeeldcode en handleidingen vindt u er RSS-feeds, online seminars, SDK's, scripthandleidingen en andere
    technische hulpmiddelen.
    Bezoek Adobe Developer Center op www.adobe.com/go/developer_nl.

    Klantondersteuning
    Bezoek de Adobe Support-website op www.adobe.com/nl/support voor informatie over het oplossen van problemen voor
    uw product en om meer te weten te komen over gratis en niet-gratis technische ondersteuningsopties. Klik op de koppeling
    Training voor meer informatie over de boeken van Adobe Press, verschillende cursussen, certificeringsprogramma's voor
    Adobe-software en nog veel meer.

    Downloads
    Bezoek www.adobe.com/go/downloads_nl voor gratis updates, testversies en andere nuttige software. Bovendien biedt de
    Adobe Store (op www.adobe.com/go/store_nl) toegang tot duizenden insteekmodules van onafhankelijke ontwikkelaars,
    waarmee u taken kunt automatiseren, workflows kunt aanpassen, gespecialiseerde professionele effecten kunt maken en meer.

    Adobe Labs
    Adobe Labs biedt u de mogelijkheid nieuwe en opkomende technologieën en producten van Adobe uit te proberen en te
    evalueren.
    Bij Adobe Labs hebt u toegang tot hulpmiddelen zoals deze:

    • Pre-release software en technologieën
    • Codevoorbeelden en aanbevolen methoden om uw leerproces te versnellen
    • Vroege versies van product- en technische documentatie



  • Page 16

    ILLUSTRATOR CS3 10
    Handboek

    • Forums, wiki-gebaseerde inhoud en andere gezamenlijke hulpmiddelen voor een betere interactie met de interactie met
    gelijkgestemde ontwikkelaars
    Adobe Labs moedigt een gezamenlijk software-ontwikkelingsproces aan. In deze omgeving behalen klanten snel
    interessante resultaten met nieuwe producten en technologieën. Adobe Labs is ook een forum voor vroegtijdige feedback,
    die door het team van ontwikkelaars van Adobe wordt gebruikt om software te maken die voldoet aan de wensen en
    verwachtingen van de Adobe-gebruikersgroepen
    Bezoek Adobe Labs op www.adobe.com/go/labs_nl.

    Gebruikersgroepen
    De gebruikersgroepen bieden gebruikers forums, blogs en andere wegen om technologieën, programma's en informatie uit
    te wisselen. Gebruikers kunnen vragen stellen en nagaan hoe anderen optimaal gebruikmaken van hun software. Er zijn
    gebruikersforums in het Engels, Frans, Duits en Japans. Blogs worden gepubliceerd in een groot aantal verschillende talen.
    Bezoek www.adobe.com/nl/communities om deel te nemen aan forums of blogs.

    Wat is er nieuw?
    Superieure ontwerpmogelijkheden
    Actieve kleur

    Verken kleurharmonieën en pas een kleur in één keer dynamisch toe op meerdere vectorafbeeldingen. Met Actieve kleur
    kunt u nieuwe kleurencombinaties ontdekken, snel testen en vervolgens opslaan en opnieuw gebruiken. U kunt
    voorvertoningen van wijzigingen in uw illustraties weergeven en via het kleurenwiel kunt u de kleurtoon van een illustratie
    in zijn geheel verschuiven, of slechts één kleur met maximale precisie aanpassen. (Zie “Overzicht van het deelvenster
    Actieve kleur” op pagina 109.)
    Deelvenster Stalen

    U kunt een kleurengroep opslaan naar het deelvenster Stalen, zodat u altijd snel toegang hebt tot uw favoriete set kleuren.
    (Zie “Kleuren uit het deelvenster Kleurengids opslaan in het dialoogvenster Stalen” op pagina 108.)
    Isolatiemodus

    In de isolatiemodus kunt u gebieden van een illustratie beveiligen tegen bewerkingen. U kunt met een gerust hart lagen
    groeperen, verbergen, vergrendelen en opnieuw stapelen, omdat u weet dat geïsoleerde delen van de illustratie niet per
    ongeluk kunnen worden gewijzigd. (Zie “Groepen en sublagen isoleren” op pagina 184.)

    Betere integratie
    Integratie met Adobe Flash

    U kunt ingewikkelde vectoren, storyboards en testtekeningen maken, zonder dat u deze in Adobe Flash opnieuw hoeft te
    tekenen. U kunt besparen op productietijd doordat teksten, lagen en symbolen hun structuur en bewerkbaarheid behouden
    wanneer u ze naar Flash kopieert en plakt. U kunt steeds wisselen tussen Illustrator en Flash, zodat u optimaal gebruik kunt
    maken van de mogelijkheden van beide programma's. (Zie “Tekst labelen om naar Flash te exporteren” op pagina 314 en
    “Flash-afbeeldingen” op pagina 359.)
    Symbolen

    Benut de kracht van Illustrator met symbolen die u nu op een handigere manier kunt maken en aanpassen en die u
    probleemloos kunt gebruiken in Flash. (Zie “Symbolen” op pagina 80.)



  • Page 17

    ILLUSTRATOR CS3 11
    Handboek

    Afdrukken

    U kunt bij het afdrukken de oorspronkelijke kleurruimten behouden. Dankzij DeviceN-ondersteuning kunt u er zeker van
    zijn dat bij het afdrukken van de illustratie de kleuren op de juiste wijze worden gescheiden. (Zie “Kleurscheidingen
    afdrukken” op pagina 383.)

    Efficiënter werken
    Nieuwe documentprofielen

    U kunt sneller aan de slag als u een nieuw document opent door een voorgedefinieerd Nieuw documentprofiel te selecteren.
    Deze profielen zijn speciaal ontwikkeld voor verschillende soorten projecten, zoals mobiele apparaten, afdrukken, het web
    en video. U kunt eigen profielen opslaan met beginparameters zoals afmetingen van het tekengebied, stalen, penselen,
    stijlen en kleurruimten. (Zie “Profielen voor nieuwe documenten” op pagina 32.)
    Eigen werkruimten

    Pas de werkruimte aan met samenvouwbare deelvensters en nieuwe pictogramweergaven. U kunt uw werkruimte opslaan
    als een voorinstelling, zodat u deze voor bepaalde taken kunt optimaliseren. (Zie “De werkruimte aanpassen” op pagina 17.)
    Verbeterde prestaties

    U kunt nu vlotter en efficiënter werken, zonder dat u hoeft te wachten tot Illustrator in de pas loopt met uw handen en
    ideeën. De onderliggende architectuur van Illustrator is namelijk verbeterd. U zult merken dat u sneller kunt schuiven en
    zoomen en dat de vernieuwingsfrequentie en reactiesnelheid flink zijn verbeterd.
    Toegang tot bibliotheken via deelvensters

    U hebt eenvoudig toegang tot voorgedefinieerde bibliotheken voor penselen, op thema's gebaseerde stalen en
    afbeeldingsstijlen. U kunt een gewenst effect nu snel toepassen door de bibliotheeklijst te openen via een pictogram op de
    onderbalk van de deelvensters. (Zie bijvoorbeeld “Overzicht van het deelvenster Penselen” op pagina 158.)

    Geavanceerde tekengereedschappen en tekenopties
    Deelvenster Beheer

    Via het deelvenster Beheer kunt u het gereedschap opzoeken dat u nodig hebt voor uw taak. Dit deelvenster geeft de opties
    weer die het meest in aanmerking komen voor uw huidige selectie. Boven in uw scherm hebt u toegang tot ankerpunten,
    selectiegereedschappen, knipmaskers en omhulselvervormingen. Hiermee wordt voorkomen dat de werkruimte overvol
    raakt met geopende deelvensters. (Zie “Overzicht van het deelvenster Beheer” op pagina 16.)
    Paden bewerken

    Zodra u punten selecteert, worden in het deelvenster Beheer gereedschappen weergegeven voor het bewerken van paden.
    Hierdoor kunt u de details van uw werk sneller bewerken en kunt u zelfs met één muisklik de handgrepen verbergen en
    tonen. (Zie “Opgeven hoe richtingslijnen en richtingspunten worden opgeven” op pagina 53.)
    Punten selecteren

    Beweeg met de cursor over een ankerpunt en vergroot het, zodat u het gemakkelijk kunt zien en selecteren. De cursor geeft
    een groter vierkant weer op de plaats waar een punt wordt aangetroffen. (Zie “Voorkeuren voor ankerpuntgrootte opgeven”
    op pagina 54.)
    Punten uitlijnen

    U kunt punten op dezelfde manier uitlijnen en verdelen als objecten. Als u meerdere punten selecteert, worden alle
    beschikbare uitlijningsknoppen in het deelvenster Beheer weergegeven. U kunt punten ook op het tekengebied of een
    snijgebied uitlijnen. (Zie “Objecten uitlijnen en verdelen” op pagina 195.)



  • Page 18

    ILLUSTRATOR CS3 12
    Handboek

    Gereedschap Gummetje

    Het verwijderen van delen van een illustratie gaat net zo eenvoudig als het verwijderen van pixels in Photoshop. U hoeft
    alleen met de muis of tekenpen over een vorm of een vormenset te bewegen. Illustrator maakt nieuwe paden langs de
    randen van het gewiste gebied, waarbij de vloeiendheid van de wisbeweging behouden blijft. (Zie “Wissen in illustraties”
    op pagina 73.)
    Gereedschap Snijgebied

    U kunt meerdere snijgebieden tekenen met eigen of voorgedefinieerde kenmerken. U kunt snel PDF-bestanden van één
    pagina maken die precies op uw selectie zijn uitgesneden. Hierdoor kunt u variaties van illustraties opslaan die u aan
    klanten en collega's kunt laten zien. (Zie “Snijgebieden maken, bewerken en verwijderen” op pagina 37.)



  • Page 19

    13

    Hoofdstuk 2: Werkruimte
    Welkom bij Adobe Illustrator CS3. Met Illustrator beschikt u over een efficiënte werkruimte en gebruikersinterface voor
    het maken en bewerken van illustraties voor gedrukte media, het web en mobiele apparaten.

    Basisbeginselen van het werkgebied
    Overzicht werkgebied
    U kunt documenten en bestanden maken en bewerken met verschillende elementen, zoals deelvensters, balken en vensters.
    Elke schikking van deze elementen wordt een werkruimte genoemd. Als u een Adobe Creative Suite-component voor het
    eerst start, ziet u een standaardwerkruimte, die u kunt aanpassen voor de taken die u daar uitvoert. U kunt bijvoorbeeld een
    werkruimte maken voor bewerking en een andere voor weergave, ze opslaan en schakelen tussen deze werkruimtes terwijl
    u werkt.
    U kunt de standaardwerkruimte op elk moment herstellen door te kiezen voor de standaardoptie in het menu Venster >
    Werkruimte
    Hoewel standaardwerkruimten verschillen in Flash, Illustrator, InCopy, InDesign en Photoshop, bewerkt u de elementen
    hierin ongeveer allemaal hetzelfde. De Photoshop-standaardwerkruimte is standaard:

    • In de menubalk aan de bovenkant zijn opdrachten in menu's georganiseerd.
    • Het deelvenster Gereedschappen (dat in Photoshop Gereedschapset wordt genoemd) bevat gereedschappen om
    afbeeldingen, illustraties, pagina-elementen, enzovoort te maken en te bewerken. Gerelateerde gereedschappen worden
    samen gegroepeerd.

    • Het deelvenster Beheer (dat in Photoshop optiebalk wordt genoemd) geeft opties weer voor het huidige geselecteerde
    gereedschap. (Flash heeft geen deelvenster Beheer.)

    • Het Documentvenster (dat in Flash Stage wordt genoemd) geeft het bestand weer waaraan u aan het werken bent.
    • Deelvensters (die in Photoshop paletten worden genoemd) helpen u om uw werk te controleren en te wijzigen.
    Voorbeelden zijn de Tijdlijn in Flash en het deelvenster Lagen in Photoshop. Bepaalde deelvensters worden standaard
    weergegeven, maar u kunt elk deelvenster toevoegen door het in het menu Venster te selecteren. Veel deelvensters hebben
    menu's met specifieke opties voor het deelvenster. Deelvensters kunnen gegroepeerd, gestapeld of gekoppeld zijn.



  • Page 20

    ILLUSTRATOR CS3 14
    Handboek

    A

    B

    C

    D
    E
    G

    F

    H

    Standaard Photoshop-werkruimte
    A. Documentvenster B. Dockdeelvensters die zijn samengevouwen tot pictogrammen C. Titelbalk van deelvenster D. Menubalk E. Optiebalk
    F. Gereedschapset G. Knop samenvouwen tot pictogrammen H. Drie verticaal gekoppelde paletgroepen (deelvenstergroepen)

    Als u een video wilt bekijken waarin u de werkruimte leert kennen, gaat u naar www.adobe.com/go/vid0187_nl.
    Alle deelvensters verbergen of weergeven

    • (Illustrator, InCopy, InDesign, Photoshop) Om alle deelvensters te verbergen of weer te geven, inclusief het deelvenster
    Gereedschappen en de optiebalk of het deelvenster Beheer, drukt u op Tab.

    • (Illustrator, InCopy, InDesign, Photoshop) Om alle deelvensters te verbergen of weer te geven, behalve het deelvenster
    Gereedschappen en de optiebalk of het deelvenster Beheer, drukt u op Shift+Tab.
    U kunt deelvensters tijdelijk verborgen weergeven met deze technieken door de aanwijzer naar de rand van het
    toepassingsvenster (Windows) of naar de rand van de monitor (Mac OS) te bewegen en de aanwijzer over de strook die
    verschijnt heen en weer te bewegen.

    • (Flash) Om alle deelvensters te verbergen of weer te geven, drukt u op F4.
    Opties in het menu Deelvenster weergeven
    ❖ Plaats de aanwijzer op het pictogram van het deelvenstermenu
    op de muisknop.

    in de rechterbovenhoek van het deelvenster en druk

    (Ilustrator) Helderheid van het deelvenster aanpassen
    ❖ Beweeg de schuifregelaar Helderheid in de Voorkeuren voor de gebruikersinterface. Deze besturing heeft invloed op alle
    deelvensters, inclusief het deelvenster Beheer.
    Deelvenster Gereedschappen opnieuw configureren

    U kunt de gereedschappen in het deelvenster Gereedschappen in één kolom of naast elkaar in twee kolommen weergeven.



  • Page 21

    ILLUSTRATOR CS3 15
    Handboek

    In InDesign kunt u ook schakelen tussen de weergave in één kolom en de dubbele kolomweergave door een optie in de
    Interfacevoorkeuren in te stellen.
    ❖ Klik op de dubbele pijl boven aan het deelvenster Gereedschappen.

    Schermmodi
    U kunt de zichtbaarheid van het illustratievenster en de menubalk wijzigen met de modusknoppen onder aan het
    deelvenster Gereedschappen:

    • In de modus Gemaximaliseerd scherm

    worden illustraties weergegeven in een gemaximaliseerd scherm met
    bovenaan een menubalk en aan de zijkanten schuifbalken, maar zonder titelbalk.

    • In de Standaardschermmodus

    worden illustraties weergegeven in een standaardvenster met bovenaan een
    menubalk en aan de zijkanten schuifbalken.

    • In de modus Volledig scherm met menubalk

    worden illustraties weergegeven in een venster dat het volledige
    scherm beslaat en dat een menubalk, maar geen titelbalk en schuifbalken heeft.

    • In de modus Volledig scherm

    worden illustraties weergegeven in een venster dat het volledige scherm beslaat, maar
    geen titelbalk, menubalk en schuifbalken heeft.

    Werken met de statusbalk
    De statusbalk bevindt zich op de linkeronderrand van het illustratievenster in de modus Gemaximaliseerd scherm. De
    statusbalk geeft het zoomniveau weer en bevat informatie over een van de volgende onderwerpen: het gebruikte
    gereedschap, de datum en tijd, het aantal malen dat een bewerking ongedaan kan worden gemaakt of opnieuw kan worden
    uitgevoerd, het kleurprofiel van het document of de status van een beheerd bestand.
    Klik op de statusbalk om een van de volgende handelingen uit te voeren:

    • Het type informatie wijzigen dat op de statusbalk wordt weergegeven door een optie te kiezen in het submenu Tonen.
    • Het huidige bestand in Adobe Bridge weergeven door Tonen in Bridge te kiezen.
    • Toegang krijgen tot opdrachten van Version Cue®.

    Waarden invoeren in deelvensters en dialoogvensters
    U kunt in alle deelvensters en dialoogvensters op dezelfde manieren waarden invoeren. In elk vak waarin u numerieke
    waarden kunt invoeren, kunt u bovendien eenvoudige berekeningen uitvoeren. Als u bijvoorbeeld een geselecteerd object
    met de huidige maateenheid drie eenheden naar rechts wilt verplaatsen, hoeft u niet de nieuwe horizontale positie te
    berekenen, maar alleen maar +3 te typen na de waarde in het deelvenster Transformeren.
    Een waarde invoeren in een deelvenster of dialoogvenster
    ❖ Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Typ een waarde in het vak en druk op Enter of Return.
    • Sleep de schuifregelaar.
    • Sleep de draaischijf.
    • Klik op de pijlknoppen in het deelvenster om de waarde te verhogen of te verlagen.
    • Klik in het vak en gebruik vervolgens de toets Pijl-omhoog of Pijl-omlaag om de waarde te verhogen of te verlagen. Houd
    Shift ingedrukt en druk op een pijltoets om de mate van het vergroten of verkleinen te verhogen.

    • Kies een waarde in het menu van het tekstvak.



  • Page 22

    ILLUSTRATOR CS3 16
    Handboek

    A

    B

    C

    D

    E

    Manieren om waarden in te voeren
    A. Pijlknoppen B. Tekstvak C. Menupijl D. Schuifregelaar E. Draaischijf

    Waarden berekenen in een deelvenster of dialoogvenster

    1 Ga als volgt te werk in een tekstvak dat numerieke waarden accepteert:

    • Als u de gehele huidige waarde wilt vervangen door een wiskundige uitdrukking, selecteert u de gehele actieve waarde.
    • Als u de huidige waarde als onderdeel van een wiskundige uitdrukking wilt gebruiken, klikt u voor of na deze waarde.
    2 Typ een eenvoudige rekenkundige uitdrukking met een rekenkundige operator, zoals + (plus), - (min), x
    (vermenigvuldigen), / (delen) of % (procent).
    Bijvoorbeeld 0p0 + 3 of 5 mm + 4. Zo is 3 cm * 50% gelijk aan 3 centimeter vermenigvuldigd met 50%, oftewel 1,5 cm, en
    is 50pt + 25% gelijk aan 50 punten plus 25% van 50 punten, oftewel 62,5 punten.
    3 Druk op Enter of Return om de berekening toe te passen.

    Overzicht van het deelvenster Beheer
    Met het deelvenster Beheer hebt u snel toegang tot opties voor de door u geselecteerde objecten. Standaard bevindt het
    deelvenster Beheer zich boven in het werkgebied.
    De opties in het deelvenster Beheer zijn afhankelijk van het type object of gereedschap dat is geselecteerd. Wanneer u
    bijvoorbeeld een tekstobject selecteert, bevat het deelvenster Beheer opties voor tekstopmaak en opties voor het wijzigen
    van de kleur, de plaatsing en de afmetingen van het object.
    A

    B

    C

    Deelvenster Beheer
    A. Verborgen opties B. Koppeling met een ander deelvenster C. Deelvenstermenu

    Wanneer tekst in het deelvenster Beheer blauw en onderstreept is, kunt u op die tekst klikken om een verwant deel- of
    dialoogvenster weer te geven. Als u het deelvenster Streek wilt weergeven, klikt u bijvoorbeeld op het woord Streek.
    Het type besturingselement in het deelvenster Beheer wijzigen
    ❖ Schakel opties in of uit in het menu van het deelvenster Beheer.
    Een deelvenster of dialoogvenster openen en sluiten vanuit het deelvenster Beheer

    1 Klik op blauwe en onderstreepte tekst om het verwante deelvenster of dialoogvenster te openen.
    2 Klik buiten het deelvenster of dialoogvenster om het venster te sluiten.
    Het deelvenster Beheer koppelen aan het onderste gedeelte van het werkgebied
    ❖ Kies Onder dokken in het menu van het deelvenster Beheer.



  • Page 23

    ILLUSTRATOR CS3 17
    Handboek

    Het deelvenster Beheer omzetten in een zwevend deelvenster
    ❖ Sleep het balkje op de linkerrand van het deelvenster naar een andere positie.

    Als u het deelvenster weer wilt koppelen, sleept u het balkje naar de boven- of onderzijde van het toepassingsvenster
    (Windows) of scherm (Mac OS).

    De werkruimte aanpassen
    De werkruimte aanpassen
    Om een aangepaste werkruimte te maken, beweegt en bewerkt u deelvensters (die in Photoshop paletten en in Adobe
    Creative Suite 2 componenten worden genoemd).
    A
    B

    C

    Het smalle, blauwe neerzetgebied geeft aan dat het deelvenster Kleur zal worden gekoppeld boven het deelvenster Lagen.
    A. Titelbalk B. Tab C. Drop zone

    U kunt aangepaste werkruimtes opslaan en schakelen tussen deze werkruimtes.
    In Photoshop kunt u de tekengrootte van de tekst wijzigen in de optiebalk, deelvensters en knopinfo. Kies een grootte in het
    menu Fontgrootte gebruikersinterface in Algemene voorkeuren.
    Opmerking: Als u een video wilt bekijken over het aanpassen van de werkruimte in Illustrator, gaat u naar
    www.adobe.com/go/vid0032_nl. Als u een video wilt bekijken over het aanpassen van de werkruimte in InDesign, gaat u naar
    www.adobe.com/go/vid0065_nl.
    Deelvensters koppelen en ontkoppelen

    Een dock is een verzameling deelvensters of deelvenstergroepen die samen worden weergegeven, meestal in verticale
    richting. U koppelt en ontkoppelt deelvensters door ze in en uit een dock te verplaatsen.
    Opmerking: Koppelen is niet hetzelfde als stapelen. Een stapel is een verzameling van vrij zwevende deelvensters of
    deelvenstergroepen, die van boven naar onder gegroepeerd zijn.

    • Om een deelvenster te koppelen, sleept u het met de tab in de dock, naar boven, beneden of tussen andere deelvensters.
    • Om een deelvenstergroep te koppelen, sleept u het met de titelbalk (de volle lege balk boven de tabs) in de dock.
    • Om een deelvenster of deelvenstergroep te verwijderen, sleept u ze uit de dock met de tab of de titelbalk. U kunt ze in
    een andere dock slepen of ze vrij zwevend maken.



  • Page 24

    ILLUSTRATOR CS3 18
    Handboek

    Deelvenster Navigator dat naar de nieuwe positie wordt gesleept, aangeduid met een blauwe, verticale markering

    Deelvenster Navigator dat is gekoppeld in zijn eigen dock

    Om te voorkomen dat deelvensters de ruimte in een dock vullen, sleept u de onderste rand van de dock omhoog, zodat deze
    niet langer tegen de rand van de werkruimte aan komt.
    Deelvensters verplaatsen

    Terwijl u een deelvenster verplaatst, ziet u blauw gemarkeerde drop zones gebieden waarnaar u het deelvenster kunt
    verplaatsen. U kunt een deelvenster bijvoorbeeld omhoog of omlaag in een dock verplaatsen door het naar de smalle blauwe
    drop zone boven of onder een ander deelvenster te slepen. Als u het naar een gebied sleept dat geen drop zone is, zweeft het
    venster vrij in de werkruimte.

    • Om een deelvenster te verplaatsen, sleept u het met de tab.
    • Om een deelvenstergroep of een stapel van vrij zwevende deelvensters te verplaatsen, sleept u de titelbalk.
    Druk op Ctrl (Windows) of Control (Mac OS) terwijl u een deelvenster verplaatst om te voorkomen dat het wordt
    gekoppeld.
    Docks en deelvensters toevoegen en verwijderen

    Als u alle deelvensters uit een dock verwijdert, verdwijnt de dock. U kunt nieuwe docks door de deelvensters naar drop
    zones naast bestaande docks of naar de randen van de werkruimte verplaatsen.

    • Om een deelvenster te verwijderen, klikt u op het pictogram sluiten (de X in de rechterbovenhoek van het tabblad) of
    schakelt u het uit in het menu Venster.

    • Om een deelvenster toe te voegen, selecteert u het in het menu Venster en koppelt u waar u wilt.
    Deelvenstergroepen bewerken

    • Om een deelvenster in een groep te verplaatsen, sleept u de tab van het deelvenster naar de gemarkeerde drop zone boven
    aan de groep.



  • Page 25

    ILLUSTRATOR CS3 19
    Handboek

    Een deelvenster toevoegen aan een deelvenstergroep

    • Om deelvensters in een groep te herschikken, sleept u de tab van het deelvenster naar een nieuwe locatie in de groep.
    • Om een deelvenster uit de groep te verwijderen zodat het vrij zweeft, sleept u het deelvenster met de tab buiten de groep.
    • Als u een deelvenster vooraan wilt plaatsen in de groep, klikt u op de tab van het deelvenster.
    • Om gegroepeerde deelvensters samen te verplaatsen, versleept u de titelbalk van de deelvensters (boven de tabs).
    Vrij zwevende deelvensters stapelen

    Als u een deelvenster uit de dock van het deelvenster sleept, maar niet in de drop zone, zweeft het deelvenster vrij rond,
    waardoor u het op elke plaats in de werkruimte kunt plaatsen. Deelvensters kunnen ook in de werkruimte zweven als ze
    eerst worden geselecteerd in het Venstermenu. U kunt vrij zwevende deelvensters of deelvenstergroepen samen stapelen,
    zodat ze zich verplaatsen als een eenheid wanneer u de hoogste titelbalk versleept. (Deelvensters die deel uitmaken van een
    dock kunnen niet op deze manier worden gestapeld of als een eenheid worden verplaatst.)

    Vrij zwevende gestapelde deelvensters

    • Om vrij zwevende deelvensters te stapelen, sleept u het deelvenster met de tab naar de drop zone onder in een ander
    deelvenster.

    • Om de stapelvolgorde te wijzigen, sleept u een deelvenster naar boven of naar beneden met de tab.
    Opmerking: Zorg ervoor dat u de tab boven de smalle drop zone tussen deelvensters loslaat en niet in de brede drop zone in
    een titelbalk.

    • Om een deelvenster of deelvenstergroep uit de stapel te verwijderen, zodat het uit zichzelf zweeft, sleept u het uit de stapel
    met de tab of titelbalk.
    Deelvensters vergroten, verkleinen of minimaliseren

    • Om een deelvenster te vergroten of te verkleinen, sleept u een zijde van het deelvenster of het formaatvakje naar de
    rechterbenedenhoek. Bepaalde deelvensters, zoals het deelvenster Kleur in Photoshop, kunnen niet worden vergroot of
    verkleind door te slepen.

    • Als u de breedte van alle deelvensters in een dock wilt wijzigen, sleept u de grijper

    links bovenaan in een dock.

    • Om een deelvenster, deelvenstergroep of stapel deelvensters te minimaliseren, klikt u op de knop Minimaliseren in de
    titelbalk.
    U kunt zelfs een deelvenstermenu openen als het deelvenster is geminimaliseerd.



  • Page 26

    ILLUSTRATOR CS3 20
    Handboek

    Knop Minimaliseren

    Deelvensters die zijn samengevouwen tot pictogrammen bewerken

    Deelvensters samenvouwen tot pictogrammen om de werkruimte overzichtelijk te houden. (In bepaalde gevallen worden
    deelvensters samengevouwen tot pictogrammen in de standaardwerkruimte.) Klik op een pictogram van het deelvenster
    om het deelvenster uit te vouwen. U kunt slechts één deelvenster of deelvenstergroep tegelijk uitvouwen.

    Deelvensters samengevouwen tot pictogrammen

    Deelvensters die vanuit pictogrammen zijn uitgevouwen

    • Om deelvensters in een dock samen of uit te vouwen, klikt u op de dubbele pijl boven in de dock.
    • Als u het formaat van de deelvensterpictogrammen zodanig wilt wijzigen dat u alleen de pictogrammen (en niet de labels
    ziet), sleept u de grijper bovenaan in het dock naar de pictogrammen totdat de tekst verdwijnt. (Om de tekst van het
    pictogram opnieuw weer te geven, sleept u de grijper weg van de deelvensters.)

    • Om het pictogram van één deelvenster uit te vouwen, klikt u erop.
    • Om een uitgevouwen deelvenster opnieuw samen te vouwen tot een pictogram, klikt u op de tab, het pictogram of de
    dubbele pijl in de titelbalk van het deelvenster.
    Als u Pictogramdeelvensters automatisch samenvouwen in de Interface of de voorkeuren van de Gebruikersinterface-opties
    selecteert, wordt een pictogram van een uitgevouwen deelvenster automatisch samengevouwen als u elders klikt.

    • Om een deelvenster of deelvenstergroep aan een pictogrammendock toe te voegen, sleept u ze uit de dock met de tab of
    de titelbalk. (Deelvensters worden automatisch samengevouwen tot pictogrammen als ze aan een pictogrammendock
    worden toegevoegd.)

    • Om een pictogram (of een pictogrammengroep van een deelvenster) van een deelvenster te verplaatsen, versleept u de
    balk die boven het pictogram verschijnt. U kunt pictogrammen van deelvensters in de dock naar boven of naar beneden
    verslepen, in de docks (waar ze worden weergegeven in de deelvensterstijl van die dock), of buiten de dock (waar ze
    verschijnen als vrij zwevende, uitgevouwen deelvensters).



  • Page 27

    ILLUSTRATOR CS3 21
    Handboek

    De naam van een werkruimte wijzigen of een werkruimte dupliceren
    1 Kies Venster > Werkruimte > Werkruimten beheren.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit en klik op OK:

    • Als u de naam van een werkruimte wilt wijzigen, selecteert u de werkruimte en bewerkt u de tekst.
    • Als u een werkruimte wilt dupliceren, selecteert u de werkruimte en klikt u op Nieuwe werkruimte.
    Op www.adobe.com/go/vid0032_nl vindt u een video over het aanpassen van het werkgebied op basis van verschillende
    workflows.

    Opslaan, verwijderen en schakelen tussen werkruimten
    Door de huidige grootte en positie van deelvensters als een benoemde werkruimte op te slaan, kunt u die werkruimte zelfs
    herstellen wanneer u een deelvenster verplaatst of sluit. De namen van de opgeslagen werkruimten verschijnen in het menu
    Venster > Werkruimte
    In Photoshop kan de opgeslagen werkruimte een specifieke sneltoetsenset en een menuset bevatten.
    Een aangepaste werkruimte opslaan

    1 Als de werkruimte de configuratie heeft die u wilt opslaan, voert u één van de volgende handelingen uit:

    • (Photoshop, Illustrator, InDesign) Kies Venster > Werkruimte > Werkruimte opslaan.
    • (Flash) Kies Venster > Werkruimte > Huidige opslaan of kies Huidige opslaan in het menu Werkruimte in de balk
    Bewerken.

    • (Photoshop) Kies Werkruimte opslaan in het menu Werkruimte in de optiebalk.
    2 Typ een naam voor de werkruimte.
    3 (Photoshop) Onder Vastleggen selecteert u een of meer opties:
    Paletlocaties Als u de huidige paletlocaties wilt opslaan.
    Sneltoetsen Als u de huidige sneltoetsenset wilt opslaan.
    Menu's Als u de huidige set menu's wilt opslaan.

    4 Klik op OK.
    Werkruimten weergeven of schakelen tussen werkruimten

    Flash, Illustrator, InDesign en Photoshop bevatten vooraf ingestelde werkruimten die zijn ontworpen om bepaalde taken
    gemakkelijker te maken.

    • Kies Venster > Werkruimte en selecteer een werkruimte.
    • (Photoshop) Kies een werkruimte in het menu Werkruimte in de optiebalk.
    • (Flash) Kies een werkruimte in het menu Werkruimte in de balk Bewerken.
    (InDesign en Photoshop) Wijs sneltoetsen toe aan elke werkruimte om snel tussen werkruimtes te kunnen navigeren.

    Een aangepaste werkruimte verwijderen

    • (Illustrator) Kies Venster > Werkruimte > Werkruimten beheren, selecteer de werkruimte en klik vervolgens op het
    pictogram Verwijderen.

    • (InDesign) Kies Venster > Werkruimte > Werkruimten verwijderen, selecteer de werkruimte en klik vervolgens op
    Verwijderen.

    • (Flash) Kies Beheren in het menu Werkruimte in de balk Bewerken, selecteer de werkruimte en klik vervolgens op
    Verwijderen. Of kies Venster > Werkruimte > Beheren, selecteer de werkruimte en klik vervolgens op Verwijderen.

    • (Photoshop) Kies Werkruimte verwijderen in het menu Werkruimte in de optiebalk. Of kies Venster > Werkruimte >
    Werkruimten verwijderen, selecteer de werkruimte en klik vervolgens op Verwijderen.



  • Page 28

    ILLUSTRATOR CS3 22
    Handboek

    (Photoshop) Opstarten met de meest recente of standaard paletlocaties

    Als u Photoshop start, kunnen deelvensters op hun oorspronkelijke standaardlocaties worden weergegeven, of worden
    weergegeven zoals u ze laatst hebt gebruikt.
    ❖ In Interfacevoorkeuren:

    • Om deelvensters op hun laatste locaties weer te geven bij het opstarten, selecteert u Paletlocaties herinneren.
    • Om deelvensters op hun standaardlocaties weer te geven bij het opstarten, deselecteert u Paletlocaties herinneren.

    Gereedschappen
    Overzicht van het deelvenster Gereedschappen
    Wanneer u de toepassing voor het eerst start, staat het deelvenster Gereedschappen links op het scherm. U kunt het
    deelvenster Gereedschappen verplaatsen door de titelbalk van het deelvenster of het Illustrator-pictogram te slepen. U kunt
    het deelvenster Gereedschappen ook weergeven en verbergen met de opdracht Venster > Gereedschappen.
    Met de gereedschappen in het deelvenster Gereedschappen kunt u objecten in Illustrator maken, selecteren en
    manipuleren. Sommige gereedschappen hebben verborgen opties die u kunt weergeven door op het gereedschap te
    dubbelklikken. Hiertoe behoren gereedschappen waarmee u tekst kunt gebruiken en afbeeldingen kunt selecteren, kleuren,
    tekenen, bewerken en verplaatsen, en waarvan u monsters kunt nemen.



  • Page 29

    ILLUSTRATOR CS3 23
    Handboek

    U kunt bepaalde gereedschappen uitbreiden, zodat verborgen onderliggende gereedschappen zichtbaar worden. Een
    driehoekje rechts onder in het gereedschapspictogram geeft aan dat er verborgen gereedschappen zijn. Wanneer u de
    aanwijzer op een gereedschap plaatst, ziet u de naam van dat gereedschap.

    Overzicht van het deelvenster Gereedschappen
    A

    Selectiegereedschappen C Tekstgereedschappen

    A

    Selecteren (V)

    B

    Direct selecteren (A)
    Groep selecteren

    C

    Toverstaf (Y)
    Lasso (Q)

    D
    E
    B
    F

    H
    I

    G

    F

    Tekst (T)
    Vlaktekst
    Tekst op een pad
    Verticale tekst
    Verticale vlaktekst
    Verticale tekst op
    een pad

    Symbolen sproeien
    (Shift+S)
    Symbolen verschuiven
    Symbolen samentrekken
    Symboolgrootte instellen
    Symbolen draaien
    Symbolen brandschilderen
    Symbolen rasteren
    Symboolstijl toepassen

    Tekengereedschappen
    Pen (P)
    Ankerpunt toevoegen (+)
    Ankerpunt verwijderen (-)
    Ankerpunt omzetten
    (Shift+C)

    D

    Potlood (N)
    Vloeiend
    Padgummetje

    Pipet (I)
    Meetlat
    Emmertje voor Actieve
    verf (K)
    Selectie van Actieve
    verf (Shift+L)
    E

    Omvormingsgereedschappen

    Overvloeien (W)

    ❖ Plaats de aanwijzer op het zichtbare gereedschap en houd de muisknop ingedrukt.
    Opties voor een gereedschap weergeven
    ❖ Dubbelklik op een gereedschap.
    Het deelvenster Gereedschappen verplaatsen
    ❖ Sleep de titel van het deelvenster of het Illustrator-pictogram.

    ❖ Kies Venster > Gereedschappen.

    Segmenteer- en
    snijgereedschappen
    Snijgebied (Shift+O)
    Segmenten (Shift+K)
    Segment selecteren
    Gummetje (Shift+E)
    Schaar (C)
    Mes

    Schalen (S)
    Schuintrekken
    Omvormen

    Verborgen gereedschappen weergeven

    Het deelvenster Gereedschappen verbergen

    H

    Roteren (R)
    Spiegelen (O)

    Vrije transformatie (E)

    Grafiekgereedschappen
    Kolomgrafiek (J)
    Gestapelde kolomgrafiek
    Staafgrafiek
    Gestapelde staafgrafiek
    Lijngrafiek
    Vlakgrafiek
    Spreidingsgrafiek
    Schijfgrafiek
    Radargrafiek

    Verloop (G)

    Kromtrekken (Shift+R)
    Kronkel
    Plooi
    Bol
    Schelp
    Kristal
    Kreuken
    Geeft het standaardgereedschap aan
    * Sneltoetsen worden tussen haakjes weergegeven

    G

    Net (U)

    Lijnsegment (\)
    Boog
    Spiraal
    Rechthoekig raster
    Poolraster
    Rechthoek (M)
    Afgeronde rechthoek
    Ovaal (L)
    Veelhoek
    Ster
    Flakkering

    Verfgereedschappen
    Penseel (B)

    Symboolgereedschappen

    I

    Verplaatsings- en zoomgereedschappen
    Handje (H)
    Pagina
    Zoomen (Z)



  • Page 30

    ILLUSTRATOR CS3 24
    Handboek

    Verborgen gereedschappen weergeven in een apart deelvenster
    ❖ Sleep de aanwijzer over de pijl aan het uiteinde van het deelvenster Gereedschappen en laat de muisknop los.
    Een afzonderlijk deelvenster voor een gereedschap sluiten
    ❖ Klik op de sluitknop op de titelbalk van het deelvenster. De gereedschappen worden weer opgenomen in het deelvenster
    Gereedschappen.

    Een gereedschap selecteren
    ❖ Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op een gereedschap in het deelvenster Gereedschappen. Als u rechts onder het gereedschap een driehoekje ziet,
    houdt u de muisknop ingedrukt om de verborgen gereedschappen weer te geven en vervolgens klikt u op het gereedschap
    dat u wilt selecteren.

    • Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik op een gereedschap om verborgen gereedschappen weer te
    geven en te selecteren.

    • Druk op de sneltoets voor het gereedschap. De sneltoets wordt weergegeven in de gereedschapstip. U kunt bijvoorbeeld
    het gereedschap Verplaatsen selecteren door op de letter 'V' te drukken.
    Als u gereedschapstips wilt verbergen, kiest u Bewerken > Voorkeuren > Algemeen (Windows) of Illustrator >
    Voorkeuren > Algemeen (Mac OS) en schakelt u Gereedschapstips uit.
    A

    B

    C

    D

    E

    Een verborgen gereedschap selecteren
    A. Deelvenster Gereedschappen B. Actief gereedschap C. Deelvenster met verborgen gereedschappen losmaken D. Driehoek voor verborgen
    gereedschappen E. Naam en snelkoppeling van gereedschap

    Gereedschapsaanwijzers wijzigen
    De muisaanwijzer van de meeste gereedschappen komt overeen met het pictogram van het desbetreffende gereedschap.
    Elke aanwijzer heeft een andere hotspot, het punt waar een effect of handeling begint. Bij de meeste gereedschappen kunt
    u overschakelen op precisiecursors, die worden weergegeven als een dradenkruis dat is gecentreerd rond de hotspot en
    waarmee u nauwkeuriger kunt werken bij illustraties met veel details.
    ❖ Kies Bewerken > Voorkeuren > Algemeen (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Algemeen (Mac OS) en selecteer
    Precisiecursors gebruiken. U kunt ook op het toetsenbord op Caps Lock drukken.

    Galerie met selectiegereedschappen
    In Illustrator kunt u beschikken over de volgende selectiegereedschappen:



  • Page 31

    ILLUSTRATOR CS3 25
    Handboek

    Met het gereedschap
    Selecteren (V) selecteert u
    hele objecten.

    Met het gereedschap Direct
    selecteren (A) selecteert u
    punt- of padsegmenten
    binnen objecten.

    Met het gereedschap Groep
    selecteren selecteert u
    objecten en groepen in
    groepen.

    Met het gereedschap
    Toverstaf (Y) selecteert u
    objecten met vergelijkbare
    kenmerken.

    Met het gereedschap Lasso
    (Q) selecteert u punt- of
    padsegmenten binnen
    objecten.

    Zie ook
    “Toetsen voor selecteren” op pagina 440

    Galerie met tekengereedschappen
    In Illustrator kunt u beschikken over de volgende tekengereedschappen:

    Met het gereedschap Pen (P)
    tekent u rechte en kromme
    lijnen om objecten te maken.

    Met het gereedschap
    Ankerpunt toevoegen (+)
    voegt u ankerpunten aan
    paden toe.

    Met het gereedschap
    Ankerpunt verwijderen (-)
    verwijdert u ankerpunten
    van paden.

    Met het gereedschap
    Ankerpunt omzetten
    (Shift+C) wijzigt u vloeiende
    punten in hoekpunten en
    andersom.



  • Page 32

    ILLUSTRATOR CS3 26
    Handboek

    Met het gereedschap
    Lijnsegment (\) tekent u
    afzonderlijke rechtelijnsegmenten.

    Met het gereedschap Boog
    tekent u afzonderlijke
    holronde of bolronde
    boogsegmenten.

    Met het gereedschap Spiraal
    tekent u spiralen rechtsom en
    linksom.

    Met het gereedschap
    Rechthoekig raster tekent u
    rechthoekige rasters.

    Met het gereedschap
    Poolraster tekent u ronde
    diagramrasters.

    Met het gereedschap
    Rechthoek (M) tekent u
    vierkanten en rechthoeken.

    Met het gereedschap
    Afgeronde rechthoek tekent u
    vierkanten en rechthoeken
    met afgeronde hoeken.

    Met het gereedschap Ovaal
    (L) tekent u cirkels en ovalen.

    Met het gereedschap
    Veelhoek tekent u regelmatige
    vormen met meerdere zijden.

    Met het gereedschap Ster
    tekent u sterren.

    Met het gereedschap
    Flakkering maakt u vlam- of
    zonlichteffecten.

    Met het gereedschap Potlood
    (N) tekent en bewerkt u vrije
    lijnen.

    Met het gereedschap
    Vloeiend maakt u Bézierpaden vloeiend.

    Met het gereedschap
    Padgummetje wist u paden
    en ankerpunten in het object.



  • Page 33

    ILLUSTRATOR CS3 27
    Handboek

    Galerie met tekstgereedschappen
    In Illustrator beschikt u over de volgende tekstgereedschappen:

    Met het gereedschap Tekst
    (T) maakt u afzonderlijke
    tekst en tekstcontainers.
    Daarnaast kunt u tekst typen
    en bewerken.

    Met het gereedschap
    Vlaktekst wijzigt u gesloten
    paden in tekstcontainers en
    kunt u hierin tekst typen en
    bewerken.

    Met het gereedschap
    Verticale vlaktekst wijzigt u
    gesloten paden in verticaletekstcontainers en kunt u
    hierin tekst typen en
    bewerken.

    Met het gereedschap
    Verticale tekst op een pad
    wijzigt u paden in tekstpaden
    waar u tekst op kunt invoeren
    en wijzigen.

    Met het gereedschap Tekst op
    een pad wijzigt u paden in
    tekstpaden waar u tekst op
    kunt invoeren en wijzigen.

    Met het gereedschap
    Verticale tekst maakt u
    verticale tekst en verticaletekstcontainers en kunt u
    verticale tekst invoeren en
    bewerken.

    Galerie met verfgereedschappen
    In Illustrator kunt u beschikken over de volgende tekengereedschappen:

    Met het gereedschap
    Penseel (B) tekent u vrijevormlijnen en kalligrafische
    lijnen, maar ook illustraties
    en patronen op paden.

    Met het gereedschap Net (U)
    maakt en bewerkt u netten
    en omhulsels voor netten.

    Met het gereedschap
    Verloop (G) past u de beginen eindpunten en de hoek
    van verlopen binnen
    objecten aan.

    Met het gereedschap Pipet
    (I) neemt u monsters van
    kleur-, tekst- en
    vormgevingskenmerken
    (waaronder effecten) van
    objecten en past u deze toe.



  • Page 34

    ILLUSTRATOR CS3 28
    Handboek

    Met het gereedschap
    Emmertje voor Actieve verf
    (K) verft u vlakken en
    randen van groepen van
    Actieve verf met de huidige
    verfkenmerken.

    Met het gereedschap Selectie
    van Actieve verf selecteert u
    vlakken en randen in
    groepen van Actieve verf.

    Met het gereedschap Meetlat
    meet u de afstand tussen
    twee punten.

    Galerie met omvormingsgereedschappen
    Illustrator beschikt over de volgende gereedschappen voor het omvormen van objecten:

    Met het gereedschap Roteren
    (R) roteert u objecten rond
    een vast punt.

    Met het gereedschap
    Spiegelen (O) worden
    objecten over een vaste as
    gespiegeld.

    Met het gereedschap Schalen
    (S) wijzigt u de grootte van
    objecten rond een vast punt.

    Met het gereedschap
    Omvormen stelt u
    geselecteerde ankerpunten bij
    terwijl het pad even
    gedetailleerd blijft.

    Met het gereedschap Vrije
    transformatie (E) kunt u
    selecties schalen, roteren of
    schuintrekken.

    Met het gereedschap
    Overvloeien (W) laat u de
    kleur en vorm van meerdere
    objecten in elkaar
    overvloeien.

    Met het gereedschap
    Schuintrekken trekt u
    objecten schuin rond een vast
    punt.



  • Page 35

    ILLUSTRATOR CS3 29
    Handboek

    Met het gereedschap
    Kromtrekken (Shift+R)
    vormt u objecten door de
    cursor te bewegen (zoals u
    bijvoorbeeld klei vormt).

    Met het gereedschap Kronkel
    maakt u kronkelende
    vervormingen binnen een
    object.

    Met het gereedschap Plooi
    maakt u een object
    compacter door regelpunten
    in de richting van de cursor te
    verplaatsen.

    Met het gereedschap Schelp
    voegt u willekeurige kromme
    details toe aan de omtrek van
    een object.

    Met het gereedschap Kristal
    voegt u willekeurige puntige
    details toe aan de omtrek van
    een object.

    Met het gereedschap Kreuken
    voegt u allerlei kreukels toe
    aan de omtrek van een object.

    Met het gereedschap Bol laat
    u een object opzwellen door
    regelpunten bij de cursor
    vandaan te verplaatsen.

    Galerie met symboolgereedschappen
    Met de symboolgereedschappen kunt u sets symbolen maken en aanpassen. U maakt een set symbolen met het gereedschap
    Symbolen sproeien. Vervolgens kunt u de andere symboolgereedschappen gebruiken om de dichtheid, kleur, locatie,
    grootte, rotatie, transparantie en stijl van de symbolen in de set te wijzen.

    Met het gereedschap
    Symbolen sproeien (Shift+S)
    plaatst u meerdere
    symboolexemplaren in een
    reeks in het tekengebied.

    Met het gereedschap
    Symbolen verschuiven
    verplaatst u
    symboolexemplaren.

    Met het gereedschap
    Symbolen samentrekken zet
    u symbolen dichter bij elkaar
    of verder bij elkaar vandaan.

    Met het gereedschap
    Symboolgrootte instellen past
    u de grootte van
    symboolexemplaren aan.



  • Page 36

    ILLUSTRATOR CS3 30
    Handboek

    Met het gereedschap
    Symbolen draaien roteert u
    symboolexemplaren.

    Met het gereedschap
    Symbolen brandschilderen
    kleurt u symboolexemplaren.

    Met het gereedschap
    Symbolen rasteren past u
    dekking toe op
    symboolexemplaren.

    Met het gereedschap
    Symboolstijl toepassen past u
    de geselecteerde stijl toe op
    symboolexemplaren.

    Galerie met grafiekgereedschappen
    Illustrator bevat negen grafiekgereedschappen, elk voor het maken van een ander type grafiek. Het type grafiek dat u kiest,
    is afhankelijk van de gegevens die u wilt weergeven.
    80
    70
    60
    50
    40
    30
    20
    10
    0

    100
    80
    60

    A

    A

    B

    B

    40
    20
    A

    B

    Met het gereedschap
    Kolomgrafiek (J) maakt u
    grafieken waarin waarden in
    verticale kolommen worden
    vergeleken.

    0

    A

    B

    Met het gereedschap
    Gestapelde kolomgrafiek
    maakt u grafieken die
    vergelijkbaar zijn met
    kolomgrafieken, maar
    waarbij de kolommen niet
    naast elkaar worden
    gepresenteerd, maar op
    elkaar worden gestapeld. Dit
    grafiektype is handig om de
    relatie van delen tot het
    totaal aan te geven.

    0 10 20 30 40 50 60 70 80

    Met het gereedschap
    Staafgrafiek maakt u
    grafieken die vergelijkbaar
    zijn met kolomgrafieken,
    maar waarbij de staven
    horizontaal in plaats van
    verticaal worden geplaatst.

    0 20 40 60 80 100

    Met het gereedschap
    Gestapelde staafgrafiek
    maakt u grafieken die
    vergelijkbaar zijn met
    gestapelde kolomgrafieken,
    maar waarbij de staven
    horizontaal in plaats van
    verticaal worden gestapeld.



  • Page 37

    ILLUSTRATOR CS3 31
    Handboek

    80

    100

    50

    70

    80

    40

    60

    30

    40

    20

    30

    20

    10

    20

    0

    0

    60
    50
    40

    10 20 30 40 50

    Met het gereedschap
    Lijngrafiek maakt u
    grafieken waarin punten een
    of meer sets waarden
    vertegenwoordigen. De
    punten van elke set zijn met
    elkaar verbonden door
    middel van een lijn. Dit type
    grafiek wordt vaak gebruikt
    om het trendverloop van een
    of meer onderwerpen over
    een tijdsperiode aan te geven.

    Met het gereedschap
    Vlakgrafiek maakt u
    grafieken die vergelijkbaar
    zijn met lijngrafieken, maar
    waarin naast veranderingen
    van waarden ook totalen
    worden benadrukt.

    A

    B

    C

    D

    10 20 30 40 50

    Met het gereedschap
    Spreidingsgrafiek maakt u
    grafieken waarin
    gegevenspunten als sets
    coördinatenparen langs de xen de y-as worden uitgezet.
    Spreidingsgrafieken zijn
    handig om patronen of
    trends in gegevens te
    identificeren. U kunt hiermee
    ook nagaan of variabelen
    elkaar beïnvloeden.

    Met het gereedschap
    Schijfgrafiek maakt u
    cirkelvormige grafieken
    waarvan de segmenten de
    relatieve percentages van de
    vergeleken waarden
    vertegenwoordigen.

    50
    40
    30
    20
    10

    Met het gereedschap
    Radargrafiek maakt u
    grafieken waarin sets
    waarden op bepaalde punten
    in de tijd of in bepaalde
    categorieën worden
    vergeleken. Deze grafiek heeft
    een cirkelvormige indeling
    Dit soort grafiek wordt ook
    wel een webgrafiek genoemd.

    Galerie met gereedschappen voor segmenteren en knippen
    In Illustrator beschikt u over de volgende gereedschappen voor het segmenteren en knippen van objecten:

    Met het gereedschap
    Snijgebied selecteert u
    opgegeven gebieden voor
    afdrukken of exporteren.

    Met het gereedschap
    Segmenten splitst u een
    illustratie in afzonderlijke
    webafbeeldingen.

    Met het gereedschap Segment
    selecteren selecteert u
    websegmenten.

    Met het gereedschap
    Gummetje verwijdert u elk
    gebied van het object
    waarover u sleept.



  • Page 38

    ILLUSTRATOR CS3 32
    Handboek

    Met het gereedschap Schaar
    (C) knipt u paden door op
    opgegeven punten.

    Met het gereedschap Mes
    snijdt u objecten en paden
    door.

    Galerie met gereedschappen voor verplaatsen en zoomen
    Illustrator bevat de volgende gereedschappen waarmee u door het tekengebied beweegt en de weergave van het tekengebied
    instelt:

    Met het gereedschap Handje
    (H) verplaatst u het
    Illustrator-tekengebied
    binnen het illustratievenster.

    Met het gereedschap Pagina
    past u het paginaraster aan
    om te bepalen waar de
    illustraties op de afgedrukte
    pagina worden geplaatst.

    Met het gereedschap Zoomen
    (Z) verhoogt en verlaagt u
    het zoompercentage in het
    illustratievenster.

    Bestanden en sjablonen
    Profielen voor nieuwe documenten
    Een document is de ruimte waarin u illustraties maakt. In Illustrator kunt u documenten maken voor een groot aantal
    uitvoermogelijkheden. In het PDF-bestand Enhancing Video Production (Videoproductie verbeteren) op
    www.adobe.com/go/learn_ai_video_nl vindt u meer informatie over het maken van Illustrator-documenten voor
    videoproductie.
    U maakt een nieuw document door een nieuw documentprofiel te kiezen op basis van de gewenste uitvoer. Elk profiel bevat
    vooraf ingestelde waarden voor de grootte, kleurmodus, eenheden, afdrukstand, transparantie en resolutie. In het profiel
    Video en film worden bijvoorbeeld pixels in plaats van punten gebruikt en kan een apparaatspecifiek snijgebied worden
    gekozen, zoals NTSC DV Breedbeeld. Zo ontstaat een document met precies de vereiste dimensies en met hulplijnen voor
    veilige gebieden voor video, zodat u een ontwerp kunt maken voor optimale weergaveresultaten.
    Als u uw bestand bij een professionele drukker wilt laten afdrukken (bijvoorbeeld door een servicebureau), kiest u het profiel
    Afdrukken waarmee de juiste resolutie wordt ingesteld voor uw illustraties en de effecten die u hierop hebt toegepast.



  • Page 39

    ILLUSTRATOR CS3 33
    Handboek

    U kunt de volgende profielen kiezen:
    Afdrukken Dit profiel maakt gebruik van een standaard A4-tekengebied en biedt een groot aantal andere vooraf ingestelde

    afdrukformaten waaruit u kunt kiezen. Gebruik dit profiel als u het bestand door een servicebureau wilt laten afdrukken
    op een professionele printer.
    Web Dit profiel biedt vooraf ingestelde opties die zijn geoptimaliseerd voor uitvoer naar het web.
    Mobiele apparaten Met dit profiel maakt u een klein bestand dat vooraf is ingesteld voor een bepaald mobiel apparaat. U
    kunt het gewenste apparaat kiezen uit het menu Grootte. Klik op Adobe Device Central om Adobe Device Central te
    openen en de documentopmaak in de interface van een opgegeven apparaat weer te geven.
    Video en film Dit profiel biedt diverse vooraf ingestelde snijgebiedformaten voor video en film (de optie Tekengebied
    verandert in de optie voor uitsnijdgrootte voor dit profiel). Illustrator maakt alleen bestanden met vierkante pixels. Om
    ervoor te zorgen dat de afmetingen correct worden geïnterpreteerd in videotoepassingen, past Illustrator de waarden voor
    Breedte en Hoogte aan. Als u bijvoorbeeld NTSC DV Standaard kiest, gebruikt Illustrator een pixelgrootte van 648 x 480,
    die wordt vertaald naar 740 x 480 pixels in videotoepassingen.
    Basis CMYK Dit profiel gebruikt een standaardtekengebied van A4-formaat en biedt verschillende andere grootten die u

    kunt selecteren. Gebruik dit profiel als u een document naar meerdere soorten media wilt verzenden. Als een van de
    mediatypen een servicebureau is, kunt u de instelling Rasterresolutie handmatig instellen op Hoog.
    Basis RGB Dit profiel gebruikt een standaardtekengebied van 800 x 600 en biedt verschillende andere grootten voor uitvoer

    in gedrukte vorm, als video en voor het web. Gebruik dit profiel niet als u een document naar een servicebureau wilt
    verzenden of door een professionele drukker wilt laten drukken. Gebruik dit profiel voor documenten die u wilt uitvoeren
    op printers voor middelgrote afdrukvolumes of voor documenten die bestemd zijn voor het web of voor meerdere soorten
    media.
    Op www.adobe.com/go/vid0031_nl vindt u een video over het instellen van nieuwe documenten.

    Nieuwe documenten maken
    U kunt nieuwe Illustrator-documenten maken op basis van een profiel voor nieuwe documenten of op basis van een
    sjabloon. Als u een document maakt op basis van een profiel voor nieuwe documenten, opent u een leeg document met de
    standaardinstellingen van het geselecteerde profiel voor de vul- en -streekkleuren, afbeeldingsstijlen, penselen, symbolen,
    handelingen, weergavevoorkeuren en andere opties. Als u een document maakt op basis van een sjabloon, opent u een
    document met vooraf ingestelde ontwerpelementen en -instellingen (en vooraf ingestelde inhoud), zoals snijtekens en
    hulplijnen, voor specifieke documenttypen, zoals brochures of cd-hoezen.
    U kunt een nieuw document maken in het welkomstscherm of met de opdracht Bestand > Nieuw of Bestand > Adobe
    Device Central (voor uitvoer op mobiele apparaten). Het welkomstscherm wordt weergegeven wanneer er geen document
    geopend is.
    Op www.adobe.com/go/vid0031_nl vindt u een video over het instellen van nieuwe documenten.

    Zie ook
    “Profielen voor nieuwe documenten” op pagina 32
    “Sjablonen” op pagina 35
    “Transparantie” op pagina 164
    Een nieuw document maken met het welkomstscherm

    1 Open Illustrator of kies Help > Welkomstscherm als Illustrator al geopend is.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Selecteer een profiel voor een nieuw document in de lijst Nieuw document maken. Het dialoogvenster Nieuw document
    wordt geopend, waarin voor alle opties geoptimaliseerde waarden zijn ingesteld voor het geselecteerde profiel voor het
    nieuwe document. Wijzig desgewenst de vooraf ingestelde waarden en klik op OK om het nieuwe document te openen.



  • Page 40

    ILLUSTRATOR CS3 34
    Handboek

    Opmerking: Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik als u het nieuwe document rechtstreeks wilt openen
    en het dialoogvenster Nieuw document wilt overslaan.

    • Selecteer Van sjabloon in de lijst Nieuw document maken. Selecteer een sjabloon en klik op OK.
    Een aangepast document maken

    U kunt elk document aanpassen door de instellingen in het dialoogvenster Nieuw document te wijzigen. Het is echter altijd
    raadzaam te beginnen met het profiel voor het nieuwe document dat is gebaseerd op de uitvoer die u voor ogen hebt.
    Als u de vooraf ingestelde opties van een ander Illustrator-bestand of een andere Illustrator-sjabloon wilt gebruiken, kiest
    u Bladeren in het menu Nieuw documentprofiel en opent u het bestand dat u wilt gebruiken.
    1 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Kies Bestand > Nieuw. Typ in het dialoogvenster Nieuw document een naam voor uw document en kies een profiel voor
    het nieuwe document.

    • Kies in het welkomstscherm een profiel voor het nieuwe document in de lijst Nieuw document maken. Typ in het
    dialoogvenster Nieuw document een naam voor uw document.
    2 Stel naar wens opties in om het document aan te passen. Klik op Geavanceerd om de volgende extra opties in te stellen:
    Kleurmodus Hiermee stelt u de kleurmodus in voor het nieuwe document. Als u de kleurmodus wijzigt, wordt de

    standaardinhoud (stalen, penselen, symbolen, afbeeldingsstijlen) van het geselecteerde profiel voor het nieuwe document
    omgezet in een nieuwe kleurmodus, zodat de kleuren worden gewijzigd. Let op het waarschuwingspictogram wanneer u
    wijzigingen aanbrengt.
    Rasterresolutie Hier stelt u de resolutie in voor rastereffecten in het document. Het is vooral belangrijk deze optie in te

    stellen op Hoog wanneer u uw document wilt uitvoeren op een professionele printer en met een hoge resolutie. In het
    profiel Afdrukken is deze optie standaard ingesteld op Hoog.
    Transparantieraster Hiermee bepaalt u de opties voor het transparantieraster voor documenten die zijn gebaseerd op het
    profiel Video en film.
    Voorvertoning Hiermee stelt u de standaardvoorvertoningsmodus in voor het nieuwe document. (U kunt de modus op elk

    gewenst moment wijzigen met het menu Weergave.):

    • Met Standaard worden illustraties die zijn gemaakt in het document in kleur weergegeven in de vectorweergave. U kunt
    vloeiende curven behouden door in en uit te zoomen.

    • Met Pixel worden illustraties weergegeven in gerasterde vorm (in pixels). De inhoud wordt niet daadwerkelijk gerasterd,
    maar er wordt een gesimuleerde voorvertoning weergegeven, waarin het lijkt alsof de inhoud uit rasters bestaat.

    • Met Overdruk wordt een 'voorvertoning met inkt' weergegeven waarin wordt geïnterpreteerd hoe het overvloeien, de
    transparantie en het overdrukken eruit zullen zien bij uitvoer met kleurscheiding. (Zie “Informatie over overdrukken”
    op pagina 403.)
    3 (Optioneel) Als u het profiel Mobiele apparaten kiest, kunt u een voorvertoning van uw nieuwe document in de mobieleapparaatinterface weergeven door te klikken op Adobe Device Central.
    Opmerking: Nadat u het document hebt gemaakt, kunt u deze instellingen wijzigen met de opdracht Bestand >
    Documentinstellingen en nieuwe instellingen opgeven.
    Een nieuw document maken op basis van een sjabloon
    ❖ Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Kies Bestand > Nieuw van sjabloon, selecteer een sjabloon en klik op Nieuw.
    • Kies Bestand > Nieuw. Klik op Sjablonen in het dialoogvenster Nieuw document, selecteer een sjabloon en klik op
    Nieuw.



  • Page 41

    ILLUSTRATOR CS3 35
    Handboek

    Sjablonen
    Met sjablonen kunt u nieuwe documenten met gemeenschappelijke instellingen en ontwerpelementen maken. Als u
    bijvoorbeeld een reeks visitekaartjes wilt ontwerpen met een vergelijkbare vormgeving, kunt u een sjabloon maken met de
    gewenste grootte van het tekengebied, weergave-instellingen (zoals hulplijnen) en afdrukopties. De sjabloon kan symbolen
    voor algemene ontwerpelementen (zoals logo's) en specifieke sets kleurstalen, penselen en afbeeldingsstijlen bevatten.
    Illustrator bevat allerlei sjablonen, zoals sjablonen voor briefpapier, visitekaartjes, enveloppen, brochures, etiketten,
    diploma's, ansichtkaarten, briefkaarten en websites.
    Als u een sjabloon selecteert met de opdracht Nieuw van sjabloon, wordt een nieuw document gemaakt met een inhoud en
    documentinstellingen die identiek zijn aan die van de sjabloon. Het oorspronkelijke sjabloonbestand blijft echter
    ongewijzigd.

    Zie ook
    “Nieuwe documenten maken” op pagina 33

    Een nieuwe sjabloon maken
    1 Open een nieuw of bestaand document.
    2 Pas het document op een van de volgende manieren aan:

    • Stel het documentvenster in zoals u het wilt weergeven in nieuwe documenten die u maakt op basis van de sjabloon. Tot
    de instellingen behoren het vergrotingsniveau, de positie van de schuifbalken, de oorsprong van de liniaal, hulplijnen,
    rasters, snijgebieden en opties in het menu Weergave.

    • Teken of importeer illustraties die u wilt opnemen in nieuwe documenten die u met de sjabloon maakt.
    • Verwijder bestaande stalen, stijlen, penselen of symbolen die u niet nodig hebt.
    • Maak nieuwe stalen, stijlen, penselen en symbolen in de desbetreffende deelvensters. U kunt ook vooraf ingestelde stalen,
    stijlen, penselen, symbolen en handelingen importeren uit verschillende bibliotheken die deel uitmaken van Illustrator.

    • Maak grafiekontwerpen en voeg deze toe aan het dialoogvenster Type grafiek. U kunt ook vooraf ingestelde
    grafiekontwerpen importeren.

    • Stel de gewenste opties in het dialoogvenster Documentinstellingen en het dialoogvenster Afdrukopties in.
    3 Kies Bestand > Opslaan als sjabloon.
    4 Selecteer in het dialoogvenster Opslaan als een locatie voor het bestand, voer een bestandsnaam in en klik op Opslaan.
    Illustrator slaat het bestand op in de AIT-indeling (Adobe Illustrator Template).

    Een bestand openen
    U kunt niet alleen bestanden openen die in Illustrator zijn gemaakt, maar ook bestanden die in andere toepassingen zijn
    gemaakt.

    • Als u een bestaand bestand wilt openen, kiest u Bestand > Openen. Zoek het bestand en klik op Openen.
    • Als u een onlangs opgeslagen bestand wilt openen, kiest u het bestand in de lijst Onlangs geopend item openen in het
    welkomstscherm of u selecteert Bestand > Recente bestanden openen en u kiest een bestand in de lijst.

    • Als u een bestand wilt openen of een voorvertoning ervan wilt zien met Adobe Bridge, kiest u Bestand > Bladeren om
    Adobe Bridge te openen. Zoek het bestand en kies Bestand > Openen met > Adobe Illustrator CS3.

    Zie ook
    “Adobe PDF-bestanden importeren” op pagina 245
    “EPS-bestanden importeren” op pagina 247
    “Illustraties importeren uit Photoshop” op pagina 248



  • Page 42

    ILLUSTRATOR CS3 36
    Handboek

    Naar bestanden bladeren met Adobe Bridge
    Adobe® Bridge is een toepassing die op verschillende platforms kan worden gebruikt en die deel uitmaakt van de
    componenten van Adobe® Creative Suite® 3. Met Bridge kunt u de elementen zoeken, ordenen en bekijken waarmee u
    materiaal voor drukwerk, het web, video en audio maakt. U kunt Bridge starten vanuit elke toepassing van Creative Suite
    (behalve Adobe® Acrobat® 8) en Bridge gebruiken om zowel Adobe- als niet-Adobe-bestanden te openen.
    ❖ Om Adobe Bridge te openen vanuit Illustrator, voert een van de volgende handelingen uit:

    • Kies Bestand > Bladeren.
    • Klik op het pictogram Adobe Bridge

    in het deelvenster Beheer.

    • Kies Tonen in Bridge op de statusbalk.
    In Adobe Bridge kunt u de volgende handelingen uitvoeren:

    • Afbeeldings-, beeldmateriaal- en audiobestanden beheren: in Bridge kunt u voorvertoningen van bestanden bekijken,
    naar bestanden zoeken en bestanden ordenen en verwerken zonder de afzonderlijke toepassingen te hoeven openen. U
    kunt eveneens metagegevens voor bestanden bewerken en bestanden in uw documenten, projecten of composities
    plaatsen.

    • Foto's beheren: u kunt foto's vanaf de geheugenkaart van uw digitale camera importeren en bewerken, bij elkaar horende
    foto's in stapels groeperen, en daarnaast Photoshop® Camera Raw-bestanden openen of importeren en hun instellingen
    wijzigen zonder PhotoShop te starten. Daarnaast kunt u fotobibliotheken doorzoeken en royaltyvrije afbeeldingen
    downloaden via Adobe Stock Photos.

    • Werken met elementen die door Adobe Version Cue® worden beheerd.
    • Geautomatiseerde taken uitvoeren, zoals batch-opdrachten.
    • Kleurinstellingen in Creative Suite-componenten met kleurbeheer synchroniseren
    • Een webconferentie in real-time starten om uw desktop te delen en documenten te reviewen.

    Adobe Version Cue
    Adobe® Version Cue® is een bestandsversiebeheerder die wordt geleverd bij Adobe Creative Suite 3 Design-, Web- en Master
    Collection-edities en die uit twee delen bestaat: de Version Cue-server en Version Cue-verbinding. De Version Cue-server
    ontvangt Version Cue-projecten en PDF-beoordelingen en kan lokaal of op een gecentraliseerde computer worden
    geïnstalleerd. Met de Version Cue-verbinding kunt u verbinding maken met Version Cue-servers; ze wordt geleverd bij alle
    toepassingen die geschikt zijn voor Version Cue (Adobe Acrobat®, Adobe Flash®, Adobe Illustrator®, Adobe InDesign®,
    Adobe InCopy®, Adobe Photoshop® en Adobe Bridge).
    Gebruik Version Cue om wijzigingen aan een bestand op te sporen terwijl u erin werkt en voor samenwerking met een
    werkgroep, zoals het delen van bestanden, versiecontrole en online beoordelingen. U kunt Version Cue gebruiken in één
    Creative Suite-toepassing die geschikt is voor Version Cue, zoals Photoshop, of in meerdere toepassingen, zoals Photoshop,
    Flash en Illustrator.
    U krijgt toegang tot Version Cue-functies door middel van het Adobe-dialoogvenster of via Adobe Bridge, afhankelijk van
    het feit of u software gebruikt die geschikt is voor Version Cue en of u al dan niet een Creative Suite-softwareset
    (bijvoorbeeld Adobe Creative Suite 3 Design Premium) hebt geïnstalleerd.
    Met Version Cue worden de volgende taken verwerkt:

    • Versies van uw bestanden maken
    • Samenwerking in een werkgroep mogelijk maken (bestanden delen, versiecontrole, bestanden grondig kunnen
    controleren)

    • Bestanden in persoonlijke of gedeelde projecten organiseren
    • Miniatuurweergaven bieden zodat u bestanden kunt doorbladeren en weergeven
    • Gegevens organiseren zodat u bestandsinformatie, de versieopmerkingen en de bestandsstatus kunt weergeven en hierop
    kunt zoeken

    • Gebruikerstoegang en PDF-beoordelingen maken en beheren via Beheer Version Cue-server



  • Page 43

    ILLUSTRATOR CS3 37
    Handboek

    Illustraties uitsnijden
    Snijgebieden maken, bewerken en verwijderen
    Met het snijgebied stelt u de positie van de drukkersmarkeringen in het document in en definieert u de exporteerbare
    grenzen van de illustratie. In Illustrator worden illustraties standaard uitgesneden tot de grenzen van het tekengebied, die
    u opgeeft wanneer u een documentprofiel selecteert in het dialoogvenster Nieuw document. U kunt uw illustraties ook
    laten uitsnijden tot een vooraf ingesteld snijgebied of tot een aangepast snijgebied dat u zelf kunt instellen.
    U kunt voor elk document meerdere snijgebieden maken, maar u kunt per keer slechts één snijgebied activeren. Als u
    meerdere snijgebieden hebt ingesteld, kunt u al deze snijgebieden weergeven door het gereedschap Snijgebied te selecteren
    terwijl u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt houdt. Elk snijgebied heeft een nummer, zodat u het snijgebied
    gemakkelijk kunt vinden. U kunt een snijgebied op elk gewenst moment bewerken of verwijderen en u kunt bij elke afdrukof exporteerbewerking een ander snijgebied opgeven.
    De grenzen van een snijgebied worden aangegeven met een onderbroken lijn rondom de illustratie. Gebieden buiten het
    snijgebied worden grijs weergegeven als het gereedschap Snijgebied is geselecteerd. Desgewenst kunt u ook een
    middenmarkering, dradenkruizen, veilige gebieden voor video, markeringen voor de schermrand en snijgebiedlinialen
    weergeven.
    Op www.adobe.com/go/vid0213_nl vindt u een video over het gebruik van het gereedschap Snijgebied.
    Eén snijgebied instellen

    1 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een aangepast snijgebied wilt instellen met het gereedschap Snijgebied, selecteert u het gereedschap Snijgebied en
    sleept u in het werkgebied om het snijgebied in te stellen.

    • Als u een vooraf ingesteld snijgebied wilt gebruiken, dubbelklikt u op het gereedschap Snijgebied en selecteert u een
    voorinstelling voor de grootte van het snijgebied in het dialoogvenster Opties voor snijgebied. Klik vervolgens op OK.
    Sleep het snijgebied naar de gewenste positie.
    Als de illustratie een afloop moet bevatten, zorg er dan voor dat het deel van de illustratie buiten het snijgebied groot genoeg
    is voor de afloop.
    2 Klik op een ander gereedschap in het deelvenster Gereedschappen om het snijgebied vast te leggen en de modus voor
    het bewerken van het snijgebied af te sluiten.
    Extra snijgebieden instellen en weergeven
    ❖ Selecteer het gereedschap Snijgebied en voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een nieuw snijgebied wilt maken, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en sleept u met de muis.
    Elk snijgebied heeft een uniek nummer dat wordt weergegeven in de linkerbovenhoek van het snijgebied.

    • Als u alle snijgebieden wilt weergeven, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt.
    • Als u een snijgebied als het actieve snijgebied wilt instellen, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en
    klikt u op het snijgebied dat u actief wilt maken.

    • Als u de snijgebieden een voor een wilt langsgaan, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klikt u op
    een pijltoets.
    Een snijgebied verwijderen
    ❖ Selecteer het gereedschap Snijgebied en voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op Verwijderen in het deelvenster Beheer om het actieve snijgebied te verwijderen.
    • Als u een of meer snijgebieden wilt verwijderen, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt om alle
    bestaande snijgebieden weer te geven en klikt u op het pictogram Verwijderen
    snijgebied dat u wilt verwijderen.

    in de rechterbovenhoek van het

    • Als u alle snijgebieden wilt verwijderen, klikt u op Alles verwijderen in het deelvenster Beheer of drukt u op Alt+Delete
    (Windows) of Option+Delete (Mac OS).



  • Page 44

    ILLUSTRATOR CS3 38
    Handboek

    Een snijgebied bewerken of verplaatsen
    ❖ Selecteer het gereedschap Snijgebied en voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u het snijgebied wilt bewerken, plaatst u de aanwijzer op een rand of hoek van het snijgebied. Wanneer de aanwijzer
    verandert in een dubbele pijl, sleept u om het snijgebied te wijzigen. U kunt ook nieuwe waarden opgeven bij Breedte en
    Hoogte in het deelvenster Beheer.

    • Als u het snijgebied wilt verplaatsen, plaatst u de aanwijzer in het midden van het snijgebied. Wanneer de aanwijzer
    verandert in een vierpuntige pijl, sleept u de aanwijzer. U kunt het snijgebied ook selecteren en op een pijltoets drukken
    (druk op Shift+pijltoets om het snijgebied te verplaatsen in stappen van 10 punten) of u kunt nieuwe waarden opgeven
    bij X en Y in het deelvenster Beheer.

    Snijgebiedlinialen gebruiken
    U kunt linialen weergegeven door Snijgebiedlinialen tonen te selecteren in het dialoogvenster Opties voor snijgebied, dat
    u opent door te dubbelklikken op het gereedschap Snijgebied. Linialen zijn handig wanneer u werkt met materiaal dat u
    wilt exporteren naar video. De cijfers op de linialen geven apparaatspecifieke pixels aan, ongeacht de maateenheid die u
    hebt opgegeven onder Voorkeuren. De standaardpixelverhouding voor Illustrator is 1,0 (voor vierkante pixels). Deze
    waarde wordt aangepast op basis van het vooraf ingestelde snijgebied dat u kiest in het dialoogvenster Opties voor
    snijgebied of het dialoogvenster Nieuw document.
    Als u niet-vierkante pixels gebruikt, kunt u met de liniaal gemakkelijker apparaatspecifieke pixelberekeningen uitvoeren.
    Als u bijvoorbeeld een snijgebied opgeeft van 100 x100 Illustrator-punten en u wilt weten wat de exacte grootte is in
    apparaatafhankelijke pixels voordat u het bestand exporteert voor gebruik in een NTSC DV-breedbeeld, kunt u de
    snijgebiedliniaal in Illustrator instellen op gebruik van een pixelverhouding van 1,2 (voor brede pixels). Deze wijziging
    wordt doorgevoerd in de liniaal en het snijgebied wordt weergegeven als apparaatpixels van 83 x100 (100/1,2 = 83,333).

    Snijgebied met linialen

    1 Dubbelklik op het gereedschap Snijgebied in het deelvenster Gereedschappen.
    2 Selecteer Snijgebiedlinialen tonen en stel een waarde in voor de pixelverhouding van de liniaal.

    Opties voor snijgebied
    U opent het dialoogvenster Opties voor snijgebied door te dubbelklikken op het gereedschap Snijgebied. Als het
    gereedschap Snijgebied actief is, kunt u een groot aantal van deze opties ook instellen in het deelvenster Beheer.
    Voorinstelling Hiermee geeft u de afmetingen van het snijgebied op. Met deze voorinstellingen wordt de juiste
    pixelverhouding van de liniaal voor de beoogde uitvoer ingesteld.
    Breedte en Hoogte Hiermee stelt u de grootte van het snijgebied in.
    Verhoudingen behouden Hiermee blijven de verhoudingen van het snijgebied intact wanneer u het snijgebied handmatig

    vergroot of verkleint.
    Positie X: en Y: Hiermee bepaalt u de positie van het snijgebied op basis van de linialen in het werkgebied van Illustrator.
    Kies Weergave > Linialen tonen om deze linialen weer te geven.



  • Page 45

    ILLUSTRATOR CS3 39
    Handboek

    Middenmarkering tonen Hiermee geeft u een punt weer in het midden van het snijgebied.
    Dradenkruizen tonen Hiermee geeft u gekruiste lijnen weer door het midden van elke zijde van het snijgebied.
    Veilige gebieden video tonen Hiermee geeft u hulplijnen weer ter indicatie van de gebieden die binnen het weer te geven
    gebied van de video vallen. Zorg ervoor dat alle tekst en illustraties die de gebruikers moeten kunnen zien, zich binnen de
    veilige gebieden voor video bevinden.
    Schermrand tonen Hiermee geeft u hulplijnen weer die de rand van het videoscherm aangeven.
    Snijgebiedlinialen tonen Hiermee geeft u linialen weer rond het snijgebied. Het nulpunt van deze linialen bevindt zich, net

    als bij videolinialen, in de linkerbovenhoek. De aangegeven afmetingen zijn afhankelijk van de waarde in het vak
    Pixelverhouding liniaal.
    Pixelverhouding liniaal Hiermee stelt u de pixelverhouding in die voor de linialen wordt gebruikt.
    Gebied buiten snijgebied vervagen Hiermee geeft u het gebied buiten het snijgebied weer in een kleur die donkerder is dan
    die van het gebied binnen het snijgebied als het gereedschap Snijgebied is geactiveerd.
    Bijwerken tijdens slepen Hiermee blijft het gebied buiten het snijgebied donkerder wanneer u het snijgebied sleept om het

    formaat ervan aan te passen. Als deze optie niet geselecteerd is, hebben het gebied binnen en buiten het snijgebied tijdens
    het aanpassen van het formaat dezelfde kleur.
    Snijgebieden Hiermee wordt aangegeven hoeveel snijgebieden zijn ingesteld.

    Bepalen hoe u illustraties wilt uitsnijden voor afdrukken
    1 Kies Bestand > Afdrukken.
    2 Selecteer Instellen aan de linkerkant van het dialoogvenster Afdrukken.
    3 Geef voor Illustratie uitsnijden tot op of u de illustratie wilt uitsnijden tot het tekengebied, tot het omsluitende kader van
    alle illustraties in het document, of tot het opgegeven snijgebied.
    Als u illustraties wilt uitsnijden tot het snijgebied, moet u het snijgebied eerst definiëren.

    Snijtekens opgeven voor verkleinen of uitlijnen
    Daarnaast kunt u opgeven hoe u illustraties uitsnijdt voor de beoogde uitvoer en kunt u meerdere sets snijtekens in uw
    illustratie maken en gebruiken. Snijtekens geven aan waar papier met de afdruk moet worden afgesneden. Snijtekens zijn
    nuttig als u markeringen rond meerdere objecten op een pagina wilt maken, bijvoorbeeld voor het afdrukken van een reeks
    visitekaartjes. Ze komen ook goed van pas bij het uitlijnen van Illustrator-illustraties die u naar een andere toepassing hebt
    geëxporteerd.
    Snijtekens verschillen in de volgende opzichten van het snijgebied:

    • Snijgebieden geven de afdrukbare grenzen van illustraties aan, terwijl snijtekens niet van invloed zijn op het afgedrukte
    gebied.

    • U kunt per keer slechts één snijgebied activeren, maar u kunt meerdere snijtekens maken en weergeven.
    • Het snijgebied wordt aangegeven met zichtbare, maar niet-afdrukbare markeringen, terwijl snijtekens worden afgedrukt
    met registratiezwart (zodat ze op elke scheidingsplaat worden afgedrukt, net als drukkersmarkeringen).
    Opmerking: Snijtekens komen niet in de plaats van interne snijtekens die zijn toegevoegd met de opties onder Markeringen en
    aflooptekens in het dialoogvenster Afdrukken of met de opdracht Object > Snijgebied > Maken.
    Snijtekens rond een object plaatsen

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Kies Filter > Maken > Snijtekens.
    Snijtekens verwijderen
    ❖ Selecteer het snijteken en druk op Delete.



  • Page 46

    ILLUSTRATOR CS3 40
    Handboek

    Japanse snijtekens gebruiken

    Japanse snijtekens hebben dubbele lijnen, die op visuele wijze een standaardafloopwaarde van 3 millimeter (8,5 punten)
    definiëren.
    1 Kies Bewerken > Voorkeuren > Algemeen (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Algemeen (Mac OS).
    2 Selecteer Japanse snijtekens gebruiken en klik op OK.

    Illustraties weergeven
    Overzicht van het tekengebied
    Het tekengebied is het gehele gebied dat afdrukbare illustraties kan bevatten. De dimensies van het tekengebied komen
    echter niet noodzakelijkerwijs overeen met het huidige paginaformaat. Het tekengebied kan bijvoorbeeld 250 x 500 mm
    groot zijn terwijl de printerinstelling voor het papier 210 x 297 mm, of 864 x 480 pixels, is. U kunt de grenzen van de pagina
    in verhouding tot het tekengebied weergeven door de paginaverdeling weer te geven (Weergave > Paginaverdeling tonen).
    Wanneer de paginaverdeling is ingeschakeld, worden de afdrukbare en niet-afdrukbare gedeelten tussen de buitenste rand
    van het venster en het afdrukbare gedeelte van de pagina aangegeven met een reeks dichte lijnen en stippellijnen.

    A
    B
    C
    D

    Illustratievenster
    A. Afdrukbaar gebied B. Niet-afdrukbaar gebied C. Paginarand D. Tekengebied

    Het afdrukbare gebied wordt omsloten door de binnenste stippellijnen en geeft het deel van de pagina aan dat met de
    geselecteerde printer kan worden afgedrukt. Veel printers kunnen niet tot de rand van de pagina afdrukken.
    Het niet-afdrukbare gebied bevindt zich tussen de twee stippellijnen die de niet-afdrukbare marge van de pagina aangeven.
    De paginarand wordt aangegeven door de buitenste stippellijn.
    Het tekengebied wordt omsloten door dichte lijnen en geeft het maximale afdrukbare gebied aan. Als u de grenzen van het
    tekengebied wilt verbergen, kiest u Weergave > Tekengebied verbergen.
    Het kladgebied is het gebied buiten het tekengebied dat tot de rand van het venster van 1464 vierkante centimeter reikt. Het
    kladgebied is een ruimte waarin u elementen van illustraties kunt maken, bewerken en opslaan voordat u ze naar het
    tekengebied verplaatst. Objecten die in het kladgebied zijn geplaatst, zijn zichtbaar op het scherm maar worden niet
    afgedrukt.



  • Page 47

    ILLUSTRATOR CS3 41
    Handboek

    Zie ook
    “Het paginaformaat en de afdrukrichting wijzigen” op pagina 386
    “Illustraties op de pagina verplaatsen” op pagina 386
    “Illustraties op meerdere pagina's afdrukken” op pagina 386

    De grootte en kleur van het tekengebied wijzigen
    1 Kies Bestand > Documentinstellingen.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit in het menu links boven in het venster Documentinstellingen:

    • Als u de grootte van het tekengebied wilt wijzigen, kiest u Tekengebied en stelt u de grootte en stand van het tekengebied in.
    • Als u de kleur van het tekengebied wilt wijzigen, kiest u Transparantie. Selecteer Gekleurd papier simuleren, klik op het
    bovenste kleurenstaal en selecteer een nieuwe kleur met het dialoogvenster Kleur.
    Als u de kleur van het tekengebied wijzigt, kunt u het document bekijken zoals het eruit kan zien wanneer het op gekleurd
    papier wordt afgedrukt. Als u bijvoorbeeld een blauw object op een gele achtergrond tekent, wordt het object groen
    weergegeven. De simulatie wordt alleen uitgevoerd wanneer het transparantieraster niet wordt weergegeven.

    Paginaverdeling
    Standaard worden illustraties in Illustrator afgedrukt op één vel papier. Als de illustratie echter groter is dan de
    papierformaten die op uw printer beschikbaar zijn, kunt u de illustratie afdrukken op meerdere vellen papier.
    U kunt het tekengebied opsplitsen op basis van de beschikbare paginaformaten van een printer. Dit wordt verdeling
    genoemd. In het gedeelte Instellen van het dialoogvenster Afdrukken kunt u een paginaverdelingsoptie selecteren. Kies
    Weergave > Paginaverdeling tonen om de grenzen van de paginaverdeling in het tekengebied weer te geven.

    Tekengebied met meerdere paginadelen

    Wanneer u het tekengebied opsplitst in meerdere paginadelen, worden de pagina's genummerd van links naar rechts en van
    boven naar beneden, en de nummering begint bij pagina 1. Deze paginanummers worden alleen op het scherm
    weergegeven en worden niet afgedrukt. Aan de hand van de nummers kunt u alle pagina's in het bestand of alleen bepaalde
    pagina's afdrukken.

    Zie ook
    “Het paginaformaat en de afdrukrichting wijzigen” op pagina 386
    “Illustraties op meerdere pagina's afdrukken” op pagina 386



  • Page 48

    ILLUSTRATOR CS3 42
    Handboek

    In- of uitzoomen
    Er zijn verschillende manieren waarop u kunt in- of uitzoomen.

    • Selecteer het gereedschap Zoomen

    . De aanwijzer verandert in een vergrootglas met een plusteken in het midden.
    Klik in het midden van het gebied dat u wilt vergroten of houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik in
    het midden van het gebied dat u wilt verkleinen. Bij elke muisklik wordt de weergave naar het vorige vooraf ingestelde
    percentage vergroot of verkleind.

    • Selecteer het gereedschap Zoomen en sleep een gestippelde driehoek, ofwel een selectiekader, rond het gebied dat u wilt
    vergroten. Als u het selectiekader rond de illustratie wilt verplaatsen, houdt u de spatiebalk ingedrukt en sleept u het
    selectiekader naar een andere plaats.

    • Kies Weergave > Inzoomen of Weergave > Uitzoomen. Bij elke muisklik wordt de weergave naar het volgende vooraf
    ingestelde percentage vergroot of verkleind.

    • Stel het zoomniveau in de linkerbenedenhoek van het hoofdvenster of in het deelvenster Navigator in.
    • Als u een bestand op een grootte van 100% wilt weergeven, kiest u Weergave > Ware grootte of dubbelklikt u op het
    gereedschap Zoomen.

    • Kies Weergave > Passend in venster of dubbelklik op het gereedschap Handje om het document in het documentvenster
    te laten passen.

    Zie ook
    “Galerie met gereedschappen voor verplaatsen en zoomen” op pagina 32
    “Toetsen voor het weergeven van illustraties” op pagina 439

    Het weergavegebied verplaatsen
    Voer een van de volgende twee handelingen uit als u een ander deel van het tekengebied wilt weergeven:

    • Selecteer het gereedschap Handje

    en sleep in de richting waarin u de illustratie wilt verplaatsen.

    • Klik in het deelvenster Navigator op het gebied van de miniatuurweergave dat u in het illustratievenster wilt weergeven.
    U kunt ook het voorvertoningsgebied (het gekleurde vak) naar een ander deel van de miniatuurweergave verplaatsen.
    Als u de kwaliteit van de weergave wilt opgeven wanneer u het Handje gebruikt, kiest u Bewerken > Voorkeuren >
    Eenheden en weergaveprestaties (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Eenheden en weergaveprestaties (Mac OS). Sleep
    de schuifregelaar van het gereedschap Handje naar links om de kwaliteit van de weergave te verbeteren wanneer u deze
    verplaatst met het gereedschap Handje. Sleep de schuifregelaar naar rechts om de snelheid te verhogen waarmee u de weergave
    kunt verplaatsen met het gereedschap Handje.

    Zie ook
    “Galerie met gereedschappen voor verplaatsen en zoomen” op pagina 32
    “Toetsen voor het weergeven van illustraties” op pagina 439

    Overzicht van het deelvenster Navigator
    Met het deelvenster Navigator (Venster > Navigator) wijzigt u snel de weergave van de illustratie met behulp van een
    miniatuur. Het gekleurde vak in het deelvenster Navigator (dit wordt het voorvertoningsgebied genoemd) komt overeen met
    het op dat moment zichtbare gebied in het illustratievenster.



  • Page 49

    ILLUSTRATOR CS3 43
    Handboek

    B

    A

    C

    D

    E

    F

    G

    Deelvenster Navigator
    A. Miniatuurweergave van illustratie B. Knop voor deelvenstermenu C. Zoomvak D. Knop Uitzoomen E. Voorvertoningsgebied
    F. Zoomschuifregelaar G. Knop Inzoomen

    U kunt het deelvenster Navigator op de volgende manieren aanpassen:

    • Als u illustraties buiten de grenzen van het tekengebied in het deelvenster Navigator wilt weergeven, klikt u op Alleen
    tekengebied/snijgebied weergeven in het deelvenstermenu om deze optie uit te schakelen.

    • Als u de kleur van het voorvertoningsgebied wilt wijzigen, selecteert u Deelvensteropties in het deelvenstermenu.
    Selecteer een vooraf ingestelde kleur in het menu Kleur of dubbelklik in het kleurvak om een aangepaste kleur te kiezen.

    • Als u onderbroken lijnen in het document als dichte lijnen wilt weergeven in het deelvenster Navigator, kiest u
    Deelvensteropties in het deelvenstermenu en selecteert u Onderbroken lijnen als dichte lijnen tekenen.

    • Als u de grootte wilt opgeven waarbij tekst in het deelvenster Navigator wordt vervangen door een grijze balk, selecteert
    u Deelvensteropties in het deelvenstermenu en voert u in het vak Tekstsimulatie een fontgrootte in.

    Zie ook
    “De werkruimte aanpassen” op pagina 17

    Illustraties weergeven als omtrekken
    Standaard worden alle illustraties in Adobe Illustrator in kleur weergegeven. U kunt illustraties echter zo weergeven dat
    alleen de omtrekken (of paden) zichtbaar zijn. Wanneer u met ingewikkelde illustraties werkt en deze zonder
    kleurkenmerken worden weergegeven, kan het scherm sneller worden opgebouwd.
    In de omtrekmodus worden gekoppelde bestanden standaard weergegeven als omlijnde vakken die een X bevatten. Als u
    de inhoud van gekoppelde bestanden wilt weergeven, kiest u Bestand > Documentinstellingen, kiest u Tekengebied boven
    in het dialoogvenster en selecteert u Afbeeldingen tonen in omtrekmodus.

    • Als u alle illustraties als omtrekken wilt weergeven, kiest u Weergave > Omtrek. Kies Weergave > Voorvertoning als u de
    illustraties weer in kleur wilt weergeven.

    • Als u alle illustraties in een laag als omtrekken wilt weergeven, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS)
    ingedrukt terwijl u in het deelvenster Lagen op het oogpictogram voor de laag klikt. Klik nogmaals terwijl u Ctrl
    (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt houdt om de illustraties weer in kleur weer te geven. Het oogpictogram
    wordt als
    weergegeven wanneer de weergave Omtrek is ingeschakeld en als
    wanneer de weergave Voorvertoning
    is ingeschakeld.

    • Als u alle items in niet-geselecteerde lagen als omtrekken wilt weergeven, houdt u Alt+Ctrl (Windows) of
    Option+Command (Mac OS) ingedrukt terwijl u op het oogpictogram voor de geselecteerde laag klikt. Ook kunt u
    Overige omtrekken selecteren in het menu van het deelvenster Lagen.
    U kunt alle items in het deelventer Lagen weer voorvertonen door Voorvertoning alle lagen te kiezen in het menu van het
    deelvenster Lagen.

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Lagen” op pagina 200



  • Page 50

    ILLUSTRATOR CS3 44
    Handboek

    Meerdere vensters en weergaven gebruiken
    U kunt hetzelfde document in meerdere vensters tegelijk openen. Voor elk venster kunnen andere weergave-instellingen
    gelden. U kunt een venster bijvoorbeeld aanzienlijk vergroten voor gedetailleerd werk met bepaalde objecten en een minder
    vergroot venster maken voor de lay-out van die objecten op de pagina.
    (Windows) Met de opties in het menu Venster kunt u naar wens meerdere geopende vensters rangschikken. Met Trapsgewijs
    worden vensters gestapeld en aflopend van linksboven naar rechtsonder in het scherm weergegeven. Met Naast elkaar
    worden de vensters naast elkaar geschikt. Met Pictogrammen schikken worden de geminimaliseerde vensters binnen het
    programmavenster geordend.
    In plaats van meerdere vensters kunt u ook meerdere weergaven maken. Voor elk document kunt u maximaal 25 weergaven
    maken en opslaan.
    Meerdere vensters verschillen in de volgende opzichten van meerdere weergaven:

    • Meerdere weergaven worden bij het document opgeslagen, meerdere vensters niet.
    • Meerdere vensters kunnen gelijktijdig worden weergegeven.
    • Gelijktijdige meerdere weergaven zijn alleen mogelijk als er meerdere vensters zijn geopend waarin ze kunnen worden
    weergegeven. Bij het wijzigen van de weergave, wordt het actieve venster gewijzigd; er wordt geen nieuw venster gemaakt.
    Een nieuw venster maken
    ❖ Kies Venster > Nieuw venster.
    Een nieuwe weergave maken
    ❖ Stel de weergave naar wens in, kies Weergave > Nieuwe weergave, voer een naam voor de nieuwe weergave in en klik op OK.
    Een weergave verwijderen of de naam ervan wijzigen
    ❖ Kies Weergave > Weergave wijzigen.
    Overschakelen op een andere weergave
    ❖ Selecteer een weergavenaam onder aan het menu Weergave.

    Voorvertoning van illustraties in het uiteindelijke uitvoermedium
    In Illustrator kunt u op de volgende manieren bekijken hoe aspecten van illustraties eruit zien in gedrukte vorm of bij
    weergave op het web of op een mobiel apparaat:
    Modus Voorvertoning overdruk (Weergave> Voorvertoning overdruk) Met Voorvertoning overdruk wordt een
    'voorvertoning met inkt' weergegeven waarin wordt geschat hoe het overvloeien, de transparantie en het overdrukken eruit
    zullen zien bij uitvoer met kleurscheiding.
    Modus Voorvertoning pixels (Weergave > Voorvertoning pixels) Hiermee wordt geschat hoe de illustraties worden

    weergegeven wanneer de illustraties in een webbrowser worden gerasterd en weergegeven.
    Voorvertoning van afvlakker (Venster > Voorvertoning van afvlakker) Hiermee worden gebieden in de illustratie
    gemarkeerd die voldoen aan bepaalde criteria voor afvlakking wanneer de illustratie wordt opgeslagen of afgedrukt.
    Elektronische proefdrukken Met elektronische proefdrukken (proefkleuren) wordt geschat hoe de kleuren van een

    document op een bepaald type beeldscherm of uitvoerapparaat worden weergegeven.
    Anti-aliasing Met anti-aliasing worden vectorobjecten vloeiender weergegeven op het scherm en krijgt u een beter idee hoe
    vectorillustraties eruit zullen zien wanneer deze met een PostScript®-printer worden afgedrukt. De reden hiervoor is dat
    schermresoluties relatief beperkt zijn terwijl vectorillustraties vaak met een hoge resolutie worden afgedrukt. Kies
    Bewerken > Voorkeuren > Algemeen (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Algemeen (Mac OS), selecteer Anti-aliased
    illustratie en klik op OK als u anti-aliasing wilt inschakelen.
    Adobe Device Central (Bestand > Adobe Device Central) Hiermee kunt u een voorvertoning bekijken van hoe uw
    document eruit ziet op een bepaalde mobiele telefoon of een bepaald apparaat.



  • Page 51

    ILLUSTRATOR CS3 45
    Handboek

    Zie ook
    “Informatie over overdrukken” op pagina 403
    “De modus Voorvertoning pixels” op pagina 351
    “Een voorbeeld bekijken van de gebieden van de illustratie die worden afgevlakt” op pagina 400
    “Elektronische proefdruk van kleuren” op pagina 130
    “Opslaan voor web en apparaten: overzicht” op pagina 362

    Linialen, rasters en hulplijnen
    Linialen gebruiken
    U kunt linialen gebruiken om objecten in het illustratievenster nauwkeurig te plaatsen en te meten. Linialen worden aan de
    boven- en linkerzijde van het illustratievenster weergegeven. Het punt waar 0 op elke liniaal wordt weergegeven, wordt de
    oorsprong van de liniaal genoemd. De standaardoorsprong van een liniaal wordt in de linkerbenedenhoek van het
    tekengebied weergegeven.

    • Als u linialen wilt tonen, kiest u Weergave > Linialen tonen.
    • Als u linialen wilt verbergen, kiest u Weergave > Linialen verbergen.
    • Als u de oorsprong van een liniaal wilt wijzigen, verplaatst u de aanwijzer naar de linkerbovenhoek van het
    illustratievenster waar de linialen elkaar kruisen en sleept u de aanwijzer naar de gewenste nieuwe oorsprong.
    Terwijl u sleept, geeft een kruiscursor in het venster en in de linialen de veranderende oorsprong van de liniaal aan.
    Opmerking: Wanneer u de oorsprong van een liniaal wijzigt, heeft dit gevolgen voor de verdeling van patronen.

    • Als u de standaardoorsprong van de liniaal wilt herstellen, dubbelklikt u op de linkerbovenhoek van het illustratievenster
    waar de linialen elkaar kruisen.
    Opmerking: Er zijn ook linialen voor afzonderlijke snijgebieden. Als u linialen rond snijgebieden wilt instellen, dubbelklikt u
    op het gereedschap Snijgebied om het dialoogvenster Opties voor snijgebied te openen en selecteert u Snijgebiedlinialen tonen.

    De maateenheid wijzigen
    De standaardmaateenheid van Illustrator is punten (een punt is gelijk aan 0,3528 millimeter). U kunt de maateenheden
    voor algemene metingen, streken en tekst wijzigen. Wanneer u waarden in vakken invoert, kunt u de standaardeenheid
    overschrijven.

    • Als u de standaardmaateenheid wilt wijzigen, kiest u Bewerken > Voorkeuren > Eenheden en weergaveprestaties
    (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Eenheden en weergaveprestaties (Mac OS) en selecteert u de gewenste
    eenheden voor de opties Algemeen, Streek en Tekst. Als Aziatische opties tonen is geselecteerd bij de voorkeuren voor
    Tekst, kunt u ook een speciale eenheid voor Aziatische tekst selecteren.
    Opmerking: De maateenheidoptie Algemeen heeft invloed op linialen, het meten van afstanden tussen punten, het verplaatsen
    en transformeren van objecten, het instellen van afstanden in rasters en tussen hulplijnen, en het maken van vormen.

    • Als u de algemene maateenheid alleen voor het huidige document wilt instellen, kiest u Bestand >
    Documentinstellingen. Vervolgens selecteert u Tekengebied in het menu linksboven in het dialoogvenster
    Documentinstellingen, stelt u de gewenste maateenheid in en klikt u op OK.

    • Als u de maateenheid wilt wijzigen wanneer u een waarde invoert in een vak, voert u na de waarde een van de volgende
    afkortingen in: inch, inches, in, millimeters, mm, Q's (één Q is gelijk aan 0,25 millimeter), centimeters, cm, punten, p,
    pt, pica's, pc, pixel, pixels en px.
    Wanneer u pica's en punten door elkaar gebruikt, kunt u waarden als XpY invoeren, waarbij X en Y staan voor het aantal
    pica's en punten (bijvoorbeeld 12p6 voor 12 pica's en 6 punten).



  • Page 52

    ILLUSTRATOR CS3 46
    Handboek

    Het raster gebruiken
    Het raster wordt achter de illustratie weergegeven in het illustratievenster en wordt niet afgedrukt.

    • Als u het raster wilt gebruiken, kiest u Weergave > Raster tonen.
    • Als u het raster wilt verbergen, kiest u Weergave > Raster verbergen.
    • Als u objecten magnetisch op rasterlijnen wilt plaatsen, kiest u Weergave > Raster magnetisch. Vervolgens selecteert u
    het object dat u wilt verplaatsen en sleept u dit naar de gewenste plaats.
    Wanneer de grenzen van het object binnen 2 pixels van een rasterlijn zijn geplaatst, wordt het object magnetisch met het
    punt verbonden.
    Opmerking: Wanneer de optie Weergave > Voorvertoning pixels is geselecteerd, verandert de opdracht Raster magnetisch in
    Magnetisch pixel.

    • Als u de afstand tussen rasterlijnen, de rasterstijl (lijnen of stippen) of de rasterkleur wilt opgeven, of als u wilt bepalen
    of rasters vóór of achter illustraties worden weergegeven, kiest u Bewerken > Voorkeuren > Hulplijnen en raster
    (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Hulplijnen en raster (Mac OS).

    Hulplijnen gebruiken
    Met Hulplijnen kunt u tekst en grafische objecten gemakkelijker uitlijnen. U kunt liniaalhulplijnen (rechte verticale of
    horizontale lijnen) en hulplijnobjecten (vectorobjecten die u naar hulplijnen omzet) maken. Net als het raster worden
    hulplijnen niet afgedrukt.
    U kunt kiezen uit twee soorten hulplijnstijlen, puntjes en lijnen, en u kunt de kleur van hulplijnen wijzigen in vooraf
    ingestelde hulplijnkleuren of kleuren die u selecteert met een kleurkiezer. Hulplijnen zijn standaard ontgrendeld, zodat u
    ze kunt verplaatsen, wijzigen, verwijderen of herstellen, maar kunt u de lijnen desgewenst vergrendelen.

    • Kies Weergave > Hulplijnen > Hulplijnen tonen of Weergave > Hulplijnen > Hulplijnen verbergen om hulplijnen weer te
    geven of te verbergen.

    • Kies Bewerken > Voorkeuren > Hulplijnen en raster (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Hulplijnen en raster
    (Mac OS) om de hulplijninstellingen te wijzigen.

    • Als u hulplijnen wilt vergrendelen, kiest u Weergave > Hulplijnen > Hulplijnen vergrendelen.
    Hulplijnen maken

    1 Als de linialen niet worden weergegeven, kiest u Weergave > Linialen tonen.
    2 Plaats de aanwijzer op de linkerliniaal voor een verticale hulplijn of op de bovenste liniaal voor een horizontale hulplijn.
    3 Sleep de hulplijn naar de gewenste plaats.
    U kunt vectorobjecten naar hulplijnen converteren door de vectorobjecten te selecteren en Weergave > Hulplijnen >
    Hulplijnen maken te kiezen.
    Verplaats de hulplijnen naar een afzonderlijke laag, zodat u gemakkelijker met meerdere hulplijnen kunt werken.

    Hulplijnen verplaatsen, verwijderen of ontgrendelen

    1 Als hulplijnen zijn vergrendeld, selecteert u Weergave > Hulplijnen > Hulplijnen vergrendelen.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Verplaats de hulplijn door te kopiëren of te slepen.
    • Verwijder de hulplijn door op Backspace (Windows) of Delete (Mac OS te drukken. U kunt de hulplijn ook verwijderen
    met Bewerken > Knippen of Bewerken > Wissen.

    • U verwijdert alle hulplijnen tegelijk met Weergave > Hulplijnen > Hulplijnen wissen.
    • U kunt de hulplijn ontgrendelen en er weer een grafisch object van maken door de hulplijn te selecteren en Weergave >
    Hulplijnen > Geen hulplijnen te kiezen.



  • Page 53

    ILLUSTRATOR CS3 47
    Handboek

    Objecten magnetisch op ankerpunten en hulplijnen plaatsen

    1 Kies Weergave > Magnetisch punt.
    2 Selecteer het object dat u wilt verplaatsen en plaats de aanwijzer op het exacte punt dat u met ankerpunten en hulplijnen
    wilt uitlijnen.
    Belangrijk: Wanneer u een magnetisch punt gebruikt, is de magnetische uitlijning afhankelijk van de positie van de aanwijzer
    en niet van de randen van het versleepte object.
    3 Sleep het object naar de gewenste positie.
    Wanneer de aanwijzer binnen 2 pixels van een ankerpunt of hulplijn is geplaatst, wordt het object magnetisch met dat punt
    verbonden. De aanwijzer verandert van een gevulde pijlpunt in een holle pijlpunt op het moment dat de magnetische
    aantrekking optreedt.

    Intelligente hulplijnen
    Intelligente hulplijnen zijn tijdelijke magnetische hulplijnen waarmee u objecten ten opzichte van andere objecten maakt,
    uitlijnt, bewerkt en transformeert. Als u intelligente hulplijnen wilt inschakelen, kiest u Weergave > Intelligente hulplijnen.
    Intelligente hulplijnen kunt u op de volgende manieren gebruiken:

    • Als u een object maakt met de pen- of vormgereedschappen, kunt u met de intelligente hulplijnen de positie bepalen van
    de ankerpunten van het nieuwe object ten opzichte van een bestaand object.

    • Als u een object verplaatst, kunt u met de intelligente hulplijn uw cursor uitlijnen met constructiehulplijnen en bestaande
    paden. Het uitlijnen is gebaseerd op de positie van de aanwijzer en niet op de randen van het versleepte object. Zorg er
    dus voor dat u op het exacte punt klikt waarmee u wilt uitlijnen.

    • Wanneer u een object transformeert, worden automatisch intelligente hulplijnen weergegeven om u behulpzaam te zijn
    bij de transformatie.
    U kunt wijzigen hoe en wanneer intelligente hulplijnen worden weergegeven door voorkeuren voor intelligente hulplijnen
    in te stellen.
    Opmerking: Als de optie Raster magnetisch is ingeschakeld, kunt u de intelligente hulplijnen niet gebruiken, ook al is de
    menuopdracht geselecteerd).
    Voorkeuren voor intelligente hulplijnen

    Kies Bewerken > Voorkeuren > Intelligente hulplijnen en segmenten (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Intelligente
    hulplijnen en segmenten (Mac OS) om de volgende voorkeuren in te stellen:
    Hints tekstlabels Selecteer Hints tekstlabels voor informatie over de positie waarnaar de aanwijzer springt wanneer u deze
    beweegt, bijvoorbeeld midden.
    Constructiehulplijnen Selecteer Constructiehulplijnen als u richtlijnen in het bestand wilt weergeven terwijl u intelligente

    hulplijnen gebruikt.
    Transformatiegereedschappen Selecteer Transformatiegereedschappen als u informatie wilt weergeven wanneer u

    objecten schaalt, roteert of schuintrekt.
    Objecten markeren Selecteer Objecten markeren als u het object onder de aanwijzer wilt accentueren terwijl u rond het

    object sleept.
    Hoeken Selecteer Hoeken als u hoeken wilt instellen waarin u richtlijnen wilt tekenen vanaf de ankerpunten van een
    nabijgelegen object. U kunt maximaal zes hoeken instellen. Typ een hoek in het geselecteerde vak Hoeken, selecteer een set
    Hoeken in het pop-upmenu Hoeken of selecteer een set hoeken in het pop-upmenu en wijzig een van de waarden in het
    vak als u een set hoeken wilt aanpassen. Uw instellingen worden weergegeven in de voorvertoning.
    Magnetisch bereik Selecteer Magnetisch bereik als u het aantal punten tussen de aanwijzer en een ander object wilt
    weergeven dat vereist is om de intelligente hulplijnen te activeren.



  • Page 54

    ILLUSTRATOR CS3 48
    Handboek

    De afstand tussen objecten meten
    Met het gereedschap Meetlat wordt de afstand tussen twee punten berekend en worden de resultaten weergegeven in het
    deelvenster Info.
    1 Selecteer het gereedschap Meetlat

    .

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op de twee punten waarvan u de onderlinge afstand wilt meten.
    • Klik op het eerste punt en sleep naar het tweede punt. Houd Shift ingedrukt en sleep om het gereedschap tot stappen van
    45 graden te beperken.
    Het deelvenster Info geeft de horizontale en verticale afstand tussen de x- en y-as, de absolute horizontale en verticale
    afstand, de totale afstanden en de gemeten hoek weer.

    Overzicht van het deelvenster Info
    U gebruikt het deelvenster Info (Venster > Info) om informatie te verkrijgen over het gebied onder de muisaanwijzer en
    over geselecteerde objecten.

    • Wanneer een object is geselecteerd en een selectiegereedschap actief is, worden in het deelvenster Info de x- en ycoördinaten, de breedte (B) en de hoogte (H) van het object weergegeven. De waarden voor de breedte en hoogte worden
    beïnvloed door de optie Met grenzen voorvertoning in de Algemene voorkeuren. Wanneer Met grenzen voorvertoning
    is ingeschakeld, worden de breedte van de streek en andere kenmerken zoals slagschaduwen opgenomen in de dimensies
    van het object. Wanneer Met grenzen voorvertoning is uitgeschakeld, worden alleen de dimensies gemeten die op basis
    van het vectorpad zijn gedefinieerd.

    • Wanneer u het gereedschap Pen of Verloop gebruikt of een selectie verplaatst, worden in het deelvenster Info de wijziging
    in x (B), de wijziging in y (H), de afstand (D) en de hoek

    weergegeven terwijl u sleept.

    • Wanneer u het gereedschap Zoomen gebruikt, worden in het deelvenster Info de vergrotingsfactor en de x- en ycoördinaten weergegeven nadat u de muisknop hebt losgelaten.

    • Wanneer u het gereedschap Schalen gebruikt, worden in het deelvenster Info de procentuele verandering in de breedte
    (B) en hoogte (H) en de nieuwe breedte (B) en hoogte (H) weergegeven nadat het object is geschaald. Wanneer u de
    gereedschappen Roteren of Spiegelen gebruikt, worden in het deelvenster Info de coördinaten van het middelpunt van
    het object en de rotatiehoek
    of spiegelingshoek
    weergegeven.

    • Wanneer u het gereedschap Schuintrekken gebruikt, worden in het deelvenster Info de coördinaten van het middelpunt
    van het object, de hoek van de schuintrekas

    en de mate van schuintrekking

    weergegeven.

    • Wanneer u het gereedschap Penseel gebruikt, worden in het deelvenster Info de x- en y- coördinaten en de naam van het
    geselecteerde penseel weergegeven.

    • Selecteer Opties tonen in het deelvenstermenu of klik op de dubbele pijl op het tabblad van het deelvenster als u waarden
    wilt weergeven voor de vul- en streekkleuren van het geselecteerde object en de naam van elk patroon, elk verloop of elke
    tint die op het geselecteerde object is toegepast.
    Opmerking: Als u meerdere objecten selecteert, wordt in het deelvenster Info alleen de informatie die op alle geselecteerde
    objecten van toepassing is, weergegeven.

    Voorkeuren instellen
    Voorkeuren
    Voorkeuren zijn opties voor de manier waarop Illustrator werkt, met inbegrip van opties voor weergave, gereedschappen,
    liniaaleenheden en het exporteren van gegevens. Uw voorkeuren worden opgeslagen in het bestand AIPrefs (Windows) of
    Adobe Illustrator Prefs (Mac OS). Dit bestand wordt gestart wanneer u Illustrator start. Als u de standaardinstellingen van
    Illustrator wilt herstellen, kunt u het voorkeurenbestand verwijderen of de naam van het bestand wijzigen en Illustrator
    opnieuw starten. Dit kan handig zijn als u problemen hebt met de toepassing.



  • Page 55

    ILLUSTRATOR CS3 49
    Handboek

    Opmerking: U kunt de gehele map Adobe Illustrator CS3 Settings verwijderen. Deze map bevat verschillende voorkeuren die
    opnieuw kunnen worden gegenereerd.
    Voorkeuren stelt u in het dialoogvenster Voorkeuren in. Als u het dialoogvenster Voorkeuren wilt openen, kiest u
    Bewerken > Voorkeuren (Windows) of Illustrator > Voorkeuren (Mac OS) en kiest u het gewenste type voorkeur. Als u
    tussen verschillende opties van het menu Voorkeuren wilt schakelen, selecteert u een optie in het menu linksboven in het
    dialoogvenster Voorkeuren. U kunt ook op Volgende klikken om de volgende opties weer te geven of op Vorige klikken om
    de vorige opties weer te geven.

    Insteekmodules
    Insteekmodules zijn programma's waarmee functies aan Adobe Illustrator worden toegevoegd. Een aantal insteekmodules
    voor speciale effecten wordt bij het programma geleverd en wordt automatisch in de map Insteekmodules in de
    programmamap van Illustrator geïnstalleerd.
    U kunt alle in de handel verkrijgbare insteekmodules installeren die voor gebruik met Photoshop of Illustrator zijn
    ontworpen. Gebruik het mogelijk meegeleverde installatieprogramma als u een insteekmodule van Adobe Systems
    installeert. Als geen installatieprogramma is meegeleverd, sleept u een kopie van de insteekmodule naar de map
    Insteekmodules in de programmamap van Illustrator. Start Illustrator opnieuw zodat de insteekmodule wordt geactiveerd.
    Als u een insteekmodule van een andere fabrikant wilt installeren, volgt u de installatie-instructies voor die insteekmodule.
    Opmerking: De open architectuur van het programma Adobe Illustrator maakt het mogelijk dat ontwikkelaars buiten Adobe
    functies maken die vanuit Adobe Illustrator kunnen worden gebruikt. Zie de Amerikaanse website van Adobe Systems op
    www.adobe.com als u insteekmodules wilt maken die compatibel zijn met Adobe Illustrator.

    Herstellen, ongedaan maken en automatisch laten
    uitvoeren
    Wijzigingen ongedaan maken en opnieuw uitvoeren
    Met de opdrachten Ongedaan maken en Opnieuw kunt u bewerkingen ongedaan maken of opnieuw uitvoeren, zodat u
    fouten in uw werk kunt corrigeren. Nadat u de opdracht Opslaan hebt gekozen, kunt u een bewerking nog steeds ongedaan
    maken. Dit is echter niet mogelijk als u het bestand hebt gesloten en opnieuw hebt geopend.
    ❖ Kies Bewerken > Ongedaan maken of Bewerken > Opnieuw.

    Afhankelijk van de hoeveelheid geheugen op uw computer, kunt u een onbeperkt aantal bewerkingen ongedaan maken
    door zo vaak als nodig de opdracht Ongedaan maken te kiezen. Als een bewerking niet ongedaan kan worden gemaakt,
    wordt de opdracht Ongedaan maken grijs weergegeven.

    Terugkeren naar de laatst opgeslagen versie
    U kunt de vorige versie van een bestand herstellen. Dit kan echter niet als u het bestand hebt gesloten en vervolgens weer
    hebt geopend. U kunt deze handeling niet ongedaan maken.
    ❖ Kies Bestand > Vorige versie.

    Taken automatiseren
    Bij grafisch ontwerp speelt creativiteit een grote rol, maar in de praktijk kunnen bepaalde aspecten van illustratiewerk
    bestaan uit steeds terugkerende taken. Vaak wordt zoveel tijd besteed aan het plaatsen en opnieuw plaatsen van
    afbeeldingen, het corrigeren van fouten en het voorbereiden van bestanden voor de drukkerij of voor weergave op het web
    dat er minder tijd beschikbaar is voor het creatieve werk.
    In Illustrator hebt u daarom verschillende mogelijkheden om veel van de steeds terugkerende taken te automatiseren, zodat
    u meer tijd overhoudt voor de creatieve aspecten van uw werk.



  • Page 56

    ILLUSTRATOR CS3 50
    Handboek

    Een handeling bestaat uit een reeks taken die worden vastgelegd terwijl u werkt met Illustrator. Het betreft hier
    menuopdrachten, gereedschapsopties, de selectie van objecten, enz. Wanneer u een handeling afspeelt, worden alle
    opgenomen taken automatisch in de juiste volgorde uitgevoerd door Illustrator.
    Illustrator bevat standaard verschillende vooraf vastgelegde handelingen voor het uitvoeren van veelvoorkomende taken.
    Deze handelingen worden geïnstalleerd als een standaardset in het deelvenster Handelingen wanneer de toepassing wordt
    geïnstalleerd.
    Een script is een serie opdrachten op basis waarvan uw computer een reeks bewerkingen uitvoert. Deze bewerkingen
    kunnen alleen betrekking hebben op Illustrator, maar kunnen ook andere programma's omvatten, zoals tekstverwerkings, spreadsheet- en databasebeheerprogramma's. Illustrator bevat standaardscripts voor het uitvoeren van veelvoorkomende
    taken. U hebt toegang tot deze scripts met de opdracht Bestand > Scripts.
    Met gegevensgestuurde afbeeldingen kunnen ontwerpers en ontwikkelaars in bedrijven waarin veel wordt gepubliceerd beter
    samenwerken.



  • Page 57

    51

    Hoofdstuk 3: Tekenen
    U tekent en wijzigt paden met behulp van een set tekengereedschappen en technieken die zowel in Adobe Illustrator als in
    InDesign en Photoshop worden gebruikt. Met deze toepassingen kunt u paden tekenen die u naar wens tussen de
    programma's kunt kopiëren en plakken. Ook kunt u symbolen maken die u zowel in Adobe Illustrator als in Adobe Flash
    kunt gebruiken.

    Grondbeginselen van tekenen
    Vectorafbeeldingen
    Vectorafbeeldingen (soms ook vectorvormen of vectorobjecten genoemd) zijn opgebouwd uit lijnen en curven die door
    wiskundige objecten, de zogeheten vectoren, worden gedefinieerd en die een afbeelding beschrijven volgens de
    geometrische kenmerken van de afbeelding.

    3:1

    24:1

    Voorbeeld van een vectorafbeelding met verschillende vergrotingen

    U kunt vectorafbeeldingen vrijelijk verplaatsen of wijzigen zonder dat er details of helderheid verloren gaat omdat ze niet
    afhankelijk zijn van resolutie. Ze behouden hun scherpe randen wanneer de grootte van de afbeeldingen wordt gewijzigd,
    op een PostScript-printer worden afgedrukt, in een PDF-bestand worden opgeslagen of worden geïmporteerd in een op
    vectoren gebaseerde grafische toepassing. Vectorafbeeldingen zijn dan ook de beste keuze voor illustraties, zoals logo's, die
    worden gebruikt op verschillende grootten en in verschillende uitvoermedia.
    De vectorobjecten die u maakt met de teken- en vormgereedschappen in Adobe Creative Suite, zijn voorbeelden van
    vectorafbeeldingen. U kunt de opdrachten Kopiëren en Plakken gebruiken om vectorafbeeldingen te dupliceren van de ene
    Creative Suite-component naar de andere.

    Zie ook
    “Bitmapafbeeldingen” op pagina 244

    Paden
    Terwijl u tekent, maakt u een lijn. Een dergelijke lijn wordt een pad genoemd. Een pad bestaat uit één of meer rechte of
    gekromde segmenten. Het begin en einde van elk segment wordt gemarkeerd door ankerpunten, die werken als spelden die
    een draad op zijn plaats houden. Een pad kan gesloten (bijvoorbeeld een cirkel) zijn of open, met duidelijke eindpunten
    (bijvoorbeeld een golvende lijn).
    U kunt de vorm van een pad wijzigen door de ankerpunten, de richtingpunten aan het eind van richtinglijnen die op de
    ankerpunten worden weergegeven, of de padsegmenten zelf te verslepen.



  • Page 58

    ILLUSTRATOR CS3 52
    Handboek

    A

    C

    B

    F

    D
    E

    Componenten van een pad
    A. Geselecteerd (effen) eindpunt B. Geselecteerd ankerpunt C. Niet-geselecteerd ankerpunt D. Gebogen padsegment E. Richtingslijn
    F. Richtingspunt

    Paden kunnen twee soorten ankerpunten bevatten: hoekpunten en vloeiende punten. Op een hoekpunt verandert een pad
    abrupt van richting. Op een vloeiend punt worden padsegmenten als een doorlopende curve verbonden. U kunt paden met
    elke willekeurige combinatie van hoekpunten en boogpunten tekenen. Als u het verkeerde type punt hebt getekend, kunt u
    dit altijd wijzigen.

    A

    B

    C

    Punten op een pad
    A. Vier hoekpunten B. Vier boogpunten C. Combinatie van hoekpunten en boogpunten

    Met een hoekpunt kunt u twee rechte of gebogen segmenten met elkaar verbinden terwijl u met een boogpunt alleen twee
    gebogen segmenten met elkaar kunt verbinden.

    Met een hoekpunt kunt u zowel rechte als gebogen segmenten verbinden.

    Opmerking: Let op het verschil tussen hoekpunten en boogpunten enerzijds en rechte en gebogen segmenten anderzijds.
    De contour van een pad wordt lijn genoemd. Een kleur of verloop dat op het binnengebied van een open of gesloten pad is
    toegepast, wordtvulling genoemd. Een lijn kan gewicht (dikte), kleur en een streepjespatroon (Illustrator en InDesign) of
    een gestileerd lijnpatroon (InDesign) hebben. Nadat u een pad of vorm hebt gemaakt, kunt u de streek- en
    vullingkenmerken van het pad wijzigen.
    In InDesign wordt tevens op elk pad een middelpunt weergegeven dat het midden van de vorm aangeeft, maar dat geen deel
    uitmaakt van het daadwerkelijke pad. Met dit punt kunt u het pad slepen, het pad met andere elementen uitlijnen of alle
    ankerpunten op een pad selecteren. Het middelpunt is altijd zichtbaar en kan niet worden verborgen of verwijderd.



  • Page 59

    ILLUSTRATOR CS3 53
    Handboek

    Richtingslijnen en richtingspunten
    Wanneer u een ankerpunt selecteert dat gekromde segmenten verbindt (of het segment zelf selecteert), geven de
    ankerpunten van de verbonden segmenten richtinggrepen weer, die bestaan uit richtinglijnen die eindigen in richtingpunten.
    De hoek en de lengte van de richtingslijnen bepalen de vorm en de grootte van de gebogen segmenten. Door de
    richtingslijnen te verplaatsen, wijzigt u de vorm van de curven. Richtingslijnen worden niet in de definitieve uitvoer
    weergegeven.

    Als u een ankerpunt hebt geselecteerd (links), verschijnen er richtingslijnen op elk gebogen segment dat met het ankerpunt is verbonden (rechts).

    Een boogpunt heeft altijd twee richtingslijnen die samen als één rechte eenheid worden verplaatst. Wanneer u een
    richtingslijn op een boogpunt plaatst, worden de gebogen segmenten aan beide zijden van het punt gelijktijdig aangepast
    en blijft een ononderbroken curve bij dat ankerpunt behouden.
    Dit is te vergelijken met de situatie waarin een hoekpunt twee, één of geen richtingslijnen kan hebben, afhankelijk van het
    feit of het hoekpunt respectievelijk met twee, één of geen gebogen segmenten is verbonden. Met de richtingslijnen van een
    hoekpunt blijft de hoek behouden door verschillende hoeken te gebruiken. Wanneer u echter een richtingslijn op een
    hoekpunt zet, wordt alleen de curve aangepast aan de kant van het punt waar die richtingslijn zich bevindt.

    Richtingslijnen van een boogpunt (links) en een hoekpunt (rechts) aanpassen

    Richtingslijnen raken (staan loodrecht op de straal van) de curve altijd bij de ankerpunten. De hoek van elke richtingslijn
    bepaalt de helling van de curve, terwijl de lengte ervan de hoogte of diepte van de curve bepaalt.

    Door het verplaatsen van richtingslijnen en het wijzigen van de grootte van richtingslijnen, wordt de helling van curven gewijzigd.

    Opmerking: In Illustrator kunt u ankerpunten, richtingslijnen en richtingspunten weergeven of verbergen door Weergave >
    Randen weergeven of Weergave > Randen verbergen te selecteren.

    Opgeven hoe richtingslijnen en richtingspunten worden opgeven
    Als u met ankerpunten en paden werkt, kan het zijn dat u soms behoefte hebt aan richtingslijnen (handgrepen), terwijl deze
    u op andere momenten alleen maar in de weg staan. U kunt richtingslijnen voor meerdere geselecteerde ankerpunten tonen
    of verbergen. Voor afzonderlijke ankerpunten worden de lijnen altijd getoond.



  • Page 60

    ILLUSTRATOR CS3 54
    Handboek

    Per selectie kunt u aangeven of de richtingslijnen al dan niet moeten worden getoond. Ook kunt u een voorkeur instellen
    voor het tonen van richtingslijnen.
    Op www.adobe.com/go/vid0037_nl vindt u een video over het instellen van richtingslijnen en -punten.

    Zie ook
    “Selectievoorkeuren opgeven” op pagina 184
    Richtingslijnen tonen of verbergen voor geselecteerde ankerpunten

    1 Gebruik het gereedschap Direct selecteren voor het selecteren van de gewenste ankerpunten.
    2 Klik in het deelvenster Beheer op Handgrepen tonen voor meerdere geselecteerde ankerpunten
    verbergen voor meerdere geselecteerde ankerpunten
    .

    > of Handgrepen

    Opmerking: U kunt ook opgeven dat u handgrepen altijd wilt tonen of verbergen als er meerdere ankerpunten zijn geselecteerd.
    Weergavevoorkeuren voor richtingspunten en -lijnen instellen

    1 Kies Bewerken > Voorkeuren > Weergave selectie en anker (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Weergave selectie
    en anker (Mac OS).
    2 Geef in het gedeelte Weergave ankerpunt en handgreep de gewenste opties op:
    Handgrepen Hier geeft u op hoe de eindhandgrepen (richtingspunten) worden weergegeven:



    Hiermee worden richtingspunten weergegeven als kleine gevulde cirkels.



    Hiermee worden richtingspunten weergegeven als grote gevulde cirkels.



    Hiermee worden richtingspunten weergegeven als open kruisen.

    Handgrepen tonen wanneer meerdere ankers zijn geselecteerd Hiermee worden richtingslijnen weergegeven voor alle

    geselecteerde ankerpunten als u het gereedschap Direct selecteren of Groep selecteren gebruikt om een object te selecteren.
    Als u deze optie niet selecteert, worden er voor een ankerpunt alleen richtingslijnen weergegeven als dit het enige ankerpunt
    is dat op het desbetreffende pad is geselecteerd, of als het Bézier-segment voor de richtingslijn is geselecteerd en het
    ankerpunt van waaruit de richtingslijn wordt verlengd, niet is geselecteerd.

    Voorkeuren voor ankerpuntgrootte opgeven
    1 Kies Bewerken > Voorkeuren > Weergave selectie en anker (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Weergave selectie
    en anker (Mac OS).
    2 Geef in het gedeelte Weergave ankerpunt en handgreep de gewenste opties op:
    Ankers Hier geeft u op hoe de ankerpunten worden weergegeven:





    Hiermee worden zowel geselecteerde als niet-geselecteerde ankerpunten weergegeven als kleine punten.
    Hiermee worden geselecteerde ankerpunten als grote punten weergegeven en niet-geselecteerde ankerpunten
    als kleine punten.
    Hiermee worden zowel geselecteerde als niet-geselecteerde ankerpunten weergegeven als grote punten.

    Ankers markeren bij bewegen van muis over anker Hiermee wordt het ankerpunt gemarkeerd dat zich direct onder de

    muisaanwijzer bevindt.

    Eenvoudige lijnen en vormen tekenen
    Rechte lijnen tekenen met het gereedschap Lijnsegment
    Gebruik het gereedschap Lijnsegment wanneer u één recht lijnsegment wilt tekenen. Op www.adobe.com/go/vid0036_nl
    vindt u een video over het gereedschap Lijnsegment.
    1 Selecteer het gereedschap Lijnsegment

    .



  • Page 61

    ILLUSTRATOR CS3 55
    Handboek

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Plaats de aanwijzer op de positie waar de lijn moet beginnen en sleep de aanwijzer naar de positie waar de lijn moet
    eindigen.

    • Klik waar de lijn moet beginnen en geef de lengte en hoek van de lijn op. Als u de lijn wilt vullen met de huidige vulkleur,
    selecteert u Lijn vullen. Klik vervolgens op OK.

    Zie ook
    “Galerie met tekengereedschappen” op pagina 25
    “Toetsen voor tekenen” op pagina 439

    Rechthoeken en vierkanten tekenen
    1 Selecteer het gereedschap Rechthoek

    of Afgeronde rechthoek

    .

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een rechthoek wilt tekenen, sleep dan de aanwijzer in diagonale richting totdat de rechthoek de gewenste grootte
    heeft.

    • Als u een vierkant wilt tekenen, houdt u Shift ingedrukt terwijl u de aanwijzer in diagonale richting sleept totdat het
    vierkant de gewenste grootte heeft.

    • Als u een vierkant of rechthoek wilt maken door waarden op te geven, klik dan op de plaats waar u de linkerbovenhoek
    wilt hebben. Geef de breedte en hoogte op (en de hoekstraal voor een afgeronde rechthoek) en klik op OK.
    Op www.adobe.com/go/vid0036_nl vindt u een video over vormgereedschappen.

    Zie ook
    “Galerie met tekengereedschappen” op pagina 25
    “Toetsen voor tekenen” op pagina 439

    De hoekstraal van een afgeronde rechthoek wijzigen
    De hoekstraal bepaalt hoe rond de hoeken van de afgeronde rechthoek zijn.

    • Als u de standaardhoekstraal wilt wijzigen, kies dan Bewerken > Voorkeuren > Algemeen (Windows) of Illustrator >
    Voorkeuren > Algemeen (Mac OS) en voer een nieuwe waarde in bij Straal hoekafronding. U kunt ook het gereedschap
    Hoekstraal selecteren, in het documentvenster klikken en een nieuwe waarde opgeven bij Straal hoekafronding. De
    standaardhoekstraal wordt alleen toegepast op nieuwe afgeronde rechthoeken die u tekent, niet bij bestaande afgeronde
    rechthoeken.

    • Als u de hoekstraal wilt wijzigen terwijl u tekent met het gereedschap Afgeronde rechthoek, drukt u op Pijl-omhoog of
    Pijl-omlaag. Als de hoeken de gewenste rondheid hebben, laat u Pijl-omhoog of Pijl-omlaag los.

    • Als u rechte hoeken wilt maken terwijl u tekent met het gereedschap Afgeronde rechthoek, drukt u op Pijl-links.
    • Als u hoeken wilt maken die zo rond mogelijk zijn terwijl u tekent met het gereedschap Afgeronde rechthoek, drukt u
    op Pijl-rechts.

    Ovalen tekenen
    1 Selecteer het gereedschap Ovaal

    .

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Sleep de aanwijzer in diagonale richting tot de ovaal de gewenste grootte heeft.
    • Klik op de plaats waar de linkerbovenhoek van het omringende kader van de ovaal moet komen. Geef de breedte en
    hoogte van de ovaal op en klik op OK.



  • Page 62

    ILLUSTRATOR CS3 56
    Handboek

    Opmerking: Als u een cirkel wilt maken, houdt u Shift ingedrukt terwijl u sleept. Als u afmetingen opgeeft, geeft u een waarde
    op in het vak Breedte en klikt u op het woord Hoogte. De waarde voor de breedte wordt nu naar het tekstvak Hoogte gekopieerd.
    Op www.adobe.com/go/vid0036_nl vindt u een video over vormgereedschappen.

    Zie ook
    “Galerie met tekengereedschappen” op pagina 25
    “Toetsen voor tekenen” op pagina 439

    Veelhoeken tekenen
    1 Selecteer het gereedschap Veelhoek

    .

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Sleep de aanwijzer tot de veelhoek de gewenste grootte heeft. Sleep de aanwijzer als een boog om de veelhoek te draaien.
    Druk op Pijl-omhoog om zijden aan de veelhoek toe te voegen, of op Pijl-omlaag om zijden te verwijderen.

    • Klik op de plaats waar het middelpunt van de veelhoek moet komen. Geef de straal en het aantal zijden van de veelhoek
    op en klik op OK.
    Driehoeken zijn eveneens veelhoeken. U kunt een driehoek net als elke andere veelhoek tekenen.
    Op www.adobe.com/go/vid0036_nl vindt u een video over vormgereedschappen.

    Zie ook
    “Galerie met tekengereedschappen” op pagina 25
    “Toetsen voor tekenen” op pagina 439

    Sterren tekenen
    1 Selecteer het gereedschap Ster

    .

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Sleep de aanwijzer tot de ster de gewenste grootte heeft. Sleep de aanwijzer als een boog om de ster te draaien. Druk op
    Pijl-omhoog om punten aan de ster toe te voegen, of op Pijl-omlaag om punten te verwijderen.

    • Klik op de plaats waar het middelpunt van de ster moet komen. Geef bij Straal 1 de afstand op van het middelpunt van
    de ster tot de binnenste punten van de ster. Geef bij Straal 2 de afstand op van het middelpunt van de ster tot de buitenste
    punten van de ster. Geef bij Punten aan hoeveel punten de ster heeft. Klik vervolgens op OK.
    Op www.adobe.com/go/vid0036_nl vindt u een video over vormgereedschappen.

    Zie ook
    “Galerie met tekengereedschappen” op pagina 25
    “Toetsen voor tekenen” op pagina 439

    Bogen tekenen
    1 Selecteer het gereedschap Boog

    .

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Plaats de aanwijzer op de positie waar de boog moet beginnen en sleep de aanwijzer naar de positie waar de boog moet
    eindigen.



  • Page 63

    ILLUSTRATOR CS3 57
    Handboek

    • Klik op de plaats waar de boog moet beginnen. Klik in het dialoogvenster op een van de vierkantjes van de plaatsbepaler
    voor het referentiepunt
    om het punt te bepalen van waaruit de boog wordt getekend. Stel vervolgens een of meer van
    de volgende opties in en klik op OK.
    Lengte x-as Hiermee geeft u de breedte van de boog op.
    Lengte y-as Hiermee geeft u de hoogte van de boog op.
    Type Hiermee geeft u aan of het object een open dan wel een gesloten pad moet zijn.
    Basis langs Hiermee geeft u de richting van de boog op. Kies X-as of Y-as. Dit bepaalt of de basis van de boog langs de
    horizontale as (x) of de verticale as (y) wordt getekend.
    Helling Hiermee geeft u de hellingsrichting van de boog op. Voer een negatieve waarde in voor een concave (holronde)
    helling. Voer een positieve waarde in voor een convexe (bolronde) helling. Als de helling 0 is, wordt een rechte lijn gemaakt.
    Boog vullen Hiermee vult u de boog met de huidige vulkleur.

    Opmerking: Als u een dynamische voorvertoning van de boog wilt weergeven terwijl u de opties instelt, dubbelklikt u op het
    gereedschap Boog in het deelvenster Gereedschappen.

    Zie ook
    “Galerie met tekengereedschappen” op pagina 25
    “Toetsen voor tekenen” op pagina 439

    Spiralen tekenen
    1 Selecteer het gereedschap Spiraal

    .

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Sleep de aanwijzer tot de spiraal de gewenste grootte heeft. Sleep de aanwijzer als een boog om de spiraal te roteren.
    • Klik op de plaats waar de spiraal moet beginnen. Stel vervolgens in het dialoogvenster een of meer van de volgende opties
    in en klik op OK.
    Straal Hiermee geeft u de afstand aan van het middelpunt van de spiraal tot het buitenste punt.
    Verval Hiermee geeft u de mate op waarmee elke winding van de spiraal moet afnemen in verhouding tot de vorige

    winding.
    Segmenten Hiermee geeft u aan uit hoeveel segmenten de spiraal bestaat. Elke volledige winding van de spiraal bestaat uit

    vier segmenten.
    Stijl Hiermee geeft u de richting van de spiraal op.

    Zie ook
    “Galerie met tekengereedschappen” op pagina 25
    “Toetsen voor tekenen” op pagina 439

    Rasters tekenen
    Met de rastergereedschappen kunt u snel rechthoekige rasters en poolrasters tekenen. Met het gereedschap Rechthoekig
    raster maakt u rechthoekige rasters van een opgegeven grootte en met een opgegeven aantal scheidingslijnen. Met het
    gereedschap Poolraster maakt u concentrische cirkels van een opgegeven grootte en met een opgegeven aantal
    scheidingslijnen.

    Zie ook
    “Galerie met tekengereedschappen” op pagina 25
    “Toetsen voor tekenen” op pagina 439



  • Page 64

    ILLUSTRATOR CS3 58
    Handboek

    Rechthoekige rasters tekenen

    1 Selecteer het gereedschap Rechthoekig raster

    .

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Sleep de aanwijzer tot het raster de gewenste grootte heeft.
    • Klik om het referentiepunt van het raster in te stellen. Klik in het dialoogvenster op een van de vierkantjes van de
    plaatsbepaler voor het referentiepunt
    om het punt te bepalen van waaruit het raster wordt getekend. Stel vervolgens
    een of meer van de volgende opties in en klik op OK.
    Standaardgrootte Hiermee geeft u de breedte en hoogte van het gehele raster op.
    Horizontale scheidingslijnen Hiermee geeft u het aantal horizontale scheidingslijnen aan dat moet worden weergegeven
    tussen de bovenkant en de onderkant van het raster. De waarde voor Schuintrekken bepaalt hoe de horizontale
    scheidingslijnen verdeeld zijn naar de boven- of onderkant van het raster.
    Verticale scheidingslijnen Hiermee geeft u het aantal verticale scheidingslijnen op dat moet worden weergegeven tussen de

    linkerkant en de rechterkant van het raster. De waarde van Schuintrekken bepaalt hoe schuin de verticale scheidingslijnen
    naar links of naar rechts lopen.
    Buitenste rechthoek gebruiken als frame Hiermee vervangt u de bovenste en onderste segmenten en de linker- en
    rechtersegmenten door een afzonderlijk rechthoekig object.
    Raster vullen Hiermee vult u het raster met de huidige vulkleur. Als u deze optie niet selecteert, wordt als vulkleur Geen

    ingesteld.
    Cirkelvormige rasters (poolrasters) tekenen

    1 Selecteer het gereedschap Poolraster

    .

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Sleep de aanwijzer tot het raster de gewenste grootte heeft.
    • Klik om het referentiepunt van het raster in te stellen. Klik in het dialoogvenster op een van de vierkantjes van de
    plaatsbepaler voor het referentiepunt
    om het punt te bepalen van waaruit het raster wordt getekend. Stel vervolgens
    een of meer van de volgende opties in en klik op OK.
    Standaardgrootte Hiermee geeft u de breedte en hoogte van het gehele raster op.
    Concentrische scheidingslijnen Hiermee geeft u het aantal cirkelvormige concentrische scheidingslijnen op dat u in het
    raster wilt weergeven. De waarde voor Schuintrekken bepaalt hoe de concentrische scheidingslijnen verdeeld zijn naar de
    binnen- of buitenkant van het raster.
    Radiale scheidingslijnen Hiermee geeft u het aantal radiale scheidingslijnen op dat moet worden weergegeven tussen het

    middelpunt en de omtrek van het raster. De waarde voor Schuintrekken bepaalt hoe de radiale scheidingslijnen links- of
    rechtsom over het raster zijn verdeeld.
    Samengesteld pad maken van ovalen Hiermee converteert u de concentrische cirkels naar afzonderlijke samengestelde

    paden, waarbij elke tweede cirkel wordt gevuld.
    Raster vullen Hiermee vult u het raster met de huidige vulkleur. Als u deze optie niet selecteert, wordt als vulkleur Geen

    ingesteld.

    Flakkeringen tekenen
    Een flakkering maken
    Met het gereedschap Flakkering maakt u flakkeringsobjecten met een helder midden, een halo, stralen en ringen. Met dit
    gereedschap kunt u een effect maken dat lijkt op een lensflakkering op een foto.



  • Page 65

    ILLUSTRATOR CS3 59
    Handboek

    Flakkeringen hebben een middelste handgreep en een eindhandgreep. Met de handgrepen kunt u de plaats van de
    flakkering en de ringen te bepalen. De middelste handgreep bevindt zich in het heldere midden van de flakkering. Het pad
    van de flakkering begint vanuit dit punt.
    A

    C

    D

    B

    E

    Componenten van een flakkering
    A. Middelste handgreep B. Eindhandgreep C. Stralen (worden voor de duidelijkheid zwart weergegeven) D. Halo E. Ringen

    Zie ook
    “Galerie met tekengereedschappen” op pagina 25
    Een standaardflakkering maken

    1 Selecteer het gereedschap Flakkering

    .

    2 Druk op Alt (Windows) of Option (Mac OS) en klik op de plaats waar u de middelste handgreep van de flakkering wilt
    plaatsen.
    Flakkeringen hebben vaak het meeste effect als u ze op bestaande objecten tekent.

    Een flakkering tekenen

    1 Selecteer het gereedschap Flakkering.
    2 Druk op de muisknop om de middelste handgreep van de flakkering te plaatsen en sleep vervolgens om de grootte van
    het middelpunt en de grootte van de halo in te stellen en de hoek van de stralen te draaien.
    Druk voordat u de muisknop loslaat op Shift om de hoek van de stralen constant te houden. Druk op Pijl-omhoog of Pijlomlaag om stralen toe te voegen of te verwijderen. Druk op Ctrl (Windows) of op Command (Mac OS) om het middelpunt
    van de flakkering constant te houden.
    3 Laat de muisknop los wanneer middelpunt, halo en stralen naar wens zijn.
    4 Druk op de muisknop en sleep opnieuw om ringen toe te voegen aan de flakkering en om de eindhandgreep te plaatsen.
    Druk voordat u de muisknop loslaat op Pijl-omhoog of Pijl-omlaag om ringen toe te voegen of te verwijderen. Druk op
    tilde (~) om ringen willekeurig te plaatsen.
    5 Laat de muisknop los wanneer de eindhandgreep op de gewenste locatie staat.
    Elk element (middelpunt, halo, ringen en stralen) van de flakkering wordt gevuld met kleur, met verschillende instellingen
    voor de dekking.
    Een flakkering maken via het dialoogvenster Flakkeropties

    1 Selecteer het gereedschap Flakkering en klik op de plaats waar u de middelste handgreep van de flakkering wilt plaatsen.
    2 Voer in het dialoogvenster Flakkeropties een van de volgende handelingen uit en klik op OK:

    • Geef de diameter, de dekking en de helderheid van het middelpunt van de flakkering op.
    • Geef de groei van de halo op als een percentage van de gehele grootte en geef de mate van vervaging van de halo op (0 is
    scherp en 100 is vaag).

    • Als u ook stralen in de flakkering wilt opnemen, selecteert u Stralen en geeft u het aantal stralen, de langste straal (als
    een percentage van de gemiddelde straal) en de mate van vervaging van de stralen op (0 is scherp en 100 is vaag).



  • Page 66

    ILLUSTRATOR CS3 60
    Handboek

    • Als u ringen in de flakkering wilt opnemen, selecteert u Ringen en geeft u de afstand van het pad tussen het middelpunt
    van de halo (middelste handgreep) en het middelpunt van de verste ring (eindhandgreep), het aantal ringen, de grootste
    ring (als een percentage van de gemiddelde ring) en de richting of hoek van de ringen op.

    Een flakkering bewerken
    Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Selecteer de flakkering en dubbelklik op het pictogram van het gereedschap Flakkering om het dialoogvenster
    Flakkeropties te openen. Wijzig de instellingen in het dialoogvenster.
    Als u de standaardwaarden van een flakkering wilt herstellen, houd dan Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en
    klik op Herstellen.

    • Selecteer de flakkering en het gereedschap Flakkering. Sleep een eindpunt vanaf de middelste handgreep of de
    eindhandgreep om de lengte of de richting van de flakkering te wijzigen.

    • Selecteer de flakkering en kies Object > Uitbreiden. Hiermee maakt u de elementen van de flakkering bewerkbaar, zoals
    de elementen van overvloeiingen.

    Zie ook
    “Objecten uitbreiden” op pagina 191

    Tekenen met het gereedschap Potlood
    Tekenen met het gereedschap Potlood
    Het gereedschap Potlood werkt in Adobe Illustrator en in InDesign op dezelfde manier. Met het gereedschap Potlood kunt
    u net als met een gewoon potlood open en gesloten paden tekenen. Dit gereedschap is vooral geschikt als u schetsen maakt
    of als u wilt dat uw werk eruit ziet alsof het met de hand is getekend. Als u een pad hebt getekend, kunt u het indien nodig
    ook weer onmiddellijk wijzigen.
    Terwijl u met het gereedschap Potlood aan het tekenen bent, worden er ankerpunten geplaatst. U kunt niet bepalen waar
    ze worden geplaatst. U kunt de ankerpunten echter wel aanpassen als het pad eenmaal is voltooid. Hoeveel ankerpunten er
    worden geplaatst, is afhankelijk van de lengte en de complexiteit van het pad en van de tolerantie-instellingen in het
    dialoogvenster Voorkeuren Potlood. Met deze instellingen bepaalt u hoe gevoelig het gereedschap Potlood reageert op de
    bewegingen van uw muis of de pen van het schrijftablet.
    Als u een video wilt bekijken over het tekenen met het gereedschap Potlood in Illustrator, gaat u naar
    www.adobe.com/go/vid0039_nl.
    Vrije-vormpaden tekenen met het gereedschap Potlood

    1 Selecteer het gereedschap Potlood

    .

    2 Plaats het gereedschap op de positie waar het pad moet beginnen en sleep om het pad te tekenen.
    Potlood geeft een kleine x weer waarmee een vrije-vormpad wordt aangeduid.

    Het gereedschap

    Tijdens het slepen wordt de aanwijzer gevolgd door een gestippelde lijn. Ankerpunten worden aan beide uiteinden van het
    pad en op meerdere plaatsen langs het pad weergegeven. Het pad neemt de huidige streek- en vullingkenmerken over en
    blijft standaard geselecteerd.
    Gesloten paden tekenen met het gereedschap Potlood

    1 Selecteer het gereedschap Potlood.
    2 Plaats het gereedschap op het punt waar het pad moet beginnen en sleep om een pad te tekenen.
    3 Houd, nadat u bent begonnen met slepen, Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt. Bij het gereedschap Potlood
    wordt een kleine cirkel weergegeven (en in InDesign een effen gummetje) om aan te geven dat u een gesloten pad maakt.



  • Page 67

    ILLUSTRATOR CS3 61
    Handboek

    4 Als het pad de gewenste grootte en vorm heeft, laat u de muisknop los (houd de toets Alt of Option ingedrukt). Laat Alt
    of Option pas los als het pad is gesloten.
    U hoeft de cursor niet op het beginpunt van het pad te plaatsen om een gesloten pad te maken. Als u de muisknop loslaat
    op een andere locatie, sluit het gereedschap Potlood de vorm door de kortst mogelijke lijn terug naar het oorspronkelijke
    punt te trekken.

    Paden bewerken met het gereedschap Potlood
    U kunt elk pad bewerken met het gereedschap Potlood en vrije-vormlijnen en -vormen aan elke vorm toevoegen.
    Lijnen en vormen aan een pad toevoegen met het gereedschap Potlood

    1 Selecteer een bestaand pad.
    2 Selecteer het gereedschap Potlood.
    3 Plaats de potloodpunt op een eindpunt van het pad.
    U bent dicht genoeg bij het eindpunt als de kleine x naast de potloodpunt verdwijnt.
    4 Sleep om het pad verder te tekenen.
    Twee paden met elkaar verbinden met het gereedschap Potlood

    1 Selecteer beide paden (houd Shift ingedrukt en klik of sleep een kader rond de twee paden met het selectiegereedschap).
    2 Selecteer het gereedschap Potlood.
    3 Plaats de aanwijzer op de plaats waar u wilt beginnen op het ene pad en sleep de aanwijzer naar het andere pad.
    4 Houd, nadat u met slepen bent begonnen, Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt. Bij het gereedschap
    Potlood wordt een klein samenvoegsymbool weergegeven om aan te geven dat u iets toevoegt aan het bestaande pad.
    5 Sleep naar het eindpunt van het andere pad, laat de muisknop los en laat vervolgens Ctrl of Command los.
    Opmerking: U krijgt het beste resultaat als u van het ene pad naar het andere sleept, net alsof u de paden doortrekt in de
    richting waarin ze zijn gemaakt.
    De vorm van paden veranderen met het gereedschap Potlood

    1 Selecteer het pad dat u wilt wijzigen.
    2 Plaats het gereedschap Potlood op of direct naast het pad dat u opnieuw wilt tekenen.
    U bent dicht genoeg bij het pad als de kleine x bij het gereedschap verdwijnt.
    3 Sleep het gereedschap tot het pad de gewenste vorm heeft.

    Een gesloten vorm bewerken met het gereedschap Potlood

    Opmerking: U kunt bij het bewerken van een pad onverwachte resultaten krijgen, afhankelijk van de plaats van waaruit u het
    pad opnieuw tekent en de richting waarin u sleept. U kunt bijvoorbeeld een gesloten pad per ongeluk veranderen in een open
    pad of vice versa of een deel van een vorm kwijtraken.



  • Page 68

    ILLUSTRATOR CS3 62
    Handboek

    Opties voor gereedschap Potlood
    Dubbelklik op het gereedschap Potlood om de volgende opties in te stellen:
    Getrouwheid Hiermee bepaalt u hoe ver u de muis of de pen moet verplaatsen voordat er een nieuw ankerpunt aan het pad

    wordt toegevoegd. Hoe hoger de waarde des te vloeiender en minder complex het pad is. Hoe lager de waarde des te meer
    curven de bewegingen van de aanwijzer volgen, wat resulteert in scherpere hoeken. Voor Getrouwheid kunt u een waarde
    opgeven van 0.5 tot 20 pixels.
    Vloeiendheid Hiermee bepaalt u de mate van vloeiendheid die wordt toegepast als u het gereedschap gebruikt. De
    vloeiendheid kan variëren van 0 tot 100%. Hoe hoger de waarde des te vloeiender het pad is. Hoe lager de waarde, des te
    meer ankerpunten er worden gemaakt en des te meer onregelmatigheden de lijn bevat.
    Nieuwe potloodstreken vullen (Alleen Illustrator) Als u deze optie selecteert, wordt een vulling toegepast op nieuwe
    potloodstreken. De optie is niet van invloed op bestaande potloodstreken. U moet een vulling selecteren voordat u de
    potloodstreken tekent.
    Selectie behouden Hiermee bepaalt u of het pad geselecteerd blijft nadat u het pad hebt getekend. Deze optie is standaard

    geselecteerd.
    Geselecteerde paden bewerken Hiermee bepaalt u of u een bestaand pad kunt wijzigen of samenvoegen of niet wanneer u
    zich binnen een bepaalde afstand van het pad bevindt (opgegeven met de volgende optie).
    Binnen: _ pixels Bepaalt hoe dicht de muis of pen van het grafische tablet bij een bestaand pad moet zijn om dit pad te
    kunnen bewerken met het gereedschap Potlood. Deze optie is alleen beschikbaar als de optie Geselecteerde paden
    bewerken is geselecteerd.

    Tekenen met het gereedschap Pen
    Rechte segmenten tekenen met het gereedschap Pen
    Het eenvoudigste pad dat u met het gereedschap Pen kunt tekenen, is een rechte lijn. Dit doet u door met het gereedschap
    Pen te klikken om twee ankerpunten te plaatsen. Als u nog een aantal keren klikt, maakt u een pad dat bestaat uit rechtelijnsegmenten die via hoekpunten zijn verbonden.

    Als u op het gereedschap Pen klikt, worden er rechte segmenten getekend.

    1 Selecteer het gereedschap Pen.
    2 Plaats het gereedschap Pen op de plaats waar het rechte segment moet beginnen en klik om het eerste ankerpunt te
    bepalen (sleep niet).
    Opmerking: Het eerste segment dat u tekent, wordt pas zichtbaar wanneer u het tweede ankerpunt hebt geplaatst. (Selecteer
    de optie Elastisch in Photoshop om padsegmenten te bekijken.) Als er richtingslijnen verschijnen, hebt u per ongeluk met het
    gereedschap Pen gesleept. Kies Bewerken > Ongedaan maken en klik nogmaals.
    3 Klik nogmaals op de plaats waar het segment moet eindigen of houd Shift ingedrukt en klik om de hoek van het segment
    te beperken tot een veelvoud van 45˚.
    4 Klik nogmaals om ankerpunten voor aanvullende rechte segmenten in te stellen.



  • Page 69

    ILLUSTRATOR CS3 63
    Handboek

    Het laatste ankerpunt dat u toevoegt, wordt altijd als een effen vierkantje weergegeven, waarmee wordt aangegeven dat het
    ankerpunt is geselecteerd. Zodra u het volgende ankerpunt toevoegt, wordt de selectie van het vorige ankerpunt opgeheven
    en wordt een leeg vierkantje weergegeven.
    5 Voltooi het pad op een van de volgende manieren:

    • Plaats het gereedschap Pen op het eerste (lege) ankerpunt om het pad te sluiten. Er wordt een kleine cirkel weergegeven
    naast de aanwijzer van het gereedschap Pen

    wanneer deze op de juiste plaats staat. Klik of sleep om het pad te sluiten.

    Opmerking: Als u een pad wilt sluiten in InDesign, kunt u het object ook selecteren en Object > Paden > Pad sluiten kiezen.

    • Als u het pad geopend wilt houden, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en klikt u op een
    willekeurige plaats uit de buurt van de objecten.
    Als u het pad geopend wilt houden, kunt u ook een ander gereedschap selecteren of Selecteren > Selectie opheffen in
    Illustrator of Bewerken > Alles deselecteren kiezen in InDesign.

    Curven tekenen met het gereedschap Pen
    U maakt curven door ankerpunten toe te voegen op plaatsen waar een curve van richting verandert en de richtingslijnen
    te slepen die de curven hun vorm geven. De lengte en hellingshoek van de richtingslijnen bepalen de vorm van de curve.
    Curven zijn eenvoudiger te bewerken en het systeem kan ze sneller weergeven en afdrukken als u ze met zo weinig mogelijk
    ankerpunten tekent. Wanneer u te veel punten gebruikt, kunnen er ongewenste oneffenheden in een curve ontstaan. Teken
    de ankerpunten daarom ver uit elkaar en oefen in het maken van curven door de lengten en de hoeken van de
    richtingslijnen aan te passen.
    1 Selecteer het gereedschap Pen.
    2 Plaats het gereedschap Pen op de plaats waar de curve moet beginnen en houd de muisknop ingedrukt.
    Het eerste ankerpunt verschijnt en het gereedschap Pen verandert in een pijlpunt. (In Photoshop verandert de aanwijzer
    pas nadat u met slepen bent begonnen.)
    3 Sleep met de pijlpunt om de helling in te stellen van het gebogen segment dat u maakt en laat de muisknop los.
    Over het algemeen verlengt u de richtingslijn met ongeveer een derde van de afstand tot het volgende ankerpunt dat u wilt
    tekenen. (Later kunt u een of beide kanten van de richtingslijn nog aanpassen.)
    Houd Shift tijdens het slepen ingedrukt om alleen in veelvouden van 45˚ te meten.

    A

    B

    C

    Tekenen het eerste punt in een curve
    A. Het gereedschap Pen plaatsen B. Beginnen met slepen (muisknop ingedrukt) C. Slepen om richtingslijnen te verlengen

    4 Plaats het gereedschap Pen op de plaats waar het gebogen segment moet eindigen en voer vervolgens een van de
    volgende handelingen uit:

    • Als u een curve wilt maken in de vorm van een C, sleept u in de tegengestelde richting van de vorige richtingslijn. Laat
    vervolgens de muisknop los.



  • Page 70

    ILLUSTRATOR CS3 64
    Handboek

    A

    B

    C

    Het tweede punt in een curve tekenen
    A. Beginnen met het slepen van het tweede boogpunt B. Wegslepen van de vorige richtingslijn af, waardoor een curve in de vorm van een C
    ontstaat C. Resultaat nadat u de muisknop loslaat.

    • Als u een curve in de vorm van een S wilt maken, sleept u in dezelfde richting als die van de vorige richtingslijn. Laat
    vervolgens de muisknop los.

    A

    B

    C

    Een S-curve tekenen
    A. Beginnen met het slepen van een nieuw boogpunt B. Slepen in dezelfde richting als de vorige richtingslijn waardoor er een curve in de vorm
    van een S ontstaat C. Resultaat nadat u de muisknop loslaat.

    (Alleen in Photoshop) Als de curve een scherpe hoek moet maken, laat u de muisknop los. Vervolgens houdt u Alt
    (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en sleept u het richtingspunt in de richting van de curve. Laat Alt (Windows) of
    Option (Mac OS) en de muisknop los, verplaats de aanwijzer naar de plaats waar het segment moet eindigen en sleep in
    tegengestelde richting om het curvesegment te voltooien.
    5 Ga door met slepen met het gereedschap Pen vanaf verschillende locaties om een reeks vloeiende curven te maken. U
    plaatst ankerpunten aan het begin en het einde van elke curve en niet bij de punt van de curve.
    Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en sleep richtingslijnen om uit de richtingslijnen van een ankerpunt te
    komen.
    6 Voltooi het pad op een van de volgende manieren:

    • Plaats het gereedschap Pen op het eerste (lege) ankerpunt om het pad te sluiten. Er wordt een kleine cirkel weergegeven
    naast de aanwijzer van het gereedschap Pen

    wanneer deze op de juiste plaats staat. Klik of sleep om het pad te sluiten.

    Opmerking: Als u een pad wilt sluiten in InDesign, kunt u het object ook selecteren en Object > Paden > Pad sluiten kiezen.

    • Als u het pad geopend wilt houden, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en klikt u op een
    willekeurige plaats uit de buurt van de objecten.
    Als u het pad geopend wilt houden, kunt u ook een ander gereedschap selecteren of Selecteren > Selectie opheffen in
    Illustrator of Bewerken > Alles deselecteren kiezen in InDesign.
    Als u een video wilt bekijken over het gereedschap Pen in Illustrator, gaat u naar www.adobe.com/go/vid0037_nl.

    Rechte lijnen tekenen, gevolgd door curven
    1 Klik met het gereedschap Pen op hoekpunten op twee plaatsen om een recht segment te maken.
    2 Plaats het gereedschap Pen op het geselecteerde eindpunt. In Illustrator en in InDesign staat naast het gereedschap Pen
    een pictogram voor het omzetten van punten wanneer u het gereedschap op de juiste manier hebt geplaatst (In Photoshop
    verschijnt een kleine diagonale lijn, of schuine lijn, naast het gereedschap Pen). Als u de helling van het volgende gebogen
    segment wilt instellen, klikt u op het ankerpunt en sleept u de richtingslijn die verschijnt.



  • Page 71

    ILLUSTRATOR CS3 65
    Handboek

    A

    B

    C

    Tekenen een recht segment gevolgd door een gebogen segment (deel 1)
    A. Voltooid recht segment B. Plaatsen van het gereedschap Pen op het eindpunt (het pictogram voor het omzetten van punten verschijnt alleen
    in Illustrator en in InDesign) C. Het richtingspunt slepen

    3 Plaats de pen op de plaats waar het volgende ankerpunt moet komen, klik vervolgens en sleep het nieuwe ankerpunt om
    de curve te maken.

    A

    B

    C

    Tekenen een recht segment gevolgd door een gebogen segment (deel 2)
    A. Het gereedschap Pen plaatsen B. Slepen van de richtingslijn C. Nieuw gebogen segment is voltooid

    Curven tekenen, gevolgd door rechte lijnen
    1 Sleep met het gereedschap Pen om het eerste boogpunt van het gebogen segment te maken en laat de muisknop los.
    2 Zet het gereedschap Pen op de plaats waar het gebogen segment moet eindigen, sleep om de curve te voltooien en laat
    de muisknop los.

    A

    B

    Een gebogen segment gevolgd door een recht segment tekenen (deel 1)
    A. Het eerste boogpunt van het gebogen segment is gemaakt en het gereedschap Pen staat op het eindpunt B. Slepen om de curve te voltooien

    3 Plaats het gereedschap Pen op het geselecteerde eindpunt. Wanneer u het gereedschap Pen op de juiste wijze hebt
    geplaatst, verschijnt naast het gereedschap het pictogram voor het omzetten van punten. Klik op het ankerpunt om het
    boogpunt om te zetten in een hoekpunt.
    4 Plaats het gereedschap Pen op het punt waar het rechte segment moet eindigen en klik om het rechte segment te
    voltooien.



  • Page 72

    ILLUSTRATOR CS3 66
    Handboek

    D

    C

    E

    Tekenen een gebogen segment gevolgd door een recht segment (deel 2)
    C. Het gereedschap Pen op een bestaand eindpunt plaatsen D. Op het eindpunt klikken E. Op het volgende hoekpunt klikken

    Twee gebogen segmenten tekenen die via een hoek met elkaar zijn verbonden
    1 Sleep met het gereedschap Pen om het eerste boogpunt van een gebogen segment te maken.
    2 Plaats het gereedschap Pen opnieuw, sleep dit om een curve met een tweede boogpunt te maken, druk vervolgens op Alt
    (Windows) of Option (Mac OS) en sleep de richtingslijn naar het andere uiteinde om de helling van de volgende curve in
    te stellen. Laat de toets en de muisknop los.
    Het boogpunt wordt nu omgezet in een hoekpunt door de richtingslijnen te splitsen.
    3 Plaats het gereedschap Pen waar u het tweede gebogen segment wilt beëindigen en sleep een nieuw boogpunt om het
    tweede gebogen segment te maken.

    A

    B

    C

    Tekenen twee curven
    A. Een nieuw boogpunt slepen B. Op Alt/Option drukken om richtingslijnen te splitsen tijdens het slepen en het richtingspunt omhoog te
    buigen C. Resultaat na opnieuw plaatsen en een derde keer slepen

    Ankerpunten opnieuw plaatsen terwijl u tekent
    ❖ Nadat u hebt geklikt om een ankerpunt te maken, houdt u de muisknop en de spatiebalk ingedrukt en sleept u om het
    ankerpunt opnieuw te plaatsen.

    Het tekenen van een pad voltooien
    ❖ Voltooi een pad op een van de volgende manieren:

    • Plaats het gereedschap Pen op het eerste (lege) ankerpunt om een pad te sluiten. Er wordt een kleine cirkel weergegeven
    naast de aanwijzer van het gereedschap Pen

    wanneer deze op de juiste plaats staat. Klik of sleep om het pad te sluiten.

    Opmerking: Als u een pad wilt sluiten in InDesign, kunt u het object ook selecteren en Object > Paden > Pad sluiten kiezen.

    • Als u een pad geopend wilt houden, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en klikt u op een
    willekeurige plaats uit de buurt van de objecten.
    Als u het pad geopend wilt houden, kunt u ook een ander gereedschap selecteren of Selecteren > Selectie opheffen in
    Illustrator of Bewerken > Alles deselecteren kiezen in InDesign.



  • Page 73

    ILLUSTRATOR CS3 67
    Handboek

    Paden bewerken
    Paden, segmenten en ankerpunten selecteren
    Voordat u de vorm van een pad kunt wijzigen of een pad kunt bewerken, moet u de ankerpunten of segmenten van het pad
    selecteren of een combinatie van beide selecteren.
    Ankerpunten selecteren

    • Als u de punten kunt zien, kunt u met het gereedschap Direct selecteren

    op de punten klikken om ze te selecteren.

    Houd Shift ingedrukt en klik om meerdere punten te selecteren.

    • Selecteer het gereedschap Direct selecteren en sleep een kader rond de ankerpunten. Houd Shift ingedrukt en sleep rond
    extra ankerpunten om ook deze te selecteren.

    • Zorg dat het pad dat de ankerpunten bevat, niet wordt geselecteerd. Plaats het gereedschap Direct selecteren op het
    ankerpunt totdat er bij de aanwijzer een leeg vierkantje wordt weergegeven en klik vervolgens op het ankerpunt. Houd
    Shift ingedrukt en klik op extra ankerpunten om ook deze te selecteren.

    • (Alleen Illustrator) Selecteer het gereedschap Lasso en sleep een kader rond de ankerpunten. Houd Shift ingedrukt en
    sleep rond extra ankerpunten om ook deze te selecteren.
    Padsegmenten selecteren

    Voer een van de volgende handelingen uit:



    Selecteer het gereedschap Direct selecteren en klik daarna binnen 2 pixels van het segment of sleep een selectiekader
    over een gedeelte van het segment. Houd Shift ingedrukt en klik op extra padsegmenten of sleep een kader rond extra
    padsegmenten om ook deze te selecteren.

    • (Alleen Illustrator) Selecteer het gereedschap Lasso

    en sleep dit rond een gedeelte van het padsegment. Houd Shift
    ingedrukt en sleep rond extra segmenten van het pad om ook deze te selecteren.

    Alle ankerpunten en segmenten in een pad selecteren

    1 Selecteer het gereedschap Direct selecteren

    of, in Illustrator, het gereedschap Lasso.

    2 Sleep dit rond het gehele pad.
    Als het pad is gevuld, kunt u met het gereedschap Direct selecteren ook binnen het pad klikken om alle ankerpunten te
    selecteren.
    Een pad kopiëren
    ❖ Selecteer een pad of een segment met het gereedschap Selecteren of Direct selecteren en voer een van de volgende
    handelingen uit:

    • Gebruik de standaardmenufuncties om paden in toepassingen te kopiëren of om paden van de ene naar de andere
    toepassing te kopiëren en te plakken.

    • Houdt Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en sleep het pad naar de gewenste positie en laat vervolgens de
    muisknop en de toets Alt of Option weer los.

    Padsegmenten aanpassen
    In toepassingen van Adobe werkt het bewerken van padsegmenten op een vergelijkbare manier. U kunt een padsegment
    altijd bewerken, maar het bewerken van bestaande segmenten gaat iets anders in zijn werk dan het tekenen van segmenten.
    Gebruik de volgende tips wanneer u segmenten bewerkt:

    • Als een ankerpunt twee segmenten verbindt en u dit ankerpunt verplaatst, wijzigt u altijd beide segmenten.
    • Als u het laatst gebruikte selectiegereedschap (Illustrator) of het gereedschap Direct selecteren (InDesign en Photoshop)
    tijdelijk wilt activeren, druk dan tijdens het tekenen met het gereedschap Pen op Ctrl (Windows) of Command
    (Mac OS). Op deze manier kunt u de segmenten aanpassen die u al hebt getekend.



  • Page 74

    ILLUSTRATOR CS3 68
    Handboek

    • Als u eerst met het gereedschap Pen een vloeiend punt tekent, wordt tijdens het slepen van de richtingslijn de lengte van
    de richtingslijn aan beide zijden van het punt gewijzigd. Bent u echter een bestaand vloeiend punt aan het bewerken met
    het gereedschap Direct selecteren, dan wordt de lengte van de richtingslijn alleen gewijzigd aan de zijde die u sleept.

    Zie ook
    “Paden, segmenten en ankerpunten selecteren” op pagina 67
    “Galerie met omvormingsgereedschappen” op pagina 28
    Rechte segmenten verplaatsen

    1 Selecteer met het gereedschap Direct selecteren

    het segment dat u wilt aanpassen.

    2 Sleep het segment naar de nieuwe positie.
    De lengte of hoek van rechte segmenten aanpassen

    1 Selecteer met het gereedschap Direct selecteren

    een ankerpunt op het segment dat u wilt aanpassen.

    2 Sleep het ankerpunt naar de gewenste positie. Houd Shift ingedrukt en sleep om de aanpassing tot stappen van 45 graden
    te beperken.
    Als u in Illustrator of in InDesign een rechthoek alleen maar breder of smaller wilt maken, is het eenvoudiger om de
    rechthoek met het selectiegereedschap te selecteren en de grootte ervan te wijzigen met een van de handgrepen aan de zijden
    van het selectiekader.
    De positie of vorm van gebogen segmenten aanpassen

    1 Selecteer met het gereedschap Direct selecteren een gebogen segment of een ankerpunt op een van de uiteinden van het
    gebogen segment. Er worden, indien aanwezig, richtingslijnen weergegeven. (Voor sommige gebogen segmenten wordt
    slechts één richtingslijn gebruikt.)
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u de positie van het segment wilt veranderen, sleept u het segment. Houd Shift ingedrukt en sleep om de aanpassing
    tot stappen van 45 graden te beperken.

    Selecteer het curvesegment door er op te klikken. Verander door te slepen.

    • Als u de vorm van het segment aan een van beide zijden van een geselecteerd ankerpunt wilt wijzigen, sleept u het
    ankerpunt of de richtingspunt. Houd Shift ingedrukt en sleep om de beweging tot stappen van 45 graden te beperken.

    Sleep het ankerpunt of het richtingspunt.

    Opmerking: Het is ook mogelijk om segmenten of ankerpunten te transformeren, bijvoorbeeld door deze te schalen of te
    draaien.



  • Page 75

    ILLUSTRATOR CS3 69
    Handboek

    Een segment verwijderen

    1 Selecteer het gereedschap Direct selecteren

    en selecteer het segment dat u wilt verwijderen.

    2 Druk op Backspace (Windows) of Delete (Mac OS) om het geselecteerde segment te verwijderen. Als u nogmaals op
    Backspace of Delete drukt, wordt de rest van het pad verwijderd.
    Een open pad uitbreiden

    1 Plaats met het gereedschap Pen de aanwijzer op het eindpunt van het open pad dat u wilt uitbreiden. De aanwijzer
    verandert wanneer deze precies op het eindpunt wordt geplaatst.
    2 Klik op het eindpunt.
    3 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • U maakt een hoekpunt door het gereedschap Pen op de positie te plaatsen waar het nieuwe segment moet eindigen en te
    klikken. Als u een pad verlengt dat met een boogpunt eindigt, wordt de kromming van het nieuwe segment door de
    bestaande richtingslijn bepaald.
    Opmerking: Als u in Illustrator een pad uitbreidt dat eindigt in een boogpunt, wordt het nieuwe segment recht.

    • U maakt een boogpunt door het gereedschap Pen op de positie te plaatsen waar het nieuwe gebogen segment moet
    eindigen en te slepen.
    Twee open paden verbinden

    1 Plaats met het gereedschap Pen de aanwijzer op het eindpunt van het open pad dat u met een ander pad wilt verbinden.
    De aanwijzer verandert wanneer deze precies op het eindpunt wordt geplaatst.
    2 Klik op het eindpunt.
    3 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op een eindpunt op het andere pad om het pad met het andere open pad te verbinden. Als u het gereedschap Pen
    precies op het eindpunt van het andere pad hebt geplaatst, staat er een klein samenvoegsymbool

    naast de aanwijzer.

    • Als u een nieuw pad met een bestaand pad wilt verbinden, tekent u het nieuwe pad in de buurt van het bestaande pad en
    verplaatst u het gereedschap Pen naar het (niet-geselecteerde) eindpunt van het bestaande pad. Klik op dat eindpunt
    wanneer er een klein samenvoegsymbool bij de aanwijzer wordt weergegeven.
    Twee eindpunten verbinden

    1 Selecteer de eindpunten.
    Als de eindpunten samenvallen (op elkaar liggen), sleept u een selectiekader door of rond beide eindpunten om ze te
    selecteren.
    2 Klik in het deelvenster Beheer op de knop Geselecteerde eindpunten verbinden

    .

    3 Als de eindpunten samenvallen, wordt er een dialoogvenster weergegeven waarin u kunt opgeven wat voor type
    verbinding u wilt maken. Selecteer de optie Hoek (de standaardoptie) of de optie Vloeiend en klik op OK.

    A

    B

    Eindpunten verbinden
    A. Samenvallende eindpunten selecteren en verbinden B. Niet-samenvallende eindpunten selecteren en verbinden

    Ankerpunten of segmenten verplaatsen of verschuiven met het toetsenbord

    1 Selecteer het ankerpunt of padsegment.
    Opmerking: In Photoshop kunt u alleen op deze manier ankerpunten verplaatsen.



  • Page 76

    ILLUSTRATOR CS3 70
    Handboek

    2 Klik of houd een van de pijltoetsen op het toetsenbord ingedrukt om een ankerpunt of padsegment in stappen van 1 pixel
    in de richting van de pijl te verplaatsen.
    Houd naast de pijltoets ook de Shift-toets ingedrukt om een ankerpunt of padsegment in stappen van 10 pixels te
    verplaatsen.
    Opmerking: In Illustrator en in InDesign kunt u de afstand van een verschuiving wijzigen door de voorkeur voor
    Toetsenbordspecificaties te wijzigen. Wanneer u de standaardstap wijzigt en u Shift ingedrukt houdt, wordt een ankerpunt of
    padsegment 10 keer over de opgegeven afstand verschoven.
    Delen van een pad uitrekken zonder de algehele vorm te vervormen

    1 Selecteer het gehele pad.
    2 Selecteer het gereedschap Omvormen

    (dit bevindt zich bij het gereedschap Schalen

    ).

    3 Plaats de cursor op het ankerpunt of padsegment dat u als brandpunt wilt gebruiken (dat wil zeggen een punt dat de
    geselecteerde padsegmenten naar zich toe trekt) en klik erop.
    Als u op een padsegment klikt, wordt er een gemarkeerd ankerpunt met een vierkantje erom aan het pad toegevoegd.
    4 Houd Shift ingedrukt en klik op andere ankerpunten of padsegmenten als u deze als extra brandpunten wilt laten
    fungeren. U kunt een onbeperkt aantal ankerpunten of padsegmenten markeren.
    5 Sleep de gemarkeerde ankerpunten om het pad aan te passen.

    Ankerpunten toevoegen en verwijderen
    Met extra ankerpunten krijgt u meer controle over het pad of kunt u een open pad verlengen. Het is echter verstandig niet
    meer punten toe te voegen dan nodig is. Een pad met minder punten kan makkelijker worden bewerkt, weergegeven en
    afgedrukt. U kunt een pad minder complex maken door overbodige punten te verwijderen. Het toevoegen en verwijderen
    van ankerpunten werkt in de verschillende Adobe-toepassingen op vergelijkbare wijze.
    Het deelvenster Gereedschappen bevat drie gereedschappen voor het toevoegen of verwijderen van punten: het
    gereedschap Pen , het gereedschap Ankerpunt toevoegen
    en het gereedschap Ankerpunt verwijderen . Verder
    beschikt het deelvenster Beheer over de knop Geselecteerde ankerpunten verwijderen
    .
    Standaard verandert het gereedschap Pen in het gereedschap Ankerpunt toevoegen als u het gereedschap op een
    geselecteerd pad plaatst of in het gereedschap Ankerpunt verwijderen als u het gereedschap op een ankerpunt plaatst.
    Opmerking: Gebruik niet de toetsen Delete, Backspace en Clear of de opdrachten Bewerken > Knippen en Bewerken > Wissen
    om ankerpunten te verwijderen. Met deze toetsen en opdrachten worden het punt en de lijnsegmenten verwijderd die met dat
    punt zijn verbonden.

    Zie ook
    “Galerie met tekengereedschappen” op pagina 25
    “Paden, segmenten en ankerpunten selecteren” op pagina 67
    Ankerpunten toevoegen of verwijderen

    1 Selecteer het pad dat u wilt wijzigen.
    2 Om een ankerpunt toe te voegen, selecteert u het gereedschap Pen of Ankerpunt toevoegen. Vervolgens plaatst u de
    aanwijzer op het padsegment en klikt u erop.
    3 Als u een ankerpunt wilt verwijderen, voer dan een van de volgende handelingen uit:

    • Selecteer het punt met het gereedschap Direct selecteren en klik op Geselecteerde ankerpunten verwijderen
    deelvenster Beheer.

    • Selecteer het gereedschap Pen of Ankerpunt verwijderen, plaats de aanwijzer op het ankerpunt en klik erop.

    in het



  • Page 77

    ILLUSTRATOR CS3 71
    Handboek

    Losse ankerpunten zoeken en verwijderen

    Losse ankerpunten zijn individuele punten die niet met andere ankerpunten zijn verbonden. Het is aan te raden losse
    ankerpunten op te zoeken en te verwijderen.
    1 Deselecteer alle objecten.
    2 Kies Selecteren > Object > Losse ankerpunten.
    3 Kies de opdrachten Bewerken > Knippen of Bewerken > Wissen of druk op de toetsen Delete of Backspace op het
    toetsenbord.
    Automatisch overschakelen naar het gereedschap Pen uitschakelen of tijdelijk opheffen

    U kunt het automatisch overschakelen naar het gereedschap Ankerpunten toevoegen of Ankerpunten verwijderen
    uitschakelen of tijdelijk opheffen.

    • Als u het overschakelen tijdelijk wilt opheffen, houdt u Shift ingedrukt terwijl u het gereedschap Pen op het geselecteerde
    pad of op een ankerpunt plaatst. Dit is handig wanneer u een nieuw pad bovenop een bestaand pad wilt laten beginnen.
    Als u wilt voorkomen dat Shift het gereedschap Pen beperkt, laat u Shift los voordat u de muisknop loslaat.

    • Als u het overschakelen wilt uitschakelen, kies dan Bewerken > Voorkeuren > Algemeen (Windows) of Illustrator >
    Voorkeuren > Algemeen (Mac OS) en selecteer Automatisch toevoegen/verwijderen uitschakelen.

    Paden vloeiend maken en vereenvoudigen
    U kunt de weergave van paden vloeiend maken en paden vereenvoudigen door overbodige ankerpunten te verwijderen.

    Zie ook
    “Galerie met tekengereedschappen” op pagina 25
    “Toetsen voor het bewerken van vormen” op pagina 441
    “Paden, segmenten en ankerpunten selecteren” op pagina 67
    Paden vloeiend maken

    1 Selecteer het object.
    2 Selecteer het gereedschap Vloeiend

    .

    3 Sleep het gereedschap langs de lengte van het padsegment dat u vloeiend wilt maken.
    4 Ga door tot de streek of het pad vloeiend genoeg is.

    A

    B

    C

    Gebruik van het gereedschap Vloeiend
    A. Origineel pad B. Langs het pad slepen met het gereedschap Vloeiend C. Resultaat

    5 Dubbelklik op het gereedschap Vloeiend en stel de volgende opties in om de mate van vloeiendheid in te stellen:
    Getrouwheid Hiermee bepaalt u hoe ver u de muis of de pen moet verplaatsen voordat een nieuw ankerpunt aan het pad

    wordt toegevoegd. De waarde 2,5 betekent bijvoorbeeld dat bewegingen met het gereedschap van minder dan 2,5 pixels niet
    worden geregistreerd. De waarde van Getrouwheid ligt in het bereik van 0,5 tot 20 pixels. Hoe hoger de waarde is, hoe
    vloeiender en minder complex het pad is.
    Vloeiendheid Hiermee bepaalt u de mate van vloeiendheid die wordt toegepast als u het gereedschap gebruikt. U kunt voor
    Vloeiendheid een percentage van 0% tot 100% instellen. Hoe hoger de waarde, hoe vloeiender het pad wordt.



  • Page 78

    ILLUSTRATOR CS3 72
    Handboek

    Paden vereenvoudigen

    Als u een pad vereenvoudigt, verwijdert u overbodige ankerpunten zonder de vorm van het pad te wijzigen. Door
    overbodige ankerpunten te verwijderen vereenvoudigt u de illustratie, zodat de bestandsgrootte wordt beperkt en de
    illustratie sneller wordt afgedrukt en weergegeven.
    1 Selecteer het object.
    2 Kies Object > Pad > Vereenvoudigen.
    3 Stel de optie Precisie kromme in om te bepalen hoe nauwkeurig het vereenvoudigde pad het oorspronkelijke pad volgt.
    Selecteer Voorvertoning om een voorbeeld van het vereenvoudigde pad en het aantal punten in de originele en
    vereenvoudigde paden weer te geven.
    4 Stel de overige opties in en klik op OK:
    Precisie kromme Voer een waarde tussen 0% en 100% in om aan te geven hoe nauwkeurig het vereenvoudigde pad het
    oorspronkelijke pad moet volgen. Hoe hoger het percentage, hoe meer punten er worden gemaakt en hoe beter het pad past.
    Eventuele bestaande ankerpunten worden genegeerd, behalve de eindpunten van een curve en hoekpunten (tenzij u een
    waarde invoert voor de hoekdrempel).
    Hoekdrempel Voer een waarde in tussen 0 en 180˚ om te bepalen hoe vloeiend de hoeken worden. Als de hoek van een
    hoekpunt een lagere waarde heeft dan de hoekdrempel, wordt het hoekpunt niet gewijzigd. Met deze optie houdt u de
    hoeken scherp, zelfs als de waarde voor Precisie kromme laag is.
    Rechte lijnen Hiermee maakt u rechte lijnen tussen de oorspronkelijke ankerpunten van het object. Hoekpunten worden

    verwijderd als deze een grotere hoek hebben dan de waarde die is ingesteld bij Hoekdrempel.
    Origineel tonen Hiermee toont u het originele pad achter het vereenvoudigde pad.

    De positie van ankerpunten middelen

    1 Selecteer twee of meer ankerpunten (op hetzelfde pad of op verschillende paden).
    2 Kies Object > Pad > Middelen.
    3 Geef aan of u wilt middelen langs de horizontale as (x), de verticale as (y) of beide assen, en klik op OK.

    Vloeiende punten in hoekpunten omzetten en omgekeerd
    U kunt de vloeiende punten op een pad converteren in hoekpunten en andersom. Met de opties in het deelvenster Beheer
    kunt u snel meerdere ankerpunten converteren. Met het gereedschap Ankerpunt omzetten kunt u ervoor kiezen om slechts
    één zijde van het punt te converteren. Verder kunt u de curve exact wijzigen tijdens het converteren van het punt.

    Zie ook
    “Paden” op pagina 51
    “Galerie met tekengereedschappen” op pagina 25
    “Richtingslijnen en richtingspunten” op pagina 53
    Een of meer ankerpunten converteren via het deelvenster Beheer

    Selecteer, als u de opties voor het converteren van ankerpunten in het deelvenster Beheer gebruikt, niet het gehele object,
    maar alleen de relevante ankerpunten. Als u meerdere objecten selecteert, moet een van de objecten slechts gedeeltelijk zijn
    geselecteerd. Als u gehele objecten selecteert, veranderen de opties in het deelvenster Beheer in opties die betrekking
    hebben op het gehele object.

    • Als u een of meer hoekpunten wilt converteren naar vloeiende punten, selecteert u de punten en klikt u vervolgens op
    de knop Geselecteerde ankerpunten converteren naar vloeiend

    in het deelvenster Beheer.

    • Als u een of meer vloeiende punten wilt converteren naar hoekpunten, selecteert u de punten en klikt u vervolgens op
    de knop Geselecteerde ankerpunten converteren naar hoek

    in het deelvenster Beheer.



  • Page 79

    ILLUSTRATOR CS3 73
    Handboek

    Een ankerpunt nauwkeurig converteren met het gereedschap Ankerpunt omzetten

    1 Selecteer het gehele pad dat u wilt wijzigen, zodat de bijbehorende ankerpunten worden weergegeven.
    2 Selecteer het gereedschap Ankerpunt omzetten

    .

    3 Plaats het gereedschap Ankerpunt omzetten op het gewenste ankerpunt en ga dan als volgt te werk:

    • Als u een hoekpunt naar een vloeiend punt wilt converteren, sleept u een richtingspunt van het hoekpunt af.

    Een richtingspunt van een hoekpunt afslepen om een vloeiend punt te maken

    • U converteert een vloeiend punt naar een hoekpunt zonder richtingslijnen door op het vloeiend punt te klikken.

    Op een vloeiend punt klikken om een hoekpunt te maken

    • U converteert een vloeiend punt naar een hoekpunt met onafhankelijke richtingslijnen door een van de twee
    richtingspunten te slepen.

    Een vloeiend punt naar een hoekpunt converteren

    • Om een hoekpunt zonder richtingslijnen om te zetten in een hoekpunt met onafhankelijke richtingslijnen, sleept u eerst
    een richtingspunt weg van een hoekpunt (waardoor dit verandert in een vloeiend punt met richtingslijnen). Laat alleen
    de muisknop los (houd de toetsen ingedrukt die u wellicht hebt gebruikt om het gereedschap Ankerpunt omzetten te
    activeren) en sleep een van de twee richtingspunten.

    Wissen in illustraties
    U kunt delen van een illustratie wissen met het gereedschap Padgummetje of Gummetje of met het gummetje op een
    Wacom-tekenpen. Met het gereedschap Padgummetje
    kunt u delen van een pad wissen door langs het pad te slepen.
    Met dit gereedschap kunt u het wissen beperken tot een padsegment, zoals één hoek van een driehoek. Met het gereedschap
    Gummetje
    en het gummetje op een Wacom-tekenpen kunt u elk deel van een illustratie wissen, ongeacht de structuur
    ervan. U kunt het gereedschap Gummetje toepassen op paden, samengestelde paden, paden binnen groepen van Actieve
    verf en knippaden.



  • Page 80

    ILLUSTRATOR CS3 74
    Handboek

    Met het gereedschap Padgummetje kunt u delen van een pad wissen (links); met het gereedschap Gummetje kunt u een deel van een gegroepeerd
    object wissen (rechts)

    Op www.adobe.com/go/vid0036_nl vindt u een video over het gereedschap Gummetje.

    Zie ook
    “Galerie met tekengereedschappen” op pagina 25
    “Toetsen voor het bewerken van vormen” op pagina 441
    Een deel van een pad wissen met het gereedschap Padgummetje

    1 Selecteer het object.
    2 Selecteer het gereedschap Padgummetje

    .

    3 Sleep het gereedschap langs de lengte van het padsegment dat u wilt wissen. Sleep voor het beste resultaat in een enkele,
    vloeiende beweging.
    Objecten wissen met het gereedschap Gummetje

    1 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u specifieke objecten wilt wissen, selecteert u de objecten of opent u de objecten in de isolatiemodus.
    • Als u een willekeurig object in het tekengebied wilt wissen, selecteert u geen van de objecten.
    Als u niets hebt geselecteerd, wist het gereedschap Gummetje door en over alle lagen heen.
    2 Selecteer het gereedschap Gummetje

    .

    3 (Optioneel) Dubbelklik op het gereedschap Gummetje en geef de opties op.
    4 Sleep over het gebied dat u wilt wissen. U kunt het gereedschap op de volgende manieren gebruiken:

    • Houd tijdens het slepen Shift ingedrukt als u met het gereedschap Gummetje alleen verticaal, horizontaal of diagonaal
    wilt gummen.

    • Houd tijdens het slepen Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt als u een selectiekader rond een gebied wilt
    maken en daarbinnen alles wilt wissen. Als u een vierkant selectiekader wilt, drukt u tijdens het slepen op Alt + Shift
    (Windows) of op Option + Shift (Mac OS).
    Objecten wissen met het gummetje van een Wacom-tekenpen

    Als u een tekenpen omkeert, wordt automatisch het gereedschap Gummetje geactiveerd. Als u de tekenpen nogmaals
    omkeert, wordt het laatst gebruikte gereedschap weer geactiveerd.
    ❖ Draai de tekenpen om en sleep over het gebied dat u wilt wissen.

    Als u harder drukt, neemt de breedte van het gewiste pad toe.
    Opties voor het gereedschap Gummetje

    U kunt de opties voor het gereedschap Gummetjes wijzigen door te dubbelklikken op het gereedschap in het deelvenster
    Gereedschappen.



  • Page 81

    ILLUSTRATOR CS3 75
    Handboek

    Opmerking: U kunt de diameter altijd vergroten door op ] te drukken of verkleinen door op [ te drukken.
    Hoek Hiermee bepaalt u de rotatiehoek voor het gereedschap. Sleep de pijlpunt in de voorvertoning of voer in het tekstvak

    Hoek een waarde in.
    Ronding Hiermee bepaalt u de ronding van het gereedschap. Sleep een van de zwarte stippen in de voorvertoning van of

    naar het midden, of geef een waarde op in het tekstvak Ronding. Hoe groter de waarde, hoe groter de ronding.
    Diameter Hiermee bepaalt u de diameter van het gereedschap. Gebruik de schuifregelaar Diameter of geef een waarde op

    in het tekstvak Diameter.
    Met het vervolgkeuzemenu rechts van elke optie kunt u variaties aanbrengen in de vorm van het gereedschap. Kies een van
    de volgende opties:
    Vast Hiermee wordt een vaste hoek, ronding of diameter ingevoerd.
    Willekeurig Hiermee stelt u in dat er wordt gewerkt met willekeurige variaties in de hoek, ronding of diameter. Typ een
    waarde in het tekstvak Variatie om het bereik op te geven voor de variatie in de penseelkenmerken. Met bijvoorbeeld een
    diameter van 15 en een variatie van 5, kan de diameter variëren van 10 tot en met 20.
    Druk Hiermee stelt u in dat de hoek, ronding of diameter varieert op basis van de druk van een tekenpen. Deze optie is

    vooral handig bij Diameter. Deze optie is alleen beschikbaar als u een grafisch tablet gebruikt. Typ een waarde in het
    tekstvak Variatie om op te geven hoeveel de penseelkenmerken kunnen variëren ten opzichte van de oorspronkelijke
    waarde. Als de waarde voor Ronding bijvoorbeeld 75% is en de waarde voor Variatie 25%, is de lichtste streek 50% en de
    zwaarste streek 100%. Hoe lichter de druk, hoe groter de hoek van de penseelstreek.
    Pendrukschijf Hiermee stelt u in dat de variatie van de diameter wordt aangestuurd met behulp van de pendrukschijf.
    Overhelling Hiermee stelt u in dat de hoek, ronding of diameter varieert op basis van de overhelling van een tekenpen.
    Deze optie is vooral handig bij Ronding. Deze optie is alleen beschikbaar als u een grafisch tablet gebruikt dat de hoek van
    de pen kan detecteren.
    Draairichting Hiermee stelt u in dat de hoek, ronding of diameter varieert op basis van de druk van een tekenpen. Deze optie

    is vooral handig om de hoek van kalligrafische penselen te variëren, met name waneer u het penseel als een verfkwast gebruikt.
    Deze optie is alleen beschikbaar als u een grafisch tablet gebruikt dat kan detecteren in welke mate de pen verticaal is.
    Rotatie Hiermee stelt u in dat de hoek, ronding of diameter varieert op basis van de rotatiewijze van de tekenpenpunt. Deze

    optie is vooral handig om de hoek van kalligrafische penselen te variëren, met name waneer u het penseel als een stift met
    platte punt gebruikt. Deze optie is alleen beschikbaar als u een grafisch tablet gebruikt dat dit type rotatie kan detecteren.

    Een pad splitsen
    U kunt een pad, afbeeldingskader of leeg tekstkader bij een willekeurig ankerpunt of langs een willekeurig segment splitsen.
    Neem de volgende richtlijnen in acht bij het splitsen van paden:

    • Als u een gesloten pad in twee open paden wilt splitsen, moet u het pad op twee plaatsen delen. Deelt u een gesloten pad
    slechts een keer, dan krijgt u één pad met een tussenruimte.

    • Paden die als gevolg van delen ontstaan, nemen de instellingen van het originele pad over, zoals de streekdikte en
    vulkleur. Mogelijk moet u de uitlijning van streken wijzigen van binnen naar buiten.
    1 (Optioneel) Selecteer het pad om de huidige ankerpunten weer te geven.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Selecteer het gereedschap Schaar en klik op het pad op de plaats waar u het wilt splitsen. Als u het pad in het midden van
    een segment splitst, worden de twee nieuwe eindpunten boven op elkaar weergegeven en is er één eindpunt geselecteerd.

    • Selecteer het ankerpunt waar u het pad wilt splitsen en klik op de knop Pad knippen bij geselecteerde ankerpunten
    in het deelvenster Beheer. Als u een pad op een ankerpunt splitst, wordt boven op het oorspronkelijke ankerpunt een
    nieuw ankerpunt gemaakt en is er één ankerpunt geselecteerd.
    3 Gebruik het gereedschap Direct selecteren om het nieuwe ankerpunt of padsegment aan te passen.
    Opmerking: Met het gereedschap Mes kunt u een object opsplitsen in samenstellende vlakken (een vlak is een gebied dat niet
    door een lijnsegment is onderverdeeld).



  • Page 82

    ILLUSTRATOR CS3 76
    Handboek

    Zie ook
    “Objecten knippen met het gereedschap Mes” op pagina 224

    Illustraties overtrekken
    Illustraties overtrekken
    Als u een nieuwe tekening wilt baseren op een bestaande illustratie, kunt u deze overtrekken. U kunt bijvoorbeeld een
    afbeelding maken op basis van een pentekening op papier of op basis van een rasterafbeelding die is opgeslagen in een ander
    grafisch programma. U voert de illustratie in Illustrator in en trekt deze over.
    U kunt illustraties het gemakkelijkste overtrekken door een bestand in Illustrator te openen of te plaatsen en de illustratie
    automatisch over te trekken met de opdracht Actief overtrekken. U kunt zelf het gewenste detailniveau en de vulling van
    de overgetrokken illustratie bepalen. Wanneer u tevreden bent met de resultaten, kunt u de overtrek converteren naar
    vectorpaden of een object van Actieve verf.

    Voor en na het overtrekken van een bitmapafbeelding met de opdracht Actief overtrekken

    Op www.adobe.com/go/vid0043_nl vindt u een video over Actief overtrekken.
    Illustraties automatisch overtrekken

    1 Open of plaats het bestand dat u als bronafbeelding voor het overtrekken wilt gebruiken.
    2 Selecteer de bronafbeelding en voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een voorinstelling voor overtrekken wilt gebruiken om een afbeelding over te trekken, klik dan op de knop
    Voorinstellingen en opties voor overtrekken

    in het deelvenster Beheer en selecteer een voorinstelling.

    • Als u de afbeelding wilt overtrekken met de standaardopties voor overtrekken, klik dan op Actief overtrekken in het
    deelvenster Beheer of kies Object > Actief overtrekken > Maken.

    • Als u opties voor het overtrekken wilt instellen voordat u de afbeelding overtrekt, klik dan op de knop Voorinstellingen
    en opties voor overtrekken
    in het deelvenster Beheer en kies Overtrekopties. U kunt ook Object > Actief
    overtrekken > Overtrekopties kiezen. Stel de gewenste overtrekopties in en klik op Overtrekken.
    3 (Optioneel) Pas de overtrekresultaten aan.
    4 (Optioneel) Converteer de overtrek naar paden of naar een object van Actieve verf.
    Illustraties handmatig overtrekken met sjabloonlagen

    Sjabloonlagen zijn vergrendelde lagen die niet worden afgedrukt en die u kunt gebruiken om handmatig afbeeldingen mee
    over te trekken. Sjabloonlagen zijn met 50% gedimd, zodat u alle paden die u vóór de laag tekent, duidelijk kunt zien. U
    kunt sjabloonlagen maken wanneer u een afbeelding plaatst. U kunt hier ook bestaande lagen voor gebruiken.
    1 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een afbeelding wilt plaatsen als een sjabloonlaag voor overtrekken, kies dan Bestand > Plaatsen en selecteer het
    EPS-, PDF- of rasterafbeeldingsbestand dat u wilt overtrekken. Selecteer vervolgens Sjabloon en klik op Plaatsen. Er
    wordt een nieuwe sjabloonlaag weergegeven onder de huidige laag in het deelvenster.



  • Page 83

    ILLUSTRATOR CS3 77
    Handboek

    • Als u een bestaande afbeelding wilt overtrekken, controleer dan dat de afbeelding zich in zijn eigen laag bevindt.
    Dubbelklik vervolgens op de laag in het deelvenster Lagen, selecteer Sjabloon en klik op OK. U kunt ook de laag
    selecteren en Sjabloon kiezen in het deelvenstermenu.
    Het oogpictogram

    wordt vervangen door het sjabloonpictogram

    en de laag wordt vergrendeld.

    2 Trek nu over met het gereedschap Pen of Potlood.
    3 Als u de sjabloonlaag wilt verbergen, kies dan Weergave > Sjabloon verbergen. Kies Weergave > Sjabloon tonen om de
    sjabloon opnieuw weer te geven.
    4 Als u een sjabloonlaag wilt omzetten naar een normale laag, dubbelklik dan op de sjabloonlaag in het deelvenster Lagen.
    Schakel vervolgens de optie Sjabloon uit en klik op OK.

    Overtrekopties
    Voorinstelling Hiermee geeft u een voorinstelling voor overtrekken op.
    Modus Hiermee geeft u een kleurmodus voor het overtrekresultaat op.
    Drempel Hiermee geeft u een waarde op voor het genereren van een zwart-wit overtrekresultaat aan de hand van de
    oorspronkelijke afbeelding. Alle pixels lichter dan de drempelwaarde worden omgezet in wit en alle pixels donkerder dan
    de drempelwaarde worden omgezet in zwart. (Deze optie is alleen beschikbaar als de modus is ingesteld op Zwart-wit.)
    Palet Geeft een palet op voor het genereren van een kleurenovertrek of een overtrek met grijswaarden aan de hand van de

    oorspronkelijke afbeelding. (Deze optie is alleen beschikbaar als Modus is ingesteld op Kleur of Grijswaarden.)
    Als u wilt dat de kleuren in de overtrek door Illustrator zelf worden bepaald, selecteert u Automatisch. Als u een aangepast
    palet wilt gebruiken voor het overtrekken, selecteert u de naam van een staalbibliotheek. (Staalbibliotheken worden alleen
    weergegeven in het menu Palet als ze zijn geopend.)
    Maximaal aantal kleuren Hiermee bepaalt u het maximale aantal kleuren dat in een overtrekresultaat met kleuren of

    grijstinten wordt gebruikt. (Deze optie is alleen beschikbaar als Modus is ingesteld op Kleur of Grijswaarden en als
    Deelvenster is ingesteld op Automatisch.)
    Uitvoer naar stalen Hiermee maakt u een nieuw staal in het deelvenster Stalen voor elke kleur in het overtrekresultaat.
    Vervagen Hiermee vervaagt u de oorspronkelijke afbeelding voordat het overtrekresultaat wordt gegenereerd. Selecteer
    deze optie om kleine artefacten in het overtrekresultaat te verminderen en rafelige randen glad te trekken.
    Nieuw voorbeeld Hiermee geeft u een nieuw voorbeeld van de oorspronkelijke afbeelding weer met de opgegeven resolutie
    voordat het overtrekresultaat wordt gegenereerd. Deze optie is handig als u het overtrekken wilt versnellen bij grote
    afbeeldingen. De kwaliteiten van de resultaten kunnen echter achteruitgaan.

    Opmerking: De resolutie die u gebruikt bij Nieuw voorbeeld wordt niet opgeslagen wanneer u een voorinstelling maakt.
    Vullingen Hiermee maakt u gevulde gebieden in het overtrekresultaat.
    Streken Hiermee maakt u paden met streken in het overtrekresultaat.
    Maximale streekdikte Hiermee geeft u de maximale breedte aan van onderdelen van de oorspronkelijke afbeelding

    waaraan streken kunnen worden toegevoegd. Onderdelen waarvan de breedte groter is dan deze waarde, worden gebieden
    met een omtrek in het overtrekresultaat.
    Minimale streeklengte Hiermee geeft u de minimale lengte aan van onderdelen van de oorspronkelijke afbeelding die

    kunnen worden omlijnd. Onderdelen waarvan de lengte kleiner is dan deze waarde, worden weggelaten uit het
    overtrekresultaat.
    Nauwkeurigheid van pad Hiermee stelt u de afstand in tussen de overgetrokken vorm en de oorspronkelijke pixelvorm.
    Lagere waarden zorgen ervoor dat het pad beter aansluit; bij hogere waarden is de aansluiting minder strak.
    Minimaal gebied Hiermee geeft u het kleinste onderdeel van de oorspronkelijke afbeelding op dat wordt overgetrokken.

    Als u bijvoorbeeld 4 opgeeft, worden onderdelen die kleiner zijn dan 2 pixels breed en 2 pixels hoog weggelaten uit het
    overtrekresultaat.



  • Page 84

    ILLUSTRATOR CS3 78
    Handboek

    Hoekgraad Hiermee geeft u de scherpte op van een wending in de oorspronkelijke afbeelding die wordt beschouwd als een

    hoekankerpunt in het overtrekresultaat. Zie “Paden” op pagina 51 voor meer informatie over het verschil tussen
    hoekankerpunten en vloeiende ankerpunten.
    Raster Hiermee geeft u aan hoe de bitmapcomponent van het overtrekobject wordt weergegeven. Deze weergave-instelling

    wordt niet opgeslagen als onderdeel van de voorinstelling voor overtrekken.
    Vector Hiermee geeft u aan hoe het overtrekresultaat moet worden weergegeven. Deze weergave-instelling wordt niet
    opgeslagen als onderdeel van de voorinstelling voor overtrekken.

    Selecteer Voorvertoning in het dialoogvenster Overtrekopties om een voorbeeld weer te geven van het resultaat van de
    huidige instellingen. Als u de standaardopties voor overtrekken wilt instellen, deselecteert u alle objecten voordat u het
    dialoogvenster Overtrekopties opent. Als u de opties naar wens hebt ingesteld, klikt u op Als standaard instellen.
    Op www.adobe.com/go/vid0043_nl vindt u een video over Actief overtrekken. Raadpleeg voor de beste resultaten een
    handleiding met informatie over de meer verfijnde opties voor Actief overtrekken:
    www.adobe.com/go/learn_ai_tutorials_livetrace_nl.

    De weergave van een overtrekobject wijzigen
    Een overtrekobject bestaat uit twee componenten: de oorspronkelijke bronafbeelding en het overtrekresultaat (de
    vectorillustratie). Standaard wordt alleen het overtrekresultaat weergegeven. U kunt de weergave van de oorspronkelijke
    afbeelding en het overtrekresultaat echter aanpassen aan uw wensen.
    1 Selecteer het overtrekobject.
    Standaard hebben alle overtrekobjecten in het deelvenster Lagen de naam 'Overtrekken'.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u de weergave van het overtrekresultaat wilt wijzigen, klik dan op de knop Vectorweergave

    in het deelvenster
    Beheer of kies Object > Actief overtrekken en selecteer een van de volgende weergaveopties: Geen overtrekresultaat
    tonen, Overtrekresultaat tonen, Omtrekken tonen of Omtrekken met overtrek tonen.

    • Als u de weergave van de bronafbeelding wilt wijzigen, klik dan op de knop Rasterweergave

    in het deelvenster
    Beheer of kies Object > Actief overtrekken en selecteer een van de volgende weergaveopties: Geen afbeelding tonen,
    Oorspronkelijke afbeelding tonen, Aangepaste afbeelding tonen (waarbij alle wijzigingen worden getoond die tijdens het
    overtrekken worden toegepast) of Transparante afbeelding tonen.

    Opmerking: U kunt de bronafbeelding alleen weergeven als u de Vectorweergave eerst wijzigt in Geen overtrekresultaat tonen
    of Omtrekken tonen.

    De overtrekresultaten aanpassen
    Als u een overtrekobject hebt gemaakt, kunt u de resultaten altijd aanpassen.
    1 Selecteer het overtrekobject.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Stel de basisopties in het deelvenster Beheer in.
    • Klik op de knop Dialoogvenster Overtrekopties

    in het deelvenster Beheer om alle overtrekopties te tonen. U kunt
    ook Object > Actief overtrekken > Overtrekopties kiezen. Pas de opties aan en klik op Overtrekken.
    Gebruik voorinstellingen voor overtrekken om de resultaten van het overtrekken snel te wijzigen.

    De kleuren voor overtrekken opgeven
    1 Maak een staalbibliotheek met de kleuren die u wilt gebruiken voor de overtrek.
    2 Zorg ervoor dat de staalbibliotheek is geopend en klik op de knop Dialoogvenster Overtrekopties
    Beheer. U kunt ook Object > Actief overtrekken > Overtrekopties kiezen.

    in het deelvenster



  • Page 85

    ILLUSTRATOR CS3 79
    Handboek

    3 Selecteer de naam van de staalbibliotheek in het menu Palet en klik op Overtrekken.

    Zie ook
    “Stalenbibliotheken maken” op pagina 106

    Een voorinstelling voor overtrekken gebruiken
    Voorinstellingen voor overtrekken bieden vooringestelde overtrekopties voor specifieke typen illustraties. Als u
    bijvoorbeeld een afbeelding overtrekt die u wilt gebruiken als een technische tekening, kies dan de voorinstelling
    Technische tekening. Alle overtrekopties worden gewijzigd, zodat het overtrekken optimaal is voor technische tekeningen:
    de kleur wordt ingesteld op zwart-wit, vervagen wordt ingesteld op 0 px, de streekbreedte wordt beperkt tot 3 px, enzovoort.
    Een voorinstelling opgeven

    • Kies Object > Actief overtrekken > Overtrekopties. (U kunt ook een overtrekobject selecteren en op de knop
    Dialoogvenster Overtrekopties
    in het deelvenster Beheer klikken.) Stel de overtrekopties voor de voorinstelling in en
    klik op Voorinstelling opslaan. Voer een naam voor de voorinstelling in en klik op OK.

    • Kies Bewerken > Voorinstellingen voor overtrekken. Klik op Nieuw, stel de gewenste overtrekopties voor de
    voorinstelling in en klik op Gereed.
    Als u een nieuwe voorinstelling wilt baseren op een bestaande, selecteert u de bestaande voorinstelling en klikt u op Nieuw.

    Een voorinstelling bewerken of verwijderen

    1 Kies Bewerken > Voorinstellingen voor overtrekken.
    2 Selecteer een voorinstelling en klik op Bewerken of Verwijderen.
    Opmerking: U kunt de standaardvoorinstellingen niet bewerken of verwijderen. Standaardvoorinstellingen worden
    weergegeven tussen vierkante haken [ ]. U kunt echter wel een kopie van een standaardvoorinstelling maken die u kunt
    bewerken. Selecteer hiervoor de voorinstelling en klik op Nieuw.
    Voorinstellingen delen met andere gebruikers

    1 Kies Bewerken > Voorinstellingen voor overtrekken.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op Exporteren om uw voorinstellingen naar een bestand op te slaan.
    • Klik op Importeren om voorinstellingen uit een bestand te laden.

    Een overtrekobject converteren naar een object van Actieve verf
    Wanneer u tevreden bent met het overtrekresultaat, kunt u het overtrekobject converteren naar paden of een object van
    Actieve verf. Wanneer u deze laatste stap uitvoert, kunt u de overtrek op dezelfde manier gebruiken als andere
    vectorillustraties. Als u het overtrekobject eenmaal hebt geconverteerd, kunt u de overtrekopties niet meer aanpassen.
    1 Selecteer het overtrekobject.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u de overtrek wilt converteren naar paden, klik dan op Uitbreiden in het deelvenster Beheer of kies Object > Actief
    overtrekken > Uitbreiden. Gebruik deze methode als u de componenten van de overgetrokken illustratie wilt gebruiken
    als afzonderlijke objecten. De gevormde paden zijn samen gegroepeerd.

    • Als u tijdens het converteren van de overtrek naar paden de huidige weergaveopties wilt behouden, kies dan Object >
    Actief overtrekken > Uitbreiden zoals weergegeven. Als de weergaveopties bijvoorbeeld voor het overtrekresultaat zijn
    ingesteld op Omtrekken, zijn de uitgebreide paden uitsluitend omtrekken; ze hebben dus geen vullingen of streken.
    Verder wordt een opname van de omtrek met de huidige weergaveopties opgeslagen en gegroepeerd met de uitgebreide
    paden. Gebruik deze methode als u de overgetrokken afbeelding wilt opslaan als hulplijn voor de uitgebreide paden.



  • Page 86

    ILLUSTRATOR CS3 80
    Handboek

    • Als u de overtrek wilt converteren naar een object van Actieve verf, klik dan op Actieve verf in het deelvenster Beheer of
    kies Object > Actief overtrekken > Converteren naar Actieve verf. Gebruik deze methode als u vullingen en streken wilt
    toepassen op de overgetrokken illustratie met behulp van het Emmertje voor Actieve verf.
    Als u een overtrek wilt maken en het overtrekobject in één stap wilt converteren, kies dan Object > Actief overtrekken >
    Maken en uitbreiden of Object > Actief overtrekken > Maken en converteren naar Actieve verf.
    Op www.adobe.com/go/vid0043_nl vindt u een video over overtrekken.

    Zie ook
    “Paden” op pagina 51
    “Actieve verf ” op pagina 149

    Een overtrekobject opheffen
    Als u een overtrek wilt verwijderen maar de oorspronkelijke geplaatste afbeelding wilt behouden, kunt u het overtrekobject
    opheffen.
    1 Selecteer het overtrekobject.
    2 Kies Object > Actief overtrekken > Geen.

    Symbolen
    Symbolen
    Een symbool is een illustratieobject dat u opnieuw kunt gebruiken in een document. Als u bijvoorbeeld een symbool hebt
    gemaakt van een bloem, kunt u exemplaren van dat symbool meerdere keren aan uw illustratie toevoegen zonder dat u de
    complexe illustratie meerdere keren echt hoeft toe te voegen. Elk symboolexemplaar is gekoppeld aan het symbool in het
    deelvenster Symbolen of aan een symboolbibliotheek. Met symbolen kunt u tijd besparen en de bestandsgrootte aanzienlijk
    verminderen.
    Symbolen bieden verder uitstekende ondersteuning voor het exporteren van SWF- en SVG-bestanden. Als u exporteert
    naar Flash, kunt u het symbooltype instellen op Filmclip. Vervolgens kunt u binnen Flash indien nodig een ander type
    kiezen. U kunt in Illustrator ook hulplijnen voor schaling met negen segmenten inschakelen, zodat de filmclips op de juiste
    manier worden geschaald als deze worden gebruikt als onderdelen van een gebruikersinterface.
    Opmerking: Raadpleeg de Help van Flash voor informatie over symbolen in Flash. Op www.adobe.com/go/vid0198_nl vindt
    u een video over het effectief gebruiken van symbolen tussen Illustrator en Flash.
    Als u een symbool hebt geplaatst, kunt u de symboolexemplaren op het tekengebied bewerken. Als u wilt, kunt u ook het
    originele symbool opnieuw definiëren met de bewerkingen. Met de symboolgereedschappen kunt u meerdere
    symboolexemplaren in één keer toevoegen en manipuleren.



  • Page 87

    ILLUSTRATOR CS3 81
    Handboek

    Illustratie met symboolexemplaren

    Overzicht van het deelvenster Symbolen
    Voor het beheren van de symbolen in een document kunt u gebruikmaken van het deelvenster Symbolen (Venster >
    Symbolen) of het deelvenster Beheer. Het deelvenster Symbolen bevat diverse vooraf ingestelde symbolen. U kunt symbolen
    toevoegen uit symboolbibliotheken of bibliotheken die u zelf maakt.
    De weergave van symbolen in het deelvenster wijzigen

    • Selecteer een weergaveoptie in het deelvenstermenu: Miniaturen als u een lijst met miniaturen wilt weergeven, Beknopte
    lijst als u een lijst met symboolnamen met een kleine miniatuur wilt weergeven of Uitgebreide lijst als u een lijst met
    symboolnamen met een grote miniatuur wilt weergeven.

    • Sleep het symbool naar een andere positie. Laat de muisknop los zodra een zwarte lijn op de gewenste plaats staat.
    • Selecteer Sorteren op naam in het deelvenstermenu als u de symbolen wilt sorteren op alfabetische volgorde.
    Een symbool in het deelvenster dupliceren

    Het dupliceren of kopiëren van een symbool in het deelvenster Symbolen is een eenvoudige manier om een nieuw symbool
    te maken op basis van een bestaand symbool.
    ❖ Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Selecteer een symbool in het deelvenster Symbolen en kies Symbool dupliceren in het deelvenstermenu of sleep het
    symbool naar de knop Nieuw symbool.

    • Selecteer een symboolexemplaar en klik op Dupliceren in het deelvenster Beheer.
    Opmerking: Als u bijvoorbeeld een symboolexemplaar in het tekengebied hebt geschaald en geroteerd en u wilt een extra
    exemplaar met dezelfde schaal en rotatie toevoegen, kunt u dit exemplaar dupliceren. (Zie “Werken met symboolexemplaren”
    op pagina 83.)
    Een symbool hernoemen

    1 Als u een symbool wilt hernoemen, selecteer dan het symbool in het deelvenster Symbolen, kies Symboolopties in het
    deelvenstermenu en typ vervolgens een nieuwe naam in het dialoogvenster Symboolopties.
    2 Als u een symboolexemplaar wilt hernoemen, selecteer dan het symboolexemplaar in het tekengebied en typ vervolgens
    een nieuwe naam in het tekstvak Naam exemplaar in het deelvenster Beheer.

    Een symbool plaatsen
    1 Selecteer een symbool in het deelvenster Symbolen of in een symboolbibliotheek.



  • Page 88

    ILLUSTRATOR CS3 82
    Handboek

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik in het deelvenster Symbolen op de knop Symboolexemplaar plaatsen

    om een exemplaar van een symbool in

    het midden van het tekengebied te plaatsen.

    • Sleep het symbool naar de positie in het tekengebied waar u het symbool wilt plaatsen.
    • Kies Symboolexemplaar plaatsen in het menu van het deelvenster Symbolen.
    Opmerking: Een enkelvoudig symbool dat ergens in de illustratie wordt geplaatst, wordt (ter onderscheid van een symbool in
    het deelvenster) een exemplaar genoemd.

    Een symbool maken
    U kunt symbolen maken op basis van de meeste Illustrator-objecten, waaronder paden, samengestelde paden,
    tekstobjecten, rasterafbeeldingen, netobjecten en groepen van objecten. Het is echter niet mogelijk om een symbool te
    maken van gekoppelde illustraties of van bepaalde groepen, zoals groepen van grafieken.
    1 Selecteer de illustratie die u als symbool wilt gebruiken.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik in het deelvenster Symbolen op de knop Nieuw symbool

    .

    • Sleep de illustratie naar het deelvenster Symbolen.
    • Kies Nieuw symbool in het deelvenstermenu.
    Opmerking: De geselecteerde illustratie wordt standaard een exemplaar van het nieuwe symbool. Als u niet wilt dat de
    illustratie een exemplaar wordt, druk dan tijdens het maken van het nieuwe symbool op Shift. Als u niet wilt dat het venster
    Nieuw symbool wordt geopend tijdens het maken van een nieuw symbool, druk dan tijdens het maken van het symbool op Alt
    (Windows) of Option (Mac OS). Illustrator gebruikt dan een standaardnaam voor het symbool, bijvoorbeeld Nieuw symbool 1.
    3 Typ een naam voor het symbool in het dialoogvenster Symboolopties.
    4 Als u van plan bent om de symbolen te exporteren naar Flash, ga dan als volgt te werk:

    • Selecteer Filmclip als type. Filmclip is het standaardsymbooltype in Flash.
    • Geef op het raster Flash-registratie de locatie op waar u het ankerpunt van het symbool wilt plaatsen. De locatie van het
    ankerpunt heeft invloed op de positie van het symbool binnen de schermcoördinaten.

    • Schakel Hulplijnen voor schaal met negen segmenten inschakelen in als u in Flash gebruik wilt maken van schaling met
    negen segmenten.
    Opmerking: Op www.adobe.com/go/vid0198_nl vindt u een video over het effectief gebruiken van symbolen tussen Illustrator
    en Flash.

    Schaling met negen segmenten gebruiken
    U kunt schaling met negen segmenten gebruiken om de componentstijlschaling op te geven voor filmclipsymbolen die naar
    Flash worden geëxporteerd. Met dit schalingstype kunt u filmclipsymbolen maken die op zo'n manier worden geschaald
    dat ze kunnen worden gebruikt als onderdelen van een gebruikersinterface. Dit ter onderscheid van het schalingstype dat
    normaal wordt toegepast bij afbeeldingen en ontwerpelementen.
    De filmclip wordt onderverdeeld in negen segmenten met een rasterachtige overlay waarmee elk van de negen segmenten
    onafhankelijk van elkaar worden geschaald. Om de visuele integriteit van de filmclip te waarborgen, worden de hoeken niet
    geschaald, terwijl de overige segmenten van de afbeelding indien nodig worden geschaald (en niet uitgerekt).
    Het raster voor schaling met negen segmenten is alleen zichtbaar in de isolatiemodus. De rasterhulplijnen worden
    standaard geplaatst op 25% (of 1/4) van de breedte en hoogte vanaf de randen van het symbool. De hulplijnen worden
    weergegeven als stippellijnen over het symbool.
    Opmerking: Raadpleeg de Help van Flash voor meer informatie over het schalen met negen segmenten in Flash. Op
    www.adobe.com/go/vid0204_nl en www.adobe.com/go/vid0205_nl vindt u video's over schaling met negen segmenten in
    Illustrator en Flash.



  • Page 89

    ILLUSTRATOR CS3 83
    Handboek

    Schaling met negen segmenten inschakelen

    1 Selecteer het symbool in het tekengebied of in het deelvenster Symbolen en kies Symboolopties in het deelvenstermenu.
    2 Selecteer in het dialoogvenster Symboolopties het type Filmclip bij Type en schakel vervolgens het selectievakje
    Hulplijnen voor schaal met negen segmenten inschakelen in.
    Opmerking: U kunt deze optie in het dialoogvenster Symboolopties ook inschakelen tijdens het maken van een nieuw symbool.
    Het negensegmentsschalingsraster voor een symbool bewerken

    1 Voer een van de volgende handelingen uit om het symbool te openen in de isolatiemodus als u het schalingsraster voor
    een symbool wilt bewerken:

    • Dubbelklik op het symbool in het deelvenster Symbolen.
    • Selecteer het symbool in het deelvenster Symbolen en kies Symbool bewerken in het deelvenstermenu.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit om het exemplaar te openen in de isolatiemodus als u het schalingsraster voor
    een symboolexemplaar wilt bewerken:

    • Dubbelklik op het symboolexemplaar in het tekengebied.
    • Selecteer het symboolexemplaar in het tekengebied en klik op Symbool bewerken in het deelvenster Beheer.
    3 Beweeg met de aanwijzer over een van de vier hulplijnen. Als de aanwijzer verandert in de verplaatsingsaanwijzer
    kunt u de hulplijn verslepen.

    ,

    Opmerking: Ook als u een hulplijn buiten de grenzen van het symbool verplaatst, wordt er nog steeds schaling toegepast (het
    symbool wordt dan onderverdeeld in minder dan negen segmenten). Het symbool wordt geschaald op basis van het segment
    waar het zich bevindt.
    4 Sluit de isolatiemodus af door te klikken op de knop Geïsoleerde groep afsluiten
    tekengebied of in het deelvenster Beheer
    .

    in de linkerbovenhoek van het

    Werken met symboolexemplaren
    Symboolexemplaren kunnen op dezelfde manier als andere objecten worden verplaatst, geschaald, geroteerd,
    schuingetrokken of gespiegeld. U kunt ook de bewerkingen in de deelvensters Transparantie, Vorm en Afbeeldingsstijlen
    uitvoeren en de effecten in het menu Effect toepassen. Als u echter de afzonderlijke componenten van een
    symboolexemplaar wilt wijzigen, moet u het exemplaar eerst uitbreiden. Bij uitbreiden wordt de koppeling tussen het
    symbool en het symboolexemplaar verbroken. Het exemplaar wordt dan geconverteerd naar een normale illustratie.
    Op www.adobe.com/go/vid0034_nl en www.adobe.com/go/vid0035_nl vindt u video's over het selecteren en uitlijnen van
    objecten, waaronder symbolen.

    Zie ook
    “Objecten uitbreiden” op pagina 191
    Een symboolexemplaar aanpassen

    Nadat u een symboolexemplaar hebt gewijzigd, kunt u het originele symbool opnieuw definiëren in het deelvenster
    Symbolen. Als u een symbool opnieuw definieert, nemen alle bestaande symboolexemplaren de nieuwe definitie aan.
    1 Selecteer een exemplaar van het symbool.
    2 Klik op de knop Koppeling naar symbool verbreken

    in het deelvenster Symbolen of Beheer.

    3 Bewerk de illustratie.
    4 (Optioneel) Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u het originele symbool wilt vervangen door deze bewerkte versie, sleep dan het bewerkte symbool boven op het
    oude symbool in het deelvenster Symbolen. Houd tijdens het slepen Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt. Het
    symbool wordt vervangen in het deelvenster Symbolen en wordt bijgewerkt in het huidige bestand.

    • Als u een nieuw symbool wilt maken met deze bewerkte versie, sleep dan het gewijzigde symbool naar het deelvenster
    Symbolen of klik op Nieuw symbool

    in het deelvenster Symbolen.



  • Page 90

    ILLUSTRATOR CS3 84
    Handboek

    Een symboolexemplaar uitbreiden

    1 Selecteer een of meer symboolexemplaren.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op de knop Koppeling naar symbool verbreken

    in het deelvenster Symbolen of kies Koppeling naar symbool

    verbreken in het deelvenstermenu.

    • Kies Object > Uitbreiden en klik vervolgens op OK in het dialoogvenster Uitbreiden.
    De componenten van het symboolexemplaar worden in een groep geplaatst. Als het symbool is uitgebreid, kunt u de
    illustratie bewerken.
    Een symboolexemplaar in het tekengebied dupliceren

    Als u een symboolexemplaar hebt geschaald, geroteerd, schuingetrokken of gespiegeld en u wilt meer exemplaren
    toevoegen met exact dezelfde wijzigingen, moet u het gewijzigde exemplaar dupliceren.
    1 Selecteer het symboolexemplaar.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en sleep het symboolexemplaar naar een andere locatie in het
    tekengebied.

    • Kopieer en plak het symboolexemplaar.
    Opmerking: Als u een symbool in het deelvenster Symbolen wilt dupliceren om bijvoorbeeld een nieuw symbool te maken op
    basis van een bestaand symbool, moet u het symbool dupliceren, niet het exemplaar. (Zie “Overzicht van het deelvenster
    Symbolen” op pagina 81.)
    Een symboolexemplaar vervangen door een ander symbool

    1 Selecteer het symboolexemplaar in het tekengebied.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Kies een nieuw symbool in het menu Vervangen in het deelvenster Beheer.
    • Selecteer een nieuw symbool in het deelvenster Symbolen en kies Symbool vervangen in het menu van het deelvenster
    Symbolen.
    Alle exemplaren van een symbool in een document selecteren
    ❖ Selecteer een symbool in het deelvenster Symbolen en kies Alle exemplaren in het deelvenstermenu.

    Een symbool bewerken of opnieuw definiëren
    U kunt een symbool bewerken door de illustratie van het symbool te bewerken of door het symbool opnieuw te definiëren
    door het te vervangen door een nieuwe illustratie. Als u een symbool bewerkt en opnieuw definieert, wordt zowel de
    weergave van het symbool in het deelvenster Symbolen gewijzigd, als alle gekoppelde symboolexemplaren in het
    tekengebied.
    Een symbool bewerken

    1 Voer een van de volgende handelingen uit om het symbool te openen in de isolatiemodus:

    • Selecteer een exemplaar van het symbool en klik op Symbool bewerken in het deelvenster Beheer. Klik op OK als er een
    waarschuwing wordt weergegeven.

    • Dubbelklik op een exemplaar van het symbool. Klik op OK als er een waarschuwing wordt weergegeven.
    • Dubbelklik op een symbool in het deelvenster Symbolen. Er wordt een tijdelijk symboolexemplaar weergegeven in het
    midden van het tekengebied.
    2 Bewerk de illustratie.
    3 Sluit de isolatiemodus af door te klikken op de knop Geïsoleerde groep afsluiten
    tekengebied of in het deelvenster Beheer
    .

    in de linkerbovenhoek van het



  • Page 91

    ILLUSTRATOR CS3 85
    Handboek

    Een symbool opnieuw definiëren met een andere illustratie

    1 Selecteer de illustratie die u wilt gebruiken om een bestaand symbool opnieuw te definiëren. Let erop dat u een originele
    illustratie selecteert en niet een symboolexemplaar.
    2 Klik in het deelvenster Symbolen op het symbool dat u opnieuw wilt definiëren en kies Symbool opnieuw definiëren in
    het deelvenstermenu.
    Opmerking: De geselecteerde illustratie wordt automatisch een exemplaar van dat symbool. Als u niet wilt dat de geselecteerde
    illustratie een symboolexemplaar wordt, druk dan op Shift terwijl u Symbool opnieuw definiëren kiest in het deelvenstermenu.

    Symboolbibliotheken
    Symboolbibliotheken zijn verzamelingen van vooraf ingestelde symbolen. Wanneer u een symboolbibliotheek opent, wordt
    deze weergegeven in een nieuw deelvenster (niet in het deelvenster Symbolen).
    U kunt items in een symboolbibliotheek selecteren, sorteren en weergeven op dezelfde manier als in het deelvenster
    Symbolen. U kunt echter geen items toevoegen aan, verwijderen uit of bewerken in symboolbibliotheken.
    Symboolbibliotheken openen
    ❖ Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Kies Venster > Symboolbibliotheken > [symboolbibliotheek].
    • Kies Symboolbibliotheek openen in het deelvenster Symbolen en kies een bibliotheek in de lijst die wordt weergegeven.
    • Klik op de knop Menu Symboolbibliotheek in het deelvenster Symbolen en kies een bibliotheek in de lijst die wordt
    weergegeven.
    Als u een bibliotheek automatisch wilt openen wanneer u Illustrator start, kies dan Blijvend in het deelvenstermenu van de
    bibliotheek.
    Symbolen verplaatsen van een bibliotheek naar het deelvenster Symbolen

    De symbolen die u in een document gebruikt, worden automatisch aan het deelvenster Symbolen toegevoegd.
    ❖ Klik op een symbool in een bibliotheek.
    Symboolbibliotheken maken

    1 Voeg de symbolen die u in de bibliotheek wilt opnemen, toe aan het deelvenster Symbolen en verwijder de symbolen die
    u niet wilt opnemen.
    Als u alle symbolen wilt selecteren die niet worden gebruikt in een document, kies dan Ongebruikte selecteren in het menu
    van het deelvenster Symbolen.
    2 Kies Symboolexemplaar opslaan in het menu van het deelvenster Symbolen.
    3 Sla de nieuwe bibliotheek op in de standaardmap Symbolen. De naam van de bibliotheek wordt automatisch
    weergegeven in het submenu Symboolbibliotheken en Symboolbibliotheek openen.
    Als u de bibliotheek hebt opgeslagen in een andere map, kunt u de bibliotheek openen door Symboolbibliotheek openen >
    Andere bibliotheek te kiezen in het menu van het deelvenster Symbolen. Als u de bibliotheek eenmaal op deze manier hebt
    geopend, wordt deze samen met de andere bibliotheken weergegeven in het submenu Symboolbibliotheken.
    Een symboolbibliotheek importeren uit een ander document

    1 Kies Venster > Symboolbibliotheken > Andere bibliotheek of kies Symboolbibliotheek openen > Andere bibliotheek in
    het menu van het deelvenster Symbolen.
    2 Selecteer het bestand waaruit u symbolen wilt importeren en klik op Openen.
    De symbolen worden weergegeven in een apart deelvenster voor een symboolbibliotheek, niet in het deelvenster Symbolen.



  • Page 92

    ILLUSTRATOR CS3 86
    Handboek

    Symboolgereedschappen en symboolsets
    Symboolsets
    Een symboolset is een groep symboolexemplaren die u maakt met het gereedschap Symbolen sproeien. U kunt gemengde
    sets van symboolexemplaren maken door het gereedschap Symbolen sproeien te gebruiken met twee symbolen achter
    elkaar.

    Illustratie die is gemaakt met de symboolgereedschappen

    Als u werkt met symboolsets, houd er dan rekening mee dat de symboolgereedschappen alleen effect hebben op de
    symbolen die zijn geselecteerd in het deelvenster Symbolen. Als u bijvoorbeeld een gemengde set van symboolexemplaren
    maakt dat een weiland met gras en bloemen voorstelt, kunt u de richting van het gras apart wijzigen door het symbool Gras
    te selecteren in het deelvenster Symbolen en vervolgens gebruik te maken van het gereedschap Symbolen draaien. Als u de
    grootte van zowel het gras als de bloemen wilt wijzigen, moet u beide symbolen selecteren in het deelvenster Symbolen.
    Vervolgens gebruikt u het gereedschap Symboolgrootte instellen.
    Opmerking: Wanneer u in het tekengebied een gemengde symboolset selecteert, wordt in het deelvenster Symbolen automatisch
    het symboolexemplaar geselecteerd dat als laatste aan de set is toegevoegd.

    Symboolsets maken
    Het gereedschap Symbolen sproeien werkt als een deeltjessproeier: u kunt hiermee een groot aantal identieke objecten in
    één keer in het tekengebied plaatsen. Zo kunt u met het gereedschap Symbolen sproeien honderden grassprietjes, wilde
    bloemen, bijen of sneeuwvlokken toevoegen.

    Zie ook
    “Galerie met symboolgereedschappen” op pagina 29
    “Opties voor symboolgereedschappen” op pagina 89
    Sets van symboolexemplaren op een illustratie sproeien

    1 Selecteer een symbool in het deelvenster Symbolen en selecteer vervolgens het gereedschap Symbolen sproeien
    2 Klik of sleep met het gereedschap op de plaats waar u de symboolexemplaren wilt neerzetten.
    Symboolexemplaren toevoegen aan of verwijderen uit een bestaande set

    1 Selecteer de bestaande symboolset.
    2 Selecteer het gereedschap Symbolen sproeien

    en een symbool in het deelvenster Symbolen.

    .



  • Page 93

    ILLUSTRATOR CS3 87
    Handboek

    3 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u symboolexemplaren wilt toevoegen, klik of sleep dan op de plaats waar u de nieuwe exemplaren wilt neerzetten.
    • Selecteer het gereedschap Symbolen sproeien en houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u klikt of
    sleept op de plaats waar u symboolexemplaren wilt verwijderen.

    Symboolexemplaren in een symboolset aanpassen
    Met de symboolgereedschappen kunt u meerdere symboolexemplaren in een set aanpassen. Zo kunt u exemplaren over een
    groter gebied verspreiden met het gereedschap Symbolen samentrekken. Ook kunt u de kleurtinten van exemplaren
    geleidelijk veranderen, zodat ze er realistischer uitzien.
    Hoewel u de symboolgereedschappen kunt toepassen op afzonderlijke symboolexemplaren, zijn ze het effectiefst als u ze
    toepast op symboolsets. Als u werkt met afzonderlijke symboolexemplaren, kunt u de meeste van deze taken eenvoudig
    uitvoeren met behulp van de gereedschappen en opdrachten die u ook voor normale objecten gebruikt.

    Zie ook
    “Galerie met symboolgereedschappen” op pagina 29
    “Opties voor symboolgereedschappen” op pagina 89
    De stapelvolgorde van symboolexemplaren binnen een set wijzigen

    1 Selecteer het gereedschap Symbolen verschuiven

    .

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u symboolexemplaren wilt verplaatsen, sleep dan in de gewenste richting.
    • Houd Shift ingedrukt en klik op het symboolexemplaar om deze naar voren te verplaatsen.
    • Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) en Shift ingedrukt, en klik op het symboolexemplaar om deze naar achteren
    te verplaatsen.
    Symboolexemplaren samentrekken of verspreiden

    1 Selecteer het gereedschap Symbolen samentrekken

    .

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik of sleep in het gebied waarin u symboolexemplaren dichter bij elkaar wilt plaatsen.
    • Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik of sleep in het gebied waarin u symboolexemplaren verder
    uit elkaar wilt plaatsen.
    De grootte van symboolexemplaren wijzigen

    1 Selecteer het gereedschap Symboolgrootte instellen

    .

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik of sleep in de set waarin u symboolexemplaren groter wilt maken.
    • Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik of sleep in het gebied waarin u symboolexemplaren kleiner
    wilt maken.

    • Als u de dichtheid van de symboolexemplaren wilt behouden, houdt u Shift ingedrukt terwijl u klikt of sleept om de
    grootte te wijzigen.
    Symboolexemplaren roteren

    1 Selecteer het gereedschap Symbolen draaien

    .

    2 Klik of sleep het gereedschap in de richting waarin u de symboolexemplaren wilt plaatsen.



  • Page 94

    ILLUSTRATOR CS3 88
    Handboek

    Symboolexemplaren brandschilderen

    Bij het brandschilderen van een symboolexemplaar verandert de kleurtoon in de richting van de tintkleur, terwijl de
    oorspronkelijke lichtsterkte behouden blijft. (Dit werkt op dezelfde manier als de inkleuringsmethode Tinten en schaduwen
    bij penselen.) Deze methode gebruikt de lichtsterkte van de oorspronkelijke kleur en de kleurtoon van de inkleuring om de
    resulterende kleur te genereren. Dit heeft tot gevolg dat kleuren met een zeer grote of een zeer lage lichtsterkte nagenoeg
    niet veranderen, en zwart-witte objecten helemaal niet.
    Als u een inkleuringsmethode wilt gebruiken die ook van invloed is op zwart-witte objecten, gebruikt u het gereedschap
    Symboolstijl toepassen samen met een grafische stijl waarin de gewenste vulkleur wordt gebruikt.
    1 Selecteer in het deelvenster Kleur de vulkleur die u voor de inkleuring wilt gebruiken.
    2 Selecteer het gereedschap Symbolen brandschilderen

    en voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik of sleep over de symboolexemplaren die u wilt brandschilderen met de inkleuringskleur. De mate van inkleuring
    neemt geleidelijk toe en de kleur van het symboolexemplaar verandert geleidelijk in de richting van de inkleuringskleur.

    • Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u met het gereedschap klikt of sleept om de mate van
    inkleuring te verminderen en meer van de oorspronkelijke symboolkleur weer te geven.

    • Houd Shift ingedrukt terwijl u met het gereedschap klikt of sleept om de mate van inkleuring constant te houden en
    tegelijkertijd de kleur van de symboolexemplaren te wijzigen in de richting van de inkleuringskleur.
    Opmerking: Als u het gereedschap Symbolen brandschilderen gebruikt, neemt de bestandsgrootte toe en gaan de prestaties
    achteruit. Als de beschikbare hoeveelheid geheugen of de geëxporteerde Flash/SVG-bestandsgrootte een probleem kan vormen,
    kunt u dit gereedschap beter niet gebruiken.
    De transparantie van symboolexemplaren aanpassen

    1 Selecteer het gereedschap Symbolen rasteren

    .

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik of sleep in het gebied waar u de transparantie van het symbool wilt vergroten.
    • Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik of sleep op de plaats waar u de transparantie van het symbool
    wilt verminderen.
    Een afbeeldingsstijl toepassen op symboolexemplaren

    Met het gereedschap Symboolstijl toepassen kunt u een afbeeldingsstijl toepassen op of verwijderen van een
    symboolexemplaar. U kunt bepalen in welke mate en waar de stijl wordt toegepast. U kunt een stijl bijvoorbeeld geleidelijk
    toepassen, zodat bepaalde symboolexemplaren de stijl volledig weergeven en andere gedeeltelijk.

    Afbeeldingsstijl volledig toegepast (boven) vergeleken met een afbeeldingsstijl toegepast met verschillende sterkten (onder)



  • Page 95

    ILLUSTRATOR CS3 89
    Handboek

    Als u een ander symboolgereedschap gebruikt, kunt u overschakelen naar het gereedschap Symboolstijl toepassen door in
    het deelvenster Afbeeldingsstijlen op een stijl te klikken.
    1 Selecteer het gereedschap Symboolstijl toepassen

    .

    2 Selecteer een stijl in het deelvenster Afbeeldingsstijlen en voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik of sleep op de plaats waar u een stijl wilt toepassen op de symboolset. De hoeveelheid stijl die op de
    symboolexemplaren wordt toegepast, neemt toe en de stijl verandert geleidelijk.

    • Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u met het gereedschap klikt of sleept om de hoeveelheid stijl
    te verminderen en meer van het oorspronkelijke symbool zonder stijl weer te geven.

    • Houd Shift ingedrukt terwijl u met het gereedschap klikt of sleept om de hoeveelheid stijl constant te houden en om
    tegelijkertijd de stijl van het symboolexemplaar geleidelijk te veranderen naar de geselecteerde stijl.
    Opmerking: Het is van groot belang dat u de stappen 1 en 2 in de opgegeven volgorde uitvoert. Als u een stijl selecteert terwijl
    een ander gereedschap dan het symboolgereedschap is geselecteerd, wordt de stijl direct toegepast op de gehele geselecteerde
    symboolset.

    Opties voor symboolgereedschappen
    U kunt de opties voor symboolgereedschappen openen door te dubbelklikken op een symboolgereedschap in het
    deelvenster Gereedschappen.
    De algemene opties zoals diameter, intensiteit en dichtheid worden weergegeven boven aan het dialoogvenster. De opties
    die specifiek zijn voor een bepaald gereedschap, worden weergegeven onder aan het dialoogvenster. Als u wilt
    overschakelen naar de opties van een ander gereedschap, klikt u op een gereedschapspictogram in het dialoogvenster.
    Algemene opties De algemene opties worden weergegeven boven aan het dialoogvenster Opties van een
    symboolgereedschap, onafhankelijk van het symboolgereedschap dat is geselecteerd.



    Diameter Hiermee bepaalt u de penseelgrootte van het gereedschap.

    U kunt tijdens het gebruik van een symboolgereedschap altijd op [ drukken om de diameter te verkleinen of op ] om de
    diameter te vergroten.

    • Intensiteit Hiermee geeft u aan hoe snel de verandering plaatsvindt (hoe hoger de waarde, hoe sneller de verandering).
    Als u Drukpen gebruiken selecteert, kunt u de invoer van een tablet of pen gebruiken in plaats van de intensiteitswaarde.
    • Dichtheid symboolset Voer hier een waarde in om de afstand tussen de symboolexemplaren in de set op te geven (bij
    een hogere waarde is de afstand tussen de symboolexemplaren in de set kleiner). Deze instelling is van toepassing op een
    gehele symboolset. Als er een symboolset is geselecteerd, verandert de dichtheid voor alle symboolexemplaren in de set en
    niet alleen voor de exemplaren die nieuw zijn gemaakt.
    • Methode Hiermee geeft u aan hoe symboolexemplaren worden gewijzigd met de gereedschappen Symbolen
    samentrekken, Symboolgrootte instellen, Symbolen draaien, Symbolen brandschilderen, Symbolen rasteren en
    Symboolstijl toepassen.
    Selecteer Door gebruiker gedefinieerd als u de symbolen geleidelijk wilt aanpassen ten opzichte van de positie van de cursor.
    Selecteer Willekeurig om de symbolen in het gebied onder de cursor willekeurig te wijzigen. Selecteer Gemiddeld om de
    symboolwaarden geleidelijk in overeenstemming te brengen.



    Penseelgrootte en intensiteit tonen Hiermee geeft u de grootte weer terwijl u het gereedschap gebruikt.

    Opties voor Symbolen sproeien De opties voor Symbolen sproeien (Samentrekken, Grootte, Draaien, Rasteren,
    Brandschilderen en Stijl) worden alleen weergegeven onder de Algemene opties in het dialoogvenster Opties van een
    symboolgereedschap wanneer het gereedschap Symbolen sproeien is geselecteerd. Deze opties bepalen hoe nieuwe
    symboolexemplaren worden toegevoegd aan symboolsets. Elke optie heeft twee keuzemogelijkheden:

    • Gemiddeld Hiermee voegt u een nieuw symbool met de gemiddelde waarde van de bestaande symboolexemplaren toe
    binnen de penseelstraal. Een exemplaar dat bijvoorbeeld wordt toegevoegd aan een gebied waar de bestaande
    symboolexemplaren gemiddeld 50% transparant zijn, wordt 50% transparant, terwijl een exemplaar dat wordt toegevoegd
    aan een gebied waar geen enkel exemplaar transparant is, dekkend wordt.



  • Page 96

    ILLUSTRATOR CS3 90
    Handboek

    Opmerking: De instelling Gemiddeld houdt alleen rekening met andere exemplaren binnen de penseelstraal van het
    gereedschap Symbolen sproeien. De straal stelt u in via de optie Diameter. Als u de straal wilt weergeven terwijl u werkt,
    selecteert u Penseelgrootte en intensiteit tonen.

    • Door gebruiker gedefinieerd Specifieke vooraf ingestelde waarden toepassen voor elke parameter: Vermalen
    (dichtheid) is gebaseerd op de oorspronkelijke grootte van het symbool. Bij Grootte wordt de oorspronkelijke
    symboolgrootte gebruikt. Bij Draaien wordt de muisrichting gebruikt (of geen richting als de muis niet beweegt). Bij
    Rasteren wordt 100% dekking gebruikt. Bij Brandschilderen worden de huidige vulkleur en de volledige hoeveelheid kleur
    gebruikt. Bij Stijl wordt de huidige stijl gebruikt.
    Opties voor Symboolgrootte instellen De opties voor Symboolgrootte worden alleen weergegeven onder de Algemene

    opties in het dialoogvenster Opties van een symboolgereedschap wanneer het gereedschap Symboolgrootte instellen is
    geselecteerd.



    Grootte proportioneel wijzigen Hiermee blijven de verhoudingen van de symboolexemplaren behouden als u de grootte

    ervan wijzigt.

    • Grootte wijzigen is van invloed op dichtheid Selecteer deze optie als u symboolexemplaren verder uit elkaar wilt
    plaatsen wanneer u ze groter maakt en dichter bij elkaar wilt plaatsen wanneer u ze kleiner maakt.



  • Page 97

    91

    Hoofdstuk 4: Kleur
    U zult in Adobe Illustrator vaak kleuren moeten toepassen op illustraties en dan is het handig als u enige kennis hebt van
    kleurmodellen en kleurmodi. Wanneer u kleuren op illustraties toepast, dient u te bedenken in welk medium de illustratie
    zal worden gepubliceerd, zodat u het juiste kleurmodel en de juiste kleurdefinities kunt gebruiken. Dankzij de alomvattende
    deelvensters Stalen en Kleurengids en het dialoogvenster Actieve kleur kunt u in Illustrator heel eenvoudig experimenteren
    met kleur en kleuren toepassen.

    Kleuren
    Kleuren in digitale afbeeldingen
    We gebruiken kleurmodellen om de kleuren die we zien en waarmee we werken in digitale afbeeldingen, te beschrijven. Elk
    kleurmodel, zoals RGB, CMYK of HSB, vertegenwoordigt een andere methode voor het beschrijven en classificeren van
    kleur. Kleurmodellen werken met numerieke waarden om het zichtbare kleurenspectrum aan te duiden. Een kleurruimte
    is een exemplaar van een kleurmodel met een specifiek gamma (kleuromvang of kleurbereik). Het RGB-kleurmodel omvat
    bijvoorbeeld een aantal kleurruimten: Adobe RGB, sRGB en Apple RGB. Hoewel kleuren in elk van deze kleurruimten
    worden gedefinieerd aan de hand van dezelfde drie assen (R, G en B), is het gamma van elk model verschillend.
    Als u werkt met kleuren in afbeeldingen, bent u in feite bezig met het aanpassen van de numerieke waarden in het bestand.
    Het is niet zo moeilijk om een kleur een nummer te geven, maar deze numerieke waarden zijn op zichzelf geen absolute
    kleuren. Ze hebben alleen een kleurbetekenis binnen de kleurruimte van het apparaat dat de kleur produceert.
    Aangezien elk apparaat een eigen kleurruimte heeft, kan het alleen kleuren reproduceren die binnen het eigen gamma
    thuishoren. Als een afbeelding van het ene apparaat naar het andere wordt verplaatst, veranderen de kleuren mogelijk
    omdat elk apparaat de RGB- of CMYK-waarden interpreteert volgens de eigen kleurruimte. Het is bijvoorbeeld onmogelijk
    om alle kleuren die op een monitor worden weergegeven, exact weer te geven in een afdruk van een desktopprinter. Een
    printer werkt in een CMYK-kleurruimte en een monitor in een RGB-kleurruimte. Het gamma (kleuromvang) van deze
    apparaten is verschillend. Bepaalde kleuren die met inkt worden geproduceerd, kunnen niet worden weergegeven op een
    monitor en bepaalde kleuren die op een monitor kunnen worden weergegeven, kunnen niet op papier worden
    gereproduceerd met inkt.
    Hoewel het onmogelijk is om alle kleuren op de verschillende apparaten perfect op elkaar af te stemmen, kunt u met
    kleurbeheer wel zorgen dat de meeste kleuren hetzelfde zijn of zo op elkaar lijken dat ze er consistent uitzien.

    Zie ook
    “Kleurbeheer in Adobe-toepassingen” op pagina 124
    “Kleurinstellingen in Adobe-toepassingen synchroniseren” op pagina 126

    RGB
    Een groot deel van het zichtbare spectrum kan worden weergegeven door rood, groen en blauw (RGB) licht in bepaalde
    verhoudingen en sterkten te vermengen. Als de kleuren elkaar overlappen, ontstaat cyaan, magenta en geel.
    RGB-kleuren worden additieve kleuren genoemd, omdat u wit maakt door R (rood), G (groen) en B (blauw) tegelijk toe te
    voegen, dat wil zeggen dat al het licht wordt teruggekaatst naar het oog. Additieve kleuren worden gebruikt voor verlichting,
    televisies en computerschermen. Uw scherm maakt bijvoorbeeld kleuren door licht uit te stralen via rood, groen en blauw
    fosfor.



  • Page 98

    ILLUSTRATOR CS3 92
    Handboek

    G

    R

    B

    Additieve kleuren (RGB)
    R. Rood G. Groen B. Blauw

    U kunt de RGB-kleurmodus gebruiken om met kleurwaarden te werken. Deze modus is gebaseerd op het RGB-kleurmodel.
    In de RGB-modus kunt u voor alle RGB-onderdelen een waarde tussen 0 (zwart) en 255 (wit) gebruiken. Zo heeft een
    helderrode kleur bijvoorbeeld een R-waarde van 246, een G-waarde van 20 en een B-waarde van 50. Wanneer de waarden
    van de drie kleuren gelijk zijn, is het resultaat een grijstint. Wanneer de waarde van alle onderdelen 255 is, is het resultaat
    puur wit en wanneer alle onderdelen de waarde 0 hebben, is het resultaat puur zwart.
    Illustrator beschikt ook over een gewijzigde RGB-kleurmodus, namelijk de modus Web-RGB, die alleen de RGB-kleuren
    bevat die voor het web kunnen worden gebruikt.

    Zie ook
    “De kleurmodus van een document wijzigen” op pagina 93

    CMYK
    Terwijl bij het RGB-model kleur wordt gemaakt door een lichtbron, is het CMYK-model gebaseerd op de lichtabsorberende
    kwaliteiten van inkt op papier. Als wit licht op doorschijnende inkt valt, wordt een deel van het spectrum geabsorbeerd.
    Kleuren die niet worden geabsorbeerd, worden naar het oog gereflecteerd.
    Wanneer puur cyaan (C), magenta (M) en gele (Y, van het Engelse 'yellow') pigmenten worden gecombineerd, ontstaat
    zwart omdat alle kleuren worden geabsorbeerd. Daarom worden dit de subtractieve kleuren genoemd. Zwarte inkt (K)
    wordt toegevoegd om betere dichtheid te verkrijgen in schaduwgebieden. (De letter K wordt gebruikt, omdat zwart de
    hoofdkleur (in het Engels de 'key'kleur) is voor het registreren van de andere kleuren en omdat de letter B al wordt gebruikt
    voor blauw.) Het combineren van deze inkten om kleur te reproduceren wordt vierkleurenprocesdruk genoemd.
    C

    M

    Y

    K

    Subtractieve kleuren (CMYK)
    C. Cyaan M. Magenta Y. Geel K. Zwart

    U kunt de RGB-kleurmodus gebruiken om met kleurwaarden te werken. Deze modus is gebaseerd op het RGB-kleurmodel.
    In de CMYK-modus kan voor iedere CMYK-procesinkt een waarde tussen 0 en 100% worden gebruikt. Aan de lichtste
    kleuren worden kleine percentages van de procesinktkleuren toegewezen en de donkere kleuren krijgen een hoger
    percentage. Een helder rood kan bijvoorbeeld 2% cyaan, 93%magenta, 90% geel en 0% zwart bevatten. In CMYK-objecten
    benaderen lage inktpercentages de kleur wit en liggen hogere inktpercentages dichter bij zwart.
    Gebruik CMYK wanneer u een document voorbereidt dat met procesinkten moet worden gedrukt.



  • Page 99

    ILLUSTRATOR CS3 93
    Handboek

    Zie ook
    “De kleurmodus van een document wijzigen” op pagina 93

    De kleurmodus van een document wijzigen
    ❖ Kies Bestand > Documentkleurmodus > CMYK-kleur of RGB-kleur.

    HSB
    Het HSB-model is gebaseerd op de menselijke waarneming van kleuren en beschrijft drie basiskenmerken van kleur:
    Kleurtoon Kleur die wordt gereflecteerd of doorgelaten door een object. Kleurtoon wordt gemeten als plaats op de
    standaard kleurenschijf en wordt uitgedrukt in graden (tussen 0˚ en 360˚). Kleurtonen worden in het dagelijks
    spraakgebruik benoemd met de naam van de desbetreffende kleur zoals rood, oranje of groen.
    Verzadiging Sterkte of zuiverheid van de kleur (soms chroma genoemd). Verzadiging is het percentage grijs in verhouding
    tot de kleurtoon. Dus 0% is grijs en 100% is volledig verzadigd. Op de kleurenschijf is de verzadiging in het midden het
    kleinst en aan de rand het grootst.
    Helderheid De relatieve lichtheid of donkerheid van een kleur, gewoonlijk gemeten als een percentage van 0% (zwart) tot

    100% (wit).
    0

    H

    360

    100

    100

    S

    B

    0

    0

    HSB-kleurmodel
    H. Kleurtoon S. Verzadiging B. Helderheid

    Zie ook
    “De verzadiging van meerdere kleuren aanpassen” op pagina 121

    Lab
    Het CIE Lab-kleurmodel is gebaseerd op de menselijke perceptie van kleur. Het is een van de kleurmodellen die zijn
    opgesteld door de Commission Internationale d’Eclairage (CIE), een organisatie die zich bezighoudt met standaarden voor
    alle aspecten van licht.
    De numerieke waarden van Lab beschrijven alle kleuren die een persoon met een normaal gezichtsvermogen kan
    waarnemen. Aangezien het Lab-model beschrijft hoe een kleur eruitziet en niet hoeveel van een bepaalde kleurstof een
    apparaat (beeldscherm, desktopprinter of digitale camera) nodig heeft om kleuren te produceren, wordt Lab als een
    apparaatonafhankelijk kleurmodel beschouwd. Kleurbeheersystemen gebruiken Lab als kleurverwijzing om te kunnen
    voorspellen wat er gebeurt als een kleur wordt omgezet van de ene kleurruimte naar de andere.
    U kunt het Lab-model in Illustrator gebruiken om steunkleurstalen te maken, weer te geven en uit te voeren. U kunt in de
    Lab-modus echter geen documenten maken.

    Zie ook
    “Steunkleuren weergeven en uitvoeren met behulp van Lab-waarden” op pagina 103



  • Page 100

    ILLUSTRATOR CS3 94
    Handboek

    Grijswaarden
    Grijswaarden representeren een object aan de hand van zwarte tinten. Ieder grijswaardenobject heeft een
    helderheidswaarde tussen 0% (wit) en 100% (zwart). Afbeeldingen die zijn gemaakt met scanners voor zwart-wit of
    grijswaarden worden meestal weergegeven in grijswaarden.
    U kunt met grijswaarden ook kleurenillustraties omzetten in kwalitatief hoogstaande zwart-witillustraties. In dit geval
    negeert Adobe Illustrator alle kleurinformatie in de originele illustratie en representeren de grijsniveaus (grijstinten) van
    de geconverteerde objecten de lichtsterkte van de oorspronkelijke objecten.
    Wanneer u grijswaardenobjecten omzet in RGB, krijgen de kleurwaarden van elk object de eerdere grijswaarden van het
    desbetreffende object toegewezen. U kunt een grijswaardenobject ook omzetten in een CMYK-object.

    Zie ook
    “Kleuren omzetten in grijswaarden” op pagina 120
    “Grijswaardenafbeeldingen omzetten in RGB of CMYK” op pagina 120

    Kleurruimten en gamma's
    Een kleurruimte is een kleurbereik in het zichtbare spectrum. Een kleurruimte kan ook een exemplaar zijn op een
    kleurmodel. Adobe RGB, Apple RGB en sRGB zijn voorbeelden van verschillende kleurruimten die zijn gebaseerd op
    hetzelfde kleurmodel.

    A
    B
    C

    Gamma's van verschillende kleurruimten
    A. Visuele gamma B. RGB-kleurruimte C. CMYK-kleurruimte

    Gamma is het kleurbereik waaruit een bepaalde kleurruimte bestaat. De apparaten (computermonitor, scanner,
    desktopprinter, drukpers, digitale camera) in uw workflow werken binnen verschillende kleurruimten en hebben elk een
    ander gamma. Sommige kleuren vallen binnen het gamma van de computermonitor, maar niet binnen het gamma van de
    inkjetprinter, en vice versa. Als een kleur niet kan worden geproduceerd op een apparaat, valt deze buiten de kleurruimte
    van dat apparaat. Met andere woorden: de kleur valt buiten het gamma.

    Zie ook
    “Een kleur die buiten het gamma valt, omzetten in een afdrukbare kleur” op pagina 119
    “Waarom kleuren soms niet overeenkomen” op pagina 122

    Over steun- en proceskleuren
    U kunt kleuren aanwijzen als steun- of proceskleurtypen. Deze komen overeen met de twee hoofdinkttypen die in een
    drukkerij worden gebruikt. In het deelvenster Stalen herkent u het kleurtype van een kleur aan de pictogrammen naast de
    naam van de kleur.
    Wanneer u kleur toepast op paden en kaders, moet u rekening houden met het uiteindelijke medium waarop uw werk wordt
    gepubliceerd, zodat u de kleur in de meest geschikte kleurmodus toepast.
    Als in het kleurenwerkschema ook documenten naar andere apparaten worden gestuurd, kunt u een kleurbeheersysteem
    (CMS: color-managment system) gebruiken voor het bijhouden en reguleren van de kleuren in het gehele proces.



  • Page 101

    ILLUSTRATOR CS3 95
    Handboek

    Steunkleuren
    Een steunkleur is een speciale, vooraf gemengde inkt die in plaats van of naast CMYK-procesinkten wordt gebruikt en
    waarvoor een aparte drukplaat op een drukpers nodig is. Gebruik steunkleuren wanneer er slechts weinig kleuren zijn
    opgegeven en de nauwkeurigheid van de kleuren van groot belang is. Steunkleurinkten kunnen kleuren buiten het gamut
    van proceskleuren nauwkeurig reproduceren. De exacte weergave van de gedrukte steunkleur wordt echter bepaald door
    de combinatie van de inkt die door de commerciële drukker wordt gemengd, en het papier waarop wordt afgedrukt, niet
    door de kleurwaarden die u of Kleurenbeheer opgeeft. Als u steunkleurwaarden opgeeft, beschrijft u de gesimuleerde
    weergave van de kleur voor uw monitor en samengestelde printer (afhankelijk van de gamutbeperkingen van deze
    apparaten).
    Neem bij het opgeven van een steunkleur de volgende richtlijnen in acht:

    • Voor het beste resultaat bij gedrukte documenten geeft u een steunkleur op uit een kleurovereenkomstsysteem dat door
    uw commerciële drukker wordt ondersteund. De software wordt standaard geleverd met verschillende bibliotheken voor
    kleurovereenkomstsystemen.

    • Minimaliseer het aantal steunkleuren dat u gebruikt. Voor elke steunkleur die u gebruikt, is een extra drukplaat voor de
    drukpers nodig, wat meer kosten met zich meebrengt. Als u meer dan vier kleuren denkt nodig te hebben, kunt u uw
    document het beste met proceskleuren drukken.

    • Als een object steunkleuren bevat en een ander object overlapt dat transparantie-eigenschappen bevat, kan dit een
    ongewenst resultaat opleveren als u het bestand exporteert in de EPS-bestandsindeling, als u via het venster Afdrukken
    steunkleuren omzet naar proceskleuren, of als u kleurscheidingen maakt in een ander programma dan Illustrator of
    InDesign. Voor het beste resultaat gebruikt u Voorvertoning afvlakker of Voorvertoning scheidingen om een
    proefafdruk op het scherm (soft proof) te maken om vóór het drukken te bekijken wat de effecten zijn van het afvlakken
    van de transparantie. Bovendien kunt u de steunkleuren omzetten naar proceskleuren met behulp van het Inktbeheer in
    InDesign, voordat u gaat drukken of exporteren.

    • U kunt ook een steunkleurdrukplaat gebruiken om een laklaag te plaatsen op bepaalde gebieden van een taak die met
    proceskleuren is gedrukt. In dit geval worden er bij de afdruktaak in totaal vijf inkten gebruikt: vier procesinkten en één
    laklaag (steunkleur).

    Proceskleuren
    Een proceskleur wordt gedrukt met een combinatie van vier standaardprocesinkten: cyaan, magenta, geel en zwart (CMYK).
    Gebruik proceskleuren als u voor een taak zo veel kleuren nodig hebt dat het gebruik van aparte steunkleurinkten duur of
    onuitvoerbaar zou zijn, bijvoorbeeld bij het drukken van kleurenfoto's.
    Neem bij het opgeven van proceskleuren de volgende richtlijnen in acht:

    • Voor het beste resultaat bij het drukken van documenten geeft u proceskleuren op met CMYK-waarden die zijn gedrukt
    op de proceskleurenreferentiewaaiers die u bij een commericiële drukker kunt krijgen.

    • De definitieve kleurwaarden van een proceskleur zijn de waarden in CMYK. Wanneer u een proceskleur volgens het
    RGB-model (of het LAB-model in Indesign) opgeeft, worden deze kleurwaarden naar CMYK omgezet wanneer u
    kleurscheidingen drukt. De resultaten van deze conversies kunnen verschillen, afhankelijk van de instellingen voor
    kleurbeheer en het documentprofiel.

    • Baseer u bij het opgeven van proceskleuren niet op de weergave op uw beeldscherm, tenzij u een kleurbeheersysteem
    goed hebt ingesteld en u op de hoogte bent van de beperkingen van het vooraf bekijken van kleuren.

    • Gebruik geen proceskleuren in documenten die alleen voor online weergave zijn bedoeld, omdat CMYK een kleinere
    kleurengamut heeft dan een standaardmonitor.

    • In Illustrator en InDesign kunt u een proceskleur als globaal of niet-globaal opgeven. In Illustrator geldt dat globale
    proceskleuren gekoppeld blijven aan een staal in het deelvenster Stalen. Dit betekent dat als u het staal van een globale
    proceskleur wijzigt, alle objecten met deze kleur worden bijgewerkt. Niet-globale kleuren worden niet automatisch in
    het hele document bijgewerkt wanneer u de kleur bewerkt. Standaard zijn proceskleuren niet-globaal. Wanneer u een
    staal toepast op een object in InDesign, wordt het staal automatisch toegepast als een globale proceskleur. Niet-globale
    stalen zijn naamloze kleuren die u kunt bewerken in het deelvenster Kleur.



  • Page 102

    ILLUSTRATOR CS3 96
    Handboek

    Opmerking: Globale en niet-globale proceskleuren beïnvloeden alleen de manier waarop een bepaalde kleur op objecten wordt
    toegepast en nooit de manier waarop kleuren worden gescheiden of zich gedragen wanneer u ze van de ene naar de andere
    toepassing overbrengt.

    Steun- en proceskleuren tegelijk gebruiken
    Soms is het handig om voor dezelfde taak zowel proces- als steuninkten te gebruiken. Zo kunt u één steuninkt gebruiken
    om de kleur van een bedrijfslogo natuurgetrouw af te drukken op de pagina's van een jaarverslag waarop foto's met behulp
    van proceskleuren zijn gedrukt. Maar u kunt ook een steunkleurdrukplaat gebruiken om een laklaag te plaatsen op
    bepaalde gebieden van een taak die met proceskleuren is gedrukt. In beide gevallen worden er bij de afdruktaak in totaal
    vijf inkten gebruikt: vier procesinkten en één steuninkt of laklaag.
    In InDesign kunt u proces- en steunkleuren met elkaar mengen en zo gemengde inktkleuren maken.

    Kleuren vergelijken in InDesign en Illustrator
    In Adobe InDesign en Adobe Illustrator worden niet exact dezelfde methoden gebruikt voor het toepassen van benoemde
    kleuren. In Illustrator kunt u een benoemde kleur als globaal of niet-globaal opgeven, maar in InDesign worden alle
    naamloze kleuren als niet-globale proceskleuren.
    Het InDesign-equivalent van globale kleuren zijn stalen. Stalen vergemakkelijken het wijzigen van kleurschema's zonder
    dat elk object afzonderlijk hoeft te worden gezocht en aangepast. Dit is erg handig voor standaarddocumenten met een
    regelmatig productieschema, zoals weekbladen. Omdat in InDesign de kleuren zijn gekoppeld aan stalen in het deelvenster
    Stalen, heeft elke wijziging in een staal gevolgen voor de objecten waarop die kleur is toegepast.
    In InDesign worden naamloze kleuren gebruikt als niet-globale stalen. De naamloze kleuren staan niet in het deelvenster
    Stalen en worden niet automatisch in het hele document bijgewerkt wanneer u de kleur bewerkt in het deelvenster Kleur.
    U kunt naderhand echter een naamloze kleur aan het deelvenster Stalen toevoegen.
    Benoemde en naamloze kleuren bepalen alleen de manier waarop een bepaalde kleur in een document wordt bijgewerkt,
    en dus niet de wijze waarop de kleuren worden gescheiden of zich gedragen als u kleuren van het ene programma naar het
    andere overbrengt.

    Kleuren selecteren
    Informatie over het selecteren van kleuren
    U kunt kleuren voor uw illustraties selecteren via een groot aantal verschillende gereedschappen, deelvensters en
    dialoogvensters in Illustrator. U kunt de manier waarop u kleur selecteert, laten afhangen van uw illustratie. Als u
    bijvoorbeeld bepaalde door uw bedrijf goedgekeurde kleuren wilt gebruiken, kunt u het beste kleuren selecteren die in een
    door het bedrijf goedgekeurde stalenbibliotheek staan. Als u kleuren wilt afstemmen op kleuren in andere illustraties, kunt
    u het pipet of de Kleurkiezer gebruiken en exacte kleurwaarden opgeven.
    U kunt alle volgende functies gebruiken voor het selecteren van kleuren:
    Het deelvenster Stalen en de deelvensters met stalenbibliotheken Hier vindt u afzonderlijke kleuren en kleurgroepen. U
    kunt een kleur kiezen in vooraf gedefinieerde stalen en bibliotheken of u kunt uw eigen stalen of bibliotheken maken. U
    kunt ook bibliotheken importeren.
    Kleurkiezer In de Kleurkiezer ziet u een kleurenspectrum waarin u kleuren op visuele basis kunt selecteren. Ook bevat dit

    venster kleurstalen en vakken voor kleurwaarden waarin u kleuren handmatig kunt definiëren.
    Gereedschap Pipet Met het pipet maakt u kleurmonsters in uw afbeelding door te klikken.
    Deelvenster Kleur Het deelvenster Kleur bevat een kleurenspectrum, schuifregelaars voor afzonderlijke kleurwaarden

    (bijvoorbeeld een regelaar voor cyaan) en tekstvakken voor kleurwaarden. U kunt vul- en streekkleuren opgeven in het
    deelvenster Kleur. In het menu van het deelvenster Kleur kunt u omgekeerde en complementaire kleuren voor de actieve
    vul- of streekkleur maken en een staal maken op basis van de geselecteerde kleur.



  • Page 103

    ILLUSTRATOR CS3 97
    Handboek

    Deelvenster Kleurengids In dit deelvenster kunt u uit verschillende harmonieregels kiezen voor het maken van

    kleurgroepen met gebruik van een door u gekozen basiskleur. U kunt kleurexemplaren maken aan de hand van tinten en
    schaduwen, warme en koele kleuren of levendige en doffe kleuren. Vanuit het deelvenster Kleurengids kunt u een
    kleurgroep openen in het dialoogvenster Actieve kleur.
    Het dialoogvenster Actieve kleur In dit dialoogvenster vindt u gereedschappen waarmee u de kleuren in een kleurgroep of

    illustratie nauwkeurig kunt definiëren of aanpassen. U kunt uw illustratie ook opnieuw kleuren met de kleuren uit de
    kleurgroep of het aantal kleuren reduceren of de kleuren converteren voor uitvoer.
    De opdracht Geselecteerde kleuren toevoegen of de knop Nieuwe kleurgroep Maak een nieuwe kleurgroep die de kleuren
    bevat die in de geselecteerde illustratie voorkomen. Zowel deze opdracht als deze knop staan in het deelvenster Stalen.

    Zie ook
    “Stalen” op pagina 99
    “Stalenbibliotheken” op pagina 100
    “Overzicht van de kleurkiezer” op pagina 97
    “Overzicht van het deelvenster Kleurengids” op pagina 106
    “Overzicht van het deelvenster Actieve kleur” op pagina 109

    Overzicht van de kleurkiezer
    Met de Kleurkiezer kunt u de kleur van de vulling of de streek van een object selecteren door een kleur uit een kleurenveld
    en -spectrum te kiezen, kleuren op numerieke wijze te definiëren of op een staal te klikken.
    A

    E F

    B

    CD

    G

    H

    I

    Kleurkiezer
    A. Kleurveld. B. HSB-kleurwaarden C. Huidige kleur D. Vorige kleur E. Schuifregelaar voor kleurenspectrum F. Kleurenspectrum G. RGBkleurwaarden H. Hexadecimale kleurwaarde I. CMYK-kleurwaarden

    Zie ook
    “Kleuren in digitale afbeeldingen” op pagina 91
    De Kleurkiezer weergeven
    ❖ Dubbelklik op het selectievakje van de vul- of streekkleur in het deelvenster Gereedschappen of in het deelvenster Kleur.
    Het kleurenspectrum wijzigen dat wordt weergegeven in de Kleurkiezer
    ❖ Klik op een letter: H (Hue, kleurtoon), S (Saturation, verzadiging), B (Brightness, helderheid), R (Red, rood), G (Green,
    groen) of B (Blue, blauw).



  • Page 104

    ILLUSTRATOR CS3 98
    Handboek

    Alleen webveilige kleuren weergeven

    Er zijn webveilige kleuren die door alle webbrowsers, ongeacht het platform, worden herkend.
    ❖ Selecteer Alleen webkleuren.
    Kleurstalen weergeven in plaats van het kleurenspectrum
    ❖ Klik op Kleurstalen. Klik op Kleurmodellen om het kleurenspectrum opnieuw weer te geven.

    Kleuren selecteren met de Kleurkiezer
    Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik of sleep in het kleurenspectrum. Een ronde markering geeft de positie van de kleur in het spectrum aan.
    • Sleep de driehoekjes langs de kleurschuifregelaar of klik binnen de kleurschuifregelaar.
    • Geef waarden op in de tekstvakken.
    • Klik op Kleurstalen, selecteer een staal en klik op OK.

    Overzicht van het deelvenster Kleur
    U kunt het deelvenster Kleur (Venster > Kleur) gebruiken om kleur toe te passen op de vulling en de streek van een object,
    en ook om kleuren te bewerken en te mengen. In het deelvenster Kleur kunnen kleurwaarden worden weergegeven aan de
    hand van verschillende kleurmodellen. Standaard worden in het deelvenster Kleur alleen de meest gebruikte opties
    weergegeven.
    AB

    D

    C

    E

    F

    G

    Deelvenster Kleur
    A. Vulkleur B. Kleur van de streek C. Deelvenstermenu D. Vak Geen E. Kleurenspectrumbalk F. Kleurregelaar G. Tekstvak voor
    kleurcomponent

    Zie ook
    “Kleuren in digitale afbeeldingen” op pagina 91
    “De werkruimte aanpassen” op pagina 17
    Het kleurmodel wijzigen
    ❖ Selecteer Grijswaarden, RGB, HSB, CMYK of Web-RGB in het deelvenstermenu.
    Alle opties tonen in het deelvenster
    ❖ Selecteer Opties tonen in het deelvenstermenu. U kunt ook op het dubbele driehoekje op de tab van het deelvenster

    klikken om door de weergavegrootten te bladeren.

    Kleuren selecteren met de Kleurkiezer
    1 Selecteer de gewenste kleurmodus in het deelvenstermenu. De modus die u selecteert, is alleen van invloed op de
    weergave van het deelvenster Kleur. De kleurmodus van het document wordt hier niet door gewijzigd.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Sleep of klik in een schuifregelaar.



  • Page 105

    ILLUSTRATOR CS3 99
    Handboek

    • Houd Shift ingedrukt en sleep een kleurschuifregelaar om de andere schuifregelaars ten opzichte hiervan te verplaatsen.
    Dit geldt niet voor HSB-schuifregelaars. U houdt dan een vergelijkbare kleur, maar met een andere tint of intensiteit.

    • Geef waarden op in de tekstvakken.
    • Klik in de kleurenspectrumbalk onder aan het deelvenster. Als u geen kleur wilt selecteren, klikt u op het vak Geen aan
    de linkerkant van de kleurenbalk. Als u wit wilt selecteren, klikt u op het witte staal rechtsboven in de kleurenbalk. Als
    u zwart wilt selecteren, klikt u op het zwarte staal rechtsonder in de kleurenbalk.

    Stalen maken en gebruiken
    Stalen
    Stalen zijn benoemde kleuren, tinten, verlopen en patronen. De stalen die zijn gekoppeld aan een document, worden
    weergegeven in het deelvenster Stalen. Stalen kunnen afzonderlijk of in groepen worden weergegeven.
    U kunt bibliotheken met stalen uit andere Illustrator-documenten en verschillende kleursystemen openen.
    Stalenbibliotheken worden weergegeven in aparte deelvensters en worden niet met het document opgeslagen.
    Het deelvenster Stalen en de deelvensters met stalenbibliotheken kunnen de volgende typen stalen bevatten:
    Proceskleuren Een proceskleur wordt gedrukt met een combinatie van vier standaardprocesinkten: cyaan, magenta, geel

    en zwart. Standaard definieert Illustrator nieuwe stalen als proceskleuren. (Zie “Proceskleuren” op pagina 95.)
    Algemene proceskleuren Wanneer u een algemene kleur bewerkt, wordt deze automatisch overal in uw illustratie

    bijgewerkt. Alle steunkleuren zijn algemene kleuren, maar er zijn zowel algemene als lokale proceskleuren. U kunt
    algemene kleurstalen herkennen aan het pictogram voor algemene kleuren
    (in de lijstweergave van het deelvenster) of
    aan het driehoekje in de onderhoek (in de miniatuurweergave van het deelvenster).
    Steunkleuren Een steunkleur is een vooraf gemengde inkt die in plaats van of in aanvulling op CMYK-procesinkten wordt

    gebruikt. U kunt algemene kleurstalen herkennen aan het pictogram voor algemene kleuren
    (in de lijstweergave van
    het deelvenster) of aan het driehoekje in de benedenhoek (in de miniatuurweergave van het deelvenster). (Zie
    “Steunkleuren” op pagina 95.)
    Verlopen Een verloop is een geleidelijke overvloeiing van twee of meer kleuren of tinten van dezelfde kleur of van
    verschillende kleuren. Verloopkleuren kunnen worden toegewezen als CMYK-proceskleuren, RGB-kleuren of als een
    steunkleur.
    Patronen Patronen zijn herhaalde (naast elkaar geplaatste) paden, samengestelde paden, tekst met effen vullingen of
    zonder vulling.
    Geen Als u de staal Geen selecteert, verwijdert u de streek of vulling van een object. U kunt deze staal niet bewerken of
    verwijderen.
    Registratie Het staal Registratie

    is een intern staal waarmee objecten worden gevuld of omlijnd om te worden
    afgedrukt op iedere kleurscheiding van een PostScript-printer. Zo gebruiken registratietekens bijvoorbeeld de kleur
    Registratie, waardoor de drukplaten nauwkeurig op een drukpers kunnen worden uitgelijnd. Deze staal kunt u niet
    verwijderen.
    Opmerking: Als u de registratiekleur voor tekst gebruikt en het bestand vervolgens scheidt en afdrukt, wordt de tekst mogelijk
    niet goed geregistreerd, zodat de zwarte inkt er vaal uitziet. Als u dit wilt vermijden, kunt u voor tekst beter zwarte inkt
    gebruiken.

    Kleurgroepen Kleurgroepen kunnen proceskleuren, steunkleuren en algemene proceskleuren bevatten, maar ze kunnen
    geen patroon-, verloop- of registratiestalen of het staal Geen bevatten. U kunt kleurgroepen baseren op harmonieën met
    gebruik van het deelvenster Kleurengids of het dialoogvenster Actieve kleur. Als u bestaande stalen in een kleurgroep wilt
    plaatsen, selecteert u de desbetreffende stalen en klikt u op het pictogram Nieuwe kleurgroep
    in het deelvenster Stalen.
    U kunt een kleurgroep herkennen aan het mappictogram
    .



  • Page 106

    ILLUSTRATOR CS3 100
    Handboek

    U kunt ook tinten maken in het deelvenster Stalen. Een tint is een algemene proces- of steunkleur met een gewijzigde
    intensiteit. Tinten van dezelfde kleur zijn elkaar gekoppeld, dus als u de kleur van een tintstaal bewerkt, wordt de kleur van
    alle gekoppelde tintstalen (en de objecten die met die stalen zijn getekend) ook gewijzigd. De tintwaarden blijven echter
    hetzelfde. Tinten worden aangegeven aan de hand van een percentage (in de lijstweergave van het deelvenster Stalen).

    Stalenbibliotheken
    Stalenbibliotheken zijn verzamelingen vooraf ingestelde kleuren, zoals de kleurenboeken PANTONE®, HKS, Trumatch,
    FOCOLTONE, DIC en TOYO, en de per thema gegroepeerde bibliotheken, zoals camouflage, natuur, Grieks en edelstenen.
    Wanneer u een stalenbibliotheek opent, wordt deze weergegeven in een nieuw deelvenster (niet in het deelvenster Stalen).
    U kunt de stalen in een stalenbibliotheek op dezelfde manier selecteren, sorteren en weergeven als in het deelvenster Stalen.
    U kunt echter geen stalen toevoegen aan, verwijderen uit of bewerken in het deelvenster met stalenbibliotheken.
    Als u een stalenbibliotheek automatisch wilt openen wanneer u Illustrator start, kiest u Blijvend in het deelvenstermenu
    van de stalenbibliotheek.

    Zie ook
    “Stalenbibliotheken maken” op pagina 106
    “Kleurstalen delen met andere toepassingen” op pagina 102
    Een stalenbibliotheek openen
    ❖ Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Kies Venster > Staalbibliotheken > [naam bibliotheek].
    • Kies Staalbibliotheek openen > [naam bibliotheek] in het menu van het deelvenster Stalen.
    • Klik op de knop Menu Staalbibliotheken

    en kies een bibliotheek in de lijst.

    Een stalenbibliotheek bewerken

    1 Kies Bestand > Openen en zoek en open het bibliotheekbestand. Standaard worden stalenbibliotheekbestanden
    opgeslagen in de map Illustrator\Presets\Swatches.
    2 Bewerk de kleuren in het deelvenster Stalen en sla uw wijzigingen op.

    Overzicht van het deelvenster Stalen
    In het deelvenster Stalen (Venster > Stalen) kunt u alle documentkleuren, verlopen en patronen beheren. U kunt al deze
    elementen een naam geven en deze opslaan, zodat u ze altijd bij de hand hebt. Wanneer de vulling of streek van een
    geselecteerd object een kleur, verloop, patroon of tint bevat die is toegepast vanuit het deelvenster Stalen, wordt het
    toegepaste staal gemarkeerd in het deelvenster Stalen.
    A

    B

    C
    D
    E

    F

    G

    H

    I

    J

    K

    Deelvenster Stalen in de weergave Beknopte lijst
    A. Steunkleur B. Algemene kleur C. Vulling of streek van Geen D. Staal Registratie (wordt afgedrukt op alle platen) E. CMYK-symbool
    (wanneer het document is geopend in de CMYK-modus) F. RGB-symbool (wanneer het document is geopend in de RGB-modus) G. De knop
    Menu Staalbibliotheken H. De knop Menu Staaltypen tonen I. De knop voor het menu Staalopties J. De knop Nieuwe kleurgroep K. Knop
    Nieuw staal



  • Page 107

    ILLUSTRATOR CS3 101
    Handboek

    Zie ook
    “De werkruimte aanpassen” op pagina 17
    De weergave van stalen wijzigen
    ❖ Selecteer een weergaveoptie in het menu van het deelvenster Stalen: Kleine miniaturen, Normale miniaturen, Grote
    miniaturen, Beknopte lijst of Uitgebreide lijst.
    Een bepaald type staal tonen en alle andere stalen verbergen
    ❖ Klik op de knop Staaltypen tonen
    en kies een van de volgende opties: Alle stalen tonen, Kleurstalen tonen,
    Verloopstalen tonen, Patroonstalen tonen of Kleurgroepen tonen.
    Alle stalen selecteren die niet in de illustratie worden gebruikt

    Als u in het deelvenster Stalen alleen de kleuren wilt zien die in een document worden gebruikt, kunt u alle ongebruikte
    stalen selecteren en deze vervolgens verwijderen.
    ❖ Kies Alle ongebruikte selecteren in het menu van het deelvenster Stalen.
    Een kleurgroep selecteren

    • Klik op het pictogram van de kleurgroep

    om de hele groep te selecteren.

    • Klik op afzonderlijke stalen om de stalen in de groep te selecteren.
    Opmerking: Klik op de knop Kleuren bewerken
    of dubbelklik op de kleurgroepmap om de geselecteerde kleurgroep te
    bewerken. Zie “Kleuren bewerken in het dialoogvenster Actieve kleur” op pagina 111 voor meer informatie.
    Een staal op naam selecteren
    ❖ Selecteer Zoekveld tonen in het menu van het deelvenster Stalen. Typ de eerste letter(s) van de naam van het staal in het
    tekstvak Zoeken boven aan het deelvenster.

    Opmerking: Deze procedure werkt niet met doublebyte-tekens.
    U kunt deze methode ook gebruiken om een PANTONE-staal te selecteren door het PANTONE-nummer in te voeren.
    Stalen verplaatsen naar een kleurgroep

    • Sleep individuele kleurstalen naar een bestaande kleurgroepmap.
    • Selecteer de kleuren die u in de nieuwe kleurgroep wilt opnemen en klik op de knop Nieuwe kleurgroep

    .

    De weergave van stalen wijzigen
    ❖ Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Selecteer Sorteren op naam of Sorteren op type in het menu van het deelvenster Stalen.
    • Sleep een staal naar een nieuwe locatie.

    Kleuren uit illustraties toevoegen aan het deelvenster Stalen
    U kunt automatisch alle kleuren uit de geselecteerde illustratie of alle kleuren in uw document toevoegen aan het
    deelvenster Stalen. Illustrator zoekt de kleuren die nog niet in het deelvenster Stalen staan, zet eventuele proceskleuren om
    in algemene kleuren en voegt deze als nieuwe stalen toe aan het deelvenster.
    Wanneer u automatisch kleuren toevoegt aan het deelvenster Stalen, worden alle kleuren in het document opgenomen, met
    uitzondering van:

    • Kleuren in dekkingsmaskers (wanneer de bewerkingsmodus van het dekkingsmasker niet actief is)
    • Geïnterpoleerde kleuren in overvloeiingen
    • Kleuren in afbeeldingspixels
    • Hulplijnkleuren



  • Page 108

    ILLUSTRATOR CS3 102
    Handboek

    • Kleuren in objecten die zich binnen samengestelde vormen bevinden en die niet zichtbaar zijn
    Als u een verloopvulling, patroonvulling of symboolexemplaar wijzigt in een nieuwe algemene kleur, wordt de kleur
    toegevoegd als een nieuw staal en blijft het oorspronkelijke kleurstaal behouden.
    Alle documentkleuren toevoegen
    ❖ Controleer of het document geen selectie bevat en kies Gebruikte kleuren toevoegen in het menu van het deelvenster
    Stalen.
    Kleuren toevoegen uit geselecteerde illustraties
    ❖ Selecteer de objecten met de kleuren die u aan het deelvenster Stalen wilt toevoegen en voer een van de volgende

    handelingen uit:

    • Kies Geselecteerde kleuren toevoegen in het menu van het deelvenster Stalen.
    • Klik op de knop Nieuwe kleurgroep

    in het deelvenster Stalen. Geef opties op in het dialoogvenster dat dan wordt

    weergegeven.

    Kleurstalen delen met andere toepassingen
    U kunt effen kleurstalen die u in Photoshop, Illustrator en InDesign hebt gemaakt, met andere gebruikers delen door ze op
    te slaan in een stalenbibliotheek voor uitwisseling. De kleuren zullen er exact hetzelfde uitzien in alle toepassingen indien
    uw kleurinstellingen zijn gesynchroniseerd.
    1 In het deelvenster Stalen maakt u de proceskleurstalen en steunkleurstalen die u wilt delen, en verwijdert u kleurstalen
    die u niet wilt delen.
    Opmerking: De volgende typen kleurstalen kunt u niet delen met toepassingen: patronen, verlopen en het staal Registratie uit
    Illustrator of InDesign; alsmede verwijzingen naar kleurenboeken, HSB-, XYZ-, duotoon-, monitorRGB-, dekking-, totale inkten webRGB-stalen uit Photoshop. Deze typen kleurstalen worden automatisch uitgesloten wanneer u stalen opslaat voor
    uitwisseling.
    2 Selecteer Stalen opslaan voor uitwisseling in het menu van het deelvenster Stalen en sla de staalbibliotheken op een
    gemakkelijk toegankelijke locatie op.
    3 Laad de staalbibliotheek in het deelvenster Stalen van Photoshop, Illustrator of InDesign.

    Een staal maken voor een proceskleur
    1 Selecteer een kleur met de Kleurkiezer of het deelvenster Kleur of selecteer een object met de gewenste kleur.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Sleep de kleur uit het deelvenster Gereedschappen of Kleur naar het deelvenster Stalen.
    • Klik in het deelvenster Stalen op de knop Nieuw staal of selecteer Nieuw staal in het deelvenstermenu. Selecteer in het
    dialoogvenster dat dan wordt weergegeven de optie Algemeen als u een algemene kleur wilt instellen voor het staal. Stel
    de overige staalopties in en klik op OK. (Zie “Staalopties” op pagina 103.)

    Zie ook
    “Stalen” op pagina 99
    “Proceskleuren” op pagina 95

    Steunkleurstalen maken
    1 Selecteer een kleur met de Kleurkiezer of het deelvenster Kleur of selecteer een object met de gewenste kleur.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Houd Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en sleep de kleur uit het deelvenster Gereedschappen of Kleur
    naar het deelvenster Stalen.



  • Page 109

    ILLUSTRATOR CS3 103
    Handboek

    • Houd Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en klik in het deelvenster Stalen op de knop Nieuw staal of kies
    Nieuw staal in het deelvenstermenu. Selecteer Steunkleur als kleurtype in het dialoogvenster dat dan wordt weergegeven.
    Stel de overige staalopties in en klik op OK. (Zie “Staalopties” op pagina 103.)

    Zie ook
    “Stalen” op pagina 99
    “Steunkleuren” op pagina 95

    Steunkleuren weergeven en uitvoeren met behulp van Lab-waarden
    Bepaalde vooraf gedefinieerde steunkleuren, zoals de kleuren in de TOYO-, PANTONE-, DIC- en HKS-bibliotheken, zijn
    gedefinieerd aan de hand van Lab-waarden. De kleuren uit deze bibliotheken omvatten ook CMYK-definities, zodat deze
    ook compatibel zijn met eerdere versies van Illustrator. In het deelvenster Stalen kunt u bepalen of Lab- of CMYK-waarden
    worden gebruikt voor het weergeven, exporteren en afdrukken van deze steunkleuren.
    Lab-waarden, gebruikt in combinatie met de juiste apparaatprofielen, geven de meest nauwkeurige uitvoer voor alle
    apparaten. Als kleurenbeheer essentieel voor uw project is, raadt Adobe u aan steunkleuren weer te geven, te exporteren en
    af te drukken met hun Lab-waarden.
    Opmerking: Als de optie Voorvertoning overdruk is ingeschakeld, worden de Lab-waarden automatisch gebruikt om de
    schermnauwkeurigheid te verbeteren. Lab-waarden worden ook bij het afdrukken gebruikt als u de optie Simuleren hebt
    geselecteerd in het menu Overdrukken in het gedeelte Geavanceerd van het dialoogvenster Afdrukken.
    1 Kies Geselecteerde kleuren toevoegen in het menu van het deelvenster Stalen.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Selecteer Gebruik de Lab-waarden die zijn opgegeven door de fabrikant van het boek als u de kleuren zo nauwkeurig
    mogelijk wilt weergeven en uitvoeren.

    • Selecteer CMYK-waarden uit de procesboeken van de fabrikant als u wilt dat de steunkleuren zijn afgestemd op eerdere
    versies van Illustrator.

    Zie ook
    “Lab” op pagina 93

    Staalopties
    Als u staalopties wilt instellen, dubbelklikt u op een bestaand staal of selecteert u Nieuw staal in het menu van het
    deelvenster Stalen.
    Staalnaam Hiermee bepaalt u de naam van het staal in het deelvenster Stalen.
    Kleur Type Hiermee bepaalt u of het staal een proceskleur of een steunkleur is.
    Algemeen Hiermee maakt u een algemeen proceskleurstaal.
    Kleurmodus Hiermee bepaalt u de kleurmodus van het staal.

    Nadat u de gewenste kleurmodus hebt geselecteerd, kunt u de kleurschuifregelaars gebruiken om de kleur aan te passen.
    Als u een kleur selecteert die niet webveilig is, wordt er een waarschuwingskubus
    weergegeven. Klik op de kubus om
    over te schakelen naar de dichtstbijzijnde webveilige kleur, die rechts van de kubus wordt weergegeven. Als u een kleur
    selecteert die buiten het gamma valt, wordt er een waarschuwingsdriehoekje
    weergegeven. Klik op het driehoekje om
    naar het dichtstbijzijnde CMYK-equivalent (rechts van het driehoekje) te gaan.
    Voorvertoning Hiermee geeft u kleuraanpassingen weer voor alle objecten waarop het staal is toegepast.



  • Page 110

    ILLUSTRATOR CS3 104
    Handboek

    De tint van een kleur wijzigen
    1 Selecteer een algemene proceskleur of steunkleur in het deelvenster Stalen of selecteer een object waarop u een algemene
    proceskleur of steunkleur hebt toegepast.
    2 Sleep de T-schuifregelaar in het deelvenster Kleur of geef een waarde op in het tekstvak om de intensiteit van de kleur te
    wijzigen. Het bereik van de tint kan worden ingesteld tussen 0% en 100%. Hoe lager de waarde, hoe lichter de tint.
    Als u de T-schuifregelaar niet ziet, controleert u of u een algemene proceskleur of steunkleur hebt geselecteerd. Als de Tschuifregelaar dan nog steeds niet wordt weergegeven, kiest u Opties tonen in het menu van het deelvenster Kleur.
    3 Als u de tint als een staal wilt opslaan, sleept u de kleur naar het deelvenster Stalen of klikt u op de knop Nieuw staal in
    het deelvenster Stalen. De tint wordt onder dezelfde naam als de basiskleur opgeslagen, maar met toevoeging van het
    tintpercentage. Als u bijvoorbeeld een kleur met de naam 'Hemelsblauw' hebt opgeslagen bij 50 procent, wordt de staalnaam
    'Hemelsblauw 50%'.

    Zie ook
    “Steunkleuren” op pagina 95
    “Proceskleuren” op pagina 95

    Verloopstalen maken
    1 Maak een verloop met behulp van het deelvenster Verloop of selecteer een object met het gewenste verloop.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Sleep de kleur uit het deelvenster Gereedschappen of Kleur naar het deelvenster Stalen.
    • Klik in het deelvenster Stalen op de knop Nieuw staal of selecteer Nieuw staal in het deelvenstermenu. Geef een
    staalnaam op in het dialoogvenster dat dan wordt weergegeven en klik op OK. (Zie “Staalopties” op pagina 103.)

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Verloop” op pagina 172
    “Verlopen maken of wijzigen” op pagina 173

    Stalen beheren
    Stalen dupliceren
    1 Selecteer een of meer stalen die u wilt dupliceren.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Selecteer Staal dupliceren in het menu van het deelvenster Stalen.
    • Sleep de stalen naar de knop Nieuw staal in het deelvenster Stalen.

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Stalen” op pagina 100

    Groepsstalen
    Maak een kleurgroep als u specifieke kleuren wilt groeperen in het deelvenster Stalen. U kunt bijvoorbeeld een kleurgroep
    maken voor de kleuren die u selecteert in het dialoogvenster Kleurengids. Wanneer u een kleurgroep opslaat in het
    dialoogvenster Actieve kleur, wordt deze automatisch ook opgeslagen als een kleurgroep in het deelvenster Stalen. U kunt
    een set effen kleurstalen ook handmatig groeperen.
    1 Selecteer een of meer stalen in het deelvenster Stalen.



  • Page 111

    ILLUSTRATOR CS3 105
    Handboek

    2 Klik op de knop Nieuwe kleurgroep of kies Nieuwe kleurgroep in het deelvenstermenu.

    Zie ook
    “Een kleurgroep maken in het dialoogvenster Actieve kleur” op pagina 110
    “Kleuren uit het deelvenster Kleurengids opslaan in het dialoogvenster Stalen” op pagina 108

    Stalen vervangen, samenvoegen of verwijderen
    • Als u een staal wilt vervangen, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en sleept u de kleur of het verloop
    van het deelvenster Kleur, het deelvenster Verloop, een object of het deelvenster Gereedschappen naar het deelvenster
    Stalen, waarbij u het te vervangen staal markeert.
    Als u een bestaande kleur of een bestaand verloop of patroon vervangt in het deelvenster Stalen, wordt de nieuwe kleur of
    het nieuwe verloop of patroon toegepast in alle objecten in het bestand die die staalkleur bevatten. De enige uitzondering
    hierop geldt voor proceskleuren waarbij de optie Algemeen niet is geselecteerd in het deelvenster Staalopties.

    • Als u meerdere stalen wilt samenvoegen, selecteert u twee of meer stalen en kiest u Stalen samenvoegen in het menu van
    het deelvenster Stalen. De naam en de kleurwaarde van het staal dat u het eerst hebt geselecteerd, vervangen deze voor
    alle andere geselecteerde stalen.

    • Als u stalen wilt verwijderen, selecteert u de desbetreffende stalen. Selecteer Staal verwijderen in het deelvenstermenu,
    klik op de knop Staal verwijderen of sleep de geselecteerde stalen naar de knop Staal verwijderen.
    Wanneer u een steunkleurstaal of algemene proceskleurstaal verwijdert (of een patroon of verloop met een steun- of
    algemene proceskleur), worden alle objecten met deze kleuren naar de niet-algemene proceskleurequivalenten omgezet.

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Stalen” op pagina 100

    Stalen verplaatsen van een stalenbibliotheek naar het deelvenster Stalen
    Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Sleep een of meer stalen van het deelvenster van de stalenbibliotheek naar het deelvenster Stalen.
    • Selecteer de stalen die u wilt toevoegen en kies Toevoegen aan stalen in het deelvenstermenu van de bibliotheek.
    • Pas een staal toe op een object in het document. Als het om een algemeen staal of een steunkleurstaal gaat, wordt dit staal
    automatisch toegevoegd aan het deelvenster Stalen.

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Stalen” op pagina 100
    “Stalenbibliotheken” op pagina 100

    Stalen uit een ander document importeren
    U kunt alle of bepaalde stalen uit een ander document importeren.

    • Als u alle stalen uit een ander document wilt importeren, kiest u Venster > Staalbibliotheken > Andere bibliotheek of
    Staalbibliotheek openen > Andere bibliotheek in het menu van het deelvenster Stalen. Selecteer het bestand waaruit u
    stalen wilt importeren en klik op Openen. De geïmporteerde stalen worden weergegeven in een deelvenster van een
    stalenbibliotheek, niet in het deelvenster Stalen.

    • Als u afzonderlijke stalen uit een ander document wilt importeren, kopieert en plakt u objecten waarin de desbetreffende
    stalen worden gebruikt. De geïmporteerde stalen worden weergegeven in het deelvenster Stalen.



  • Page 112

    ILLUSTRATOR CS3 106
    Handboek

    Opmerking: Als de geïmporteerde stalen dezelfde naam maar een andere kleurwaarde hebben dan stalen die zich al in het
    document bevinden, treedt er een staalconflict op. Bij steunkleurconflicten worden de kleurwaarden van de bestaande stalen
    automatisch behouden. Bij conflicten met proceskleuren wordt het dialoogvenster Staalconflict weergegeven. U kunt ervoor
    kiezen de conflicterende stalen toe te voegen door een nummer toe te voegen aan de staalnamen, of u kunt de stalen
    samenvoegen met gebruikmaking van de kleurwaarden van de bestaande stalen.

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Stalen” op pagina 100
    “Stalenbibliotheken” op pagina 100

    Stalenbibliotheken maken
    U maakt een stalenbibliotheek door het huidige document op te slaan als een stalenbibliotheek.
    1 Bewerk de stalen in het deelvenster Stalen, zodat allleen de gewenste stalen in het deelvenster staan.
    2 Selecteer Staalbibliotheek opslaan in het menu van het deelvenster Stalen.
    Selecteer Alle ongebruikte selecteren in het menu van het deelvenster Stalen en klik op de knop Staal verwijderen
    stalen die niet worden gebruikt in het document, worden dan verwijderd.

    . Alle

    Zie ook
    “Stalenbibliotheken” op pagina 100

    Werken met kleurgroepen
    Informatie over kleurgroepen
    Een kleurgroep is een organisatiefunctie waarmee u aan elkaar verwante kleurstalen in groepen kunt opnemen in het
    deelvenster Stalen. Een kleurgroep kan bovendien als container fungeren voor kleurharmonieën die u maakt in het
    dialoogvenster Actieve kleur of in het deelvenster Kleurengids. Kleurgroepen kunnen alleen effen kleuren bevatten, zoals
    steunkleuren, proceskleuren of algemene kleuren. Het is niet mogelijk verlopen en patronen in groepen op te nemen.
    Met het deelvenster Kleurengids of het dialoogvenster Actieve kleur kunt u harmonieuze kleurgroepen maken. Met beide
    functies kunt u een harmonieregel kiezen waarmee ogenblikkelijk een kleurenschema wordt gegenereerd op basis van
    iedere gewenste kleur. Kies bijvoorbeeld de harmonieregel Monochromatisch om een groep te maken van kleuren met
    dezelfde kleurtoon, maar met verschillende verzadigingsniveaus. U kunt ook de harmonieregel Hoog contrast of
    Pentagram kiezen om een kleurgroep te maken met contrasterende kleuren voor meer impact.

    Zie ook
    “Groepsstalen” op pagina 104

    Overzicht van het deelvenster Kleurengids
    Laat u tijdens het maken van uw illustraties inspireren door het deelvenster Kleurengids (Venster > Kleurengids). Het
    deelvenster Kleurengids stelt kleuren voor die in harmonie zijn met de actieve kleur in het deelvenster Gereedschappen. U
    kunt deze kleuren gebruiken in uw illustratie of u kunt ze opslaan als stalen.
    U kunt de kleuren die door het deelvenster Kleurengids worden gemaakt op verschillende manieren bewerken; zo kunt u
    de harmonieregel wijzigen of het type variatie en het aantal kleurvariaties wijzigen.
    Opmerking: Als u een illustratie hebt geselecteerd en op een kleurvariatie klikt, wijzigt u de kleur van de geselecteerde
    illustratie. Dit gebeurt ook als u op een staal klikt in het deelvenster Stalen.



  • Page 113

    ILLUSTRATOR CS3 107
    Handboek

    A

    B

    C

    E

    D

    F

    A. Menu met kleurharmonieregels en huidige kleurgroep B. Instellen als basiskleur C. Kleurvariaties D. Beperkt kleuren tot opgegeven
    stalenbibliotheek E. Kleuren bewerken (de kleuren worden geopend in het dialoogvenster Actieve kleur) F. Groep opslaan naar het deelvenster
    Stalen

    U kunt de kleurgroep en de kleurvariaties opslaan in het deelvenster Stalen. Als u meer controle wilt over de kleuren, klikt
    u op de knop Kleuren bewerken
    om het dialoogvenster Actieve kleur te openen.
    Op www.adobe.com/go/vid0058_nl vindt u een video over het gebruik van het deelvenster Kleurengids voor het zoeken
    naar en maken van kleuroplossingen.

    Zie ook
    “Stalen” op pagina 99
    “Overzicht van het deelvenster Stalen” op pagina 100
    “Een kleurgroep maken in het dialoogvenster Actieve kleur” op pagina 110

    Een kleurharmonie maken met het deelvenster Kleurengids
    Er mogen geen illustraties zijn geselecteerd wanneer u de basiskleur instelt, anders krijgt de geselecteerde illustratie de
    basiskleur.
    1 Open het deelvenster Kleurengids en voer een van de volgende handelingen uit om de basiskleur voor de kleurharmonie
    in te stellen:

    • Klik op een kleurstaal in het deelvenster Stalen.
    • Klik op een kleur in het deelvenster Kleur. (Het is verstandig het deelvenster Kleur te vergroten, zodat u het tegelijk met
    het deelvenster Kleurengids kunt gebruiken.)

    • Dubbelklik op Vulling in het deelvenster Gereedschappen en kies een kleur in de Kleurkiezer.
    • Klik met het pipet op een illustratie met de gewenste kleur.
    • Selecteer de illustratie die de gewenste kleur bevat en klik op het pictogram Basiskleur instellen op huidige kleur

    .

    • Klik op een kleurvariatie in het deelvenster Kleurengids en klik op het pictogram Basiskleur instellen op huidige
    kleur

    .

    2 Kies een regel in het menu Harmonieregels.
    3 Klik op de knop Kleurgroep opslaan in het deelvenster Stalen
    . Als u de nieuwe groep een naam wilt geven, selecteert
    u de groep in het deelvenster Stalen en kiest u Opties voor kleurgroep in het deelvenstermenu.
    Opmerking: Klik op de knop Beperkt de kleurgroep tot kleuren in een stalenbibliotheek
    om de kleuren te beperken tot een stalenbibliotheek.

    en kies een bibliotheek in de lijst

    Het type kleurvariaties bepalen
    ❖ Kies een van de volgende variaties in het menu van het deelvenster Kleurengids:
    Tinten/schaduwen tonen Hiermee voegt u zwart toe aan kleurvariaties aan de linkerzijde en wit aan kleurvariaties aan de

    rechterzijde.
    Warm/koel tonen Hiermee voegt u zwart toe aan kleurvariaties aan de linkerzijde en wit aan kleurvariaties aan de

    rechterzijde.



  • Page 114

    ILLUSTRATOR CS3 108
    Handboek

    Fel/dof tonen Hiermee reduceert u de verzadiging in de variaties aan de linkerzijde zodat deze de kleur grijs benaderen en
    verhoogt u de verzadiging in de variaties aan de rechterzijde zodat deze de kleur grijs benaderen.

    Opmerking: Als u steunkleuren gebruikt, gebruikt u alleen de variatie Tinten en schaduwen en kiest u kleuren uit de
    rechterzijde van het variatieraster waar zich de tinten bevinden. Alle andere variaties zetten steunkleuren om in proceskleuren.
    Het aantal kleurvariaties en het bereik van de kleurvariaties opgeven

    1 Kies Opties voor kleurengids in het menu van het deelvenster Kleurengids.
    2 Geef het aantal kleuren op dat u wilt weergeven aan de linker- en rechterzijde van iedere kleur in de gegenereerde
    kleurgroep. Kies bijvoorbeeld 6 als u zes donkerder en zes lichtere tinten van elke kleur wilt zien.
    De originele kleuren staan altijd midden in het deelvenster en de variaties van deze kleuren ziet u links en rechts in het
    venster.
    3 Sleep de schuifregelaar Bereik naar links om het variatiebereik te reduceren of naar rechts om het bereik uit te breiden.
    Als u het bereik reduceert, worden kleuren gegenereerd die meer op de originelen lijken.

    Het bereik van de kleurvariaties aanpassen

    Illustraties inkleuren met kleuren uit het deelvenster Kleurengids
    ❖ Selecteer uw illustratie en klik op een kleur in het deelvenster Kleurengids.

    Kleuren uit het deelvenster Kleurengids opslaan in het dialoogvenster Stalen
    Vanuit het deelvenster Kleurengids kunt u de actieve kleurgroep of een selectie kleurvariaties opslaan als een kleurgroep in
    het deelvenster Stalen.

    • Klik op de knop Nieuwe kleurgroep

    om de huidige kleurgroep op te slaan in het deelvenster Kleurengids.

    • Sleep de kleuren uit het deelvenster Kleurengids naar het deelvenster Stalen om een of meerdere kleurvariaties op te slaan
    als afzonderlijke stalen.

    • Als u meerdere kleurvariaties als een groep wilt opslaan, selecteert u de variaties in het deelvenster Kleurengids en klikt
    u op de knop Nieuwe kleurgroep

    .



  • Page 115

    ILLUSTRATOR CS3 109
    Handboek

    Overzicht van het deelvenster Actieve kleur
    In het dialoogvenster Actieve kleur maakt en bewerkt u kleurgroepen en kunt u de kleuren in uw illustraties opnieuw
    toewijzen of het aantal kleuren verlagen. Alle kleurgroepen die u voor een bepaald document maakt, worden weergegeven
    in het opslaggebied Kleurgroepen van het dialoogvenster Actieve kleur (en in het deelvenster Stalen). U kunt deze
    kleurgroepen op ieder gewenst moment selecteren en gebruiken.

    A

    B

    C

    Kleurgroepen maken of bewerken en kleuren toewijzen via het dialoogvenster Actieve kleur.
    A. Een kleurgroep maken en bewerken op het tabblad Bewerken B. Kleuren toewijzen op het tabblad Toewijzen C. Een kleurgroep selecteren
    in de lijst Kleurgroepen

    Gebruik de optie Illustratie opnieuw kleuren onder aan het dialoogvenster om een voorvertoning weer te geven van de
    kleuren in de geselecteerde illustratie. Ook bepaalt u zo of illustraties opnieuw worden gekleurd wanneer u het
    dialoogvenster Actieve kleur sluit.
    Dit zijn de belangrijkste gebieden in het dialoogvenster Actieve kleur:
    Bewerken Gebruik het tabblad Bewerken om nieuwe kleurgroepen te maken of bestaande kleurgroepen te bewerken.
    Gebruik het menu Harmonieregels en het kleurenwiel om te experimenteren met kleurharmonieën. Op het kleurenwiel
    kunt u zien welke kleuren in een harmonie aan elkaar zijn gerelateerd en op de kleurbalken kunt u afzonderlijke
    kleurwaarden zien en bewerken. Bovendien kunt u de helderheid aanpassen, kleuren toevoegen en verwijderen,
    kleurgroepen opslaan en een voorvertoning weergeven van de kleuren in geselecteerde illustraties.
    Toewijzen Gebruik het tabblad Toewijzen om te zien en te bepalen hoe kleuren uit een kleurgroep de oorspronkelijke

    kleuren in uw illustratie vervangen. U kunt alleen kleuren toewijzen als er illustraties zijn geselecteerd in het document. U
    kunt opgeven welke nieuwe kleuren de huidige kleuren vervangen, of steunkleuren behouden blijven en hoe kleuren
    worden vervangen (worden de kleuren volledig vervangen of wordt alleen de kleurtoon vervangen terwijl de helderheid
    behouden blijft). Gebruik Toewijzen om te bepalen hoe illustraties opnieuw worden gekleurd met de actieve kleurgroep of
    om het aantal kleuren in de actieve illustratie te reduceren.
    Kleurgroepen Hier worden alle opgeslagen kleurgroepen voor het geopende document vermeld (dezelfde kleurgroepen
    worden weergegeven in het deelvenster Stalen). In het dialoogvenster Actieve kleur kunt u kleurgroepen bewerken,
    verwijderen en nieuwe kleurgroepen maken met gebruik van de lijst Kleurgroepen. Alle wijzigingen worden weerspiegeld
    in het deelvenster Stalen. De geselecteerde kleurgroep bepaalt welke kleurgroep momenteel wordt bewerkt. U kunt een
    willekeurige kleurgroep selecteren en deze bewerken of gebruiken om geselecteerde illustraties opnieuw te kleuren.
    Wanneer u een kleurgroep opslaat, wordt de groep aan deze lijst toegevoegd.

    Op www.adobe.com/go/vid0059_nl vindt u een video over het maken en bewerken van en over het experimenteren met
    kleurgroepen in het deelvenster Actieve kleur. Op www.adobe.com/go/vid0191_nl vindt u een video over de integratie van
    Actieve kleur met slimme objecten in Photoshop en InDesign.

    Zie ook
    “Een kleurgroep maken in het dialoogvenster Actieve kleur” op pagina 110
    “Kleuren bewerken in het dialoogvenster Actieve kleur” op pagina 111



  • Page 116

    ILLUSTRATOR CS3 110
    Handboek

    “Kleuren toewijzen aan uw illustraties” op pagina 114
    “Het aantal kleuren in uw illustraties verlagen” op pagina 117
    Het dialoogvenster Actieve kleur openen
    ❖ Open het dialoogvenster Actieve kleur op een van de volgende manieren:
    Via de opdracht Bewerken > Kleuren bewerken > Illustratie opnieuw kleuren of Opnieuw kleuren met voorinstelling

    Gebruik deze opdrachten om de kleuren in geselecteerde illustraties te bewerken.
    Via de knop Kleuren bewerken
    in het deelvenster Beheer Gebruik deze knop om de kleuren van de geselecteerde
    illustratie te bewerken met het dialoogvenster Actieve kleur. Deze knop is beschikbaar wanneer de geselecteerde illustratie
    twee of meer kleuren bevat.

    Opmerking: Het bewerken van kleuren is een handige manier om alle kleuren in de illustratie aan te passen als bij het maken
    van de illustratie geen algemene kleuren zijn gebruikt.
    in het deelvenster Kleurengids Klik op deze knop als u de kleuren in het deelvenster
    Kleurengids wilt bewerken of pas de kleuren in het deelvenster Kleurengids toe op geselecteerde illustraties.

    Via de knop Kleuren bewerken

    De knop Kleuren bewerken
    in het deelvenster Stalen Dubbelklik op een kleurgroep in het deelvenster Stalen of
    selecteer een groep en klik op deze knop als u de kleuren in een kleurgroep in het deelvenster Stalen wilt bewerken.

    Werken met de lijst Kleurgroep

    • Klik op het pictogram Kleurgroepopslag verbergen

    rechts in het dialoogvenster Actieve kleur om de lijst Kleurgroep
    weer te geven of te verbergen. Klik nogmaals op het pictogram om de lijst weer weer te geven.

    • Als u een nieuwe kleurgroep aan de lijst wilt toevoegen, maakt of bewerkt u een kleurgroep en klikt u op Nieuwe
    kleurgroep

    . Er wordt een nieuwe kleurgroep weergegeven in de lijst.

    • Als u een bestaande kleurgroep wilt bewerken, klikt u op de groep in de lijst om deze te selecteren. Gebruik het tabblad
    Bewerken om de kleurgroep te wijzigen en klik op Wijzigingen in kleurgroep opslaan

    .

    • Als u een kleurgroep wilt verwijderen, selecteert u de groep en klikt u op Kleurgroep verwijderen

    .

    Een kleurgroep maken in het dialoogvenster Actieve kleur
    U maakt een kleurgroep in het dialoogvenster Actieve kleur door een basiskleur en een harmonieregel te kiezen. De
    harmonieregel gebruikt de basiskleur als de basis voor het genereren van de kleuren in de kleurgroep. Als u bijvoorbeeld
    de basiskleur blauw kiest en de harmonieregel Complementair, wordt er een kleurgroep gemaakt met de basiskleur blauw
    en de complementaire kleur rood.
    Tijdens het bewerken van de kleuren in het kleurenwiel geldt de geselecteerde harmonieregel ook voor de kleuren die
    worden gegenereerd voor de groep. Klik op de knop Harmoniekleuren ontkoppelen om de harmonieregel uit te
    schakelen en de kleuren te kunnen bewerken.
    1 Open het dialoogvenster Actieve kleur en kies desgewenst een kleurharmonie in het menu Harmonieregels.
    Opmerking: Klik op de knop Beperkt de kleurgroep tot kleuren in een stalenbibliotheek
    om de kleuren te beperken tot een stalenbibliotheek.

    en kies een bibliotheek in de lijst

    2 Als de kleurenbalken zichtbaar zijn en u het kleurenwiel wilt weergeven, klikt u op het pictogram van het kleurenwiel.
    3 Ontgrendel de basiskleur door een van de volgende handelingen uit te voeren:

    • Sleep de markering van de basiskleur (de grootste kleurmarkering met twee ringen) rond het wiel om de gewenste
    basiskleur in te stellen.

    • Pas de schuifregelaars onder aan het dialoogvenster aan.
    4 Kies een nieuwe harmonieregel of verplaats de kleurmarkeringen.
    5 Klik op Illustratie opnieuw kleuren om een voorvertoning van de nieuwe kleuren in de geselecteerde illustratie weer te
    geven.



  • Page 117

    ILLUSTRATOR CS3 111
    Handboek

    Opmerking: De illustratie wordt opnieuw gekleurd wanneer u op OK klikt om het dialoogvenster te sluiten. Schakel deze optie
    uit voordat u op OK klikt als u de geselecteerde illustratie niet opnieuw wilt kleuren.
    6 Typ een naam in het vak Naam rechts van het menu Harmonieregels en klik op Nieuwe kleurgroep

    .

    Opmerking: Als u het pictogram Nieuwe kleurgroep niet ziet, klikt u op het pictogram Kleurgroepopslag tonen

    .

    7 Als u de nieuwe kleurgroep wilt opslaan in het deelvenster Stalen, klikt u op OK en sluit u het dialoogvenster Actieve
    kleur.
    Opmerking: U kunt ook het deelvenster Kleurengids gebruiken om een kleurgroep te maken. (Zie “Een kleurharmonie maken
    met het deelvenster Kleurengids” op pagina 107.) Op www.adobe.com/go/vid0059_nl vindt u een video over het maken en
    bewerken van en over het experimenteren met kleurgroepen in het deelvenster Actieve kleur.

    Kleuren bewerken in het dialoogvenster Actieve kleur
    Het dialoogvenster Actieve kleur is handig als u de kleuren in een geselecteerde illustratie op algemene wijze wilt aanpassen,
    vooral wanneer algemene kleuren niet zijn gebruikt toen de illustratie werd gemaakt. U kunt kleuren en kleurgroepen
    bewerken in het dialoogvenster Actieve kleur en u kunt uw bewerking toepassingen op geselecteerde illustraties of de
    bewerkte kleuren opslaan voor toekomstig gebruik.
    Wanneer u kleuren bewerkt, kunt u het vloeiend kleurenwiel, het gesegmenteerde kleurenwiel of de kleurenbalken
    gebruiken.

    Kleuren bewerken door de kleurmarkeringen te verplaatsen op het vloeiende kleurenwiel

    Geeft kleurtoon, verzadiging en helderheid weer in een vloeiende, ononderbroken cirkel. Elke
    kleur in de huidige kleurgroep wordt getekend op het wiel in een cirkel. U kunt op het wiel heel nauwkeurig kleuren kiezen,
    maar omdat iedere pixel een andere kleur heeft, is het soms moeilijk de individuele kleuren te zien.

    Vloeiend kleurenwiel

    Gesegmenteerd kleurenwiel
    Geeft kleuren weer als een serie gesegmenteerde kleurblokken. Zo kunt u de afzonderlijke
    kleuren gemakkelijk zien, maar u kunt uit minder kleuren kiezen dan op het vloeiende kleurenwiel.
    Kleurbalken
    Er worden alleen kleuren uit de kleurgroep weergegeven. Deze worden weergegeven als effen
    kleurenbalken die u afzonderlijk kunt selecteren en bewerken.

    Op www.adobe.com/go/vid0059_nl vindt u een video over het maken en bewerken van en over het experimenteren met
    kleurgroepen in het deelvenster Actieve kleur.



  • Page 118

    ILLUSTRATOR CS3 112
    Handboek

    A

    B

    C
    D

    E

    F

    G

    A. De basiskleur zoals deze wordt weergegeven in het menu Harmonieregel B. De basiskleur zoals deze wordt weergegeven op het kleurenwiel
    C. Opties voor kleurweergave D. Kleur van geselecteerde kleurmarkering of kleurenbalk E. Verzadiging en kleurtoon weergeven op
    kleurenwiel F. Markeringsgereedschappen voor het toevoegen en verwijderen van kleuren G. Harmoniekleuren ontkoppelen

    Een kleurgroep bewerken met een kleurenwiel

    1 Selecteer, indien noodzakelijk, in het dialoogvenster Actieve kleur de gewenste kleurgroep in het opslaggebied
    Kleurgroepen.
    2 Als u een object in het tekengebied hebt geselecteerd, klikt u op Illustratie opnieuw kleuren om een voorvertoning van
    de kleuren in de illustratie weer te geven. Als u de illustratie niet opnieuw wilt kleuren, schakelt u de optie Illustratie
    opnieuw kleuren uit voordat u het dialoogvenster sluit of klikt u op Annuleren om het dialoogvenster te sluiten.
    Opmerking: Klik op Kleuren uit geselecteerde illustratie halen

    om de kleuren van de geselecteerde illustratie te bewerken.

    3 Klik op de knop Beperkt de kleurgroep tot kleuren in een stalenbibliotheek
    de kleuren te beperken tot een stalenbibliotheek.

    en kies een bibliotheek in de lijst om

    4 Sleep een markering op het kleurenwiel om de kleur te wijzigen. Als het om een gekoppelde harmonie gaat, worden
    tijdens het slepen alle kleuren volgens de regel verplaatst. Gaat het om een ontkoppelde harmonie, dan wordt alleen de
    markering verplaatst die u sleept.
    U kunt een van de volgende handelingen uitvoeren tijdens het bewerken:

    • Verplaats de markering rond het wiel om de kleurtoon te wijzigen. U wijzigt de verzadiging of helderheid door de
    markering naar binnen of buiten te verplaatsen op het wiel.

    • Houd Shift tijdens het slepen ingedrukt om de verplaatsing van de markering tot één richting te beperken.
    • Als u de kleurtoon en verzadiging in plaats van de kleurtoon en helderheid wilt zien op het wiel, klikt u op de knop
    Verzadiging en kleurtoon weergeven op wiel

    vlak onder het wiel om te schakelen tussen de twee weergaven.

    • Als u de kleurwaarden handmatig wilt wijzigen, klikt u op de kleurmarkering voor de gewenste groep of klikt u op de
    kleur in de kleurgroep in het vak Actieve kleuren boven in het dialoogvenster. Bewerk de kleurwaarden met de
    schuifregelaars of de tekstvakken voor de kleurwaarde onder het kleurenwiel.

    • Als u de verzadiging en de helderheid van een kleur op het wiel wilt wijzigen, klikt u met de rechtermuisknop op een
    kleurmarkering en klikt u op de gewenste kleur in het vak voor kleurtoon en verzadiging dat dan wordt weergegeven.
    Opmerking: Klik, indien noodzakelijk, op de knoppen Buiten gamut
    kleuren binnen de kleuromvang vallen of webveilig zijn.

    of Buiten webkleur

    om ervoor te zorgen dat de



  • Page 119

    ILLUSTRATOR CS3 113
    Handboek

    Een kleurgroep bewerken met gebruik van de Kleurkiezer

    Met de Kleurkiezer kunt u de kleuren in een kleurgroep wijzigen.
    1 Voer een van de volgende handelingen uit in het dialoogvenster Actieve kleur:

    • Dubbelklik op een markering op het kleurenwiel.
    • Dubbelklik op een kleurenbalk.
    • Klik op het kleurstaal links van de kleurregelaars.
    2 Sla de bewerkingen op door een van de volgende handelingen uit te voeren:

    • Typ een nieuwe naam in het tekstvak boven in het dialoogvenster en klik op Nieuwe kleurgroep

    om de bewerkte

    kleuren op te slaan als een nieuwe groep.

    • Klik op Wijzigingen in kleurgroep opslaan

    om de bewerkingen op te slaan in de oorspronkelijke kleurgroep.

    Bewerk een individuele kleur in een kleurgroep

    Wanneer u een kleurgroep maakt met gebruik van een harmonieregel, worden de kleuren standaard gekoppeld. Wanneer
    u een kleur wijzigt in een gekoppelde kleurgroep, veranderen de andere kleuren ook volgens de harmonieregel. Als u een
    kleur wilt bewerken zonder de andere kleuren te wijzigen, dient u de kleurmarkeringen te ontkoppelen van de
    harmonieregel.
    B

    A

    D

    C

    E

    F

    A. Kleurenwielweergave van gekoppelde kleuren B. Kleurenwielweergave van ontkoppelde kleuren C. Kleurenbalkweergave van gekoppelde
    kleuren D. Kleurenbalkweergave van ontkoppelde kleuren E. Gekoppelde kleuren, klik om te ontkoppelen F. Ontkoppelde kleuren, klik om
    opnieuw te koppelen

    1 Selecteer de kleurgroep die u wilt bewerken in het dialoogvenster Actieve kleur en klik op Bewerken.
    2 Klik op het pictogram Harmoniekleuren ontkoppelen

    .



  • Page 120

    ILLUSTRATOR CS3 114
    Handboek

    3 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Sleep de kleurmarkering die u wilt bewerken om een nieuwe kleur in te stellen.
    • Klik op de knop Kleurenbalken weergeven

    . Klik op de kleurenbalk die u wilt wijzigen en bewerk de kleurwaarden
    handmatig of dubbelklik op de kleurenbalk en kies een nieuwe kleur in de Kleurkiezer.

    • Klik met de rechtermuisknop op een kleurmarkering of kleurenbalk en kies een nieuwe tint.
    4 Klik nogmaals op deze knop om de kleuren weer te koppelen, zodat de markeringen weer tegelijk worden verplaatst op
    basis van de net gedefinieerde harmonieregel.
    De kleurvolgorde of verzadiging en helderheid op willekeurige wijze wijzigen

    Klik op de knoppen Wijzigt willekeurig verzadiging en helderheid en Kleurvolgorde willekeurig wijzen in het
    dialoogvenster Actieve kleur om te experimenteren met willekeurige variaties van de huidige kleurgroep.
    1 Selecteer een kleurgroep in het dialoogvenster Actieve kleur.
    2 Klik eerst op Bewerken en daarna op Kleurenbalken weergeven of klik op Toewijzen.
    3 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op Kleurvolgorde willekeurig wijzen

    om de helderheid en verzadiging van de huidige kleurgroep op
    willekeurige wijze te wijzigen en de kleurtonen te behouden.

    • Klik op Willekeurige verzadiging en helderheid

    om de volgorde van de huidige kleurgroep door elkaar te schudden.
    Deze knop is handig als u illustraties opnieuw inkleurt en snel de verschillende mogelijkheden met de actieve kleurgroep
    wilt zien.

    De verzadiging, helderheid, kleurtemperatuur of lichtsterkte op algemene wijze bewerken

    1 Klik op Bewerken in het dialoogvenster Actieve kleur.
    2 Klik op de knop Kleurmodus

    en kies Globaal aanpassen.

    3 Wijzig de waarden voor Verzadiging, Helderheid, Temperatuur en Lichtsterkte.
    Opmerking: Als u de kleuren hebt beperkt tot een stalenbibliotheek, gelden alle wijzigingen die u aanbrengt alleen voor de
    bibliotheekkleuren.
    Kleuren toevoegen aan of verwijderen uit een kleurgroep

    1 Klik op Bewerken in het dialoogvenster Actieve kleur.
    2 Geef de kleurgroep weer met gebruik van een kleurenwiel, niet van de kleurenbalken.
    3 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op de knop Kleur toevoegen

    en klik in het kleurenwiel op de kleur die u wilt toevoegen om een kleur aan de
    kleurgroep toe te voegen. Als u op de lijn van een bestaande kleurmarkering klikt, wordt de nieuwe markering samen
    met deze markering verplaatst.

    • Klik op de knop Kleur verwijderen

    en klik op de kleurmarkering die u wilt verwijderen om een kleur te verwijderen.
    Het is niet mogelijk de markering voor de basiskleur te verwijderen.

    Een kleurgroep verwijderen
    ❖ Selecteer een kleurgroep in de lijst Kleurgroepen en klik op Verwijderen

    .

    Kleuren toewijzen aan uw illustraties
    Op het tabblad Toewijzen van het dialoogvenster Actieve kleur kunt u kleuren uit een kleurgroep toewijzen aan uw
    illustraties. U kunt op de volgende manieren kleuren toewijzen:

    • U kunt nieuwe kleuren toewijzen aan een illustratie met gebruik van een kleurgroep in de lijst Kleurgroepen.
    • U kunt nieuwe kleuren toewijzen aan een illustratie met gebruik van een nieuwe kleurgroep die u hebt gekozen in het
    menu Harmonieregel.



  • Page 121

    ILLUSTRATOR CS3 115
    Handboek

    • U kunt de actieve kleuren in de illustraties opnieuw toewijzen aan andere actieve kleuren. Klik op de knop Kleuren uit
    geselecteerde illustratie halen
    om de instellingen in het dialoogvenster Actieve kleur opnieuw in te stellen, zodat de
    originele kleuren weer worden weergegeven in de afbeelding.

    Originele kleuren (boven), nieuwe kleuren toewijzen door een kleurgroep te selecteren in de lijst Kleurgroepen (midden) en nieuwe kleuren
    toewijzen door een nieuwe kleurgroep te maken met gebruik van het menu Harmonieregel (onder).

    Met de kolommen Huidige kleuren en Nieuw kunt u bepalen hoe kleuren worden toegewezen. Als u Illustratie opnieuw
    kleuren selecteert, wordt de geselecteerde illustratie opnieuw gekleurd met de actieve kleurgroep en op basis van de
    kolomtoewijzingen.
    A

    B

    C

    D
    E

    F

    A. Actieve kleurgroep B. Kleuren uit geselecteerde illustratie halen C. Kleuren uit geselecteerde illustraties D. Nieuwe kleuren uit de actieve
    kleurgroep E. Rij uitsluiten F. Illustratie opnieuw kleuren

    Op www.adobe.com/go/vid0061_nl vindt u een video over het toewijzen van kleuren in het deelvenster Actieve kleur.



  • Page 122

    ILLUSTRATOR CS3 116
    Handboek

    Nieuwe kleuren toewijzen aan geselecteerde illustraties

    1 Selecteer de illustratie die u opnieuw wilt kleuren.
    2 Kies Bewerken > Kleuren bewerken > Illustratie opnieuw kleuren.
    Het dialoogvenster Actieve kleur wordt geopend. In het gebied Toewijzen ziet u de kleuren uit de originele illustratie in
    beide kolommen.
    3 Voer een van de volgende handelingen uit als u kleuren uit een kleurgroep wilt toewijzen:

    • Een kleurgroep selecteren in de lijst Kleurgroepen
    • Maak een nieuwe kleurgroep door een nieuwe harmonieregel te selecteren in het menu Harmonieregels.
    Opmerking: Als u een nieuwe kleurgroep maakt, kunt u op Bewerken klikken om de kleuren aan te passen en vervolgens op
    Toewijzen klikken. Als u slechts een paar kleuren in de geselecteerde illustratie wilt aanpassen, selecteert u de gewenste kleur en
    bewerkt u deze met de schuifregelaars.
    4 Klik op Illustratie opnieuw kleuren om een voorvertoning te zien van de gewijzigde kleuren in de illustratie.
    5 Voer een van de volgende handelingen uit om kleuren opnieuw toe te wijzen:

    • Als u een huidige kleur aan een andere kleur wilt toewijzen, sleept u de kleur omhoog of omlaag in de kolom Huidige
    kleuren totdat deze zich naast de gewenste nieuwe kleur bevindt.
    Als een rij meerdere kleuren bevat en u deze allemaal wilt verplaatsen, klikt u op de selectiebalk
    u deze omhoog of omlaag.

    links van de rij en sleept

    • Als u een nieuwe kleur wilt toewijzen aan een andere rij met huidige kleuren, sleept u de nieuwe kleur omhoog of omlaag
    in de kolom Nieuw.

    • Klik op de pijl

    tussen de kolommen om te voorkomen dat een rij met huidige kleuren opnieuw wordt toegewezen.
    Klik op het streepje om de rij weer op te nemen in de bewerking.

    • Als u wilt voorkomen dat één huidige kleur opnieuw wordt toegewezen, selecteert u de desbetreffende kleur en klikt u
    op Sluit geselecteerde kleuren uit

    , zodat deze niet opnieuw worden gekleurd.

    • Klik op de knop Kleurvolgorde willekeurig wijzen

    om kleuren op willekeurige wijze toe te wijzen. De nieuwe kleuren
    worden op willekeurige wijze naar andere rijen met actieve kleuren verplaatst.

    • Klik op Een rij toevoegen

    om een rij toe te voegen aan de kolom Huidige kleuren.

    6 Voer een van de volgende handelingen uit om kleuren in de rij Huidige kleuren te scheiden of samen te voegen:

    • Als u kleuren in afzonderlijke rijen wilt plaatsen, selecteert u het kleurblok dat u wilt verplaatsen en klikt u op Kleuren
    onderscheiden in verschillende rijen

    .

    • Als u meerdere kleuren in een rij wilt samenvoegen, houdt u Shift ingedrukt en klikt u om meerdere kleuren te selecteren.
    Vervolgens klikt u op Kleuren samenvoegen tot een rij

    .

    7 Als u tinten of schaduwen van nieuwe kleuren wilt wijzigen, klikt u op het driehoekje rechts van een nieuwe kleur en
    kiest u een optie. Selecteer Toepassen op alle als u dezelfde optie wilt toepassen op alle nieuwe kleuren in de kleurgroep.
    Opmerking: Tinten en schaduwen en Kleurtoonverschuiving zijn alleen beschikbaar wanneer u besluit de steunkleuren niet te
    behouden.
    8 Klik op OK om de illustratie opnieuw te kleuren. Als u de illustratie niet opnieuw wilt kleuren, klikt u op Annuleren of
    schakelt u Illustratie opnieuw kleuren uit en klikt u op OK.
    De verzadiging en helderheid van alle kleuren op willekeurige wijze wijzigen

    1 Selecteer, indien noodzakelijk, een object en kies Bewerken > Kleuren bewerken > Illustratie opnieuw kleuren.
    2 Klik in het dialoogvenster Actieve kleur op de knop Wijzigt willekeurig verzadiging en helderheid
    Opmerking: U kunt dit ook doen als u een kleurgroep bewerkt aan de hand van de kleurenbalkenweergave.

    .



  • Page 123

    ILLUSTRATOR CS3 117
    Handboek

    Originele kleuren in een illustratie weergeven tijdens het toewijzen van nieuwe kleuren

    Als u geselecteerde illustraties opnieuw kleurt, worden de oorspronkelijke afbeeldingskleuren vervangen door de kleuren
    in de geselecteerde kleurgroep. Tijdens het toewijzen van nieuwe kleuren kan het nodig zijn te zien waar een
    oorspronkelijke kleur (uit de kolom Huidige kleuren) in uw illustratie wordt gebruikt, vooral als het om een afbeelding met
    veel details en originele kleuren gaat.
    1 Selecteer, indien noodzakelijk, een object en kies Bewerken > Kleuren bewerken > Illustratie opnieuw kleuren.
    2 Klik in het dialoogvenster Actieve kleur op de knop Klik op de kleuren boven om ze in de illustratie te vinden
    klik op een kleur in de kolom Huidige kleuren.

    en

    De illustratie waarin de kleur voorkomt, wordt met alle kleuren weergegeven in het tekengebied. Alle andere gebieden in
    het tekengebied worden grijs weergegeven.
    3 Klik nogmaals op het pictogram om de kleuren in uw illustratie te herstellen.

    Het aantal kleuren in uw illustraties verlagen
    Wanneer u illustraties maakt die zijn bedoeld voor verschillende typen uitvoermedia, is het vaak nodig het aantal kleuren
    te reduceren voor uitvoer, kleuren te converteren naar grijswaarden of de kleuren te beperken tot de kleuren in een
    kleurenbibliotheek. U kunt het aantal kleuren in uw illustratie heel gemakkelijk beperken met gebruik van het
    dialoogvenster Actieve kleur. U kunt kiezen of u een voorinstelling voor het verlagen van het aantal kleuren wilt gebruiken.
    Zo kunt u bijvoorbeeld Grijswaardenillustratie kiezen om de geselecteerde illustratie snel om te zetten in grijswaarden.

    Geselecteerde illustraties beperken tot twee kleuren

    Kleuren snel reduceren met gebruik van een voorinstelling

    Het gebruiken van een voorinstelling is een snelle en handige manier om slechts een aantal kleuren of een bepaalde
    stalenbibliotheek te gebruiken in uw illustratie.
    1 Selecteer de illustratie waarvan u het aantal kleuren wilt verlagen.
    2 Kies Bewerken > Kleuren bewerken > Opnieuw kleuren met voorinstelling en kies een vooraf ingestelde optie.
    3 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u de kleuren wilt beperken tot de kleuren in een stalenbibliotheek, klikt u op de bibliotheekknop

    , selecteert u

    de gewenste bibliotheek en klikt u op OK.

    • Klik op OK als u de kleuren niet wilt beperken tot een stalenbibliotheek.
    Het dialoogvenster Actieve kleur openen In de kolom Nieuw wordt naast zwart ook het aantal kleuren weergegeven dat u
    hebt gekozen als de nieuwe voorinstelling. De nieuwe kleuren zijn afkomstig uit de originele illustratie.
    4 Wijs de oorspronkelijke kleuren naar wens toe aan de nieuwe kleuren.
    5 Controleer of Illustratie opnieuw kleuren is geselecteerd en klik op OK.



  • Page 124

    ILLUSTRATOR CS3 118
    Handboek

    Aantal kleuren reduceren met aangepaste opties

    1 Selecteer de illustratie die u opnieuw wilt kleuren.
    2 Kies Bewerken > Kleuren bewerken > Illustratie opnieuw kleuren.
    Het dialoogvenster Actieve kleur openen In de kolom Nieuw worden alle kleuren uit uw geselecteerde illustratie
    weergegeven.
    3 Selecteer of maak een nieuwe kleurgroep om andere kleuren te gebruiken.
    4 Kies in het menu Kleuren het verlaagde aantal kleuren dat u wilt gebruiken.
    5 Klik op de knop Opties voor kleurreductie

    , geef een van de volgende opties op en klik op OK:

    Voorinstelling Hiermee geeft u een voorinstelling voor een kleurentaak op, inclusief het aantal gebruikte kleuren en de

    optimale instellingen voor die taak. Als u een voorinstelling selecteert en vervolgens een van de andere opties wijzigt,
    verandert de voorinstelling in Aangepast.
    Kleuren Hiermee bepaalt u het nieuwe aantal waartoe u de huidige kleuren wilt beperken.
    Beperken tot bibliotheek Hiermee bepaalt u uit welke stalenbibliotheek alle nieuwe kleuren afkomstig zijn.
    Sorteren Hiermee bepaalt u hoe de oorspronkelijke kleuren worden gesorteerd in de kolom Huidige kleuren.
    Inkleurmethode Hiermee bepaalt u de typen variaties die zijn toegestaan voor de nieuwe kleuren.

    • Zo vervangt u iedere huidige kleur op exacte wijze door de opgegeven nieuwe kleur.
    • Tinten schalen is de standaardoptie waarmee u de donkerste huidige kleur vervangt door de opgegeven nieuwe kleur. De
    andere huidige kleuren in de rij worden vervangen door een evenredig lichtere kleur.

    • Tinten behouden heeft dezelfde functie als Tinten schalen voor niet-algemene kleuren. Voor steunkleuren of algemene
    kleuren wordt de tint van de huidige kleur toegepast op de nieuwe kleur. Gebruik tinten behouden als alle huidige
    kleuren in de rij tinten zijn van dezelfde of een vergelijkbare algemene kleur. U krijgt de beste resultaten wanneer u niet
    alleen Tinten behouden maar ook Tinten combineren selecteert.

    • Kies Tinten en schaduwen om de huidige kleur met de gemiddelde licht- en donkerheid te vervangen door de opgegeven
    nieuwe kleur. Huidige kleuren die lichter zijn dan gemiddeld worden vervangen door een evenredig lichtere tint van de
    nieuwe kleur. Huidige kleuren die donkerder zijn dan gemiddeld worden vervangen door zwart aan de nieuwe kleur toe
    te voegen.

    • Met Kleurtoonverschuiving stelt u de standaardkleur in de rij Huidige kleuren in als een hoofdkleur en wordt de
    hoofdkleur precies vervangen door de nieuwe kleur. De andere huidige kleuren worden vervangen door kleuren die qua
    helderheid, verzadiging en kleurtoon in dezelfde mate verschillen van de nieuwe kleur als de huidige kleur van de
    hoofdkleur.
    Tinten combineren Kies deze optie om alle tinten van dezelfde algemene kleur in dezelfde rij Huidige kleuren te plaatsen,

    ook als het aantal kleuren niet wordt gereduceerd. Gebruik deze optie alleen als de geselecteerde illustratie steunkleuren of
    algemene kleuren bevat die zijn toegepast bij tinten van minder dan 100%. U krijgt de beste resultaten als u deze optie in
    combinatie met de inkleurmethode Tinten behouden gebruikt.
    Opmerking: Ook als Tinten combineren niet is geselecteerd en u het aantal kleuren reduceert, worden tinten van dezelfde
    algemene kleur gecombineerd voordat andere niet-algemene kleuren worden gecombineerd.
    Behouden Bepaalt of wit, zwart of grijs behouden blijft in de voltooide reductie. Als een kleur behouden blijft, wordt deze
    als een uitgesloten rij weergegeven in de kolom Huidige kleuren.

    6 Wijs de huidige kleuren naar wens toe aan de nieuwe kleuren.
    7 Controleer of Illustratie opnieuw kleuren is geselecteerd en klik op OK.



  • Page 125

    ILLUSTRATOR CS3 119
    Handboek

    Kleuren aanpassen
    Een kleur die buiten het gamma valt, omzetten in een afdrukbare kleur
    Sommige kleuren uit de RGB- en HSB-kleurmodellen, zoals neonkleuren, kunnen niet worden afgedrukt, omdat er geen
    equivalent voor deze kleuren bestaat in het CMYK-model. Als u een kleur buiten de kleuromvang selecteert, wordt er een
    waarschuwingsdriehoek
    weergegeven in het deelvenster Kleur of in de Kleurkiezer.
    ❖ Klik op deze driehoek om de dichtstbijliggende CMYK-equivalent te gebruiken (deze kleur wordt weergegeven in een
    klein vak bij de driehoek).

    Zie ook
    “Kleurruimten en gamma's” op pagina 94

    Overgaan naar een webveilige kleur
    Er zijn 216 webveilige kleuren. Dit zijn de kleuren die alle browsers, ongeacht het platform, herkennen. Als u een nietwebveilige kleur selecteert, wordt er een waarschuwingsblokje
    weergegeven in het deelvenster Kleur, in de Kleurkiezer
    of in het dialoogvenster Actieve kleur.
    ❖ Klik op het blokje om de dichtstbijliggende webveilige kleur te gebruiken (deze wordt weergegeven in een klein vak bij
    het blokje).

    Zie ook
    “Webafbeeldingen” op pagina 351

    Kleuren overvloeien
    Met Overvloeien maakt u een aantal tussenliggende kleuren voor een groep met drie of meer gevulde objecten, op basis
    van de verticale of horizontale stand van de objecten of op hun stapelvolgorde. Overvloeien heeft geen effect op lijnen of
    op niet-getekende objecten.
    1 Selecteer drie of meer gevulde objecten.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Om tussenliggende objecten te vullen met een geleidelijk verloop tussen het voorste en het achterste gevulde object, kiest
    u Bewerken > Kleuren bewerken > Overvloeien: voor naar achter.

    • Om tussenliggende objecten te vullen met een geleidelijk verloop tussen de gevulde objecten geheel links en rechts, kiest
    u Bewerken > Kleuren bewerken > Overvloeien: horizontaal.

    • Om tussenliggende objecten te vullen met een geleidelijk verloop tussen het bovenste en onderste gevulde object, kiest
    u Bewerken > Kleuren bewerken > Overvloeien: verticaal.

    Een kleur wijzigen in zijn omgekeerde of complement
    1 Selecteer de kleur die u wilt wijzigen.
    2 Selecteer een optie in het menu van het deelvenster Kleur.
    Omdraaien Hiermee wijzigt u elke component van een kleur in de tegengestelde waarde op de kleurenschaal. Als een RGBkleur bijvoorbeeld een R-waarde van 100 heeft, wordt met de opdracht Omdraaien de waarde van R gewijzigd in 155 (255
    – 100 = 155).
    Complementeren Hiermee wijzigt u elke component van een kleur in een nieuwe waarde op basis van de som van de
    hoogste en laagste RGB-waarden in de geselecteerde kleur. De laagste en hoogste RGB-waarden van de huidige kleur
    worden opgeteld. De waarde van elke component wordt van het resultaat afgetrokken om nieuwe RGB-waarden te maken.
    Stel bijvoorbeeld dat u een kleur selecteert met de RGB-waarde 102 voor rood, 153 voor groen en 51 voor blauw. Illustrator
    telt de hoogste (153) en laagste (51) waarden bij elkaar op en dat wordt de nieuwe waarde (204). Alle RGB-waarden in de



  • Page 126

    ILLUSTRATOR CS3 120
    Handboek

    bestaande kleur worden afgetrokken van de nieuwe waarde om nieuwe, complementaire RGB-waarden te maken: 204 – 102
    (de huidige waarde voor rood) = 102 als de nieuwe waarde voor rood, 204 – 153 (de huidige waarde voor groen) = 51 als
    de nieuwe waarde voor groen en 204 – 51 (de huidige waarde voor blauw) = 153 als de huidige waarde voor blauw.

    Meerdere kleuren omdraaien
    1 Selecteer de objecten waarvan u de kleuren wilt omdraaien.
    2 Kies Bewerken > Kleuren bewerken > Kleuren omdraaien.
    U kunt het deelvenster Kleur gebruiken om afzonderlijke kleuren om te draaien.

    De kleurbalans van een of meerdere kleuren aanpassen
    1 Selecteer de objecten waarvan u de kleuren wilt aanpassen.
    2 Kies Bewerken > Kleuren bewerken > Kleurbalans aanpassen.
    3 Stel de opties voor vulling en streken in.
    4 Wijzig de kleurwaarden en klik op OK.

    • Als u algemene proceskleuren of steunkleuren hebt geselecteerd, gebruikt u de tintregelaar om de intensiteit van de
    kleuren aan te passen. Niet-algemene proceskleuren die u hebt geselecteerd, worden hierdoor niet beïnvloed.

    • Als u in de CMYK-kleurmodus werkt en niet-algemene proceskleuren hebt geselecteerd, moet u de schuifregelaars
    gebruiken om de percentages cyaan, magenta, geel en zwart aan te passen.

    • Als u in de RGB-kleurmodus werkt en niet-algemene proceskleuren hebt geselecteerd, moet u de schuifregelaars
    gebruiken om de percentages rood, groen en blauw aan te passen.

    • Als u de kleuren die u hebt geselecteerd in grijswaarden wilt omzetten, selecteert u Grijswaarden in de lijst Kleurmodus
    en selecteert u de optie Converteren. Gebruik vervolgens de regelaar om het percentage zwart aan te passen.

    • Als u algemene proces- of steunkleuren hebt geselecteerd die u wilt converteren naar niet-algemene proceskleuren,
    selecteert u CMYK of RGB in de lijst Kleurmodus (afhankelijk van de kleurmodus van het document) en selecteert u de
    optie Converteren. Gebruik vervolgens de regelaars om de kleuren aan te passen.

    Kleuren omzetten in grijswaarden
    1 Selecteer de objecten waarvan u de kleuren wilt omzetten.
    2 Kies Bewerken > Kleuren bewerken > Converteren naar grijswaarden.
    Kies Bewerken > Kleuren bewerken > Kleuren wijzigen om objecten in grijswaarden om te zetten en tegelijk de grijstinten
    aan te passen.

    Zie ook
    “Grijswaarden” op pagina 94

    Grijswaardenafbeeldingen omzetten in RGB of CMYK
    1 Selecteer de grijswaardenafbeelding.
    2 Kies Bewerken > Kleuren bewerken > Converteren naar CMYK of Converteren naar RGB (afhankelijk van de
    kleurmodus van het document).

    Grijswaarden of 1-bits afbeeldingen inkleuren
    1 Selecteer het bitmapobject.
    2 Let op dat de knop Vulling in het deelvenster Gereedschappen of in het deelvenster Kleur is geselecteerd.
    3 Kies in het deelvenster Kleur de kleur voor de afbeelding: zwart, wit, een proceskleur of een steunkleur.



  • Page 127

    ILLUSTRATOR CS3 121
    Handboek

    Opmerking: Als een grijswaardenafbeelding een alfakanaal bevat, kunt u de afbeelding niet inkleuren met een proceskleur.
    Selecteer dan een steunkleur.

    De verzadiging van meerdere kleuren aanpassen
    1 Selecteer de objecten waarvan u de kleuren wilt aanpassen.
    2 Kies Bewerken > Kleuren bewerken > Verzadigen.
    3 Typ een waarde van –100% tot 100% om het verzadigingspercentage te bepalen voor de kleur of de tint van de
    steunkleur.

    Zie ook
    “HSB” op pagina 93

    Overlappende kleuren mengen
    U kunt overvloeimodi of het effect Hard mengen of Zacht mengen gebruiken om overlappende kleuren te mengen.
    Overvloeimodi Overvloeimodi bieden allerlei opties voor het besturen van overlappende kleuren. Gebruik in plaats van de

    effecten Hard mengen of Zacht mengen altijd deze modi voor illustraties met steunkleuren, patronen, verlopen, tekst of
    andere gecompliceerde illustraties.
    Effect Hard mengen Kies deze optie om de hoogste waarde van iedere kleurcomponent te kiezen. Als Kleur 1 bijvoorbeeld
    20% cyaan, 66% magenta, 40% geel en 0% zwart is en Kleur 2 40% cyaan, 20% magenta, 30% geel en 10% zwart, is de
    resulterende harde kleur 40% cyaan, 66% magenta, 40% geel en 10% zwart.
    Effect Zacht mengen Kies deze optie om de onderliggende kleuren zichtbaar te maken door de overlappende illustratie en

    de afbeelding te verdelen in de verschillende onderdelen. U kunt het gewenste percentage voor de zichtbaarheid van de
    overlappende kleuren opgeven.
    U kunt overvloeimodi toepassen op afzonderlijke objecten, terwijl u de effecten Hard mengen en Zacht mengen moet
    toepassen op gehele groepen of lagen. Overvloeimodi zijn van invloed op de vulling en de streek van een object, terwijl bij
    gebruik van de effecten Hard en Zacht de streek van een object wordt verwijderd.
    Opmerking: In de meeste gevallen wordt de kleur omgezet in CMYK wanneer het effect Hard mengen of Zacht mengen wordt
    toegepast op objecten die zijn getekend met een combinatie van proces- en steunkleuren. Wanneer niet-algemene RGBproceskleuren worden gemengd met een RGB-steunkleur worden alle steunkleuren omgezet in een niet-algemene RGBproceskleur.

    Zie ook
    “Pathfinder-effecten toepassen” op pagina 219
    “Overvloeimodi” op pagina 170
    “Items aanwijzen voor weergavekenmerken” op pagina 330
    Kleuren mengen met het effect Hard mengen

    1 Selecteer de groep of laag.
    2 Kies Effect > Pathfinder > Hard mengen.
    Kleuren mengen met het effect Zacht mengen

    1 Selecteer de groep of laag.
    2 Kies Effect > Pathfinder > Zacht mengen.
    3 Typ een waarde tussen 1% en 100% in het tekstvak Mengfactor om de mate van zichtbaarheid van de overlappende
    kleuren te bepalen en klik op OK.



  • Page 128

    122

    Hoofdstuk 5: Kleurbeheer
    Met een kleurbeheersysteem worden kleurverschillen tussen apparaten afgestemd zodat u redelijk zeker weet welke kleuren
    uiteindelijk door het systeem worden geproduceerd. Als kleuren nauwkeurig worden weergegeven bent u in staat om in elk
    stadium van de workflow (van de digitale vastlegging tot en met de uiteindelijke uitvoer) gefundeerde beslissingen over
    kleur te nemen. Met kleurbeheer kunt u ook uitvoer produceren op basis van ISO-, SWOP- en Japan Color-standaarden
    voor afdrukproductie.

    Werken met kleurbeheer
    Waarom kleuren soms niet overeenkomen
    Geen enkel apparaat in een publicatiesysteem kan het volledige kleurbereik reproduceren dat het menselijk oog kan
    waarnemen. Elk apparaat werkt binnen een bepaalde kleurruimte, die een bepaald kleurbereik ofwel gamut kan
    produceren.
    Een kleurmodel bepaalt de relatie tussen de waarden en de kleurruimte definieert de absolute betekenis van deze waarden
    als kleuren. Sommige kleurmodellen (zoals CIE L*a*b) hebben een vaste kleurruimte omdat deze direct gerelateerd zijn
    aan de manier waarop kleur door het menselijk oog wordt waargenomen. Deze modellen worden ook wel
    apparaatonafhankelijke modellen genoemd. Andere kleurmodellen (RGB, HSL, HSB, CMYK enzovoort) kunnen een groot
    aantal verschillende kleurruimten hebben. Aangezien deze modellen variëren per kleurruimte en per apparaat, worden ze
    apparaatafhankelijk genoemd.
    Als gevolg van deze diverse kleurruimten kan de weergave veranderen zodra u documenten in combinatie met andere
    apparaten gebruikt. Kleurverschillen kunnen ontstaan door uiteenlopende oorzaken, zoals verschillen in
    afbeeldingsbronnen, de manier waarop kleur in softwaretoepassingen wordt gedefinieerd, afdrukmedia (krantenpapier
    biedt een kleiner gamut dan tijdschriftenpapier) en andere natuurlijke verschillen, zoals fabricageverschillen van monitoren
    of de leeftijd van de monitor.
    RGB
    CMYK
    A

    B

    C

    Kleurengamuts van verschillende apparaten en documenten
    A. LAB-kleurruimte B. Documenten (werkruimte) C. Apparaten

    Wat is een kleurbeheersysteem?
    Problemen met kleurovereenkomsten zijn het gevolg van apparaten en toepassingen die verschillende kleurruimten
    gebruiken. Met een systeem dat kleur voor andere apparaten nauwkeurig interpreteert en omzet, is dit probleem te
    verhelpen. Een kleurbeheersysteem (CMS) vergelijkt de kleurruimte waarin een kleur is gemaakt, met die waarin de kleur
    wordt afgedrukt en brengt wijzigingen aan, waardoor de kleur op verschillende apparaten zo consistent mogelijk wordt
    gegenereerd.



  • Page 129

    ILLUSTRATOR CS3 123
    Handboek

    Een kleurbeheersysteem zet kleuren om met behulp van kleurprofielen. Een profiel is een wiskundige beschrijving van de
    kleurruimte van een apparaat. Een profiel van bijvoorbeeld een scanner 'vertelt' een kleurbeheersysteem hoe de scanner
    kleuren 'ziet'. In het kleurbeheersysteem van Adobe wordt gebruikgemaakt van ICC-profielen, een indeling die door het
    International Color Consortium (ICC) als standaard voor alle platforms is gedefinieerd.
    Omdat er geen methode voor het omzetten van één kleur geschikt is voor alle typen afbeeldingen, biedt een
    kleurbeheersysteem rendering intents of omzettingsmethoden, zodat u de juiste methode op een grafisch element kunt
    toepassen. Met bijvoorbeeld een kleuromzettingsmethode waarmee correcte verhoudingen tussen de kleuren in een foto
    van dieren in het wild behouden blijven, kunnen de kleuren in een logo met effen kleuren worden gewijzigd.
    Opmerking: Verwar kleurbeheer niet met kleurcorrectie. Een kleurbeheersysteem corrigeert geen afbeeldingen die zijn
    opgeslagen met problemen in de toon- of kleurbalans. Binnen een CMS-omgeving kunt u afbeeldingen in de context van de
    uiteindelijke uitvoer evalueren.

    Zie ook
    “Kleurprofielen” op pagina 133
    “Render-intenties” op pagina 141

    Hebt u kleurbeheer nodig?
    Zonder een kleurbeheersysteem zijn de kleurspecificaties apparaatafhankelijk. U hebt kleurbeheer niet nodig als het
    productieproces nauwgezet door één medium in de gaten wordt gehouden. Zowel u als het afdrukservicebureau kan
    bijvoorbeeld volledig aangepaste CMYK-afbeeldingen maken en kleurwaarden opgeven voor een bekende, specifieke set
    drukvoorwaarden.
    De waarde van kleurbeheer wordt groter als het productieproces uit meerdere variabelen bestaat. Kleurbeheer wordt
    aanbevolen als u anticipeert op het hergebruiken van kleurenafbeeldingen voor afdrukken en on line media, met diverse
    soorten apparaten in één medium (zoals verschillende drukpersen) werkt of als u meerdere werkstations beheert.
    U hebt in de volgende gevallen voordeel van een kleurbeheersysteem:

    • Voorspelbare en consistente kleuruitvoer op meerdere uitvoerapparaten, waaronder kleurscheidingen, desktopprinter
    en monitor. Kleurbeheer is met name handig voor het aanpassen van kleur voor apparaten met een relatief beperkte
    gamut, zoals een drukpers met vier kleuren.

    • Nauwkeurige elektronische proefdruk van een kleurendocument op het beeldscherm door een specifiek uitvoerapparaat
    te simuleren. Controle van elektronische proefdrukken is afhankelijk van de beperkingen van de monitorweergave en
    andere factoren zoals de verlichting in de werkruimte.

    • Nauwkeurig evalueren en consistent samenvoegen van kleurenafbeeldingen van diverse bronnen als deze ook
    kleurbeheer gebruiken, en zelfs in sommige gevallen wanneer dat niet zo is.

    • Kleurendocumenten naar verschillende uitvoerapparaten en media verzenden zonder de kleuren in documenten of
    originele afbeeldingen handmatig aan te passen. Dit is een waardevolle optie tijdens het maken van afbeeldingen die
    uiteindelijk worden afgedrukt of op het web worden gebruikt.

    • Kleur correct afdrukken op een onbekend kleurenuitvoerapparaat. U kunt bijvoorbeeld een document online opslaan
    voor consistent, reproduceerbare op verzoek afdrukken in kleur, waar ook ter wereld.

    Een weergaveomgeving inrichten voor kleurbeheer
    De werkomgeving heeft invloed op de manier waarop kleur wordt weergegeven op uw monitor en in de gedrukte uitvoer.
    De beste resultaten krijgt u door de kleuren en verlichting in de werkomgeving als volgt te regelen:

    • Bekijk documenten in een omgeving met een uniform verlichtingsniveau en een gelijke kleurtemperatuur. De
    kleurkenmerken van zonlicht veranderen bijvoorbeeld in de loop van de dag en wijzigen de manier waarop kleuren
    worden weergegeven op het scherm. Het is dus belangrijk dat u de zonwering omlaag houdt of in een ruimte zonder
    ramen werkt. Om de blauwgroene schijn in tl-verlichting te voorkomen kunt u D50-verlichting (5000˚ Kelvin) plaatsen.
    U kunt de afgedrukte documenten ook met een D5-lichtbox bekijken.



  • Page 130

    ILLUSTRATOR CS3 124
    Handboek

    • Bekijk het document in een ruimte waarvan het plafond en de muren een neutrale kleur hebben. De kleur van een ruimte
    kan van invloed zijn op de perceptie van zowel de monitorkleur als de gedrukte kleur. De beste kleur voor een
    werkruimte is neutraal grijs. Verder kan het glas van de monitor de kleur van uw kleding weerkaatsen, hetgeen de
    kleuren op het scherm kan beïnvloeden.

    • Verwijder kleurige achtergrondpatronen van het bureaublad van de monitor. Drukke of heldere patronen rond een
    document dragen niet bij aan een nauwkeurige kleurperceptie. Stel het bureaublad in op uitsluitend neutrale grijstinten.

    • Bekijk proefdrukken van documenten in de omstandigheden waarin de doelgroep het uiteindelijke product onder ogen
    zal krijgen. De proefdruk van een catalogus met huishoudelijke artikelen kunt u bijvoorbeeld bekijken onder het licht
    van de gloeilampen die vaak in woningen worden gebruikt, terwijl u een catalogus voor kantoormeubilair bekijkt onder
    de tl-verlichting die vaak in kantoren wordt gebruikt. De definitieve beoordeling van de kleuren moet u echter altijd
    uitvoeren onder de verlichtingsomstandigheden die liggen vastgelegd in de wettelijke vereisten voor proefdrukken op
    contractbasis.

    Kleuren consistent houden
    Kleurbeheer in Adobe-toepassingen
    Met het kleurbeheersysteem van Adobe kunt u de weergave van kleuren behouden wanneer u afbeeldingen gebruikt die
    afkomstig zijn van externe bronnen, documenten bewerkt en overbrengt tussen Adobe-toepassingen en composities
    afdrukt. Dit systeem is gebaseerd op conventies die zijn ontwikkeld door het International Color Consortium, een groep
    die verantwoordelijk is voor het standaardiseren van profielindelingen en procedures voor een consistente en nauwkeurige
    kleur in een workflow.
    Kleurbeheer is standaard ingeschakeld in Adobe-toepassingen die deze voorziening bieden. Als u Adobe Creative Suite
    hebt aangeschaft, worden de kleurinstellingen in toepassingen gesynchroniseerd voor een consistente weergave voor RGBen CMYK-kleuren. Dit betekent dat de kleuren er in elke toepassing altijd hetzelfde uitzien.

    De kleurinstellingen voor Adobe Creative Suite worden op een centrale plaats gesynchroniseerd met behulp van Adobe Bridge.

    Als u de standaardinstellingen wilt wijzigen, kunt u met behulp van eenvoudige voorinstellingen het kleurbeheer van Adobe
    configureren zodat dit overeenkomt met de algemene uitvoervoorwaarden. U kunt kleurinstellingen ook aan een bepaalde
    kleurenworkflow aanpassen.



  • Page 131

    ILLUSTRATOR CS3 125
    Handboek

    Houd er wel rekening mee dat het gebruik van kleurbeheer afhankelijk is van de soorten afbeeldingen waarmee u werkt, en
    de vereisten voor de uitvoer. Zo kunnen zich verschillende problemen voordoen met betrekking tot de consistentie van
    kleuren in een workflow voor het afdrukken van foto's in RGB-kleuren, een workflow voor het afdrukken van CMYKkleuren op een drukpers, een workflow voor het digitaal afdrukken van gemengde RGB- en CMYK-kleuren en een
    workflow voor publicatie op internet.

    Basishandelingen voor het produceren van consistente kleur
    1. Zorg er met uw (eventuele) productiepartners voor dat alle aspecten van uw kleurbeheerworkflow naadloos
    overeenkomen met hun kleurbeheerworkflows.

    Bespreek hoe de kleurenbeheerworkflow kan worden ingepast in uw werkgroepen en bij servicebureaus, hoe software en
    hardware moeten worden geconfigureerd voor integratie in het kleurbeheersysteem en op welk niveau kleurbeheer moet
    worden geïmplementeerd. Zie “Hebt u kleurbeheer nodig?” op pagina 123.
    2. Kalibreer de monitor en stel een monitorprofiel op.

    Een monitorprofiel is het eerste profiel dat u moet maken. Een nauwkeurige weergave van kleuren is van cruciaal belang
    wanneer u moet beslissen over de kleuren in een document. Zie “Monitor kalibreren en monitorprofiel maken” op
    pagina 135.
    3. Voeg aan uw systeem kleurprofielen toe voor de invoer- en uitvoerapparaten die u wilt gaan gebruiken, zoals
    scanners en printers.

    Het kleurbeheersysteem weet dankzij de profielen hoe een apparaat kleuren produceert en wat de werkelijke kleuren in een
    document zijn. Apparaatprofielen worden vaak geïnstalleerd tijdens het toevoegen van het apparaat aan uw systeem. U
    kunt ook met software en hardware van derden nauwkeurigere profielen voor bepaalde apparaten en voorwaarden maken.
    Als uw document door een drukker wordt afgedrukt, moet u in overleg met hem beslissen welk profiel er voor het
    afdrukapparaat of de drukpers nodig is. Zie “Kleurprofielen” op pagina 133 en “Een kleurprofiel installeren” op pagina 136.
    4. Stel kleurbeheer in Adobe-toepassingen in.

    De standaard kleurinstellingen voldoen voor de meeste gebruikers. U kunt de kleurinstellingen echter als volgt wijzigen:

    • Als u met meerdere Adobe-toepassingen werkt, kiest u met behulp van Adobe® Bridge CS3 een standaard
    kleurbeheerconfiguratie en synchroniseert u eerst de kleurinstellingen in de toepassingen voordat u met documenten
    gaat werken. Zie “Kleurinstellingen in Adobe-toepassingen synchroniseren” op pagina 126.

    • Als u met één Adobe-toepassing werkt of als u de opties voor geavanceerd kleurbeheer wilt aanpassen, kunt u de
    kleurinstellingen voor een bepaalde toepassing wijzigen. Zie “Kleurbeheer instellen” op pagina 126.
    5. Bekijk eventueel een voorbeeld van de kleuren met behulp van een elektronische proefafdruk.

    Nadat u een document hebt gemaakt, kunt u met een elektronische proefafdruk controleren hoe de kleuren er komen uit
    te zien wanneer zij worden afgedrukt of op een bepaald apparaat worden weergegeven. (Zie “Kleuren controleren met een
    elektronische proefdruk” op pagina 130.)
    Opmerking: Een elektronische proefdruk alleen is niet voldoende om te bekijken hoe overdruk eruit ziet wanneer er op een
    offset-drukpers wordt afgedrukt. Als u met documenten werkt die overdruk bevatten, schakelt u voor een nauwkeurige
    weergave van overdrukken in een elektronische proefdruk de optie Overdrukvoorbeeld in.
    6. Gebruik kleurbeheer bij het afdrukken en opslaan van bestanden.

    Het doel van kleurbeheer is een consistente weergave van de kleuren op alle apparaten in uw workflow. Laat de opties voor
    kleurbeheer ingeschakeld staan wanneer u documenten gaat afdrukken, bestanden gaat opslaan en bestanden gaat
    gereedmaken voor on line weergave. (Zie “Afdrukken met kleurbeheer” op pagina 132 en “Kleurbeheer toepassen op
    documenten voor online weergave” op pagina 129.)



  • Page 132

    ILLUSTRATOR CS3 126
    Handboek

    Kleurinstellingen in Adobe-toepassingen synchroniseren
    Als u Adobe Creative Suite gebruikt, kunt u de kleurinstellingen in de toepassingen automatisch synchroniseren met Adobe
    Bridge. Dit resulteert in een consistente weergave van kleuren in alle Adobe-toepassingen met kleurbeheer.
    Als de kleurinstellingen niet zijn gesynchroniseerd, verschijnt in elke toepassing een waarschuwing boven aan het
    dialoogvenster Kleurinstellingen. Adobe raadt aan de kleurinstellingen te synchroniseren voordat u met bestaande of
    nieuwe documenten gaat werken.
    1 Bridge Openen.
    Als u Bridge wilt openen vanuit een Creative Suite-toepassing, kiest u Bestand > Bladeren. Als u Bridge rechtstreeks wilt
    openen, kiest u Adobe Bridge in het menu Start (Windows) of dubbelklikt u op het pictogram van Adobe Bridge (Mac OS).
    2 Kies Bewerken > Kleurinstellingen van Creative Suite.
    3 Selecteer een kleurinstelling in de lijst en klik op Toepassen.
    Als geen enkele standaardinstelling aan uw eisen voldoet, kunt u andere instellingen bekijken. Selecteer hiervoor
    Uitgebreide lijst met bestanden voor kleurinstellingen weergeven. Als u een bestand met aangepaste instellingen wilt
    installeren, bijvoorbeeld een bestand dat u hebt ontvangen van een afdrukservicebureau, klikt u op Opgeslagen bestanden
    voor kleurinstellingen weergeven.

    Kleurbeheer instellen
    1 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • (Illustrator, InDesign, Photoshop) Kies Bewerken > Kleurinstellingen.
    • (Acrobat) Selecteer de categorie Kleurbeheer van het dialoogvenster Voorkeuren.
    2 Selecteer een kleurinstelling in het menu Instellingen en klik op OK.
    Op basis van de geselecteerde instelling wordt bepaald welke kleurwerkruimten door de toepassing worden gebruikt, wat
    er gebeurt wanneer u bestanden met ingesloten profielen opent en importeert en hoe kleuren door het kleurbeheersysteem
    worden geconverteerd. Voor een beschrijving van een instelling selecteert u de instelling en plaatst u de muisaanwijzer op
    de naam ervan. De beschrijving wordt onder in het dialoogvenster weergegeven.
    Opmerking: Acrobat-kleurinstellingen zijn een subset van de kleurinstellingen in InDesign, Illustrator en Photoshop.
    In bepaalde situaties, bijvoorbeeld wanneer u een aangepast kleurprofiel van het servicebureau ontvangt, kunt u specifieke
    opties aanpassen in het dialoogvenster Kleurinstellingen. Het is echter raadzaam dit aan ervaren gebruikers over te laten.
    Opmerking: Als u met meerdere Adobe-toepassingen werkt, verdient het aanbeveling om de kleurinstellingen in de
    toepassingen te synchroniseren. Zie “Kleurinstellingen in Adobe-toepassingen synchroniseren” op pagina 126.

    Zie ook
    “Kleurinstellingen aanpassen” op pagina 138

    De weergave van CMYK-zwart wijzigen (Illustrator, InDesign)
    Zuiver CMYK-zwart (K=100) wordt als verzadigd zwart (jet zwart) weergegeven op het scherm, afgedrukt op een nietPostScript-printer of geëxporteerd naar een RGB-bestandsindeling. Als u bij afdrukken op een drukpers het verschil wilt
    zien tussen zuiver zwart en verzadigd zwart, wijzigt u de voorkeuren voor Vormgeving van zwart. Hierbij veranderen de
    kleurwaarden in een document niet.
    1 Kies Bewerken > Voorkeuren > Weergave van zwart (Windows) of [naam van toepassing] > Voorkeuren > Weergave van
    zwart (Mac OS).
    2 Kies een optie voor Op het scherm:
    Alle zwarte tinten nauwkeurig weergeven Zuiver CMYK-zwart wordt als donkergrijs weergegeven. Met deze instelling

    kunt u het verschil zien tussen zuiver zwart en verzadigd zwart.
    Alle zwarte tinten als verzadigd zwart weergeven Zuiver CMYK-zwart wordt weergegeven als jet zwart (RGB=000). Deze

    instelling zorgt ervoor dat zuiver zwart en verzadigd zwart identiek op het scherm worden weergegeven.



  • Page 133

    ILLUSTRATOR CS3 127
    Handboek

    3 Kies een optie voor afdrukken/exporteren:
    Alle zwarte tinten nauwkeurig uitvoeren Wanneer u afdrukt op een niet-PostScript-printer of exporteert naar een RGB-

    bestandsindeling, wordt zuiver CMYK-zwart uitgevoerd met de kleurnummers in het document. Met deze instelling kunt
    u het verschil zien tussen zuiver zwart en verzadigd zwart.
    Alle zwarte tinten als verzadigd zwart uitvoeren Wanneer u afdrukt op een niet-PostScript-printer of exporteert naar een
    RGB-bestandsindeling, wordt zuiver CMYK-zwart uitgevoerd als jet zwart (RGB=000). Bij deze instelling worden zuiver
    zwart en verzadigd zwart identiek weergegeven.

    Proceskleuren en steunkleuren beheren
    Wanneer kleurbeheer is ingeschakeld, wordt door elke kleur die u toepast of maakt in een Adobe-toepassing met
    kleurbeheer, automatisch het kleurprofiel gebruikt dat met het document overeenkomt. Schakelt u tussen kleurmodi, dan
    wordt de kleur door het kleurbeheersysteem met behulp van de desbetreffende profielen omgezet naar het nieuwe
    kleurmodel dat u hebt gekozen.
    Houd rekening met de volgende richtlijnen voor het werken met proces- en steunkleuren:

    • Kies een CMYK-werkruimte die overeenkomt met de CMYK-uitvoervoorwaarden om ervoor te zorgen dat u
    proceskleuren nauwkeurig kunt definiëren en weergeven.

    • Selecteer kleuren in een kleurenbibliotheek. Bij Adobe-toepassingen worden diverse standaard kleurenbibliotheken
    geleverd, die u kunt laden via het menu van het deelvenster Stalen.

    • (Acrobrat, Illustrator en InDesign) Schakel Overdrukvoorbeeld in voor een nauwkeurige en consistente voorvertoning
    van steunkleuren.

    • (Acrobat, Illustrator en InDesign) Gebruik LAB-waarden (standaardinstelling) om vooraf gedefinieerde steunkleuren
    (zoals kleuren uit de TOYO-, PANTONE-, DIC- en HKS-bibliotheken) weer te geven en deze kleuren naar
    proceskleuren te converteren. Met LAB-waarden worden kleuren in Creative Suite-toepassingen het meest nauwkeurig
    en consistent weergegeven. Als de weergave en uitvoer van deze kleuren moeten overeenkomen met de eerdere versies
    van Illustrator of InDesign, gebruikt u CMYK-equivalente waarden in plaats van LAB-waarden. Zie de Help van
    Illustrator of InDesign voor informatie over het schakelen tussen LAB-waarden en CMYK-waarden voor steunkleuren.
    Opmerking: als u kleurbeheer toepast op steunkleuren, wordt een steunkleur op het testapparaat en de monitor zo nauwkeurig
    mogelijk weergegeven. Soms is het echter moeilijk een steunkleur op een monitor of testapparaat exact te reproduceren, omdat
    veel inkten voor steunkleuren buiten de gamuts van deze apparaten vallen.

    Kleurbeheer toepassen op geïmporteerde afbeeldingen
    Kleurbeheer toepassen op geïmporteerde afbeeldingen (Illustrator, InDesign)
    De manier waarop geïmporteerde afbeeldingen in de kleurruimte van een document worden geïntegreerd, hangt af van het
    feit of de afbeelding een ingesloten profiel bevat.

    • Als u een afbeelding zonder profiel importeert, wordt in de Adobe-toepassing het huidige documentprofiel gebruikt voor
    het definiëren van de kleuren in de afbeelding.

    • Als u een afbeelding met een ingesloten profiel importeert, wordt op basis van het kleurbeleid in het dialoogvenster
    Kleurinstellingen bepaald hoe het profiel in de Adobe-toepassing wordt verwerkt.

    Zie ook
    “Beleidsopties voor kleurbeheer” op pagina 140



  • Page 134

    ILLUSTRATOR CS3 128
    Handboek

    Een veilige CMYK-workflow gebruiken
    Door middel van een veilige CMYK-workflow wordt ervoor gezorgd dat CMYK-kleurnummers behouden blijven tot aan
    het uitvoerapparaat. Deze kleurnummers worden dus niet door het kleurbeheersysteem geconverteerd. Gebruik deze
    workflow als u steeds meer met kleurbeheer wilt gaan werken. U kunt bijvoorbeeld CMYK-profielen gebruiken voor
    elektronische proefdrukken of voor proefdrukken op papier zonder dat kleuren onbedoeld bij de uiteindelijke uitvoer
    worden omgezet.
    Illustrator en InDesign ondersteunen standaard een veilige CMYK-workflow. Hierdoor wordt bij het openen of importeren
    van een CMYK-afbeelding met een ingesloten profiel het profiel door de toepassing genegeerd en worden de RAWkleurnummers behouden. Als de kleurnummers moeten worden aangepast op basis van een ingesloten profiel, wijzigt u in
    het dialoogvenster Kleurinstellingen het CMYK-kleurbeleid in Ingesloten profielen behouden. U kunt de veilige CMYKworkflow gemakkelijk herstellen door het CMYK-kleurbeleid weer in te stellen op Nummers behouden (gekoppelde
    profielen negeren).
    De veilige CMYK-instellingen kunnen worden overschreven tijdens het afdrukken of het opslaan van een document als
    Adobe PDF. Hierdoor kunnen kleuren echter opnieuw worden gescheiden. Objecten van zuiver CMYK-zwart kunnen dan
    bijvoorbeeld worden gescheiden als verzadigd zwart. Zie de Help voor meer informatie over kleurbeheeropties voor het
    afdrukken en opslaan van PDF's.

    Zie ook
    “Beleidsopties voor kleurbeheer” op pagina 140

    Geïmporteerde afbeeldingen voorbereiden voor kleurbeheer
    Houd u aan de volgende algemene richtlijnen wanneer u afbeeldingen voorbereidt voor kleurbeheer in Adobetoepassingen:

    • Sluit bij het opslaan van het bestand een ICC-compatibel profiel in. De volgende bestandsindelingen ondersteunen
    ingesloten profielen: JPEG, PDF, PSD (Photoshop), AI (Illustrator), INDD (InDesign), Photoshop EPS, Large Document
    Format en TIFF.

    • Als u een kleurenafbeelding wilt hergebruiken op meerdere uitvoerapparaten of -media, zoals drukpers, video en het
    web, moet u de afbeelding indien mogelijk voorbereiden met RGB- of LAB-kleuren. Bewaar een kopie van de
    oorspronkelijke afbeelding als u in een ander kleurmodel dan RGB of LAB moet opslaan. RGB- en LAB-kleurmodellen
    omvatten grotere kleurengamuts dan door de meeste uitvoerapparatuur kunnen worden gereproduceerd. Zo blijven
    zoveel mogelijk kleurgegevens behouden vóór omzetting naar een kleinere uitvoerkleurengamut.

    Zie ook
    “Een kleurprofiel insluiten” op pagina 136

    Profielen voor geïmporteerde bitmapafbeeldingen bekijken of wijzigen (InDesign)
    In InDesign kunt u profielen voor geïmporteerde bitmapafbeeldingen bekijken, overschrijven of uitschakelen. Dit kan
    nodig zijn wanneer u een afbeelding zonder profiel of met een verkeerd ingesloten profiel importeert. Als bijvoorbeeld het
    standaardprofiel van de fabrikant van de scanner is ingesloten maar u daarna zelf een profiel hebt gemaakt, kunt u uw eigen
    profiel toewijzen.
    1 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als de afbeelding zich in de opmaak bevindt, selecteert u de afbeelding en kiest u Object > Kleurinstellingen afbeelding.
    • Als u de afbeelding wilt importeren, kiest u Bestand > Plaatsen. Kies vervolgens Importopties weergeven, selecteer en
    open het gewenste bestand en selecteer vervolgens het tabblad Kleur.
    2 Kies bij Profiel het bronprofiel voor de afbeelding in het document. Als een profiel is ingesloten, wordt de naam van het
    profiel boven aan het menu Profiel weergegeven.
    3 (Optioneel) Kies een rendering intent en klik op OK. Doorgaans kunt u het beste de standaard rendering intent
    gebruiken.



  • Page 135

    ILLUSTRATOR CS3 129
    Handboek

    Opmerking: het is ook mogelijk om profielen voor objecten in Acrobat te bekijken of te wijzigen.

    Zie ook
    “Documentkleuren naar een ander profiel converteren (Photoshop)” op pagina 137

    Kleurbeheer toepassen op documenten voor online
    weergave
    Kleurbeheer toepassen op documenten voor online weergave
    Kleurbeheer voor online weergave wijkt sterk af van kleurbeheer voor afdrukmedia. Bij afdrukmedia hebt u veel meer
    controle over de uiteindelijke vormgeving van het document. Bij online media wordt uw document weergegeven op
    uiteenlopende, wellicht niet-gekalibreerde monitoren en systemen voor videoweergave, waardoor u veel minder invloed
    hebt op de consistentie van kleuren.
    Wanneer u kleuren in documenten beheert die alleen op het web worden gebruikt, raadt Adobe aan de sRGB-kleurruimte
    te gebruiken. sRGB is de standaardwerkruimte voor de meeste Adobe-kleurinstellingen. U kunt controleren of sRGB is
    geselecteerd in het dialoogvenster Kleurinstellingen (Photoshop, Illustrator, InDesign) of in Voorkeuren Kleurbeheer
    (Acrobat). Als de werkruimte is ingesteld op sRGB, wordt sRGB gebruikt voor RGB-afbeeldingen die u gaat maken.
    Wanneer u werkt met afbeeldingen met een ander ingesloten kleurprofiel dan sRGB, moet u de kleuren van de afbeelding
    converteren naar sRGB voordat u de afbeelding opslaat voor gebruik op het web. Als u wilt dat de toepassing de kleuren
    automatisch naar sRGB converteert bij het openen van de afbeelding, selecteert u Omzetten naar werkruimte als het RGBkleurbeheerbeleid. Zorg ervoor dat de RGB-werkruimte is ingesteld op sRGB. In Photoshop en InDesign kunt u de kleuren
    ook handmatig naar sRGB converteren met Bewerken > Omzetten in profiel.
    Opmerking: in InDesign worden met de opdracht Omzetten in profiel alleen kleuren geconverteerd voor eigen objecten in het
    document, niet voor geplaatste objecten.

    Zie ook
    “Kleurwerkruimten” op pagina 138
    “Beleidsopties voor kleurbeheer” op pagina 140

    Kleurbeheer toepassen op PDF's voor online weergave
    Bij het exporteren van PDF's kunt u desgewenst profielen insluiten. PDF's met ingesloten profielen reproduceren kleuren
    consistent in Acrobat 4.0 of hoger, mits het kleurbeheersysteem correct is geconfigureerd.
    Door kleurprofielen in te sluiten wordt een PDF groter. RGB-profielen zijn doorgaans klein (ongeveer 3 kB), maar CMYKprofielen kunnen wel 0,5 tot 2 MB groot zijn.

    Zie ook
    “Afdrukken met kleurbeheer” op pagina 132

    Kleurbeheer toepassen op HTML-documenten voor online weergave
    In veel webbrowsers wordt kleurbeheer niet ondersteund. Niet alle browsers die kleurbeheer ondersteunen, kunnen worden
    beschouwd als echte kleurbeheersystemen, omdat deze mogelijk worden uitgevoerd op systemen waarvan de monitoren
    niet zijn gekalibreerd. Daarnaast bevatten maar weinig webpagina's afbeeldingen met ingesloten profielen. Als u een zeer
    geavanceerd systeem beheert, zoals het intranet van een ontwerpstudio, kunt u een bepaalde mate van HTML-kleurbeheer
    voor afbeeldingen realiseren door iedereen te voorzien van een browser die kleurbeheer ondersteunt, en door alle
    monitoren te kalibreren.



  • Page 136

    ILLUSTRATOR CS3 130
    Handboek

    Met behulp van de sRGB-kleurruimte kunt u ongeveer zien hoe de kleuren op niet-gekalibreerde monitoren worden
    weergegeven. Omdat kleuren op niet-gekalibreerde monitoren echter verschillend worden weergegeven, kunt u de
    verschillen in weergave van tevoren niet inschatten.

    Kleuren controleren
    Kleuren controleren met een elektronische proefdruk
    In een traditionele publicatieworkflow drukt u een proefdruk van een document af om te zien hoe de kleuren op een
    bepaald uitvoerapparaat worden weergegeven. Bij een workflow met kleurbeheer kunt u dankzij de nauwkeurigheid van
    kleurprofielen een elektronische proefdruk van een document rechtstreeks op de monitor controleren. Via een
    voorvertoning op het scherm kunt u zien hoe de kleuren van het document er op een bepaald uitvoerapparaat uitzien.
    De betrouwbaarheid van de elektronische proefdruk is afhankelijk van de kwaliteit van de monitor, de profielen van de
    monitor en de uitvoerapparaten en ook van de verlichting in de omgeving van het werkstation.
    Opmerking: Een elektronische proefdruk alleen is niet voldoende om te bekijken hoe overdruk eruit ziet wanneer er op een
    offset-drukpers wordt afgedrukt. Als u met documenten werkt die overdruk bevatten, schakelt u voor een nauwkeurige
    weergave van overdrukken in een elektronische proefdruk de optie Overdrukvoorbeeld in.

    A

    B

    C

    De uiteindelijke uitvoer van een document via een elektronische proefdruk op de monitor weergeven
    A. Document wordt gemaakt in zijn werkkleurruimte. B. De kleurwaarden van het document worden omgezet naar de kleurruimte van het
    gekozen proefdrukprofiel (gewoonlijk het profiel van het uitvoerapparaat). C. Op de monitor wordt weergegeven hoe de kleurwaarden van het
    document worden geïnterpreteerd door het proefdrukprofiel.

    Elektronische proefdruk van kleuren
    1 Klik op Weergave >Proefinstellingen en voer een van de volgende handelingen uit:

    • Kies een voorinstelling die overeenkomt met de uitvoervoorwaarde die u wilt simuleren.
    • Kies Eigen (Photoshop), Aangepast (InDesign) of Aanpassen (Illustrator) om een aangepaste proefinstelling voor een
    bepaalde uitvoervoorwaarde te maken. Deze optie wordt aanbevolen voor een zo nauwkeurig mogelijke voorvertoning
    van de uiteindelijke afdruk.
    2 Kies Weergave > Proefdrukkleuren om de weergave van de elektronische proefdruk in en uit te schakelen. Wanneer de
    elektronische proefdruk is ingeschakeld, staat naast deze opdracht een vinkje en wordt de naam van de voorinstelling van
    de proefdruk of het profiel boven aan het documentvenster weergegeven.
    Als u de kleuren in de oorspronkelijke afbeelding en in de elektronische proefdruk met elkaar wilt vergelijken, opent u het
    document in een nieuw venster voordat u de elektronische proefdruk instelt.
    Voorinstellingen voor een elektronische proefdruk
    Tijdelijk CMYK Hiermee maakt u een elektronische proefdruk van de kleuren op basis van de huidige CMYK-werkruimte
    zoals die is gedefinieerd in het dialoogvenster Kleurinstellingen.
    Document CMYK (InDesign) Hiermee maakt u een elektronische proefdruk van kleuren met behulp van het CMYK-profiel

    van het document.
    Tijdelijke cyaanplaat, Tijdelijke magentaplaat, Tijdelijke geelplaat, Tijdelijke zwartplaat, Tijdelijke CMY-platen
    (Photoshop) Hiermee maakt u met behulp van de huidige CMYK-werkruimte een elektronische proefdruk van bepaalde

    CMYK-inktkleuren.



  • Page 137

    ILLUSTRATOR CS3 131
    Handboek

    Macintosh RGB of Windows RGB (Photoshop en Illustrator) Hiermee maakt u een elektronische proefdruk van de kleuren

    in een afbeelding door een standaard Mac OS- of Windows-monitor te simuleren als proefdrukprofielruimte. Bij beide
    opties wordt ervan uitgegaan dat het gesimuleerde apparaat het document zonder kleurbeheer weergeeft. Deze opties zijn
    niet beschikbaar voor LAB- of CMYK-documenten.
    Monitor-RGB (Photoshop en Illustrator) Hiermee maakt u een elektronische proefdruk van de kleuren in een RGB-

    document door de kleurruimte van de huidige monitor te gebruiken als de proefdrukprofielruimte. Bij deze optie wordt
    ervan uitgegaan dat het gesimuleerde apparaat het document zonder kleurbeheer weergeeft. Deze optie is niet beschikbaar
    voor LAB- of CMYK-documenten.
    Aangepaste opties voor een elektronische proefdruk
    Te simuleren apparaat Hiermee wordt het kleurprofiel opgegeven van het apparaat waarvoor u een proefdruk wilt maken.
    De betrouwbaarheid van het gekozen profiel hangt af van de mate van nauwkeurigheid waarin het gedrag van het apparaat
    is beschreven. Vaak geven aangepaste profielen voor specifieke papier- en printercombinaties de nauwkeurigste
    elektronische proefdrukken.
    CMYK-nummers behouden of RGB-nummers behouden Hiermee wordt gesimuleerd hoe de kleuren worden weergegeven

    zonder dat deze worden geconverteerd naar de kleurruimte van het uitvoerapparaat. Gebruik deze optie wanneer u een
    veilige CMYK-workflow volgt.
    Rendering intent (Photoshop en Illustrator) Als de optie Nummers behouden is uitgeschakeld, wordt een rendering intent
    opgegeven voor het converteren van kleuren naar het apparaat dat u wilt simuleren.
    Compensatie zwarte punten gebruiken (Photoshop) Hiermee zorgt u ervoor dat de schaduwdetails in de afbeelding
    behouden blijven door het volledige dynamische bereik van het uitvoerapparaat te simuleren. Selecteer deze optie als u
    zwarte-puntcompensatie wilt gebruiken bij het afdrukken (aanbevolen voor de meeste situaties).
    Papierkleur simuleren Hiermee wordt het wit van echt papier gesimuleerd volgens het proefdrukprofiel. Deze optie kan

    niet bij alle profielen worden gebruikt.
    Zwarte inkt simuleren Hiermee wordt volgens het proefdrukprofiel het donkere grijs gesimuleerd dat door veel printers

    wordt weergegeven in plaats van effen zwart. Deze optie kan niet bij alle profielen worden gebruikt.
    Als u in Photoshop de aangepaste proefinstellingen wilt instellen als standaard proefinstellingen voor documenten, sluit u
    alle documentvensters en kiest u daarna Weergave > Instellen proef > Eigen.

    Een aangepaste proefdrukinstelling opslaan of laden
    1 Kies Weergave > Instellen proef > Eigen.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op Opslaan om een aangepaste proefdrukinstelling op te slaan. Als u ervoor wilt zorgen dat de nieuwe voorinstelling
    verschijnt in het menu Weergave > Instellen proef, slaat u de voorinstelling op de standaardlocatie op.

    • Klik op Laden om een aangepaste proefdrukinstelling te laden.

    Kleuren controleren met een elektronische proefdruk (Acrobat)
    1 Kies Geavanceerd > Afdrukproductie > Uitvoervoorbeeld.
    2 Kies in het menu Simulatieprofiel een kleurprofiel of een specifiek uitvoerapparaat.
    3 Kies een optie voor een elektronische proefdruk:
    Zwarte inkt simuleren Hiermee wordt volgens het proefdrukprofiel het donkere grijs gesimuleerd dat door veel printers

    wordt weergegeven in plaats van effen zwart. Deze optie kan niet bij alle profielen worden gebruikt.
    Papierkleur simuleren Hiermee wordt het wit van echt papier gesimuleerd volgens het proefdrukprofiel. Deze optie kan

    niet bij alle profielen worden gebruikt.



  • Page 138

    ILLUSTRATOR CS3 132
    Handboek

    Kleurbeheer toepassen op documenten bij afdrukken
    Afdrukken met kleurbeheer
    Kleurbeheer voor afdrukken kunt u opgeven hoe de uitgaande afbeeldingsgegevens in Adobe-toepassingen moeten worden
    verwerkt, zodat de kleuren net zo worden afgedrukt als deze op het scherm worden weergegeven. De opties voor het
    afdrukken van documenten met kleurbeheer zijn afhankelijk van de Adobe-toepassing die u gebruikt, en het geselecteerde
    uitvoerapparaat. Over het algemeen kunt u kleuren tijdens het afdrukken als volgt verwerken:

    • Door de printer de kleuren te laten vaststellen.
    • Door de toepassing de kleuren te laten vaststellen.
    • (Photoshop en InDesign) Gebruik geen kleurbeheer. In deze workflow worden geen kleuren geconverteerd. U moet
    misschien ook kleurbeheer in het printerstuurprogramma uitschakelen. Deze methode is voornamelijk handig voor het
    afdrukken van proefdrukken of het genereren van aangepaste profielen.

    De kleuren door de printer laten vaststellen tijdens het afdrukken
    In deze workflow converteert de toepassing geen kleuren, maar verstuurt alle benodigde conversiegegevens naar het
    uitvoerapparaat. Deze methode is vooral handig tijdens het afdrukken op inkjetfotoprinters, omdat voor elke combinatie
    van papiertype, afdrukresolutie en extra afdrukparameters (zoals afdrukken op hoge snelheid) een ander profiel nodig is.
    De stuurprogramma's van de meeste nieuwe inkjetfotoprinters zijn voorzien van nauwkeurige profielen. Hierdoor kan de
    printer het juiste profiel selecteren, wat tijd bespaart en de kans op fouten verkleint. Gebruik bij voorkeur deze methode als
    u niet bekend bent met kleurbeheer.
    Als u deze methode kiest, moet u afdrukopties instellen en kleurbeheer in het printerstuurprogramma inschakelen. Zie de
    Help voor meer aanwijzingen.
    Als u een PostScript-printer selecteert, hebt u profijt van PostScript-kleurbeheer. Dankzij PostScript-kleurbeheer is het
    mogelijk samengestelde-kleuruitvoer of kleurscheidingen op RIP uit te voeren (een proces genaamd in-RIP-scheidingen),
    zodat een programma alleen parameters voor scheiding hoeft op te geven en het apparaat de definitieve kleurwaarden kan
    laten berekenen. Voor uitvoerworkflows met PostScript-kleurbeheer is een uitvoerapparaat nodig dat PostScriptkleurbeheer met PostScript Level 2, versie 2017 of hoger, of PostScript Language Level 3 ondersteunt.

    De kleuren door de toepassing laten vaststellen tijdens het afdrukken
    In deze workflow worden de kleuren door de toepassing geconverteerd en worden kleurgegevens specifiek voor één
    uitvoerapparaat gegenereerd. De toegewezen kleurprofielen voor het converteren van kleuren naar de gamut van het
    uitvoerapparaat worden gebruikt en de resultaatwaarden worden naar het uitvoerapparaat gestuurd. De nauwkeurigheid
    van deze methode is afhankelijk van de nauwkeurigheid van het geselecteerde printerprofiel. Gebruik deze workflow bij
    aangepaste ICC-profielen voor elke specifieke printer-, inkt- en papiercombinatie.
    Als u deze optie kiest, moet u kleurbeheer in het printerstuurprogramma uitschakelen. Wanneer u de kleuren door zowel
    de toepassing als het printerstuurprogramma laat beheren, kan dit onverwachte kleuren opleveren. Zie de Help voor meer
    aanwijzingen.

    Aangepaste profielen voor desktopprinters aanschaffen
    Als u niet tevreden bent over het resultaat van de uitvoerprofielen die bij de printer worden geleverd, kunt u op de volgende
    manieren aangepaste profielen aanschaffen:

    • Een profiel voor uw type printer en papier aanschaffen. Dit is doorgaans de eenvoudigste en goedkoopste manier.
    • Een profiel voor uw specifieke printer en papier aanschaffen. Deze methode behelst het afdrukken van een profieldoel
    op een printer en het sturen van die afdruk naar het bedrijf dat een bepaald profiel gaat maken. Dit is duurder dan het
    aanschaffen van een standaardprofiel, maar levert betere resultaten op omdat op deze manier eventuele
    fabricageverschillen in printers worden gecompenseerd.

    • Een eigen profiel met behulp van een scannersysteem maken. Bij deze methode gebruikt u een programma voor het
    maken van profielen en een flatbedscanner om het profiel te scannen. Het resultaat op mat papier is uitstekend, maar



  • Page 139

    ILLUSTRATOR CS3 133
    Handboek

    voor glanzend papier is dit niet de juiste methode. In glanzend papier zitten fluorescerende deeltjes die er gescand anders
    uitzien dan in het daglicht.

    • Een eigen profiel maken met behulp van een hulpprogramma waarmee u hardwareprofielen kunt maken. Deze methode
    is duur, maar levert de beste resultaten op. Een goed hardwareprogramma kan nauwkeurige profielen maken, zelfs met
    glanzend papier.

    • Een profiel afstellen dat u op een van de vorige manieren met software voor het bewerken van profielen hebt gemaakt.
    Deze software kan ingewikkeld zijn, maar u kunt er problemen in een profiel mee oplossen of een profiel mee aanpassen,
    zodat het resultaat beter aan uw eisen voldoet.

    Zie ook
    “Een kleurprofiel installeren” op pagina 136

    Kleurbeheer toepassen op PDF's voor afdrukken
    Wanneer u Adobe PDF's voor afdrukken op een drukpers maakt, kunt u opgeven hoe de kleurgegevens moeten worden
    weergegeven. De eenvoudigste manier is met behulp van een PDF/X-standaard. U kunt echter ook handmatig
    kleurverwerkingsopties opgeven in het gedeelte Uitvoer van het dialoogvenster PDF. Zie de Help voor meer informatie over
    PDF/X en het maken van PDF's.
    Over het algemeen kunt u kleuren op de volgende manier verwerken tijdens het maken van PDF's:

    • (PDF/X-3) Kleuren worden niet geconverteerd. Gebruik deze methode bij het maken van een document dat wordt
    afgedrukt of weergegeven op verschillende of onbekende apparaten. Als u een PDF/X-3-standaard selecteert, worden
    kleurprofielen automatisch ingesloten in de PDF.

    • (PDF/X-1a) Alle kleuren worden geconverteerd naar de CMYK-doelkleurruimte. Gebruik deze methode als u een
    drukklaar bestand wilt maken waarvoor geen kleuren hoeven te worden geconverteerd. Als u een PDF/X-1a-standaard
    selecteert, worden er geen kleurprofielen in de PDF ingesloten.

    • (Illustrator en InDesign) Kleuren met ingesloten profielen worden naar de doelkleurruimte geconverteerd, maar de
    nummers voor de kleuren zonder ingesloten profielen blijven behouden. U kunt deze optie selecteren in het gedeelte
    Uitvoer van het dialoogvenster PDF. Gebruik deze methode als het document CMYK-afbeeldingen bevat waarvan de
    kleuren niet worden beheerd, en u er zeker van wilt zijn dat de kleurnummers worden behouden.
    Opmerking: Alle steunkleurgegevens blijven behouden tijdens de kleuromzetting. Alleen de equivalente proceskleuren worden
    omgezet in de opgegeven kleurruimte.

    Zie ook
    “Een veilige CMYK-workflow gebruiken” op pagina 128

    Werken met kleurprofielen
    Kleurprofielen
    Nauwkeurig, consistent kleurbeheer vereist accurate ICC-compatibele profielen van al uw kleurapparaten. Zonder een
    nauwkeurig scannerprofiel kan een perfect gescande afbeelding in een ander programma onjuist worden weergegeven,
    vanwege de verschillen tussen de scanner en het programma waarin de afbeelding wordt weergegeven. Deze misleidende
    weergave kan ertoe leiden dat u onnodig tijd kwijt bent aan het corrigeren van een goede afbeelding, waarbij u deze
    bovendien kunt beschadigen. Met een nauwkeurig profiel kan het programma waarmee u een afbeelding importeert,
    verschillen tussen apparaten corrigeren en de werkelijke kleuren van de scan weergeven.
    Een kleurbeheersysteem maakt gebruik van de volgende soorten profielen:
    Monitorprofielen Beschrijven hoe de monitor de kleur momenteel verwerkt. Dit is het eerste profiel dat u moet maken. Een
    nauwkeurige weergave van kleuren op de monitor is immers van cruciaal belang wanneer u tijdens het ontwerpen moet



  • Page 140

    ILLUSTRATOR CS3 134
    Handboek

    beslissen over kleuren in een document. Als u op uw monitor kleuren ziet die niet representatief zijn voor de werkelijke
    kleuren in het document, kunt u de kleurconsistentie niet behouden.
    Invoerapparaatprofielen Beschrijven welke kleuren een invoerapparaat kan vastleggen of scannen. Als u op uw digitale
    camera profielen kunt instellen, raadt Adobe aan Adobe RGB te selecteren. Gebruik anders sRGB (dit is het
    standaardprofiel voor de meeste camera's). Ervaren gebruikers kunnen verschillende profielen voor verschillende
    lichtbronnen gebruiken. Voor scannerprofielen gebruiken sommige fotografen aparte profielen voor elk type of merk film
    dat met de scanner wordt gescand.
    Uitvoerapparaatprofielen Beschrijven de kleurruimte van uitvoerapparaten zoals desktopprinters of een drukpers. Het

    kleurbeheersysteem gebruikt uitvoerapparaatprofielen voor het juist toewijzen van de kleuren in een document aan de
    kleuren in de gamut van de kleurruimte van een uitvoerapparaat. Het uitvoerprofiel moet ook rekening houden met
    bepaalde omstandigheden bij het afdrukken, zoals het type papier en inkt. Op glanzend papier bijvoorbeeld kan namelijk
    een ander kleurbereik worden afgedrukt dan op mat papier.
    De meeste printerstuurprogramma's zijn voorzien van ingebouwde kleurprofielen. Probeer deze profielen eerst uit voordat
    u in aangepaste profielen gaat investeren.
    Documentprofielen Definiëren de specifieke RGB- of CMYK-kleurruimte van een document. Door een profiel aan een

    document toe te wijzen of te taggen wordt er in het document voor een definitie van werkelijke kleurwaarden gezorgd.
    Bijvoorbeeld R=127, G=12, B=107 is een set nummers die op verschillende apparaten verschillend worden weergegeven.
    Maar indien getagd aan de Adobe RGB-kleurruimte specificeren deze nummers een werkelijke kleur of golflengte van licht,
    in dit geval een specifieke kleur paars.
    Wanneer kleurbeheer is ingeschakeld, wijzen Adobe-toepassingen automatisch aan nieuwe documenten een profiel toe op
    basis van werkruimteopties in het dialoogvenster Kleurinstellingen. Documenten zonder toegewezen profielen worden ook
    niet-gecodeerde documenten genoemd en bevatten alleen RAW-kleurnummers. Wanneer u niet-gecodeerde documenten
    gebruikt, wordt in Adobe-toepassingen het huidige werkruimteprofiel gebruikt om kleuren weer te geven en te bewerken.

    A

    B
    C
    D

    Kleur beheren met profielen
    A. Profielen beschrijven de kleurruimte van het invoerapparaat en het document. B. In de profielbeschrijvingen geeft het kleurbeheersysteem
    de werkelijke kleuren van het document aan. C. Het monitorprofiel geeft aan het kleurbeheersysteem door hoe de numerieke waarden worden
    omgezet naar de kleurruimte van de monitor. D. Aan de hand van het profiel van het uitvoerapparaat zet het kleurbeheersysteem de numerieke
    waarden van het document om naar de kleurwaarden van het uitvoerapparaat zodat de werkelijke kleuren worden afgedrukt.

    Zie ook
    “Monitor kalibreren en monitorprofiel maken” op pagina 135
    “De kleuren door de printer laten vaststellen tijdens het afdrukken” op pagina 132



  • Page 141

    ILLUSTRATOR CS3 135
    Handboek

    “Aangepaste profielen voor desktopprinters aanschaffen” op pagina 132
    “Kleurwerkruimten” op pagina 138

    Monitor kalibreren en karakteriseren
    Met profielprogramma's kunt u de monitor zowel kalibreren als karakteriseren. Door de monitor te kalibreren brengt u deze
    in overeenstemming met een voorgedefinieerde standaard. Met kalibreren kunt u een monitor zo instellen dat deze kleuren
    weergeeft met een witte-puntkleurtemperatuur van 5.000˚ K (Kelvin), de standaard voor de grafische industrie. Door de
    monitor te karakteriseren maakt u een profiel dat aangeeft hoe de monitor kleur reproduceert.
    Als u een monitor kalibreert, moet u de volgende video-instellingen aanpassen:
    Helderheid en contrast Dit zijn respectievelijk het algehele niveau en bereik van de weergavesterkte. De werking van deze

    parameters kunt u vergelijken met die van uw tv. Met een programma voor monitorkalibratie realiseert u een optimaal
    helderheids- en contrastbereik.
    Gamma De helderheid van de waarden voor middentonen. De waarden die tussen zwart en wit door een monitor worden
    geproduceerd, zijn niet-lineair. Als u de waarden in een grafiek zet, vormen ze geen rechte lijn, maar een kromme. Gamma
    definieert de waarde in het midden van die curve tussen zwart en wit.
    Fosforkleuren De stoffen die door CRT-monitoren worden gebruikt voor het uitstralen van licht. Verschillende
    fosforkleuren hebben verschillende karakteristieken.
    Wit punt De kleur en intensiteit van het helderste wit dat de monitor kan produceren.

    Monitor kalibreren en monitorprofiel maken
    Bij het kalibreren van de monitor past u de monitor aan zodat deze voldoet aan een bekende specificatie. Nadat de monitor
    is gekalibreerd, kunt u met het profielhulpprogramma een kleurprofiel opslaan. Het profiel beschrijft hoe de kleuren van
    de monitor zich gedragen: welke kleuren wel en welke niet kunnen worden weergegeven en hoe de numerieke
    kleurwaarden in een afbeelding worden geconverteerd zodat de kleuren correct worden weergegeven.
    1 Zorg ervoor dat de monitor al minstens een half uur aanstaat. De monitor is dan voldoende opgewarmd om de kleuren
    consistent weer te geven.
    2 Laat de monitor duizenden kleuren of meer weergeven. Nog beter is om de monitor in te stellen op miljoenen kleuren
    of 24-bits of hoger.
    3 Verwijder kleurrijke achtergrondpatronen van het bureaublad van de monitor en stel het bureaublad in op neutrale
    grijstinten. Drukke patronen of felle kleuren rond het document zorgen er namelijk voor dat u de kleuren niet nauwkeurig
    waarneemt.
    4 Voer een van de volgende handelingen uit om de monitor te kalibreren en een profiel te maken:

    • Installeer en gebruik in Windows een hulpprogramma voor het kalibreren van monitoren.
    • Gebruik in Mac OS het hulpprogramma Kalibreren op Systeemvoorkeuren/Weergaven/tabblad Kleur.
    • Gebruik voor de beste resultaten software en meetapparatuur van derden. Over het algemeen kunt u met een
    meetapparaat zoals een colorimeter in combinatie met software meer nauwkeurige profielen maken, omdat een
    instrument de kleuren op een monitor nauwkeuriger kan meten dan het menselijke oog.
    Opmerking: de prestaties van de monitor veranderen en verslechteren in de loop der tijd. Kalibreer daarom de monitor en maak
    bijvoorbeeld elke maand een nieuw profiel. Als het moeilijk of onmogelijk is de monitor naar een standaard te kalibreren, is
    deze waarschijnlijk te oud.
    De meeste profielprogramma's wijzen automatisch het nieuwe profiel als het standaardmonitorprofiel toe. Zie de Help van
    het besturingssysteem voor aanwijzingen over het handmatig toewijzen van het monitorprofiel.



  • Page 142

    ILLUSTRATOR CS3 136
    Handboek

    Een kleurprofiel installeren
    Kleurprofielen worden vaak geïnstalleerd wanneer u een apparaat aan uw systeem toevoegt. De precisie van deze profielen
    (vaak algemene profielen of ingesloten profielen genoemd) verschilt per fabrikant. U kunt apparaatprofielen ook aanvragen
    bij uw servicebureau, downloaden van internet of aangepaste profielen maken met behulp van professioneel
    profielapparatuur.

    • Klik in Windows met de rechtermuisknop op een profiel en selecteer Profiel installeren. U kunt de profielen ook
    kopiëren naar de map WINDOWS\system32\spool\drivers\color.

    • Kopieer in Mac OS de profielen naar de map /Library/ColorSync/Profiles of de map
    /Users/[gebruikersnaam]/Library/ColorSync/Profiles.
    Nadat u de kleurprofielen hebt geïnstalleerd, moet u de Adobe-toepassingen opnieuw starten.

    Zie ook
    “Aangepaste profielen voor desktopprinters aanschaffen” op pagina 132

    Een kleurprofiel insluiten
    Een kleurprofiel dat u wilt insluiten in een document dat u hebt gemaakt in Illustrator, InDesign of Photoshop, moet u
    opslaan in of exporteren naar een indeling die ICC-profielen ondersteunt.
    1 Sla het document op in of exporteer het naar een van de volgende bestandsindelingen: Adobe PDF, PSD (Photoshop),
    AI (Illustrator), INDD (InDesign), JPEG of TIFF.
    2 Selecteer de optie voor het insluiten van ICC-profielen. De exacte naam en locatie van deze optie verschilt per
    toepassing. Zie de Help van Adobe voor meer aanwijzingen.

    Een kleurprofiel insluiten (Acrobat)
    U kunt een kleurprofiel insluiten in een object of een gehele PDF. Acrobat koppelt het profiel dat is opgegeven in de sectie
    Doelruimte van het dialoogvenster Kleuren converteren aan de geselecteerde kleurruimte in de PDF. Zie de onderwerpen
    over kleurconversie in Volledige Acrobat Help voor meer informatie.

    Kleurprofielen voor documenten wijzigen
    Het komt zelden voor dat u het kleurprofiel voor een document moet wijzigen. Dit komt omdat de toepassing het
    kleurprofiel automatisch toewijst op basis van de instellingen die u in het dialoogvenster Kleurinstellingen hebt
    geselecteerd. De enige keer dat u een kleurprofiel handmatig moet wijzigen, is wanneer u een document voor een ander
    uitvoerdoel voorbereidt of beleidsgedrag wijzigt dat u niet meer in het document wilt gebruiken. Wijzig het profiel alleen
    als u precies weet wat u moet doen.
    Voer de volgende handelingen uit om het kleurprofiel voor een document te wijzigen:

    • Wijs een nieuw profiel toe. De kleurnummers in het document veranderen niet, maar het nieuwe profiel kan de weergave
    van de kleuren op uw monitor drastisch wijzigen.

    • Verwijder het profiel zodat de kleuren in het document niet meer worden beheerd.
    • (Acrobat, Photoshop en InDesign) Converteer de kleuren in het document naar de kleurruimte van een ander profiel.
    De kleurnummers worden verschoven om de originele kleurweergaven te behouden.

    Een kleurprofiel toewijzen of verwijderen (Illustrator, Photoshop)
    1 Kies Bewerken > Profiel toewijzen.
    2 Selecteer een optie en klik op OK:
    Geen kleurbeheer voor dit document Hiermee wordt het bestaande profiel uit het document verwijderd. Selecteer deze
    optie alleen als u zeker weet dat u de documentkleuren niet wilt beheren. Nadat u het profiel uit een document hebt
    verwijderd, wordt de weergave van kleuren bepaald door de werkruimteprofielen van de toepassing.



  • Page 143

    ILLUSTRATOR CS3 137
    Handboek

    Tijdelijk [kleurmodel: werkruimte] Hiermee wordt het werkruimteprofiel toegewezen aan het document.
    Profiel Hiermee kunt u een ander profiel selecteren. Het nieuwe profiel wordt aan het document toegewezen zonder dat de
    kleuren naar de profielruimte worden geconverteerd. Hierdoor kan de weergave van de kleuren op uw monitor aanzienlijk
    veranderen.

    Zie ook
    “Kleurprofielen voor documenten wijzigen” op pagina 136

    Een kleurprofiel toewijzen of verwijderen (InDesign)
    1 Kies Bewerken > Profielen toewijzen.
    2 Selecteer bij RGB-profiel en CMYK-profiel een van de volgende opties:
    Wissen (huidige werkruimte gebruiken) Hiermee wordt het bestaande profiel uit het document verwijderd. Selecteer deze

    optie alleen als u zeker weet dat u de documentkleuren niet wilt beheren. Nadat u het profiel uit een document hebt
    verwijderd, wordt de weergave van kleuren bepaald door de werkruimteprofielen van de toepassing en kunt u een profiel
    niet meer in het document insluiten.
    Huidige werkruimte [werkruimte] toewijzen Hiermee wordt het werkruimteprofiel toegewezen aan het document.
    Profiel toewijzen Hiermee kunt u een ander profiel selecteren. Het nieuwe profiel wordt aan het document toegewezen
    zonder dat de kleuren naar de profielruimte worden geconverteerd. Hierdoor kan de weergave van de kleuren op uw
    monitor aanzienlijk veranderen.

    3 Kies voor elk type afbeelding in uw document een rendering intent. U kunt kiezen uit de vier standaard render-intenties
    of de kleurinstellingsintentie gebruiken, waardoor de actieve render-intentie uit het dialoogvenster Kleurinstellingen wordt
    gebruikt. Zie de Help voor meer informatie over render-intenties.
    De typen afbeeldingen omvatten:
    Intentie effen kleuren Hiermee wordt de rendering intent ingesteld voor alle vectorafbeeldingen (effen kleurvlakken) in
    objecten die zijn gemaakt in InDesign.
    Standaardafbeeldingsintentie Hiermee wordt de standaard rendering intent ingesteld voor bitmapafbeeldingen die in

    InDesign zijn geplaatst. Per afbeelding kunt u deze instelling weer wijzigen.
    Intentie na-overvloeien Hiermee wordt de rendering intent ingesteld voor de uiteindelijke kleurruimte of het testen van

    kleuren die het resultaat zijn van transparantie-interacties op de pagina. Gebruik deze optie als uw document transparante
    objecten bevat.
    4 De effecten van het nieuwe documentprofiel kunt u bekijken door Voorvertoning te selecteren en op OK te klikken.

    Zie ook
    “Kleurprofielen voor documenten wijzigen” op pagina 136
    “Profielen voor geïmporteerde bitmapafbeeldingen bekijken of wijzigen (InDesign)” op pagina 128

    Documentkleuren naar een ander profiel converteren (Photoshop)
    1 Kies Bewerken > Omzetten in profiel.
    2 Kies onder Doelruimte het kleurprofiel waarnaar u de kleuren van het document wilt converteren. Het document wordt
    geconverteerd naar en gecodeerd met dit nieuwe profiel.
    3 Geef onder Opties voor omzetten een kleurbeheer-engine op, een rendering intent en opties voor zwarte punten en
    dithering (indien beschikbaar). Zie “Opties voor kleurconversie” op pagina 141.
    4 Selecteer Een laag maken als u tijdens de conversie één laag wilt maken van alle lagen van het document.
    5 U kunt de resultaten van de conversie bekijken door Voorbeeld te selecteren.



  • Page 144

    ILLUSTRATOR CS3 138
    Handboek

    Zie ook
    “Kleurprofielen voor documenten wijzigen” op pagina 136

    Documentkleuren naar een ander profiel converteren
    Voor het converteren van kleuren in een PDF gebruikt u het gereedschap Kleuren converteren op de werkbalk
    Afdrukproductie. Zie de onderwerpen over kleurconversie in Volledige Acrobat Help voor meer informatie.

    Kleurinstellingen
    Kleurinstellingen aanpassen
    Voor de meeste werkstromen met kleurbeheer wordt aangeraden een vooraf ingestelde kleurinstelling te gebruiken die door
    Adobe Systems is getest. Wijzig bepaalde opties alleen als u bekend bent met kleurbeheer en precies weet wat de
    consequenties van de wijzigingen zijn.
    Nadat u de opties hebt aangepast, kunt u deze als voorinstelling opslaan. Opgeslagen kleurinstellingen kunt u opnieuw
    gebruiken en delen met andere gebruikers of toepassingen.

    • Als u kleurinstellingen als een voorinstelling wilt opslaan, klikt u op Opslaan in het dialoogvenster Kleurinstellingen.
    Om er zeker van te zijn dat de naam van de instelling in het dialoogvenster Kleurinstellingen wordt weergegeven, slaat
    u het bestand op de standaardlocatie op. Als u het bestand op een andere locatie opslaat, moet u het bestand eerst laden
    voordat u de instelling kunt selecteren.

    • Als u een vooraf ingestelde kleurinstelling wilt laden die niet op de standaardlocatie is opgeslagen, klikt u op Laden in
    het dialoogvenster Kleurinstellingen, selecteert u het bestand dat u wilt laden, en klikt u op Openen.
    Opmerking: in Acrobat is het niet mogelijk om aangepaste kleurinstellingen op te slaan. Als u aangepaste kleurinstellingen met
    Acrobat wilt delen, moet u het bestand maken in InDesign, Illustrator of Photoshop en opslaan in de standaardmap
    Instellingen. Deze is dan beschikbaar in de categorie Kleurbeheer van het dialoogvenster Voorkeuren. U kunt instellingen ook
    handmatig toevoegen aan de standaardmap Instellingen.

    Kleurwerkruimten
    Een werkruimte is een tussenliggende kleurruimte die wordt gebruikt voor het definiëren en bewerken van kleur in Adobetoepassingen. Aan elk kleurmodel is een werkruimteprofiel gekoppeld. U kunt werkruimteprofielen kiezen in het
    dialoogvenster Kleurinstellingen.
    Een werkruimteprofiel fungeert als het bronprofiel voor nieuwe documenten die gebruikmaken van het bijbehorende
    kleurmodel. Als bijvoorbeeld Adobe RGB (1998) het huidige RGB-werkruimteprofiel is, worden voor elk nieuw RGBdocument de kleuren uit de Adobe RGB-gamut (1998) gebruikt. Werkruimten bepalen tevens de weergave van kleuren in
    niet-gecodeerde documenten.
    Als u een document opent met een ingesloten kleurprofiel dat niet overeenkomt met het werkruimteprofiel, bepaalt een
    kleurbeheerbeleid hoe de kleurgegevens worden verwerkt. Doorgaans is het behouden van het ingesloten profiel het
    standaardbeleid.

    Zie ook
    “Ontbrekende en niet-overeenkomende kleurprofielen” op pagina 139
    “Beleidsopties voor kleurbeheer” op pagina 140

    Opties voor de werkruimte
    Als u werkruimteopties wilt weergeven in Photoshop, Illustrator en InDesign, kiest u Bewerken > Kleurinstellingen.
    Selecteer in Acrobat de categorie Kleurbeheer van het dialoogvenster Voorkeuren.



  • Page 145

    ILLUSTRATOR CS3 139
    Handboek

    Voor een beschrijving van een profiel selecteert u het profiel en plaatst u de muisaanwijzer op de naam van dat profiel. De
    beschrijving wordt onder in het dialoogvenster weergegeven.
    RGB Hiermee wordt de RGB-kleurruimte van de toepassing bepaald. Doorgaans kunt u het beste Adobe RGB of sRGB

    kiezen en niet het profiel voor een bepaald apparaat (zoals een monitorprofiel).
    sRGB wordt aanbevolen voor het voorbereiden van afbeeldingen voor het web, omdat hiermee de kleurruimte van de
    standaardmonitor wordt gedefinieerd waarmee de afbeeldingen op het web worden bekeken. sRGB is ook geschikt wanneer
    u werkt met foto's die met een niet-professionele digitale camera zijn gemaakt, omdat bij het merendeel van deze camera's
    sRGB als de standaardkleurruimte wordt gebruikt.
    Adobe RGB wordt aanbevolen voor het voorbereiden van documenten voor afdrukken, omdat de Adobe RGB-gamut
    bepaalde afdrukbare kleuren (vooral cyaan- en blauwtinten) bevat die niet met sRGB kunnen worden gedefinieerd. Adobe
    RGB is ook geschikt wanneer er wordt gewerkt met foto's die met een niet-professionele digitale camera zijn gemaakt,
    omdat bij het merendeel van deze camera's Adobe RGB als de standaardkleurruimte wordt gebruikt.
    CMYK Hiermee wordt de CMYK-kleurruimte van de toepassing bepaald. Alle CMYK-werkruimten zijn

    apparaatafhankelijk. Dat wil zeggen dat ze zijn gebaseerd op de werkelijke inkt- en papiercombinaties. De CMYKwerkruimten van Adobe zijn gebaseerd op standaard drukwerkvoorwaarden van drukkers.
    Grijs (Photoshop) of Grijswaarde (Acrobat) Hiermee wordt de kleurruimte voor grijswaarden van de toepassing bepaald.
    Steunkleur (Photoshop) Hiermee wordt de puntvergroting aangegeven die wordt gebruikt voor de weergave van

    steunkleurkanalen en duotonen.
    Opmerking: in Acrobat kunt u voor weergave en afdrukken de kleurruimte in een ingesloten uitvoerintentie gebruiken in
    plaats van een documentkleurruimte. Selecteer Uitvoerintenties overschrijven werkruimten. Zie Volledige Acrobat Help voor
    meer informatie over uitvoerintenties.
    Adobe-toepassingen worden geleverd met een standaardset werkruimteprofielen die door Adobe Systems worden
    aanbevolen en zijn getest voor de meeste kleurbeheerwerkstromen. Standaard staan alleen deze profielen in de menu's van
    de werkruimte. Om aanvullende kleurprofielen weer te geven die u op het systeem hebt geïnstalleerd, selecteert u
    Geavanceerde modus boven in het dialoogvenster Kleurinstellingen (Illustrator en InDesign) of Meer opties (Photoshop).
    Een kleurprofiel moet bidirectioneel zijn (dat wil zeggen dat het alleen wordt weergegeven in menu's van werkruimten) als
    het specificaties bevat voor het converteren naar en van kleurruimten.
    Opmerking: in Photoshop kunt u aangepaste werkruimteprofielen maken. Adobe raadt echter aan een standaard
    werkruimteprofiel te gebruiken en geen aangepast werkruimteprofiel te maken. Zie de Photoshop-kennisbank op
    www.adobe.com/nl/support/products/photoshop.html voor meer informatie.

    Ontbrekende en niet-overeenkomende kleurprofielen
    Voor een nieuw gemaakt document werkt de kleurenwerkstroom meestal transparant. Tenzij anders vermeld, worden
    kleuren in het document gemaakt en bewerkt met het werkruimteprofiel dat is gekoppeld aan de kleurmodus van het
    document.
    Niet alle bestaande documenten maken echter gebruik van de door u opgegeven werkruimteprofiel of van kleurbeheer. In
    een workflow met kleurbeheer kunnen de volgende uitzonderingen optreden:

    • U opent een document of importeert kleurgegevens (bijvoorbeeld door kopiëren en plakken of door slepen en
    neerzetten) uit een document dat niet is gecodeerd met een profiel. Dit is vaak zo, als u een document opent dat is
    gemaakt met een toepassing die geen kleurbeheer ondersteunt of waarvoor kleurbeheer is uitgeschakeld.

    • U opent een document of importeert kleurgegevens uit een document dat is gecodeerd met een profiel dat verschilt van
    dat van de huidige werkruimte. Hiervan kan sprake zijn wanneer u een document opent dat is gemaakt met andere
    instellingen voor kleurbeheer of dat is gescand en gecodeerd met een scannerprofiel.
    In beide gevallen maakt de toepassing gebruik van een kleurbeheerbeleid voor het verwerken van de kleurgegevens in het
    document.



  • Page 146

    ILLUSTRATOR CS3 140
    Handboek

    Als het profiel ontbreekt of niet overeenkomt met de werkruimte, kan er een waarschuwingsbericht worden weergegeven,
    afhankelijk van de opties die u in het dialoogvenster Kleurinstellingen hebt ingesteld. Profielwaarschuwingen zijn
    standaard uitgeschakeld, maar u kunt deze inschakelen om ervoor te zorgen dat per document het juiste kleurbeheer wordt
    gebruikt. De waarschuwingsberichten kunnen per toepassing verschillen, maar doorgaans kunt u het volgende doen:

    • Wijzig het document of de geïmporteerde kleurgegevens niet (de aanbevolen optie). U zou bijvoorbeeld het eventuele
    ingesloten profiel kunnen gebruiken, het document zonder kleurprofiel (als dat het geval is) ongewijzigd kunnen laten
    of de nummers in geplakte kleurgegevens kunnen behouden.

    • Pas het document of de geïmporteerde kleurgegevens aan. Als u bijvoorbeeld een document met een ontbrekend
    kleurprofiel wilt openen, kunt u het huidige werkruimteprofiel of een ander profiel aan dat document toewijzen.
    Wanneer u een document met een niet-overeenkomend kleurprofiel opent, kunt u het profiel negeren of de kleuren naar
    de huidige werkruimte converteren. Tijdens het importeren van kleurgegevens kunt u de kleuren naar de huidige
    werkruimte converteren om de weergave ervan te behouden.

    Beleidsopties voor kleurbeheer
    Een kleurbeheerbeleid bepaalt hoe de toepassing kleurgegevens verwerkt bij het openen van een document of bij het
    importeren van een afbeelding. U kunt verschillende beleidsregels selecteren voor RGB- en CMYK-afbeeldingen en
    opgeven wanneer waarschuwingsberichten moeten worden weergegeven. Als u de opties voor het kleurbeheerbeid wilt
    weergeven, kiest u Bewerken > Kleurinstellingen.
    Voor een beschrijving van een beleid selecteert u het beleid en plaatst u de muisaanwijzer op de naam van dat beleid. De
    beschrijving wordt onder in het dialoogvenster weergegeven.
    RGB, CMYK en Grijs Hiermee wordt aangegeven welk beleid wordt moet worden gehanteerd bij het overbrengen van

    kleuren naar de huidige werkruimte (door bestanden te openen of door afbeeldingen in het huidige document te
    importeren). De optie voor grijswaarden is alleen beschikbaar voor Photoshop. Kies een van de volgende opties:

    • Ingesloten profielen behouden De ingesloten kleurprofielen blijven altijd behouden wanneer bestanden worden
    geopend. Dit is de aanbevolen optie voor de meeste werkstromen, omdat dit resulteert in een consistent kleurbeheer. De
    enige uitzondering is wanneer u de CMYK-nummers wilt behouden. Selecteer in dat geval Nummers behouden
    (gekoppelde profielen negeren).
    • Omzetten naar werkruimte Kleuren worden geconverteerd naar het huidige werkruimteprofiel wanneer bestanden
    worden geopend en afbeeldingen worden geïmporteerd. Selecteer deze optie als alle kleuren één profiel moeten gebruiken
    (het huidige werkruimteprofiel).
    • Nummers behouden (gekoppelde profielen negeren) Deze optie is beschikbaar in InDesign en Illustrator voor CMYK.
    Kleurnummers blijven behouden bij het openen van bestanden en het importeren van afbeeldingen, maar het gebruik van
    kleurbeheer voor het nauwkeurig weergeven van kleuren in Adobe-toepassingen is nog steeds mogelijk. Selecteer deze
    optie als u een veilige CMYK-workflow wilt gebruiken. In InDesign kunt u dit beleid per project overschrijven door Object
    > Kleurinstellingen afbeelding te kiezen.
    • Uit Ingesloten kleurprofielen worden genegeerd bij het openen van bestanden of het importeren van afbeeldingen en er
    wordt aan nieuwe documenten geen werkruimteprofiel toegewezen. Selecteer deze optie als u kleurmetagegevens wilt
    negeren die worden geleverd door de maker van het document.
    Profielen komen niet overeen: Vragen bij openen Er wordt een bericht weergegeven wanneer u een document opent dat is

    gecodeerd met een ander profiel dan de huidige werkruimte. U kunt dan het standaardgedrag van het beleid vervangen.
    Selecteer deze optie als u per document de kleuren op de juiste manier wilt beheren.
    Profiel komt niet overeen: Vragen bij plakken Er wordt een bericht weergegeven als een kleurprofiel niet overeenkomt
    wanneer kleuren in een document door middel van plakken of slepen worden geïmporteerd. U kunt dan het
    standaardgedrag van het beleid vervangen. Selecteer deze optie als u per document de geplakte kleuren op de juiste manier
    wilt beheren.
    Ontbrekende profielen: Vragen bij openen Er wordt een bericht weergegeven wanneer u een niet-gecodeerd document

    opent. U kunt dan het standaardgedrag van het beleid vervangen. Selecteer deze optie als u per document de kleuren op de
    juiste manier wilt beheren.



  • Page 147

    ILLUSTRATOR CS3 141
    Handboek

    Opties voor kleurconversie
    Met de opties voor kleurconversie kunt u opgeven hoe de kleuren in een document worden verwerkt wanneer dit document
    naar een andere kleurruimte wordt verplaatst. Het wordt aangeraden deze opties alleen te wijzigen als u bekend bent met
    kleurbeheer en precies weet wat de consequenties van de wijzigingen zijn. Als u conversieopties wilt weergeven, kiest u
    Bewerken > Kleurinstellingen en selecteert u Geavanceerde modus (Illustrator en InDesign) of Meer opties (Photoshop).
    Selecteer in Acrobat de categorie Kleurbeheer van het dialoogvenster Voorkeuren.
    Engine Hiermee wordt de CMM (Color Management Module) aangegeven voor het toewijzen van de gamut van de ene

    kleurruimte aan de gamut van een andere kleurruimte. Voor de meeste gebruikers zal de standaard Adobe-engine (ACE)
    aan alle conversiebehoeften voldoen.
    Voor een beschrijving van een engine of intentieoptie selecteert u de optie en plaatst u de aanwijzer op de optienaam. De
    beschrijving wordt onder in het dialoogvenster weergegeven.
    Intent (Photoshop, Illustrator, InDesign) Hiermee wordt de rendering intent aangegeven die wordt gebruikt voor het

    omzetten van de ene kleurruimte naar een andere kleurruimte. De verschillen tussen rendering intents vallen alleen op als
    u een document afdrukt of naar een andere werkruimte converteert.
    Compensatie zwart punt gebruiken Hiermee zorgt u ervoor dat de schaduwdetails in de afbeelding behouden blijven door

    het volledige dynamische bereik van het uitvoerapparaat te simuleren. Selecteer deze optie als u zwarte-puntcompensatie
    wilt gebruiken bij het afdrukken (aanbevolen voor de meeste situaties).
    Dithering gebruiken (Photoshop) Bepaalt of de kleuren worden gedithered wanneer 8-bits-per-kanaal afbeeldingen tussen

    kleurruimten worden geconverteerd. Wanneer u de optie Dithering gebruiken hebt geselecteerd, mengt Photoshop kleuren
    in de doelkleurruimte voor het simuleren van ontbrekende kleuren uit de bronruimte. Hoewel dithering de blokkerige of
    gestreepte weergave van een afbeelding kan verminderen, resulteert het ook in een toename van de bestandsgrootte
    wanneer afbeeldingen worden gecomprimeerd voor weergave op het web.

    Render-intenties
    Een render-intentie bepaalt hoe een kleurbeheersysteem kleuren naar een andere kleurruimte converteert. De diverse
    render-intenties gebruiken verschillende regels die bepalen hoe de bronkleuren worden aangepast. Kleuren die
    bijvoorbeeld binnen de doelgamut vallen, blijven ongewijzigd of worden aangepast om het originele bereik van visuele
    relaties te behouden terwijl deze naar een kleinere doelgamut worden omgezet. Het resultaat van de gekozen renderintentie hangt af van de grafische inhoud van documenten en van de profielen die worden gebruikt om kleurruimten op te
    geven. Sommige profielen genereren identieke resultaten bij verschillende render-intenties.
    Over het algemeen wordt aangeraden de standaard render-intentie te gebruiken voor de geselecteerde kleurinstelling. Deze
    is getest door Adobe Systems en voldoet aan de industriestandaarden. Als u bijvoorbeeld een kleurinstelling voor NoordAmerika of Europa selecteert, is de standaard render-intentie Relatief colorimetrisch. Kiest u een kleurinstelling voor Japan,
    dan is de standaard render-intentie Perceptueel.
    U kunt een render-intentie selecteren wanneer u kleurconversieopties selecteert voor het kleurbeheersysteem, de kleuren
    met een elektronische proefdruk controleert en posters afdrukt.
    Perceptueel Deze optie is bedoeld om de visuele relatie tussen kleuren te handhaven zodat deze voor het menselijk oog
    natuurlijk overkomen, ook al kunnen de kleurwaarden zelf wel veranderen. Deze intentie is het meest geschikt voor foto's
    met veel kleuren buiten de gamut. Dit is de standaard render-intentie voor Japanse drukkerijen.
    Verzadiging Deze optie is bedoeld voor het produceren van levendige kleuren in een afbeelding. Dit gaat echter ten koste

    van de nauwkeurigheid van kleuren. Deze render-intentie is geschikt voor zakelijke illustraties zoals diagrammen en
    grafieken, waar heldere verzadigde kleuren belangrijker zijn dan de exacte verhouding tussen kleuren.
    Relatief colorimetrisch Hiermee wordt het witte punt van de bronkleurruimte vergeleken met dat van de doelkleurruimte
    en worden alle kleuren dienovereenkomstig verschoven. Kleuren buiten de gamut worden verschoven naar de
    dichtstbijzijnde reproduceerbare kleur in de doelkleurruimte. Bij Relatief colorimetrisch blijven meer oorspronkelijke
    kleuren behouden dan bij Perceptueel. Dit is de standaard render-intentie voor afdrukken in Noord-Amerika en Europa..
    Absoluut colorimetrisch Hiermee blijven de kleuren die binnen de doelgamut vallen ongewijzigd. Kleuren buiten de gamut
    worden bijgesneden. Kleuren worden niet geschaald naar het witte punt van de doelkleurruimte. Deze intent richt zich op
    het behouden van de kleurprecisie ten koste van de verhoudingen tussen de kleuren en is geschikt voor het maken van



  • Page 148

    ILLUSTRATOR CS3 142
    Handboek

    proefdrukken waarbij de uitvoer op een bepaald apparaat wordt gesimuleerd. Deze intent is vooral handig voor een
    voorvertoning van het effect van de papierkleur op de afgedrukte kleuren.

    Geavanceerde instellingen in Photoshop
    Als u in Photoshop geavanceerde instellingen voor kleurbeheer wilt weergeven, kiest u Bewerken > Kleurinstellingen en
    selecteert u Meer opties.
    Minder verzadiging voor monitorkleuren Hiermee kunt u de verzadiging van de kleuren die op de monitor worden

    weergegeven, verminderen met de opgegeven waarde. Door deze optie in te schakelen kunt u beter het volledige bereik
    weergeven van kleurruimten met gamuts die groter zijn dan die van de monitor. Dit veroorzaakt echter een verkeerde
    combinatie tussen de monitorweergave en de uitvoer. Wanneer u de optie uitschakelt, kunnen de afzonderlijke kleuren in
    de afbeelding worden weergegeven als één enkele kleur.
    Gamma gebruiken bij overvloeien van RGB-kleuren Hiermee wordt bepaald hoe RGB-kleuren overvloeien voor

    samengestelde gegevens (wanneer u bijvoorbeeld lagen samenvoegt of verft in de modus Normaal). Wanneer de optie is
    ingeschakeld, vloeien RGB-kleuren over in de kleurruimte die overeenkomt met het opgegeven gamma. Een gamma van
    1,00 wordt beschouwd als colorimetrisch correct en moet resulteren in de kleinste randartefacten. Wanneer de optie is
    uitgeschakeld, vloeien RGB-kleuren direct over in de kleurruimte van het document.
    Opmerking: selecteert u Gamma gebruiken bij overvloeien van RGB-kleuren, dan zien documenten met lagen er in andere
    toepassingen anders uit dan in Photoshop.



  • Page 149

    143

    Hoofdstuk 6: Verven
    Om uw illustraties visueel interessanter te maken, kunt u in Adobe Illustrator gebruikmaken van kalligrafische penselen,
    verstrooiingspenselen, kunstpenselen en patroonpenselen. Daarnaast kunt u met de functie Actieve verf verschillende
    padsegmenten verven en ingesloten paden vullen met verschillende kleuren, patronen of verlopen. Met dekkingen,
    maskers, verlopen, overvloeiingen, netten en patronen beschikt u over oneindig veel mogelijkheden om uiting te geven aan
    uw creativiteit.

    Verven met vullingen en streken
    Verfmethoden
    Illustrator biedt twee verfmethoden: een vulling, streek of beide toewijzen aan een geheel object, en een object converteren
    naar een groep van Actieve verf en daarbinnen vullingen of streken toekennen aan afzonderlijke randen en padvlakken.
    Een object verven

    Nadat u een object hebt getekend, kunt u er een vulling, streek of beide aan toewijzen. U kunt vervolgens andere objecten
    op dezelfde wijze verven, waarbij elk nieuw object boven op de vorige objecten komt te liggen. Het resultaat is een soort
    collage die bestaat uit vormen die uit gekleurd papier zijn geknipt, waarbij het uiterlijk van de illustratie afhankelijk is van
    de boven in de stapel met gelaagde objecten geplaatste objecten.
    Op www.adobe.com/go/vid0044_nl vindt u een video over het gebruik van penselen.
    Een groep van Actieve verf verven

    Met de methode Actieve verf verft u meer zoals u met traditionele kleurgereedschappen zou doen, zonder te letten op lagen
    of een stapelvolgorde, waardoor u natuurlijker kunt tekenen. Alle objecten in een groep van Actieve verf worden behandeld
    alsof ze deel uitmaken van hetzelfde vlakke oppervlak. Dit betekent dat u meerdere paden kunt tekenen en elk gebied
    binnen deze paden (een vlak genoemd) afzonderlijk kunt kleuren. Verder kunt u verschillende streekkleuren en -dikten
    toewijzen aan delen van een pad tussen snijpunten (een rand genoemd). Het resultaat is dat u, ongeveer zoals in een
    kleurboek, elk vlak en elke rand een andere kleur kunt geven. Wanneer u paden in een groep van Actieve verf verplaatst of
    de vorm van de paden wijzigt, worden de vlakken en randen automatisch aangepast.

    Een object dat bestaat uit een enkel pad dat is geverfd met de bestaande methode, heeft een enkele vulling en een enkele streek (links). Als
    hetzelfde object wordt geconverteerd naar een groep van Actieve verf, kunt u elk vlak met een verschillende vulling en elke rand met een
    verschillende streek verven (rechts).



  • Page 150

    ILLUSTRATOR CS3 144
    Handboek

    Als u een object op de traditionele manier verft, blijven er enkele gebieden over die niet kunnen worden gevuld (links). Door een groep van
    Actieve verf te maken met detectie van tussenruimten (midden) voorkomt u tussenruimten en overdrukken (rechts).

    Op www.adobe.com/go/vid0042_nl vindt u een video over het gebruik van Actieve verf. Op
    www.adobe.com/go/vid0038_nl vindt u een video over verftechnieken met het gereedschap Penseel.

    Zie ook
    “Actieve verf ” op pagina 149

    Vullingen en streken
    Een vulling is een kleur, een patroon of een verloop binnen een object. U kunt vullingen toepassen op geopende en gesloten
    objecten en op vlakken van groepen van Actieve verf.
    Een streek kan de zichtbare omtrek van een object zijn, een pad of de rand van een groep van Actieve verf. U kunt de breedte
    en de kleur van een streek bepalen. Verder kunt u onderbroken streken maken met behulp van de padopties, en u kunt
    gestileerde streken verven met penselen.
    Opmerking: Als u werkt met groepen van Actieve verf, kunt u een penseel alleen op een rand toepassen als u via het deelvenster
    Vorm een streek aan de groep toevoegt.
    De huidige vul- en streekkleuren worden weergegeven in het deelvenster Gereedschappen.

    Instellingen voor vullingen en streken

    Zie ook
    “Toetsen voor het verven van objecten” op pagina 441
    “Kleuren selecteren met de Kleurkiezer” op pagina 98

    Instellingen voor vullingen en streken
    De instellingen voor vulling en streek zijn beschikbaar in het deelvenster Gereedschappen en in het deelvenster Beheer.
    Met een van de volgende instellingen in het deelvenster Gereedschappen kunt u kleur instellen:
    Knop Vulling
    Knop Streek

    Dubbelklik op deze knop om een vulkleur te selecteren met de Kleurkiezer.
    Dubbelklik op deze knop om een streekkleur te selecteren met de Kleurkiezer.

    Knop Vulling en streek omwisselen
    Knop Standaardvulling en -streek

    vulling en zwarte streek).

    Klik op deze knop om de kleuren tussen vulling en streek om te wisselen.
    Klik op deze knop om terug te keren naar de standaardkleurinstellingen (witte



  • Page 151

    ILLUSTRATOR CS3 145
    Handboek

    Knop Kleur
    Klik op deze knop om de laatst geselecteerde effen kleur toe te passen op een object met een verloopvulling
    of een object zonder streek of vulling.
    Knop Verloop
    Knop Geen

    Klik op deze knop om de huidige geselecteerde vulling te veranderen in het laatst geselecteerde verloop.
    Klik op deze knop om de vulling of streek van een geselecteerd object te verwijderen.

    U kunt ook een kleur en streek voor een geselecteerd object opgeven via de volgende instellingen in het deelvenster Beheer:
    Vulkleur Klik hierop om het deelvenster Stalen te openen. Houd Shift ingedrukt en klik op deze knop om het deelvenster
    Kleur te openen en een kleur te kiezen.
    Streekkleur Klik hierop om het deelvenster Stalen te openen. Houd Shift ingedrukt en klik op deze knop om het
    deelvenster Kleur te openen en een kleur te kiezen.
    Deelvenster Streek Klik op het woord Streek om het deelvenster Streek te openen en opties op te geven.
    Streekdikte Kies een streekdikte in het pop-upmenu.

    Een vulkleur toepassen op een object
    U kunt één kleur, patroon of verloop toepassen op een geheel object, of u kunt groepen van Actieve verf gebruiken en
    verschillende kleuren aanbrengen op verschillende vlakken binnen het object.
    1 Selecteer het object.
    2 Klik op het vak Vulling in het deelvenster Gereedschappen of in het deelvenster Kleur. Hiermee geeft u aan dat u een
    vulling wilt toepassen in plaats van een streek.

    Het vak Vulling

    3 Selecteer een vulkleur door een van de volgende handelingen uit te voeren:

    • Klik op een kleur in het deelvenster Beheer, Kleur, Stalen, Verloop of een staalbibliotheek.
    • Dubbelklik op het vak Vulling en selecteer een kleur via de Kleurkiezer.
    • Selecteer het gereedschap Pipet en houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u klikt op een object om
    de huidige kenmerken toe te passen, waaronder de huidige vulling en streek.

    • Klik op de knop Geen

    om de huidige vulling van het object te verwijderen.

    U kunt een kleur snel op een niet-geselecteerd object toepassen door een kleur vanuit het vak Vulling of het deelvenster
    Kleur, Verloop of Stalen naar het object te slepen. Slepen werkt niet bij groepen van Actieve verf.

    Zie ook
    “Items selecteren in groepen van Actieve verf ” op pagina 153
    “Verven met het gereedschap Emmertje voor Actieve verf ” op pagina 155

    Een object voorzien van een streek
    Met het deelvenster Streek (Venster > Streek) stelt u in of de streek ononderbroken of onderbroken is en bepaalt u het
    streeppatroon van een onderbroken streek, de streekdikte, de streekuitlijning, de afknotlimiet en de stijlen van
    verbindingen en uiteinden van lijnen.



  • Page 152

    ILLUSTRATOR CS3 146
    Handboek

    Deelvenster Streek

    U kunt streekopties toepassen op een heel object, of u kunt groepen van Actieve verf gebruiken om verschillende streken
    toe te passen op verschillende randen binnen het object.

    Zie ook
    “Overzicht werkgebied” op pagina 13
    “Items selecteren in groepen van Actieve verf ” op pagina 153
    “Verven met het gereedschap Emmertje voor Actieve verf ” op pagina 155
    Een kleur, dikte of uitlijning van een streek toepassen

    1 Selecteer het object. (Als u een rand in een groep van Actieve verf wilt selecteren, gebruik dan het gereedschap Selectie
    van Actieve verf.)
    2 Klik op het vak Streek in het deelvenster Gereedschappen, Kleur of Beheer. Hiermee geeft u aan dat u een streek wilt
    toepassen in plaats van een vulling.

    Het vak Streek

    3 Selecteer een kleur in het deelvenster Kleur of een staal in het deelvenster Stalen of Beheer. Of dubbelklik op het vak
    Streek om met de Kleurkiezer een kleur te selecteren.
    Als u de huidige kleur in het vak Streek wilt gebruiken, kunt u de kleur eenvoudig vanaf het vak Streek naar het object
    slepen. Slepen werkt niet bij groepen van Actieve verf.
    4 Selecteer een dikte in het deelvenster Streek of Beheer.
    5 Als het object een gesloten pad is (en niet een groep van Actieve verf), kies dan in het deelvenster Streek een optie voor
    het uitlijnen van de streek langs het pad:



    Streek uitlijnen naar midden



    Streek uitlijnen naar binnen



    Streek uitlijnen naar buiten

    Opmerking: Als u paden met verschillende streekuitlijningen probeert uit te lijnen, kan het zijn dat de paden niet precies
    uitlijnen. Als de randen na het uitlijnen exact met elkaar overeen moeten komen, controleer dan of de instellingen voor
    paduitlijning gelijk zijn.
    Stippellijnen of onderbroken lijnen maken

    U kunt een stippellijn of een onderbroken lijn maken door de streekkenmerken van een object te bewerken.
    1 Selecteer het object.
    2 Selecteer Onderbroken lijn in het deelvenster Streek. Als de optie Onderbroken lijn niet wordt weergegeven, kies dan
    Opties tonen in het menu van het deelvenster Streek.
    3 Geef een streeppatroon op door de lengte van de streepjes en de ruimte tussen de streepjes in te voeren.



  • Page 153

    ILLUSTRATOR CS3 147
    Handboek

    De waarden die u invoert, worden herhaald. U hoeft dus niet alle tekstvakken in te vullen wanneer u het patroon hebt
    opgegeven.
    4 Selecteer een optie voor de uiteinden van de streepjes. Met de optie Hoekig
    maakt u strepen met vierkante uiteinden;
    met de optie Rond
    maakt u afgeronde strepen of stippen; met de optie Uitstekend
    steken de streepeinden uit.

    A

    B

    C

    Stippellijnen van 6 pt met tussenruimten van 2, 12, 16, 12
    A. Hoekig B. Rond C. Uitstekend

    De uiteinden of verbindingen van lijnen wijzigen

    Een uiteinde is het einde van een open lijn. Een verbinding is de plaats waar een rechte lijn van richting verandert (een hoek
    omgaat). U kunt de uiteinden en verbindingen van een lijn wijzigen door de streekkenmerken van het object te wijzigen.
    1 Selecteer het object.
    2 Selecteer in het deelvenster Streek een optie voor het uiteinde en een optie voor de verbinding.
    Als de opties niet worden weergegeven, kiest u Opties tonen in het deelvenstermenu.
    Hoekig
    Rond

    Hiermee maakt u streken met vierkante uiteinden.
    Hiermee maakt u streken met halfronde uiteinden.

    Uitstekend
    Hiermee maakt u streken met vierkante uiteinden die de helft van de lijndikte voorbij het einde van de lijn
    uitsteken. Met deze optie wordt de dikte van de lijn in alle richtingen rondom de lijn gelijkmatig verlengd.
    Punt
    Hiermee maakt u streken met puntige uiteinden. Voer een afknotlimiet in tussen 1 en 500. De afknotlimiet
    bepaalt wanneer een afgeknotte (puntige) verbinding overgaat in een schuine (afgekante) verbinding. De
    standaardafknotlimiet is 4. Dat betekent dat er wordt overgeschakeld van een afgeknotte verbinding naar een afgekante
    verbinding, wanneer de lengte van het punt viermaal de dikte van de streek bereikt. Bij de afknotlimiet 1 wordt een
    afgekante verbinding gebruikt.
    Afgerond

    Hiermee maakt u streken met afgeronde hoeken.

    Afgekant

    Hiermee maakt u streken met vierkante hoeken.

    Streken converteren naar samengestelde paden
    Als u een streek naar een samengesteld pad converteert, kunt u de omtrek van de streek wijzigen. U kunt bijvoorbeeld een
    streek met een variabele dikte maken of de streek in stukken verdelen.
    1 Selecteer het object.
    2 Kies Object > Pad > Omtrekstreek.
    Het samengestelde pad dat ontstaat, wordt met het gevulde object gegroepeerd. Als u het samengestelde pad wilt wijzigen,
    maakt u het pad los van de vulling of selecteert u dit met het gereedschap Groep selecteren.
    Gebruik het deelvenster Lagen om de inhoud van een groep te bepalen.



  • Page 154

    ILLUSTRATOR CS3 148
    Handboek

    Zie ook
    “Samengestelde paden” op pagina 222
    “Objecten groeperen of degroeperen” op pagina 191

    Pijlpunten toevoegen aan lijnen
    1 Selecteer een object of groep (of selecteer een laag in het deelvenster Lagen).
    Opmerking: U kunt pijlpunten toevoegen aan een groep van Actieve verf als geheel, maar niet aan afzonderlijke paden binnen
    groepen van Actieve verf.
    2 Kies Effect > Stileren > Pijl maken of Filter > Stileren > Pijl maken.
    3 Maak een keuze uit de diverse pijlpuntontwerpen voor het begin en einde van de lijn door heen en terug te bladeren met
    de pijlknoppen onder de vakken Begin en Einde. Het begin en einde van de lijn verwijst naar de volgorde waarin de lijn is
    getekend.
    4 Als u de grootte van een pijlpunt wilt wijzigen, geef dan het gewenste percentage op in het tekstvak Schalen. Hiermee
    wordt de pijlpunt relatief geschaald ten opzichte van de streekdikte van de lijn.
    5 Klik op OK.
    Als u de pijlpunten toepast als een filter, zijn de resulterende pijlpunten afzonderlijke objecten die met de lijn zijn
    gegroepeerd. De pijlpunten kunnen net als elk ander gegroepeerd object worden bewerkt en verplaatst. Als u de pijlpunten
    toepast als een effect, worden de pijlen behandeld als penseelstreken. Dit betekent dat de locatie, richting en kleur van de
    pijlpunten samen met de lijn worden gewijzigd en niet afzonderlijk kunnen worden bewerkt.

    Zie ook
    “Items aanwijzen voor weergavekenmerken” op pagina 330
    “Effecten en filters” op pagina 333

    De vulling of streek van een object verwijderen
    1 Selecteer het object.
    2 Klik op het vak Vulling of het vak Streek in het deelvenster Gereedschappen. Zo geeft u aan of u de vulling of de streek
    van het object wilt verwijderen.
    3 Klik op de knop Geen in het deelvenster Gereedschappen, Kleur of Stalen.
    A
    B
    C

    De vakken Vulling en Streek
    A. Het vak Vulling B. Het vak Streek C. De knop Geen

    Opmerking: U kunt ook op het pictogram Geen klikken in het menu Vulkleur of in het menu Streekkleur in het deelvenster
    Beheer.

    Objecten selecteren met dezelfde vulling en streek
    U kunt objecten selecteren met dezelfde kenmerken, zoals vulkleur, streekkleur en streekdikte.



  • Page 155

    ILLUSTRATOR CS3 149
    Handboek

    Opmerking: De opdrachten Selecteren > Zelfde > Vulkleur, Streekkleur en Streekdikte werken binnen een groep van Actieve
    verf als u een vlak of rand selecteert met het gereedschap Selectie van Actieve verf. De andere opdrachten binnen Selecteren >
    Zelfde werken niet. Het is niet mogelijk om identieke objecten die zich zowel binnen als buiten een groep van Actieve verf
    bevinden, tegelijkertijd te selecteren.

    • Als u objecten met dezelfde vulling en streek wilt selecteren, selecteert u een van deze objecten, klikt u op de knop
    Vergelijkbare objecten selecteren
    baseren.

    in het deelvenster Beheer en kiest u in het menu de optie waar u uw selectie op wilt

    • Als u alle objecten met dezelfde vul- of streekkleur wilt selecteren, selecteer dan een object met die vul- of streekkleur of
    kies de kleur in het deelvenster Kleur of Stalen. Kies vervolgens Selecteren > Zelfde en klik op Vulkleur, Streekkleur of
    Vulling en streek in het submenu.

    • Als u alle objecten met dezelfde streekdikte wilt selecteren, selecteer dan een object met die streekdikte of kies de
    streekdikte in het deelvenster Streek. Kies vervolgens Selecteren > Zelfde > Streekdikte.

    • Als u dezelfde selectiecriteria wilt toepassen op een ander object (stel bijvoorbeeld dat u alle rode objecten hebt
    geselecteerd met de opdracht Selecteren > Zelfde > Vulkleur en dat u nu alle groene objecten wilt zoeken), selecteer dan
    een nieuw object en kies Selecteren > Opnieuw selecteren.
    Als u rekening wilt houden met de tint van een object bij het selecteren op basis van kleur, kiest u Bewerken > Voorkeuren >
    Algemeen (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Algemeen (Mac OS) en kiest u vervolgens Zelfde tintpercentage
    selecteren. Als deze optie is ingeschakeld en u selecteert een object dat is gevuld met een 50%-tint van PANTONE Yellow C en
    u kiest Selecteren > Zelfde > Vulkleur, worden alleen de objecten geselecteerd met een 50%-tint van die kleur. Als deze optie is
    uitgeschakeld, worden objecten met alle tinten van PANTONE Yellow C geselecteerd.

    Meerdere vullingen en streken maken
    Met het deelvenster Vorm kunt u meerdere vullingen en streken maken binnen hetzelfde object. Door meerdere vullingen
    en streken aan een object toe te voegen, kunt u veel interessante effecten creëren. U kunt bijvoorbeeld een tweede, smallere
    streek boven op een brede streek maken of een effect toepassen op een bepaalde vulling en niet op andere vullingen.
    1 Selecteer een of meer objecten of groepen (of selecteer een laag in het deelvenster Lagen).
    2 Selecteer Nieuwe vulling toevoegen of Nieuwe streek toevoegen in het menu van het deelvenster Vorm. Of selecteer een
    vulling of streek in het deelvenster Vorm en klik op de knop Geselecteerd item dupliceren
    .
    3 Stel de kleur en andere eigenschappen in voor de nieuwe vulling of streek.
    Opmerking: Het kan zijn dat u de positie van de nieuwe vulling of streek moet aanpassen in het deelvenster Vorm. Als u
    bijvoorbeeld twee streken met verschillende diktes maakt, moet u erop letten dat in het deelvenster Vorm de smallere streek
    boven de bredere streek staat.

    Zie ook
    “Items aanwijzen voor weergavekenmerken” op pagina 330
    “Overzicht van het deelvenster Vorm” op pagina 329

    Groepen van Actieve verf
    Actieve verf
    Als u een illustratie converteert naar groepen van Actieve verf, kunt u deze vrij kleuren, op dezelfde manier als u zou doen
    op canvas of papier. U kunt elk padsegment met een andere kleur verven en u kunt elk ingesloten pad (dus niet alleen
    gesloten paden) vullen met een andere kleur, een ander patroon of een ander verloop.
    Met Actieve verf kunt u op een intuïtieve manier gekleurde tekeningen maken. Hiermee kunt u alle gereedschappen van
    Illustrator voor vectortekeningen gebruiken, maar alle paden die u tekent, worden behandeld alsof ze op hetzelfde vlakke
    oppervlak zijn getekend. Dat wil zeggen dat geen van de paden voor of achter een ander pad ligt. In plaats daarvan verdelen



  • Page 156

    ILLUSTRATOR CS3 150
    Handboek

    de paden het tekenoppervlak in gebieden die elk afzonderlijk kunnen worden gekleurd, onafhankelijk van het feit of een
    gebied wordt omgeven door een enkel pad of door segmenten van meerdere paden. Het kleuren van objecten gaat daardoor
    net zo als kleuren in een kleurboek of het inkleuren van een potloodtekening met waterverf.
    Wanneer u een groep van Actieve verf hebt gemaakt, blijft elk pad volledig bewerkbaar. Wanneer u de vorm van een pad
    verplaatst of aanpast, blijven de kleuren die u eerder hebt toegepast niet op hun plaats staan, zoals bij het tekenen met
    natuurlijke materialen of in beeldbewerkingsprogramma's. In plaats daarvan worden ze automatisch toegepast op de
    nieuwe gebieden die worden gevormd door de bewerkte paden.

    A

    B

    C

    Paden van Actieve verf aanpassen
    A. Origineel B. Groep van Actieve verf C. Paden en kleuren zijn aangepast

    De delen van groepen van Actieve verf die u kunt verven, worden randen en vlakken genoemd. Een rand is een deel van een
    pad tussen de snijpunten met andere paden. Een vlak is een gebied dat wordt ingesloten door een of meer randen. U kunt
    randen verven en vlakken vullen.
    Neem bijvoorbeeld een cirkel waar een lijn door is getekend. In de groep van Actieve verf worden door de lijn (rand) twee
    vlakken gemaakt in de cirkel. Met het gereedschap Emmertje voor Actieve verf kunt u elk vlak met een andere kleur vullen
    en elke rand met een andere kleur verven.

    Cirkel en lijn (links) vergeleken met cirkel en lijn na conversie naar een groep van Actieve verf en het vullen van de vlakken en het verven van
    de randen (rechts).

    Opmerking: Actieve verf maakt gebruik van multiprocessors, waardoor de bewerkingen sneller kunnen worden uitgevoerd.
    Op www.adobe.com/go/vid0042_nl vindt u een video over het gebruik van Actieve verf.

    Zie ook
    “Verfmethoden” op pagina 143
    “Vullingen en streken” op pagina 144

    Beperkingen bij het gebruik van Actieve verf
    In een groep van Actieve verf zijn vul- en verfkenmerken gekoppeld aan vlakken en randen en niet aan de werkelijke paden
    waardoor deze worden gedefinieerd, zoals in andere Illustrator-objecten. Hierdoor werken sommige functies en
    opdrachten anders of kunnen deze niet worden toegepast op paden in een groep van Actieve verf.
    Functies en opdrachten die u kunt gebruiken voor een groep van Actieve verf als geheel, maar niet voor afzonderlijke
    vlakken en randen

    • Transparantie
    • Effecten



  • Page 157

    ILLUSTRATOR CS3 151
    Handboek

    • Meerdere vullingen en streken in het deelvenster Vorm
    • Omhulsel vervormen
    • Object > Verbergen
    • Object > Rasteren naar pixels
    • Object > Segment > Hulplijnen maken
    • Dekkingsmasker maken (in het menu van het deelvenster Transparantie)
    • Penselen (U kunt penselen toepassen op een groep van Actieve verf als geheel, als u via het deelvenster Vorm een nieuwe
    streek aan de groep toevoegt.)
    Functies die u niet kunt gebruiken voor groepen van Actieve verf

    • Verloopnetten
    • Grafieken
    • Symbolen in het deelvenster Symbolen
    • Flakkeringen
    • Opties voor Streek uitlijnen in het deelvenster Streek
    • Het gereedschap Toverstaf
    Objectopdrachten die u niet kunt gebruiken voor groepen van Actieve verf

    • Omtrekstreek
    • Uitbreiden (In plaats hiervan kunt u de opdracht Object > Actieve verf > Uitbreiden gebruiken.)
    • Overvloeien
    • Segment
    • Knipmasker > Maken
    • Snijgebied > Maken
    • Verloopnet maken
    Overige opdrachten die u niet kunt gebruiken voor groepen van Actieve verf

    • Pathfinder-opdrachten
    • Bestand > Plaatsen
    • Weergave > Hulplijnen > Hulplijnen maken
    • Selecteren > Zelfde > Overvloeimodus, Vulling en streek, Dekking, Stijl, Symboolexemplaar en Blokreeksen koppelen
    • Object > Tekstomloop > Maken

    Groepen van Actieve verf maken
    Als u objecten wilt kleuren met verschillende kleuren voor elke rand of doorsnede, converteer dan de illustratie naar een
    groep van Actieve verf.
    Bepaalde typen objecten, zoals tekst, bitmapafbeeldingen en penselen, kunnen niet rechtstreeks worden omgezet in
    groepen van Actieve verf. U moet deze objecten eerst converteren naar paden. Als u bijvoorbeeld een object wilt
    converteren waarin penselen of effecten worden gebruikt, gaat de complexe visuele vorm verloren tijdens de conversie naar
    Actieve verf. U kunt echter veel van de weergave behouden door de objecten eerst naar normale paden te converteren en
    deze paden vervolgens naar Actieve verf te converteren.
    Opmerking: Als u een illustratie naar een groep van Actieve verf converteert, kunt u deze niet meer in de oorspronkelijke staat
    terugbrengen. U kunt de groep uitbreiden naar zijn afzonderlijke componenten. Als u de groep opheft, keert de groep terug naar
    zijn oorspronkelijke paden zonder vulling en met een zwarte streek van 0,5 pt.
    Op www.adobe.com/go/vid0042_nl vindt u een video over het gebruik van Actieve verf.



  • Page 158

    ILLUSTRATOR CS3 152
    Handboek

    Zie ook
    “Toetsen voor het werken met Actieve verf-groepen” op pagina 442
    Een groep van Actieve verf maken

    1 Selecteer een of meer paden en/of samengestelde paden.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Kies Object > Actieve verf > Maken.
    • Selecteer het gereedschap Emmertje voor Actieve verf

    en klik op het geselecteerde object.

    Opmerking: Bepaalde eigenschappen kunnen verloren gaan bij de conversie naar een groep van Actieve verf, zoals
    transparantie en effecten, terwijl andere objecten niet kunnen worden geconverteerd (zoals tekst, bitmapafbeeldingen en
    penselen).
    Objecten converteren naar groepen van Actieve verf
    ❖ Ga op een van de volgende manieren te werk voor objecten die niet rechtstreeks naar groepen van Actieve verf kunnen
    worden geconverteerd:

    • Voor tekstobjecten kiest u Tekst > Letteromtrekken maken. Zet de resulterende paden vervolgens om in een groep van
    Actieve verf.

    • Voor bitmapafbeeldingen kiest u Object > Actief overtrekken > Maken en converteren naar Actieve verf.
    • Voor andere objecten kiest u Object > Uitbreiden. Zet de resulterende paden vervolgens om in een groep van Actieve verf.

    Een groep van Actieve verf uitbreiden of opheffen
    Als u een groep van Actieve verf opheft, ontstaan er een of meer gewone paden zonder vulling en met een zwarte streek van
    0,5 pt. Als u een groep met Actieve verf uitbreidt, ontstaan er een of meer gewone paden die er hetzelfde uitzien als de groep
    van Actieve verf, maar het zijn nu afzonderlijk gevulde en geverfde paden. Met het gereedschap Groep selecteren kunt u
    deze paden afzonderlijk selecteren en wijzigen.

    Groep van Actieve verf voor (links) en na het uitbreiden waarbij de vlakken en randen zijn verplaatst (rechts)

    Groep van Actieve verf voor (links) en na het opheffen van de paden met de opdracht Geen (rechts)

    1 Selecteer de groep van Actieve verf.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Kies Object > Actieve verf > Uitbreiden.
    • Kies Object > Actieve verf > Geen.



  • Page 159

    ILLUSTRATOR CS3 153
    Handboek

    Items selecteren in groepen van Actieve verf
    Met het gereedschap Selectie van Actieve verf
    kunt u afzonderlijke vlakken en randen in een groep van Actieve verf
    selecteren. Met het gereedschap Selecteren kunt u de gehele groep van Actieve verf selecteren. Met het gereedschap
    Direct selecteren kunt u paden binnen een groep van Actieve verf selecteren. Als u bezig bent met een complex
    document, kunt u een groep van Actieve verf isoleren, zodat u op een eenvoudige manier precies de door u gewenste
    vlakken of randen kunt selecteren.
    De keuze van een selectiegereedschap hangt dus af van wat u wilt bewerken in een groep van Actieve verf. Gebruik
    bijvoorbeeld het gereedschap Selectie van Actieve verf om verschillende verlopen toe te passen op verschillende vlakken in
    een groep van Actieve verf en gebruik het gereedschap Selecteren om hetzelfde verloop toe te passen op de gehele groep van
    Actieve verf.

    Zie ook
    “Groepen en sublagen isoleren” op pagina 184
    Vlakken en randen selecteren

    De aanwijzer van het gereedschap Selectie van Actieve verf verandert in de vlakaanwijzer
    als de aanwijzer op een vlak
    wordt geplaatst, in de randaanwijzer als de aanwijzer op een rand wordt geplaatst, en in de x-aanwijzer
    als de
    aanwijzer buiten een groep van Actieve verf wordt geplaatst.
    ❖ Selecteer het gereedschap Selectie van Actieve verf. Voer daarna een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een afzonderlijk vlak of een afzonderlijke rand wilt selecteren, klik dan op een vlak of een rand.
    • Als u meerdere vlakken en randen wilt selecteren, sleep dan een selectiekader om de items die u wilt selecteren.
    Gedeeltelijke selecties worden in de selectie opgenomen.

    • Als u alle aangrenzende vlakken wilt selecteren die niet door een geverfde rand worden gescheiden, dubbelklik dan op
    een vlak.

    • Als u vlakken of randen met dezelfde vulling of streek wilt selecteren, klik dan driemaal op een item. Of klik eenmaal en
    kies Selecteren > Zelfde en kies vervolgens Vulkleur, Streekkleur of Streekdikte in het submenu.

    • Als u items wilt toevoegen aan of verwijderen uit de huidige selectie, klik dan op het item terwijl u Shift indrukt, of sleep
    een selectiekader om de items terwijl u Shift indrukt.
    Een groep van Actieve verf selecteren
    ❖ Klik met het gereedschap Selecteren op de groep.
    Een origineel pad binnen een groep van Actieve verf selecteren
    ❖ Klik met het gereedschap Direct selecteren op een pad binnen de groep van Actieve verf.
    Een groep van Actieve verf isoleren van de rest van de illustratie
    ❖ Doe het volgende met het gereedschap Selecteren:

    • Dubbelklik op de groep.
    • Selecteer de groep en klik op de knop Geselecteerde groep isoleren

    in deelvenster Beheer.

    Groepen van Actieve verf aanpassen
    Als u een pad in een groep van Actieve verf wijzigt, worden de gewijzigde of nieuwe vlakken en randen gekleurd met
    vullingen en streken van de bestaande groep. Als dit niet het verwachte resultaat oplevert, kunt u de gewenste kleuren
    opnieuw aanbrengen met het gereedschap Emmertje voor Actieve verf.



  • Page 160

    ILLUSTRATOR CS3 154
    Handboek

    Groep van Actieve verf voor (links) en na het aanpassen van paden (rechts)

    Als u randen verwijdert, vloeien de vullingen over in de zojuist uitgebreide vlakken. Als u bijvoorbeeld een pad verwijdert
    dat een cirkel in twee delen verdeelt, wordt de cirkel gevuld met een van de vullingen in de cirkel. U kunt de resultaten soms
    wel beïnvloeden. Voordat u bijvoorbeeld een pad verwijdert dat een cirkel in twee delen verdeelt, verplaatst u het pad eerst
    zodanig dat de vulling die u wilt behouden groter is dan de vulling die u wilt verwijderen.

    Groep van Actieve verf voor (links) en na het selecteren en verwijderen van een pad (rechts)

    Sla de vul- en streekkleuren die in groepen van Actieve verf worden gebruikt, op in het deelvenster Stalen. Als u een kleur
    kwijtraakt die u wilt behouden, kunt u het gewenste staal selecteren en de vulling of streek opnieuw toepassen met het
    gereedschap Emmertje voor Actieve verf.

    Zie ook
    “Groepen en sublagen isoleren” op pagina 184
    Paden toevoegen aan een groep van Actieve verf

    Wanneer u meer paden toevoegt aan een groep van Actieve verf, kunt u de nieuwe vlakken en randen die worden gemaakt
    vullen en verven.

    Groep van Actieve verf voor (links) en na het toevoegen van een nieuw pad en het verven van de nieuwe vlakken en randen die daardoor zijn
    ontstaan (rechts)

    ❖ Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Dubbelklik met het gereedschap Selecteren op een groep voor Actieve verf (of klik op de knop Geselecteerde groep
    isoleren in het deelvenster Beheer) om de groep in de isolatiemodus te zetten. Teken vervolgens een ander pad. Het
    nieuwe pad wordt toegevoegd aan de groep van Actieve verf. Klik op de knop Geïsoleerde groep afsluiten
    als u klaar
    bent met het toevoegen van nieuwe paden.

    • Selecteer een groep van Actieve verf en de paden die u aan de groep wilt toevoegen. Kies vervolgens Object > Actieve
    verf > Samenvoegen of klik op Actieve verf samenvoegen in het deelvenster Beheer.

    • Sleep in het deelvenster Lagen een of meer paden naar een groep van Actieve verf.



  • Page 161

    ILLUSTRATOR CS3 155
    Handboek

    Opmerking: Paden in een groep van Actieve verf worden mogelijk niet exact uitgelijnd met gelijksoortige of identieke paden
    buiten de groep van Actieve verf.
    De grootte van een afzonderlijk object of pad wijzigen
    ❖ Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik met het gereedschap Direct selecteren op het pad of object om het te selecteren. Kies vervolgens het gereedschap
    Selecteren en klik nogmaals op het pad of object om het te bewerken.

    • Dubbelklik met het gereedschap Selecteren op de groep van Actieve verf om deze in de isolatiemodus te zetten. Klik
    vervolgens op een pad of object om het te bewerken.

    Verven met het gereedschap Emmertje voor Actieve verf
    Met het gereedschap Emmertje voor Actieve verf kunt u vlakken en randen van groepen van Actieve verf verven met de
    huidige vul- en streekkenmerken. De aanwijzer van het gereedschap wordt weergegeven met een of drie gekleurde
    vierkantjes. Deze vierkantjes vertegenwoordigen de geselecteerde vulling- of streekkleur en, als u kleuren gebruikt van een
    staalbibliotheek, de twee kleuren die in de bibliotheek grenzen aan de geselecteerde kleur. U kunt de aangrenzende kleuren
    en de kleuren daar weer naast, enzovoort, selecteren door op Pijl-links of Pijl-rechts te drukken.
    1 Selecteer het gereedschap Emmertje voor Actieve verf

    .

    2 Geef de gewenste vul- of streekkleur en de gewenste grootte op.
    Opmerking: Als u een kleur selecteert uit het deelvenster Stalen, geeft de aanwijzer drie kleuren weer
    . De geselecteerde
    kleur bevindt zich in het midden met aan weerszijden de twee aangrenzende kleuren. Druk op Pijl-links of Pijl-rechts als u een
    aangrenzende kleur wilt gebruiken.
    3 Voer een van de volgende handelingen uit om een vlak te verven:

    • Klik op een vlak dat u wilt vullen. (Als de aanwijzer zich op een vlak bevindt, verandert deze in een halfgevuld
    verfemmertje

    en worden er markeringslijnen weergegeven rond de binnenkant van de vulling.)

    • Sleep over meerdere vlakken als u meerdere vlakken tegelijk wilt verven.
    • Dubbelklik op een vlak om door randen zonder streek heen ook aangrenzende vlakken te vullen.
    • Klik driemaal op een vlak als u alle vlakken wilt vullen die momenteel dezelfde vulling hebben.
    Als u wilt overschakelen naar het gereedschap Pipet om vullingen of streken te kopiëren, houd dan Alt (Windows) of Option
    (Mac OS) ingedrukt terwijl u op de gewenste vulling of streek klikt.
    4 Als u een rand wilt verven, dubbelklik dan op het gereedschap Emmertje voor Actieve verf en selecteer Streken verven,
    of schakel tijdelijk over naar de optie Streken verven door op Shift te drukken. Voer vervolgens een van de volgende
    handelingen uit:

    • Klik op een rand om de rand te verven. (Als de aanwijzer zich op een rand bevindt, verandert deze in een verfkwast
    en wordt de rand gemarkeerd.)

    • Sleep over meerdere randen als u meerdere randen tegelijk wilt verven.
    • Dubbelklik op een rand om alle verbonden randen met dezelfde kleur te verven.
    • Klik drie keer op een rand om alle randen met dezelfde kleur te verven.
    Opmerking: Met Shift kunt u snel schakelen tussen het verven van alleen streken en het verven van alleen vullingen. U kunt
    deze wijzigingen ook opgeven in het dialoogvenster Opties van Emmertje voor Actieve verf. Als u de optie Vullingen verven en
    ook de optie Streken verven hebt geselecteerd, schakelt u over naar alleen Vullingen verven als u op Shift drukt. (Dit kan handig
    zijn als u een klein vlak wilt vullen dat is omgeven door geverfde randen.)

    Zie ook
    “Instellingen voor vullingen en streken” op pagina 144
    “Een vulkleur toepassen op een object” op pagina 145
    “Een object voorzien van een streek” op pagina 145



  • Page 162

    ILLUSTRATOR CS3 156
    Handboek

    Opties van Emmertje voor Actieve verf

    Met het dialoogvenster Opties van Emmertje voor Actieve verf kunt u opgeven hoe het gereedschap Emmertje voor Actieve
    verf werkt, kiezen of u alleen vullingen, alleen streken of beide wilt verven en hoe vlakken en randen worden gemarkeerd
    wanneer u deze met het gereedschap aanwijst. U kunt deze opties weergeven door te dubbelklikken op het gereedschap
    Emmertje voor Actieve verf.
    Vullingen verven Hiermee verft u de vlakken van groepen van Actieve verf.
    Streken verven Hiermee verft u de randen van groepen van Actieve verf.
    Staalvoorvertoning op cursor Dit wordt weergegeven wanneer u een kleur kiest in het deelvenster Stalen. De aanwijzer van

    het gereedschap Emmertje voor Actieve verf verschijnt met drie kleurstalen: de geselecteerde vulling- of streekkleur plus
    de kleuren die er links en rechts in het deelvenster Stalen aan grenzen.
    Hooglicht Hiermee markeert u het vlak of de rand waarop de cursor is geplaatst. Vlakken worden gemarkeerd met een

    dikke lijn en randen worden gemarkeerd met een dunne lijn.
    Kleur Hiermee stelt u de kleur van de markering in. Kies een kleur in het menu of klik op het verfstaal als u een aangepaste

    kleur wilt opgeven.
    Breedte Hiermee geeft u de breedte van de markeringslijn op.

    Tussenruimten sluiten in groepen van Actieve verf
    Tussenruimten zijn kleine ruimten tussen paden. Als er verf doorstroomt naar vlakken die u niet wilt verven, zit er
    waarschijnlijk een tussenruimte in de illustratie. U kunt een nieuw pad maken of bestaande paden bewerken om de
    tussenruimte te sluiten of de tussenruimteopties in de groep van Actieve verf aanpassen.
    U kunt tussenruimten in illustraties met Actieve verf voorkomen door de paden de verlengen, zodat ze elkaar snijden.
    Vervolgens kunt u overbodige randen die ontstaan, selecteren en verwijderen of de streekoptie Geen erop toepassen.
    Tussenruimten in een groep van Actieve verf markeren
    ❖ Kies Weergave > Tussenruimten van Actieve verf tonen.

    Met deze opdracht worden alle tussenruimten in de geselecteerde groep van Actieve verf gemarkeerd op basis van de
    tussenruimteopties die voor de groep zijn ingesteld.
    Tussenruimteopties voor Actieve verf instellen
    ❖ Kies Object > Actieve verf > Tussenruimteopties en geef de gewenste opties op:
    Detectie van tussenruimten Hiermee worden tussenruimten in paden van Actieve verf gedetecteerd en wordt voorkomen
    dat er verf doorheen loopt. Als u deze optie selecteert, kan Illustrator trager worden als u met grote, complexe groepen van
    Actieve verf werkt. In dat geval kunt u Tussenruimten sluiten met paden kiezen om Illustrator sneller te laten werken.
    Verf stopt bij Hier stelt u de grootte van de tussenruimte in waar verf niet doorheen kan lopen.
    Eigen Hier geeft u een aangepaste grootte op voor Verft stopt bij.
    Kleur van tussenruimtevoorvertoning Hier stelt u de kleur in voor de voorvertoning van tussenruimten in groepen van
    Actieve verf. Kies een kleur in het menu of klik op het kleurstaal naast het menu Kleur van tussenruimtevoorvertoning als
    u een aangepaste kleur wilt opgeven.
    Tussenruimten sluiten met paden Als u deze optie selecteert, worden er ongeverfde paden aan uw groep van Actieve verf

    toegevoegd om tussenruimten te sluiten (in plaats van simpelweg te voorkomen dat er verf door de tussenruimten heen
    loopt). Aangezien deze paden niet zijn geverfd, krijgt u wellicht de indruk dat er nog steeds tussenruimten zijn. Deze
    tussenruimten zijn echter gesloten.
    Voorvertoning Tussenruimten die zijn aangetroffen in groepen van Actieve verf worden weergegeven als gekleurde lijnen,

    met de kleur die u voor de voorvertoning hebt gekozen.



  • Page 163

    ILLUSTRATOR CS3 157
    Handboek

    Tussenruimteregels voor samengevoegde groepen van Actieve verf

    Als u groepen van Actieve verf samenvoegt met verschillende tussenruimte-instellingen, gelden de volgende regels:

    • Als de detectie van tussenruimten in alle groepen in de selectie is uitgeschakeld, worden de tussenruimten gesloten. De
    detectie van tussenruimten wordt ingeschakeld waarbij Verf stopt bij wordt ingesteld op Kleine tussenruimten.

    • Als de detectie van tussenruimten in alle groepen met dezelfde tussenruimte-instelling is ingeschakeld, worden de
    tussenruimten gesloten en blijft de tussenruimte-instelling behouden.

    • Als de detectie van tussenruimten gemengd is binnen de selectie, worden de tussenruimten gesloten en blijven de
    tussenruimte-instellingen van de onderste groep van Actieve verf behouden (mits voor die groep de
    tussenruimtedetectie is ingeschakeld). Als voor de onderste groep de detectie van tussenruimten is uitgeschakeld, wordt
    de detectie van tussenruimten ingeschakeld waarbij Verf stopt bij wordt ingesteld op Kleine tussenruimten.

    Penselen
    Informatie over penselen
    Met penselen kunt u de vorm van paden stileren. U kunt penseelstreken toepassen op bestaande paden of met het
    gereedschap Penseel een pad tekenen en daarop tegelijkertijd een penseelstreek toepassen.
    Illustrator kent vier typen penselen: kalligrafische, verstrooiings-, kunst- en patroonpenselen. Met deze penselen kunt u de
    volgende effecten bereiken:
    Kalligrafische penselen Hiermee worden streken gemaakt die lijken op de streken die met de hoekige punt van een

    kalligrafische pen worden aangebracht en die over het midden van het pad worden getekend.
    Verstrooiingspenselen Hiermee worden kopieën van een object (bijvoorbeeld een lieveheersbeestje of een blad) verspreid

    langs het pad.
    Kunstpenselen Hiermee wordt een penseelvorm (bijvoorbeeld Houtskool - ruw) of een objectvorm gelijkmatig uitgerekt
    langs de lengte van het pad.
    Patroonpenselen Hiermee verft u een patroon dat bestaat uit afzonderlijke elementen en dat langs het pad wordt herhaald.

    Patroonpenselen kunnen maximaal vijf patroonelementen bevatten: voor de zijden, de binnenhoeken, de buitenhoeken en
    het begin en einde van een pad.

    A

    B

    C

    D

    Voorbeeldpenselen
    A. Kalligrafisch penseel B. Verstrooiingspenseel C. Kunstpenseel D. Patroonpenseel

    Met verstrooiingspenselen en patroonpenselen kunt u vaak hetzelfde effect bereiken. Een punt waarop ze verschillen is
    echter dat patroonpenselen het pad exact volgen, terwijl verstrooiingspenselen dat niet doen.



  • Page 164

    ILLUSTRATOR CS3 158
    Handboek

    Pijlen in een patroonpenseel buigen met het pad mee (links), maar in een verstrooiingspenseel (rechts) blijven de pijlen recht.

    Op www.adobe.com/go/vid0044_nl vindt u een video over het gebruik van penselen.

    Overzicht van het deelvenster Penselen
    In het deelvenster Penselen (Venster > Penselen) worden de penselen voor het huidige bestand weergegeven. Wanneer u
    een penseel in een penseelbibliotheek selecteert, wordt dit automatisch toegevoegd aan het deelvenster Penselen. Penselen
    die u maakt en opslaat in het deelvenster Penselen, zijn alleen gekoppeld aan het huidige bestand. Dit betekent dat in elk
    Illustrator-bestand het deelvenster Penselen een andere set penselen kan bevatten.

    Zie ook
    “Toetsen voor het deelvenster Penselen” op pagina 445
    Een penseeltype tonen of verbergen
    ❖ Kies een of meer van de volgende opties in het deelvenstermenu: Tonen Kalligrafische penselen, Tonen
    Verstrooiingspenselen, Tonen Kunstpenselen, Tonen Patroonpenselen.
    De weergave van penselen wijzigen
    ❖ Kies Miniaturen of Lijstweergave in het deelvenstermenu.
    De volgorde van penselen in het deelvenster Penselen wijzigen
    ❖ Sleep een penseel naar een nieuwe locatie. U kunt penselen alleen verplaatsen binnen hetzelfde type. U kunt een
    kalligrafisch penseel bijvoorbeeld niet verplaatsen naar het gebied met verstrooiingspenselen.
    Een penseel dupliceren in het deelvenster Penselen
    ❖ Sleep het penseel naar de knop Nieuw penseel

    of kies Penseel dupliceren in het menu van het deelvenster Penselen.

    Penselen verwijderen uit het deelvenster Penselen

    . U kunt alle penselen die niet worden gebruikt in een
    ❖ Selecteer de penselen en klik op de knop Penseel verwijderen
    document selecteren met de opdracht Ongebruikte selecteren in het menu van het deelvenster Penselen.

    Werken met penseelbibliotheken
    Penseelbibliotheken (Venster > Penseelbibliotheken > [bibliotheek]) zijn verzamelingen van vooraf ingestelde penselen die
    bij Illustrator worden meegeleverd. U kunt meerdere penseelbibliotheken openen om de inhoud te bekijken en penselen te
    selecteren. U kunt penseelbibliotheken ook via het menu van het deelvenster Penselen openen.
    Als u een penseelbibliotheek automatisch wilt openen wanneer u Illustrator start, kiest u Blijvend in het deelvenstermenu
    van de penseelbibliotheek.
    Penselen kopiëren van een penseelbibliotheek naar het deelvenster Penselen
    ❖ Sleep de penselen naar het deelvenster Penselen of kies Toevoegen aan penselen in het deelvenstermenu van de
    bibliotheek.



  • Page 165

    ILLUSTRATOR CS3 159
    Handboek

    Penselen van een ander bestand importeren in het deelvenster Penselen
    ❖ Kies Venster > Penseelbibliotheken > Andere bibliotheek en selecteer het bestand.
    Nieuwe penseelbibliotheken maken

    1 Voeg de gewenste penselen toe aan het deelvenster Penselen en verwijder de penselen die u niet wilt gebruiken.
    2 Kies Penseelbibliotheek opslaan in het menu van het deelvenster Penselen en plaats de nieuwe bibliotheek in een van de
    volgende mappen, zodat de bibliotheek verschijnt in het menu Penseelbibliotheken als u Illustrator opnieuw start.

    • (Windows XP) Documents and Settings/<gebruikersnaam>/Application Data/Adobe/Adobe IllustratorCS3
    Settings/Penselen

    • (Windows Vista) <gebruikersnaam>/AppData/Roaming/Adobe/Adobe Illustrator CS3 Settings/Penselen
    • (Mac OS) <gebruikersnaam>Bibliotheek/Application Support/Adobe/Adobe Illustrator CS3/Brushes
    Opmerking: Als u het bestand in een andere map plaatst, kunt u deze bibliotheek openen door Venster > Penseelbibliotheken >
    Andere bibliotheek te kiezen en het bibliotheekbestand te selecteren.

    Penseelstreken toepassen
    U kunt penseelstreken toepassen op een lijn die is gemaakt met een willekeurig gereedschap, inclusief het gereedschap Pen,
    het gereedschap Potlood of gereedschappen voor basisvormen.
    ❖ Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Selecteer de lijn en selecteer een penseel in een penseelbibliotheek, in het deelvenster Penselen of in het deelvenster
    Beheer.

    • Sleep een penseel naar de lijn. Als er op de lijn al penseelstreken zijn toegepast, wordt het oude penseel vervangen door
    het nieuwe.
    Als u de penseelstreekopties die eerder op de lijn zijn toegepast, wilt behouden, houd dan Alt (Windows) of Option
    (Mac OS) ingedrukt als u op een nieuw penseel klikt om penseelstreken te vervangen.

    Lijnen tekenen en tegelijkertijd penseelstreken toepassen
    1 Selecteer een penseel in een penseelbibliotheek of in het deelvenster Penselen.
    2 Selecteer het gereedschap Penseel

    .

    3 Plaats de aanwijzer op de positie waar de penseelstreek moet beginnen en sleep om een lijn te tekenen. Tijdens het slepen
    wordt de aanwijzer gevolgd door een stippellijn.
    4 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een open lijn wilt tekenen, laat u de muisknop los wanneer de lijn de gewenste vorm heeft.
    • Als u een gesloten vorm wilt tekenen, houd dan tijdens het slepen Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt. Het
    gereedschap Penseel heeft een kleine lus
    u de vorm wilt sluiten.

    . Laat de muisknop los (maar niet de Alt-toets of de Option-toets) wanneer

    Terwijl u tekent, worden ankerpunten geplaatst. Het aantal ankerpunten wordt bepaald door de lengte en de complexiteit
    van de lijn en door de tolerantie-instellingen voor het penseel.
    Als u de vorm van een penseellijn wilt aanpassen nadat u de lijn hebt getekend, moet u de lijn eerst selecteren. Plaats
    vervolgens het gereedschap Penseel op de lijn en sleep tot de lijn de gewenste vorm heeft. U kunt de techniek voor het
    verlengen van een penseellijn gebruiken en ook de vorm van de lijn tussen de bestaande eindpunten wijzigen.

    Opties voor het Penseel
    Dubbelklik op het gereedschap Penseel om de volgende opties in te stellen:
    Getrouwheid Hiermee bepaalt u hoe ver u de muis of de pen moet verplaatsen voordat een nieuw ankerpunt aan het pad

    wordt toegevoegd. De waarde 2,5 betekent bijvoorbeeld dat penseelbewegingen van minder dan 2,5 pixels niet worden



  • Page 166

    ILLUSTRATOR CS3 160
    Handboek

    geregistreerd. De waarde van Getrouwheid ligt in het bereik van 0,5 tot 20 pixels. Hoe hoger de waarde is, des te vloeiender
    en minder complex het pad is.
    Vloeiendheid Hiermee bepaalt u de mate van vloeiendheid die wordt toegepast als u het gereedschap gebruikt. U kunt voor
    Vloeiendheid een percentage van 0% tot 100% instellen. Hoe hoger de waarde is, hoe vloeiender het pad.
    Nieuwe penseelstreken vullen Hiermee voegt u een vulling toe aan het pad. Deze optie is vooral handig bij het tekenen van

    gesloten paden.
    Pad blijft geselecteerd Hiermee bepaalt u of het pad geselecteerd blijft nadat u het hebt getekend.
    Geselecteerde paden bewerken Hiermee bepaalt u of u een bestaand pad al dan niet kunt wijzigen met het gereedschap

    Penseel.
    Binnen: _ pixels Hiermee bepaalt u hoe dicht u de muis of de pen bij een bestaand pad moet plaatsen om het pad te kunnen
    bewerken met het gereedschap Penseel. Deze optie is alleen beschikbaar als de optie Geselecteerde paden bewerken is
    geselecteerd.

    Penseelstreken verwijderen
    1 Selecteer een penseellijn.
    2 Kies Penseelstreek wissen in het menu van het deelvenster Penselen of klik op de knop Penseelstreek wissen

    .

    Penseelstreken converteren naar omtrekken
    U kunt penseelstreken naar padomtrekken converteren, zodat u de afzonderlijke componenten van een penseellijn kunt
    bewerken.
    1 Selecteer een penseellijn.
    2 Kies Object > Vorm uitbreiden.
    De componenten van het uitgebreide pad worden in een groep geplaatst. Binnen de groep bevinden zich een pad en een
    subgroep met daarin de omtrekken van de penseelstreek.

    Penselen maken of wijzigen
    U kunt nieuwe kalligrafische, verstrooiings-, kunst- en patroonpenselen maken op basis van uw eigen instellingen. Voor
    verstrooiings-, kunst- en patroonpenselen moet u eerst de illustratie maken die u wilt gebruiken. Voor het maken van
    illustraties voor penselen gelden de onderstaande richtlijnen:

    • De illustratie mag geen verlopen, overvloeiingen, andere penseelstreken, netobjecten, bitmapafbeeldingen, grafieken,
    geplaatste bestanden of maskers bevatten.

    • Voor kunst- en patroonpenselen mag de illustratie geen tekst bevatten. Voor een penseelstreekeffect met tekst maakt u
    een omtrek van de tekst en maakt u vervolgens een penseel met de omtrek.

    • Voor patroonpenselen maakt u maximaal vijf patroonelementen (afhankelijk van de penseelconfiguratie) en voegt u
    deze elementen toe aan het deelvenster Stalen.

    Zie ook
    “Informatie over patronen” op pagina 177
    “Hoekelementen voor penseelpatronen maken” op pagina 180
    Een penseel maken

    1 Voor verstrooiings- en kunstpenselen selecteert u de illustratie die u wilt gebruiken. Voor patroonpenselen kunt u de
    illustratie voor het zijelement selecteren, maar dat hoeft niet.
    2 Klik op de knop Nieuw penseel
    deelvenster Penselen slepen.

    in het deelvenster Penselen. U kunt ook de geselecteerde illustratie naar het

    3 Selecteer het penseeltype dat u wilt maken en klik op OK.



  • Page 167

    ILLUSTRATOR CS3 161
    Handboek

    4 Voer in het dialoogvenster voor penseelopties een naam voor het penseel in, stel de penseelopties in en klik op OK.
    Een penseel aanpassen

    • Als u de opties voor een penseel wilt wijzigen, dubbelklik dan op het penseel in het deelvenster Penselen. Stel de
    penseelopties in en klik op OK. Als het huidige document penseelpaden bevat die gebruikmaken van het gewijzigde
    penseel, wordt een bericht weergegeven. Klik op Toepassen op streken als u bestaande streken wilt wijzigen. Klik op
    Streken ongewijzigd laten om bestaande streken ongewijzigd te laten en het gewijzigde penseel alleen toe te passen op
    nieuwe streken.

    • Als u de illustratie wilt wijzigen die door een verstrooiings-, kunst- of patroonpenseel wordt gebruikt, sleept u het penseel
    naar de illustratie en brengt u de gewenste wijzigingen aan. Vervolgens houd u Alt (Windows) of Option (Mac OS)
    ingedrukt terwijl u het aangepaste penseel naar het oorspronkelijke penseel in het deelvenster Penselen sleept.

    • Als u een penseellijn wilt wijzigen zonder het bijbehorende penseel bij te werken, selecteert u de lijn en klikt u op de knop
    Opties van geselecteerd object

    in het deelvenster Penselen.

    Penseelopties
    U kunt verschillende opties opgeven voor de verschillende typen penselen. Als u de opties voor een penseel wilt wijzigen,
    dubbelklik dan op het penseel in het deelvenster Penselen.
    De verstrooiings-, kunst- en patroonpenselen hebben alle dezelfde inkleuringsopties.
    Inkleuringsopties voor penselen

    De kleuren die een verstrooiings-, kunst- of patroonpenseel verft, zijn afhankelijk van de huidige streekkleur en de
    inkleuringsmethode van het penseel. U stelt de inkleuringsmethode in door een van de volgende opties te selecteren in het
    dialoogvenster Penseelopties:
    Geen Kleuren worden net zo weergegeven als in het penseel in het deelvenster Penselen. Kies Geen als u voor het penseel
    dezelfde kleuren wilt gebruiken als in het deelvenster Penselen.
    Tinten De penseelstreek wordt weergegeven met tinten van de streekkleur. Delen van de illustratie die zwart zijn worden
    weergegeven met de streekkleur, delen die niet zwart zijn worden weergegeven met tinten van de streekkleur en wit blijft
    wit. Als u een steunkleur gebruikt als streek, worden met de optie Tinten verschillende tinten van de steunkleur
    gegenereerd. Kies Tinten voor zwart-witte penselen of wanneer u een penseelstreek wilt verven met een steunkleur.
    Tinten en schaduwen De penseelstreek wordt weergegeven met tinten en schaduwen van de streekkleur. Als u Tinten en

    schaduwen kiest, blijven zwart en wit behouden en vloeien alle tussenliggende kleuren over van zwart naar wit via de
    streekkleur. Omdat zwart wordt toegevoegd, kunt u mogelijk niet afdrukken naar een enkelvoudige plaat als u Tinten en
    schaduwen gebruikt met een steunkleur. Kies Tinten en schaduwen voor penselen in grijswaarden.
    Kleurtoonverschuiving Gebruikt de hoofdkleur van de penseelillustratie, deze kleur wordt weergegeven in het vak
    Hoofdkleur. (Standaard is de hoofdkleur de meest prominente kleur in de illustratie.) Alle elementen in de penseelillustratie
    die de hoofdkleur hebben, krijgen de streekkleur. Andere kleuren in de penseelillustratie krijgen kleuren die verwant zijn
    aan de streekkleur. Bij Kleurtoonverschuiving blijven zwart, wit en grijs behouden. Kies Kleurtoonverschuiving voor
    penselen die meerdere kleuren gebruiken. Als u de hoofdkleur wilt wijzigen, klikt u op het pipet Hoofdkleur, verplaatst u
    het pipet naar de voorvertoning in het dialoogvenster en klikt u op de kleur die u als hoofdkleur wilt gebruiken. De kleur
    in het vak Hoofdkleur wordt gewijzigd. Klik nogmaals op het pipet om het uit te schakelen.

    Klik op Tips voor meer informatie en voorbeelden.
    Opties voor kalligrafische penselen
    Hoek Hiermee bepaalt u de rotatiehoek voor het penseel. Sleep de pijlpunt in de voorvertoning of voer in het tekstvak Hoek

    een waarde in.
    Ronding Hiermee bepaalt u de ronding van het penseel. Sleep een van de zwarte stippen in de voorvertoning van of naar

    het midden, of geef een waarde op in het tekstvak Ronding. Hoe hoger de waarde, des te groter de ronding.
    Diameter Hiermee bepaalt u de diameter van het penseel. Gebruik de schuifregelaar Diameter of geef een waarde op in het

    tekstvak Diameter.



  • Page 168

    ILLUSTRATOR CS3 162
    Handboek

    Met de pop-uplijst rechts van elke optie kunt u variaties aanbrengen in de vorm van het penseel. Kies een van de volgende
    opties:
    Vast Hiermee maakt u een penseel met een vaste hoek, ronding of diameter.
    Willekeurig Hiermee maakt u een penseel met willekeurige variaties in de hoek, ronding of diameter. Typ een waarde in
    het tekstvak Variatie om het bereik op te geven voor de variatie in de penseelkenmerken. Bijvoorbeeld met een diameter
    van 15 en een variatie van 5, kan de diameter variëren van 10 tot en met 20.
    Druk Hiermee maakt u een penseel waarbij de hoek, ronding of diameter varieert op basis van de druk van een tekenpen.

    Deze optie is vooral handig bij Diameter. Deze optie is alleen beschikbaar als u een grafisch tablet gebruikt. Typ een waarde
    in het tekstvak Variatie om op te geven hoeveel de penseelkenmerken kunnen variëren ten opzichte van de oorspronkelijke
    waarde. Als de waarde voor Ronding bijvoorbeeld 75% is en de waarde voor Variatie 25%, is de lichtste streek 50% en de
    zwaarste streek 100%. Hoe lichter de druk, des te groter de hoek van de penseelstreek.
    Pendrukschijf Hiermee stelt u in dat de variatie van de diameter wordt aangestuurd met behulp van de pendrukschijf. Deze

    optie is alleen beschikbaar als u een grafisch tablet gebruikt dat de hellingsrichting van de pen kan detecteren.
    Overhelling Hiermee maakt u een penseel waarbij de hoek, ronding of diameter varieert op basis van de helling van een
    tekenpen. Deze optie is vooral handig bij Ronding. Deze optie is alleen beschikbaar als u een grafisch tablet gebruikt dat de
    hellingsrichting van de pen kan detecteren.
    Draairichting Hiermee maakt u een penseel waarbij de hoek, ronding of diameter varieert op basis van de druk van een
    tekenpen. Deze optie is vooral handig om de hoek van kalligrafische penselen te variëren, met name waneer u het penseel
    als een verfkwast gebruikt. Deze optie is alleen beschikbaar als u een grafisch tablet gebruikt dat kan detecteren in welke
    mate de pen verticaal is.
    Rotatie Hiermee maakt u een penseel waarvan de hoek, ronding of diameter varieert op basis van de rotatiewijze van de

    tekenpenpunt. Deze optie is vooral handig om de hoek van kalligrafische penselen te variëren, met name waneer u het
    penseel als een stift met platte punt gebruikt. Deze optie is alleen beschikbaar als u een grafisch tablet gebruikt dat dit type
    rotatie kan detecteren.
    Opties voor verstrooiingspenselen
    Grootte Hiermee bepaalt u de grootte van de objecten.
    Tussenruimte Hiermee bepaalt u de hoeveelheid ruimte tussen objecten.
    Verstrooiing Hiermee bepaalt u hoe nauwkeurig objecten het pad volgen aan elke kant van het pad. Hoe hoger de waarde

    is, des te verder de objecten van het pad vandaan worden geplaatst.
    Rotatie Hiermee bepaalt u de rotatiehoek van de objecten.
    Rotatie ten opzichte van Hiermee stelt u de rotatiehoek voor verstrooide objecten in ten opzichte van de pagina of het pad.
    Als u bijvoorbeeld Pagina selecteert bij een rotatie van 0˚, wijzen objecten naar de bovenkant van de pagina. Als u Pad
    selecteert bij een rotatie van 0˚, staan objecten loodrecht op het pad.

    Met de pop-uplijst rechts van elke optie kunt u variaties aanbrengen in de vorm van het penseel. Kies een van de volgende
    opties:
    Vast Hiermee maakt u een penseel met een vaste grootte, tussenruimte, verstrooiing en rotatie.
    Willekeurig Hiermee maakt u een penseel met willekeurige variaties in de grootte, tussenruimte, verstrooiing en rotatie.
    Typ een waarde in het tekstvak Variatie om het bereik op te geven voor de variatie in de penseelkenmerken. Bijvoorbeeld
    met een diameter van 15 en een variatie van 5, kan de diameter variëren van 10 tot en met 20.
    Druk Hiermee maakt u een penseel waarbij de hoek, ronding of diameter varieert op basis van de druk van een tekenpen.

    Deze optie is alleen beschikbaar als u een grafisch tablet gebruikt. Typ een waarde in het meest rechtse tekstvak of gebruik
    de schuifregelaar Maximum. De minimumwaarde wordt gebruikt voor de lichtste druk op het tablet en de
    maximumwaarde voor de zwaarste druk. Hoe zwaarder de streek bij deze instelling voor Diameter, des de groter de
    objecten.
    Pendrukschijf Hiermee stelt u in dat de variatie van de diameter wordt aangestuurd met behulp van de pendrukschijf. Deze

    optie is alleen beschikbaar als u een grafisch tablet gebruikt dat de hellingsrichting van de pen kan detecteren.



  • Page 169

    ILLUSTRATOR CS3 163
    Handboek

    Overhelling Hiermee maakt u een penseel waarbij de hoek, ronding of diameter varieert op basis van de helling van een
    tekenpen. Deze optie is vooral handig bij Ronding. Deze optie is alleen beschikbaar als u een grafisch tablet gebruikt dat de
    hellingsrichting van de pen kan detecteren.
    Draairichting Hiermee maakt u een penseel waarbij de hoek, ronding of diameter varieert op basis van de druk van een
    tekenpen. Deze optie vooral handig om de hoek van penselen te variëren. Deze optie is alleen beschikbaar als u een grafisch
    tablet gebruikt dat kan bepalen in welke mate de pen verticaal is.
    Rotatie Hiermee maakt u een penseel waarvan de hoek, ronding of diameter varieert op basis van de rotatiewijze van de

    tekenpenpunt. Deze optie vooral handig om de hoek van penselen te variëren. Deze optie is alleen beschikbaar als u een
    grafisch tablet gebruikt dat dit type rotatie kan detecteren.
    Opties voor kunstpenselen
    Richting Hiermee bepaalt u de richting van de illustratie ten opzichte van de lijn. Klik op een pijl om de richting te

    bepalen:
    als de linkerzijde van de illustratie het einde van de streek moet zijn,
    als de rechterzijde van de illustratie
    het einde van de streek moet zijn,
    als de bovenzijde van de illustratie het einde van de streek moet zijn en
    als de
    onderzijde van de illustratie het einde van de streek moet zijn.
    Breedte Hiermee past u de breedte van de illustratie aan ten opzichte van de oorspronkelijke breedte.
    Proportioneel Hiermee behoudt u de verhoudingen in een geschaalde illustratie.
    Horizontaal omdraaien of Verticaal omdraaien Hiermee wijzigt u de stand van de illustratie ten opzichte van de lijn.

    Opties voor patroonpenselen
    Knoppen voor elementen Hiermee kunt u verschillende patronen toepassen op verschillende delen van de lijn. Klik op de

    knop voor het element dat u wilt definiëren en selecteer een patroonstaal in de lijst. Herhaal deze stap als u patroonstalen
    ook op andere elementen wilt toepassen.
    Opmerking: Voordat u opties voor een patroonpenseel instelt, moet u de patroonelementen die u wilt gebruiken, toevoegen aan
    het deelvenster Stalen. Nadat u een patroonpenseel hebt gemaakt, kunt u de patroonstalen verwijderen uit het deelvenster
    Stalen als u ze niet meer nodig hebt.

    D

    C

    A

    B

    C

    A

    D

    B

    E

    E

    Elementen in een patroonpenseel
    A. Element zijkant B. Element buitenhoek C. Element binnenhoek D. Beginelement E. Eindelement
    Schalen Hiermee past u de grootte van de elementen aan ten opzichte van de oorspronkelijke grootte.
    Tussenruimte Hiermee past u de ruimte tussen de elementen aan.
    Horizontaal omdraaien of Verticaal omdraaien Hiermee wijzigt u de stand van het patroon ten opzichte van de lijn.



  • Page 170

    ILLUSTRATOR CS3 164
    Handboek

    Passend Hiermee bepaalt u hoe het patroon op de lijn wordt geplaatst. Met Uitrekken wordt het patroonelement verlengd
    of verkort om het aan te passen aan het object. Deze optie kan leiden tot ongelijke elementen. Met Tussenruimte toevoegen
    wordt tussen de patroondelen ruimte toegevoegd, zodat het patroon proportioneel wordt toegepast op het pad. Met Pad
    benaderen worden de elementen op het pad geplaatst dat het oorspronkelijke pad het dichtst benadert zonder de elementen
    te wijzigen. Bij deze optie wordt het patroon niet midden op het pad, maar iets meer aan de binnen- of buitenkant van het
    pad aangebracht om gelijke elementen te behouden.

    A

    B

    C

    Instellingen voor de optie Passend
    A. Uitrekken B. Tussenruimte toevoegen C. Pad benaderen

    Transparantie- en overvloeiingsmodi
    Transparantie
    Transparantie is een integraal onderdeel van Illustrator, zodat het mogelijk is dat transparantie aan illustraties wordt
    toegevoegd zonder dat u het merkt. U kunt op de volgende manieren transparantie aan illustraties toevoegen:

    • U verlaagt de dekking van objecten, zodat de onderliggende illustratie zichtbaar wordt.
    • U gebruikt dekkingsmaskers om variaties in transparantie te maken.
    • U gebruikt een overvloeimodus om de interactie tussen overlappende objecten te wijzigen.
    • U past verlopen en netten toe die transparantie bevatten.
    • U past effecten of grafische stijlen toe die transparantie bevatten, zoals slagschaduwen.
    • U importeert bestanden van Adobe Photoshop die transparantie bevatten.
    Op www.adobe.com/go/vid0054_nl vindt u een video over het werken met transparantie. Op
    www.adobe.com/go/learn_ai_transparency_pdf_nl vindt u meer informatie over het werken met transparantie in de
    diverse Adobe Creative Suite-componenten.

    Zie ook
    “Afdrukken illustraties afdrukken en opslaan” op pagina 396
    “Overvloeimodi” op pagina 170



  • Page 171

    ILLUSTRATOR CS3 165
    Handboek

    Overzicht van het deelvenster Transparantie
    Gebruik het deelvenster Transparantie (Venster > Transparantie) om de dekking en de overvloeimodus van objecten in te
    stellen, dekkingsmaskers te maken of om een gedeelte van het ene object af te dekken met het overlappende gedeelte van
    een transparant object.

    Zie ook
    “Overzicht werkgebied” op pagina 13
    Alle opties in het deelvenster Transparantie tonen
    ❖ Kies Opties tonen in het deelvenstermenu.
    Een miniatuur van het geselecteerde object tonen in het deelvenster Transparantie
    ❖ Kies Miniatuur tonen in het deelvenstermenu. U kunt ook op het dubbele driehoekje op de deelvenstertab klikken om
    door de weergavegrootten te bladeren.

    Transparantie in illustraties bekijken
    Het is belangrijk dat u weet of u transparantie gebruikt, omdat u enkele extra opties moet instellen als u transparante
    illustraties wilt afdrukken of opslaan. Als u transparantie in een illustratie wilt zien, kunt u een geblokt achtergrondraster
    weergeven, zodat u kunt zien welke gebieden in de illustratie transparant zijn.
    1 Kies Weergave > Transparantieraster tonen.
    2 (Optioneel) Kies Bestand > Documentinstellingen. Selecteer Transparantie in het menu boven in het dialoogvenster
    Documentinstellingen en stel de rasteropties in.
    Opmerking: U kunt ook de kleur van het tekengebied wijzigen om te simuleren hoe de illustratie eruit ziet wanneer deze op
    gekleurd papier wordt afgedrukt.

    De dekking van illustraties wijzigen
    U kunt de dekking van een enkel object, de dekking van alle objecten in een groep of laag of de dekking van de vulling of
    streek van een object wijzigen.
    1 Selecteer een object of groep (of selecteer een laag in het deelvenster Lagen).
    Als u de dekking van een vulling of streek wilt wijzigen, selecteer dan het object en selecteer vervolgens de vulling of streek
    in het deelvenster Vorm.
    2 Stel de optie Dekking in het deelvenster Transparantie of in het deelvenster Beheer in.
    Als u alle objecten met een bepaalde dekking wilt selecteren, selecteert u een object met die dekking of deselecteert u alles
    en geeft u de dekkingswaarde op in het deelvenster Transparantie. Kies vervolgens Selecteren > Zelfde > Dekking.
    Als u meerdere objecten in een laag selecteert en de dekkingsinstelling wijzigt, verandert de dekking van overlappende
    gebieden van de geselecteerde objecten ten opzichte van de andere objecten. Deze gebieden zullen een hogere
    dekkingswaarde hebben. Als u echter een laag of groep aanwijst en daarna de dekking wijzigt, worden de objecten in de
    laag of groep als één object gezien. Alleen objecten buiten en onder de laag of groep zijn zichtbaar door de transparante
    objecten. Als een object naar de laag of de groep wordt verplaatst, neemt het de dekking van de laag of de groep over en als
    een object buiten de groep wordt geplaatst, blijft de dekking niet behouden.



  • Page 172

    ILLUSTRATOR CS3 166
    Handboek

    Afzonderlijke objecten die zijn geselecteerd en waarvoor de dekking is ingesteld op 50% (links), vergeleken met een laag die als doel is
    geselecteerd en waarvan de dekking is ingesteld op 50% (rechts)

    Zie ook
    “Items aanwijzen voor weergavekenmerken” op pagina 330
    “Overzicht van het deelvenster Vorm” op pagina 329
    “Afdrukken illustraties afdrukken en opslaan” op pagina 396

    Een transparante afdekgroep maken
    In een transparante afdekgroep schijnen de elementen van een groep niet door elkaar heen.

    Groep waarvoor de optie Afdekgroep is uitgeschakeld (links) en ingeschakeld (rechts).

    1 Wijs in het deelvenster Lagen de groep of laag aan waar u een afdekgroep van wilt maken.
    2 Selecteer in het deelvenster Transparantie de optie Afdekgroep. Als deze optie niet wordt weergegeven, selecteert u
    Opties tonen in het deelvenstermenu.
    Het selectievakje Afdekgroep kent drie standen: aan (vinkje), uit (leeg) en neutraal (gevuld vierkantje). Gebruik de neutrale
    stand als u de illustratie wilt groeperen zonder het afdekgedrag te beïnvloeden zoals dat wordt bepaald door de ingesloten
    laag of groep. Schakel de optie uit als u wilt dat een laag of groep van transparante objecten elkaar nooit afdekken.

    Zie ook
    “Items aanwijzen voor weergavekenmerken” op pagina 330
    “Afdrukken illustraties afdrukken en opslaan” op pagina 396

    Dekkingsmaskers gebruiken om transparantie te maken
    Met een dekkingsmasker en een maskerend object kunt u de transparantie van de onderliggende illustratie wijzigen. Het
    dekkingsmasker (ook wel gemaskeerde illustratie genoemd) biedt een vorm waardoor andere objecten zichtbaar zijn. Het
    maskerende object bepaalt welke gebieden transparant zijn en wat de mate van transparantie is. U kunt elk gekleurd object
    of elke gekleurde rasterafbeelding gebruiken als maskerend object. Voor de dekkingsniveaus in het masker maakt Illustrator
    gebruik van de grijswaarde-equivalenten van de kleuren in het maskerende object. Waar het dekkingsmasker wit is, is de
    illustratie volledig zichtbaar. Waar het dekkingsmasker zwart is, is de illustratie verborgen. Grijstinten in het masker
    resulteren in verschillende transparantieniveaus in de illustratie.



  • Page 173

    ILLUSTRATOR CS3 167
    Handboek

    A

    B

    C

    D

    Een dekkingsmasker maken
    A. Onderliggende objecten B. Illustratie die als dekkingsmasker fungeert C. Maskerend object gevuld met zwart-witverloop D. C is over
    gebied B geplaatst en maskeert B

    Wanneer het dekkingsmasker is gemaakt, wordt een miniatuur van het maskerende object weergegeven in het deelvenster
    Transparantie rechts van de miniatuur van de gemaskeerde illustratie. (Als deze miniaturen niet worden weergegeven, kiest
    u Miniatuur tonen in het deelvenstermenu.) Standaard zijn de gemaskeerde illustratie en het maskerende object gekoppeld
    (dit wordt weergegeven met een koppeling tussen de miniaturen in het deelvenster). Wanneer u de gemaskeerde illustratie
    verplaatst, wordt ook het maskerende object verplaatst. Wanneer u echter een maskerend object verplaatst, wordt de
    gemaskeerde illustratie niet verplaatst. U kunt de koppeling met het masker in het deelvenster Transparantie verbreken,
    zodat het masker op zijn plaats blijft en u de gemaskeerde illustratie onafhankelijk kunt verplaatsen.

    In het deelvenster Transparantie worden miniaturen van dekkingsmaskers weergegeven: de miniatuur links vertegenwoordigt het
    dekkingsmasker, de miniatuur rechts vertegenwoordigt maskerende objecten.

    U kunt maskers verplaatsen tussen Photoshop en Illustrator. Dekkingsmaskers in Illustrator worden in Photoshop
    geconverteerd naar laagmaskers, en andersom.
    Opmerking: U kunt de isolatiemodus niet activeren als u in de bewerkingsmodus voor maskers werkt, en andersom.
    Op www.adobe.com/go/vid0056_nl vindt u een video over het werken met dekkingsmaskers.

    Zie ook
    “Afdrukken illustraties afdrukken en opslaan” op pagina 396
    “Items aanwijzen voor weergavekenmerken” op pagina 330
    Een dekkingsmasker maken

    1 Selecteer een enkelvoudig object of groep, of selecteer een laag in het deelvenster Lagen.
    2 Dubbelklik direct rechts naast de miniatuur in het deelvenster Transparantie.
    3 Als de miniatuur niet wordt weergegeven, kiest u Miniatuur tonen in het deelvenstermenu. Er wordt een leeg masker
    gemaakt en de bewerkingsmodus voor maskers wordt automatisch geactiveerd.
    4 Gebruik de tekengereedschappen om de vorm van het masker te tekenen.
    5 Klik op de miniatuur van de gemaskeerde illustratie (linkerminiatuur) in het deelvenster Transparantie om de
    bewerkingsmodus voor maskers af te sluiten.
    Opmerking: Met de optie Knippen stelt u een zwarte achtergrond in voor het masker. Als de optie Knippen is geselecteerd, zijn
    zwarte objecten, zoals zwarte tekst die u gebruikt om een dekkingsmasker te maken, daarom niet zichtbaar. Als u de objecten
    wilt zien, gebruikt u een andere kleur of schakelt u de optie Knippen uit.



  • Page 174

    ILLUSTRATOR CS3 168
    Handboek

    Een bestaand object converteren naar een dekkingsmasker
    ❖ Selecteer ten minste twee objecten of groepen en kies Dekkingsmasker maken in het menu van het deelvenster
    Transparantie. Het bovenste object of de bovenste groep in de selectie wordt gebruikt als masker.
    Een maskerend object bewerken

    U kunt een maskerend object bewerken om de vorm of de transparantie van het masker te wijzigen.
    1 Klik op de miniatuur van het maskerende object (rechterminiatuur) in het deelvenster Transparantie.
    2 Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik op de maskerminiatuur om alle andere illustraties in het
    documentvenster te verbergen. (Als de miniaturen niet worden weergegeven, kiest u Miniatuur tonen in het
    deelvenstermenu.)
    3 Bewerk het masker met de bewerkingsgereedschappen en -technieken van Illustrator.
    4 Klik op de miniatuur van de gemaskeerde illustratie (linkerminiatuur) in het deelvenster Transparantie om de
    bewerkingsmodus voor maskers af te sluiten.
    Een dekkingsmasker ontkoppelen of opnieuw koppelen

    • Als u een masker wilt ontkoppelen, wijs dan de gemaskeerde illustratie aan in het deelvenster Lagen en klik op het
    koppelingssymbool tussen de miniaturen in het deelvenster Transparantie. Of selecteer Dekkingsmasker scheiden in
    het menu van het deelvenster Transparantie.
    De positie en de grootte van het maskerende object worden vergrendeld en u kunt de gemaskeerde objecten onafhankelijk
    van het masker verplaatsen en vergroten of verkleinen.

    • Als u een masker opnieuw wilt koppelen, wijs dan de gemaskeerde illustratie aan in het deelvenster Lagen en klik in het
    gebied tussen de miniaturen in het deelvenster Transparantie. Of selecteer Dekkingsmasker koppelen in het menu van
    het deelvenster Transparantie.
    Een dekkingsmasker deactiveren of opnieuw activeren

    Als u de transparantie wilt verwijderen die door het masker wordt gemaakt, kunt u het masker deactiveren.

    • Als u een masker wilt deactiveren, wijs dan de gemaskeerde illustratie aan in het deelvenster Lagen en klik, terwijl u Shift
    ingedrukt houdt, op de miniatuur van het maskerende object (rechterminiatuur) in het deelvenster Transparantie. Of
    selecteer Dekkingsmasker uitschakelen in het menu van het deelvenster Transparantie. Wanneer het dekkingsmasker is
    gedeactiveerd, wordt er een rood kruis weergegeven door de maskerminiatuur in het deelvenster Transparantie.

    • Als u een masker opnieuw wilt activeren, wijs dan de gemaskeerde illustratie aan in het deelvenster Lagen en klik, terwijl
    u Shift ingedrukt houdt, op de miniatuur van het maskerende object in het deelvenster Transparantie. Of selecteer
    Dekkingsmasker inschakelen in het menu van het deelvenster Transparantie.
    Een dekkingsmasker verwijderen
    ❖ Wijs de gemaskeerde illustratie aan in het deelvenster Lagen en selecteer vervolgens Dekkingsmasker opheffen in het
    deelvenster Transparantie.

    Het maskerende object komt nu weer tevoorschijn boven op de objecten die waren gemaskeerd.
    Een dekkingsmasker omkeren of knippen

    1 Selecteer de gemaskeerde illustratie in het deelvenster Lagen.
    2 Selecteer een van de volgende opties in het deelvenster Transparantie:
    Knippen Het masker krijgt een zwarte achtergrond waardoor de gemaskeerde illustratie wordt uitgeknipt tot de grenzen
    van het maskerende object. Schakel de optie Knippen uit om dit gedrag uit te schakelen. Als nieuwe dekkingsmaskers
    standaard knippend moeten zijn, selecteer dan Nieuwe dekkingsmaskers zijn knippend in het menu van het deelvenster
    Transparantie.
    Mask. omkeren Hiermee worden de lichtsterktewaarden van het maskerende object omgekeerd, waardoor de dekking van

    de gemaskeerde illustratie wordt omgekeerd. Als het masker is omgekeerd, worden gebieden die bijvoorbeeld 90%
    transparant zijn, 10% transparant. Schakel de optie Mask. omkeren uit om de oorspronkelijke toestand van het masker te



  • Page 175

    ILLUSTRATOR CS3 169
    Handboek

    herstellen. Als u alle maskers standaard wilt omkeren, selecteer dan Nieuwe dekkingsmaskers worden omgekeerd in het
    menu van het deelvenster Transparantie.
    Als deze opties niet worden weergegeven, selecteert u Opties tonen in het deelvenstermenu.

    Transparantie gebruiken om een afdekvorm te maken
    Met de optie Dekking en masker bepalen afdekvorm kunt u een afdekeffect maken dat proportioneel is ten opzichte van de
    dekking van het object. In gebieden van het masker waar de dekking bijna 100% is, is er sprake van een sterk afdekeffect;
    in gebieden met minder dekking, is het afdekeffect zwakker. Als u bijvoorbeeld een object met verloopmaskering gebruikt
    als afdekvorm, wordt het onderliggende object in toenemende mate afgedekt, alsof het door een verloop wordt gearceerd.
    U kunt afdekvormen maken met zowel vectorobjecten als rasterobjecten. Deze techniek is het meest geschikt voor objecten
    die een andere overvloeimodus gebruiken dan de modus Normaal.
    1 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een dekkingsmasker wilt gebruiken om de afdekvorm te maken, selecteert u de gemaskeerde illustratie en
    groepeert u deze vervolgens met de objecten die u wilt afdekken.

    • Als u het alfakanaal van een bitmapobject wilt gebruiken om de afdekvorm te maken, selecteert u een bitmapobject dat
    transparantie bevat en vervolgens groepeert u dat object met de objecten die u wilt afdekken.
    2 Selecteer de groep.
    3 Klik in het deelvenster Transparantie op de optie Afdekgroep totdat er een vinkje wordt weergegeven.
    4 Selecteer de maskerende objecten of de transparante afbeelding die in het deelvenster Lagen tussen de gegroepeerde
    objecten staan.
    5 Selecteer in het deelvenster Transparantie de optie Dekking en masker bepalen afdekvorm.

    A

    B

    C

    Vormen afdekken met een bitmapobject
    A. Originele illustratie B. De overvloeimodus Donkerder maken toegepast op het woord “PEARS” terwijl de optie Afdekgroep is geselecteerd
    C. De optie Dekking en masker bepalen afdekvorm toegepast op het woord “PEARS”

    Zie ook
    “Afdrukken illustraties afdrukken en opslaan” op pagina 396
    “Items aanwijzen voor weergavekenmerken” op pagina 330



  • Page 176

    ILLUSTRATOR CS3 170
    Handboek

    Overvloeimodi
    Met overvloeimodi kunt u kleuren van objecten en de kleuren van onderliggende objecten op verschillende manieren in
    elkaar laten overvloeien. Wanneer u een overvloeimodus toepast op een object, is het effect van de overvloeimodus
    zichtbaar op alle objecten onder de laag of de groep met het object.
    Het is handig om bij het visualiseren van het effect van een overvloeimodus te denken aan de volgende terminologie wat
    betreft kleuren:

    • De overvloeikleur is de oorspronkelijke kleur van het geselecteerde object of van de geselecteerde groep of laag.
    • De basiskleur is de onderliggende kleur in de illustratie.
    • De resulterende kleur is de kleur die ontstaat na het overvloeien.

    A

    B

    C

    Bovenste object met overvloeimodus Normaal (links) in vergelijking met de overvloeimodus Fel licht (rechts)
    A. Basiskleuren in onderliggende objecten met 100% dekking B. Overvloeikleur in het bovenste object C. Resulterende kleuren na toepassing
    van de overvloeimodus Fel licht op het bovenste object

    Op www.adobe.com/go/vid0055_nl vindt u een video over het werken met overvloeimodi.
    In Illustrator kunt u beschikken over de volgende overvloeimodi:
    Normaal Verft de selectie met de overvloeikleur zonder interactie met de basiskleur. Dit is de standaardmodus.
    Donkerder maken Selecteert de basis- of overvloeikleur als resulterende kleur (de donkerste kleur wordt geselecteerd).

    Gebieden die lichter zijn dan de overvloeikleur, worden vervangen. Gebieden die donkerder zijn dan de overvloeikleur,
    blijven ongewijzigd.
    Vermenigvuldigen Vermenigvuldigt de basiskleur met de overvloeikleur. De resulterende kleur is altijd donkerder.

    Vermenigvuldigen met zwart geeft altijd zwart als resultaat. Elke willekeurige kleur die met wit wordt vermenigvuldigd,
    blijft ongewijzigd. U krijgt een vergelijkbaar effect wanneer u tekent op de pagina met meerdere magische markeringen.
    Kleur doordrukken Maakt de basiskleur donkerder waardoor de overvloeikleur zichtbaar wordt. Wit als overvloeikleur

    heeft in deze modus geen effect.
    Lichter maken Selecteert de basis- of overvloeikleur als resulterende kleur (de lichtste kleur wordt geselecteerd). Gebieden
    die donkerder zijn dan de overvloeikleur, worden vervangen. Gebieden die lichter zijn dan de overvloeikleur, blijven
    ongewijzigd.
    Rasteren Vermenigvuldigt de omkering van de overvloeikleur en de basiskleur. De resulterende kleur is altijd lichter.

    Rasteren met zwart heeft geen effect: de originele kleur blijft ongewijzigd. Rasteren met wit geeft altijd wit. U krijgt een
    vergelijkbaar effect wanneer u meerdere dia's bovenop elkaar projecteert.
    Kleur tegenhouden Maakt de basiskleur helderder waardoor de overvloeikleur zichtbaar wordt. Zwart heeft in deze modus

    geen effect.
    Overvloeien In deze modus worden de kleuren vermenigvuldigd of gerasterd, afhankelijk van de basiskleur. Patronen of

    kleuren bedekken de bestaande illustraties. Hierbij blijven de hooglichten en schaduwen van de basiskleur behouden,
    terwijl de overvloeikleur wordt gemengd om de lichtheid en donkerte van de oorspronkelijke kleur weer te geven.
    Zacht licht In deze modus worden de kleuren donkerder of lichter gemaakt, afhankelijk van de overvloeikleur. Dit geeft

    ongeveer hetzelfde effect als diffuus licht op een schilderij.



  • Page 177

    ILLUSTRATOR CS3 171
    Handboek

    Als de overvloeikleur (lichtbron) lichter is dan 50% grijs, wordt de illustratie lichter, alsof deze is tegengehouden. Als de
    overvloeikleur donkerder is dan 50% grijs, wordt de illustratie donkerder, alsof deze is doorgedrukt. Als u puur zwart of
    puur wit als werkkleur gebruikt, is het resultaat een aanzienlijk donkerder of lichter gebied, maar niet een puur zwart of
    puur wit gebied.
    Fel licht In deze modus worden de kleuren vermenigvuldigd of gerasterd, afhankelijk van de overvloeikleur. Dit geeft

    ongeveer hetzelfde effect als een felle lamp op een schilderij.
    Als de overvloeikleur (lichtbron) lichter is dan 50% grijs, wordt de illustratie lichter, alsof deze is gerasterd. Zo kunt u
    hooglichten toevoegen aan illustraties. Als de overvloeikleur donkerder is dan 50% grijs, wordt de illustratie donkerder,
    alsof deze is vermenigvuldigd. Hiermee kunt u een schaduweffect aan illustraties toevoegen. Als u puur zwart of puur wit
    als werkkleur gebruikt, is het resultaat ook puur zwart of puur wit.
    Verschil Trekt de overvloeikleur van de basiskleur of de basiskleur van de overvloeikleur af, afhankelijk van welke kleur de

    hoogste helderheidswaarde heeft. Als u wit gebruikt als overvloeikleur, worden de kleurwaarden van de basiskleur
    omgekeerd. Zwart heeft in deze modus geen effect.
    Uitsluiting In deze modus wordt een effect gecreëerd dat vergelijkbaar is met dan van de modus Verschil; het contrast is

    alleen minder. Als u wit gebruikt als overvloeikleur, worden de basiskleurcomponenten omgekeerd. Zwart heeft in deze
    modus geen effect.
    Kleurtoon Hiermee wordt een eindkleur gemaakt met de lichtsterkte en verzadiging van de basiskleur, en de kleurtoon van
    de overvloeikleur.
    Verzadiging In deze modus ontstaat een eindkleur met de luminantie en kleurtoon van de basiskleur en de verzadiging van
    de overvloeikleur. Als u met deze modus in een gebied verft zonder verzadiging (grijs), gebeurt er niets.
    Kleur In deze modus ontstaat een eindkleur met de luminantie van de basiskleur en de kleurtoon en verzadiging van de

    overvloeikleur. Op deze manier blijven de grijsniveaus in de illustraties behouden en kunt u heel gemakkelijk monochrome
    illustraties kleuren en gekleurde illustraties tinten geven.
    Lichtsterkte In deze modus ontstaat een eindkleur met de kleurtoon en verzadiging van de basiskleur en de luminantie van

    de overvloeikleur. Het effect van deze modus is het tegenovergestelde van het effect van de modus Kleur.
    Opmerking: In de modi Verschil, Uitsluiting, Kleurtoon, Verzadiging, Kleur en Lichtsterkte vloeien steunkleuren niet over en
    in de meeste overvloeimodi dekt een kleur van 100% zwart de kleur van de onderliggende laag af. Geef in plaats van 100%
    zwart een rijke zwarte kleur op met CMYK-waarden.

    De overvloeimodus van illustraties wijzigen
    1 Selecteer een object of groep (of selecteer een laag in het deelvenster Lagen).
    Als u de overvloeimodus van een vulling of streek wilt wijzigen, selecteer dan het object en selecteer vervolgens de vulling
    of streek in het deelvenster Vorm.
    2 Kies een overvloeimodus in het pop-upmenu van het deelvenster Transparantie.
    U kunt de overvloeimodus in een aangewezen laag of groep isoleren, zodat de onderliggende objecten niet worden
    beïnvloed. Hiervoor selecteert u rechts van een groep of laag in het deelvenster Lagen het doelpictogram dat een object
    bevat dat een overvloeimodus gebruikt. Selecteer Overvloeien isoleren in het deelvenster Transparantie. (Als de optie
    Overvloeien isoleren niet wordt weergegeven, selecteert u Opties tonen in het menu van het deelvenster Transparantie.)

    Groep (ster en cirkel) met uitgeschakelde optie Overvloeien isoleren (links) en groep met ingeschakelde optie Overvloeien isoleren (rechts)



  • Page 178

    ILLUSTRATOR CS3 172
    Handboek

    Als u alle objecten met dezelfde overvloeimodus wilt selecteren, selecteer dan een object met die overvloeimodus of
    deselecteer alles en kies de overvloeimodus in het deelvenster Transparantie. Kies vervolgens Selecteren > Zelfde >
    Overvloeimodus.
    Op www.adobe.com/go/vid0055_nl vindt u een video over het werken met overvloeimodi.

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Transparantie” op pagina 165
    “Overzicht van het deelvenster Vorm” op pagina 329
    “Items aanwijzen voor weergavekenmerken” op pagina 330
    “Afdrukken illustraties afdrukken en opslaan” op pagina 396

    Verlopen, netten en kleurovervloeiingen
    Verlopen en netten
    U kunt op de volgende manieren kleurverlopen toepassen op objecten, afhankelijk van het effect dat u wilt bereiken.
    Verloopvulling Gebruik deze optie als u een geleidelijke overvloeiing van kleuren wilt toepassen op dezelfde manier als met

    andere kleuren. Een verloopvulling maken is een goede manier om een vloeiend kleurverloop over een of meer objecten te
    maken. U kunt een verloop als een staal opslaan, zodat u het verloop eenvoudig kunt toepassen op meerdere objecten.
    Netobject Gebruik deze optie als u een enkelvoudig object met meerdere kleuren wilt maken waarop kleuren in

    verschillende richtingen kunnen verlopen en waarbij de kleuren vloeiend van punt naar punt overgaan. Als u een fijnmazig
    net op een object maakt en de kleurkenmerken op elk punt bewerkt, kunt u de kleuring van het netobject exact in de hand
    houden. Als u kleurwijzigingen voor een groter deel van het object wilt maken, kunt u vier netpunten tegelijk kleuren door
    op het tussenliggende vlak te klikken.
    Als u overvloeiingen van kleuren, dekkingen en vormen tussen objecten wilt maken, gebruik dan de opdracht of het
    gereedschap Overvloeien. Als u de begin- en eindvormen, -dekkingen en -kleuren selecteert, worden de tussenliggende
    stappen voor het maken van een uiteindelijke overvloeiing automatisch uitgevoerd.

    Zie ook
    “Objecten laten overvloeien” op pagina 227
    “Kleuren overvloeien” op pagina 119

    Overzicht van het deelvenster Verloop
    Via het deelvenster Verloop (Venster > Verloop) kunt u verlopen toepassen, maken en wijzigen. Als u met dit deelvenster
    werkt, is het is handig om alle opties weer te geven (kies Opties tonen in het deelvenstermenu).
    Het vak Verloopvulling geeft de huidige verloopkleuren en het huidige verlooptype weer. Als u op dit vak klikt, wordt het
    geselecteerde object met dit verloop gevuld. Het deelvenster bevat standaard een begin- en een eindkleurvak. U kunt echter
    extra kleurvakken toevoegen door elders onder de kleurschuifregelaar te klikken.
    D
    A

    B
    C

    E

    Deelvenster Verloop
    A. Vak Verloopvulling B. Verloopschuifregelaar C. Beginkleur D. Deelvenstermenu E. Eindkleur



  • Page 179

    ILLUSTRATOR CS3 173
    Handboek

    Zie ook
    “Overzicht werkgebied” op pagina 13

    Verlopen maken of wijzigen
    Verloopkleuren worden gedefinieerd door een aantal stops in de verloopschuifregelaar. Een stop is het punt waarop een
    verloop van de ene kleur in de volgende overgaat. Dit punt wordt aangegeven door een vierkantje onder de
    verloopschuifregelaar. De vierkantjes in het deelvenster Verloop geven de kleur weer die momenteel aan elke verloopstop
    is toegekend. Bij een radiaal verloop bepaalt de meest linkse verloopstop de kleurvulling van het middelpunt. Deze straalt
    naar buiten in de richting van de kleur van de meest rechtse verloopstop.
    Op www.adobe.com/go/vid0050_nl vindt u een video over het verbeteren van uw afbeeldingen door middel van verlopen.
    Informatie over het maken van verlopen vindt u in de handleiding "Unleash the power of gradients" op
    www.adobe.com/go/learn_ai_tutorials_gradients_nl.
    1 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een nieuw verloop wilt maken, deselecteer dan alle objecten en klik op het vak Verloop onder in het deelvenster
    Gereedschappen.

    • Als u het verloop van een object wilt wijzigen, selecteert u het object.
    • Als u een vooraf ingesteld verloop wilt wijzigen, klik dan op een verloopstaal in het deelvenster Stalen.
    Als u alleen verlopen in het deelvenster Stalen wilt weergeven, klik dan op de knop Menu Staaltypen tonen
    Verloopstalen tonen.

    en kies

    2 Selecteer in het deelvenster Verloop een verlooptype (Lineair of Radiaal).
    3 Als u Lineair selecteert, typt u een waarde voor de hoek van het verloop in het tekstvak Hoek. Of stel de hoek in door
    met het gereedschap Verloop
    in het documentvenster te slepen.
    4 De kleuren voor het verloop selecteren:

    • Als u de begin- en eindkleur van een verloop wilt definiëren, klikt u op de meest linkse of rechtse verloopstop. Geef een
    kleur op in het deelvenster Kleur of houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u op een kleurstaal klikt
    in het deelvenster Stalen. U kunt ook een kleur vanuit het deelvenster Kleur of Stalen naar de verloopstop slepen.
    Opmerking: Als u een verloop tussen steunkleuren maakt, moet u de optie Naar proces converteren in het dialoogvenster
    Kleurscheidingen uitschakelen om het verloop af te drukken in afzonderlijke steunkleurscheidingen.

    • Als u tussenliggende kleuren wilt toevoegen aan een verloop, sleep dan een kleur vanuit het deelvenster Stalen of Kleur
    naar de verloopschuifregelaar. Of klik ergens onder de verloopschuifregelaar en selecteer een kleur op dezelfde manier
    als voor de begin- of eindkleur. Als u een tussenliggende kleur wilt verwijderen, sleept u het vierkantje van de
    schuifregelaar af.

    • Als u de middelpunten van de kleurstops van het verloop wilt aanpassen (het punt waarop de kleurwaarden 50% zijn),
    sleept u het ruitje boven de schuifregelaar. U kunt ook het pictogram selecteren en in het tekstvak Locatie een waarde
    opgeven tussen 0 en 100.

    • Als u de eindpunten van de kleurstops van het verloop wilt wijzigen, sleept u de meest linkse of rechtse verloopstop onder
    de verloopbalk.
    5 Klik op de knop Nieuw staal in het deelvenster Stalen om het nieuwe of gewijzigde verloop als staal op te slaan. Of sleep
    het verloop van het deelvenster Verloop of het deelvenster Gereedschappen naar het deelvenster Stalen.
    Opmerking: In “De verlooprichting wijzigen of toepassen op meerdere objecten” op pagina 174 vindt u informatie over het
    wijzigen van de richting van het verloop.

    Zie ook
    “Verlopen, netten en kleurovervloeiingen afdrukken” op pagina 393



  • Page 180

    ILLUSTRATOR CS3 174
    Handboek

    Een bestaand verloop op een object toepassen
    ❖ Selecteer een object en voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u het laatst gebruikte verloop wilt toepassen, klik dan op het vak Verloop

    in het deelvenster Gereedschappen of

    op het vak Verloopvulling in het deelvenster Verloop.

    • Als u een vooraf ingesteld of eerder opgeslagen verloop wilt toepassen, klik dan op een verloopstaal in het deelvenster
    Stalen.
    Als u alleen verlopen in het deelvenster Stalen wilt weergeven, klik dan op de knop Menu Staaltypen tonen
    Verloopstalen tonen.

    en kies

    Zie ook
    “Verlopen maken of wijzigen” op pagina 173

    De verlooprichting wijzigen of toepassen op meerdere objecten
    Als u eenmaal een object hebt gevuld met een verloop, kunt u met het gereedschap Verloop het verloop aanpassen door een
    nieuw vulpad te “tekenen”. Met dit gereedschap kunt u de richting en het begin- en eindpunt van een verloop wijzigen en
    een verloop op verschillende objecten toepassen.
    1 Vul het object of de objecten met een verloop. Als u een verloop wilt toepassen op meerdere objecten, vult u alle objecten
    met een verloop.
    2 Selecteer een of meer objecten.
    3 Selecteer het gereedschap Verloop

    .

    4 Plaats de aanwijzer op het punt waar het beginpunt van het verloop moet komen en sleep de aanwijzer over het object
    in de richting waarin het verloop moet lopen.
    5 Laat de muisknop los op de plaats waar het eindpunt van het verloop moet komen.

    Netobjecten
    Een netobject is een object met meerdere kleuren die in verschillende richtingen kunnen lopen en vloeiend van een punt
    naar een ander punt kunnen overgaan. Als u een netobject maakt, vormen meerdere lijnen, de zogenaamde netlijnen, een
    net over het object waarmee u de kleurovergangen op het object eenvoudig kunt bewerken. Door punten op de netlijnen te
    verplaatsen en te bewerken, kunt u de intensiteit van een kleurovergang wijzigen, of de omvang van een gekleurd gebied op
    het object wijzigen.
    Op het punt waar twee netlijnen elkaar snijden, bevindt zich een speciaal ankerpunt dat een netpunt wordt genoemd.
    Netpunten worden weergegeven als ruitjes. Deze punten hebben dezelfde eigenschappen als ankerpunten, maar kunnen
    bovendien kleur aannemen. U kunt netpunten toevoegen, verwijderen en bewerken, en u kunt de kleur wijzigen die aan
    elk netpunt is gekoppeld.
    Er worden ook ankerpunten in het net weergegeven (deze worden weergegeven als vierkantjes in plaats van ruitjes). Deze
    kunnen worden toegevoegd, verwijderd, bewerkt en verplaatst, net als alle andere ankerpunten in Illustrator. Ankerpunten
    kunnen op elke netlijn worden geplaatst; u kunt op een ankerpunt klikken en het wijzigen door de bijbehorende
    richtingslijnen te verplaatsen.
    Een gebied tussen vier netpunten wordt een netvlak genoemd. De kleur van een netvlak kunt u met dezelfde technieken
    wijzigen als kleuren op een netpunt.



  • Page 181

    ILLUSTRATOR CS3 175
    Handboek

    A
    B

    C
    D

    Diagram van een netobject
    A. Netlijn B. Netvlak C. Netpunt D. Ankerpunt

    Netobjecten maken
    U kunt netobjecten maken van vectorobjecten, met uitzondering van samengestelde paden en tekstobjecten. U kunt geen
    netobjecten maken van gekoppelde afbeeldingen.
    Als u de prestaties en opbouwsnelheid op peil wilt houden, dient u de omvang van netobjecten tot een minimum te
    beperken. Complexe netobjecten kunnen de prestaties zeer negatief beïnvloeden. Het is daarom beter om enkele kleine,
    eenvoudige netobjecten te maken in plaats van één complex netobject. Als u complexe objecten converteert, levert de
    opdracht Net maken de beste resultaten op.
    Opmerking: Als u netobjecten afdrukt, blijven steunkleuren behouden voor EPS-, PDF- en PostScript-uitvoer.
    Zie voor informatie over het maken van verloopnetobjecten de handleiding "Achieve photo realism with Gradient Mesh"
    op www.adobe.com/go/learn_ai_tutorial_gradientmesh_nl.

    Zie ook
    “Een bestaand verloop op een object toepassen” op pagina 174
    Een netobject maken met een onregelmatig netpuntpatroon

    1 Selecteer het gereedschap Net

    en selecteer een vulkeur voor de netpunten.

    2 Klik op de plaats voor het eerste netpunt.
    Het object wordt geconverteerd naar een netobject met het minimumaantal netlijnen.
    3 Blijf klikken om extra netpunten toe te voegen. Houd Shift in gedrukt terwijl u klikt om een netpunt toe te voegen zonder
    de huidige vulkleur te wijzigen.
    Een netobject maken met een regelmatig netpuntpatroon

    1 Selecteer het object en kies Object > Verloopnet maken.
    2 Stel het aantal rijen en kommen in en selecteer de richting van het hooglicht in het menu Weergave:
    Plat Hiermee past u de oorspronkelijke kleur van het object gelijkmatig toe op het oppervlak, zodat er geen hooglicht

    ontstaat.
    Naar midden Hiermee maakt u een hooglicht in het midden van het object.
    Naar rand Hiermee maakt u een hooglicht op de randen van het object.

    3 Voer een percentage wit hooglicht in dat op het netobject moet worden toegepast. Met een waarde van 100% wordt de
    maximumhoeveelheid wit hooglicht op het object toegepast; met een waarde van 0% wordt er geen wit hooglicht op het
    object toegepast.
    Een met verloop gevuld object converteren naar een netobject

    1 Selecteer het object en kies Object > Uitbreiden.
    2 Selecteer Verloopnet en klik op OK.



  • Page 182

    ILLUSTRATOR CS3 176
    Handboek

    Het geselecteerde object wordt geconverteerd naar een netobject dat de vorm aanneemt van het verloop, hetzij cirkelvormig
    (radiaal), hetzij rechthoekig (lineair).

    Netobjecten bewerken
    U kunt een netobject op diverse manieren bewerken, zoals netpunten toevoegen, verwijderen en verplaatsen, de kleur van
    netpunten en netvlakken wijzigen en het netobject converteren naar een normaal object.
    Een netpunt toevoegen
    ❖ Selecteer het gereedschap Net

    en selecteer een vulkeur voor de nieuwe netpunten. Klik vervolgens in het netobject.

    Een netpunt verwijderen
    ❖ Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik met het gereedschap Net op het netpunt.
    Een netpunt verplaatsen
    ❖ Sleep het netpunt met het gereedschap Net of Direct selecteren. Houd Shift ingedrukt terwijl u met het gereedschap Net
    sleept om het netpunt op een netlijn te houden. Dit is een handige manier om een netpunt langs een kromme netlijn te
    verplaatsen zonder de netlijn te vervormen.

    Een netpunt verplaatsen door het te slepen (links), vergeleken met het verplaatsen van een netpunt langs een netlijn door Shift ingedrukt te
    houden terwijl u sleept met het gereedschap Net (rechts)

    Opmerking: Wanneer u het netpunt selecteert met het gereedschap Net of het gereedschap Direct selecteren, worden er
    richtingslijnen weergegeven. U kunt de richtingslijnen slepen om het netpunt te bewerken, zoals bij een ankerpunt. Houd Shift
    ingedrukt terwijl u met het gereedschap Net een richtingslijn sleept om alle richtingslijnen voor het netpunt tegelijk te
    verplaatsen.
    De kleur van een netpunt of -vlak wijzigen
    ❖ Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Selecteer het netobject en sleep vanuit het deelvenster Kleur of Stalen een kleur naar het punt of vlak.
    • Deselecteer alle objecten en selecteer een vulkleur. Selecteer vervolgens het netobject en pas de vulkleur met het
    gereedschap Pipet toe op de netpunten of -vlakken.

    Kleur toevoegen aan een netpunt (links) en aan een netvlak (rechts)

    Een netobject terugconverteren naar een padobject
    ❖ Selecteer het netobject, kies Object > Pad > Pad verschuiven en geef vervolgens nul op als verschuivingswaarde.



  • Page 183

    ILLUSTRATOR CS3 177
    Handboek

    Patronen
    Informatie over patronen
    Illustrator beschikt over veel patronen die u kunt vinden in het deelvenster Stalen en in de map met leuke extra's op de cd
    van Illustrator. Met behulp van de gereedschappen van Illustrator kunt u bestaande patronen aanpassen en geheel nieuwe
    patronen ontwerpen. Patronen die zijn bedoeld om objecten te vullen (vulpatronen), verschillen qua ontwerp en verdeling
    van patronen die zijn bedoeld om via het deelvenster Penselen op een pad te worden toegepast (penseelpatronen). Voor de
    beste resultaten dient u vulpatronen te gebruiken om objecten te vullen en penseelpatronen om omtrekken aan objecten
    toe te voegen.
    Wanneer u zelf patronen maakt, is het handig om te weten hoe Illustrator patronen opbouwt:

    • Alle patroonelementen worden van links naar rechts verdeeld vanaf de oorsprong van de liniaal (standaard het
    linkeronderpunt van het tekengebied) naar de tegenoverliggende kant van de illustratie. Als u het beginpunt voor de
    patroonelementen in uw illustratie wilt aanpassen, kunt u de oorsprong van de liniaal van het bestand aanpassen.

    • Vulpatronen bestaan normaal gesproken uit slechts één element.
    • Penseelpatronen kunnen uit maximaal vijf elementen bestaan: voor de zijkanten, de buitenste en binnenste hoeken en
    het begin en einde van het pad. Dankzij de extra hoekelementen is het mogelijk om penseelpatronen bij de hoeken
    vloeiend te krijgen.

    • De elementen van vulpatronen worden loodrecht ten opzichte van de x-as verdeeld.
    • De elementen van penseelpatronen worden loodrecht ten opzichte van het pad verdeeld (waarbij de bovenkant van het
    patroonelement altijd naar buiten is gericht). Hoekelementen worden 90˚ met de klok mee gedraaid wanneer de richting
    van het pad verandert.

    • Vulpatronen worden alleen toegepast op illustraties binnen het omsluitende kader voor patronen, een rechthoek zonder
    vulling en streken (niet-afdrukbaar) die geheel achter aan de illustratie is geplaatst. Voor vulpatronen fungeert het
    omsluitende kader als een masker.

    • Penseelpatronen worden toegepast op illustraties binnen het omsluitende kader en op de delen die eruit steken of ermee
    zijn gegroepeerd.

    Zie ook
    “Vullingen en streken” op pagina 144

    Richtlijnen voor het maken van patroonelementen
    Voor het maken van patroonelementen gelden enkele algemene richtlijnen:

    • Als u een patroon minder complex wilt maken, zodat het afdrukken sneller gaat, kunt u het beste overbodige elementen
    uit de patroonillustratie verwijderen en objecten met dezelfde kleur groeperen, zodat deze in de stapelvolgorde naast
    elkaar komen.

    • Als u een patroonelement maakt, kunt u het beste de illustratie uitvergroten om de onderdelen beter te kunnen uitlijnen.
    Vervolgens kunt u uitzoomen voor de definitieve selectie.

    • Hoe complexer het patroon, des te kleiner zou de selectie moeten zijn die wordt gebruikt om het patroon maken. Echter,
    hoe kleiner de selectie (en het patroonelement dat ermee wordt gemaakt), des te meer exemplaren er nodig zijn om het
    patroon te maken. Een element van 2 bij 2 cm is dus efficiënter dan een element van 0,5 bij 0,5 cm. Als u een eenvoudig
    patroon maakt, kunt u meerdere exemplaren van het object opnemen in de bedoelde selectie voor het patroonelement.

    • Als u eenvoudige lijnpatronen wilt maken, kunt u het beste een patroonelement maken door lijnen van verschillende
    breedten en kleuren in lagen onder te brengen en een omsluitend kader zonder vulling en streek achter de lijnen te
    plaatsen.

    • Als u een organisch patroon of een structuur wilt maken die onregelmatig lijkt, varieert u de elementen enigszins voor
    een realistischer effect. U kunt variaties aanbrengen met het effect Ruw.

    • Sluit de paden voordat u het patroon definieert. Hierdoor lopen de elementen naadloos in elkaar over.



  • Page 184

    ILLUSTRATOR CS3 178
    Handboek

    • Zoom in op de illustratie en controleer deze op fouten voordat u een patroon definieert.
    • Als u een omsluitend kader rond de illustratie tekent, let er dan op dat het vak een rechthoek is, dat het vak het achterste
    object van het element is en dat het vak geen vulling of streek heeft. Als u het omsluitende kader wilt gebruiken voor een
    penseelpatroon, moet u ervoor zorgen dat er niets uitsteekt.
    Voor het maken van penseelpatronen gelden de onderstaande extra richtlijnen:

    • Houd, indien mogelijk, de illustratie binnen een omsluitend kader zonder vulling en streek, zodat u de opbouw van het
    patroon kunt bepalen.

    • Hoekelementen moeten vierkant zijn en moeten dezelfde hoogte hebben als de zijelementen, omdat ze anders niet goed
    op het pad worden uitgelijnd. Als u hoekelementen wilt maken met uw penseelpatroon, lijn dan de objecten in de
    hoekelementen horizontaal uit met de objecten in de zijelementen, zodat de patroonelementen op de juiste wijze worden
    verdeeld.

    • Met hoekelementen kunt u speciale hoekeffecten bereiken bij penseelpatronen.

    Zie ook
    “Een vulkleur toepassen op een object” op pagina 145

    Patroonstalen maken
    1 Maak een illustratie voor het patroon.
    2 (Optioneel) Als u de tussenruimten tussen de patroonelementen wilt instellen of als u delen van het patroon wilt
    uitknippen, teken dan een omsluitend kader voor patronen (een rechthoek zonder vulling) rond de illustratie die u als
    patroon wilt gebruiken. Kies Object > Ordenen > Naar achtergrond om te zorgen dat de rechthoek het achterste object is.
    Als u de rechthoek wilt gebruiken als omsluitend kader voor een penseel- of vulpatroon, kies dan Geen als vulling en streek.
    3 Selecteer met het gereedschap Selecteren de illustratie (eventueel met omsluitend kader) die als patroonelement gaat
    dienen.
    4 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Kies Bewerken > Patroon definiëren, typ een naam in het dialoogvenster Nieuw staal en klik op OK. Het patroon wordt
    weergegeven in het deelvenster Stalen.

    • Sleep de illustratie naar het deelvenster Stalen.

    Zie ook
    “Richtlijnen voor het maken van patroonelementen” op pagina 177
    “Stalen” op pagina 99

    Naadloze geometrische patronen maken
    1 Zorg ervoor dat de optie Intelligente hulplijnen is ingeschakeld en dat Magnetisch punt in het menu Weergave is
    geselecteerd.
    2 Selecteer het geometrische object. Voor een nauwkeurige plaatsing plaatst u het gereedschap Direct selecteren op een
    van de ankerpunten van het object.
    3 Sleep het object verticaal vanaf een van zijn ankerpunten en druk vervolgens op Alt+Shift (Windows) of Option+Shift
    (Mac OS) om het object te kopiëren en de beweging te beperken.
    4 Als de kopie van het object naar de juiste plaats is gesprongen, laat u eerst de muisknop en vervolgens de toetsen los.
    5 Houd Shift ingedrukt en klik met het gereedschap Groep selecteren op de twee objecten om ze beide te selecteren. Sleep
    beide objecten horizontaal aan een van de ankerpunten en druk vervolgens op Alt+Shift (Windows) of Option+Shift
    (Mac OS) om een kopie te maken en de beweging te beperken.



  • Page 185

    ILLUSTRATOR CS3 179
    Handboek

    Selecteer beide objecten (links) en sleep ze om een kopie te maken (rechts).

    6 Als de kopie van het object naar de juiste plaats is gesprongen, laat u eerst de muisknop en vervolgens de toetsen los.
    7 Herhaal stap 2 tot en met 6 tot u het gewenste patroon hebt opgebouwd.
    8 Gebruik het gereedschap Rechthoek

    en voer een van de volgende handelingen uit:

    • Teken voor een vulpatroon een omsluitend kader vanuit het middelpunt van het object linksboven naar het middelpunt
    van het object rechtsonder.

    • Als u een penseelpatroon wilt maken, teken dan een omsluitend kader dat de objecten omsluit en dat samenvalt met de
    buitengrenzen van de objecten. Als het patroon een hoekelement wordt, houd dan tijdens het slepen Shift ingedrukt om
    te zorgen dat het omsluitende kader een vierkant wordt.

    Omsluitend kader voor een vulpatroon (links) en voor een penseelpatroon (rechts)

    9 Geef de geometrische objecten de gewenste kleur.
    10 Sla de geometrische objecten op als een patroonstaal.

    Onregelmatige structuurpatronen maken
    1 Kies Weergave > Magnetisch punt.
    2 Teken een omsluitend kader. Als u een penseelpatroon maakt, gaat u verder met stap 13.
    3 Teken de structuur met de objecten of lijnen die alleen de linkerzijde van de omsluitende rechthoek snijden.
    4 Selecteer met het gereedschap Direct selecteren de structuur en de rechthoek, en plaats de aanwijzer op de
    linkerbenedenhoek van de rechthoek.
    5 Sleep de rechthoek naar rechts en druk vervolgens op Alt+Shift (Windows) of Option+Shift (Mac OS) om een kopie te
    maken en de beweging te beperken.

    Teken een structuur aan de linkerzijde van het omsluitende kader (links) en kopieer vervolgens de structuur en de rechthoek (rechts).

    Als de linkerbovenhoek van de kopie naar de rechterbovenhoek van het omsluitende kader is gesprongen, laat u eerst de
    muisknop los en daarna de toetsen.



  • Page 186

    ILLUSTRATOR CS3 180
    Handboek

    Als u de precieze afmetingen van het omsluitende kader weet, kunt u de structuren selecteren en kunt u vervolgens de
    opdracht Verplaatsen gebruiken om een horizontale verplaatsing op te geven die overeenkomt met de breedte van de
    rechthoek. Klik in het dialoogvenster Verplaatsen niet op OK, maar op Kopiëren.
    6 Klik buiten de rechthoek om deze te deselecteren.
    7 Selecteer de rechterrechthoek en verwijder deze.
    8 Ga verder met het tekenen van de structuur. Teken alleen de objecten of lijnen die de bovenzijde van de rechthoek
    snijden.
    9 Wanneer u klaar bent met de bovenzijde, selecteer dan het omsluitende kader en alle lijnen of objecten die de bovenzijde
    van het kader snijden. Druk vervolgens op Alt+Shift (Windows) of Option+Shift (Mac OS) en sleep omlaag om een kopie
    te maken en de verplaatsing te beperken.

    Teken een structuur aan de bovenzijde van het omsluitende kader (links) en kopieer vervolgens de structuur en de rechthoek (rechts).

    10 Als de linkerbovenhoek van de kopie van het object naar de linkerbenedenhoek van de rechthoek is gesprongen, laat u
    eerst de muisknop en vervolgens de toetsen los.
    11 Hef alle selecties op.
    12 Selecteer de onderste rechthoek en eventuele objecten die de bovenste rechthoek niet kruisen en verwijder deze.
    13 Vul met behulp van het gereedschap Potlood het midden van de rechthoek met de structuur. Let op dat u hierbij de
    randen van de rechthoek niet kruist. Verf de structuur.
    14 Sla de illustratie en de rechthoek op als een patroonstaal.

    Illustratie en rechthoek definiëren als patroon (links) en een gebied vullen met het patroon (rechts)

    Hoekelementen voor penseelpatronen maken
    Hoekelementen zorgen voor speciale randeffecten bij het toepassen van penseelpatronen. U kunt geheel nieuwe
    hoekelementen maken of een zijelement van een penseelpatroon gebruiken als basis voor het ontwerpen van bijpassende
    elementen voor buiten- en binnenhoeken (–135˚ gespiegeld).
    1 Kies Bestand > Openen, zoek een bestand met een penseelpatroon dat u wilt gebruiken (meegeleverd met Adobe
    Illustrator) en klik op Openen.
    2 Selecteer Venster > Penselen. Selecteer het element dat u wilt gebruiken en sleep het naar het midden van de illustratie.
    3 Als het omsluitende kader van het element niet vierkant is, maak dan een kader waar de illustratie geheel in past en dat
    even hoog is als het zijelement. (Zijelementen mogen rechthoekig zijn.) Stel de vulling en streek van het kader in op Geen
    en kies Object > Ordenen > Naar achtergrond om te zorgen dat de rechthoek het achterste object in de illustratie is. (Het
    omsluitende kader helpt bij het uitlijnen van het nieuwe element.)
    4 Selecteer het element en het omsluitende kader.



  • Page 187

    ILLUSTRATOR CS3 181
    Handboek

    5 Gebruik voor het maken van een buitenste hoekelement het gereedschap Roteren
    om het element en het
    bijbehorende omsluitende kader 180˚ te roteren. Sla deze stap over als u een element voor een binnenhoek maakt.

    Geplakt element (links) in vergelijking met hetzelfde element, 180˚ geroteerd (rechts)

    6 Houd Alt+Shift (Windows) of Option+Shift (Mac OS) ingedrukt en klik met het gereedschap Roteren op de
    linkeronderhoek van het omsluitende kader. Voer een waarde van 90˚ in en klik op Kopiëren om een kopie van het eerste
    element te maken die 90˚ is gedraaid. Dit element wordt het hoekelement.
    7 Maak een derde element onder het tweede element: sleep met het gereedschap Selecteren het linkerelement aan het
    ankerpunt rechtsboven naar beneden, terwijl u Alt+Shift (Windows) of Option+Shift (Mac OS) ingedrukt houdt om een
    kopie te maken en de verplaatsing te beperken. Wanneer het ankerpunt rechtsboven van de kopie naar het ankerpunt
    rechtsonder van het hoekelement is gesprongen, laat u de muisknop en de toetsen Alt+Shift (Windows) of Option+Shift
    (Mac OS) los.
    De derde kopie kunt u gebruiken voor de uitlijning.

    Roteer 90˚ en kopieer het linkerelement (links) en houd vervolgens Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en sleep een hoekelement om
    eronder een kopie te maken (rechts).

    8 Selecteer de illustratie in het rechterelement. Sleep het element naar links terwijl u op Alt+Shift (Windows) of
    Option+Shift (Mac OS) drukt, zodat de illustratie van het rechterelement de illustratie van het hoekelement overlapt.

    Kopieer (links) en plaats het element rechtsboven op het hoekelement (rechts).

    9 Bewerk het hoekelement zodanig, dat de illustratie verticaal en horizontaal is uitgelijnd met de elementen ernaast.
    Selecteer en verwijder de delen van het element die u niet in de hoek wilt gebruiken en bewerk de rest van de illustratie om
    het definitieve buitenste hoekelement te maken.



  • Page 188

    ILLUSTRATOR CS3 182
    Handboek

    Verwijder onnodige elementen (links) om het definitieve buitenste hoekelement te maken (rechts).

    10 Selecteer alle delen van het element, inclusief het omsluitende kader.
    11 Sla het nieuwe patroon op als een staal.
    12 Dubbelklik op het nieuwe patroonstaal om het dialoogvenster Staalopties weer te geven. Geef het element een naam
    die is gebaseerd op het origineel (gebruik bijvoorbeeld de toevoeging “buitenkant”) en klik op OK.

    Zie ook
    “Penselen maken of wijzigen” op pagina 160
    “Penseelopties” op pagina 161

    Patronen aanpassen
    1 Zorg ervoor dat er niets is geselecteerd in de illustratie.
    2 Selecteer in het deelvenster Stalen het patroonstaal dat u wilt wijzigen.
    3 Sleep het patroonstaal naar het tekengebied en bewerk daar het patroonelement.
    4 Selecteer het patroonelement en houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u het aangepaste patroon
    boven het oude patroonstaal in het deelvenster Stalen sleept.
    Het patroon wordt vervangen in het deelvenster Stalen en wordt bijgewerkt in het huidige bestand.

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Stalen” op pagina 100
    “De patronen van een object transformeren” op pagina 210



  • Page 189

    183

    Hoofdstuk 7: Objecten selecteren en
    ordenen
    In Adobe Illustrator kunt u illustraties makkelijk organiseren en indelen dankzij gereedschappen waarmee u objecten
    nauwkeurig kunt selecteren, plaatsen en stapelen. U kunt gebruikmaken van gereedschappen waarmee u objecten kunt
    meten en uitlijnen. U kunt objecten groeperen, zodat u er als enkelvoudige eenheid mee kunt werken. Verder kunt u
    objecten selectief isoleren, vergrendelen of verbergen.

    Objecten selecteren
    Opties voor het selecteren van objecten
    Voordat u een object kunt wijzigen, moet u het onderscheiden van de omliggende objecten. Dit doet u door het object te
    selecteren. Als u een object geheel of gedeeltelijk hebt geselecteerd, kunt u het bewerken.
    In Illustrator kunt u de volgende selectiemethoden en -gereedschappen gebruiken:
    Isolatiemodus Hiermee kunt u een groep objecten of een sublaag snel isoleren van de rest van de illustratie in het

    document. In de isolatiemodus worden alle niet-geïsoleerde objecten in het document grijs weergegeven. Deze objecten
    kunt u niet selecteren of bewerken.
    Deelvenster Lagen Hier kunt u afzonderlijke of meerdere objecten snel en nauwkeurig selecteren. Ook kunt u hier

    enkelvoudige objecten (ook als ze geen deel uitmaken van een groep), alle objecten binnen een laag of complete groepen
    selecteren.
    Gereedschap Selecteren
    Hiermee kunt u objecten en groepen selecteren door erop te klikken of erover te slepen. U
    kunt ook groepen binnen groepen en objecten binnen groepen selecteren.

    Hiermee kunt u afzonderlijke ankerpunten of padsegmenten selecteren door erop te
    klikken. U kunt een geheel pad of een gehele groep selecteren door een ander punt op het item te selecteren. U kunt ook
    een of meer objecten in een groep objecten selecteren.

    Gereedschap Direct selecteren

    Gereedschap Groep selecteren
    Hiermee kunt u een object binnen een groep selecteren, een enkelvoudige groep binnen
    meerdere groepen, of een set groepen binnen de illustratie. Bij elke extra klik voegt u alle objecten toe van de volgende
    groep in de hiërarchie.
    Gereedschap Lasso

    Hiermee kunt u objecten, ankerpunten of padsegmenten selecteren door te slepen rond (een deel

    van) het object.
    Hiermee kunt u een reeks objecten met een gelijke kleur, streekdikte, streekkleur, dekking of
    overvloeimodus selecteren door op het object te klikken.

    Gereedschap Toverstaf

    Hiermee kunt u vlakken (gebieden die door paden worden ingesloten) en randen
    (paddelen tussen snijpunten) van groepen van Actieve verf selecteren.

    Gereedschap Selectie van Actieve verf

    Selectieopdrachten (in het menu Selecteren) Hiermee kunt u snel alle objecten selecteren en deselecteren, en kunt u
    objecten selecteren op basis van hun relatieve positie ten opzichte van andere objecten. Ook kunt u alle objecten selecteren
    van een bepaald type of die bepaalde eigenschappen gemeen hebben. Verder kunt u selecties opslaan of laden.

    Om het laatst gebruikte selectiegereedschap te activeren terwijl u een ander type gereedschap gebruikt, houdt u Ctrl
    (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt.
    Op www.adobe.com/go/vid0034_nl vindt u video over het selecteren en manipuleren van objecten.



  • Page 190

    ILLUSTRATOR CS3 184
    Handboek

    Zie ook
    “Paden, segmenten en ankerpunten selecteren” op pagina 67

    Selectievoorkeuren opgeven
    Het selecteren van paden en punten in complexe afbeeldingen kan behoorlijk lastig zijn. Met de voorkeuren in Weergave
    selectie en anker kunt u de tolerantie voor pixelselectie opgeven en andere opties instellen waarmee u binnen een bepaald
    document makkelijker kunt selecteren.
    1 Kies Bewerken > Voorkeuren > Weergave selectie en anker (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Weergave selectie
    en anker (Mac OS).
    2 Geef een van de volgende selectievoorkeuren op:
    Tolerantie Hiermee geeft u het pixelbereik op voor het selecteren van ankerpunten. Hoe hoger de waarde, des te groter het
    gebied rond een ankerpunt waarop u kunt klikken om het te selecteren.
    Objectselectie alleen volgens pad Hiermee geeft u aan of u een gevuld object kunt selecteren door op een willekeurig punt

    in het object te klikken, of dat u op een pad moet klikken.
    Magnetisch punt Hiermee geeft u aan of objecten magnetisch op ankerpunten en hulplijnen moeten worden geplaatst.

    Geef aan tot op welke afstand objecten magnetisch worden geplaatst op ankerpunten en hulplijnen.

    Zie ook
    “Gevulde objecten selecteren” op pagina 187
    “Voorkeuren voor ankerpuntgrootte opgeven” op pagina 54

    Groepen en sublagen isoleren
    In de isolatiemodus worden groepen of sublagen geïsoleerd, zodat u bepaalde objecten of delen van objecten eenvoudig
    kunt selecteren en bewerken. Als u gebruikmaakt van de isolatiemodus, hoeft u geen rekening te houden met de laag waarin
    een object zich bevindt en is het ook niet nodig om de objecten die u niet wilt bewerken, handmatig te vergrendelen of te
    verbergen: alle overige objecten worden automatisch vergrendeld, zodat u alleen de objecten in de geïsoleerde groep kunt
    bewerken.
    Een geïsoleerde groep of sublaag wordt in kleur weergegeven, terwijl de rest van de illustratie in grijs wordt weergegeven.
    Langs de bovenkant van het illustratievenster verschijnt de isolatiemodusbalk. Deze wordt van de rest gescheiden door een
    lijn in de kleur van de laag van de geïsoleerde groep of in de kleur van de geïsoleerde sublaag. De naam en locatie van de
    geïsoleerde groep of sublaag (ook wel kruimelpad genoemd) worden weergegeven in de isolatiemodusbalk.
    Opmerking: Als u de definitie van een symbool bewerkt, wordt het symbool in de isolatiemodus weergegeven. (Zie “Een
    symbool bewerken of opnieuw definiëren” op pagina 84.)



  • Page 191

    ILLUSTRATOR CS3 185
    Handboek

    De sublaag met de peer isoleren

    Als de isolatiemodus actief is, wordt in het deelvenster Lagen alleen de illustratie in de geïsoleerde sublaag of groep
    weergegeven. Als u de isolatiemodus afsluit, worden de overige lagen en groepen opnieuw in het deelvenster Lagen
    weergegeven.
    Opmerking: Als u bezig bent in de isolatiemodus, kunt u niet naar de bewerkingsmodus voor maskers gaan, en vice versa.
    Op www.adobe.com/go/vid0041_nl vindt u een video over het gebruik van lagen en de isolatiemodus.
    Een groep isoleren
    ❖ Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Dubbelklik op de groep met het gereedschap Selecteren.
    • Klik in het deelvenster Beheer op de knop Geselecteerde groep isoleren

    .

    • Klik met de rechtermuisknop (Windows) of klik terwijl u Control ingedrukt houdt (Mac OS) op de groep en kies
    Geselecteerde groep isoleren.

    • Selecteer de groep in het deelvenster Lagen en kies Isolatiemodus openen in het menu van het deelvenster Lagen.
    Een sublaag isoleren
    ❖ Selecteer de sublaag in het deelvenster Lagen en kies Isolatiemodus openen in het menu van het deelvenster Lagen.

    Bovenste lagen kunnen niet worden geïsoleerd.
    De isolatiemodus afsluiten
    ❖ Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op de knop Geïsoleerde groep afsluiten

    of ergens in de isolatiemodusbalk.

    • Klik in het deelvenster Beheer op de knop Geïsoleerde groep afsluiten

    .

    • Dubbelklik buiten de geïsoleerde groep.
    • Klik met de rechtermuisknop (Windows) of klik terwijl u Control ingedrukt houdt (Mac OS) en kies Geïsoleerde groep
    afsluiten.



  • Page 192

    ILLUSTRATOR CS3 186
    Handboek

    Objecten selecteren via het deelvenster Lagen
    1 Zoek in het deelvenster Lagen het object op dat u wilt selecteren. Soms moet u via het pijltje een laag of groep uitbreiden,
    of moet u in het deelvenster omhoog of omlaag schuiven om het object te vinden.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u afzonderlijke objecten wilt selecteren, klikt u in de selectiekolom van het object (tussen de doelknop en de
    schuifbalk). Als u objecten wilt toevoegen aan of verwijderen uit de selectie, houdt u Shift ingedrukt terwijl u op de
    desbetreffende objecten klikt.

    • Als u alle illustraties in een laag of groep wilt selecteren, klikt u in de selectiekolom van die laag of groep.
    • Als u alle illustraties op een laag wilt selecteren op basis van de illustraties die op dat moment zijn geselecteerd, kiest u
    Selecteren > Object > Alles op dezelfde lagen.
    Naast elk geselecteerd item in het deelvenster verschijnt een gekleurd vakje.
    Op www.adobe.com/go/vid0041_nl vindt u een video over het gebruik van lagen en de isolatiemodus.

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Lagen” op pagina 200

    Objecten selecteren met het gereedschap Selecteren
    1 Selecteer het gereedschap Selecteren

    .

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op een object.
    • Sleep een selectiekader om (een deel van) een of meer objecten.
    3 Als u objecten wilt toevoegen aan of verwijderen uit de selectie, houdt u Shift ingedrukt terwijl u klikt op of sleept om
    de desbetreffende objecten.

    Sleep over objecten om deze te selecteren

    Als het gereedschap Selecteren zich boven een niet-geselecteerd object of een niet-geselecteerde groep bevindt, verandert de
    aanwijzer in . Als het gereedschap zich boven een geselecteerd object of een geselecteerde groep bevindt, verandert de
    aanwijzer in . Als het gereedschap zich boven een ankerpunt op een niet-geselecteerd object bevindt, verschijnt er een leeg
    vierkantje naast de pijl
    .
    Op www.adobe.com/go/vid0034_nl vindt u een video over het selecteren en manipuleren van objecten.

    Zie ook
    “Toetsen voor selecteren” op pagina 440

    Objecten selecteren met het gereedschap Lasso
    1 Selecteer het gereedschap Lasso

    .

    2 Sleep het gereedschap rond of over de objecten.



  • Page 193

    ILLUSTRATOR CS3 187
    Handboek

    Objecten selecteren met het gereedschap Toverstaf
    Met het gereedschap Toverstaf kunt u alle objecten in een document met dezelfde of vergelijkbare vullingkenmerken (zoals
    kleur en patroon) selecteren.
    U kunt het gereedschap Toverstaf aanpassen om objecten te selecteren op basis van streekdikte, streekkleur, dekking of
    overvloeimodus. U kunt de tolerantie wijzigen die door de toverstaf wordt gebruikt om vergelijkbare objecten te
    identificeren.

    Zie ook
    “Overzicht werkgebied” op pagina 13
    Objecten selecteren met het gereedschap Toverstaf op basis van vulkleur

    1 Selecteer het gereedschap Toverstaf

    .

    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een nieuwe selectie wilt maken, klikt u op het object met de kenmerken die u wilt selecteren. Alle objecten met
    dezelfde kenmerken als het object waarop is geklikt, worden geselecteerd.

    • Als u iets aan de huidige selectie wilt toevoegen, drukt u op Shift en klikt u op een ander object dat de kenmerken heeft
    die u wilt toevoegen. Alle objecten met dezelfde kenmerken als het object waarop u klikt, worden geselecteerd.

    • Als u iets wilt verwijderen uit de huidige selectie, drukt u op Alt (Windows) of Option (Mac OS) en klikt u op het object
    dat de kenmerken heeft die u wilt verwijderen. Alle objecten met dezelfde kenmerken als het object waarop u klik,
    worden uit de selectie verwijderd.
    De toverstaf aanpassen

    1 Voer een van de onderstaande handelingen uit om het deelvenster Toverstaf te openen:

    • Dubbelklik op het gereedschap Toverstaf in het deelvenster Gereedschappen.
    • Kies Venster > Toverstaf.
    2 Als u objecten wilt selecteren op basis van de vulkleur, selecteert u Vulkleur en geeft u een waarde op voor de tolerantie
    tussen 0 en 255 pixels voor RGB of tussen 0 en 100 pixels voor CMYK.
    Wanneer u een lage tolerantie instelt, worden alleen objecten geselecteerd die erg veel lijken op het object waarop u klikt.
    Bij hogere toleranties worden ook objecten geselecteerd die meer afwijken van de geselecteerde eigenschap.
    3 Kies de optie Penseelstreekopties tonen in het menu van het deelvenster Toverstaf en voer een van de volgende
    handelingen uit:

    • Als u objecten wilt selecteren op basis van hun streekkleur, selecteert u Penseelkleur en geeft u een waarde op voor de
    tolerantie tussen 0 en 255 pixels voor RGB of tussen 0 en 100 pixels voor CMYK.

    • Als u objecten wilt selecteren op basis van de streekdikte, selecteert u Penseeldikte en geeft u een waarde op voor de
    tolerantie tussen 0 en 1000 pixels.
    4 Kies de optie Transparantieopties tonen in het menu van het deelvenster Toverstaf en voer een van de volgende
    handelingen uit:

    • Als u objecten wilt selecteren op basis van de transparantie, selecteert u Dekking en geeft u een waarde op voor de
    tolerantie tussen 0 en 100 %.

    • Als u objecten wilt selecteren op basis van de overvloeimodus, selecteert u Overvloeimodus.

    Gevulde objecten selecteren
    Als de optie Alleen objectselectie op pad is uitgeschakeld, kunt u een gevuld object direct selecteren door met de
    gereedschappen Selecteren of Direct selecteren in het object te klikken. Als deze optie is ingeschakeld, kunt u een gevuld
    object alleen selecteren door met deze gereedschappen op een padsegment of ankerpunt te klikken. Standaard is deze
    voorkeur uitgeschakeld. In bepaalde gevallen kan het handig zijn om deze voorkeur in te schakelen, bijvoorbeeld als u werkt
    met overlappende gevulde objecten en u onderliggende objecten gemakkelijk wilt kunnen selecteren.



  • Page 194

    ILLUSTRATOR CS3 188
    Handboek

    Opmerking: De voorkeur Alleen objectselectie op pad is niet van toepassing wanneer u objecten zonder vulling selecteert of
    wanneer u illustraties als omtrekken weergeeft. In deze gevallen kunt u een object niet selecteren door in het pad van het object
    te klikken. (Zie “Illustraties weergeven als omtrekken” op pagina 43.)

    Als Alleen objectselectie op pad is uitgeschakeld, wordt een object geselecteerd en verplaatst wanneer u in het object klikt en sleept.

    Als Alleen objectselectie op pad is ingeschakeld, worden punten en segmenten binnen een selectiekader geselecteerd wanneer u met het
    gereedschap Direct selecteren sleept.

    ❖ Kies Bewerken > Voorkeuren > Weergave selectie en anker (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Weergave selectie
    en anker (Mac OS).

    Groepen en objecten in een groep selecteren
    Als u bij gegroepeerde objecten een deel van de groep selecteert met het gereedschap Selecteren of Lasso, wordt de gehele
    groep geselecteerd. Als u twijfelt of een object deel uitmaakt van een groep, selecteer het dan met het gereedschap
    Selecteren.
    Met de gereedschappen Direct selecteren en Lasso kunt u een enkelvoudig pad of object selecteren dat deel uitmaakt van
    een of meerdere groepen. Als u groepen van objecten binnen andere groepen hebt, kunt u de volgende groep in de
    hiërarchie van groepen selecteren met behulp van het gereedschap Groep selecteren. Met elke volgende klik wordt er een
    volgende subset van gegroepeerde objecten aan de selectie toegevoegd.

    Zie ook
    “Objecten groeperen of degroeperen” op pagina 191
    Een of meer groepen selecteren met het gereedschap Selecteren

    1 Selecteer het gereedschap Selecteren

    .

    2 Voer een van de volgende handelingen uit voor een object dat zich in een groep bevindt:

    • Klik op het object.
    • Sleep rond (een deel van) het object.
    3 Als u een groep wilt toevoegen aan of verwijderen uit de selectie, houdt u Shift ingedrukt terwijl u op de groep klikt die
    u wilt toevoegen of verwijderen.
    Objecten en groepen binnen groepen selecteren met het gereedschap Selecteren

    1 Selecteer het gereedschap Selecteren

    .

    2 Dubbelklik op een groep. De groep verschijnt in de isolatiemodus.



  • Page 195

    ILLUSTRATOR CS3 189
    Handboek

    3 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Dubbelklik als u elementen wilt selecteren die dieper in de groepsstructuur liggen.
    Dubbelklikken is een handige manier om objecten (en dus geen vlakken of randen) binnen een groep van Actieve verf te
    selecteren.

    • Klik om een object binnen de geselecteerde groep te selecteren.
    • Teken om een object aan de geselecteerde groep toe te voegen.
    4 Dubbelklik buiten de groep om de selectie van de groep op te heffen.
    Eén object in een groep selecteren

    1 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Selecteer het gereedschap Groep selecteren
    • Selecteer het gereedschap Lasso

    en klik op het object.

    en sleep rond of over het pad van het object.

    • Selecteer het gereedschap Direct selecteren

    en klik binnen het object of sleep een selectiekader rond (een deel van)

    het pad van het object.
    2 Als u een object of groep wilt toevoegen aan of verwijderen uit de selectie (met een willekeurig selectiegereedschap),
    houdt u Shift ingedrukt en selecteert u het object dat u wilt toevoegen of verwijderen.
    Objecten en groepen selecteren met het gereedschap Groep selecteren

    1 Selecteer het gereedschap Groep selecteren
    object wordt geselecteerd.

    en klik op een object dat binnen de groep valt die u wilt selecteren. Het

    2 Als u de hoofdgroep van het object wilt selecteren, klikt u nogmaals op het object.
    3 Klik nogmaals op hetzelfde object om extra groepen te selecteren die met de geselecteerde groep zijn gegroepeerd.
    Herhaal deze handeling totdat u alles hebt geselecteerd wat u wilt opnemen in de selectie.

    Wanneer u de eerste keer klikt met het gereedschap Groep selecteren, wordt een object in een groep geselecteerd (links). Na de tweede keer
    klikken wordt de groep van het object geselecteerd (rechts).

    Met een derde klik voegt u de volgende groep aan de selectie toe (links); met een vierde klik voegt u de derde groep toe (rechts).

    Vlakken en randen selecteren in een groep van Actieve verf
    U kunt vlakken en randen in een groep van Actieve verf selecteren met het gereedschap Selectie van Actieve verf. Als u de
    gehele groep van Actieve verf wilt selecteren, klik er dan op met het gereedschap Selecteren.
    1 Selecteer het gereedschap Selectie van Actieve verf

    .



  • Page 196

    ILLUSTRATOR CS3 190
    Handboek

    2 Verplaats het gereedschap over de groep van Actieve verf totdat het vlak of de rand die u wilt selecteren, wordt
    gemarkeerd. (Wanneer het gereedschap Selectie van Actieve verf zich op een rand bevindt, verandert het gereedschap in

    .)

    3 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik om het gemarkeerde vlak of de rand te selecteren.
    • Sleep een selectiekader rond meerdere vlakken of randen. Alle vlakken en randen die geheel of gedeeltelijk door het
    selectiekader worden omsloten, worden in de selectie opgenomen.

    • Dubbelklik op een vlak of rand als u alle vlakken of randen met dezelfde kleur die met het desbetreffende vlak of de rand
    zijn verbonden, wilt selecteren.

    • Klik drie keer op een vlak of rand als u alle vlakken of randen met dezelfde kleur wilt selecteren.
    Als het problemen oplevert om een klein vlak of een kleine rand te selecteren, kunt u de weergave vergroten of via de opties
    voor het gereedschap Selectie van Actieve verf instellen dat alleen vullingen of streken kunnen worden geselecteerd.
    4 Als u vlakken of randen wilt toevoegen aan of verwijderen uit de selectie, houdt u Shift ingedrukt terwijl u klikt op de
    vlakken of de randen die u wilt toevoegen of verwijderen.
    Als u wilt overschakelen naar het gereedschap Pipet om vullingen of streken te kopiëren, houdt u Alt (Windows) of Option
    (Mac OS) ingedrukt terwijl u op de gewenste vulling en streek klikt.

    Zie ook
    “Actieve verf ” op pagina 149
    “Toetsen voor het werken met Actieve verf-groepen” op pagina 442

    Gereedschap Selectie van Actieve verf
    U kunt de opties voor het gereedschap Selectie van Actieve verf wijzigen door te dubbelklikken op het gereedschap in het
    deelvenster Gereedschappen.
    Vullingen selecteren Hiermee selecteert u de vlakken (gebieden binnen randen) van groepen van Actieve verf.
    Streken selecteren Hiermee selecteert u de randen van groepen van Actieve verf.
    Hooglicht Hiermee markeert u het vlak of de rand waarop de cursor is geplaatst.
    Kleur Hiermee stelt u de kleur van de markering in. Kies een kleur in het menu of klik op het verfstaal als u een aangepaste

    kleur wilt opgeven.
    Breedte Hiermee geeft u de breedte van de markeringslijn op.

    Het volgende object in de stapelvolgorde selecteren
    U kunt een object boven of onder een geselecteerd object in de stapelvolgorde selecteren. De volgende opdrachten werken
    niet in de isolatiemodus
    ❖ Als u het eerstvolgende object boven of onder het geselecteerde object wilt selecteren, kiest u Selecteren > Volgend object
    boven of Selecteren > Volgend object onder.

    Objecten selecteren op kenmerk
    U kunt objecten selecteren op basis van verschillende groeperingen, bijvoorbeeld op opmaakkenmerk, op laag of op type,
    zoals penseelstreken of knipmaskers.

    • Als u alle objecten in een bestand wilt selecteren, kiest u Selecteren > Alles. (Als u alle objecten wilt deselecteren, kiest u
    Selecteren > Deselecteren.)
    Opmerking: U kunt alle objecten ook deselecteren door op een afstand van minstens twee pixels van een willekeurig object te
    klikken of te slepen met een selectiegereedschap.



  • Page 197

    ILLUSTRATOR CS3 191
    Handboek

    • Als u alle objecten met dezelfde kenmerken wilt selecteren, selecteert u één object met het gewenste kenmerk. Kies
    Selecteren > Zelfde en kies een kenmerk uit de lijst (Overvloeimodus, Vulling en streek, Vulkleur, Dekking, Streekkleur,
    Streekdikte, Stijl, Symboolexemplaar of Blokreeksen koppelen).
    U kunt ook het gereedschap Toverstaf gebruiken om alle objecten met dezelfde kleur, streekdikte, streekkleur, dekking of
    overvloeimodus te selecteren.

    • Als u alle objecten van een bepaald type wilt selecteren, deselecteert u alle illustraties. Kies Selecteren > Object en kies
    het gewenste objecttype (Penseelstreken, Knipmaskers, Losse ankerpunten of Tekstobjecten).

    Een selectie herhalen of omdraaien
    • Om de laatste selectieopdracht te herhalen kiest u Selecteren > Opnieuw selecteren.
    • Als u alle niet-geselecteerde objecten wilt selecteren en alle geselecteerde objecten wilt deselecteren, kiest u Selecteren >
    Selectie omdraaien.

    Een selectie opslaan
    1 Selecteer een of meer objecten en kies Selecteren > Selectie opslaan.
    2 Typ een naam in het tekstvak Naam van het dialoogvenster Selectie opslaan en klik op OK.
    Een selectie die u hebt opgeslagen, kunt u opnieuw laden door de naam van de selectie onder aan het menu Selecteren te
    kiezen. U kunt een selectie ook verwijderen of de naam ervan wijzigen door Selecteren > Selectie bewerken te kiezen.

    Objecten groeperen en uitbreiden
    Objecten groeperen of degroeperen
    U kunt meerdere objecten samenvoegen tot een groep, zodat de objecten als eenheid worden gezien. Vervolgens kunt u een
    aantal objecten verplaatsen of transformeren zonder daarbij hun kenmerken of relatieve posities te beïnvloeden. Zo kunt u
    bijvoorbeeld de objecten in een logo groeperen, zodat u het logo als eenheid kunt verplaatsen en schalen.
    Gegroepeerde objecten worden binnen dezelfde laag van de illustratie op elkaar gestapeld, achter het voorste object in de
    groep. Hierdoor kan het zijn dat door het groeperen de verdeling van objecten over de lagen en de stapelvolgorde van de
    objecten binnen een bepaalde laag, zijn gewijzigd. Als u objecten in verschillende lagen selecteert en deze vervolgens
    groepeert, worden de objecten gegroepeerd in de laag van het bovenste geselecteerde object.
    Groepen kunnen ook zijn genest, dat wil zeggen dat ze binnen andere objecten of groepen kunnen worden gegroepeerd,
    zodat er grotere groepen ontstaan. Groepen worden gemarkeerd met <Groep> in het deelvenster Lagen. U kunt het
    deelvenster Lagen gebruiken om items in een groep te plaatsen of eruit te halen.
    1 Selecteer de objecten die u wilt groeperen of de groep die u wilt degroeperen.
    2 Kies Object > Groeperen of Object > Degroeperen.

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Lagen” op pagina 200

    Objecten uitbreiden
    Als u objecten uitbreidt, kunt u een enkelvoudig object opsplitsen in meerdere objecten die tezamen de weergave bepalen.
    Als u bijvoorbeeld een eenvoudig object uitbreidt, zoals een cirkel met een effen gekleurde vulling en een streek, worden de
    vulling en de streek afzonderlijke objecten. Als u een complexere illustratie uitbreidt, zoals een object met een
    patroonvulling, wordt het patroon opgesplitst in alle afzonderlijke paden waaruit het is opgebouwd.



  • Page 198

    ILLUSTRATOR CS3 192
    Handboek

    Het uitbreiden van een object doet u doorgaans wanneer u de weergavekenmerken of andere eigenschappen van bepaalde
    samenstellende elementen wilt wijzigen. Verder kan het uitbreiden van objecten handig zijn als u een eigen Illustratorobject (bijvoorbeeld een netobject) wilt gebruiken in een andere toepassing, waarin het object niet wordt herkend.

    Vóór (links) en na (rechts) het uitbreiden van een object met een vulling en een streek

    Uitbreiden is vooral handig als u problemen hebt met het afdrukken van transparantie-effecten, 3D-objecten, patronen,
    verlopen, streken, overvloeiingen, flakkeringen, omhulsels of symbolen.
    1 Selecteer het object.
    2 Kies Object > Vorm uitbreiden.
    Als er weergavekenmerken op een object zijn toegepast, wordt de opdracht Object > Uitbreiden grijs weergegeven. In dat
    geval kiest u eerst Object > Vorm uitbreiden en daarna Object > Uitbreiden.
    3 Stel de opties in en klik op OK:
    Object Hiermee breidt u complexe objecten uit, inclusief actieve overvloeiingen, omhulsels, symboolsets en flakkeringen.
    Vullen Hiermee breidt u vullingen uit.
    Streek Hiermee breidt u streken uit.
    Verloopnet Hiermee breidt u verlopen uit tot één enkel netobject.
    Specificatie Hiermee breidt u verlopen uit tot het door u opgegeven aantal objecten. Als u een hogere waarde opgeeft,

    worden kleurverlopen vloeiender. Bij lagere waarden kunnen banden optreden.
    Als u een verloop wilt uitbreiden met behulp van de instelling die als laatste in het dialoogvenster Uitbreiden is ingevoerd,
    houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u Object > Uitbreiden kiest.

    Objecten verplaatsen uitlijnen en verdelen
    Objecten verplaatsen
    U kunt objecten verplaatsen door deze met bepaalde gereedschappen te slepen, door de pijltoetsen op het toetsenbord te
    gebruiken of door exacte waarden in te voeren in een deelvenster of dialoogvenster.
    U kunt objecten magnetisch op de juiste plaats zetten als u deze verplaatst. U kunt de aanwijzer bijvoorbeeld magnetisch
    plaatsen op hulplijnen en ankerpunten, en objectgrenzen op rasterlijnen. U kunt ook het deelvenster Uitlijnen gebruiken
    om objecten ten opzichte van elkaar te plaatsen.
    U kunt vervolgens Shift gebruiken om de verplaatsing van een of meer objecten te beperken, zodat deze precies in
    horizontale, verticale of diagonale richting worden verplaatst ten opzichte van de huidige richting van de x-as en y-as. U
    kunt Shift ook gebruiken om objecten te roteren met hoeken van 45˚ of veelvouden daarvan.



  • Page 199

    ILLUSTRATOR CS3 193
    Handboek

    Houd tijdens het slepen of tekenen Shift ingedrukt om de rotatie tot de dichtstbijgelegen hoek van 45˚ te beperken.

    Zie ook
    “Het raster gebruiken” op pagina 46
    “Objecten roteren” op pagina 196
    “Overzicht van het deelvenster Transformeren” op pagina 209
    Een object verplaatsen of dupliceren door te plakken

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Kies Bewerken > Knippen om de selectie te verplaatsen of Bewerken > Kopiëren om de selectie te dupliceren.
    3 Als u een object in een ander bestand wilt plakken, opent u dat bestand. (Zie “Objecten tussen lagen plakken” op
    pagina 195 voor plakken tussen lagen.)
    4 Kies een van de volgende opdrachten:
    Bewerken > Plakken. Hiermee wordt het object in het midden van het actieve venster geplakt.
    Bewerken > Op voorgrond plakken Hiermee wordt het object direct voor het geselecteerde object geplakt.
    Bewerken > Op achtergrond plakken Hiermee wordt het object direct achter het geselecteerde object geplakt.

    Een object verplaatsen door te slepen

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Sleep het object naar een nieuwe positie.
    Als het geselecteerde object gevuld is, kunt u op elk punt van het object klikken om te slepen. Als het geselecteerde object
    niet gevuld is, als u illustraties weergeeft als omtrekken of als de voorkeur Alleen objectselectie op pad is geselecteerd, moet
    u slepen vanuit het pad van het object. (Zie “Selecties dupliceren door te slepen” op pagina 206.)
    Met de opdracht Magnetisch punt in het menu Weergave wordt de aanwijzer naar een ankerpunt of hulplijn toegetrokken
    als u een object sleept binnen een straal van 2 pixels van het ankerpunt of de hulplijn.
    Objecten verplaatsen met de pijltoetsen

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Druk op de pijltjestoets die in de richting wijst waarin u het object wilt verplaatsen. Druk op Shift en een pijltoets om
    het object in de gewenste richting te verplaatsen over een afstand van tien maal de waarde die wordt aangegeven bij de
    voorkeur Toetsenbordstap.
    De afstand waarover het object wordt verplaatst elke keer als u op een pijltoets drukt, wordt bepaald door de
    voorkeursinstelling voor Toetsenbordstap. De standaardafstand is 1 punt (0,3528 millimeter). Om de voorkeur voor
    Toetsenbordstap te wijzigen, kiest u Bewerken > Voorkeuren > Algemeen (Windows) of Illustrator > Voorkeuren >
    Algemeen (Mac OS).
    Een object over een bepaalde afstand verplaatsen

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Kies Object > Transformeren > Verplaatsen.



  • Page 200

    ILLUSTRATOR CS3 194
    Handboek

    Als een object is geselecteerd, kunt u ook het dialoogvenster Verplaatsen openen door te dubbelklikken op het gereedschap
    Selecteren, Direct selecteren of Groep selecteren.
    3 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u het object naar links of rechts wilt verplaatsen, voert u in het tekstvak Horizontaal een negatieve waarde (naar links)
    of een positieve waarde (naar rechts) in.

    • Als u het object naar boven of onder wilt verplaatsen, voert u in het tekstvak Verticaal een negatieve waarde (naar onder)
    of een positieve waarde (naar boven) in.

    • Als u het object wilt verplaatsen over een hoek ten opzichte van de x-as van het object, voert u een positieve hoek (als u
    linksom wilt roteren) of een negatieve hoek (als u rechtsom wilt roteren) in het tekstvak Afstand of het tekstvak Hoek in.
    U kunt ook waarden tussen 180˚ en 360˚ opgeven. Deze waarden worden omgezet in de overeenkomende negatieve
    waarden (270˚ wordt omgezet in –90˚).
    4 Als de objecten een vulpatroon bevatten, selecteert u Patronen om het patroon te verplaatsen. Schakel Objecten uit als
    u wel het patroon en niet de objecten wilt verplaatsen.
    5 Klik op OK of klik op Kopiëren als u een kopie van de objecten wilt verplaatsen.
    90
    45

    135

    0

    180
    –135

    –45
    –90

    Richtingen ten opzichte van de x-as

    Een object verplaatsen via de x- en y-coördinaten

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Voer in het deelvenster Transformeren of het deelvenster Beheer nieuwe waarden in de tekstvakken X, Y of beide in.
    Als u het referentiepunt wilt wijzigen, klikt u op een wit vierkantje op de plaatsbepaler van het referentiepunt
    u de waarden invoert.

    voordat

    Meerdere objecten in één keer verplaatsen

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Kies Object > Transformeren > Alle objecten transformeren.
    3 Stel in het gedeelte Verplaatsen van het dialoogvenster de afstand in waarover de geselecteerde objecten moeten worden
    verplaatst.
    4 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u de objecten over de aangegeven afstand wilt verplaatsen, klikt u op OK.
    • Als u de objecten willekeurig maar niet verder dan de aangegeven afstand wilt verplaatsen, selecteert u de optie
    Willekeurig. Als u bijvoorbeeld een bakstenen muur tekent waarbij de bakstenen niet perfect moeten worden uitgelijnd
    maar iets ten opzichte van elkaar moeten worden verschoven, kunt u de optie Willekeurig selecteren. Klik vervolgens
    op OK.

    Een object plakken op een positie ten opzichte van andere objecten
    1 Selecteer het object dat u wilt plakken.
    2 Kies Bewerken > Kopiëren of Bewerken > Knippen.
    3 Selecteer het object waarvoor of waarachter u het item wilt plakken.
    4 Kies Bewerken > Op voorgrond plakken of Bewerken > Op achtergrond plakken.



  • Page 201

    ILLUSTRATOR CS3 195
    Handboek

    Als u meerdere objecten plakt, komen alle geplakte objecten voor of achter de selecteerde illustratie terecht. De relatieve
    verfvolgorde tussen de afzonderlijke geplakte objecten blijft echter gelijk.

    Objecten tussen lagen plakken
    De instelling van de optie Lagen behouden bij plakken bepaalt waar illustraties in de laaghiërarchie worden geplakt.
    Standaard is de optie Lagen behouden bij plakken uitgeschakeld en worden illustraties geplakt in de laag die actief is in het
    deelvenster Lagen. Als de optie Lagen behouden bij plakken is ingeschakeld, worden illustraties geplakt in de laag waaruit
    ze zijn gekopieerd, ongeacht welke laag actief is in het deelvenster Lagen.
    U kunt deze optie instellen door Lagen behouden bij plakken te selecteren in het menu van het deelvenster Lagen. Een
    vinkje geeft aan dat de optie is ingeschakeld.
    Schakel de optie Lagen behouden bij plakken in als u een illustratie tussen documenten plakt en u wilt deze automatisch
    plakken in een laag met dezelfde naam als de oorspronkelijke laag. Als het doeldocument geen laag heeft met dezelfde naam,
    wordt er een nieuwe laag gemaakt.

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Lagen” op pagina 200

    Objecten uitlijnen en verdelen
    Voor het uitlijnen of verdelen van geselecteerde objecten langs de door u opgegeven as, kunt u gebruikmaken van het
    deelvenster Uitlijnen (Venster > Uitlijnen) of van de uitlijnopties in het deelvenster Beheer. U kunt kiezen of u randen of
    ankerpunten gebruikt als referentiepunt van het object.
    Als er een object is geselecteerd worden de uitlijnopties weergegeven in het deelvenster Beheer. Als deze opties niet worden
    weergegeven, kies dan Uitlijnen in het menu van het deelvenster Beheer.
    Op www.adobe.com/go/vid0035_nl vindt u een video over het selecteren en manipuleren van objecten.

    Zie ook
    “Overzicht werkgebied” op pagina 13
    “Snijgebieden maken, bewerken en verwijderen” op pagina 37
    Objecten uitlijnen of verdelen

    1 Selecteer de objecten die u wilt uitlijnen of verdelen. Als u een ankerpunt op het object wilt uitlijnen, gebruikt u het
    gereedschap Direct selecteren en selecteert u het ankerpunt.
    2 Voer in het deelvenster Uitlijnen of Beheer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u wilt uitlijnen of verdelen ten opzichte van het omsluitende kader van alle geselecteerde objecten, klikt u op de knop
    voor het gewenste type uitlijning of verdeling.

    • Als u wilt uitlijnen of verdelen ten opzichte van een van de geselecteerde objecten, klikt u op nogmaals op dat object (deze
    keer hoeft u tijdens het klikken Shift niet ingedrukt te houden). Klik vervolgens op het gewenste type uitlijning of
    verdeling.
    Opmerking: Als u niet meer wilt uitlijnen of verdelen ten opzichte van een object, kiest u Hoofdobject annuleren in het menu
    van het deelvenster Uitlijnen.

    • Als u wilt uitlijnen ten opzichte van een snijgebied, selecteert u dit snijgebied met behulp van het gereedschap Snijgebied.
    Klik op de knop Uitlijnen op snijgebied
    of klik op het menu Uitlijnen
    vervolgens op het gewenste type uitlijning.

    en kies Uitlijnen op snijgebied. Klik

    • Als u wilt uitlijnen ten opzichte van het tekengebied, klik dan op de knop Uitlijnen op tekengebied
    menu Uitlijnen

    en kies Uitlijnen op tekengebied. Klik vervolgens op het gewenste type uitlijning.

    of klik op het



  • Page 202

    ILLUSTRATOR CS3 196
    Handboek

    Uitlijning en verdeling worden standaard berekend op basis van de paden van de objecten. Als u echter werkt met objecten
    met verschillende streekdikten, kunt u in plaats daarvan de rand van de streek gebruiken voor het berekenen van de
    uitlijning en de verdeling. Selecteer hiervoor Grenzen van voorvertoning gebruiken in het menu van het deelvenster Uitlijnen.
    Objecten verdelen met specifieke afstanden

    U kunt objecten zo verdelen dat de paden een nauwkeurige afstand hebben.
    1 Selecteer de objecten die u wilt verdelen.
    2 Geef in het deelvenster Uitlijnen in het tekstvak Tussenruimte verdelen de afstand tussen de objecten op.
    Als de opties voor de verdeling van de tussenruimte niet worden weergegeven, selecteert u Opties tonen in het
    deelvenstermenu.
    3 Klik met het gereedschap Selecteren op het pad of object waar u de overige objecten rond wilt verdelen. Het object
    waar u op klikt, blijft op zijn huidige positie staan.
    4 Klik op de knop Tussenruimte verticaal verdelen of de knop Tussenruimte horizontaal verdelen.

    Objecten roteren en spiegelen
    Objecten roteren
    Als u een object roteert, wordt deze rond een door u ingesteld vast punt gedraaid. Het standaardreferentiepunt is het
    middelpunt van het object. Als een selectie meerdere objecten bevat, roteren de objecten om één referentiepunt. Standaard
    is dit het middelpunt van de selectie of het omsluitende kader. Als u elk object om zijn eigen middelpunt wilt roteren,
    gebruikt u de opdracht Elk transformeren.

    Resultaten van het gereedschap Roteren (links) in vergelijking met de opdracht Elk transformeren (rechts)

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Transformeren” op pagina 209
    “Objecten verplaatsen” op pagina 192
    “Objecten schalen” op pagina 211
    Objecten roteren met het omsluitende kader

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Verplaats de aanwijzer met het gereedschap Selecteren buiten het omsluitende kader en plaats de aanwijzer dichtbij
    een handgreep, zodat deze verandert in
    . Vervolgens kunt u slepen.
    Een object roteren met het gereedschap Vrije transformatie

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Selecteer het gereedschap Vrije transformatie

    .

    3 Plaats de aanwijzer op een willekeurige plaats buiten het omsluitende kader, zodat deze verandert in
    kunt u slepen.

    . Vervolgens



  • Page 203

    ILLUSTRATOR CS3 197
    Handboek

    Een object roteren met het gereedschap Roteren

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Selecteer het gereedschap Roteren

    .

    3 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een object wilt roteren rond het middelpunt, sleept u in een draaiende beweging op een willekeurige plaats in het
    documentvenster.

    • Als u het object rond een ander referentiepunt wilt roteren, klik dan eenmaal ergens in het documentvenster voor een
    andere plaats van het referentiepunt. Verplaats de aanwijzer vervolgens weg van het referentiepunt en sleep in een
    draaiende beweging.

    • Wanneer u een kopie van het object wilt roteren in plaats van het object zelf, drukt u op Alt (Windows) of Option
    (Mac OS) nadat u bent begonnen met slepen.
    Voor een betere controle sleept u verder van het referentiepunt van het object af.
    Een object roteren met een bepaalde hoek

    Met behulp van de opdracht Roteren kunt u de rotatiehoek heel nauwkeurig bepalen.
    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u het object wilt roteren rond het middelpunt, kiest u Object > Transformeren > Roteren of dubbelklikt u op het
    gereedschap Roteren.

    • Als u wilt roteren rond een ander referentiepunt, selecteert u het gereedschap Roteren. Vervolgens houdt u Alt
    (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u klikt op de plaats in het documentvenster waar het referentiepunt
    moet komen.
    3 Voer in het tekstvak Hoek de rotatiehoek in. Voer een negatieve hoek in om het object naar rechts te roteren en een
    positieve hoek om het object naar links te roteren.
    4 Als de objecten een patroonvulling bevatten, selecteert u Patronen om het patroon te roteren. Schakel de selectie
    Objecten uit als u alleen het patroon wilt roteren, maar niet de objecten.
    5 Klik op OK of klik op Kopiëren als u een kopie van de objecten wilt schalen.
    Wanneer u meerdere kopieën van het object in een cirkelpatroon om een referentiepunt wilt plaatsen, verplaatst u het
    referentiepunt weg van het middelpunt van het object, klikt u op Kopiëren en kiest u herhaaldelijk Object >
    Transformeren > Opnieuw transformeren.
    Een object roteren via het deelvenster Transformeren

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u het object wilt roteren rond het middelpunt, geeft u in het deelvenster een waarde op voor de optie Hoek.
    • Als u het object rond een ander referentiepunt wilt roteren, selecteert u in het deelvenster een wit vierkantje op de
    plaatsbepaler van het referentiepunt

    en geeft u een waarde op voor de optie Hoek.

    U kunt ook het deelvenster Transformeren openen door in het deelvenster Beheer op X, Y, B of H te klikken.

    Meerdere objecten afzonderlijk roteren

    1 Selecteer de objecten die u wilt roteren.
    2 Kies Object > Transformeren > Alle objecten transformeren.
    3 Voer in het gedeelte Roteren van het dialoogvenster een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op het hoekpictogram of sleep de lijn rond het pictogram.
    • Typ in het tekstvak Hoek een waarde tussen –360˚ en 360˚.



  • Page 204

    ILLUSTRATOR CS3 198
    Handboek

    4 Klik op OK of klik op Kopiëren als u een kopie van elk object wilt roteren.

    De x- en de y-as van een document roteren
    Standaard liggen de x-as en de y-as parallel aan de horizontale en verticale zijden van het documentvenster.
    1 Kies Bewerken > Voorkeuren > Algemeen (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Algemeen (Mac OS).
    2 Geef een hoek op in het tekstvak Beperkingshoek. Als u een positieve hoek opgeeft, worden de assen linksom geroteerd.
    Als u een negatieve hoek opgeeft, worden de assen rechtsom geroteerd.
    Het is handig om assen te roteren als de illustratie bestaat uit elementen die met dezelfde hoek zijn geroteerd, bijvoorbeeld
    een logo en een tekst die met een hoek van 20˚ worden weergegeven. Het is niet nodig elk element dat u toevoegt aan het
    logo te roteren. U hoeft alleen maar de assen met 20˚ te roteren. Alles wat u tekent, wordt langs de nieuwe assen gemaakt.
    y

    y

    y

    20
    x

    x

    Object uitgelijnd met standaardassen (links) in vergelijking met uitlijning waarbij de assen 20˚ zijn geroteerd (rechts)

    De volgende objecten en handelingen worden niet door de nieuwe assen beïnvloed:

    • Bestaande objecten
    • Roteren en overvloeien
    • Tekenen met het Potlood of het gereedschap Actief overtrekken

    Objecten spiegelen
    U spiegelt een object ten opzichte van een onzichtbare, door u gespecificeerde as. U kunt objecten spiegelen met het
    gereedschap Vrije transformatie, het gereedschap Spiegelen of de opdracht Spiegelen.
    Als u een spiegelbeeld van een object wilt maken, kunt u kopiëren terwijl u het object spiegelt.

    Een object spiegelen met het gereedschap Vrije transformatie

    1 Selecteer het object dat u wilt spiegelen.
    2 Selecteer het gereedschap Vrije transformatie.
    3 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Sleep een handgreep van het omsluitende kader voorbij de tegenoverliggende rand of handgreep tot het object de
    gewenste spiegeling heeft bereikt.

    • Als u de verhoudingen van het object wilt behouden, houdt u Shift ingedrukt terwijl u een hoekhandgreep voorbij de
    tegenoverstaande handgreep sleept.
    Een object spiegelen met het gereedschap Spiegelen

    1 Selecteer het object.
    2 Selecteer het gereedschap Spiegelen

    .

    3 Als u de onzichtbare as wilt tekenen waarlangs u het object wilt spiegelen, klikt u op een willekeurige plaats in het
    documentvenster om een van de punten van de as in te stellen. De aanwijzer verandert in een pijlpunt.



  • Page 205

    ILLUSTRATOR CS3 199
    Handboek

    4 Plaats de aanwijzer op een ander punt om de onzichtbare as te definiëren en kies een van de volgende mogelijkheden:

    • Klik om het tweede punt van de onzichtbare as in te stellen. Als u hebt geklikt, wordt het geselecteerde object over de
    ingestelde as gespiegeld.

    Klik om het eerste punt van de as in te stellen (links). Klik nogmaals om het andere punt van de as in te stellen en het object te spiegelen langs
    deze as (rechts).

    • Als u een kopie van het object wilt spiegelen, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u klikt om
    het tweede punt van de onzichtbare as in te stellen.

    • Pas de spiegelas aan door te slepen in plaats van te klikken. Houd tijdens het slepen Shift ingedrukt om de hoek te
    beperken tot 45˚. Tijdens het slepen draait de onzichtbare spiegelas rond het punt dat u in stap 3 hebt ingesteld en wordt
    er een omtrek van het object gespiegeld weergegeven. Laat de muisknop los zodra de omtrek op de gewenste plaats staat.

    Het tweede punt van de spiegelas slepen om de as te roteren

    Voor een betere controle sleept u verder van het referentiepunt van het object af.
    Spiegelen door een as op te geven

    1 Selecteer het object dat u wilt spiegelen.

    • Als u het object wilt spiegelen rond het middelpunt van een object, kiest u Object > Transformeren > Spiegelen of
    dubbelklikt u op het gereedschap Spiegelen.

    • Als u het object wilt spiegelen rond een ander referentiepunt, drukt u op Alt (Windows) of Option (Mac OS) terwijl u
    klikt op een willekeurige plaats in het documentvenster.
    2 Selecteer in het dialoogvenster Spiegelen de as waarin u het object wilt spiegelen. U kunt een object spiegelen in een
    horizontale, verticale of hoekas.
    3 Als het object patronen bevat en u wilt deze patronen spiegelen, selecteer dan de optie Patronen. (Als u alleen de
    patronen wilt spiegelen, schakel dan de optie Objecten uit.)
    4 Wanneer u het effect wilt bekijken voordat u het toepast, selecteert u Voorvertoning.
    5 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Wanneer u het object wilt spiegelen, klikt u op OK.
    • Wanneer u een kopie van het object wilt spiegelen, klikt u op Kopiëren.



  • Page 206

    ILLUSTRATOR CS3 200
    Handboek

    Lagen gebruiken
    Lagen
    Wanneer u complexe illustraties maakt, kan het een probleem zijn om alle items in het documentvenster in het oog te
    houden. Kleine items raken verborgen onder grotere, en het wordt moeilijk om illustraties te selecteren. Lagen bieden een
    manier om alle items te beheren waaruit de illustraties bestaan. U kunt lagen beschouwen als doorzichtige mappen die
    illustraties bevatten. Als u de mappen herschikt, verandert u de stapelvolgorde van de items in de illustratie. U kunt items
    van de ene map naar de andere verplaatsen en submappen in mappen maken.
    De lagenstructuur in een document kan zo eenvoudig of complex zijn als u maar wilt. Standaard zijn alle items
    ondergebracht in een enkelvoudige hoofdlaag. U kunt echter nieuwe lagen maken en items daar naartoe verplaatsen. Ook
    kunt u op elk gewenst moment elementen tussen de lagen verplaatsen. In het deelvenster Lagen kunt u op eenvoudige wijze
    weergavekenmerken van illustraties selecteren, verbergen, vergrendelen en wijzigen. Het is zelfs mogelijk om sjabloonlagen
    te maken. Deze kunt u gebruiken om illustraties over te trekken en om lagen uit te wisselen met Photoshop.
    Op www.adobe.com/go/vid0041_nl vindt u een video over het gebruik van lagen en de isolatiemodus. Op
    www.adobe.com/go/learn_ai_tutorials_layers_nl vindt u informatie over het gebruik van lagen voor het maken van
    animaties.

    Overzicht van het deelvenster Lagen
    U gebruikt het deelvenster Lagen (Venster > Lagen) om de objecten in een document weer te geven, te organiseren en te
    bewerken. Standaard bevat elk document één laag. Elk document dat u maakt, wordt weergegeven onder die laag. U kunt
    echter nieuwe lagen maken en items naar wens herschikken.
    Standaard wordt aan elke laag in het deelvenster Lagen een unieke kleur (maximaal negen kleuren) toegekend. De kleur
    wordt naast de laagnaam in het deelvenster weergegeven. Dezelfde kleur wordt in het illustratievenster weergegeven in het
    omsluitende kader, het pad, de ankerpunten en het middelpunt van een geselecteerd object. U kunt deze kleur gebruiken
    om in het deelvenster Lagen snel de laag te vinden die hoort bij een bepaald object. Desgewenst kunt u de kleur van de laag
    aanpassen.
    Wanneer een item in het deelvenster Lagen andere items bevat, wordt er links van de naam van het item een driehoek
    weergegeven. Klik op deze driehoek om de inhoud te verbergen of weer te geven. Als er geen driehoek wordt weergegeven,
    bevat het item geen andere items.
    A B

    C D

    Deelvenster Lagen
    A. Zichtbaarheid B. Bewerkbaarheid C. Doel D. Selectie

    In het deelvenster Lagen staan er kolommen links en rechts van de lijsten. Klik op een kolom om de volgende kenmerken
    in te stellen:
    Zichtbaarheid Geeft aan of items in de lagen zichtbaar

    omtreklagen

    of verborgen (leeg vakje) zijn en of het sjabloonlagen

    of

    zijn.

    Bewerkbaarheid Geeft aan of items zijn vergrendeld of ontgrendeld. Het vergrendelingspictogram

    geeft aan dat het
    item is vergrendeld en niet kan worden bewerkt. Een leeg vakje geeft aan dat het item is ontgrendeld en kan worden
    bewerkt.



  • Page 207

    ILLUSTRATOR CS3 201
    Handboek

    Doel Geeft aan of deze items als doel zijn aangewezen. Dat wil zeggen dat er effecten op worden toegepast en dat deze items

    worden aangepast als kenmerken in het deelvenster Vorm worden bewerkt. Het pictogram met de dubbele ring (
    geeft aan dat het item als doel is aangewezen. Een enkele ring geeft aan dat het item niet als doel is aangewezen.

    of

    )

    Selectie Geeft aan of items zijn geselecteerd. Als een item is geselecteerd, verschijnt er een gekleurd vakje. Als een item,
    bijvoorbeeld een laag of groep, bepaalde objecten bevat die wel zijn geselecteerd en andere objecten die niet zijn
    geselecteerd, staat er een kleiner gekleurd vakje naast het hoofditem. Als alle objecten binnen het hoofditem zijn
    geselecteerd, hebben de gekleurde vakjes dezelfde grootte als de markeringen naast geselecteerde objecten.

    U kunt het deelvenster Lagen gebruiken om bepaalde items weer te geven als omtrekken en andere items zoals deze in de
    uiteindelijke illustratie verschijnen. U kunt gekoppelde afbeeldingen en bitmapobjecten ook dimmen, zodat het
    gemakkelijker is om illustraties boven op de afbeelding te bewerken. Dit is vooral handig als u een bitmapafbeelding
    overtrekt.

    A

    B

    C

    Opties voor gelaagde illustraties weergeven
    A. Object weergegeven in de weergave Omtrek B. Bitmapobject voor 50% gedimd C. Geselecteerde object weergegeven in voorvertoningmodus

    Zie ook
    “Overzicht werkgebied” op pagina 13
    “Illustraties weergeven als omtrekken” op pagina 43
    “Illustraties overtrekken” op pagina 76
    De weergave van het deelvenster Lagen wijzigen

    1 Kies Deelvensteropties in het menu van het deelvenster Lagen.
    2 Selecteer Alleen lagen tonen als u paden, groepen en gemeenschappelijke elementen in het deelvenster Lagen wilt
    verbergen.
    3 Selecteer bij Rijgrootte een optie om de hoogte van de rijen op te geven. (Als u een aangepaste grootte wilt opgeven, voer
    dan een waarde tussen 12 en 100 in.)
    4 Selecteer bij Miniaturen een combinatie van lagen, groepen en objecten waarvoor u miniatuurvoorvertoningen wilt
    weergeven.
    Opmerking: Als u miniaturen weergeeft in het deelvenster Lagen, kan de snelheid van het programma achteruit gaan wanneer
    u werkt met complexe bestanden. Schakel de weergave van miniaturen uit om de prestaties te verbeteren.
    Opties voor lagen en sublagen instellen

    1 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Dubbelklik in het deelvenster Lagen op de naam van het item.
    • Klik op de itemnaam en kies Opties voor <itemnaam> in het menu van het deelvenster Lagen.



  • Page 208

    ILLUSTRATOR CS3 202
    Handboek

    • Kies Nieuwe laag of Nieuwe sublaag in het menu van het deelvenster Lagen.
    2 Geef de volgende opties op:
    Naam Hier geeft u de itemnaam op die moet worden weergegeven in het deelvenster Lagen.
    Kleur Hier geeft u de kleurinstelling van de laag op. U kunt een kleur uit het menu kiezen of dubbelklikken op het kleurstaal

    om een kleur te selecteren.
    Sjabloon Hiermee maakt u van de laag een sjabloonlaag.
    Vergrendelen Hiermee voorkomt u dat het item kan worden gewijzigd.
    Tonen Hiermee geeft u alle illustraties op de laag in het tekengebied weer.
    Afdrukken Als u deze instelling selecteert, kunnen de illustraties in de laag worden afgedrukt.
    Voorvertoning Hiermee geeft u de illustraties in de laag niet als omtrekken, maar in kleur weer.
    Afbeeldingen dimmen naar Hiermee vermindert u de intensiteit van gekoppelde afbeeldingen en bitmapafbeeldingen in de
    laag tot het opgegeven percentage.

    Een nieuwe laag maken
    1 Klik in het deelvenster Lagen op de naam van de laag waarboven (of waarin) u de nieuwe laag wilt toevoegen.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een nieuwe laag boven de geselecteerde laag wilt toevoegen, klikt u op de knop Nieuwe laag maken

    in het

    deelvenster Lagen.

    • Als u een nieuwe sublaag binnen de geselecteerde laag wilt maken, klikt u op de knop Nieuwe sublaag maken

    in het

    deelvenster Lagen.
    Als u opties wilt instellen wanneer u een nieuwe laag maakt, kiest u Nieuwe laag of Nieuwe sublaag in het menu van het
    deelvenster Lagen.

    Een object verplaatsen naar een andere laag
    1 Selecteer het object.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op de naam van de gewenste laag in het deelvenster Lagen. Kies vervolgens Object > Ordenen > Naar huidige laag.
    • Sleep de indicator voor geselecteerde illustraties

    , die zich aan de rechterkant van de laag in het deelvenster Lagen

    bevindt, naar de gewenste laag.
    U kunt objecten of lagen naar een nieuwe laag verplaatsen door deze te selecteren en door vervolgens Verzamelen op nieuwe
    laag te selecteren in het menu van het deelvenster Lagen. Houd tijdens het klikken Ctrl (Windows) of Command (Mac OS)
    ingedrukt om niet-aangrenzende items te selecteren. Houd tijdens het klikken Shift ingedrukt om aangrenzende items te
    selecteren.

    Items verdelen over afzonderlijke lagen
    Met de opdracht Verdelen over lagen worden alle items van een laag verdeeld over afzonderlijke lagen en kunt u in elke laag
    nieuwe objecten bouwen op basis van de stapelvolgorde van het object. U kunt hier gebruik van maken als bijvoorbeeld
    bestanden wilt voorbereiden voor webanimaties.
    1 Klik in het deelvenster Lagen op de naam van een laag of groep.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u elk item op een nieuwe laag wilt plaatsen, kiest u Verdelen over lagen (volgorde) in het menu van het deelvenster
    Lagen.

    • Als u items wilt verdelen over lagen en objecten wilt dupliceren om een oplopende volgorde te maken, kies dan Verdelen
    over lagen (bouwen) in het menu van het deelvenster Lagen. Het onderste object wordt in elk van de nieuwe lagen
    weergegeven, terwijl het bovenste object alleen in de bovenste laag wordt weergegeven. Laten we bijvoorbeeld aannemen



  • Page 209

    ILLUSTRATOR CS3 203
    Handboek

    dat zich in Laag 1 een cirkel (onderste object), een vierkant en een driehoek (bovenste object) bevinden. Met deze
    opdracht worden dan drie lagen gemaakt: een met een cirkel, vierkant en rechthoek, een met een cirkel en een vierkant
    en een met alleen een cirkel. Dit is handig bij het maken van oplopende animatiereeksen.

    Met de opdracht Verdelen over lagen (bouwen) worden nieuwe lagen gemaakt.

    Lagen en groepen verenigen
    Samenvoegen en afvlakken van lagen hebben met elkaar gemeen dat objecten, groepen en sublagen worden verenigd tot
    een enkelvoudige laag of groep. Bij samenvoegen kunt u selecteren welke items u wilt verenigen; bij afvlakken worden alle
    zichtbare items in de illustratie verenigd tot een enkelvoudige laag. In beide gevallen blijft de stapelvolgorde van de
    illustratie gelijk, maar andere niveaueigenschappen, zoals knipmaskers, blijven niet behouden.

    • Als u items wilt samenvoegen tot één laag of groep, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt terwijl u
    klikt op de namen van de lagen of groepen die u wilt samenvoegen. U kunt ook Shift ingedrukt houden om alle items te
    selecteren tussen de lagen of groepen waarop u klikt. Kies vervolgens Selectie samenvoegen in het menu van het
    deelvenster Lagen. Items worden samengevoegd in de laag of groep die u het laatst hebt geselecteerd.
    Lagen kunnen alleen met andere lagen worden samengevoegd als deze zich op hetzelfde hiërarchische niveau in het
    deelvenster Lagen bevinden. Evenzo kunnen sublagen alleen met andere sublagen worden samengevoegd als deze zich
    binnen dezelfde laag en op hetzelfde hiërarchische niveau bevinden. Objecten kunnen niet met andere objecten worden
    samengevoegd.

    • Als u lagen wilt afvlakken, klikt u op de naam van de laag waarin u de illustratie wilt verenigen. Kies vervolgens Illustratie
    afvlakken in het menu van het deelvenster Lagen.

    Een item zoeken in het deelvenster Lagen
    Als u een item selecteert in het documentvenster, kunt u het bijbehorende item snel vinden in het deelvenster Lagen met
    behulp van de opdracht Object vinden. Deze opdracht is vooral handig bij het zoeken naar items in samengevouwen lagen.
    1 Selecteer een object in het documentvenster. Als u meerdere objecten selecteert, wordt het voorste object in de
    stapelvolgorde opgezocht.
    2 Kies Object vinden in het menu van het deelvenster Lagen. De opdracht wordt gewijzigd in Laag vinden als u bij de
    deelvensteropties de optie Alleen lagen tonen hebt geselecteerd.

    Objecten vergrendelen, verbergen en verwijderen
    Objecten of lagen vergrendelen of ontgrendelen
    Als objecten zijn vergrendeld, kunt u deze niet selecteren of bewerken. U kunt meerdere paden, groepen en sublagen snel
    vergrendelen door de hoofdlaag ervan te vergrendelen.

    • Als u objecten of lagen wilt vergrendelen, klikt u voor de gewenste objecten of lagen op de knop in de kolom
    Bewerkbaarheid (rechts van het oogpictogram) in het deelvenster Lagen. Sleep met de muisaanwijzer over meerdere



  • Page 210

    ILLUSTRATOR CS3 204
    Handboek

    knoppen voor bewerken om meerdere items te vergrendelen. Of selecteer de objecten die u wilt vergrendelen en kies
    Object > Vergrendelen > Selectie.

    • Als u objecten of lagen wilt ontgrendelen, klikt u voor de desbetreffende objecten of lagen op het
    vergrendelingspictogram

    in het deelvenster Lagen.

    U kunt objecten ook vergrendelen en ontgrendelen met behulp van de volgende opdrachten:

    • Als u alle objecten wilt vergrendelen die het gebied van het geselecteerde object overlappen en die zich in dezelfde laag
    bevinden, selecteert u het object en kiest u Object > Vergrendelen > Alle illustraties boven.

    • Als u alle lagen wilt vergrendelen die niet het geselecteerde item of de geselecteerde groep bevatten, kiest u Object >
    Vergrendelen > Overige lagen of kiest u Overige lagen vergrendelen in het menu van het deelvenster Lagen.

    • Als u alle lagen wilt vergrendelen, selecteert u alle lagen in het deelvenster Lagen en kiest u vervolgens Alle lagen
    vergrendelen in het deelvenstermenu.

    • Als u alle objecten in het document wilt ontgrendelen, kiest u Object > Alles ontgrendelen.
    • Als u alle objecten in een groep wilt ontgrendelen, selecteert u een ontgrendeld en zichtbaar object in de groep. Houd
    Shift+Alt (Windows) of Shift+Option (Mac OS) ingedrukt en kies Object > Alles ontgrendelen.

    • Als u alle lagen hebt vergrendeld, kunt u deze ontgrendelen door Alle lagen ontgrendelen te kiezen in het menu van het
    deelvenster Lagen.
    Opmerking: In de isolatiemodus zijn de vergrendelingsopties uitgeschakeld.

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Lagen” op pagina 200

    Objecten of lagen verbergen of tonen
    Kies uit een van de volgende methoden:

    • Klik in het deelvenster Lagen op het oogpictogram

    naast het item dat u wilt verbergen. Klik nogmaals als u het item
    opnieuw wilt weergeven. Als u een laag of groep verbergt, worden alle items in de laag of groep verborgen.

    • Sleep met de muisaanwijzer over meerdere oogpictogrammen om meerdere items te verbergen.
    • Selecteer het object dat u wilt verbergen en kies Object > Verbergen > Selectie.
    • Als u alle objecten boven een object in een laag wilt verbergen, selecteert u het object en kiest u Object > Verbergen >
    Alle illustraties boven.

    • Als u alle niet-geselecteerde lagen wilt verbergen, kiest u Overige lagen verbergen in het menu van het deelvenster Lagen.
    U kunt ook Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt houden en klikken op het oogpictogram van de laag die u wilt
    weergeven. Als u alle lagen behalve de laag die het geselecteerde object of de groep bevat, wilt verbergen, kiest u Object >
    Verbergen > Overige lagen.

    • Als u alle objecten wilt weergeven, kiest u Object > Alle tonen. Alle verborgen objecten worden weergegeven. Objecten
    die al geselecteerd waren, blijven geselecteerd.

    • Als u alle lagen en sublagen wilt weergeven, selecteert u Alle lagen tonen in het menu van het deelvenster Lagen.
    Verborgen objecten worden niet weergegeven door deze opdracht, alleen verborgen lagen.

    • Als u alle objecten in een groep wilt weergeven, selecteert u een ontgrendeld en zichtbaar object in de groep. Houd
    Shift+Alt (Windows) of Shift+Option (Mac OS) ingedrukt en kies Object > Alle tonen.
    Opmerking: In de isolatiemodus zijn de opties voor tonen en verbergen uitgeschakeld.

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Lagen” op pagina 200



  • Page 211

    ILLUSTRATOR CS3 205
    Handboek

    Objecten verwijderen
    ❖ Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Selecteer de objecten en druk op Backspace (Windows) of op Delete.
    • Selecteer de objecten en kies vervolgens Bewerken > Wissen of Bewerken > Knippen.
    • Selecteer in het deelvenster Lagen de items die u wilt verwijderen en klik op het pictogram Selectie verwijderen

    .U

    kunt ook de naam van het item in het deelvenster Lagen naar het pictogram Selectie verwijderen in het deelvenster
    slepen, of “Laagnaam” verwijderen selecteren in het menu van het deelvenster Lagen.
    Als u een laag verwijdert, verwijdert u ook alle illustraties die zich in die laag bevinden. Als u bijvoorbeeld een laag
    verwijdert die sublagen, groepen, paden en knipsets bevat, worden al deze elementen tezamen met de laag verwijderd.
    Opmerking: Een document moet minstens één laag hebben. Als een document maar één laag heeft, zijn het pictogram
    Verwijderen en de opdracht Verwijderen niet beschikbaar.

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Lagen” op pagina 200

    Objecten stapelen
    Opgeven waar nieuwe objecten in de stapelvolgorde worden toegevoegd
    Objecten worden gestapeld in de volgorde waarin deze zijn getekend, te beginnen met het object dat als eerste is getekend.
    De stapelvolgorde van de objecten is bepalend voor hoe ze worden weergegeven als ze overlappen. U kunt de stapelvolgorde
    (ook wel de verfvolgorde genoemd) van objecten in de illustratie altijd wijzigen via het deelvenster Lagen of via de
    opdrachten bij Object > Ordenen.
    ❖ Voer in het deelvenster Lagen een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op de naam van het object waarboven u het nieuwe object wilt toevoegen.
    • Als u het nieuwe object boven aan een laag of groep wilt toevoegen, klikt u op de naam van die laag of groep.
    Houd Alt en Ctrl (Windows) of Option en Command (Mac OS) ingedrukt en klik ergens in de lijst met lagen. Typ
    vervolgens de naam of het nummer van de laag die u wilt selecteren. (U kunt bijvoorbeeld 30 typen om naar laag 30 te
    gaan.)

    De stapelvolgorde wijzigen in het deelvenster Lagen
    De stapelvolgorde van objecten correspondeert met de hiërarchie van items in het deelvenster Lagen. Illustraties die zich
    boven in het deelvenster Lagen bevinden, liggen vooraan in de stapelvolgorde, terwijl illustraties die zich onder in het
    deelvenster Lagen bevinden, achteraan in de stapelvolgorde liggen. Binnen een laag worden objecten ook hiërarchisch
    gestapeld. Door meerdere lagen in de illustratie te maken kunt u bepalen hoe overlappende objecten worden weergegeven.
    ❖ Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Sleep de naam van het item en laat de muisknop los wanneer zwarte invoegmarkeringen worden weergegeven op de
    gewenste positie. Er worden zwarte invoegmarkeringen weergegeven tussen twee andere items in het deelvenster of op
    de linker- en rechterrand van een laag of groep. Items die worden losgelaten boven een laag of groep, krijgen een positie
    boven alle andere objecten in het item.

    • Klik in de selectiekolom van het item (tussen de doelknop en de schuifbalk), sleep het gekleurde vakje naar het gekleurde
    vakje van een ander item en laat de muisknop los. Als het gekleurde vakje naar een object wordt gesleept, wordt het item
    boven dat object geplaatst. Als het vakje naar een laag of groep wordt gesleept, wordt het item boven alle andere objecten
    in die laag of groep geplaatst.

    • Als u de volgorde van items in het deelvenster Lagen wilt omkeren, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS)
    ingedrukt en klikt u op de items waarvan u de volgorde wilt omkeren. De items moeten zich in de laaghiërarchie op
    hetzelfde niveau bevinden. U kunt bijvoorbeeld twee lagen van het bovenste niveau selecteren, maar u kunt niet twee



  • Page 212

    ILLUSTRATOR CS3 206
    Handboek

    paden selecteren die zich in verschillende lagen bevinden. Kies vervolgens Volgorde omkeren in het menu van het
    deelvenster Lagen.
    Opmerking: U kunt in het deelvenster Lagen geen pad, groep of gemeenschappelijk element naar de bovenste positie
    verplaatsen. Alleen lagen kunnen zich helemaal boven in de laaghiërarchie bevinden.

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Lagen” op pagina 200

    De stapelvolgorde wijzigen met behulp van opdrachten
    ❖ Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een object naar de bovenste of onderste positie in de desbetreffende groep of laag wilt verplaatsen, selecteert u het
    gewenste object en kiest u Object > Ordenen > Naar voorgrond of Object > Ordenen > Naar achtergrond.

    • Als u een object één stap naar voren of naar achteren in een stapel wilt verplaatsen, selecteert u het gewenste object en
    kiest u Object > Ordenen > Naar voren of Object > Ordenen > Naar achteren.

    Objecten dupliceren
    Objecten dupliceren door te slepen
    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Kies het gereedschap Selecteren, Direct selecteren of Groep selecteren.
    3 Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en sleep de selectie. Let op dat u niet sleept met een handgreep van
    het omsluitende kader.

    Objecten dupliceren in het deelvenster Lagen
    In het deelvenster Lagen kunt u objecten, groepen en gehele lagen snel dupliceren.
    1 Selecteer in het deelvenster Lagen de items die u wilt dupliceren.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Kies “Laagnaam” dupliceren in het menu van het deelvenster Lagen.
    • Sleep het item in het deelvenster Lagen naar de knop Nieuwe laag maken

    onder in het deelvenster.

    • Begin het item te slepen naar een nieuwe positie in het deelvenster Lagen en houd vervolgens Alt (Windows) of Option
    (Mac OS) ingedrukt. Laat de muisknop los als de indicator zich bevindt op de positie waar u het gedupliceerde item wilt
    plaatsen. Als u de muisknop loslaat terwijl de indicator een laag of groep aanwijst, wordt het gedupliceerde item
    bovenaan in de laag- of groepshiërarchie toegevoegd. Als u de muisknop loslaat op het moment dat de indicator zich
    tussen twee items bevindt, wordt het gedupliceerde item op de aangegeven positie ingevoegd.

    Selecties dupliceren door te slepen
    U kunt het Klembord gebruiken om selecties uit te wisselen tussen Illustrator-bestanden en andere Adobe-software, zoals
    Adobe Photoshop, Adobe GoLive en Adobe InDesign. Het Klembord is met name handig bij het importeren van paden,
    omdat paden naar het Klembord worden gekopieerd als PostScript-beschrijvingen. Illustraties die naar het Klembord zijn
    gekopieerd, worden in de meeste toepassingen geplakt in de PICT-indeling. Sommige toepassingen gebruiken echter de
    PDF-versie (bijvoorbeeld InDesign) of de AICB-versie. In de PDF-versie blijft transparantie behouden. In de AICB-versie
    kunt u opgeven of u het algehele uiterlijk van de selectie wilt behouden of dat u de selectie wilt kopiëren als een reeks paden
    (hetgeen nuttig kan zijn in Photoshop).



  • Page 213

    ILLUSTRATOR CS3 207
    Handboek

    U kunt uw kopieervoorkeuren opgeven via Bewerken > Voorkeuren > Bestandsbeheer en Klembord (Windows) of via
    Illustrator > Voorkeuren > Bestandsbeheer en Klembord (Mac OS). Selecteer PDF, AICB of beide. Als u AICB selecteert,
    selecteert u Paden behouden om transparantie-effecten uit de gekopieerde illustraties te verwijderen. Selecteer Vorm
    behouden en Overdrukken behouden om transparanties af te vlakken, de weergave van de gekopieerde illustratie te
    behouden en overgedrukte objecten te behouden.
    Illustraties naar een Photoshop-document slepen

    1 Selecteer de illustratie die u wilt kopiëren.
    2 Open het Photoshop-document waarin u de selectie wilt kopiëren.
    3 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u de illustraties als bitmapafbeeldingen naar Photoshop wilt kopiëren, sleep dan de selectie naar het Photoshopvenster en laat de muisknop los als er een zwarte omtrek wordt weergegeven. Als u de selectie in het midden van de
    Photoshop-afbeelding wilt plaatsen, houd dan Shift ingedrukt voordat u de selectie sleept. Geselecteerde objecten
    worden standaard als bitmapafbeeldingen naar de actieve laag gekopieerd.

    • Als u vectorillustraties naar Photoshop wilt kopiëren als paden, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS)
    ingedrukt en sleept u de selectie naar het Photoshop-document. Wanneer u de muisknop loslaat, wordt de selectie een
    Photoshop-pad.
    Illustraties vanuit Photoshop naar Illustrator slepen

    1 Open het Photoshop-document waaruit u wilt kopiëren.
    2 Selecteer de illustratie die u wilt kopiëren.
    3 Selecteer het gereedschap Verplaatsen

    en sleep de selectie van Photoshop naar het Illustrator-bestand.

    Illustraties naar het bureaublad slepen (alleen Mac OS)

    1 Selecteer de illustratie die u wilt kopiëren.
    2 Sleep de selectie naar het bureaublad.
    Selecties worden naar het bureaublad gekopieerd als een afbeeldingsknipsel dat naar het gewenste document kan worden
    gesleept. Als afbeeldingsknipsels naar het bureaublad worden gesleept, worden deze omgezet in de PICT-indeling.

    Gedupliceerde objecten verschuiven
    Met behulp van de opdracht of het effect Pad verschuiven kunt u een replica van een object maken die zich op een
    opgegeven afstand van het geselecteerde object bevindt. Het verschuiven van objecten is nuttig als u concentrische vormen
    wilt maken of replica's van een object wilt maken met gelijke tussenruimten.
    Met behulp van de opdracht Pad verschuiven in het menu Effect kunt u het pad van een object verschuiven ten opzichte
    van het oorspronkelijke pad. Dit effect is handig als u een netobject wilt omzetten in een normaal pad. Als u bijvoorbeeld
    een omhulling hebt opgeheven of een netvorm wilt omzetten, zodat u deze in een andere toepassing kunt gebruiken, past
    u de opdracht Pad verschuiven toe met een verschuivingswaarde van 0. Vervolgens verwijdert u de netvorm. Het
    overblijvende pad kunt u dan bewerken.

    Zie ook
    “Effecten en filters” op pagina 333
    “Een object voorzien van een streek” op pagina 145
    Objecten verschuiven met behulp van de opdracht Pad verschuiven

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Kies Object > Pad > Pad verschuiven.
    3 Geef de gewenste afstand, het type lijnverbinding en de afknotlimiet op.
    4 Klik op OK.



  • Page 214

    ILLUSTRATOR CS3 208
    Handboek

    Objecten verschuiven met behulp van het effect Pad verschuiven

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Kies Effect > Pad > Pad verschuiven.
    3 Geef de gewenste afstand, het type lijnverbinding en de afknotlimiet op.
    4 Klik op OK.



  • Page 215

    209

    Hoofdstuk 8: Objecten omvormen
    In Adobe Illustrator kunt u de grootte of de vorm van een object eenvoudig wijzigen met gereedschappen en opdrachten of
    door het toepassen van filters, effecten en maskers. U kunt ook gemakkelijk 3D-objecten maken.

    Objecten transformeren
    Transformeren
    Transformeren omvat het verplaatsen, roteren, spiegelen, schalen en schuintrekken van objecten. U kunt objecten
    transformeren in het deelvenster Transformeren (Object > Transformeren) en met speciaal daarvoor bestemde
    gereedschappen. U kunt vele typen transformaties uitvoeren door het omsluitende kader voor een selectie te slepen.
    In bepaalde gevallen wilt u dezelfde transformatie mogelijk meerdere malen uitvoeren, vooral bij het kopiëren van objecten.
    Met de opdracht Opnieuw transformeren in het menu Object kunt u een bewerking voor het verplaatsen, schalen, roteren,
    spiegelen of schuintrekken van een object een onbeperkt aantal malen herhalen, totdat u een andere
    transformatiebewerking uitvoert.
    In het deelvenster Info kunt u de huidige afmetingen en positie van het geselecteerde object tijdens het transformeren
    bekijken.
    Op www.adobe.com/go/vid0040_nl vindt u een video over het schalen, schuintrekken en roteren van objecten.

    Zie ook
    “Overzicht van het deelvenster Transformeren” op pagina 209
    “Objecten schalen” op pagina 211
    “Objecten schuintrekken” op pagina 213
    “Objecten verplaatsen” op pagina 192
    “Objecten roteren” op pagina 196
    “Objecten spiegelen” op pagina 198

    Overzicht van het deelvenster Transformeren
    In het deelvenster Transformeren (Venster > Transformeren) staat informatie over de locatie, grootte en stand van een of
    meerdere geselecteerde objecten. U kunt de geselecteerde objecten, de vulpatronen van de objecten of beide wijzigen door
    nieuwe waarden hiervoor in te voeren. U kunt het referentiepunt van de transformatie ook wijzigen en de afmetingen van
    het object vergrendelen.
    Alle waarden in het deelvenster hebben betrekking op de omsluitende kaders van de objecten, met uitzondering van de Xen Y-waarden; deze verwijzen naar het geselecteerde referentiepunt.
    Opmerking: De indicator voor het referentiepunt in het deelvenster Transformeren geeft het referentiepunt van een object alleen
    aan wanneer u het object transformeert door de waarden in het deelvenster te wijzigen. Bij andere transformatiemethoden
    (bijvoorbeeld met het gereedschap Schalen) fungeert het middelpunt van het object of de aanwijzer als referentiepunt.



  • Page 216

    ILLUSTRATOR CS3 210
    Handboek

    A
    B
    C

    Deelvenster Transformeren
    A. Indicator voor het referentiepunt B. Deelvenstermenu C. Pictogram voor het beperken van de verhoudingen

    De patronen van een object transformeren
    Wanneer u een object dat is gevuld met een patroon verplaatst, roteert, spiegelt, schaalt of schuintrekt, kunt u alleen het
    object, alleen het patroon of zowel het object als het patroon transformeren. Wanneer u het vulpatroon van een object hebt
    getransformeerd, worden alle patronen die u daarna op dat object toepast op dezelfde manier getransformeerd.

    • Als u wilt opgeven hoe u patronen wilt transformeren wanneer u het deelvenster Transformeren gebruikt, selecteert u
    een optie in het deelvenstermenu: Alleen object transformeren, Alleen patroon transformeren of Beide transformeren.

    • Als u wilt opgeven hoe u patronen wilt transformeren wanneer u een transformatieopdracht gebruikt, stelt u de opties
    voor objecten en patronen in het corresponderende dialoogvenster in. Schakel bijvoorbeeld Patronen in en Objecten uit
    als u wel het patroon maar niet het object wilt transformeren.

    • Als u bij het gebruik van een transformatiegereedschap wel patronen maar geen objecten wilt transformeren, houdt u de
    tilde-toets (~) ingedrukt terwijl u sleept. De randen van het object lijken te worden getransformeerd, maar wanneer u de
    muisknop loslaat, worden de randen weer teruggezet op hun originele configuratie en blijft alleen het patroon
    getransformeerd.

    • U voorkomt dat patronen worden getransformeerd bij gebruik van transformatiegereedschappen door Bewerken >
    Voorkeuren > Algemeen (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Algemeen (Mac OS) te selecteren en de optie
    Patroondelen bewerken uit te schakelen.

    • Als u de oorspronkelijke staat van het vulpatroon van een object wilt herstellen, vult u het object met een effen kleur en
    selecteert u vervolgens het gewenste patroon opnieuw.

    Transformeren met het omsluitende kader
    Wanneer u met het gereedschap Selecteren een of meerdere objecten selecteert, worden de objecten in een omsluitend kader
    geplaatst. Met het omsluitende kader kunt u objecten gemakkelijk verplaatsen, roteren, dupliceren en schalen door het
    object of een handgreep (een van de lege vierkantjes langs het omsluitende kader) te slepen.

    • Kies Weergave > Omsluitend kader verbergen als u het omsluitende kader wilt verbergen.
    • Kies Weergave > Omsluitend kader tonen als u het omsluitende kader wilt weergeven.
    • Als u de stand van het omsluitende kader wilt wijzigen nadat u het object hebt geroteerd, kiest u Object >
    Transformeren > Omsluitend kader terugzetten.

    Geselecteerde objecten voor (links) en na (rechts) het schalen met het omsluitende kader



  • Page 217

    ILLUSTRATOR CS3 211
    Handboek

    Objecten schalen, schuintrekken en vervormen
    Objecten schalen
    Wanneer u een object schaalt, vergroot of verkleint u het object horizontaal (langs de x-as), verticaal (langs de y-as) of in
    beide richtingen. Objecten worden geschaald ten opzichte van een referentiepunt, dat afhankelijk is van de gekozen
    schaalmethode. U kunt het standaardreferentiepunt voor de meeste schaalmethoden aanpassen en de verhoudingen van
    een object vergrendelen.
    Standaard worden streken en effecten niet samen met objecten geschaald. Als u streken en effecten wilt schalen, kiest u
    Bewerken > Voorkeuren > Algemeen (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Algemeen (Mac OS) en selecteert u Streken
    en effecten schalen. Als u per geval wilt kiezen of u streken en effecten wilt schalen, schaalt u de objecten met het deelvenster
    Transformeren of de opdracht Schalen.

    Met de optie Streken en effecten schalen worden het object, slagschaduwen en streken geschaald (links). Wanneer deze optie is uitgeschakeld
    (rechts), wordt alleen het object geschaald.

    Zie ook
    “Galerie met omvormingsgereedschappen” op pagina 28
    “Transformeren met het omsluitende kader” op pagina 210
    “Overzicht van het deelvenster Transformeren” op pagina 209
    Objecten schalen met het gereedschap Schalen

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Selecteer het gereedschap Schalen

    .

    3 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u wilt schalen ten opzichte van het middelpunt van het object, sleept u in het documentvenster totdat het object de
    gewenste grootte heeft.

    • Als u een object wilt schalen ten opzichte van een ander referentiepunt

    , klikt u op de plaats waar het nieuwe
    referentiepunt moet komen in het documentvenster en sleept u de aanwijzer bij het referentiepunt vandaan totdat het
    object de gewenste grootte heeft.

    • Als u de verhoudingen van het object tijdens het schalen wilt behouden, houdt u Shift ingedrukt terwijl u diagonaal
    sleept.

    • Als u het object langs een enkele as wilt schalen, houdt u Shift ingedrukt terwijl u verticaal of horizontaal sleept.
    Hoe verder u van het referentiepunt bent verwijderd als u begint met slepen, hoe nauwkeuriger u kunt schalen.

    Objecten schalen met het omsluitende kader

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Selecteer het gereedschap Selecteren of het gereedschap Vrije transformatie

    .

    3 Sleep een handgreep van het omsluitende kader totdat het object de gewenste afmetingen heeft.
    Objecten worden geschaald ten opzichte van de tegenoverliggende greep van het omsluitende kader.



  • Page 218

    ILLUSTRATOR CS3 212
    Handboek

    4 Voer een van de volgende handelingen uit om het schalen te besturen:

    • Als u de verhoudingen van het object wilt behouden, houdt u Shift ingedrukt tijdens het slepen.
    • Als u ten opzichte van het middelpunt van het object wilt schalen, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt
    tijdens het slepen.
    Objecten schalen tot een bepaalde breedte en hoogte

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Typ in het deelvenster Transformeren een nieuwe waarde in het vak voor de breedte (B) of de hoogte (H) of in beide
    vakken.
    U kunt een van de volgende handelingen uitvoeren voordat u een waarde invoert om het schalen te besturen:

    • Als u de verhoudingen van het object wilt behouden, klikt u op de knop voor het beperken van de verhoudingen

    .

    • Als u het referentiepunt voor het schalen wilt wijzigen, klikt u op een wit vierkantje op de indicator voor het
    referentiepunt

    .

    • Als u paden met streken en grootteafhankelijke effecten samen met het object wilt schalen, kiest u Streken en effecten
    schalen in het deelvenstermenu.
    U kunt de verhoudingen ook behouden door een waarde in te voeren in het vak B of H en vervolgens Ctrl (Windows) of
    Command (Mac OS) ingedrukt te houden en op Enter te drukken.
    Objecten schalen met een specifiek percentage

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Kies Object > Transformeren > Schalen of dubbelklik op het gereedschap Schalen

    om vanuit het middelpunt te

    schalen.

    • Als u wilt schalen ten opzichte van een ander referentiepunt, selecteert u het gereedschap Schalen en houdt u Alt
    (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u klikt op de plaats waar het referentiepunt moet komen in het
    documentvenster.
    3 Kies een optie in het dialoogvenster Schalen:

    • Als u de verhoudingen van het object wilt behouden tijdens het schalen, selecteert u Proportioneel en voert u in het
    tekstvak Schalen een percentage in.

    • Als u de hoogte en de breedte afzonderlijk wilt schalen, selecteert u Niet gelijkmatig en voert u in de tekstvakken
    Horizontaal en Verticaal een percentage in.
    De schaalfactoren zijn relatief ten opzichte van het referentiepunt en kunnen negatief of positief zijn.
    4 Als u paden met streken en alle grootteafhankelijke effecten samen met het object wilt schalen, kiest u Streken en effecten
    schalen.
    5 Als de objecten een vulpatroon bevatten, selecteert u Patronen om het patroon te schalen. Schakel Objecten uit als u wel
    het patroon en niet de objecten wilt schalen.
    6 Klik op OK of klik op Kopiëren als u een kopie van de objecten wilt schalen.
    Meerdere objecten schalen

    1 Selecteer de objecten.
    2 Kies Object > Transformeren > Alle objecten transformeren.
    3 Stel in het gedeelte Schalen van het dialoogvenster percentages in voor horizontaal en verticaal schalen.
    4 Als u het referentiepunt wilt wijzigen, klikt u op een wit vierkantje op de indicator voor het referentiepunt
    5 Klik op OK of klik op Kopiëren als u een kopie van elk object wilt schalen.

    .



  • Page 219

    ILLUSTRATOR CS3 213
    Handboek

    Objecten schuintrekken
    Wanneer u een object schuintrekt, laat u het object hellen of schuin aflopen langs de horizontale of verticale as, of met een
    opgegeven hoek ten opzichte van een opgegeven as. Objecten worden schuingetrokken ten opzichte van een referentiepunt,
    dat afhankelijk is van de gekozen methode voor het schuintrekken en dat bij de meeste methoden kan worden gewijzigd. U
    kunt één afmeting van een object bij het schuintrekken vergrendelen en één object of meerdere objecten tegelijk
    schuintrekken.
    Schuintrekken is handig om slagschaduwen te maken.

    Schuintrekken ten opzichte van het middelpunt (links) vergeleken met schuintrekken ten opzichte van een door de gebruiker gedefinieerd
    referentiepunt (rechts)

    Zie ook
    “Galerie met omvormingsgereedschappen” op pagina 28
    “Overzicht van het deelvenster Transformeren” op pagina 209
    Objecten schuintrekken met het gereedschap Schuintrekken

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Selecteer het gereedschap Schuintrekken

    .

    3 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een object wilt schuintrekken ten opzichte van het middelpunt, sleept u in het documentvenster.
    • Als u een object wilt schuintrekken ten opzichte van een ander referentiepunt

    , klikt u in het documentvenster om
    het referentiepunt te verplaatsen en sleept u de aanwijzer bij het referentiepunt vandaan totdat het object de gewenste
    helling heeft.

    • Als u het object langs de verticale as wilt schuintrekken, sleept u omhoog of omlaag in het documentvenster. Houd Shift
    ingedrukt als u de oorspronkelijke breedte van het object wilt behouden.

    • Als u het object langs de horizontale as wilt schuintrekken, sleept u naar links of naar rechts in het documentvenster.
    Houd Shift ingedrukt als u de oorspronkelijke hoogte van het object wilt behouden.
    Objecten schuintrekken met de opdracht Schuintrekken

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Kies Object > Transformeren > Schuintrekken of dubbelklik op het gereedschap Schuintrekken om het object vanuit het
    middelpunt schuin te trekken.

    • Als u wilt schuintrekken ten opzichte van een ander referentiepunt, selecteert u het gereedschap Schuintrekken

    en
    houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u klikt op de plaats waar het referentiepunt moet komen
    in het documentvenster.

    3 Typ in het dialoogvenster Schuintrekken een waarde voor de schuintrekhoek tussen -359 en 359. De schuintrekhoek is
    de mate waarin het object naar rechts wordt schuingetrokken en deze hoek is relatief ten opzichte van een lijn die loodrecht
    staat op de schuintrekas.
    4 Selecteer de as waarlangs u het object wilt schuintrekken.
    Als u een geroteerde as kiest, voert u een waarde in tussen –359 en 359 ten opzichte van de horizontale as.



  • Page 220

    ILLUSTRATOR CS3 214
    Handboek

    5 Als de objecten een vulpatroon bevatten, selecteert u Patronen om het patroon te verplaatsen. Schakel Objecten uit als
    u wel het patroon en niet de objecten wilt verplaatsen.
    6 Klik op OK of klik op Kopiëren als u een kopie van de objecten wilt schuintrekken.
    Objecten schuintrekken met het gereedschap Vrije transformatie

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Selecteer het gereedschap Vrije transformatie

    .

    3 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u wilt schuintrekken langs de verticale as van het object, begint u te slepen vanuit de handgreep links of rechts in het
    midden van het omsluitende kader en houdt u Ctrl+Alt (Windows) of Option+Command (Mac OS) ingedrukt terwijl u
    omhoog of omlaag sleept. U kunt ook Shift ingedrukt houden als u de oorspronkelijke breedte van het object wilt
    behouden.

    • Als u wilt schuintrekken langs de horizontale as van het object, begint u te slepen vanuit de handgreep boven het midden
    of onder het midden van het omsluitende kader en houdt u Ctrl+Alt (Windows) of Option+Command (Mac OS)
    ingedrukt terwijl u naar links of rechts sleept. U kunt ook Shift ingedrukt houden als u de oorspronkelijke hoogte van
    het object wilt behouden.
    Objecten schuintrekken met het deelvenster Transformeren

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Typ in het deelvenster Transformeren een waarde in het tekstvak Schuintrekken.
    Als u het referentiepunt wilt wijzigen, klikt u op een wit vierkantje op de indicator voor het referentiepunt
    waarde invoert.

    voordat u de

    U kunt het deelvenster Transformeren ook openen door in het deelvenster Beheer op X, Y, B of H te klikken.

    Objecten vervormen
    U kunt objecten vervormen met het gereedschap Vrije transformatie of met een uitvloeiingsgereedschap. Gebruik het
    gereedschap Vrije transformatie als u objecten vrij wilt vervormen; kies een uitvloeiingsgereedschap als u gebruik wilt
    maken van specifieke, vooraf ingestelde vervormingen zoals kronkels, plooien of kreukels.

    Zie ook
    “Transformeren met het omsluitende kader” op pagina 210
    “Objecten omvormen met effecten” op pagina 231
    “Galerie met omvormingsgereedschappen” op pagina 28
    Objecten vervormen met het gereedschap Vrije transformatie

    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Selecteer het gereedschap Vrije transformatie

    .

    3 Sleep een handgreep op een hoek (niet op een zijde) van het omsluitende kader en kies een van de volgende
    mogelijkheden:

    • Houd Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en sleep tot de selectie de gewenste vervorming heeft.
    • Houd Shift+Alt+Ctrl (Windows) of Shift+Option+Command (Mac OS) ingedrukt om met perspectief te vervormen.



  • Page 221

    ILLUSTRATOR CS3 215
    Handboek

    Vervorming met perspectief

    Objecten vervormen met een uitvloeiingsgereedschap

    U kunt uitvloeiingsgereedschappen niet gebruiken op gekoppelde bestanden of objecten die tekst, grafieken of symbolen
    bevatten.
    1 Selecteer een uitvloeiingsgereedschap en klik op of sleep over de objecten die u wilt vervormen.
    2 (Optioneel) Als u het vervormen wilt beperken tot specifieke objecten, selecteert u de objecten voordat u het
    gereedschap gebruikt.
    3 (Optioneel) Als u het formaat van de cursor van het gereedschap wilt wijzigen en andere gereedschapsopties wilt
    instellen, dubbelklikt u op het uitvloeiingsgereedschap en stelt u een of meerdere van de volgende opties in:
    Breedte en Hoogte Met deze opties bepaalt u de grootte van de cursor van het gereedschap.
    Hoek Met deze optie bepaalt u de richting van de cursor van het gereedschap.
    Intensiteit Hiermee bepaalt u de snelheid van de wijziging voor de vervorming. Hogere waarden produceren snellere
    wijzigingen.
    Drukpen gebruiken Met deze optie gebruikt u de invoer van een tablet of pen in plaats van de waarde Intensiteit. Als er

    geen drukgevoelig tablet is aangesloten, is deze optie niet beschikbaar.
    Complexiteit (gereedschappen Schelp, Kristal en Kreuken) Hiermee bepaalt u hoe dicht de resultaten van het

    desbetreffende penseel worden verdeeld over de omtrek van het object. Deze optie is nauw verbonden met de waarde
    Detail.
    Detail Hiermee bepaalt u de afstand tussen punten die worden geplaatst op de omtrek van het object (hoe hoger deze
    waarde, des te dichter de punten bij elkaar komen te staan).
    Vereenvoudigen (gereedschappen Kromtrekken, Kronkel, Plooi en Bol) Hiermee bepaalt u in welke mate u de overtollige

    punten wilt reduceren die het algehele uiterlijk van de vorm niet waarneembaar beïnvloeden.
    Kronkelsnelheid (alleen gereedschap Kronkel) Hiermee bepaalt u de snelheid waarmee het kronkelen wordt toegepast.

    Voer een waarde in tussen -180˚ en 180˚. Met negatieve waarden laat u het object naar rechts kronkelen en met positieve
    waarden naar links. Het object kronkelt sneller met waarden die dichter bij -180˚ of 180˚ liggen. Geef een waarde dichtbij
    0˚ op als u het object langzaam wilt laten kronkelen.
    Horizontaal en Verticaal (alleen gereedschap Kreuken) Met deze opties bepaalt u hoe ver de regelpunten uit elkaar liggen.
    Penseel beïnvloedt ankerpunten, Penseel beïnvloedt handgrepen inkomende raaklijn of Penseel beïnvloedt handgrepen
    uitgaande raaklijn (gereedschappen Schelp, Kristal, Kreuken) Hiermee kan het gereedschapspenseel wijzigingen

    aanbrengen aan deze eigenschappen.

    Omvormen met omhulsels
    Omhulsels
    Omhulsels zijn objecten waarmee u geselecteerde objecten kunt vervormen of omvormen. U kunt een omhulsel maken van
    een object op het tekengebied of u kunt een vooraf ingestelde vorm voor kromtrekken of een netraster als omhulsel
    gebruiken. Omhulsels kunnen worden gebruikt bij alle objecten, met uitzondering van grafieken, hulplijnen of gekoppelde
    objecten.



  • Page 222

    ILLUSTRATOR CS3 216
    Handboek

    Netrasteromhulsel

    Omhulsel gemaakt van een ander object

    In het deelvenster Lagen worden omhulsels weergegeven als <Omhulsel>. Nadat u een omhulsel hebt toegepast, kunt u
    doorgaan met het bewerken van de originele objecten. U kunt een omhulsel bovendien op elk gewenst moment bewerken,
    verwijderen of uitbreiden. U kunt de vorm van een omhulsel of het object in het omhulsel bewerken, maar niet beide
    tegelijk.

    Objecten vervormen met een omhulsel
    1 Selecteer een of meer objecten.
    2 Maak het omhulsel op een van de volgende manieren:

    • Kies Object > Omhulsel vervormen > Maken met kromtrekken als u een vooraf ingestelde vorm voor kromtrekken voor
    het omhulsel wilt gebruiken. Selecteer in het dialoogvenster Opties voor kromtrekken een stijl voor kromtrekken en stel
    opties in.

    • Kies Object > Omhulsel vervormen > Maken met net als u een rechthoekig raster voor het omhulsel wilt instellen. Stel
    in het dialoogvenster Omhulselnet het aantal rijen en kolommen in.

    • Als u een object als de vorm van het omhulsel wilt gebruiken, moet u ervoor zorgen dat het object zich boven in de
    stapelvolgorde van het geselecteerde object bevindt. Als dat niet het geval is, gebruikt u het deelvenster Lagen of een
    opdracht voor ordenen om het object boven aan de stapelvolgorde te plaatsen en selecteert u alle objecten opnieuw. Kies
    vervolgens Object > Omhulsel vervormen > Maken met bovenste object.
    3 Voer een van de volgende handelingen uit als u de vorm van het omhulsel wilt veranderen:

    • Sleep een ankerpunt op het omhulsel met het gereedschap Direct selecteren of Net.
    • Als u ankerpunten op het netraster wilt verwijderen, selecteert u een ankerpunt met het gereedschap Direct selecteren
    of het gereedschap Net en drukt u op Delete.

    • Als u ankerpunten wilt toevoegen aan het netraster, klikt u op het raster met het gereedschap Net.
    Als u een streek of vulling wilt toepassen op een omhulsel, gebruikt u het deelvenster Vorm.

    Zie ook
    “Objecten omvormen met effecten” op pagina 231
    “Omhulselopties” op pagina 217



  • Page 223

    ILLUSTRATOR CS3 217
    Handboek

    De inhoud van een omhulsel bewerken
    1 Selecteer het omhulsel en voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op de knop Inhoud bewerken

    in het deelvenster Beheer.

    • Kies Object > Omhulsel vervormen > Inhoud bewerken.
    Opmerking: Wanneer uw omhulsel uit gegroepeerde paden bestaat, klikt u op het driehoekje links van de vermelding
    <Omhulsel> in het deelvenster Lagen om het pad dat u wilt bewerken, weer te geven en te selecteren.
    2 Voer de gewenste bewerkingen uit.
    Opmerking: Als u de inhoud van een omhulsel wijzigt, wordt het omhulsel verplaatst zodat de inhoud opnieuw wordt
    gecentreerd.
    3 Ga op een van de volgende manieren te werk om het object weer in het omhulsel op te nemen:

    • Klik op de knop Omhulsel bewerken

    in het deelvenster Beheer.

    • Kies Object > Omhulsel vervormen > Omhulsel bewerken.

    Zie ook
    “Omhulselopties” op pagina 217

    Een omhulsel herstellen
    1 Selecteer het omhulsel.
    2 Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een omhulsel wilt herstellen of wilt overschakelen op een vooraf ingestelde stijl voor kromtrekken, kiest u een
    nieuwe kromtrekstijl en stelt u opties in in het deelvenster Beheer. Klik desgewenst op de knop Omhulselopties
    een dialoogvenster te openen waarin u meer opties kunt instellen.

    om

    • Als u een netrasteromhulsel wilt herstellen of u wilt overschakelen op een netrasteromhulsel, kiest u Object > Omhulsel
    vervormen > Herstellen met net. Geef het aantal rijen en kolommen voor het netraster op. Selecteer Omhulselvorm
    behouden als u de vorm van het kromtrekken intact wilt houden.

    Een omhulsel verwijderen
    U kunt omhulsels verwijderen door deze op te heffen of uit te breiden. Bij het opheffen van een object in een omhulsel
    ontstaan twee afzonderlijke objecten: het object in de oorspronkelijke staat en de omhulselvorm. Bij het uitbreiden van een
    object wordt het omhulsel verwijderd, maar blijft het object vervormd.

    • Als u een omhulsel wilt opheffen, selecteert u het omhulsel en kiest u Object > Omhulsel vervormen > Geen.
    • Als u een omhulsel wilt uitbreiden, selecteert u het omhulsel en kiest u Object > Omhulsel vervormen > Uitbreiden.

    Omhulselopties
    Omhulselopties bepalen hoe illustraties worden vervormd om in het omhulsel te passen. U stelt omhulselopties in door het
    omhulselobject te selecteren en te klikken op de knop Omhulselopties
    in het deelvenster Beheer of door Object >
    Omhulsel vervormen > Omhulselopties te selecteren.
    Anti-alias Hiermee ontstaan vloeiender rasters bij vervorming met een omhulsel. Door Anti-alias uit te schakelen, kunt u

    de tijd die nodig is om rasters te vervormen, mogelijk verkorten.
    Vorm behouden met Hiermee geeft u op hoe rasters hun vorm behouden wanneer ze worden vervormd met nietrechthoekige omhulsels. Selecteer Knipmasker als u een knipmasker voor het raster wilt gebruiken, of Transparantie als u
    een alfakanaal op het raster wilt toepassen.
    Getrouwheid Hiermee bepaalt u hoe nauwkeurig het object in de omhulselvorm moet passen. Wanneer u het percentage

    bij Getrouwheid verhoogt, worden meer punten toegevoegd aan de vervormde paden en neemt het vervormen van
    objecten meer tijd in beslag.



  • Page 224

    ILLUSTRATOR CS3 218
    Handboek

    Vorm vervormen Met deze optie vervormt u weergavekenmerken (zoals toegepaste effecten of afbeeldingsstijlen) samen
    met de vorm van een object.
    Lineaire verlopen vervormen Met deze optie vervormt u lineaire verlopen langs de vorm van een object.
    Patroonvullingen vervormen Hiermee vervormt u patronen samen met de vorm van een object.

    Opmerking: Als u het omhulsel uitbreidt terwijl een vervormingsoptie is geselecteerd, wordt de desbetreffende eigenschap
    afzonderlijk uitgebreid.

    Objecten combineren
    Methoden voor het combineren van objecten
    In Illustrator kunt u op verschillende manieren vectorobjecten combineren om vormen te maken. De resulterende paden
    of vormen variëren naar gelang de methode waarmee u de paden of objecten hebt gecombineerd.
    Pathfinder-effecten

    Met Pathfinder-effecten kunt u meer objecten combineren met een van de tien interactiemodi. In tegenstelling tot
    samengestelde vormen kunt u de interacties tussen objecten niet bewerken wanneer u een Pathfinder-effect gebruikt.
    Samengestelde vormen

    Met samengestelde vormen kunt u meer objecten combineren en opgeven hoe elk object moet inwerken op de andere
    objecten. Samengestelde vormen zijn flexibeler dan samengestelde paden omdat ze vier soorten inte