Zoom out
Zoom in
Vorherige Seite
1/285
Nächste Seite
Aveo
Instructieboekje
1

Brauchen Sie Hilfe? Stellen Sie Ihre Frage.

Forenregeln

Forum

Suche zurücksetzen

  • Auf dem Display Leuchtstreifenn der Code L55.Was bedeutet das? Eingereicht am 4-10-2019 11:04

    Antworten Frage melden

Inhalt der Seiten


  • Page 1

    Aveo
    Instructieboekje



  • Page 2



  • Page 3

    Inhoud

    Inleiding ......................................... 2
    Kort en bondig ............................... 6
    Sleutels, portieren en ruiten ......... 19
    Stoelen, veiligheidssystemen ...... 36
    Opbergen ..................................... 59
    Instrumenten en
    bedieningsorganen ...................... 66
    Verlichting .................................... 95
    Infotainmentsysteem .................. 101
    Klimaatregeling .......................... 162
    Rijden en bediening ................... 170
    Verzorging van de auto .............. 196
    Service en onderhoud ................ 253
    Technische gegevens ................ 264
    Klantinformatie ........................... 275
    Trefwoordenlijst ......................... 278



  • Page 4

    2

    Inleiding

    Inleiding



  • Page 5

    Inleiding

    Inleiding
    Uw auto is een combinatie van de‐
    sign, vernieuwende techniek, veilig‐
    heid, milieuvriendelijkheid en zuinig‐
    heid.
    In deze gebruikershandleiding vindt u
    alle informatie die u nodig hebt om uw
    auto veilig en efficiënt te kunnen be‐
    dienen.
    Zorg ervoor dat uw passagiers ervan
    op de hoogte zijn dat onjuist gebruik
    van de auto een ongeval tot gevolg
    kan hebben en dat er risico bestaat
    van persoonlijk letsel.
    Houd u altijd aan de specifieke wet‐
    geving van het land waarin u zich be‐
    vindt. Deze wetgeving kan afwijken
    van de informatie in deze gebruikers‐
    handleiding.
    Wanneer wij u in deze gebruikers‐
    handleiding adviseren de hulp van
    een werkplaats in te roepen, raden wij
    uw Chevrolet erkend reparateur aan.
    Elke Chevrolet erkend reparateur
    biedt u eersteklas service tegen re‐
    delijke prijzen. Ervaren, door Chevro‐

    let geschoolde monteurs werken vol‐
    gens speciale richtlijnen van Chevro‐
    let.
    Houd het informatiepakket voor de
    gebruiker altijd onder handbereik in
    de auto.

    Gebruik van deze
    handleiding
    ■ Deze handleiding beschrijft alle op‐
    ties en kenmerken voor dit model.
    Bepaalde beschrijvingen, zoals die
    voor display- en menufuncties,
    gelden mogelijk niet voor uw auto
    als gevolg van modelvarianten,
    landspecifieke bijzonderheden,
    speciale uitrusting of accessoires.
    ■ In het hoofdstuk "Kort en bondig"
    krijgt u een beknopt overzicht.
    ■ De inhoudsopgave aan het begin
    van de handleiding en in de afzon‐
    derlijke gedeelten geeft aan waar u
    de informatie die u zoekt kunt vin‐
    den.
    ■ Met behulp van het trefwoordenre‐
    gister kunt u specifieke informatie
    zoeken.

    3

    ■ In de gebruikershandleiding wor‐
    den motoraanduidingen van de fa‐
    briek gebruikt. De bijbehorende
    marktaanduidingen vindt u in het
    gedeelte “Technische gegevens”.
    ■ Richtingaanduidingen in de be‐
    schrijvingen, zoals links, rechts,
    voor of achter moeten altijd met de
    blik in de rijrichting worden gezien.
    ■ De displayteksten in uw auto zijn
    mogelijk niet in uw eigen taal be‐
    schikbaar.

    Gevaar, Waarschuwing en
    Voorzichtig
    9 Gevaar
    Teksten met de vermelding
    9 Gevaar wijzen op een mogelijk
    levensgevaar. Het niet naleven
    van deze richtlijnen kan levensge‐
    vaar inhouden.



  • Page 6

    4

    Inleiding
    9 Waarschuwing

    Teksten met de vermelding
    9 Waarschuwing wijzen op een
    mogelijk gevaar voor ongelukken
    of verwondingen. Het niet naleven
    van deze richtlijnen kan tot ver‐
    wondingen leiden.

    Voorzichtig
    Teksten met de vermelding
    Voorzichtig wijzen erop dat de
    auto mogelijk beschadigd kan ra‐
    ken. Het niet naleven van deze
    richtlijnen kan tot beschadiging
    van de auto leiden.
    We wensen u vele uren autorijplezier
    Chevrolet



  • Page 7

    Inleiding

    5



  • Page 8

    6

    Kort en bondig

    Kort en bondig

    Auto ontgrendelen

    Stoelverstelling

    Handzender

    Zitpositie

    Toets c indrukken.
    Ontgrendelt alle deuren. De alarm‐
    knipperlichten knipperen twee keer.
    Handzender 3 19, centrale vergren‐
    deling 3 22.

    Om de stoel naar voren of achteren te
    verstellen, trekt u aan de handgreep
    en schuift u de stoel in de gewenste
    positie.
    Laat de handgreep los en controleer
    of de stoel in deze stand is vergren‐
    deld.
    Stoelpositie 3 37, stoelverstelling
    3 38.

    Basisinformatie



  • Page 9

    Kort en bondig
    Rugleuning voorstoelen

    Zithoogte

    7

    Hoofdsteunverstelling
    Hoogteverstelling

    Aan de hendel trekken, de rugleuning
    instellen en de hendel loslaten. De
    stoel hoorbaar laten vastklikken.
    Bij het verstellen de rugleuning niet
    belasten.
    Stoelpositie 3 37, stoelverstelling
    3 38.

    Haal de hendel aan de buitenkant van
    de stoelzitting omhoog of omlaag tot
    de zitting in de gewenste stand staat.
    Om de stoelzitting lager te stellen,
    drukt u de hendel een paar keer om‐
    laag.
    Om de stoelzitting hoger te stellen,
    haalt u de hendel een paar keer om‐
    hoog.
    Stoelpositie 3 37, stoelverstelling
    3 38.

    Hoofdsteun omhoog trekken.
    Voor lager zetten de pal (1) indrukken
    en de hoofdsteun omlaag duwen.
    Hoofdsteunen 3 36.



  • Page 10

    8

    Kort en bondig

    Horizontale verstelling

    Veiligheidsgordel

    Spiegelverstelling
    Binnenspiegel

    Trek de hoofdsteun naar voren. Deze
    is in drie standen instelbaar. Trek de
    hoofdsteun naar voren om deze naar
    achteren te verstellen. Hij beweegt
    vervolgens automatisch naar ach‐
    teren.

    Gordel uit de oprolautomaat trekken,
    zonder te verdraaien voor u langs ha‐
    len en de gesp in het slot vastklikken.
    Heupgordel tijdens het rijden van tijd
    tot tijd strak trekken door aan de
    schoudergordel te trekken.
    Stoelpositie 3 37, veiligheidsgor‐
    dels 3 40, airbagsysteem 3 43.

    Om verblinding te verminderen, aan
    de hendel aan de onderkant van de
    spiegelbehuizing trekken.
    Binnenspiegel 3 31.



  • Page 11

    Kort en bondig
    Buitenspiegels

    Stuurwiel instellen

    Selecteer de gewenste buitenspiegel
    door de knop naar links (L) of rechts
    (R) te draaien. Beweeg daarna de
    knop om de spiegel te verstellen.
    Bolle buitenspiegels 3 30, elektri‐
    sche verstelling 3 30, inklapbare
    buitenspiegels 3 30, verwarmde
    buitenspiegels 3 31.

    Hendel omlaagbewegen, stuurwiel
    instellen, hendel omhoogbewegen en
    vergrendelen. Stuurwiel uitsluitend bij
    stilstaande auto verstellen.
    Airbagsysteem 3 43, contactslot‐
    standen 3 171.

    9



  • Page 12

    10

    Kort en bondig

    Overzicht instrumentenpaneel



  • Page 13

    Kort en bondig
    1
    2
    3
    4
    5
    6
    7

    Zijdelingse luchtroosters ..... 167
    Rijverlichting .......................... 95
    Instellen koplampreikwijdte ... 96
    Richtingaanwijzers ................ 97
    Cruise control ...................... 186
    Instrumentengroep ............... 73
    Claxon .................................. 67

    Bestuurdersairbag ............... 47
    Stuurbedieningsknoppen ...... 66
    Wis- en wasinstallatie .......... 67
    Middelste luchtroosters ...... 167
    Informatiedisplay in
    dashboard ............................. 86
    12 Infotainmentsysteem .......... 102
    13 Opbergruimte ........................ 59

    8
    9
    10
    11

    14
    15
    16
    17

    AUX- en USBaansluitingen ....................... 138
    AAN/UIT-schakelaar voor
    passagiersairbag .................. 49
    Handschoenenkastje ........... 60
    AAN/UIT-schakelaar voor
    passagiersairbag .................. 49
    Alarmknipperlichten ............. 97

    18 Schakelpook,
    handgeschakelde
    versnellingsbak .................. 181

    19
    20
    21
    22
    23
    24
    25
    26

    Automatische
    versnellingsbak .................. 176
    Verwarming en ventilatie .... 162
    Centrale vergrende‐
    lingstoets ............................... 22
    Gaspedaal ......................... 171
    Contactslot ......................... 171
    Rempedaal ......................... 182
    Stuurwiel instellen ................ 66
    Koppelingspedaal .............. 170
    Ontgrendelingshandgreep
    motorkap ............................ 198

    11

    Rijverlichting

    Lichtschakelaar draaien.
    m OFF: om alle verlichting uit te scha‐
    kelen, draait u de knop naar de stand
    OFF. Alle verlichting is uit en de knop
    komt terug in de oorspronkelijke
    AUTO stand.
    AUTO: de rijverlichting en de instru‐
    mentenverlichting gaan automatisch
    aan of uit, afhankelijk van de lichtcon‐
    dities buiten.
    8: de achterlichten, kentekenver‐
    lichting, de verlichting van het instru‐
    mentenpaneel en de parkeerlichten
    zijn verlicht.



  • Page 14

    12

    Kort en bondig

    9: de koplampen en alle bovenge‐
    noemde verlichting gaat branden.
    Lichtschakelaar indrukken
    >: voormistlampen
    r: mistachterlicht
    Verlichting 3 95.

    Lichtsignaal, grootlicht en
    dimlicht

    Om van dimlicht naar grootlicht om te
    schakelen, duwt u tegen de hendel.
    Om het dimlicht in te schakelen, duwt
    u nogmaals tegen de hendel of u trekt
    eraan.
    Grootlicht 3 96, lichtsignaal 3 96.

    Alarmknipperlichten

    Bediening met toets ¨.
    Alarmknipperlichten 3 97.



  • Page 15

    Kort en bondig
    Richtingaanwijzers

    Claxon

    13

    Wis-/wasinstallatie
    Voorruitwissers

    Hendel
    = Richtingaanwijzer
    omhoog
    rechts
    Hendel omlaag = Richtingaanwijzer
    links
    Richtingaanwijzers 3 97.

    j indrukken.
    2: Continu wissen, hoge snelheid.
    1: Continu wissen, lage snelheid.
    P: Intervalstand.
    O: Systeem uit.
    Q: Wasemfunctie.
    Voor een enkele wisserslag terwijl de
    ruitenwissers van de voorruit uitge‐
    schakeld zijn, beweegt u de hendel
    iets omlaag en laat u hem weer los.
    Voorruitwissers 3 67.



  • Page 16

    14

    Kort en bondig

    Voorruitsproeiers

    Wis-/wasinstallatie achterruit
    (alleen hatchback)

    Sproeier

    Wisser

    Hendel naar u toe trekken.
    Voorruitsproeiers 3 67, sproeier‐
    vloeistof 3 212.

    Druk op de bovenkant van de scha‐
    kelaar om de wisser continu te laten
    werken.
    Druk op de onderkant van de scha‐
    kelaar om de wisser met intervallen te
    laten werken.
    Zet de wisser in de neutraalstand om
    deze uit te zetten.
    Wis-/wasinstallatie achterruit (alleen
    hatchback) 3 69.

    Druk de hendel naar het dashboard
    toe.
    Er wordt sproeiervloeistof op de ach‐
    terruit gespoten en de ruitenwisser
    maakt een paar slagen.
    Wis-/wasinstallatie achterruit (alleen
    hatchback) 3 69, Sproeiervloeistof
    3 212.



  • Page 17

    Kort en bondig

    Klimaatregeling
    Verwarmbare achterruit,
    verwarmbare buitenspiegels

    Ü-toets indrukken om verwarming in
    te schakelen.
    Verwarmde spiegels 3 31, achter‐
    ruitverwarming 3 33.

    Ruiten ontwasemen en
    ontdooien

    Draai de luchtverdeelknop naar
    ONTDOOIEN V.
    De voorruit ontdooien 3 162, De
    voorruit ontwasemen 3 164.

    15

    Versnellingsbak
    Handgeschakelde
    versnellingsbak

    Om de achteruit in te schakelen terwijl
    de auto stilstaat, trekt u de ring op de
    keuzehendel omhoog en schakelt u
    de versnelling in.
    Kan de versnelling niet worden inge‐
    schakeld, dan koppeling in de neu‐
    trale stand laten opkomen, koppeling
    weer intrappen en nogmaals schake‐
    len.
    Handgeschakelde versnellingsbak
    3 181.



  • Page 18

    16

    Kort en bondig

    Automatische versnellingsbak

    P (PARK): vergrendelt de voorwielen.
    Selecteer P alleen als de auto stil‐
    staat en de handrem is aangetrokken.
    R (ACHTERUIT): schakel alleen naar
    R wanneer de auto stil staat.
    N (NEUTRAL): neutrale versnelling.
    D: voor alle gebruikelijke rijomstan‐
    digheden. In deze stand kan de ver‐
    snellingsbak alle 6 vooruitversnellin‐
    gen schakelen.
    M: stand voor handgeschakelde mo‐
    dus.

    Automatische versnellingsbak
    3 176.

    Voordat u wegrijdt
    Voor het wegrijden controleren

    ■ Bandenspanning en -staat.
    ■ Motoroliepeil en vloeistofniveaus.
    ■ Ruiten, spiegels, rijverlichting en
    kentekenplaat: vrij van vuil, sneeuw
    of ijs en zijn gebruiksklaar.
    ■ Juiste positie van spiegels, stoelen
    en veiligheidsgordels.
    ■ Werking van remsysteem (bij lage
    snelheid), vooral bij vochtige rem‐
    men.



  • Page 19

    Kort en bondig
    Motor starten

    ■ Sleutel in stand 1 draaien. Stuur
    iets verdraaien om het stuurslot te
    ontgrendelen
    ■ Handgeschakelde versnellingsbak:
    koppeling intrappen
    ■ Automatische versnellingsbak: zet
    keuzehendel op P
    ■ Geen gas geven

    ■ Dieselmotor: sleutel naar stand 2
    draaien voor het voorgloeien tot‐
    dat ! dooft
    ■ Draai de sleutel in stand 3, terwijl u
    het koppelingspedaal en het rem‐
    pedaal intrapt en vervolgens loslaat
    als de motor draait
    Om de motor opnieuw te starten of
    deze af te zetten, sleutel in het con‐
    tactslot eerst terugdraaien naar stand
    0.

    17

    Parkeren
    ■ De auto niet op een licht ontvlam‐
    bare ondergrond parkeren. De on‐
    dergrond kan door de hoge tempe‐
    ratuur van het uitlaatgassysteem
    mogelijk vlam vatten.
    ■ Handrem altijd zonder indrukken
    van de ontgrendelingsknop stevig
    aantrekken. Op aflopende of oplo‐
    pende hellingen zo stevig mogelijk.
    Trap tegelijkertijd de rem in om de
    bedieningskracht te verminderen.
    ■ Motor en contact uitschakelen.
    Stuurwiel verdraaien totdat het
    stuurslot vergrendelt.
    ■ Wanneer de auto vlak of op een op‐
    lopende helling staat, dan moet u
    voordat u het contact uitzet de eer‐
    ste versnelling of de stand P in‐
    schakelen. Op een oplopende hel‐
    ling bovendien de voorwielen van
    de stoeprand wegdraaien. Als de
    auto op een dalende helling staat,
    moet u de achterruitversnelling in‐
    schakelen voordat u het contact uit‐
    zet. Bovendien de voorwielen naar
    de stoeprand toedraaien.



  • Page 20

    18

    Kort en bondig

    ■ Ruiten sluiten.
    ■ Vergrendel de auto en activeer het
    alarmsysteem.
    Sleutels 3 19.



  • Page 21

    Sleutels, portieren en ruiten

    Sleutels, portieren en
    ruiten

    Sleutels, sloten
    Sleutels
    Reservesleutels

    Sleutels, sloten ............................ 19
    Portieren ...................................... 25
    Antidiefstalbeveiliging .................. 28
    Buitenspiegels ............................. 30
    Binnenspiegel .............................. 31
    Ruiten .......................................... 32
    Dak .............................................. 34

    Het sleutelnummer staat vermeld op
    een verwijderbaar label.
    Bij het bestellen van reservesleutels
    moet het sleutelnummer worden ver‐
    meld aangezien de sleutels deel uit‐
    maken van de startbeveiliging.
    Sloten 3 249.

    19

    Om uit te klappen toets indrukken.
    Inklappen van de sleutel doet u door
    de knop in te drukken en het sleutel‐
    blad met de hand in te klappen.

    Handzender

    Sleutel met uitklapbare
    sleutelbaard

    <Notchback>



  • Page 22

    20

    Sleutels, portieren en ruiten
    Storing

    <Hatchback>
    Wordt gebruikt voor:
    ■ Centrale vergrendeling
    ■ Diefstalalarmsysteem
    ■ Kofferdeksel (alleen notchback)
    De handzender heeft een bereik van
    circa 30 meter. Dit bereik kan beperkt
    worden door invloeden van buitenaf.
    Brandende alarmknipperlichten die‐
    nen als bevestiging.
    Afstandsbediening met zorg behan‐
    delen, vochtvrij houden, beschermen
    tegen hoge temperaturen en onnodig
    gebruik vermijden.

    Als de centrale vergrendeling niet met
    de handzender kan worden vergren‐
    deld of ontgrendeld, kan dit het ge‐
    volg zijn van het volgende:
    ■ Bereik overschreden
    ■ Batterijspanning te laag
    ■ Herhaald, opeenvolgend gebruik
    van de handzender buiten het be‐
    reik, waardoor er opnieuw gesyn‐
    chroniseerd moet worden
    ■ Overbelasting van de centrale ver‐
    grendeling door herhaalde, snel op‐
    eenvolgende activering van de
    handzender, waardoor de stroom‐
    voorziening voor korte tijd wordt on‐
    derbroken
    ■ Storing door radiogolven afkomstig
    van externe zenders met een hoog
    vermogen

    Batterij van de handzender
    vervangen

    Batterij meteen vervangen zodra het
    bereik merkbaar afneemt.

    Accu's horen niet in het huisvuil thuis.
    Ze moeten via speciale inzamelpun‐
    ten gerecycled worden.
    Sleutel met uitklapbare sleutelbaard

    Let op
    Gebruik een CR2032 (of gelijkwaar‐
    dige) reservebatterij.



  • Page 23

    Sleutels, portieren en ruiten
    1. Open de behuizing van de af‐
    standsbediening.
    2. Verwijder de oude batterij. Zorg
    dat de printplaat niet in aanraking
    komt met andere componenten.
    3. Plaats de nieuwe batterij. Zorg er‐
    voor dat de negatieve kant (-) met
    de onderkant naar de basis is ge‐
    richt.
    4. Sluit de behuizing van de hand‐
    zender.
    5. Controleer of de afstandsbedie‐
    ningbij uw auto werkt.
    Vaste sleutel
    Laat de batterij vervangen door een
    werkplaats.

    Voorzichtig
    Voorkom dat u de platte vlakken
    van de accu met blote vingers
    aanraakt, omdat hier door de le‐
    vensduur van de batterij wordt ver‐
    kort.

    Let op
    Gebruikte lithiumbatterijen zijn scha‐
    delijk voor het milieu.
    Voer gebruikte batterijen af als kleinchemisch afval of lever ze in bij le‐
    verancier van de nieuwe batterij.
    Voer de batterij niet af met het huis‐
    vuil.
    Let op
    Volg onderstaande aanwijzingen op
    om de afstandsbediening in opti‐
    male conditie te houden:
    Laat de afstandsbediening niet val‐
    len.
    Plaats geen zware voorwerpen op
    de afstandsbediening.
    Houd de afstandsbediening uit de
    buurt van water en direct zonlicht.
    Als de afstandsbediening nat wordt,
    veeg deze dan met een zachte doek
    droog.

    21

    Portiervergrendelknoppen

    Als u handmatig vergrendelt door de
    sleutel in het portierslot om te
    draaien, activeert u zo de centrale
    vergrendeling.
    Als u handmatig ontgrendelt door de
    sleutel in het portierslot om te
    draaien, ontgrendelt u zo het bestuur‐
    dersportier.
    Let op
    Tik op het portierslot of verwarm de
    sleutel als het portier onder koude
    weersomstandigheden niet opent
    door bevriezing van het portierslot.



  • Page 24

    22

    Sleutels, portieren en ruiten

    Centrale vergrendeling
    U kunt de centrale vergrendeling in‐
    schakelen via het bestuurdersportier.
    Met dit systeem kunt u alle portieren,
    de achterklep (of het kofferdeksel)
    vanaf het bestuurdersportier vergren‐
    delen of ontgrendelen, met gebruik
    van de handzender (van buitenaf) of
    de knop voor centrale vergrendeling
    (van binnenuit). De tankklep kan sa‐
    men met alle portieren en de achter‐
    klep (of het kofferdeksel) vergrendeld
    zijn.
    Centrale vergrendeling is mogelijk
    met de autosleutel (van buitenaf) en
    via de PIN-vergrendeling van het be‐
    stuurdersportier (van binnenuit).
    Bij een niet goed afgesloten bestuur‐
    dersportier zal de centrale vergren‐
    deling niet werken. Dit kan worden
    gewijzigd in de Voertuiginstellingen.
    Persoonlijke instellingen 3 90.

    Centrale vergrendelingstoets

    Ontgrendelen
    Handzender

    Voor het vergrendelen of ontgrende‐
    len van alle portieren, de achterklep
    (of kofferdeksel) en de tankvulklep.
    Druk op de toets e om te vergrende‐
    len.
    Druk op de toets c om te ontgrende‐
    len.
    Wanneer het bestuurdersportier ge‐
    opend is, kunnen de achterklep en de
    tankvulklep niet worden vergrendeld.
    Dit kan worden gewijzigd in de Voer‐
    tuiginstellingen.
    Persoonlijke instellingen 3 90.

    Toets c indrukken.
    Ontgrendelt alle deuren. De alarm‐
    knipperlichten knipperen twee keer.
    Wanneer u alleen het bestuurders‐
    portier wilt ontgrendelen of bij ont‐
    grendeling een andere aanduiding
    wilt, kunt u dit wijzigen in de Voertuig‐
    instellingen.
    Persoonlijke instellingen 3 90.



  • Page 25

    Sleutels, portieren en ruiten
    Vergrendelen
    Handzender

    Ontgrendelen van het
    kofferdeksel (alleen notchback)

    23

    Bij supervergrendeling worden alle
    elektrische sloten langs elektronische
    weg geblokkeerd en kan geen enkel
    portier nog worden geopend, ook niet
    nadat een ruit is ingeslagen.

    9 Waarschuwing
    Gebruik supervergrendeling niet
    als er mensen in de auto zijn. De
    portieren kunnen dan niet van bin‐
    nenuit worden geopend.

    Toets e indrukken.
    Vergrendelt alle deuren. De alarm‐
    knipperlichten knipperen één keer.
    De aanduiding bij vergrendeling kan
    worden gewijzigd in de Voertuigin‐
    stellingen.
    Persoonlijke instellingen 3 90.

    Toets s indrukken.
    Het kofferdeksel ontgrendelt en opent
    terwijl alle portieren vergrendeld blij‐
    ven.

    Supervergrendeling

    Voor extra bescherming bij het ach‐
    terlaten van de auto kunt u de portie‐
    ren supervergrendelen.

    Om supervergrendeling in te schake‐
    len, drukt u binnen 5 seconden twee‐
    maal op e op de handzender.
    Om supervergrendeling uit te scha‐
    kelen, drukt u op c op de handzender.
    Let op
    De functie voor supervergrendeling
    activeert zodra alle portieren, de
    achterklep (of het kofferdeksel) en
    de brandstofvulklep zijn gesloten.
    Uitschakelen van supervergrende‐
    ling gebeurt wanneer een van de
    portieren op normale wijze worden
    ontgrendeld.



  • Page 26

    24

    Sleutels, portieren en ruiten

    Vertraagde vergrendeling

    Deze functie vertraagt het vergrende‐
    len van de portieren en het activeren
    van het diefstalalarmsysteem met vijf
    seconden als de auto met de centrale
    vergrendelingstoets of de handzen‐
    der wordt vergrendeld.
    Dit kan worden gewijzigd in de Voer‐
    tuiginstellingen.
    Zie Persoonlijke instellingen 3 90.
    AAN: bij het indrukken van de toets
    voor centrale vergrendeling, geven
    drie geluidssignalen aan dat ver‐
    traagde vergrendeling is ingescha‐
    keld.
    De portieren vergrendelen niet tot vijf
    seconden na het sluiten van het laat‐
    ste portier. U kunt de vertraagde ver‐
    grendeling tijdelijk negeren door de
    centrale vergrendelingstoets of de
    vergrendelingstoets op de handzen‐
    der in te drukken.
    UIT: de portieren vergrendelen on‐
    middellijk bij het indrukken van de
    centrale vergrendelingstoets of de
    toets e op de handzender.

    Automatisch vergrendelen
    In sommige landen is het verstandig
    tijdens het rijden de automatische
    portiervergrendeling te activeren.

    Automatische versnellingsbak

    Wanneer u de keuzehendel vanuit de
    stand P in een andere stand zet, zul‐
    len de portieren, het kofferdeksel of
    de achterklep en de tankvulklep au‐
    tomatisch vergrendeld worden.
    Ontgrendelen door de ontgrende‐
    lingstoets in de centrale vergrende‐
    lingstoets in te drukken, de transmis‐
    sie op P te zetten of de contactsleutel
    eruit te trekken.

    Handgeschakelde
    versnellingsbak

    Bij een rijsnelheid van meer dan
    13 km/u worden de portieren, het kof‐
    ferdeksel of de achterklep en de tank‐
    vulklep automatisch vergrendeld.
    Ontgrendelen door de ontgrende‐
    lingstoets in de centrale vergrende‐
    lingstoets in te drukken of de contact‐
    sleutel eruit te trekken.

    Instellingen kunnen worden gewijzigd
    in de Voertuiginstellingen. Persoon‐
    lijke instellingen 3 90.

    9 Waarschuwing
    Zet de vergrendelingsfunctie niet
    uit tijdens het rijden.
    Als het portier ontgrendeld is, druk
    dan de knop voor centrale ver‐
    grendeling in om opnieuw te ver‐
    grendelen.

    Kindersloten



  • Page 27

    Sleutels, portieren en ruiten
    Voorzichtig
    Trek niet aan de binnenportier‐
    greep terwijl het kinderslot in de
    stand LOCK (vergrendeld) staat.
    De binnenportiergreep kan hier‐
    door beschadigd raken.

    Portieren

    25

    Bagageruimte

    Het kofferdeksel wordt ontgrendeld of
    vergrendeld wanneer u alle portieren
    vergrendelt/ontgrendelt via de hand‐
    zender.

    Kofferdeksel (notchback)

    <Type 2>

    Openen
    <Type 1>

    9 Waarschuwing
    Gebruik de kindersloten wanneer
    kinderen op de achterste zitplaat‐
    sen worden vervoerd.
    U kunt een sleutel gebruiken of een
    geschikte schroevendraaier.
    Om het kinderslot in het portier in te
    schakelen, draait u het kinderslot in
    de horizontale stand.
    Als het kinderslot in het achterportier
    is ingeschakeld, opent u dit portier
    van buitenaf.
    Om het kinderslot in het portier uit te
    schakelen, draait u het kinderslot in
    de verticale stand.

    U opent het kofferdeksel door tegen
    het slotpaneel te drukken terwijl het
    kofferdeksel ontgrendeld is.
    Het kofferdeksel kan ook worden ge‐
    opend door op de toets s op de
    handzender te drukken.

    Om het kofferdeksel te ontgrendelen,
    steekt u de sleutel in het slot en draait
    u rechtsom. Haal het kofferdeksel
    omhoog.



  • Page 28

    26

    Sleutels, portieren en ruiten
    Voorzichtig
    Kijk voordat u het kofferdeksel
    opent of er boven de auto niets in
    de weg zit, zoals een garagedeur,
    om schade aan het kofferdeksel te
    voorkomen. Controleer altijd het
    gedeelte vlak boven en achter het
    kofferdeksel .

    U kunt het kofferdeksel ook ontgren‐
    delen door de ontgrendelingshendel
    voor het kofferdeksel naast de be‐
    stuurdersstoel omhoog te trekken.

    9 Waarschuwing
    Niet met een geopende of op een
    kier staande achterklep rijden,
    bijv. bij het vervoer van omvang‐
    rijke bagage, aangezien er dan gif‐
    tige uitlaatgassen in de auto kun‐
    nen binnendringen.

    Let op
    Terwijl de motor draait, kan het kof‐
    ferdeksel worden geopend met de
    keuzehendel in de stand "P" (auto‐
    matische versnellingsbak) of met
    aangetrokken handrem (handge‐
    schakelde versnellingsbak).
    Let op
    Als er bepaalde zware accessoires
    op het kofferdeksel worden gemon‐
    teerd, zal deze mogelijk minder ge‐
    makkelijk open blijven staan.
    Sluiten
    <Type 1>
    Het kofferdeksel wordt gesloten door
    hem aan te drukken zodat deze goed
    in het slot zit.

    Druk niet op het slotpaneel terwijl u
    het kofferdeksel sluit. Het kofferdek‐
    sel kan dan weer opengaan.
    <Type 2>
    Het kofferdeksel wordt gesloten door
    hem aan te drukken zodat deze goed
    in het slot zit.

    Voorzichtig
    Zorg dat u met uw handen of even‐
    tuele andere lichaamsdelen, van
    uzelf of anderen, volkomen buiten
    het sluitgedeelte van het koffer‐
    deksel blijft.



  • Page 29

    Sleutels, portieren en ruiten
    Achterklep (hatchback)

    <Type 2>

    Openen
    <Type 1>

    U opent de achterklep door tegen het
    slotpaneel te drukken terwijl de ach‐
    terklep ontgrendeld is.
    De achterklep wordt ontgrendeld of
    vergrendeld wanneer alle portieren
    worden ontgrendeld/vergrendeld via
    de handzender.

    27

    Voorzichtig
    Voordat u de achterklep opent,
    moet u kijken of er boven de auto
    niets in de weg zit, zoals een ga‐
    ragedeur, om schade aan de ach‐
    terklep te voorkomen. Controleer
    altijd de plaats boven en achter de
    achterklep.

    U ontgrendelt de achterklep door de
    sleutel in het slot te steken en linksom
    te draaien. Haal de achterklep om‐
    hoog.

    9 Waarschuwing
    Niet met een geopende of op een
    kier staande achterklep rijden,
    bijv. bij het vervoer van omvang‐
    rijke bagage, aangezien er dan gif‐
    tige uitlaatgassen in de auto kun‐
    nen binnendringen.

    Let op
    Terwijl de motor draait, kan de ach‐
    terklep worden geopend met de keu‐
    zehendel in de stand "P" (automati‐
    sche versnellingsbak) of met aange‐
    trokken handrem (handgeschakelde
    versnellingsbak).
    Let op
    Afhankelijk van het gewicht van
    eventueel gemonteerde accessoi‐
    res blijft de achterklep mogelijk niet
    in geopende stand staan.
    Sluiten
    <Type 1>
    De achterklep wordt gesloten door
    hem aan te drukken zodat deze goed
    in het slot zit.



  • Page 30

    28

    Sleutels, portieren en ruiten

    Druk niet op het slotpaneel terwijl u
    het kofferdeksel sluit. Het kofferdek‐
    sel kan dan weer opengaan.
    <Type 2>
    De achterklep wordt gesloten door
    hem aan te drukken zodat deze goed
    in het slot zit.

    Antidiefstalbeveiliging
    Diefstalalarmsysteem
    Activering

    Als de controlelamp na de eerste
    30 seconden toch snel blijft knippe‐
    ren, is het bestuurdersportier niet
    goed afgesloten of is er een sys‐
    teemstoring.
    De hulp van een werkplaats inroepen.

    Deactivering

    Als u de auto ontgrendeld door op de
    handzender op c te drukken, wordt zo
    het diefstalalarmsysteem uitgescha‐
    keld.

    Voorzichtig
    Zorg dat u met uw handen en an‐
    dere lichaamsdelen, van uzelf of
    anderen, volkomen buiten het
    sluitgedeelte van de achterklep
    blijft.

    Alarm

    Druk op knop e op de handzender.
    Het diefstalalarmsysteem wordt na
    30 seconden automatisch actief.
    De controlelamp knippert snel tijdens
    de eerste 30 seconden en blijft ver‐
    volgens langzaam knipperen.

    Het alarm kan worden afgezet door
    het indrukken van een willekeurige
    toets op de handzender of door het
    inschakelen van het contact.
    U kunt het diefstalalarmsysteem weer
    inschakelen door op e te drukken of
    het contact aan te zetten.



  • Page 31

    Sleutels, portieren en ruiten
    Automatische
    portiervergrendeling

    Wanneer geen enkel portier wordt ge‐
    opend of de contactsleutel niet in de
    stand ACC of ON wordt gezet binnen
    3 minuten nadat de portieren zijn ont‐
    grendeld via de handzender, worden
    alle portieren weer vergrendeld en
    wordt het diefstalalarmsysteem auto‐
    matisch ingeschakeld.

    Automatische
    portierontgrendeling

    Alle portieren ontgrendelen automa‐
    tisch zodra de botsingsensoren een
    botsingsignaal ontvangen terwijl het
    contact is ingeschakeld.
    Wel zullen de portieren mogelijk niet
    ontgrendelen als er mechanische
    problemen zijn opgetreden met het
    systeem voor portiervergrendeling of
    met het accuvoedingsysteem.

    Startbeveiliging
    De startbeveiliging voorziet in een bij‐
    komende antidiefstalbeveiliging van
    de auto waarin deze is geïnstalleerd
    en voorkomt dat de auto wordt gestart

    door personen die hiertoe niet be‐
    voegd zijn. De geldige sleutel voor
    een auto die is uitgerust met een
    startbeveiliging is een contactsleutel
    met ingebouwde zender die elektro‐
    nisch is gecodeerd. De zender is on‐
    zichtbaar in de contactsleutel ge‐
    plaatst.
    Alleen met sleutels met een geldige
    transpondercode kan de motor wor‐
    den gestart.
    Met ongeldige sleutels kunnen alleen
    de portieren worden geopend.
    De startonderbreker treedt automa‐
    tisch in werking als het contact in
    stand LOCK wordt gezet en de sleutel
    uit het contactslot wordt verwijderd.
    Zodra het systeem voor startbeveili‐
    ging bij ingeschakeld contact een sto‐
    ring constateert, zal de controlelamp
    voor startbeveiliging gaan knipperen
    of branden en zal de motor niet star‐
    ten.
    Laat de auto controleren door uw er‐
    kende reparatiebedrijf.

    29

    Let op
    Tik op het portierslot of verwarm de
    sleutel als het portier onder koude
    weersomstandigheden niet opent
    door bevriezing van het portierslot.



  • Page 32

    30

    Sleutels, portieren en ruiten

    Buitenspiegels
    Bolle vorm
    De convexe buitenspiegel heeft een
    asferische zone en reduceert dode
    hoeken. Door de vorm van de spiegel
    lijken voorwerpen kleiner dan ze zijn,
    waardoor afstanden moeilijker zijn in
    te schatten.

    Beweeg het hendeltje in de gewenste
    richting om de spiegelstanden aan te
    passen.

    Inklapbare spiegels

    Elektrische verstelling

    Handmatig verstellen

    Selecteer de gewenste buitenspiegel
    door de knop naar links (L) of rechts
    (R) te draaien. Beweeg daarna de
    knop om de spiegel te verstellen.
    Met de knop in de stand "o", is er geen
    spiegel geselecteerd.
    Stel de spiegels zo af dat de zijkant
    van de auto nog net in de spiegel te
    zien is.

    Voor de veiligheid van voetgangers
    klappen de buitenspiegels bij aansto‐
    ten vanaf een bepaalde kracht weg uit
    de normale stand. Spiegel dan door
    licht op de spiegelbehuizing te druk‐
    ken terugduwen.



  • Page 33

    Sleutels, portieren en ruiten
    9 Waarschuwing
    Zorg er altijd voor dat de spiegels
    correct zijn afgesteld en gebruik
    ze tijdens het rijden om voorwer‐
    pen en andere auto's om u heen te
    kunnen zien. Rijd niet als een van
    de buitenspiegels is ingeklapt.

    De verwarming werkt bij een draai‐
    ende motor en wordt na enkele minu‐
    ten automatisch uitgeschakeld of
    door opnieuw op de knop te drukken.

    31

    Binnenspiegel
    Handmatige dimfunctie

    Verwarmde spiegels

    Om verblinding te verminderen, de
    hendel aan de onderkant van de spie‐
    gelbehuizing gebruiken.

    9 Waarschuwing
    Om in te schakelen toets Ü indruk‐
    ken.

    De binnenspiegel biedt in de
    nachtstand een wat minder helder
    zicht.
    Wees extra alert als de spiegel in
    de anti-verblindingsstand staat.



  • Page 34

    32

    Sleutels, portieren en ruiten

    Een verkeerde inschatting kan lei‐
    den tot een aanrijding en daarmee
    tot persoonlijk letsel en/of materi‐
    ele schade.

    Ruiten
    Handbediende ruiten

    Als er achterin kinderen zitten,
    moet u de kinderbeveiliging van
    de elektrische ruitbediening in‐
    schakelen.
    Ruiten tijdens het sluiten goed in
    de gaten houden. Ervoor zorgen
    dat niets of niemand bekneld
    raakt.

    De portierruiten zijn met de handslin‐
    gers te bedienen.

    Elektrisch bediende ruiten
    9 Waarschuwing
    Wees voorzichtig bij het gebruik
    van de elektrische ruitbediening.
    Er bestaat verwondingsgevaar,
    met name voor kinderen.

    Elektrisch bediende ruiten kunnen
    worden bediend met ingeschakeld
    contact.
    Druk de schakelaar van de desbetref‐
    fende ruit in om de ruit te openen of
    trek aan de schakelaar om de ruit te
    sluiten.



  • Page 35

    Sleutels, portieren en ruiten
    Bediening

    U kunt de elektrisch bediende ruiten
    bedienen met de schakelaars op de
    portieren als het contact is ingescha‐
    keld.
    Druk de schakelaar omlaag om de ruit
    te openen.
    Om de ruit te sluiten, haalt u de scha‐
    kelaar omhoog.
    Laat de schakelaar los als de ruit de
    gewenste positie heeft bereikt.

    Verkeerd gebruik van de elek‐
    trisch bediende ruiten kan ernstig
    of fataal letsel tot gevolg hebben.

    33

    Achterruitverwarming

    Kinderbeveiliging voor
    achterportierruiten

    9 Waarschuwing
    Lichaamsdelen die uit de auto ste‐
    ken kunnen door langskomende
    objecten worden geraakt. Houd
    alle lichaamsdelen in de auto.
    Kinderen kunnen elektrisch be‐
    diende ruiten bedienen, waardoor
    ze bekneld kunnen raken.
    Laat geen kinderen zonder toe‐
    zicht achter in de auto en laat ook
    niet uw sleutel in het contactslot
    zitten.

    Druk op schakelaar z om de elek‐
    trisch bediende ruiten van het achter‐
    portier te deactiveren. Druk voor het
    activeren nogmaals op z.

    Om in te schakelen toets Ü indruk‐
    ken.
    De verwarming werkt bij een draai‐
    ende motor en wordt na enkele minu‐
    ten automatisch uitgeschakeld of
    door opnieuw op de knop te drukken.



  • Page 36

    34

    Sleutels, portieren en ruiten
    Voorzichtig

    Gebruik geen scherpe voorwer‐
    pen of reinigingsmiddelen met
    schurende bestanddelen om de
    achterruit van uw auto te reinigen.
    Let er bij het reinigen van de ach‐
    terruit en bij het werken in de om‐
    geving van de achterruit op dat u
    het verwarmingselement niet be‐
    schadigt.

    Zonnekleppen
    Om verblinding te vermijden kunnen
    de zonnekleppen worden neerge‐
    klapt en opzij worden gedraaid.
    Afdekkingen van eventueel in de zon‐
    nekleppen aanwezige makeupspiegels tijdens het rijden gesloten
    houden.

    9 Waarschuwing
    Plaats de zonneklep niet dusdanig
    dat hij het zicht op de weg, het ver‐
    keer of andere objecten blokkeert.

    Dak
    Zonnedak
    9 Waarschuwing
    Wees voorzichtig bij het bedienen
    van het zonnedak. Er bestaat ver‐
    wondingsgevaar, met name voor
    kinderen.
    Houd de bewegende onderdelen
    tijdens het bedienen goed in de
    gaten. Ervoor zorgen dat niets of
    niemand bekneld raakt.
    Zonnedak kan worden bediend bij in‐
    geschakelde ontsteking.

    Openen of sluiten

    U opent het zonnedak door de scha‐
    kelaar (1) in te drukken. Het zonne‐
    dak gaat automatisch open. U stopt
    de beweging door een van de scha‐
    kelaars opnieuw in te drukken.
    Om het zonnedak naar een gewenste
    positie te openen, houdt u de scha‐
    kelaar (1) ingedrukt.
    Laat de schakelaar los zodra het zon‐
    nedak de gewenste positie bereikt.
    U sluit het zonnedak door de schake‐
    laar (2) ingedrukt te houden totdat het
    zonnedak gesloten is.



  • Page 37

    Sleutels, portieren en ruiten
    Omhoog of sluiten

    Om het zonnedak te openen met de
    kantelfunctie, houdt u de schakelaar
    (2) ingedrukt.
    Laat de schakelaar los zodra het zon‐
    nedak de gewenste positie bereikt.
    U sluit het zonnedak door de schake‐
    laar (1) ingedrukt te houden totdat het
    zonnedak gesloten is.

    Zonnescherm

    Het zonnescherm wordt handmatig
    bediend.
    Schuif het zonnescherm open of
    dicht.
    Wanneer het zonnedak openstaat, is
    het zonnescherm altijd open.

    9 Waarschuwing
    Lichaamsdelen die uit de auto ste‐
    ken kunnen door langskomende
    objecten worden geraakt. Houd
    alle lichaamsdelen in de auto.
    Verkeerd gebruik van het zonne‐
    dak kan ernstig of fataal letsel tot
    gevolg hebben.

    35



  • Page 38

    36

    Stoelen, veiligheidssystemen

    Stoelen,
    veiligheidssystemen
    Hoofdsteunen .............................. 36
    Voorstoelen .................................. 37
    Veiligheidsgordels ....................... 40
    Airbagsysteem ............................. 43
    Kinderveiligheidssystemen .......... 50

    Hoofdsteunen
    Stand
    9 Waarschuwing
    Rij alleen met de hoofdsteun in de
    juiste stand.
    Het rijden met verwijderde of on‐
    juist afgestelde hoofdsteunen kan
    leiden tot ernstige hoofd- en/of ne‐
    kletsel in geval van een aanrijding.
    Zorg ervoor dat de hoofdsteun af‐
    gesteld is voordat u gaat rijden.

    De bovenzijde van de hoofdsteun
    moet op gelijke hoogte zijn als de bo‐
    venzijde van het hoofd. Is dit bij zeer
    lange personen niet mogelijk, dan de
    hoofdsteun in de hoogste stand zet‐
    ten (bij zeer kleine personen de
    hoofdsteun juist in de laagste stand
    zetten).

    Hoofdsteunen van voorstoelen
    Hoogteverstelling

    Hoofdsteun omhoogtrekken. Voor la‐
    ger zetten de pal (1) indrukken en de
    hoofdsteun omlaag duwen.



  • Page 39

    Stoelen, veiligheidssystemen
    Demonteren
    Haal de hoofdsteun helemaal om‐
    hoog.
    Druk tegelijkertijd de pallen (1) en (2)
    in.
    Trek de hoofdsteun omhoog.

    Hoofdsteunen van achterbank

    Voorstoelen

    Hoogteverstelling

    Stoelpositie

    37

    9 Waarschuwing
    Alleen met een correct ingestelde
    stoel rijden.

    Horizontale verstelling

    Hoofdsteun omhoogtrekken. Voor la‐
    ger zetten de pal (1) indrukken en de
    hoofdsteun omlaag duwen.

    Hoofdsteun naar voren trekken. Deze
    kan in drie standen worden ingesteld.
    Trek de hoofdsteun naar voren als u
    deze naar achteren wilt verstellen. Hij
    beweegt vervolgens automatisch
    naar achteren.

    Demonteren
    Haal de hoofdsteun helemaal om‐
    hoog.
    Druk tegelijkertijd de pallen (1) en (2)
    in.
    Trek de hoofdsteun omhoog.

    ■ Met zitvlak zo ver mogelijk tegen de
    rugleuning zitten. De afstand tot de
    pedalen zo instellen dat de benen
    bij het intrappen van de pedalen
    licht gebogen zijn. De passagiers‐
    stoel voorin zover mogelijk naar
    achteren schuiven.



  • Page 40

    38

    Stoelen, veiligheidssystemen

    ■ Met schouders zo ver mogelijk te‐
    gen de rugleuning zitten. Stel de
    hoek van de rugleuning zo in dat u
    het stuurwiel gemakkelijk met licht
    gebogen armen kunt vastpakken.
    Bij het verdraaien van het stuurwiel,
    contact blijven houden tussen
    schouders en rugleuning. De rug‐
    leuning mag niet te ver achterover‐
    hellen. De aanbevolen hellings‐
    hoek bedraagt maximaal ca. 25°.
    ■ Stuurwiel instellen 3 66.
    ■ Zithoogte zo instellen, dat u
    rondom een goed zicht hebt en alle
    instrumenten goed kunt aflezen.
    Tussen hoofd en dakframe moet
    minstens een handbreed tussen‐
    ruimte zitten. Uw dijen dienen licht
    op de zitting rusten, zonder druk uit
    te oefenen.
    ■ Hoofdsteun instellen 3 36.
    ■ Hoogte veiligheidsgordel instellen
    3 41.

    Stoelverstelling
    9 Gevaar
    Altijd op minstens 25 cm afstand
    van het stuurwiel zitten zodat de
    airbag veilig in werking kan treden.

    9 Waarschuwing

    Om de stoel naar voren of achteren te
    verstellen, trekt u aan de handgreep
    en schuift u de stoel in de gewenste
    positie.
    Laat de handgreep los en controleer
    of de stoel in deze stand is vergren‐
    deld.

    Rugleuning voorstoelen

    Stoelen nooit tijdens het rijden ver‐
    stellen, omdat ze ongecontroleerd
    kunnen bewegen.

    Zitpositie

    Aan de hendel trekken, de rugleuning
    instellen en de hendel loslaten. De
    stoel hoorbaar laten vastklikken.
    Bij het verstellen de rugleuning niet
    belasten.



  • Page 41

    Stoelen, veiligheidssystemen
    Zithoogte

    Verwarming

    39

    Voorzichtig
    Langdurig gebruik van de hoogste
    instelling wordt voor mensen met
    een gevoelige huid niet aanbevo‐
    len.

    Haal de hendel aan de buitenkant van
    de stoelzitting op of neer tot de zitting
    in de gewenste stand is versteld.
    Om de stoelzitting lager te stellen,
    drukt u de hendel een paar keer om‐
    laag.
    Om de stoelzitting hoger te stellen,
    haalt u de hendel een paar keer om‐
    hoog.

    De toetsen voor stoelverwarming be‐
    vinden zich in de knoppen voor kli‐
    maatregeling.
    De stoelverwarming werkt bij een
    draaiende motor.
    Om de stoel te verwarmen drukt u de
    knop voor de betreffende stoel in.
    De controlelamp in de knop gaat
    branden.
    De stoelverwarming wordt uitgescha‐
    keld door nogmaals op de knop te
    drukken.



  • Page 42

    40

    Stoelen, veiligheidssystemen

    Veiligheidsgordels

    9 Waarschuwing
    Veiligheidsgordel vóór elke rit om‐
    doen.
    Inzittenden die geen gebruik ma‐
    ken van de veiligheidsgordel bren‐
    gen bij eventuele aanrijdingen me‐
    depassagiers en zichzelf in ge‐
    vaar.

    De veiligheidsgordels worden bij snel
    optrekken of hard remmen geblok‐
    keerd om de inzittenden op hun stoel
    te houden.

    Veiligheidsgordels zijn bedoeld voor
    gebruik door slechts één persoon te‐
    gelijk. Ze zijn niet geschikt voor per‐
    sonen kleiner dan 1,50 m. Kindervei‐
    ligheidssysteem 3 50.
    Alle onderdelen van het gordelsys‐
    teem regelmatig op schade en juiste
    werking controleren.
    Beschadigde onderdelen laten ver‐
    vangen. Na een aanrijding de veilig‐
    heidsgordels en de gordelspanners
    door een werkplaats laten vervangen.

    Let op
    Zorg dat de veiligheidsgordels niet
    door schoenen of voorwerpen met
    scherpe randen beschadigd raken
    klem komen te zitten. Oprolautoma‐
    ten vrijhouden van vuil.
    Gordelverklikker X 3 78.

    Gordelkrachtbegrenzers

    De gordelkrachtbegrenzers van de
    voorstoelen beperken de krachten die
    inwerken op de inzittenden, doordat
    de gordels tijdens een botsing gelei‐
    delijk worden ontspannen.

    Gordelspanners



  • Page 43

    Stoelen, veiligheidssystemen
    De gordelsloten van de voorstoelen
    worden strakgetrokken bij een vol‐
    doende zware frontale of zijdelingse
    botsing of bij een aanrijding van ach‐
    teren.

    41

    Driepuntsgordel
    Bevestiging

    9 Waarschuwing
    Onjuist handelen (bijv. het verwij‐
    deren of aanbrengen van gordels
    of gordelgespen) kan de gordel‐
    spanners in werking stellen.
    Geactiveerde gordelspanners zijn te
    herkennen aan de brandende contro‐
    lelamp v 3 78.
    Geactiveerde gordelspanners door
    een werkplaats laten vervangen. Gor‐
    delspanners worden slechts eenmaal
    geactiveerd.
    Let op
    Bevestig of monteer geen accessoi‐
    res of andere voorwerpen die de
    werking van de gordelspanners kun‐
    nen verstoren. Geen aanpassingen
    aan onderdelen van de gordelspan‐
    ners aanbrengen, anders vervalt de
    typegoedkeuring van de auto.

    Gordel uit de oprolautomaat trekken,
    zonder te verdraaien voor u langs ha‐
    len en de gesp in het slot steken.
    Heupgordel tijdens het rijden van tijd
    tot tijd strak trekken door aan de
    schoudergordel te trekken. Gordel‐
    verklikker 3 78.

    Loszittende kleding belemmert het
    strak trekken van de gordel. Geen
    voorwerpen zoals handtassen of mo‐
    biele telefoons tussen de gordel en
    uw lichaam leggen.

    9 Waarschuwing
    De gordel niet over harde of breek‐
    bare voorwerpen in de zakken van
    uw kleding laten lopen.



  • Page 44

    42

    Stoelen, veiligheidssystemen

    Hoogteverstelling

    Demonteren

    1. Toets indrukken.
    2. Hoogte instellen en vergrendelen.
    Hoogte zo instellen dat de gordel over
    de schouder loopt. Gordel mag niet
    langs de hals of bovenarm lopen.

    Om de gordel los te maken, de rode
    knop van het gordelslot indrukken.

    Voorzichtig
    Pas de positie niet aan tijdens het
    rijden.

    Veiligheidsgordels van
    achterbank

    De veiligheidsgordel van de middel‐
    ste zitplaats achterin kan alleen uit
    het oprolmechanisme worden getrok‐
    ken als de rugleuning in de achterste
    stand staat.

    Gebruik van veiligheidsgordels
    tijdens de zwangerschap

    9 Waarschuwing
    De heupgordel moet zo laag mo‐
    gelijk over het bekken lopen om
    druk op de buik te voorkomen.
    Veiligheidsgordels beschermen ie‐
    dereen, dus ook zwangere vrouwen.
    Net als andere inzittenden lopen
    zwangere vrouwen een grotere kans
    op ernstig letsel als ze geen veilig‐
    heidsgordel dragen.



  • Page 45

    Stoelen, veiligheidssystemen
    Verder heeft een ongeboren kind gro‐
    tere overlevingskansen als de veilig‐
    heidsgordel op de juiste manier ge‐
    dragen wordt.
    Voor maximale bescherming hoort
    een aanstaande moeder een veilig‐
    heidsgordel te dragen.
    Het heupgedeelte van de gordel moet
    tijdens de zwangerschap zo laag mo‐
    gelijk worden gedragen.

    Airbagsysteem
    Het airbagsysteem bestaat uit meer‐
    dere afzonderlijke systemen.
    Bij het afgaan worden de airbags bin‐
    nen enkele milliseconden gevuld.
    Ook het leeglopen van de airbags
    verloopt zo snel, dat dit tijdens een
    aanrijding vaak niet eens wordt opge‐
    merkt.

    9 Waarschuwing
    Wanneer de airbagsystemen ver‐
    keerd worden gebruikt, kunnen ze
    op een explosieve manier ontplof‐
    fen.
    De bestuurder moet zo ver moge‐
    lijk naar achteren zitten en toch
    nog de controle over de auto be‐
    houden. Als u te dicht bij de airbag
    zit, dan kan deze ernstig of dode‐
    lijk letsel veroorzaken wanneer hij
    wordt opgeblazen.
    Voor een zo goed mogelijke be‐
    scherming bij alle soorten onge‐
    vallen moeten alle inzittenden

    43

    (waaronder de bestuurder) altijd
    hun veiligheidsgordels dragen om
    zodoende het gevaar voor ernstig
    of dodelijk letsel bij een ongeval te
    minimaliseren. Ga tijdens het rij‐
    den niet onnodig dicht bij de airbag
    zitten en leun er niet tegenaan.
    De airbag kan krassen in het ge‐
    zicht of op het lichaam, letsel door
    gebroken brillen of brandwonden
    als gevolg van de explosie wan‐
    neer de airbag wordt geactiveerd,
    veroorzaken.
    Let op
    Ter hoogte van de middenconsole
    zitten de regelelektronica van het
    airbagsysteem en de gordelspan‐
    ners. In dit gebied geen magneti‐
    sche voorwerpen plaatsen.
    Afdekkingen van airbags niet be‐
    plakken of met andere materialen
    bedekken.
    Elke airbag treedt slechts eenmaal
    in werking. Geactiveerde airbags
    onmiddellijk laten vervangen door
    een werkplaats.



  • Page 46

    44

    Stoelen, veiligheidssystemen

    Geen aanpassingen in het airbag‐
    systeem aanbrengen, anders ver‐
    valt de typegoedkeuring van de
    auto.
    Laat het vervangen van stuurwiel,
    instrumentenpaneel, alle bekleding,
    portierdichtingen, handgrepen en
    stoelen over aan een werkplaats in
    geval een airbag is afgegaan.
    Wanneer een airbag afgaat, kan er
    een sprake zijn van een hard geluid
    en rook. Dit is normaal en niet ge‐
    vaarlijk, maar kan wle de huid vna de
    passagier irriteren. Neem contact op
    met een arts als de irritatie aan‐
    houdt.

    9 Gevaar
    Laat kinderen of peuters en zwan‐
    gere vrouwen en ouderen en zie‐
    ken nooit in voorstoelen zitten die
    voorzien zijn van airbags.
    Bovendien mag u niet gaan rijden
    met een kinderzitje op deze
    plaats. Bij een ongeval kan de klap

    van de opgeblazen airbag tot let‐
    sel aan het gezicht of dodelijk let‐
    sel leiden.

    Voorzichtig
    Als de auto klappen oploopt bij het
    rijden over verkeersdrempels of
    over voorwerpen op onverharde
    wegen of stoepen, kunnen de air‐
    bags afgaan. Rijd langzaam op
    wegdekken die niet bedoeld zijn
    voor auto's om te voorkomen dat
    de airbag per ongeluk afgaat.
    Bij het opblazen van de airbags kun‐
    nen ontsnappende hete gassen
    brandwonden veroorzaken.
    Controlelamp v voor airbagsystemen
    3 78.

    Kinderveiligheidssystemen op
    de passagiersstoel met
    airbagsystemen

    Waarschuwing conform ECE R94.02:

    EN: NEVER use a rearward facing
    child restraint on a seat protected by
    an ACTIVE AIRBAG in front of it,
    DEATH or SERIOUS INJURY to the
    CHILD can occur.
    DE: Nach hinten gerichtete Kinder‐
    sitze NIEMALS auf einem Sitz ver‐
    wenden, der durch einen davor be‐
    findlichen AKTIVEN AIRBAG ge‐
    schützt ist, da dies den TOD oder
    SCHWERE VERLETZUNGEN DES
    KINDES zur Folge haben kann.



  • Page 47

    Stoelen, veiligheidssystemen
    FR: NE JAMAIS utiliser un siège d'en‐
    fant orienté vers l'arrière sur un siège
    protégé par un COUSSIN GONFLA‐
    BLE ACTIF placé devant lui, sous
    peine d'infliger des BLESSURES
    GRAVES, voire MORTELLES à l'EN‐
    FANT.
    ES: NUNCA utilice un sistema de re‐
    tención infantil orientado hacia atrás
    en un asiento protegido por un AIR‐
    BAG FRONTAL ACTIVO. Peligro de
    MUERTE o LESIONES GRAVES
    para el NIÑO.
    RU: ЗАПРЕЩАЕТСЯ
    устанавливать детское
    удерживающее устройство лицом
    назад на сиденье автомобиля,
    оборудованном фронтальной
    подушкой безопасности, если
    ПОДУШКА НЕ ОТКЛЮЧЕНА! Это
    может привести к СМЕРТИ или
    СЕРЬЕЗНЫМ ТРАВМАМ
    РЕБЕНКА.
    NL: Gebruik NOOIT een achterwaarts
    gericht kinderzitje op een stoel met
    een ACTIEVE AIRBAG ervoor, om
    DODELIJK of ERNSTIG LETSEL van
    het KIND te voorkomen.

    DA: Brug ALDRIG en bagudvendt au‐
    tostol på et forsæde med AKTIV AIR‐
    BAG, BARNET kan komme i LIVS‐
    FARE eller komme ALVORLIGT TIL
    SKADE.
    SV: Använd ALDRIG en bakåtvänd
    barnstol på ett säte som skyddas med
    en framförvarande AKTIV AIRBAG.
    DÖDSFALL eller ALLVARLIGA SKA‐
    DOR kan drabba BARNET.
    FI: ÄLÄ KOSKAAN sijoita taaksepäin
    suunnattua lasten turvaistuinta istui‐
    melle, jonka edessä on AKTIIVINEN
    TURVATYYNY, LAPSI VOI KUOLLA
    tai VAMMAUTUA VAKAVASTI.
    NO: Bakovervendt barnesikringsut‐
    styr må ALDRI brukes på et sete med
    AKTIV KOLLISJONSPUTE foran, da
    det kan føre til at BARNET utsettes for
    LIVSFARE og fare for ALVORLIGE
    SKADER.
    PT: NUNCA use um sistema de re‐
    tenção para crianças voltado para
    trás num banco protegido com um
    AIRBAG ACTIVO na frente do
    mesmo, poderá ocorrer a PERDA DE
    VIDA ou FERIMENTOS GRAVES na
    CRIANÇA.

    45

    IT: Non usare mai un sistema di sicu‐
    rezza per bambini rivolto all'indietro
    su un sedile protetto da AIRBAG AT‐
    TIVO di fronte ad esso: pericolo di
    MORTE o LESIONI GRAVI per il
    BAMBINO!
    EL: ΠΟΤΕ μη χρησιμοποιείτε παιδικό
    κάθισμα ασφαλείας με φορά προς τα
    πίσω σε κάθισμα που προστατεύεται
    από μετωπικό ΕΝΕΡΓΟ ΑΕΡΟΣΑΚΟ,
    διότι το παιδί μπορεί να υποστεί
    ΘΑΝΑΣΙΜΟ ή ΣΟΒΑΡΟ
    ΤΡΑΥΜΑΤΙΣΜΟ.
    PL: NIE WOLNO montować fotelika
    dziecięcego zwróconego tyłem do
    kierunku jazdy na fotelu, przed któ‐
    rym znajduje się WŁĄCZONA PO‐
    DUSZKA POWIETRZNA. Niezasto‐
    sowanie się do tego zalecenia może
    być przyczyną ŚMIERCI lub POWAŻ‐
    NYCH OBRAŻEŃ u DZIECKA.
    TR: Arkaya bakan bir çocuk emniyet
    sistemini KESİNLİKLE önünde bir
    AKTİF HAVA YASTIĞI ile korun‐
    makta olan bir koltukta kullanmayınız.
    ÇOCUK ÖLEBİLİR veya AĞIR ŞE‐
    KİLDE YARALANABİLİR.



  • Page 48

    46

    Stoelen, veiligheidssystemen

    UK: НІКОЛИ не використовуйте
    систему безпеки для дітей, що
    встановлюється обличчям назад,
    на сидінні з УВІМКНЕНОЮ
    ПОДУШКОЮ БЕЗПЕКИ, інакше це
    може призвести до СМЕРТІ чи
    СЕРЙОЗНОГО ТРАВМУВАННЯ
    ДИТИНИ.
    HU: SOHA ne használjon hátrafelé
    néző biztonsági gyerekülést előlről
    AKTÍV LÉGZSÁKKAL védett ülésen,
    mert a GYERMEK HALÁLÁT vagy
    KOMOLY SÉRÜLÉSÉT okozhatja.
    HR: NIKADA nemojte koristiti sustav
    zadržavanja za djecu okrenut prema
    natrag na sjedalu s AKTIVNIM ZRAČ‐
    NIM JASTUKOM ispred njega, to bi
    moglo dovesti do SMRTI ili OZBILJN‐
    JIH OZLJEDA za DIJETE.
    SL: NIKOLI ne nameščajte otroškega
    varnostnega sedeža, obrnjenega v
    nasprotni smeri vožnje, na sedež z
    AKTIVNO ČELNO ZRAČNO BLA‐
    ZINO, saj pri tem obstaja nevarnost
    RESNIH ali SMRTNIH POŠKODB za
    OTROKA.

    SR: NIKADA ne koristiti bezbednosni
    sistem za decu u kome su deca okre‐
    nuta unazad na sedištu sa AKTIVNIM
    VAZDUŠNIM JASTUKOM ispred se‐
    dišta zato što DETE može da NA‐
    STRADA ili da se TEŠKO POVREDI.
    MK: НИКОГАШ не користете детско
    седиште свртено наназад на
    седиште заштитено со АКТИВНО
    ВОЗДУШНО ПЕРНИЧЕ пред него,
    затоа што детето може ДА ЗАГИНЕ
    или да биде ТЕШКО ПОВРЕДЕНО.
    BG: НИКОГА не използвайте
    детска седалка, гледаща назад,
    върху седалка, която е защитена
    чрез АКТИВНА ВЪЗДУШНА
    ВЪЗГЛАВНИЦА пред нея - може да
    се стигне до СМЪРТ или
    СЕРИОЗНО НАРАНЯВАНЕ на
    ДЕТЕТО.
    RO: Nu utilizaţi NICIODATĂ un scaun
    pentru copil îndreptat spre partea din
    spate a maşinii pe un scaun protejat
    de un AIRBAG ACTIV în faţa sa;
    acest lucru poate duce la DECESUL
    sau VĂTĂMAREA GRAVĂ a COPI‐
    LULUI.

    CS: NIKDY nepoužívejte dětský
    zádržný systém instalovaný proti
    směru jízdy na sedadle, které je chrá‐
    něno před sedadlem AKTIVNÍM AIR‐
    BAGEM. Mohlo by dojít k VÁŽNÉMU
    PORANĚNÍ nebo ÚMRTÍ DÍTĚTE.
    SK: NIKDY nepoužívajte detskú se‐
    dačku otočenú vzad na sedadle chrá‐
    nenom AKTÍVNYM AIRBAGOM, pre‐
    tože môže dôjsť k SMRTI alebo VÁŽ‐
    NYM ZRANENIAM DIEŤAŤA.
    LT: JOKIU BŪDU nemontuokite atgal
    atgręžtos vaiko tvirtinimo sistemos
    sėdynėje, prieš kurią įrengta AKTYVI
    ORO PAGALVĖ, nes VAIKAS GALI
    ŽŪTI arba RIMTAI SUSIŽALOTI.
    LV: NEKĀDĀ GADĪJUMĀ neizmanto‐
    jiet uz aizmuguri vērstu bērnu sēde‐
    klīti sēdvietā, kas tiek aizsargāta ar
    tās priekšā uzstādītu AKTĪVU DRO‐
    ŠĪBAS SPILVENU, jo pretējā gadī‐
    jumā BĒRNS var gūt SMAGAS
    TRAUMAS vai IET BOJĀ.



  • Page 49

    Stoelen, veiligheidssystemen
    ET: ÄRGE kasutage tahapoole suu‐
    natud lapseturvaistet istmel, mille ees
    on AKTIIVSE TURVAPADJAGA kait‐
    stud iste, sest see võib põhjustada
    LAPSE SURMA või TÕSISE VIGAS‐
    TUSE.
    Gebruik afgezien van de waarschu‐
    wing conform ECE R94.02 omwille
    van de veiligheid nooit een kindervei‐
    ligheidssysteem op de passagiers‐
    stoel met actieve frontairbag.
    Airbag deactiveren 3 49.

    Frontaal airbagsysteem
    Het frontale airbagsysteem bestaat
    uit een airbag in het stuurwiel en een
    airbag in het instrumentenpaneel aan
    de passagierszijde. Deze zijn te her‐
    kennen aan het opschrift AIRBAG.
    Het frontaal airbagsysteem treedt in
    werking bij een voldoende krachtige
    aanrijding. Het contact moet inge‐
    schakeld zijn.

    47

    Veiligheidsgordel correct omleg‐
    gen en goed vastzetten. Alleen
    dan kan de airbag bescherming
    bieden.

    Zijdelings airbagsysteem

    De voorwaartse beweging van de
    voorste inzittenden wordt gedempt,
    waardoor het gevaar voor letsel aan
    het bovenlichaam en het hoofd aan‐
    zienlijk afneemt.

    9 Waarschuwing
    Alleen bij een correcte zitpositie is
    optimale bescherming mogelijk
    3 37.
    Lichaamsdelen of voorwerpen uit
    het werkingsgebied van de airbag
    houden.

    Het zijdelingse airbagsysteem be‐
    staat uit airbags in de rugleuningen
    van de beide voorstoelen.
    Ze zijn te herkennen aan het opschrift
    AIRBAG.
    Het zijdelings airbagsysteem treedt in
    werking bij een voldoende krachtige
    aanrijding. Het contact moet inge‐
    schakeld zijn.



  • Page 50

    48

    Stoelen, veiligheidssystemen
    9 Waarschuwing

    De kans op letsel aan het bovenli‐
    chaam en de heupen bij een zijde‐
    lingse aanrijding wordt aanzienlijk
    verminderd.

    Kinderen die te dicht bij de zij-air‐
    bags zitten, kunnen bij het inwer‐
    kingtreden ervan ernstig letsel op‐
    lopen. Dit geldt met name wan‐
    neer het hoofd, de hals of de borst
    van het kind zich op dat moment in
    de nabijheid van de airbag bevin‐
    den.
    Laat een kind nooit tegen het por‐
    tier of in de nabijheid van de zijair‐
    bag-module leunen.

    De hoofdairbags bestaan uit een air‐
    bag aan weerskanten in het dak‐
    frame. Ze zijn te herkennen aan het
    opschrift AIRBAG op de dakstijlen.
    Het gordijnairbagsysteem treedt in
    werking bij een voldoende krachtige
    aanrijding. Het contact moet inge‐
    schakeld zijn.

    Gordijnairbagsysteem

    9 Waarschuwing
    Lichaamsdelen of voorwerpen uit
    het werkingsgebied van de airbag
    houden.
    Let op
    Op de voorstoelen alleen stoelhoe‐
    zen gebruiken die voor de auto zijn
    goedgekeurd. De airbags niet afdek‐
    ken.

    De kans op hoofdletsel bij een zijde‐
    lingse aanrijding wordt aanzienlijk
    verminderd.



  • Page 51

    Stoelen, veiligheidssystemen

    Gebruik de contactsleutel om de po‐
    sitie te kiezen:
    c = airbag van voorpassagier is
    gedeactiveerd en gaat niet af
    bij een aanrijding. De controle‐
    lamp c brandt continu. Het is
    mogelijk een kinderveiligheids‐
    systeem te monteren zoals
    aangegeven in de tabel.
    d = airbag van voorpassagier is
    actief. U mag geen kindervei‐
    ligheidssystemen plaatsen.

    9 Waarschuwing
    Lichaamsdelen of voorwerpen uit
    het werkingsgebied van de airbag
    houden.
    De haken aan de handgrepen van
    het dakframe zijn alleen geschikt
    om lichte kledingstukken, zonder
    kleerhangers, aan op te hangen.
    Geen voorwerpen in de kleding‐
    stukken bewaren.

    Airbag deactiveren
    Wanneer u een kindveiligheidssys‐
    teem op de voorstoel gebruikt, moet
    u het airbagsysteem van de passa‐
    gier deactiveren. Het zijairbag- en het
    gordijnairbagsysteem, de gordel‐
    spanners en alle airbagsystemen van
    de bestuurder blijven actief.

    49

    U deactiveert het airbagsysteem van
    de voorpassagier met een slot aan de
    zijkant van het instrumentenpaneel,
    zichtbaar bij een geopend passa‐
    giersportier.

    9 Waarschuwing
    Deactiveer het passagiersairbag‐
    systeem als er zich een kind op de
    passagiersstoel bevindt.
    Activeer het passagiersairbagsys‐
    teem als er zich een volwassene
    op de passagiersstoel bevindt.

    Zolang de controlelamp c niet
    brandt, zal het airbagsysteem van de
    passagiersstoel afgaan bij een aan‐
    rijding.



  • Page 52

    50

    Stoelen, veiligheidssystemen

    Verander de status alleen tijdens stil‐
    stand terwijl het contact is uitgescha‐
    keld.
    Status blijft actief tot de volgende ver‐
    andering.
    Controlelamp airbag-deactivering
    3 78.

    Kinderveiligheidssyste‐
    men
    Wij adviseren GM-kinderzitjes die
    speciaal voor deze auto zijn aange‐
    past.
    Wanneer u een kinderveiligheidssys‐
    teem gebruikt, moet u de gebruikersen montagehandleiding én de instruc‐
    ties bij het kinderveiligheidssysteem
    opvolgen.
    Houd u altijd aan de plaatselijke of
    landelijke voorschriften. In sommige
    landen is het gebruik van kindervei‐
    ligheidssystemen op bepaalde zit‐
    plaatsen verboden.

    9 Waarschuwing
    Wanneer u een kinderveiligheids‐
    systeem op de passagiersstoel
    gebruikt, moeten de airbagsyste‐
    men voor de passagiersstoel zijn
    gedeactiveerd; anders kan het
    kind dodelijk gewond raken wan‐
    neer de airbags afgaan.

    Dit geldt vooral wanneer u achter‐
    waarts gerichte kinderveiligheids‐
    systemen op de passagiersstoel
    gebruikt.
    Airbag deactiveren 3 49.
    Airbaglabel 3 43.

    Juiste systeem selecteren

    De achterbank is de beste plaats om
    een kinderzitje vast te maken.
    Kinderen zo lang mogelijk tegen de
    rijrichting in vervoeren. Hierdoor
    wordt de nog erg zwakke ruggengraat
    van het kind bij een ongeval minder
    belast.
    Kinderen tot een leeftijd van 12 jaar
    en met een lichaamslengte tot
    150 cm uitsluitend in een geschikt kin‐
    derveiligheidssysteem vervoeren.
    Geschikt zijn veiligheidssystemen die
    voldoen aan de geldende UN ECEregelgeving. Aangezien het bij kinde‐
    ren kleiner dan 150 cm zelden moge‐
    lijk is een gordel goed om te doen, ra‐
    den wij ten zeerste aan een geschikt



  • Page 53

    Stoelen, veiligheidssystemen
    kinderveiligheidssysteem te gebrui‐
    ken, zelfs als dit vanwege de leeftijd
    van het kind niet meer wettelijk ver‐
    plicht is.
    Raadpleeg de plaatselijke wetgeving
    en richtlijnen voor het verplichte ge‐
    bruik van kinderveiligheidssystemen.
    Draag het kind nooit wanneer u in een
    auto rijdt. Het kind wordt tijdens een
    aanrijding te zwaar om vast te hou‐
    den.
    Bij vervoer van kinderen uitsluitend
    het geschikte kinderveiligheidssys‐
    teem, afhankelijk van het lichaams‐
    gewicht, gebruiken.
    Het kinderveiligheidssysteem dat u
    gaat monteren, moet geschikt zijn
    voor het autotype.
    Het kinderveiligheidssysteem moet
    op de correcte positie in de auto wor‐
    den gemonteerd, zie de onder‐
    staande tabellen.
    Laat kinderen alleen aan de trottoir‐
    kant van de auto uit- en instappen.

    Wanneer het kinderveiligheidssys‐
    teem niet wordt gebruikt, moet u vast‐
    zetten met een veiligheidsgordel of
    verwijderen.
    Let op
    Kinderveiligheidssystemen niet be‐
    plakken of met andere materialen af‐
    dekken.
    Een kinderveiligheidssysteem dat
    tijdens een aanrijding werd belast
    moet worden vervangen.
    Laat jeugdigen en kinderen op kin‐
    derzitjes achterin plaatsnemen.
    Kies totdat ze veiligheidsgordels
    kunnen gebruiken een kinderzitje
    dat bij de leeftijd past en zet het kind
    er goed in vast. Raadpleeg de in‐
    structies op de betreffende produc‐
    ten voor kinderzitjes.

    51



  • Page 54

    52

    Stoelen, veiligheidssystemen

    Inbouwposities kinderveiligheidssystemen
    Toegestane mogelijkheden voor de bevestiging van een kinderveiligheidssysteem
    Op passagiersstoel
    Op buitenste zitplaatsen Op middelste zitplaats
    Gewichts- of leeftijdsgroep geactiveerde airbag gedeactiveerde airbag achterin
    achterin
    Groep 0: tot 10 kg
    of ca. 10 maanden

    X

    U1

    U

    U

    Groep 0+: tot 13 kg
    of ca. 2 jaar

    X

    U1

    U

    U

    Groep I: 9 tot 18 kg
    X
    of ca. 8 maanden tot 4 jaar

    U1

    U

    U

    Groep II: 15 tot 25 kg
    of ca. 3 tot 7 jaar

    X

    X

    U

    U

    Groep III: 22 tot 36 kg
    of ca. 6 tot 12 jaar

    X

    X

    U

    U

    = Als het kinderveiligheidssysteem wordt vastgemaakt met een driepuntsgordel moet u ervoor zorgen dat de veilig‐
    heidsgordel van de auto voorwaarts wegloopt van het verankeringspunt.
    U = Universeel bruikbaar in combinatie met een driepuntsveiligheidsgordel.
    X = Kinderveiligheidssystemen zijn in deze gewichtsgroep niet toegestaan.
    1



  • Page 55

    Stoelen, veiligheidssystemen

    53

    Toegestane mogelijkheden voor de bevestiging van een ISOFIX-kinderveiligheidssysteem
    Gewichtsklasse

    Op buitenste zitplaatsen
    Maatklasse Bevestiging Op passagiersstoel achterin

    Op middelste zitplaats
    achterin

    Groep 0: tot 10 kg

    E

    ISO/R1

    X

    IL

    X

    Groep 0+: tot 13 kg

    E

    ISO/R1

    X

    IL

    X

    D

    ISO/R2

    X

    IL

    X

    C

    ISO/R3

    X

    IL1)

    X

    D

    ISO/R2

    X

    IL

    X

    C

    ISO/R3

    X

    IL1)

    X

    B

    ISO/F2

    X

    IL, IUF

    X

    B1

    ISO/F2X

    X

    IL, IUF

    X

    A

    ISO/F3

    X

    IL, IUF

    X

    Groep II: 15 tot 25 kg
    of ca. 3 tot 7 jaar

    X

    IL

    X

    Groep III: 22 tot 36 kg
    of ca. 6 tot 12 jaar

    X

    IL

    X

    Groep I: 9 tot 18 kg

    1)

    IL

    Voorste passagiersstoel helemaal naar voren schuiven of zo ver dat het kinderveiligheidssysteem niet tegen de rugleuning van de voorstoel aankomt.

    = Geschikt voor bepaalde ISOFIX-veiligheidssystemen uit de categorieën "specifieke auto", "beperkt" of
    "semi-universeel". Het ISOFIX-veiligheidssysteem moet goedgekeurd zijn voor het specifieke autotype.
    IUF = Geschikt voor voorwaarts gerichte ISOFIX-kinderveiligheidssystemen uit de universele categorie, goedgekeurd voor
    deze gewichtsklasse.
    X = Geen ISOFIX-kinderveiligheidssysteem goedgekeurd voor deze gewichtsklasse.



  • Page 56

    54

    Stoelen, veiligheidssystemen

    ISOFIX-maatklasse en zitgelegenheid

    A - ISO/F3

    B - ISO/F2
    B1 - ISO/F2X
    C - ISO/R3
    D - ISO/R2
    E - ISO/R1

    = In rijrichting geplaatst kinderveiligheidssysteem voor kinderen met maximumlengte in de gewichtsklasse
    9 tot 18 kg.
    = In rijrichting geplaatst kinderveiligheidssysteem voor kleinere kinderen in de gewichtsklasse
    9 tot 18 kg.
    = In rijrichting geplaatst kinderveiligheidssysteem voor kleinere kinderen in de gewichtsklasse
    9 tot 18 kg.
    = Achterwaarts gericht kinderveiligheidssysteem voor kinderen met max. lengte in de gewichtsklasse tot
    18 kg.
    = Achterwaarts gericht kinderveiligheidssysteem voor kleinere kinderen in de gewichtsklasse tot 18 kg.
    = Achterwaarts gericht kinderveiligheidssysteem voor jonge kinderen in de gewichtsklasse tot 13 kg.



  • Page 57

    Stoelen, veiligheidssystemen

    ISOFIXkinderveiligheidssystemen

    In het verleden werden kinderzitjes
    met de veiligheidsgordels van de auto
    op een zitplaats vastgemaakt. Als ge‐
    volg hiervan werden kinderzitjes vaak
    onjuist of niet stevig genoeg beves‐
    tigd om het kind een goede bescher‐
    ming te bieden.
    Wij hebben uw auto uitgerust met
    lage ISOFIX verankeringspunten bij
    de twee buitenste zitplaatsen op de
    achterbank en met Top-tether veran‐
    keringspunten in de achterbankru‐

    gleuning (notchback-achterkant van
    hoofdsteunen / hatchback-achterop
    achterbankrugleuningpanelen) waar‐
    aan u kinderzitjes op de achterbank
    kunt vastmaken.
    Voor het installeren van een kinderzi‐
    tje dat uitgerust is met onderaan
    ISOFIX en Top-tether-verankerings‐
    bevestigingen, volgt u de instructies
    die bij het kinderzitje worden gele‐
    verd.
    Lees en volg alle aanwijzingen op de
    volgende bladzijden en die van de fa‐
    brikant van het kinderzitje zorgvuldig.
    De veiligheid van uw kind is hiervan
    afhankelijk!
    Contacteer de fabrikant van het kin‐
    derzitje als u vragen hebt of twijfelt of
    u het kinderveiligheidssysteem juist
    hebt geplaatst. Als u nog steeds pro‐
    blemen hebt met het installeren van
    het kinderveiligheidssysteem in uw
    auto, raden we aan een erkende
    werkplaats te raadplegen.

    55

    Installatie van ISOFIX-kinderzitjes:
    1. Selecteer voor het bevestigen van
    het kinderzitje een van de buiten‐
    ste zitplaatsen van de achter‐
    bank.

    2. Zoek de twee onderste veranke‐
    ringspunten. De plaats van de on‐
    derste bevestigingspunten wordt
    aangegeven door een cirkelvor‐
    mige markering aan de onderkant
    van de achterbankleuning.
    3. Zorg ervoor dat er zich geen
    vreemde voorwerpen in de buurt
    van de lagere bevestigingspunten
    bevinden, ook geen gespen van



  • Page 58

    56

    Stoelen, veiligheidssystemen

    veiligheidsgordels of veiligheids‐
    gordels. Vreemde voorwerpen
    kunnen de juiste bevestiging van
    het kinderzitje aan de veranke‐
    ringspunten in de weg staan.
    4. Plaats het kinderzitje in de stoel
    boven de twee onderste veranke‐
    ringen en bevestig het aan de ver‐
    ankeringen volgens de instructies
    die bij het kinderzitje worden ge‐
    leverd.
    5. Verstel het kinderzitje en zet het
    vast volgens de aanwijzingen van
    de fabrikant van de kinderzitje.

    Voorzichtig
    Ongebruikte kinderzitjes kunnen
    naar voren bewegen.
    Verwijder ongebruikte kinderzitjes
    of zet deze vast met de veilig‐
    heidsgordel.

    Let op
    Omdat een veiligheidsgordel of een
    kinderzitje zeer heet kunnen worden
    in een afgesloten auto, dient u be‐
    kleding en gespen te controleren
    voordat u een kind in het zitje plaatst.

    zespuntveiligheidsgordels of an‐
    dere voorwerpen in uw auto zal
    geen adequate bescherming bie‐
    den in het geval van een aanrijding
    en kan resulteren in (fataal) letsel.

    9 Waarschuwing

    9 Waarschuwing

    Gebruik alle ISOFIX onderste en
    bovenste tuiverankeringen alleen
    voor hun beoogde doel.
    ISOFIX onderste en bovenste tui‐
    verankeringen zijn alleen ontwor‐
    pen om kinderzitjes aan te beves‐
    tigen die voorzien zijn van boven‐
    ste en onderste tuiverankerings‐
    bevestigingen.
    Gebruik ISOFIX onderste en bo‐
    venste tuiverankeringen niet om
    veiligheidsgordels voor volwasse‐
    nen, zespuntsveiligheidsgordels
    of andere voorwerpen in uw auto.
    Het gebruik van ISOFIX onderste
    en bovenste tuiverankeringen
    voor het bevestigen van veilig‐
    heidsgordels voor volwassenen,

    Een kinderzitje dat op de voorstoel
    wordt geplaatst, kan ernstig of fa‐
    taal letsel veroorzaken.
    Plaats een kinderzitje dat tegen de
    rijrichting in moet worden ge‐
    plaatst, nooit op de voorstoel die
    voorzien is van een frontairbag.
    Een kind in een kinderzitje dat te‐
    gen de rijrichting in geplaatst moet
    worden dat gemonteerd is op de
    voorstoel kan ernstig gewond ra‐
    ken wanneer de airbag voor de
    voorpassagier wordt geactiveerd.
    Plaats een kinderzitje dat tegen de
    rijrichting in geplaatst moet wor‐
    den op de achterbank.



  • Page 59

    Stoelen, veiligheidssystemen
    Een naar voren gericht kinderzitje
    moet, waar mogelijk, altijd op de
    achterbank worden vastgemaakt.
    Indien het op de passagiersvoor‐
    stoel wordt bevestigd, zet u de
    stoel zover mogelijk naar ach‐
    teren.

    Top-Tetherbevestigingsogen

    Voorzichtig
    Grote kinderzitjes met de kijkrich‐
    ting naar achteren kunnen moge‐
    lijk niet worden geplaatst. Neem
    contact op met het verkooppunt
    voor informatie over geschikte kin‐
    derzitjes.
    Montage van kinderzitjes met
    ISOFIX-bevestigingen voor on‐
    derste en bovenste tuiverankerin‐
    gen.

    <Notchback>

    57

    <Hatchback>
    Om de Top-tether-verankeringen te
    bereiken, doet u het volgende:
    1. Verwijder rondom de top-tether
    bevestigingsogen eventueel daar
    niet thuis horende voorwerpen.
    Notchback: Open het kapje en
    trek de verankering omhoog.
    Hatchback: Verwijder de bagage‐
    ruimte-afdekking.
    2. Bevestig de klem aan de band van
    het kinderzitje aan de Top-tetherverankering, en zorg er daarbij
    voor dat de band niet gedraaid is.
    Wanneer de zitplaats die u ge‐
    bruikt, voorzien is van een instel‐
    bare hoofdsteun, en u maakt ge‐
    bruik van een dubbele tui, leidt de
    tui dan rond de hoofdsteun.
    Wanneer de zitplaats die u ge‐
    bruikt, voorzien is van een instel‐
    bare hoofdsteun en u gebruikt een
    enkelvoudige tui, brengt u de
    hoofdsteun omhoog en leidt u de
    tui onder de hoofdsteun door tus‐
    sen de stangen van de hoofd‐
    steun.



  • Page 60

    58

    Stoelen, veiligheidssystemen

    3. Trek de tuiband van het kinderzi‐
    tje strak volgens de aanwijzingen
    die bij het kinderzitje worden ge‐
    leverd.
    4. Probeer het kinderzitje na het
    plaatsen heen en weer te bewe‐
    gen om er zeker van zijn dat het
    kinderzitje goed vastzit.

    <Hatchback>

    9 Waarschuwing

    <Notchback>

    Controleer of de klem aan de tui‐
    band van het kinderzitje op de
    juiste wijze is bevestigd aan de bo‐
    venste tuiverankering.
    Door een onjuiste bevestiging kan
    de tuiband en de bovenste tuiver‐
    ankering ineffectief zijn.



  • Page 61

    Opbergen

    Opbergen
    Opbergruimten ............................. 59
    Bagageruimte .............................. 62
    Beladingsinformatie ..................... 65

    Opbergruimten
    9 Waarschuwing
    Berg geen zware of scherpe ob‐
    jecten in de opbergruimten op. An‐
    ders kan de klep van de opberg‐
    ruimte open gaan en kunnen de
    inzittenden bij krachtig remmen,
    plotseling afslaan of een ongeval
    letsel door rondslingerende voor‐
    werpen oplopen.

    59

    Opbergvakken
    instrumentenpaneel
    Opbergvak instrumentenpaneel



  • Page 62

    60

    Opbergen
    Het bergvak bovenaan het hand‐
    schoenenkastje is uitgerust met AUXen USB-aansluitingen etc.
    Infotainmentsysteem 3 138.

    Handschoenenkastje

    De bergvakken zijn ondergebracht in
    het dashboard. Ze worden gebruikt
    voor o.a. kleine voorwerpen.

    Om te openen aan de handgreep
    trekken.

    9 Waarschuwing
    Houd de klep van het dashboard‐
    kastje onderweg altijd dicht om de
    kans op letsel bij een ongeval of
    een noodstop terug te brengen.

    Bekerhouders



  • Page 63

    Opbergen
    De bekerhouders bevinden zich in de
    centrale console en in het achterste
    gedeelte van de middenconsole.

    Zonnebrilhouder

    61

    Opbergvak onder
    passagiersstoel

    9 Waarschuwing
    Plaats geen onbedekte bekers
    met hete vloeistof in de bekerhou‐
    der terwijl het voertuig in beweging
    is. Als de hete vloeistof wordt ge‐
    morst, kunt u brandwonden oplo‐
    pen. Mocht dit bij de bestuurder
    gebeuren, dan kan deze de con‐
    trole over het voertuig verliezen.
    Om het risico van persoonlijk letsel
    in het geval van een noodstop of
    een botsing te verkleinen, dient u
    geen open of onbeveiligde fles‐
    sen, glazen, blikjes enz. in de be‐
    kerhouder te plaatsen terwijl de
    auto rijdt.

    Neerklappen en openen.

    Voorzichtig
    Niet gebruiken voor het opbergen
    van zware voorwerpen.

    Om de onderplaat van de passagiers‐
    stoel vooraan te gebruiken, trek u aan
    het uiteinde van de plaat en trek u ze
    naar het instrumentenpaneel toe.
    Duw de plaat in de richting van de
    stoel om ze in de oorspronkelijke po‐
    sitie terug te zetten.



  • Page 64

    62

    Opbergen

    Bagageruimte
    Achterste rugleuningen
    neerklappen
    9 Waarschuwing
    Stapel bagage niet hoger op dan
    tot de bovenzijde van de voorstoe‐
    len.
    Laat tijdens het rijden geen pas‐
    sagiers plaatsnemen op een neer‐
    geklapte rugleuning.
    Passagiers die geen gebruik ma‐
    ken van de veiligheidsgordels en
    losliggende bagage kunnen bij
    een plotselinge remactie of aanrij‐
    ding door het interieur of uit de
    auto worden geslingerd. Dit kan
    ernstig of zelfs dodelijk letsel tot
    gevolg hebben.
    Om de achterbankleuning geschei‐
    den neer te klappen:

    Let op
    Het omklappen van een achterbank
    terwijl de veiligheidsgordels nog ver‐
    grendeld zijn, kan schade aan de zit‐
    plaats of de veiligheidsgordels ver‐
    oorzaken. Altijd de veiligheidsgor‐
    dels los maken en deze laten terug‐
    keren naar de normale opbergposi‐
    tie voordat u de achterbank omklapt.
    1. Duw de hoofdsteunen omlaag
    door de vergrendeling in te druk‐
    ken.
    Let op
    Om voldoende ruimte te hebben
    voor de omgang met de achterbank‐
    zitting, schuift u de voorstoel naar
    voren en zet u de rugleuning van de
    voorstoel rechtop.

    2. Trek aan de ontgrendelingshen‐
    del aan de bovenkant van de ach‐
    terbankrugleuning en klap deze
    naar voren en omlaag.



  • Page 65

    Opbergen
    3. Steek de gordels van de buitenste
    zitplaatsen in de gordelgeleiders.
    Om de achterbankrugleuning terug te
    zetten in de oorspronkelijke positie,
    trekt u de veiligheidsgordel uit de gor‐
    delgeleiders en haalt u de achter‐
    bankrugleuning omhoog.
    Druk de achterbankrugleuning stevig
    op zijn plaats.
    Controleer of de veiligheidsgordels
    niet klem raken door de verankering.
    De middelste veiligheidsgordel op de
    achterbank kan zich vergrendelen als
    u de achterbankrugleuning omhoog
    haalt. Als dat gebeurt, laat de gordel‐
    band dan helemaal terugrollen en be‐
    gin opnieuw.
    Als u de zitting van de achterbank
    weer terug wilt plaatsen, zet dan de
    achterzijde van de zitting in zijn oor‐
    spronkelijke stand en zorg ervoor dat
    de lussen van de veiligheidsgordel
    niet gedraaid of onder de zitting ge‐
    klemd zijn; druk vervolgens de voor‐
    zijde van de zitting stevig naar bene‐
    den tot deze vergrendelt.

    63

    Voorzichtig

    Voorzichtig

    Zet de veiligheidsgordel en ges‐
    pen tussen de rugleuning en één
    van de kussens bij het terugklap‐
    pen van de rugleuning van de ach‐
    terbank. Let erop dat de gordels
    en de gespen niet onder een ach‐
    terbankkussen klem komen te zit‐
    ten.
    Zorg ervoor dat de veiligheidsgor‐
    dels niet gedraaid of beklemd ra‐
    ken in de rugleuning en in hun
    juiste positie geplaatst zijn.

    Het omklappen van een achter‐
    bank terwijl de veiligheidsgordels
    nog vergrendeld zijn, kan schade
    aan de zitplaats of de veiligheids‐
    gordels veroorzaken.
    Altijd de veiligheidsgordels los ma‐
    ken en deze laten terugkeren naar
    de normale opbergpositie voordat
    u de achterbank omklapt.

    9 Waarschuwing
    Controleer of de rugleuningen ge‐
    heel teruggezet en vergrendeld
    zijn voordat u passagiers op de
    achterbank vervoert.
    Trek niet aan de ontgrendelhen‐
    dels bovenop de achterbankleu‐
    ning tijdens het rijden.
    Dit kan letsel of schade veroorza‐
    ken bij de passagiers achterin.

    9 Waarschuwing
    Laat passagiers nooit bovenop de
    omgeklapte rugleuning van de
    achterbank zitten terwijl de auto
    rijdt, omdat dit niet de juiste zitpo‐
    sitie is en er geen veiligheidsgor‐
    dels zijn die ze kunnen gebruiken.
    Dit kan resulteren in ernstig of fa‐
    taal letsel in het geval van een on‐
    geval of een noodstop.
    Voorwerpen die bovenop een om‐
    geklapte rugleuning worden ge‐
    plaatst, mogen niet hoger zijn dan



  • Page 66

    64

    Opbergen

    de bovenkant van de voorstoelen.
    De vracht kan tijdens plotselinge
    remacties naar voren schuiven en
    letsel of beschadigingen veroorza‐
    ken.

    oorzaken en ontstaat mogelijk slij‐
    tage door aanraking met de achter‐
    bank.

    Gevarendriehoek

    Bagageruimte-afdekking

    Wanneer de bagageruimte-afdekking
    zich in de bovenste positie bevindt,
    plaats deze dan op de juiste plek.
    Let op
    Wanneer u de bagageruimte-afdek‐
    king op een verkeerde plek plaatst,
    kan deze een ratelend geluid ver‐

    De gevarendriehoek kan met beide
    rubberen riemen worden weggebor‐
    gen in de bekleding in de bagage‐
    ruimte.
    Verwijder de gevarendriehoek wan‐
    neer u de vloermat in de bagage‐
    ruimte omhoog haalt om gereed‐
    schap te gebruiken. Zet de riemen
    vast voordat u de bagageruimtevloer‐
    mat teruglegt.

    Let op
    Bij dit voertuig is geen gevarendrie‐
    hoek meegeleverd.



  • Page 67

    Opbergen

    Beladingsinformatie
    ■ Zware voorwerpen in de bagage‐
    ruimte tegen de rugleuningen leg‐
    gen. Controleren of de rugleunin‐
    gen naar behoren zijn vergrendeld.
    Bij stapelbare voorwerpen de
    zwaarste voorwerpen onderop leg‐
    gen.
    ■ Losse voorwerpen in de bagage‐
    ruimte vastzetten om verschuiven
    tegen te gaan.
    ■ Bij het vervoeren van voorwerpen
    in de bagageruimte mogen de rug‐
    leuningen van de achterbank niet
    schuin naar voren geklapt zijn.
    ■ Bagage niet boven de rugleuningen
    laten uitsteken.
    ■ Niets op de hoedenplank of op het
    instrumentenpaneel leggen en de
    sensor boven op het instrumenten‐
    paneel niet afdekken.
    ■ De bagage mag de bediening van
    pedalen, handrem, schakelhef‐
    boom en de bewegingsvrijheid van

    de bestuurder niet belemmeren.
    Geen losse voorwerpen in het inte‐
    rieur leggen.
    ■ Rijd niet met een open achterklep
    (of kofferdeksel).
    ■ Het nuttig draagvermogen is het
    verschil tussen het maximaal toe‐
    laatbare totaalgewicht van de auto
    (zie typeplaatje 3 264) en het leeg‐
    gewicht van de auto. Raadpleeg
    het hoofdstuk met de technische
    gegevens voor details over het
    leeggewicht.
    Het leeggewicht omvat ook het ge‐
    wicht van de bestuurder (68 kg), de
    bagage (7 kg) en alle vloeistoffen
    (tank voor 90 % gevuld).
    Extra uitrusting en accessoires ver‐
    hogen het leeggewicht.
    ■ Rijden met daklading verhoogt de
    zijwindgevoeligheid van de auto en
    verslechtert het rijgedrag door het
    hogere zwaartepunt. Lading gelijk‐
    matig verdelen en goed met span‐
    banden vastzetten. Bandenspan‐
    ning en rijsnelheid aan de bela‐

    65

    dingstoestand aanpassen. Span‐
    banden regelmatig controleren en
    bijspannen.



  • Page 68

    66

    Instrumenten en bedieningsorganen

    Instrumenten en
    bedieningsorganen

    Bedieningsorganen
    Stuurwielverstelling

    versteld wordt, of wanneer de hen‐
    del geblokkeerd is, kan dit schade
    veroorzaken aan onderdelen van
    het stuurwiel.

    Stuurbedieningsknoppen

    Bedieningsorganen ...................... 66
    Waarschuwingslampen, meters
    en controlelampen ....................... 73
    Informatiedisplays ........................ 83
    Boordinformatie ........................... 87
    Tripcomputer ................................ 88
    Persoonlijke instellingen .............. 90

    Hendel omlaagbewegen, stuurwiel
    instellen, hendel omhoogbewegen en
    vergrendelen.
    Stuurwiel uitsluitend bij stilstaande
    auto verstellen.

    Voorzichtig
    Wanneer een harde klap wordt ge‐
    geven op de axiale richting van de
    stuurkolom terwijl het stuurwiel

    U kunt het infotainment-systeem en
    de cruise control bedienen via de
    knoppen op het stuurwiel.
    Infotainmentsysteem 3 103, Cruise
    control 3 186.



  • Page 69

    Instrumenten en bedieningsorganen

    Claxon

    Wis-/wasinstallatie voorruit
    Voorruitwissers

    67

    Automatische wisfunctie met
    regensensor
    De regensensor registreert de hoe‐
    veelheid neerslag op de voorruit en
    stuurt automatisch de wissnelheid
    van de voorruitwisser aan.
    Mist-functie
    Om de ruitenwissers bij mist of mot‐
    regen één slag te laten maken, drukt
    u de ruitenwisserschakelaar iets om‐
    laag en laat u deze vervolgens weer
    los. De schakelaar keert automatisch
    terug naar diens ruststand. De ruiten‐
    wissers zullen één slag maken.

    j indrukken.
    Zet het contact aan en beweeg de rui‐
    tenwisser/sproeierschakelaar om‐
    hoog om de ruitenwissers in te scha‐
    kelen.
    2 = Continu wissen, hoge snelheid.
    1 = Continu wissen met lage snel‐
    heid.
    P = Intervalstand.
    § = Systeem uit.
    Q = Mist-functie.

    Voorzichtig
    Een verminderd zicht verhoogt de
    kans op ongevallen en kan zo‐
    doende persoonlijk letsel en
    schade aan de auto of andere
    goederen tot gevolg hebben.
    Zet de ruitenwisser van de voorruit
    niet aan als de ruit droog is of als
    de ruitenwisser geblokkeerd is
    door sneeuw of ijs. Het gebruik
    van de ruitenwissers onder deze



  • Page 70

    68

    Instrumenten en bedieningsorganen

    omstandigheden kan schade aan
    het wisserblad, het ruitenwisser‐
    mechanisme, de ruitenwissermo‐
    tor of de voorruit veroorzaken.
    Controleer of de wisserbladen niet
    aan de ruiten zijn vastgevroren, al‐
    vorens ze bij koud weer in te scha‐
    kelen. Als de wissers worden in‐
    geschakeld terwijl het wisserblad
    is vastgevroren, kan de wissermo‐
    tor beschadigd raken.

    Draai aan het stelwiel om het gewen‐
    ste wisinterval in te stellen:
    Korte interval = draai het stelwiel
    omhoog
    Lange interval = draai het stelwiel
    omlaag

    Voorruitsproeiers

    Voorzichtig
    Bedien de ruitensproeier niet lan‐
    ger dan enkele seconden achter
    elkaar. Gebruik hem niet wanneer
    de sproeiertank leeg is. Op deze
    manier kan de sproeiermotor over‐
    verhit raken, met dure reparaties
    tot gevolg.

    9 Waarschuwing

    Instelbaar wisinterval

    Hendel naar u toe trekken. Sproeier‐
    vloeistof wordt tegen de voorruit ge‐
    spoten en de wisser maakt enkele
    slagen.

    Gebruik de ruitensproeier voor de
    voorruit niet bij temperaturen on‐
    der het vriespunt. Als sproeier‐
    vloeistof en wissers bij vriesweer
    worden gebruikt, kan dit tot een
    ongeval leiden. De sproeiervloei‐
    stof kan namelijk bevriezen op een
    bevroren voorruit en uw zicht be‐
    lemmeren.



  • Page 71

    Instrumenten en bedieningsorganen

    Wis-/wasinstallatie
    achterruit
    Wis-/wasinstallatie achterruit
    (uitsluitend hatchback)

    U zet de wisser uit door de knop in de
    neutraalstand te drukken.
    Sproeier

    Wisser

    Om de achterruitwisser te bedienen,
    drukt u op de knop op het uiteinde van
    de hendel.
    Druk aan de bovenzijde van de knop
    om de wisser continu te gebruiken.
    Druk aan de onderzijde van de knop
    om de wisser met intervallen te ge‐
    bruiken.

    Druk de hendel naar het dashboard
    toe.
    Er wordt sproeiervloeistof op de ach‐
    terruit gespoten en de ruitenwisser
    maakt een paar slagen.

    69

    Voorzichtig
    Een verminderd zicht verhoogt de
    kans op ongevallen en kan zo‐
    doende persoonlijk letsel en
    schade aan de auto of andere
    goederen tot gevolg hebben.
    Zet de ruitenwisser van de achter‐
    ruit niet aan als de ruit droog is of
    als de ruitenwisser geblokkeerd is
    door sneeuw of ijs.
    Het gebruik van de ruitenwisser
    onder deze omstandigheden kan
    schade aan het wisserblad, het
    ruitenwissermechanisme, de rui‐
    tenwissermotor of de achterruit
    veroorzaken.
    Controleer bij koud weer of het
    blad niet tegen de ruit zit vastge‐
    vroren, alvorens de wisser in te
    schakelen. Dit om beschadigingen
    aan de wissermotor te voorkomen.
    Spuit bij vriesweer pas sproeier‐
    vloeistof op de achterruit als deze
    is opgewarmd.



  • Page 72

    70

    Instrumenten en bedieningsorganen

    Bij temperaturen onder het vries‐
    punt kan de ruitensproeiervloei‐
    stof op de ruit bevriezen, waardoor
    het zicht ernstig belemmerd kan
    worden.

    Klok

    Voorzichtig
    Bedien de ruitensproeier niet lan‐
    ger dan enkele seconden achter
    elkaar. Gebruik hem niet wanneer
    de sproeiertank leeg is. Op deze
    manier kan de sproeiermotor over‐
    verhit raken, met dure reparaties
    tot gevolg.

    De tijd en de datum worden getoond
    in het infotainmentdisplay.
    U kunt de tijd en datum zelf instellen.
    Infotainmentsysteem 3 113.

    Als de auto niet is uitgerust met een
    infotainmentsysteem, wordt de tijd
    aangegeven in de instrumenten‐
    groep.
    Om de tijd weer te geven, drukt u in
    de instrumentengroep op de terug‐
    stelknop.
    Om de tijd in te stellen, houdt u de te‐
    rugstelknop wat langer ingedrukt ter‐
    wijl de tijd wordt weergegeven.
    De weergave voor uren/minuten ver‐
    hogen: druk de terugstelknop kort in.
    De uren/minuten instellen: druk de te‐
    rugstelknop wat langer in.



  • Page 73

    Instrumenten en bedieningsorganen
    (Lang indrukken: langer dan
    2 seconden, Kort indrukken: korter
    dan 2 seconden).

    Elektrische aansluitingen

    De aansluiting wordt ook gedeacti‐
    veerd wanneer de accuspanning in
    de auto te laag is.

    Voorzichtig
    Sluit geen apparatuur aan die
    stroom levert, zoals elektrische
    laadapparatuur of accu's.
    Beschadig de aansluitcontacten
    niet door het gebruik van onge‐
    schikte stekkers.

    Aansteker

    Er zit een 12 V aansluitcontact in de
    middenconsole.
    Het maximaal opgenomen vermogen
    mag niet meer bedragen dan
    120 watt.
    Wanneer de ontsteking is uitgescha‐
    keld, zijn de stekkerdozen gedeacti‐
    veerd.

    71

    Om de aansteker te bedienen, draait
    u het contactslot in de stand ACC of
    ON en drukt u de aansteker volledig
    in.
    De aansteker zal automatisch naar
    buiten springen wanneer deze klaar
    is voor gebruik.

    Voorzichtig
    Oververhitting van de aansteker
    kan de gloeispiraal en de aanste‐
    ker zelf beschadigen.
    Druk niet op de aansteker terwijl
    deze wordt opgewarmd. De aan‐
    steker kan hierdoor oververhit ra‐
    ken.
    Het bedienen van een defecte
    aansteker kan gevaar opleveren.
    Als de verwarmde aansteker niet
    naar buiten komt, trek hem dan
    naar buiten en laat hem in een
    werkplaats repareren. Wij advise‐
    ren u contact op te nemen met een
    erkend reparatiebedrijf. Deze situ‐
    atie kan letsel en beschadigingen
    aan uw auto opleveren.



  • Page 74

    72

    Instrumenten en bedieningsorganen
    9 Waarschuwing

    Voorzichtig

    Voorzichtig

    Wanneer u de auto met een
    brandbare explosieve substantie,
    zoals een wegwerpaansteker,
    achterlaat in de auto in de zomer,
    kan dat exploderen en brand ver‐
    oorzaken als gevolg van de tem‐
    peratuurstijging in het passagiers‐
    compartiment en de bagage‐
    ruimte. Zorg ervoor dat er geen
    brandbare explosieve substanties
    in de auto worden achtergelaten of
    bewaard.

    De cilinder van een werkende
    aansteker kan erg warm worden.
    Raak de cilinder van de aansteker
    niet aan en houd kinderen uit de
    buurt van de sigarettenaansteker.
    Het hete metaal kan letsel en
    schade aan uw auto of andere za‐
    ken tot gevolg hebben.

    Sigaretten en andere rookwaren
    kunnen deze laten ontbranden.
    Stop geen papier of andere brand‐
    bare voorwerpen in de asbak.
    Een asbakbrandje kan leiden tot
    persoonlijk letsel of schade aan
    uw auto en andere eigendommen.

    Voorzichtig
    De aanstekerhouder mag alleen
    voor de aansteker worden ge‐
    bruikt. Als er andere 12 V adapters
    in de aanstekerhouder worden ge‐
    stoken, kan de zekering doorslaan
    of kan er een thermisch incident
    optreden.

    Asbakken

    De draagbare asbak kan in de beker‐
    houders worden geplaatst.
    Om de asbak te openen, tilt u het des‐
    kel van de asbak voorzichtig op. Sluit
    het deksel na gebruik stevig af.
    Om de asbak te legen, draait u het
    bovenste gedeelte van de asbak een
    beetje linksom en verwijdert u het.



  • Page 75

    Instrumenten en bedieningsorganen

    Waarschuwingslam‐
    pen, meters en
    controlelampen

    73

    Kilometerteller

    Snelheidsmeter

    Aanduiding van de rijsnelheid.

    De kilometerteller geeft de afgelegde
    afstand aan in kilometers of mijlen.
    Er is een onafhankelijk werkende
    dagteller die de door de auto afge‐
    legde afstand meet sinds de teller op
    nul werd gezet.

    Iedere keer dat u de knop in de in‐
    strumentengroep indrukt, verandert
    het display in de onderstaande volg‐
    orde:
    Kilometerteller ↔ dagteller
    Let op
    Als u de dagteller wilt terugstellen
    naar nul, drukt u de resetknop in de
    instrumentengroep enkele secon‐
    den in.



  • Page 76

    74

    Instrumenten en bedieningsorganen

    Toerenteller

    <Diesel>

    Brandstofmeter

    Weergave van het aantal omwente‐
    lingen per minuut.
    In elke versnelling zo veel mogelijk
    met een laag toerental rijden.

    Geeft het brandstofpeil in de tank
    aan.
    Tank nooit leegrijden.
    Door brandstofresten in de tank kan
    de hoeveelheid brandstof die kan
    worden bijgetankt kleiner zijn dan de
    gespecificeerde tankinhoud.
    De bewegingen van de brandstof in
    de tank kan ertoe leiden dat de aan‐
    wijzing van de meter enigszins vari‐
    eert tijdens remmen, accelereren en
    het nemen van een bocht.

    <Benzine>

    Voorzichtig
    Als de naald in de waarschuwings‐
    zone komt, betekent dit dat het
    maximaal toegestane toerental
    wordt overschreden. Dit vormt een
    risico voor de motor.



  • Page 77

    Instrumenten en bedieningsorganen
    9 Gevaar
    Voordat u gaat tanken, zet u de
    auto stil en schakelt u de motor uit.

    Versnellingsbakdisplay

    feitelijk aanwezig zijn in de auto, wij‐
    ken mogelijk iets af van de beschrij‐
    ving. Bij het inschakelen van het con‐
    tact lichten de meeste controlelam‐
    pen korte tijd op bij wijze van functie‐
    test.
    Betekenis kleuren controlelampen:
    rood
    = gevaar, belang‐
    rijke herinnering
    geel
    = waarschuwing,
    aanwijzing, storing
    groen, blauw, = inschakelbevesti‐
    wit
    ging
    De designs van de instrumenten‐
    groep kunnen afhankelijk van het mo‐
    del variëren.

    Dit geeft aan welke versnelling of
    transmissiemodus is geselecteerd.

    Controlelampen
    De beschreven controlelampen zijn
    niet in alle auto's aanwezig. Deze be‐
    schrijving geldt voor alle instrument‐
    uitvoeringen. De controlelampen die

    75



  • Page 78

    76

    Instrumenten en bedieningsorganen

    Controlelampen in de instrumentengroep (type A)



  • Page 79

    Instrumenten en bedieningsorganen
    Controlelampen in de instrumentengroep (type B)

    77



  • Page 80

    78

    Instrumenten en bedieningsorganen

    Richtingaanwijzer
    O knippert groen.

    Knippert

    Controlelamp knippert bij ingescha‐
    kelde richtingaanwijzer of alarmknip‐
    perlichten.

    Snel knipperen

    Storing in een richtingaanwijzer of de
    bijbehorende zekering.
    Gloeilamp vervangen 3 217, zeke‐
    ringen 3 223, richtingaanwijzers
    3 97.

    Gordelverklikker
    X van de bestuurdersstoel brandt of
    knippert rood.
    k van de passagiersstoel voorin
    brandt of knippert rood wanneer de
    stoel bezet is.
    Y voor zitplaatsen achterin
    brandt in het Driver Information Cen‐
    tre (DIC).

    Wanneer het contact ingeschakeld is,
    gaat de controlelamp branden en
    klinkt het geluidssignaal enkele se‐
    conden als herinnering om de veilig‐
    heidsgordels vast te maken.
    De lamp knippert totdat de veilig‐
    heidsgordel is aangegespt.
    Wanneer de veiligheidsgordel ook tij‐
    dens het rijden niet is aangegespt,
    zullen de lampen en de zoemer hun
    werking herhalen.
    Zodra de veiligheidsgordel is aange‐
    gespt, gaan de lampen en de zoemer
    uit.
    Driepuntsveiligheidsgordels 3 41.

    Airbag en gordelspanners
    v brandt rood.
    Bij het inschakelen van het contact
    brandt de controlelamp enkele secon‐
    den. Brandt deze niet, dooft deze niet
    na enkele seconden of gaat deze tij‐
    dens het rijden branden, dan is er een
    storing in de gordelspanners of in de
    airbags. De systemen treden bij een
    ongeval mogelijk niet in werking.

    Problemen met de auto of geacti‐
    veerde gordelspanners of airbags
    worden aangeduid door aanhoudend
    branden van v.

    9 Waarschuwing
    Oorzaak van de storing onmiddel‐
    lijk door een werkplaats laten ver‐
    helpen.
    Gordelspanners, airbagsysteem
    3 40, 3 43.

    Airbag-deactivering



  • Page 81

    Instrumenten en bedieningsorganen
    De controlelampen bevinden zich in
    het instrumentenpaneel.
    d voor de passagiersairbag voorin
    brandt.
    Wanneer de controlelamp brandt, is
    de passagiersairbag voorin geacti‐
    veerd en moet op de voorste passa‐
    giersstoel geen baby- of kinderzitje
    worden geïnstalleerd.
    c voor de passagiersairbag voorin
    brandt.
    Wanneer de controlelamp brandt, is
    de passagiersairbag voorin gedeacti‐
    veerd.
    Airbag deactiveren 3 49.

    Laadsysteem
    p brandt rood.
    Brandt na het inschakelen van het
    contact en dooft vlak na het aanslaan
    van de motor.

    Brandt bij een draaiende motor

    Stoppen, motor afzetten. Accu van de
    auto wordt niet geladen. Motorkoeling
    wordt mogelijk onderbroken. De hulp
    van een werkplaats inroepen.

    Storingsindicatielamp

    Boordinformatie 3 87.

    Z brandt geel.
    Brandt na het inschakelen van het
    contact en dooft vlak na het aanslaan
    van de motor.

    Rem- en
    koppelingssysteem

    Voorzichtig
    De controlelamp geeft aan dat uw
    auto een probleem heeft dat moet
    worden verholpen.
    Rijden met een brandende of knip‐
    perende storingsindicatielamp
    kan het emissieregelsysteem be‐
    schadigen en van invloed zijn op
    het brandstofverbruik en de rijei‐
    genschappen van uw auto.
    Wij adviseren u contact op te ne‐
    men met een erkend reparatiebe‐
    drijf.

    Service-indicatie
    g brandt wanneer de auto een on‐
    derhoudsbeurt nodig heeft.
    Laat de auto onmiddellijk bij een au‐
    towerkplaats controleren.

    79

    R brandt rood.
    Brandt wanneer de handrem is gelost
    en het remvloeistofpeil te laag is of als
    er sprake is van een storing in het
    remsysteem.
    Remvloeistof 3 212.

    9 Waarschuwing
    Rijd niet verder als het waarschu‐
    wingslampje voor het remsysteem
    brandt.
    Als het waarschuwingslampje
    voor het remsysteem brandt, duidt
    dat op een defect in het remsys‐
    teem van uw auto.
    Het rijden met een defect remsys‐
    teem verhoogt de kans op onge‐
    vallen en kan zodoende persoon‐
    lijk letsel en schade aan de auto en
    andere goederen tot gevolg heb‐
    ben.



  • Page 82

    80

    Instrumenten en bedieningsorganen

    Brandt nadat het contact is ingescha‐
    keld en de handbediende handrem is
    aangetrokken.
    Parkeerrem 3 183.

    Koppelingspedaal intrappen

    - brandt geel.
    Het brandt als het koppelingspedaal
    moet worden ingetrapt om de motor
    te starten.
    Zie Functie Motor automatisch star‐
    ten/stoppen 3 172.

    Antiblokkeersysteem
    (ABS)
    u brandt geel.
    Brandt na het inschakelen van het
    contact enkele seconden. Het sys‐
    teem is na het doven van de contro‐
    lelamp klaar voor gebruik.
    Als de controlelamp na enkele secon‐
    den niet dooft of als deze tijdens de rit
    gaat branden, dan zit er een storing in
    het ABS-systeem. Het remsysteem
    blijft normaal werken, maar zonder
    ABS-regeling.

    Antiblokkeersysteem 3 183.

    Opschakelen
    [ gaat branden wanneer voor zuinig
    rijden opschakelen wordt aanbevo‐
    len.
    Handgeschakelde versnellingsbak
    3 181.

    Stuurbekrachtiging
    c brandt geel.
    Brandt na het inschakelen van het
    contact en dooft vlak na het aanslaan
    van de motor.
    Als de controlelamp niet na een paar
    seconden uitgaat of gaat branden tij‐
    dens het rijden, is er een storing in het
    stuurbekrachtigingssysteem.
    De hulp van een werkplaats inroepen.

    Ultrasoonparkeerhulp
    r brandt geel.

    ■ Storing doordat sensors vervuild
    zijn geraakt
    ■ Afgedekt door ijs of sneeuw
    ■ Interferentie door ultrasone golven
    van buitenaf
    Als de storingsbron wordt verwijderd,
    dan werkt het systeem weer normaal.
    Laat de storingsoorzaak in het sys‐
    teem onmiddellijk door een autowerk‐
    plaats verhelpen als de controlelamp
    niet dooft.
    Ultrasoonparkeersensoren 3 189.

    Elektronische
    stabiliteitsregeling
    b brandt of knippert geel.

    Brandt

    Er zit een storing in het systeem. Ver‐
    der rijden is mogelijk. De rijstabiliteit
    kan echter afhankelijk van de staat
    van het wegdek verslechteren.
    Oorzaak van de storing onmiddellijk
    door een werkplaats laten verhelpen.



  • Page 83

    Instrumenten en bedieningsorganen
    Knippert

    Het systeem is actief bezig. Het mo‐
    torvermogen kan worden begrensd
    en de auto kan automatisch iets wor‐
    den afgeremd.
    Elektronische stabiliteitsregeling
    3 185.

    Elektronische
    stabiliteitsregeling UIT
    a brandt geel.
    Brandt bij uitgeschakeld systeem.

    Traction Control-systeem
    UIT
    k brandt geel.
    Brandt bij uitgeschakeld systeem.

    Koelvloeistoftemperatuur
    W brandt rood.
    Dit controlelampje geeft aan wanneer
    de koelvloeistoftemperatuur te hoog
    is.

    Wanneer onder normale omstandig‐
    heden met de auto hebt gereden, ver‐
    laat u de weg, stopt u de auto en laat
    u de motor enkele minuten stationair
    draaien.
    Als het lampje niet dooft, moet u de
    motor uitzetten en zo snel mogelijk
    naar een werkplaats gaan. Wij advi‐
    seren u contact op te nemen met een
    erkende werkplaats.

    Voorgloeien en roetfilter
    Verklikkerlicht voorverwarming

    ! brandt geel.
    Brandt wanneer de voorgloeifunctie
    geactiveerd is. Als de lamp uit gaat,
    kan de motor worden gestart.

    Verklikkerlicht roetfilter

    % knippert geel.
    Knippert wanneer het roetfilter gerei‐
    nigd moet worden en de eerdere rij‐
    omstandigheden geen automatische
    reiniging toelieten. Verder rijden en
    het motortoerental zo mogelijk niet
    onder 2000/min laten dalen. Het dooft
    zodra de zelfreiniging is afgerond.

    81

    Zie Roetfilter 3 175.

    Bandenspanningscontro‐
    lesysteem
    A brandt geel.
    Brandt na het inschakelen van het
    contact en dooft vlak na het aanslaan
    van de motor.
    Als A onderweg oplicht, detecteert
    het bandenspanningscontrolesys‐
    teem dat de spanning in één of meer
    van uw banden aanzienlijk te laag is.
    Stop op een veilige plek, controleer
    de banden en breng de banden op de
    spanningswaarden zoals aanbevolen
    op het bandenspanningswaardenla‐
    bel.
    Als het systeem een defect detec‐
    teert, knippert A gedurende ongeveer
    één minuut en blijft het gedurende de
    rest van de contactcyclus branden.
    A brandt totdat het probleem verhol‐
    pen is. Laat de auto door een werk‐
    plaats nakijken.



  • Page 84

    82

    Instrumenten en bedieningsorganen

    Motoroliedruk
    I brandt rood.
    Brandt na het inschakelen van het
    contact en dooft vlak na het aanslaan
    van de motor.

    Brandt bij een draaiende motor
    Voorzichtig
    Motorsmering wordt mogelijk on‐
    derbroken. Dit kan aanleiding ge‐
    ven tot motorschade en/of tot het
    blokkeren van de aandrijfwielen.
    Als het oliedruklampje gaat branden
    tijdens het rijden, gaat u naar de kant,
    stopt u de motor en controleert u het
    oliepeil.

    9 Waarschuwing
    Bij uitgeschakelde motor gaat
    remmen en sturen aanmerkelijk
    zwaarder.
    De sleutel niet uitnemen voordat
    de auto helemaal stilstaat, omdat
    het stuurslot anders plotseling kan
    worden geactiveerd.
    Het oliepeil controleren alvorens de
    hulp van een werkplaats in te roepen.
    Motorolie 3 205.

    Te laag brandstofpeil
    Y brandt geel.
    Brandt wanneer het peil in de brand‐
    stoftank te laag is.

    Voorzichtig
    Rijd de tank van de auto niet he‐
    lemaal leeg.
    Dat kan schade aan de katalysator
    veroorzaken.
    Katalysator 3 175.

    Brandstoffilter aftappen
    U brandt geel.
    Het brandt als het waterpeil in het
    brandstoffilter een bepaald peil over‐
    schrijdt.
    Tap het water onmiddellijk uit het
    brandstoffilter af.
    Na het aftappen gaat de waarschu‐
    wingslamp uit.
    Zie Dieselbrandstoffilter 3 175.

    Startbeveiliging
    d brandt geel.
    Als de controlelamp brandt, is er een
    storing in het systeem. De motor kan
    niet worden gestart.
    Oorzaak van de storing onmiddellijk
    door een werkplaats laten verhelpen.

    Grootlicht
    P brandt blauw.
    Brandt bij ingeschakeld grootlicht en
    bij lichtsignaal.
    Groot licht/ dimlicht 3 96.



  • Page 85

    Instrumenten en bedieningsorganen

    Dagrijlicht
    @ brandt groen.
    Brandt bij ingeschakeld dagrijlicht.
    Dagrijlicht (DRL) 3 97.

    Mistlamp
    > brandt groen.
    Brandt bij ingeschakelde voorste
    mistlampen 3 98.

    m brandt groen.
    Brandt wanneer het cruise controlsysteem is geactiveerd 3 186.

    83

    Informatiedisplays
    Driver Information Center

    Portier open
    ( brandt rood.
    Brandt bij geopende portieren of een
    geopende achterklep.

    Mistachterlicht
    r brandt geel.
    Brandt bij ingeschakeld mistachter‐
    licht 3 98.

    Achterlichten
    8 brandt groen.
    Brandt wanneer de achterlichten
    branden.

    Cruise control
    m brandt wit.
    Brandt bij ingeschakeld systeem.

    Wanneer de auto niet is uitgerust met
    het Driver Information Centre (DIC),
    drukt u de terugstelknop in de instru‐
    mentengroep kort in om het menu te
    selecteren.
    Telkens wanneer u de terugstelknop
    indrukt, verandert de weergave vol‐
    gens de onderstaande volgorde (de
    feitelijke volgorde wijkt mogelijk hier‐
    van af):



  • Page 86

    84

    Instrumenten en bedieningsorganen
    Motorolielevensduur

    Klok → Buitentemperatuur → Kilome‐
    terteller → Dagteller → Klok → Instellen
    van eenheden → Instellen van taal...
    Klok 3 70, Kilometerteller3 73, Trip‐
    computer 3 88.

    Het Driver Information Centre (DIC) is
    ondergebracht in de instrumenten‐
    groep.

    Om het instellingsmenu te selecteren,
    drukt u op MENU in de richtingaan‐
    wijzerhendel.
    U kunt het volgende selecteren:
    ■ Motorolielevensduur
    ■ Instellen van eenheid
    ■ Instellen van taal
    ■ Band inleren
    ■ Band belasten
    U kunt elk menu selecteren door het
    stelwiel in de richtingaanwijzerhendel
    te verdraaien.

    Deze geeft een schatting weer van de
    resterende, bruikbare levensduur van
    de olie.
    Wanneer het nummer 98 wordt weer‐
    gegeven, betekent het dat 98% van
    de huidige olielevensduur resteert.



  • Page 87

    Instrumenten en bedieningsorganen

    Wanneer de resterende olielevens‐
    duur laag is, wordt de boordinformatie
    weergegeven in het Driver Informa‐
    tion Center (DIC). De motorolie moet
    dan zo spoedig mogelijk worden ver‐
    verst.
    Na een motorolieverversing moet het
    controlesysteem oliekwaliteit worden
    gereset. Voor het resetten drukt u de
    toets SET/CLR enkele seconden in.
    Controlesysteem oliekwaliteit 3 206.

    85

    Instellen van eenheid

    Instellen van taal

    Houd SET/CLR een paar seconden
    ingedrukt.
    Draai aan het stelwiel om één van de
    instellingen te kiezen.
    1. Groot-Brittannië (MPH. °C)
    2. Verenigde Staten (MPH, °F)
    3. Europa (km/h, °C)
    Bij het selecteren van een eenheid zal
    deze gaan knipperen.
    Druk ter bevestiging op de toets
    SET/CLR.

    Houd SET/CLR een paar seconden
    ingedrukt.
    Draai aan het stelwiel om één van de
    instellingen te kiezen.
    1. Alfabet
    2. Arabische cijfers
    Bij het selecteren van een eenheid zal
    deze gaan knipperen.
    Druk ter bevestiging op de toets
    SET/CLR.



  • Page 88

    86

    Instrumenten en bedieningsorganen

    Let op
    Als de hendel van de richtingaanwij‐
    zer niet met toetsen uitgevoerd is,
    kunt u de menu's selecteren door de
    resetknop op het paneel kort in te
    drukken en het menu instellen door
    de resetknop op het paneel langer in
    te drukken.

    Zie Bandenspanningscontrolesys‐
    teem 3 233.

    Board-Info-Display

    Band belasten

    Band inleren

    Via dit display kunt u de nieuwe band
    en het wiel door de TPMS-sensoren
    combineren.
    Voor het combineren drukt u de toets
    SET/CLR enkele seconden in.

    Druk enkele seconden op de toets
    SET/CLR om het menu te selecteren.
    Draai aan het stelwiel om één van de
    instellingen te kiezen.
    ■ Belasting 1: laag
    ■ Belasting 2: eco
    ■ Belasting 3: hoog

    Weergegeven worden de datum, tijd,
    buitentemperatuur en de informatie
    van het infotainmentsysteem.
    Wanneer het infotainmentsysteem
    aan is, worden de Persoonlijke voer‐
    tuiginstellingen weergegeven.
    Persoonlijke instellingen 3 90.



  • Page 89

    Instrumenten en bedieningsorganen

    Boordinformatie

    Nr. Boordinformatie

    De meldingen worden weergegeven
    op het Driver Information Center
    (DIC) of in de vorm van geluidssigna‐
    len.
    Afhankelijk van het uitrustingsniveau
    en de persoonlijke voertuiginstellin‐
    gen, zijn sommige van de hieronder
    beschreven functies eventueel niet
    aanwezig.

    Voorzichtig
    Als het voertuigbericht wordt ge‐
    toond, laat de auto dan onmiddel‐
    lijk in een werkplaats controleren.

    87

    De boordinformatie verschijnt in de
    vorm van cijfercodes.
    Nr. Boordinformatie
    15

    Derde remlicht defect

    16

    Service remlichten

    18

    Linker dimlicht defect

    19

    Mistachterlicht defect

    20

    Rechter dimlicht defect

    21

    Stadslicht linksvoor defect

    22

    Stadslicht rechtsvoor defect

    23

    Achteruitrijlicht defect

    24

    Kentekenverlichting defect

    25

    Richtingaanwijzer linksvoor
    defect

    26

    Richtingaanwijzer linksachter
    defect

    27

    Richtingaanwijzer rechtsvoor
    defect

    28

    Richtingaanwijzer rechtsachter
    defect

    84

    Motorvermogen verminderd

    89

    Onderhoud spoedig

    128 Motorkap geopend (indien
    voorzien van Stop/Startsysteem)

    Geluidssignalen
    Bij het starten van de motor of
    tijdens het rijden

    ■ Wanneer de veiligheidsgordel niet
    wordt gedragen.
    ■ Wanneer u met aangetrokken
    handrem een bepaalde snelheid
    overschrijdt.



  • Page 90

    88

    Instrumenten en bedieningsorganen

    ■ Wanneer er een waarschuwings‐
    code verschijnt op het Driver Infor‐
    mation Center.
    ■ Wanneer de parkeerhulp een ob‐
    stakel herkent.

    Tripcomputer

    Bij het parkeren van de auto en/
    of het openen van een portier
    ■ Als de contactsleutel nog in het
    contactslot steekt.
    ■ Bij ingeschakelde rijverlichting.

    De boordcomputer is ondergebracht
    in het Driver Information Center
    (DIC).
    Deze voorziet de bestuurder van al‐
    lerlei rij-informatie zoals gemiddelde
    snelheid, rijafstand bij resterende
    brandstofhoeveelheid, gemiddeld
    brandstofverbruik en rijtijd.

    Voor het bedienen van de boordcom‐
    puter verdraait u het stelwiel in de
    richtingaanwijzerhendel.
    Selecteer het bovenste display. Na
    selectie gaat dit knipperen.
    Telkens wanneer u aan het stelwiel
    draait, verandert de weergave vol‐
    gens de onderstaande volgorde:
    Gemiddelde snelheid → Rijafstand bij
    resterende brandstofhoeveelheid →
    Gemiddeld brandstofverbruik → Rijtijd
    → Gemiddelde snelheid
    Sommige weergaven kunnen worden
    teruggesteld door op SET/CLR te
    drukken.



  • Page 91

    Instrumenten en bedieningsorganen
    Gemiddelde snelheid

    Actieradius met resterende
    brandstof

    89

    De actieradius voor de resterende
    brandstof kan verschillen per be‐
    stuurder, weg en de rijsnelheid, om‐
    dat het wordt berekend op basis van
    de wisselende brandstofzuinigheid.

    Gemiddeld verbruik

    Deze modus geeft de gemiddelde
    snelheid aan.
    De gemiddelde snelheid wordt bere‐
    kend terwijl de motor draait, zelfs als
    de auto niet rijdt.
    Om de gemiddelde rijsnelheid terug
    te stellen, drukt u op SET/CLR.

    Deze modus geeft de geschatte rijaf‐
    stand aan met het huidige brandstof‐
    peil in de brandstoftank.
    Als u bijtankt op een helling of met
    een losgekoppelde accu, kan de trip‐
    computer de werkelijke waarde niet
    aflezen.
    Let op
    Als hulpapparaat kan de dagteller
    afwijken van de werkelijke actiera‐
    dius voor de resterende brandstof,
    afhankelijk van de omstandigheden.

    Deze weergave geeft het gemiddeld
    brandstofverbruik aan.
    Het gemiddelde brandstofverbruik
    wordt berekend zolang de motor
    draait, dus ook als de auto niet rijdt.
    Om het gemiddelde brandstofver‐
    bruik terug te stellen, drukt u op
    SET/CLR.



  • Page 92

    90

    Instrumenten en bedieningsorganen

    Rijtijd

    Persoonlijke
    instellingen
    Audiosysteem

    Deze modus geeft de totale rijtijd aan.
    De rijtijd wordt vanaf de laatste rijtijd‐
    terugstelling steeds bijgewerkt, ook
    als niet met de auto werd gereden.
    Om de rijtijd terug te stellen, drukt u
    op SET/CLR.
    Let op
    De gemiddelde snelheid, de rijaf‐
    stand met de resterende brandstof
    en het gemiddeld brandstofverbruik
    kunnen afwijken van de werkelijke
    waarden als gevolg van de rijom‐
    standigheden, het rijpatroon of de
    voertuigsnelheid.

    U kunt de auto aan uw persoonlijke
    wensen aanpassen door de instellin‐
    gen in het Dashboardinformatiedis‐
    play (BID) te wijzigen.
    Afhankelijk van het uitrustingsniveau,
    zijn sommige van de hieronder be‐
    schreven functies eventueel niet aan‐
    wezig.

    Druk op CONFIG terwijl het contact is
    aangezet en het Infotainmentsys‐
    teem is geactiveerd.
    De instelmenu's worden weergege‐
    ven.
    Om een ander instelmenu te kiezen,
    draait u aan MENU.
    Om een instelmenu te selecteren,
    drukt u op de knop MENU.
    Om af te sluiten of terug te gaan naar
    het vorige menu, drukt u op de knop
    BACK



  • Page 93

    Instrumenten en bedieningsorganen
    De volgende menu's kunnen worden
    weergegeven:
    ■ Talen
    ■ Tijd Datum
    ■ Radio-instellingen
    ■ Bluetooth-instellingen
    ■ Voertuiginstellingen
    Taalinstellingen
    Wijzigen van de talen.
    Tijd- en datuminstellingen
    Infotainmentsysteem 3 113.
    Radio-instellingen
    Infotainmentsysteem 3 113.
    Bluetooth-instellingen
    Infotainmentsysteem 3 113.
    Voertuiginstellingen
    ■ Comfortinstellingen
    Volume van geluidssignaal: Veran‐
    dert het volume van het geluidssig‐
    naal.
    Achterruitwisser bij achteruitrijden:
    De achterruitwisser in- of uitscha‐

    kelen bij rijden in achteruitversnel‐
    ling.
    ■ Parkeerhulp / Botsingdetectie
    Parkeerhulp: Activeer of deactiveer
    de ultrasoonsensoren of selecteer
    de trekstangmodus om de parkeer‐
    hulp ook met een trekstang te kun‐
    nen gebruiken.
    Selecteer de modus Trekhaak be‐
    vestigd als er een trekhaak beves‐
    tigd is.
    ■ Omgeving verlichten
    Verlichting bij ontgrendelen: Acti‐
    veert of deactiveert de instapver‐
    lichting.
    Verlichtingsduur bij uitstappen:
    Schakelt de uitstapverlichting in of
    uit en wijzigt de verlichtingsduur.
    ■ Centrale portiervergrendeling
    Automatische
    portierontgrendeling:
    In- of uitschakelen van automati‐
    sche portierontgrendeling bij ge‐
    bruik van automatische portierver‐
    grendeling.

    91

    Ook voor het wijzigen van de con‐
    figuratie: bij ontgrendelen alleen
    ontgrendeling van bestuurderspor‐
    tier of alle portieren.
    Automatische
    portiervergrendeling:
    Automatische portiervergrendeling
    tijdens rijden in- of uitschakelen.
    Stop vergrendeling van portier
    indien portier open: In- of uitscha‐
    kelen van vergrendeling van be‐
    stuurdersportier indien het portier
    geopend is. Indien uitschakelen
    wordt geselecteerd, komt het menu
    Vertraagde portiervergrendeling
    beschikbaar.
    Vertraagde portierontgrendeling:
    In- of uitschakelen van de ver‐
    traagde portiervergrendeling. Bij
    het indrukken van de toets voor
    centrale vergrendeling, geven drie
    geluidssignalen aan dat vertraagde
    vergrendeling is ingeschakeld.
    Deze functie vertraagt het vergren‐
    delen van de portieren gedurende



  • Page 94

    92

    Instrumenten en bedieningsorganen

    vijf seconden nadat het laatste por‐
    tier is gesloten.
    ■ Met handzender vergrendelen,
    ontgrendelen, starten
    Terugkoppelsignaal bij
    ontgrendelen met handzender: Ac‐
    tiveert of deactiveert het rich‐
    tingaanwijzersignaal tijdens ont‐
    grendelen.
    Terugkoppelsignaal bij
    vergrendelen met handzender: Ac‐
    tiveert of deactiveert terugkoppel‐
    signaal via verlichting en/of claxon
    tijdens vergrendelen.
    Portier met handzender
    ontgrendelen: Verandert de confi‐
    guratie om bij ontgrendeling alleen
    het bestuurdersportier of alle por‐
    tieren te ontgrendelen.
    Portieren automatisch opnieuw
    vergrendelen: Schakelt automati‐
    sche portiervergrendeling in of uit
    wanneer na ontgrendelen geen
    portier wordt geopend.
    Fabrieksinstellingen herstellen
    Alle instellingen worden hersteld naar
    de af-fabriek instellingen.

    MyLink, op tekst gebaseerd

    Wanneer de audio ingeschakeld is,
    drukt u op ; op het bedieningspa‐
    neel.

    ■ volume aanraakgeluid
    ■ max. beginvolume
    ■ systeemversie
    ■ DivX(R) VOD
    In de bijbehorende submenu's kunt u
    de volgende instellingen veranderen:
    tijd- en datuminstellingen
    Zie de infotainment-handleiding voor
    nadere informatie.
    radio-instellingen
    Zie de infotainment-handleiding voor
    nadere informatie.

    Druk op instellingen.
    U kunt uit de volgende instellingen
    kiezen:
    ■ tijd- en datuminstellingen
    ■ radio-instellingen
    ■ verbindingsinstellingen
    ■ auto-instellingen
    ■ taal
    ■ tekstbeweging

    verbindingsinstellingen
    Zie de infotainment-handleiding voor
    nadere informatie.



  • Page 95

    Instrumenten en bedieningsorganen
    auto-instellingen

    ■ comfort & gemak
    volume van geluidssignaal: Selec‐
    teer Normaal of Hoog.
    achterruitwisser bij achteruitrijden:
    Selecteer Aan of Uit
    ■ botsing/detectie
    parkeerhulp: Selecteer Aan/Uit of
    Trekhaak bevestigd om de parkeer‐
    hulp ook met een trekstang te kun‐
    nen gebruiken.
    ■ verlichting
    uitstapverlichting: Uit / 30 sec / 60
    sec / 120 sec.

    contourverlichting: Selecteer Aan
    of Uit.
    ■ centrale portiervergrendeling
    buitensluitbeveiliging ontgrendeld
    portier: Selecteer Aan of Uit.
    vertraagde portierontgrendeling:
    Selecteer Aan of Uit.
    ■ vergrendelings-,
    ontgrendelingsinstellingen
    lampterugkoppelsignaal bij
    ontgrendelen met handzender: Se‐
    lecteer Lichten knipperen/Lichten
    uit.
    portier met handzender
    ontgrendelen: Selecteer Alle portie‐
    ren/Bestuurdersportier.
    op afstand ontgrendelde portieren
    weer vergrendelen: Selecteer Aan
    of Uit.

    93

    ■ fabrieksinstellingen auto: Zet de
    waarden van de instellingen terug
    naar de standaardfabrieksinstellin‐
    gen.
    taal
    Selectie van de gewenste taal.
    tekstbeweging
    Zie de infotainment-handleiding voor
    nadere informatie.
    volume aanraakgeluid
    Zie de infotainment-handleiding voor
    nadere informatie.



  • Page 96

    94

    Instrumenten en bedieningsorganen

    max. beginvolume
    Zie de infotainment-handleiding voor
    nadere informatie.
    systeemversie
    Zie de infotainment-handleiding voor
    nadere informatie.
    DivX(R) VOD
    Zie de infotainment-handleiding voor
    nadere informatie.



  • Page 97

    Verlichting

    Verlichting

    Rijverlichting
    Lichtschakelaar

    Rijverlichting ................................ 95
    Binnenverlichting ......................... 99
    Verlichtingsfuncties ...................... 99

    Bedieningen rijverlichting

    AUTO: de rijverlichting en de instru‐
    mentenverlichting gaan automatisch
    aan of uit, afhankelijk van de lichtcon‐
    dities buiten.
    8: de achterlichten, kentekenver‐
    lichting, de verlichting van het instru‐
    mentenpaneel en de parkeerlichten
    zijn verlicht.
    9: de koplampen en alle bovenge‐
    noemde verlichting gaat branden.

    Automatische verlichting

    Om de rijverlichting aan of uit te zet‐
    ten, draait u aan de knop op de licht‐
    schakelaar. De lichtschakelaar heeft
    de volgende vier standen:
    m OFF: om alle verlichting uit te scha‐
    kelen, draait u de knop naar de stand
    OFF.
    Alle verlichting gaat uit en de knop
    komt weer terug in de oorspronkelijke
    AUTO stand.

    95



  • Page 98

    96

    Verlichting

    Wanneer er buiten weinig licht is en
    de functie voor automatische verlich‐
    ting is ingeschakeld, gaan de rijver‐
    lichting en de instrumentenverlichting
    automatisch aan.
    Om de functie uit te zetten, draait u de
    knop naar de stand OFF.
    Alle verlichting gaat uit en de knop
    komt weer terug in de oorspronkelijke
    AUTO stand.

    Grootlicht

    Om van dimlicht naar grootlicht om te
    schakelen, duwt u tegen de hendel.
    Om het dimlicht in te schakelen, duwt
    u nogmaals tegen de hendel of u trekt
    eraan.
    Let op
    Het controlelampje grootlicht gaat
    branden als het grootlicht ingescha‐
    keld is.

    9 Waarschuwing
    Zet de koplampen bij tegemoetko‐
    mend verkeer of andere voertui‐
    gen voor u altijd van grootlicht op
    dimlicht. Bij grootlicht kunnen me‐
    deweggebruikers verblind raken,
    met mogelijk een botsing als ge‐
    volg.

    Lichtsignaal

    Het grootlicht wordt ingeschakeld als
    het dimlicht brandt.

    Koplampverstelling

    Trek aan de hendel.
    Wanneer u de hendel loslaat, keert hij
    terug naar zijn normale stand. In de
    koplampen blijft het grootlicht bran‐
    den zolang u de hendel naar u toe
    getrokken houdt.

    U kunt de lichtbundelhoogte aanpas‐
    sen aan de belading om verblinding
    te voorkomen: draai de knop ? in de
    gewenste stand.
    0 = zitplaatsen voorin bezet
    1 = alle zitplaatsen bezet
    2 = alle zitplaatsen bezet en bagage
    in de bagageruimte
    3 = bestuurdersstoel bezet en ba‐
    gage in de bagageruimte



  • Page 99

    Verlichting

    Koplampinstelling in het
    buitenland

    97

    Alarmknipperlichten

    Richtingaanwijzers

    Bediening met toets ¨.
    Druk op de toets om de alarmknip‐
    perlichten in te schakelen.
    Om de alarmknipperlichten uit te
    schakelen, drukt u opnieuw op de
    knop.

    Hendel
    = Richtingaanwijzer
    omhoog
    rechts
    Hendel omlaag = Richtingaanwijzer
    links

    Het asymmetrische dimlicht biedt
    meer zicht op de rand van de weg aan
    de passagierskant.
    Stel bij het rijden in landen met links‐
    rijdend verkeer de koplampen bij om
    tegenliggers niet te verblinden.
    Koplampen en parkeerlichten 3 217.

    Dagrijlicht
    Dagrijlicht verbetert overdag de zicht‐
    baarheid van de auto.

    Als de hendel voorbij het weerstands‐
    punt wordt geduwd, blijft de richting‐
    aanwijzer ingeschakeld. Bij het terug‐
    draaien van het stuurwiel gaat de
    richtingaanwijzer automatisch uit.
    Om driemaal te knipperen, bijv. om
    van rijstrook te wisselen, de hendel
    tot tegen het weerstandspunt duwen
    en loslaten.



  • Page 100

    98

    Verlichting

    Voor langer richting aanwijzen de
    hendel tot tegen het weerstandspunt
    duwen en vasthouden.
    Schakel de richtingaanwijzer hand‐
    matig uit door de hendel op de oor‐
    spronkelijke stand te zetten.

    Mistachterlichten

    Het achteruitrijlicht gaat branden
    wanneer het contact aanstaat en de
    auto in de achteruitversnelling staat.

    Beslagen lampglazen

    Mistlampen voor

    Om de mistlampen voor aan te zet‐
    ten, drukt u op >.
    De mistlampcontrolelamp brandt
    wanneer de mistlampen aan zijn.
    Om uit te zetten, drukt u de knop op‐
    nieuw in.

    Achteruitrijlichten

    De binnenkant van de lampenglazen
    kan bij koud en vochtig weer, bij he‐
    vige regen of na een wasbeurt korte
    tijd beslaan. De condens verdwijnt na
    korte tijd vanzelf, om dit te versnellen
    de verlichting inschakelen.
    Bediening met toets r.
    Lichtschakelaar in stand AUTO: bij
    het inschakelen van het mistachter‐
    licht worden de koplampen automa‐
    tisch ingeschakeld.
    Lichtschakelaar in stand 8: mistach‐
    terlicht kan alleen in combinatie met
    voorste mistlampen worden inge‐
    schakeld.
    De mistachterlichtcontrolelamp
    brandt wanneer het mistachterlicht
    aan is.



  • Page 101

    Verlichting

    Binnenverlichting
    Interieurverlichting

    Let op
    De accu kan ontladen raken als de
    verlichting gedurende een langere
    tijd ingeschakeld blijft.

    9 Waarschuwing
    Voorkom het gebruik van de in‐
    stapverlichting wanneer u in het
    donker rijdt.
    Als het passagierscompartiment is
    verlicht, wordt het zicht naar buiten
    verminderd, wat tot een aanrijding
    kan leiden.

    Bedien de wipschakelaar:
    ⃒ = altijd aan tot het handmatig
    wordt uitgeschakeld.
    w = schakelt automatisch in als er
    een portier wordt geopend en
    gaat uit als de portieren worden
    gesloten.
    § = altijd uit, zelfs wanneer de por‐
    tieren geopend zijn.

    99

    Verlichtingsfuncties
    Instapverlichting
    Welkomstverlichting

    Koplampen, zijmarkeringslichten,
    achterlichten en binnenverlichting
    worden kort even ingeschakeld wan‐
    neer u de auto met de handzender
    ontgrendelt. Deze functie werkt alleen
    wanneer het donker is en helpt u om
    de auto te localiseren.
    De verlichting wordt uitgeschakeld
    zodra u het contactslot in de acces‐
    soirestand zet.
    In- of uitschakelen van deze functie
    kunt u wijzigen in de Voertuiginstel‐
    lingen. Persoonlijke instellingen 3 90.

    Instapverlichting
    De volgende verlichting gaat ook
    branden wanneer u het bestuurders‐
    portier opent:
    ■ Sommige schakelaars
    ■ Sommige interieurlampjes



  • Page 102

    100

    Verlichting

    Uitstapverlichting
    De koplampen, zijmarkeringslichten
    en achterlichten zullen de directe om‐
    geving een instelbare tijd verlichten
    terwijl u de auto verlaat.

    Inschakelen

    Aan- en uitzetten van deze functie en
    de verlichtingsduur kunnen worden
    gewijzigd in de Voertuiginstellingen.
    Persoonlijke instellingen 3 90.
    Voor Europa
    1. Contact uitschakelen.
    2. Contactsleutel verwijderen.
    3. Bestuurdersportier openen.

    4. Richtingaanwijzerhendel naar u
    toe trekken.
    5. Bestuurdersportier sluiten.
    Wordt het bestuurdersportier niet ge‐
    sloten, dan gaat de verlichting na een
    paar seconden uit.
    De verlichting wordt meteen uitge‐
    schakeld als u de richtingaanwijzer‐
    hendel naar u toe trekt, terwijl het be‐
    stuurdersportier geopend is.
    Auto's met automatische verlichting
    (behalve Europa)
    1. Lichtschakelaar in stand AUTO.
    2. Contact uitschakelen.
    3. Contactsleutel verwijderen.
    Afhankelijk van het omgevingslicht
    wordt de uitstapverlichting ingescha‐
    keld.

    Ontlaadbeveiliging accu
    Uitschakeling van de verlichting

    De accuspaarfunctie voorkomt dat de
    accu van de auto geheel zal ontladen.

    Wanneer u het contact uitzet, wordt
    automatisch na enkele seconden de
    verlichting gedoofd.



  • Page 103

    Infotainmentsysteem

    Infotainmentsysteem

    Inleiding

    Inleiding ..................................... 101
    Radio ......................................... 117
    Audiospelers .............................. 129
    Telefoon ..................................... 145

    Het infotainmentsysteem verzorgt de
    infotainment in uw auto, met gebruik
    van de nieuwste technologie.
    De radio kan met de VOORKEUZEtoetsen [1~6] gemakkelijk worden ge‐
    bruikt voor het vastleggen van 36
    FM-, AM- en DAB-zenders (Digital
    Audio Broadcasting) op elke zes pa‐
    gina's. DAB is alleen beschikbaar
    voor Type 1/2-A-model.
    De geïntegreerde cd-speler kan au‐
    dio-CD's en MP3-bestanden afspelen
    en de USB/iPod-speler kan aange‐
    sloten USB-opslagmedia of iPod-pro‐
    ducten afspelen (alleen voor model
    type 1/2-A/B).
    Dankzij de verbindingsfunctie voor
    Bluetooth-telefoons kunt u draadloos
    en handenvrij telefoneren of kan een
    muziekspeler in de telefoon worden
    afgespeeld. De Bluetooth-telefoon‐
    verbindingsfunctie is alleen beschik‐
    baar voor het model type 1/2-A/B.

    Algemene aanwijzingen

    101

    Sluit een draagbare muziekspeler
    aan op de AUX-ingang voor externe
    spelers en geniet van de rijke klank‐
    weergave van het Infotainmentsys‐
    teem.
    De digitale soundprocessor biedt een
    aantal standaard equalizerinstellin‐
    gen waarmee u het geluid kunt opti‐
    maliseren.
    ■ Maximaal uitgangsvermogen: 25 w
    x 4 kanalen
    ■ Luidsprekerimpedantie: 4 ohm
    Het systeem kan gemakkelijk worden
    aangepast via de zorgvuldig ontwor‐
    pen instelfunctie, het slimme display
    en de multifunctionele menudraai‐
    knop.
    ■ In de paragraaf "Overzicht" worden
    de werking en alle instelfuncties
    van het infotainmentsysteem ge‐
    toond in een beknopt overzicht.
    ■ In de paragraaf "Gebruik" wordt de
    basisbediening van het infotain‐
    mentsysteem uitgelegd.



  • Page 104

    102

    Infotainmentsysteem

    Let op
    Deze handleiding beschrijft alle voor
    de diverse Infotainmentsystemen
    beschikbare opties en functies. Be‐
    paalde beschrijvingen, zoals die
    voor display- en menufuncties, gel‐
    den vanwege de modelvariant,
    landspecifieke uitvoeringen, speci‐
    ale uitrusting en toebehoren wellicht
    niet voor uw auto.

    Schermweergave
    De schermweergave kan afwijken
    van de weergave in de handleiding,
    omdat de meeste weergaven kunnen
    afwijken naargelang de instelling van
    het apparaat en de voertuigspecifica‐
    tie.

    Antidiefstalfunctie
    In het infotainmentsysteem is een
    elektronische beveiliging geïnte‐
    greerd die diefstal voorkomt.
    Het infotainmentsysteem functioneert
    alleen in de auto waarin dit het eerst
    is geïnstalleerd en kan niet worden
    gebruikt door mensen die het hebben
    gestolen.



  • Page 105

    Infotainmentsysteem

    Overzicht bedieningselementen
    Type 1

    103



  • Page 106

    104

    Infotainmentsysteem

    Type 1-A: Radio/DAB + CD/MP3 +
    AUX + USB/iPod + Bluetooth
    Type 1-B: Radio + CD/MP3 + AUX +
    USB/iPod + Bluetooth
    1. Display
    Display voor weergave van status
    en informatie over afspelen/ont‐
    vangst/menu's.
    2. Knop AAN/UIT [m] met draaiknop
    VOLUME
    ◆ Zet het apparaat aan of uit door
    deze knop in te drukken.
    ◆ Draai aan de draaiknop om het
    algehele volume in te stellen.
    3. Knoppen PRESET [1 ~ 6 ]
    ◆ Houd een van deze knoppen in‐
    gedrukt om de huidige radio‐
    zender toe te voegen aan de
    huidige favorietenpagina.
    ◆ Druk een van deze knoppen in
    om het kanaal te selecteren dat
    aan die knop is gekoppeld.
    4. Knop UITWERPEN [d]
    Druk deze knop in en neem de
    disk uit.

    5. Disksleuf
    Dit is de sleuf waarin compact
    disks worden ingebracht of verwij‐
    derd.
    6. Knop FAVOURITE [FAV1-2-3]
    Druk op deze knop om de pagina
    met opgeslagen favoriete zenders
    te selecteren.
    7. Knop INFORMATIE [INFO]
    ◆ Druk op deze knop om de be‐
    standsinformatie te bekijken bij
    het gebruik van de afspeelfunc‐
    ties CD/MP3/USB/iPod/Blue‐
    tooth.
    ◆ Bekijk tijdens gebruik van de ra‐
    diofunctie informatie over een
    radiozender en de huidige afge‐
    speelde song.
    8. Knoppen fSEEKe
    ◆ Druk bij het gebruik van de radio
    of DAB (Digital Audio Broad‐
    casting) deze knoppen in om
    automatisch te zoeken naar
    zenders met een heldere ont‐
    vangst. U kunt de afstemfre‐

    quentie handmatig instellen
    door deze knoppen ingedrukt te
    houden.
    ◆ Druk bij het gebruik van de af‐
    speelfuncties CD/MP3/USB/
    iPod/Bluetooth deze knoppen
    in om onmiddellijk de vorige of
    volgende song af te spelen.
    U kunt deze knoppen ingedrukt
    houden om snel vooruit/terug te
    spoelen in de huidige afge‐
    speelde songs.
    9. Knop CD/AUX
    Druk deze knop in om de audio‐
    functies CD/MP3/AUX of USB/
    iPod/Bluetooth te selecteren.
    10. Knop RADIO BAND
    Druk op deze toets om FM/AM-ra‐
    dio of DAB te selecteren (alleen
    voor model type 1-A).
    11. Knop TP
    Bij het gebruik van de FM RDSfunctie zet u met deze knop TP
    voor verkeersinformatie uit.



  • Page 107

    Infotainmentsysteem
    12. Knop CONFIG
    Druk op deze toets om het menu
    Instellingen te openen.
    13. Knop TONE
    Druk deze knop in om de klankin‐
    stelmodus aan te passen/te se‐
    lecteren.
    14. Knop MENU met draaiknop
    TUNE
    ◆ Druk deze knop in om de hui‐
    dige functiemenu weer te ge‐
    ven, instelbare functies en in‐
    stelwaarden te selecteren of
    wijzigingen te bevestigen.
    ◆ Draai aan de draaiknop om
    naar de instelbare functies of de
    instelwaarden te gaan/over te
    schakelen.
    15. Ingang AUX
    Sluit een externe audiospeler aan
    op deze ingang.

    16. Knop P BACK
    ◆ Annuleer de ingevoerde inhoud
    of ga terug naar het vorige
    menu.
    17. TELEFOON [y] / STIL [@]
    ◆ Druk op deze knop om de Blue‐
    tooth-telefoonmodus te active‐
    ren.
    ◆ Houd de knop ingedrukt om de
    stilschakelfunctie aan of uit te
    zetten.

    105



  • Page 108

    106
    Type 2

    Infotainmentsysteem



  • Page 109

    Infotainmentsysteem
    Type 2-A: Radio/DAB + CD/MP3 +
    AUX + USB/iPod + Bluetooth
    Type 2-B: Radio + CD/MP3 + AUX +
    USB/iPod + Bluetooth
    Type 2-C: Radio + CD/MP3 + AUX
    1. Display
    Display voor weergave van status
    en informatie over afspelen/ont‐
    vangst/menu's.
    2. Knop AAN/UIT [m] met draaiknop
    VOLUME
    ◆ Zet het apparaat aan of uit door
    deze knop in te drukken.
    ◆ Draai aan de draaiknop om het
    algehele volume in te stellen.
    3. Knoppen PRESET [1 ~ 6 ]
    ◆ Houd een van deze knoppen in‐
    gedrukt om de huidige radio‐
    zender toe te voegen aan de
    huidige favorietenpagina.
    ◆ Druk een van deze knoppen in
    om het kanaal te selecteren dat
    aan die knop is gekoppeld.
    4. Knop UITWERPEN [d]
    Druk deze knop in en neem de
    disk uit.

    5. Disksleuf
    Dit is de sleuf waarin compact
    disks worden ingebracht of verwij‐
    derd.
    6. Knop FAVOURITE [FAV1-2-3]
    Druk op deze knop om de pagina
    met opgeslagen favoriete zenders
    te selecteren.
    7. Knop INFORMATIE [INFO]
    ◆ Druk op deze knop om de be‐
    standsinformatie te bekijken bij
    het gebruik van de afspeelfunc‐
    ties CD/MP3/USB/iPod/Blue‐
    tooth (alleen voor model type
    2-A/B).
    ◆ Bekijk tijdens gebruik van de ra‐
    diofunctie informatie over een
    radiozender en de huidige afge‐
    speelde song.
    8. Knoppen fSEEKe
    ◆ Druk bij het gebruik van de radio
    of DAB (Digital Audio Broad‐
    casting: alleen voor model type
    2-A) deze knoppen in om auto‐
    matisch te zoeken naar zenders
    met een heldere ontvangst. U

    107

    kunt de afstemfrequentie hand‐
    matig instellen door deze knop‐
    pen ingedrukt te houden.
    ◆ Druk bij het gebruik van de af‐
    speelfuncties CD/MP3/USB/
    iPod/Bluetooth (alleen voor mo‐
    del type 2-A/B) deze knoppen in
    om onmiddellijk de vorige of vol‐
    gende song af te spelen.
    U kunt deze knoppen ingedrukt
    houden om snel vooruit/terug te
    spoelen in de huidige afge‐
    speelde songs.
    9. Knop CD/AUX
    Druk deze knop in om de audio‐
    functies CD/MP3/AUX of USB/
    iPod/Bluetooth te selecteren.
    10. Knop RADIO BAND
    Druk op deze toets om FM-, AMof DAB-radio te selecteren (alleen
    voor model type 2-A).
    11. Knop TP
    Bij het gebruik van de FM RDSfunctie zet u met deze knop TP
    voor verkeersinformatie uit.



  • Page 110

    108

    Infotainmentsysteem

    12. Knop CONFIG
    Druk op deze toets om het menu
    Instellingen te openen.
    13. Knop TONE
    Druk deze knop in om de klankin‐
    stelmodus aan te passen/te se‐
    lecteren.
    14. Knop MENU met draaiknop
    TUNE
    ◆ Druk deze knop in om de hui‐
    dige functiemenu weer te ge‐
    ven, instelbare functies en in‐
    stelwaarden te selecteren of
    wijzigingen te bevestigen.
    ◆ Draai aan de draaiknop om
    naar de instelbare functies of de
    instelwaarden te gaan/over te
    schakelen.
    15. Ingang AUX
    Sluit een externe audiospeler aan
    op deze ingang.

    16. Knop P BACK
    ◆ Annuleer de ingevoerde inhoud
    of ga terug naar het vorige
    menu.
    17. TELEFOON [y] / STIL [@]
    ◆ Druk deze knop in om de Blue‐
    tooth-telefoonmodus te active‐
    ren (uitsluitend bij model type 2A/B) of om de stilschakelfunctie
    aan of uit te zetten (uitsluitend
    bij model type 2-C).
    ◆ Houd de knop ingedrukt om de
    stilschakelfunctie aan of uit te
    zetten (uitsluitend bij model
    type 2-A/B).

    Audiobedieningsknoppen aan
    stuurwiel
    Type 1-audiobediening aan stuurwiel:
    optie

    1. STIL [x]/Ophangen n
    Druk in een muziekafspeelfunctie
    deze knop in om de stilschakel‐
    functie aan of uit te zetten. Tijdens
    een telefoongesprek kunt u deze
    knop indrukken om oproepen af te
    wijzen of het gesprek voort te zet‐
    ten.



  • Page 111

    Infotainmentsysteem
    2. Knop Oproep [q]
    ◆ Druk de knop in om een oproep
    te beantwoorden of om naar de
    selectiemodus voor terugbellen
    te gaan.
    ◆ Houd de knop ingedrukt om
    naar het oproepenlogboek te
    gaan of om tijdens een telefoon‐
    gesprek heen en weer te gaan
    tussen de handenvrijmodus en
    de modus voor privé bellen.
    3. Knop/draaiknop Bron [dSRCc]
    ◆ Druk de knop in om een af‐
    speelfunctie voor geluid te kie‐
    zen.
    ◆ Draai aan de draaiknop om op‐
    geslagen radiozenders te wijzi‐
    gen of om andere muziek te kie‐
    zen om af te spelen.
    4. Knoppen Volume [+]
    ◆ Druk op de knop + om het vo‐
    lume te verhogen.
    ◆ Druk op de knop - om het vo‐
    lume te verlagen.

    Type 2-audiobediening aan stuurwiel:
    optie

    1. Knop Stil [x]
    Druk de knop in om de stilscha‐
    kelfunctie aan of uit te zetten.
    2. Niet beschikbaar

    109

    3. Knop/draaiknop Bron [dSRCc]
    ◆ Druk de knop in om een af‐
    speelfunctie voor geluid te kie‐
    zen.
    ◆ Draai aan de draaiknop om op‐
    geslagen radiozenders te wijzi‐
    gen of om andere muziek te kie‐
    zen om af te spelen.
    4. Knoppen Volume [+]
    ◆ Druk op de knop + om het vo‐
    lume te verhogen.
    ◆ Druk op de knop - om het vo‐
    lume te verlagen.

    Bediening
    Knoppen en bedieningselement

    Het Infotainmentsysteem wordt be‐
    diend via de functietoetsen, de multi‐
    functionele draaiknop en het menu op
    het scherm.
    De volgende toetsen en bedienings‐
    elementen worden in dit systeem ge‐
    bruikt.



  • Page 112

    110

    Infotainmentsysteem

    ■ Knoppen en draaiknoppen van het
    Infotainmentsysteem
    ■ Audiobedieningsknop op stuurwiel

    Systeem in-/uitschakelen

    Automatisch uitzetten

    Wanneer het contactslot (contact‐
    sleutel van auto) in de OFF-stand
    staat en het Infotainmentsysteem
    wordt met de knop AAN/UIT [m] aan‐
    gezet, wordt het Infotainmentsysteem
    tien minuten na de laatste bediening
    door de gebruiker automatisch uitge‐
    schakeld.

    Volumeregeling

    ■ Gebruik de audioknop op het stuur‐
    wiel, druk op de volumeknoppen
    [+] om het volume aan te pas‐
    sen.
    ■ Het huidige geluidsniveau wordt
    aangegeven.
    ■ Bij aanzetten van het infotainment‐
    systeem wordt vanzelf het geluids‐
    niveau ingesteld dat eerder al was
    geselecteerd (als dit lager is dan
    het maximale beginvolume).

    Automatische volumeregeling

    Druk op de AAN/UIT-knop [m] om het
    systeem aan te zetten.
    Bij aanzetten van het systeem wordt
    de laatst geselecteerde zender of
    song afgespeeld. (Dit is anders voor
    Bluetooth-audio, afhankelijk van het
    apparaat.)
    Druk op de AAN/UIT-knop [m] om het
    systeem uit te zetten.

    Wanneer de instelling voor rijsnel‐
    heidsafhankelijk geluidsvolume actief
    is, wordt het geluidsvolume automa‐
    tisch aangepast op basis van de rij‐
    snelheid van de auto ter compensatie
    voor het geluid van motor en banden.
    (Raadpleeg Systeemconfiguratie →
    Radio-instellingen → Automatisch
    volume).
    Draai aan de volumedraaiknop [VOL]
    om het volume in te stellen.

    Volumebegrenzing bij hoge
    temperatuur

    Wanneer binnenin de radio de tem‐
    peratuur zeer hoog wordt, begrenst
    het infotainmentsysteem het instel‐
    bare maximale volume.



  • Page 113

    Infotainmentsysteem
    Zo nodig wordt het volume automa‐
    tisch verlaagd.

    Geluidsinstellingen

    Met Geluidsinstellingen kan de klank‐
    weergave naar wens worden inge‐
    steld, afhankelijk van de functies van
    AM/FM/DAB-radio en van elke audio‐
    speler.
    Druk TONE om de betreffende func‐
    tiemodus te gebruiken.
    Draai aan de draaiknop TUNE om de
    gewenste klankinstelmodus te selec‐
    teren en druk vervolgens op MENU.

    Draai aan de draaiknop TUNE om de
    gewenste klankinstelwaarde te selec‐
    teren en druk vervolgens op MENU.
    U kunt het huidige geselecteerde item
    initialiseren door in de klankconfigu‐
    ratiemodus langdurig op MENU te
    drukken, of alle items van de klank‐
    configuratiemodus initialiseren door
    langdurig op TONE te drukken.
    Geluidsinstellingen
    ■ Bas: stel het lage tonen-niveau in
    tussen -12 tot +12.
    ■ Middenbereik: stel het middenbe‐
    reikniveau in tussen -12 tot +12.

    111

    ■ Treble: stel het hoge tonen-niveau
    in tussen -12 tot +12.
    ■ Fader: stel de balans tussen de
    voorste/achterste luidsprekers in
    vanaf voor 15 tot achter 15 bij het
    voertuigmodel met zes luidspre‐
    kers.
    ■ Balans: stel de balans tussen de
    linker/rechter luidsprekers in vanaf
    links 15 tot rechts 15.
    ■ EQ (equalizer): selecteer een
    klankstijl of zet deze functie uit
    (OFF ↔ Pop ↔ Rock ↔ Classical ↔
    Talk ↔ Country).



  • Page 114

    112

    Infotainmentsysteem

    Functies selecteren
    AM/FM- of DAB-radio (alleen voor
    modellen type 1/2-A)

    Druk op de knop RADIO BAND om
    AM/FM- of DAB-radio te selecteren
    (alleen voor modellen type 1/2-A).
    Druk op MENU om het FM-menu,
    AM-menu of DAB-menu te openen
    met daarin keuzeopties voor het se‐
    lecteren van radiozenders.

    Audio CD/MP3/USB/iPod/Bluetooth
    afspelen (alleen voor modellen type
    1/2-A/B) of externe geluidsingang
    (AUX)

    Druk herhaaldelijk op de knop
    CD/AUX om te schakelen tussen de
    functies van de audiospeler. (CD/
    MP3 → AUX → USB of iPod,
    Bluetooth-audio → CD/MP3 →....)
    Druk op het stuurwiel op de audio‐
    knop op Bron [dSRCc] om de gewen‐
    ste modus te selecteren.

    Druk op MENU om het menu te ope‐
    nen met de opties voor de betreffende
    functie, of het menu voor het betref‐
    fende apparaat (behalve voor Blue‐
    tooth-audio).



  • Page 115

    Infotainmentsysteem
    Handenvrij telefoneren met Bluetooth

    Druk op de knop AAN/UIT [m] als u de
    Bluetooth-functie voor handsfree te‐
    lefoneren wilt selecteren (alleen voor
    modellen type 1/2-A/B).

    Druk op de knop AAN/UIT [m] om
    Bluetooth te openen met de opties
    voor de betreffende functie.

    Personaliseren
    Hoofdknoppen/draaiknop

    De volgende toetsen en bedienings‐
    knop worden in de Instellingen ge‐
    bruikt.
    (12) Knop CONFIG
    Druk op deze toets om het menu
    Instellingen te openen.

    113

    (14) Knop MENU met draaiknop
    TUNE
    ■ Draai aan de draaiknop om naar
    het menu of de instellingsitem te
    gaan.
    ■ Druk de knop in om in het huidige
    menu of in het te stellen item naar
    het gedetailleerde instellingenven‐
    ster te gaan of dit te selecteren.
    (16) Knop P BACK
    Het ingevoerde item annuleren of te‐
    ruggaan naar het vorige scherm/
    menu.

    Het menu Instellingen
    gebruiken voor persoonlijke
    instellingen

    ■ Instelmenu en -functies kunnen af‐
    wijken, afhankelijk van het voertuig‐
    model.
    ■ Naslaginformatie: Informatietabel
    voor het menu Instellingen hieron‐
    der.



  • Page 116

    114

    Infotainmentsysteem

    [Voorbeeld] Instellingen → Tijd Datum
    → Datum instellen: 23 jan 2013

    Druk op CONFIG voor het menu
    Instellingen.
    Bekijk eerst de informatietabel voor
    het menu Instellingen hieronder op de
    volgende pagina en draai dan aan
    TUNE om naar het gewenste instel‐
    lingenmenu te gaan; druk vervolgens
    MENU in.

    ■ Weergegeven wordt een lijst met
    details voor het betreffende instel‐
    lingenmenu of functie.
    ■ Als de betreffende lijst met details
    nog een andere gedetailleerde lijst
    heeft, kunt u deze actie herhalen.

    Draai aan TUNE om naar de gewen‐
    ste instelwaarden of functie te gaan
    en druk MENU vervolgens in.



  • Page 117

    Infotainmentsysteem
    Informatietabel voor Instellingen
    [Talen]

    ■ Herhaal deze handeling als de be‐
    treffende gedetailleerde lijst be‐
    staat uit meerdere items.
    ■ Voer de betreffende instelwaarde in
    of wijzig deze, anders verandert de
    functie.

    De gewenste taal selecteren.

    115

    [Tijd Datum]

    Tijd instellen: Stel handmatig de uren
    en minuten in voor het huidige tijdstip.
    ■ Datum instellen: Stel handmatig het
    huidige jaar/maand/datum in.
    ■ Tijdweergave instellen: Kies voor
    de 12h- of 24h-weergave.
    ■ Datumweergave instellen: Kies de
    gewenste weergave voor de da‐
    tum.
    YYYY.MM.DD: 2013 jan. 23
    DD/MM/YYYY: 23 jan. 2013



  • Page 118

    116

    Infotainmentsysteem

    MM/DD/YYYY: jan. 23, 2013
    ■ RDS-klok synchroniseren: Selec‐
    teer Aan of Uit
    [Radio-instellingen]

    ■ Automatische volumeregeling: Stel
    in op Uit/Laag/Gemiddeld/Hoog.
    ■ Maximaal beginvolume:
    Stel handmatig de bovengrens in
    voor het beginvolume.
    ■ Radiofavorieten:
    Stel handmatig de paginanummers
    in voor uw favorieten.

    ■ AS-zenders: Stel de functie
    Zenders auto. opslaan in voor elke
    radio of DAB.
    ■ RDS-opties: Stel de RDS-opties in.
    - RDS: Aan/Uit (in- of uitschakelen
    van de functie RDS).
    - Regionaal: Aan/Uit (in- of uitscha‐
    kelen van de functie Regionaal).
    - Tekst scrollen bevriezen: Aan/Uit
    (in- of uitschakelen van de functie
    Tekst scrollen bevriezen).
    - TA-volume (verkeersinformatie):
    Stel het TA-volume in.
    ■ DAB-instellingen: Stel de DABinstellingen in.
    - Ensemble auto. koppelen: Aan/
    Uit (in- of uitschakelen van de func‐
    tie Ensemble auto. koppelen).
    - DAB-FM auto. koppelen: Aan/Uit
    (in- of uitschakelen van de functie
    DAB-FM auto. koppelen).
    - Dynamische audio-aanpassing:
    Aan/Uit (in- of uitschakelen van de
    functie Dynamische audioaanpassing).

    - Bandselectie: Stel Beide, L-band
    of Band III in.
    [Bluetooth-instellingen]

    Bluetooth: Open de Bluetoothinstellingen.
    ■ Activering: Selecteer Aan of Uit.
    ■ Apparatenlijst: Kies het gewenste
    apparaat en selecteer/koppel/
    maak los of wis.



  • Page 119

    Infotainmentsysteem
    ■ Apparaat koppelen: Probeer een
    nieuw Bluetooth-apparaat te kop‐
    pelen.
    ■ Bluetooth-code wijzigen: Voor
    handmatig wijzigen/instellen van
    de Bluetooth-code.
    Fabrieksinstellingen herstellen: Wis
    alle ingestelde waarden en herstel de
    standaardinstellingen.

    Radio
    AM/FM-radio
    Voordat u AM, FM of DAB-radio
    gebruikt (alleen voor model type
    1/2-A)
    Hoofdknoppen/draaiknop
    (10) Knop RADIO BAND
    Druk op deze toets om AM, FM of
    DAB-radio te selecteren (alleen voor
    model type 1/2-A).
    (14) Knop MENU met draaiknop
    TUNE
    ■ Draai aan deze knop om handmatig
    een zendfrequentie te vinden.
    ■ Druk op deze knop om vanuit de
    huidige modus naar het menu‐
    scherm te gaan.
    (16) Knop P BACK
    Het ingevoerde item annuleren of te‐
    ruggaan naar het vorige scherm/
    menu.

    117

    (8) Knoppen fSEEKe
    ■ Druk op deze knop om automatisch
    te zoeken naar beschikbare radioof DAB-zenders (alleen voor model
    type 1/2-A).
    ■ Houd deze knop ingedrukt om de
    radio- of DAB-frequentie naar wens
    te wijzigen en laat de knop los om
    te stoppen bij de huidige frequentie.
    (6) Knop FAVORIETEN [FAV1-2-3]
    Druk op deze knop om de pagina's
    met opgeslagen favoriete radio- of
    DAB-zenders te doorlopen.
    (3) Knoppen VOORKEUZE [1 ~ 6]
    ■ Houd een van deze VOORKEUZEknoppen ingedrukt om de huidige
    radio- of DAB-zender (alleen voor
    model type 1/2-A) onder de betref‐
    fende knop op te slaan.
    ■ Druk op deze knop om de radio‐
    zender te selecteren die onder de
    VOORKEUZE-knop is opgeslagen.
    (11) Knop TP
    Bij het gebruik van de FM RDS-func‐
    tie zet u met deze knop de functie
    TP voor verkeersinformatie Aan of
    Uit.



  • Page 120

    118

    Infotainmentsysteem

    (7) Knop INFORMATIE [INFO]
    Bekijk de informatie voor de uitgezon‐
    den radio- of DAB-zenders.
    (17) Knop STIL [@]
    Deze knop indrukken (alleen voor
    model type 2-C) of ingedrukt houden
    (alleen voor model type 1/2-A) om de
    stilschakelfunctie in of uit te schake‐
    len.

    Druk herhaalde malen op de toets
    RADIO BAND om FM-, AM- of DABband te selecteren.
    De radiozender waarop eerder al was
    afgestemd wordt ontvangen.

    Automatisch naar DABservicecomponent zoeken (alleen
    voor model type 1/2-A)

    Automatisch naar radiozender
    zoeken

    Een radio- of DAB-zender
    (alleen voor model type 1/2-A)
    beluisteren
    De radio- of DAB-modus selecteren

    Druk op de knoppen fSEEKe om au‐
    tomatisch te zoeken naar beschik‐
    bare radiozenders met een goede
    ontvangst.

    Druk op de knoppen fSEEKe om au‐
    tomatisch naar het beschikbare DABserviceonderdeel in het huidige en‐
    semble te zoeken.
    Om het vorige/volgende ensemble
    over te slaan, drukt u op de toetsen
    fSEEKe.



  • Page 121

    Infotainmentsysteem
    Naar een radiozender zoeken

    Houd de fSEEKe knoppen ingedrukt
    om de afstemfrequentie snel te wijzi‐
    gen en laat de knop dan los bij de ge‐
    wenste afstemfrequentie.

    Naar DAB-ensemble zoeken (alleen
    voor model type 1/2-A)

    Druk op de toetsen fSEEKe en houd
    deze ingedrukt om automatisch naar
    het beschikbare DAB-serviceonder‐
    deel met een goede ontvangst te zoe‐
    ken.

    119

    De DAB-service koppelen (alleen
    voor model type 1/2-A)
    [DAB-DAB aan/DAB-FM uit]

    [DAB-DAB uit/DAB-FM aan]



  • Page 122

    120

    Infotainmentsysteem

    DAB-DAB aan/DAB-FM aan

    Wanneer u de DAB-FM automatisch
    koppelen als ingeschakeld hebt inge‐
    steld en het DAB-servicesignaal is
    zwak, ontvangt het infotainmentsys‐
    teem het gekoppelde serviceonder‐
    deel automatisch (raadpleeg
    Instellingen → Radio-instellingen →
    DAB-instellingen → DAB-FM auto.
    koppelen).

    Handmatig op radiozenders
    afstemmen

    Draai aan de draaiknop TUNE om
    handmatig de gewenste zendfre‐
    quentie te vinden.

    Handmatig op een DAB-zender
    afstemmen (alleen voor model type
    1/2-A)

    Druk in de DAB-modus op MENU om
    het DAB-menu te openen.
    Draai aan TUNE om Handmatig
    afstemmen op DAB te selecteren en
    druk vervolgens MENU in.
    Draai aan de draaiknop TUNE om de
    gewenste zendfrequentie handmatig
    te vinden en druk vervolgens op de
    knop MENU.



  • Page 123

    Infotainmentsysteem
    DAB-zenderlijst gebruiken (alleen
    voor model type 1/2-A)

    De DAB-informatie weergeven
    (alleen voor model type 1/2-A)

    121

    Met behulp van de
    VOORKEUZE-knoppen
    Opslaan onder de VOORKEUZEknop

    Draai aan de draaiknop TUNE om de
    DAB-zenderlijst weer te geven.
    ■ De informatie in de DABzenderlijst wordt getoond.
    ■ Wanneer de DAB-zenderlijst leeg
    is, wordt het bijwerken van de DABzenderlijst automatisch gestart.
    Draai aan de draaiknop TUNE om de
    gewenste lijst te selecteren en druk
    op MENU om de betreffende radio‐
    zender te ontvangen.

    Druk herhaalde malen op de toets IN‐
    FORMATIE [INFO] om de gewenste
    weergavemodus voor de DAB-zen‐
    derinformatie te selecteren.
    De zendinformatie voor nummer 1 op
    de geselecteerde FAV-voorkeuzepa‐
    gina (favorieten) wordt getoond.

    Druk op een knop FAVORIETEN
    [FAV1-2-3] om de gewenste pagina
    met opgeslagen favorieten te selec‐
    teren.
    Houd een van de VOORKEUZEknoppen [1 ~ 6] ingedrukt om de hui‐
    dige radio- of DAB-zender op te slaan
    onder die knop voor de geselecteerde
    Favorietenpagina.



  • Page 124

    122

    Infotainmentsysteem

    ■ U kunt maximaal 3 favorietenpagi‐
    na's opslaan en elke pagina kan
    maximaal zes radio- DAB-zenders
    bevatten (alleen voor model type
    1/2-A).
    ■ Het is mogelijk om het aantal te ge‐
    bruiken favorietenpagina's in te
    stellen, in Instelling → Radioinstellingen → Radiofavorieten
    (max. aantal favorietenpagina's).
    ■ Wanneer een nieuwe radiozender
    wordt opgeslagen onder een
    VOORKEUZE-knop [1-6] die al een
    zender bevatte, wordt de oude in‐
    houd gewist en vervangen door de
    nieuw opgeslagen radio- of DABzender.

    Rechtstreeks luisteren via de
    VOORKEUZE-knop

    Het radio- of DAB-menu
    gebruiken

    Druk meerdere malen op FAVORIE‐
    TEN [FAV1-2-3] om de gewenste
    FAV-voorkeuzepagina met favorieten
    FAV te selecteren.
    De zendinformatie voor nummer 1 op
    de geselecteerde FAV-voorkeuzepa‐
    gina (favorieten) wordt getoond.
    Druk op een VOORKEUZE-knop
    [1-6] om rechtstreeks te luisteren naar
    de radio-/DAB-zender die onder die
    knop is opgeslagen.

    Druk op de knop MENU om het radi‐
    omenu of het DAB-menu weer te ge‐
    ven (alleen voor model type 1/2-A).
    Draai aan TUNE om naar het gewen‐
    ste menu-item te gaan en druk ver‐
    volgens op MENU om het betreffende
    item te selecteren of een detailmenu
    over het item weer te geven.



  • Page 125

    Infotainmentsysteem
    AM/FM/DAB-menu → Favorietenlijst

    Draai in het AM-menu/FM-menu/
    DAB-menu aan TUNE om de
    Favorietenlijst te selecteren en druk
    vervolgens op MENU.
    De informatie in de Favorietenlijst
    wordt getoond.
    Draai aan de draaiknop TUNE om de
    gewenste Favorietenlijst te selecte‐
    ren en druk op MENU om de betref‐
    fende radiozender te ontvangen.

    123

    AM/FM-menu → AM/FM-zenderlijst
    bijwerken

    FM/DAB-menu → FM/DABcategorielijst

    Draai in het AM-menu/FM-menu aan
    de draaiknop TUNE om naar de AMzenderlijst/FM-zenderlijst te gaan en
    druk vervolgens op de knop MENU.
    De informatie van de AM-zenderlijst/
    FM-zenderlijst wordt weergegeven.
    Draai aan de draaiknop TUNE om de
    gewenste lijst te selecteren en druk
    op MENU om de betreffende radio‐
    zender te ontvangen.

    Draai in het FM-menu/DAB-menu (al‐
    leen voor model type 1/2-A) aan de
    draaiknop TUNE om naar de FMcategorielijst/DAB-categorielijst te
    gaan en druk vervolgens op MENU.
    De FM-categorielijst/DABcategorielijst wordt weergegeven.
    Draai aan de draaiknop TUNE om de
    gewenste lijst te selecteren en druk
    op MENU om de betreffende radio‐
    frequentie te ontvangen.



  • Page 126

    124

    Infotainmentsysteem

    DAB-menu → DAB-aankondigingen
    (alleen voor model type 1/2-A)

    AM/FM/DAB-menu → AM/FM/DABzenderlijst bijwerken

    ■ Het bijwerken van de AMzenderlijst/FM-zenderlijst/DABzenderlijst wordt uitgevoerd.
    ■ Tijdens het bijwerken van de AMzenderlijst//FM-zenderlijst/DABzenderlijst drukt u op MENU of op P
    BACK als u wijzigingen niet wilt op‐
    slaan.

    Radio Data System (RDS)

    Draai in het DAB-menu (alleen voor
    model type 1/2-A) aan de draaiknop
    TUNE, ga naar DABaankondigingen en druk op de knop
    MENU.
    De DAB-aankondigingen worden
    weergegeven.
    Draai aan de draaiknop TUNE om de
    gewenste lijsten te selecteren en druk
    op MENU om de betreffende frequen‐
    tie te ontvangen.

    Draai in het AM-menu/FM-menu/
    DAB-menu aan de draaiknop TUNE
    en ga naar AM-zenderlijst bijwerken/
    FM-zenderlijst bijwerken/DABzenderlijst bijwerken en druk vervol‐
    gens op MENU.

    ■ Het radiodatasysteem (RDS) is een
    door FM-zenders meegezonden
    service die het vinden van radio‐
    zenders met een storingsvrije ont‐
    vangst vergemakkelijkt.



  • Page 127

    Infotainmentsysteem
    Configureren van RDS

    ■ RDS-zenders worden aangeduid
    met de programmanaam met de
    zendfrequentie.

    RDS-zendinformatie bekijken

    Druk terwijl een RDS-zender wordt
    ontvangen op INFORMATIE [INFO]
    om de ontvangen RDS-zendinforma‐
    tie te bekijken.

    125

    Activeren van RDS biedt de volgende
    voordelen:
    ■ Op het display verschijnt de pro‐
    grammanaam van de ingestelde
    zender in plaats van de frequentie.
    ■ Het infotainmentsysteem stem al‐
    tijd af op de zendfrequentie van de
    ingestelde zender met de beste
    ontvangst via AF (alternatieve fre‐
    quentie).

    Druk op CONFIG om het menu
    Instellingen weer te geven.
    Draai aan TUNE om naar Radioinstellingen gaan en druk vervolgens
    op MENU.
    Draai aan TUNE om RDS-opties te
    selecteren en druk vervolgens
    MENU in.

    In- en uitschakelen van RDS
    Zet de optie RDS Aan of Uit.

    Draai bij RDS-opties aan TUNE om
    naar RDS: Uit te gaan en druk vervol‐
    gens op MENU om de RDS-functie
    weer aan te zetten.



  • Page 128

    126

    Infotainmentsysteem

    In- en uitschakelen van de
    regio-instelling

    RDS moet zijn geactiveerd voor de
    regio-instelling.
    Op bepaalde tijden zenden sommige
    RDS-zenders regionaal andere pro‐
    gramma's uit op verschillende fre‐
    quenties.
    Stel de optie Regionaal (REG) in op
    Aan of Uit.
    Alleen alternatieve frequenties (AF)
    met dezelfde regionale programma's
    worden geselecteerd.
    Is de regio-instelling uitgeschakeld,
    worden alternatieve frequenties voor
    de zenders geselecteerd zonder re‐
    kening te houden met regionale pro‐
    gramma's.

    Draai bij RDS-opties aan TUNE om
    naar Regionaal: Uit te gaan en druk
    vervolgens op MENU om de functie
    Regionaal weer aan te zetten.

    De functie Tekst scrollen
    bevriezen aan- of uitzetten

    Schakel de functie Tekst scrollen
    bevriezen (voor weergave van infor‐
    matie over de programmaservices)
    aan of uit:

    Draai bij RDS-opties aan TUNE om
    naar Bladeren in tekst vastzetten:
    Uit te gaan en druk vervolgens op
    MENU om de functie Bladeren in
    tekst vastzetten weer aan te zetten.

    Volume voor verkeersberichten
    (TA)

    Het minimale volume voor verkeers‐
    berichten (TA) kan worden ingesteld.
    Het minimale volume voor de ver‐
    keersberichten kan in gelijke mate
    met het normale audiovolume worden
    verhoogd of verlaagd.



  • Page 129

    Infotainmentsysteem

    Draai in RDS-opties aan TUNE om
    naar TA-volume te gaan en druk ver‐
    volgens op MENU.
    Draai aan TUNE om het TA-volume
    niveau aan te passen en druk vervol‐
    gens op MENU.

    Radioverkeerinformatieservice

    TP - verkeersinformatie
    Zenders met radioverkeerinformatie‐
    service zijn RDS-zenders die ver‐
    keerinformatie uitzenden.
    Schakel de standby verkeersberich‐
    tenfunctie van het infotainmentsys‐
    teem in of uit:

    Buiten de telefoonmodus drukt u op
    de toets TP om de verkeersinforma‐
    tieservicefunctie in- of uit te schake‐
    len.
    ■ Is de radioverkeerinformatieservice
    ingeschakeld, wordt [ ] weergege‐
    ven in het radiohoofdmenu.

    127

    ■ Is het huidige station geen zender
    met verkeersinformatieservice, dan
    start automatisch een zoekop‐
    dracht naar de volgende zender
    met verkeersinformatieservice.
    ■ Als eenmaal een zender met ver‐
    keerinformatieservice is gevonden,
    dan wordt [TP] weergegeven in het
    radiohoofdmenu.
    ■ Is de radioverkeerinformatieservice
    ingeschakeld, dan wordt gedu‐
    rende verkeersberichten het afspe‐
    len van muziek vanaf CD/MP3/
    USB/iPod/Bluetooth (alleen voor
    modellen type 1/2-A/B).



  • Page 130

    128

    Infotainmentsysteem

    Blokkeren van
    verkeersberichten

    Blokkeren van verkeersberichten,
    bijv. tijdens afspelen van CD/MP3 of
    beluisteren van radiozenders:

    Druk buiten de telefoonmodus op TP.
    Schakel de radioverkeerinformatie‐
    service in en draai het volume van het
    infotainmentsysteem helemaal terug.
    Het verkeersbericht wordt afgebro‐
    ken, maar de radioverkeerinformatie‐
    service blijft ingeschakeld.

    Blokkeren van huidige
    verkeersberichten

    Vaste antennestaaf

    Blokkeren van een huidig verkeers‐
    bericht, bijvoorbeeld tijdens beluiste‐
    ren van een radiozender met ver‐
    keersinformatieservice:

    Om de dakantenne te verwijderen,
    moet u ze naar links draaien. Om de
    dakantenne te plaatsen, moet u ze
    naar rechts draaien.
    Druk buiten de telefoonmodus op TP.



  • Page 131

    Infotainmentsysteem
    Voorzichtig
    Zorg dat u de antenne verwijderd
    voordat u een ruimte inrijdt met
    een laag plafond, omdat het an‐
    ders beschadigd kan worden.
    Als u een automatische wasstraat
    in rijdt met een uitgetrokken an‐
    tenne, kan de antenne of het dak‐
    paneel beschadigd raken. Verwij‐
    der de antenne alvorens een au‐
    tomatische wasstraat in te rijden.
    Draai de antenne volledig vast en stel
    deze rechtop in voor een goede ont‐
    vangst.

    Audiospelers
    Cd-speler
    De CD/MP3-speler van dit systeem
    kan audio-CD's en MP3-disks (WMA)
    afspelen.

    Alvorens de CD-speler te
    gebruiken
    Belangrijke informatie over audioCD's en MP3-disks (WMA)

    Voorzichtig
    Breng in elk geval geen dvd's, mi‐
    nidisks met een diameter van 8 cm
    of schijven met abnormale opper‐
    vlakken in deze cd/mp3 (wma)speler aan.
    Plak geen stickers op het opper‐
    vlak van de disk. Zulke disks kun‐
    nen vastlopen in de cd-speler en
    het aandrijfmechanisme bescha‐
    digen. Als dit gebeurt, moet het
    apparaat tegen hoge kosten wor‐
    den vervangen.

    129

    ■ Een audio-CD met kopieerbeveili‐
    ging die niet compatibel is met de
    audio-CD-norm werkt mogelijk niet
    goed of helemaal niet.
    ■ CD-R- en CD-RW-disks die hand‐
    matig zijn opgenomen worden eer‐
    der onzorgvuldig gehanteerd dan
    originele CD's. Vooral handmatig
    opgenomen CD-R- en CD-RWdisks moeten zorgvuldig worden
    gehanteerd. Houd u aan het vol‐
    gende.
    ■ Handmatig opgenomen CD-R- en
    CD-RW-disks werken mogelijk niet
    goed of helemaal niet. In zulke ge‐
    vallen schuilt het probleem niet in
    het apparaat.
    ■ Wees voorzichtig bij het verwisse‐
    len van disks, zorg dat er geen vin‐
    gerafdrukken komen op de afspeel‐
    zijde.
    ■ Bij het verwijderen van de disk uit
    de CD/MP3-speler moet de disk di‐
    rect in een hoesje worden gedaan
    om beschadiging of stoffig worden
    te voorkomen.



  • Page 132

    130

    Infotainmentsysteem

    ■ Als zich stof afzet op de disk of deze
    nat wordt door een vloeistof, kan de
    lens van de CD/MP3-speler binnen
    in het apparaat hierdoor vervuild ra‐
    ken.
    ■ Bescherm de disk tegen hitte en
    blootstelling aan direct zonlicht.
    Bruikbare disktypen
    ■ Dit product kan audio-CD's en
    MP3-disks (WMA) afspelen.
    ◆ CD-DA: CD-R/CD-RW
    ◆ MP3 (WMA): CD-R/CD-RW/CDROM
    ■ De hieronder vermelde MP3-be‐
    standen (WMA) kunnen niet wor‐
    den afgespeeld.
    ◆ Bestanden gecodeerd volgens
    de MP3i- (interactieve MP3) of
    MP3 PRO-normen
    ◆ MP3-bestand (WMA) dat niet vol‐
    gens de norm is gecodeerd
    ◆ MP3-bestanden zonder MPEG1
    Layer 3-bestandsindeling

    Aanwijzingen bij het gebruik van
    disks
    ■ Gebruik de hieronder beschreven
    disks niet. Wanneer zulke disks te
    vaak in de speler worden gebruikt,
    kunnen er problemen ontstaan.
    ◆ Disks met stickers, labels of een
    hieraan bevestigde bescher‐
    mende cel
    ◆ Disks met een sticker bedrukt
    door een inkjetprinter
    ◆ Diks waarop te veel data is ge‐
    brand, zodat de standaardcapa‐
    citeit is overschreden
    ◆ Disks die verbogen zijn of
    scheurtjes of krassen vertonen
    worden niet goed afgespeeld
    ◆ Een disk met een doorsnede van
    8 cm of een niet-cirkelvormige
    disk (vierkant, vijfhoek, ovaal)
    ■ Steek geen andere voorwerpen
    dan disks in de disksleuf, anders
    kunt u storingen of beschadigingen
    veroorzaken.
    ■ De diskspeler werkt mogelijk niet
    goed als bij koud weer de verwar‐
    ming wordt aangezet, omdat dan








    condensvorming ontstaat binnenin
    het apparaat. Als dit problemen
    geeft, laat het apparaat dan ca. een
    uur lang uit voordat u het gebruikt.
    Het afspelen kan worden onderbro‐
    ken wanneer de auto op slechte
    wegen heen en weer schudt.
    Forceer niets bij het uitnemen of in‐
    steken van de disk en blokkeer
    deze niet met uw hand terwijl hij
    wordt uitgeworpen.
    Breng de disk in met de gedrukte
    zijde naar boven toe. Als u de disk
    omgekeerd inlegt, kan hij niet wor‐
    den afgespeeld.
    Raak de afspeelzijde niet met uw
    hand aan terwijl u de disk hanteert
    (de zijde zonder enige opdruk of
    decoratie).



  • Page 133

    Infotainmentsysteem
    ■ Berg disks die niet worden gebruikt
    op in doosjes, en bewaar ze op een
    plek waar deze niet worden bloot‐
    gesteld aan direct zonlicht of aan
    hoge temperaturen.
    ■ Smeer geen chemische middelen
    op de disk. Reinig disks met een
    iets bevochtigde, zachte doek en
    wrijf vanuit het midden naar de rand
    toe.
    Aanwijzing bij het gebruik van CD-R/
    RW-disks
    ■ Bij het gebruik van CD-R/RW-disks
    kunnen alleen disks worden ge‐
    bruikt die zijn "afgesloten".
    ■ Disks die zijn aangemaakt met een
    pc worden soms niet afgespeeld,
    dat hangt af van de instelling en
    software van het brandprogramma.
    ■ CD-R/CD-RW-disks, met name zg.
    "bulk disks", werken soms niet
    goed als ze zijn blootgesteld aan
    hoge temperaturen of direct zon‐
    licht of wanneer ze lange tijd in de
    auto zijn bewaard.

    ■ De titel en andere tekstinformatie
    opgeslagen op CD-R/CD-RWdisks worden mogelijk op dit appa‐
    raat niet weergegeven.
    ■ CD-RW-disks hebben soms een
    langere inlaadtijd nodig dan ge‐
    wone CD's of CD-R disks.
    ■ Beschadigde muziekbestanden
    worden mogelijk niet afgespeeld of
    tijdens afspelen onderbroken.
    ■ Disks met kopieerbeveiliging wor‐
    den mogelijk niet afgespeeld.
    ■ Een MP3-disk (WMA) kan maxi‐
    maal 512 bestanden bevatten in elk
    van de 10 mapniveaus; maximaal
    kunnen 999 bestanden worden af‐
    gespeeld.
    ■ Dit systeem herkent uitsluitend
    MP3-disks (WMA) die zijn aange‐
    maakt volgens het ISO-9660-ni‐
    veau 1/2 of volgens het Juliet-be‐
    standssysteem. (Het UDF-be‐
    standssysteem wordt niet onder‐
    steund.)
    ■ MP3-bestanden (WMA) zijn niet
    compatibel met dataverzending in
    schrijfpakketjes.

    131

    ■ Disks waarop MP3-bestanden
    (WMA) en audiodata (CDDA) zijn
    weggeschreven, worden mogelijk
    niet afgespeeld als het gaat om een
    CD-Extra of Mixed-Mode-CD.
    ■ De map- en bestandsnamen die
    per diskopslagtype kunnen worden
    gebruikt zijn de volgende, inclusief
    extensies met vier tekens bij de be‐
    standsnaam (.mp3).
    ◆ ISO 9660 niveau 1: maximaal
    12 tekens
    ◆ ISO 9660 niveau 2: maximaal
    31 tekens
    ◆ Joliet: maximaal 64 tekens
    (1 byte)
    ◆ Lange Windows-bestandsnaam:
    maximaal 128 tekens (1 byte)
    Aanwijzing bij het gebruik van MP3/
    WMA-muziekbestanden
    ■ Dit product speelt MP3-bestanden
    (WMA) af met de extensies .mp3
    en .wma (kleine letters) of .MP3
    en .WMA (hoofdletters) bij de be‐
    standsnaam.



  • Page 134

    132

    Infotainmentsysteem

    ■ De volgende MP3-bestanden kun‐
    nen met dit product worden afge‐
    speeld
    ◆ Transmissiesnelheid: 8 kbps ~
    320 kbps
    ◆ Samplingfrequentie: 48 kHz,
    44,1 kHz, 32 kHz (voor MPEG-1),
    24 kHz, 22,05 kHz, 16 kHz (voor
    MPEG-2)
    ■ Dit product kan bestanden afspelen
    met 8 kbps ~ 320 kbps transmissie‐
    snelheid, maar bestanden met
    transmissiesnelheid van meer dan
    128 kbps geven een kwalitatief be‐
    ter geluid.
    ■ Dit product kan ID3 Tag-informatie
    (versie 1.0, 1.1, 2.2, 2.3 of 2.4)
    weergeven voor MP3-landen, zoals
    de albumnaam en de artiest.
    ■ Om informatie over het album (dis‐
    ktitel), de song (songtitel) en de ar‐
    tiest (song artiest) weer te geven,

    moet het bestand compatibel zijn
    met de ID3 Tag V1- en V2-be‐
    standsindelingen.
    ■ Dit product kan MP3-bestanden af‐
    spelen die VBR gebruiken. Wan‐
    neer een VBR-type MP3-bestand
    wordt afgespeeld, kan de reste‐
    rende afspeeltijd afwijken van de
    werkelijk resterende afspeeltijd.

    Afspeelvolgorde voor
    muziekbestanden



  • Page 135

    Infotainmentsysteem
    Afspelen van CD's en MP3
    Hoofdknoppen/draaiknop
    (9) Knop CD/AUX
    Selecteer de CD-/MP3-speler.
    (14) Knop MENU met draaiknop
    TUNE
    ■ Draai aan TUNE voor het doorlo‐
    pen van de songlist, menu of MP3songinformatie (WMA).
    ■ Druk de knop in om het menu‐
    scherm weer te geven bij het hui‐
    dige item of de huidige modus.
    (8) Knoppen fSEEKe
    ■ Druk deze knoppen in om het vo‐
    rige of volgende nummer af te spe‐
    len.
    ■ Houd deze knoppen ingedrukt om
    binnen de song snel vooruit of terug
    te spoelen en laat de knop los om
    weer af te spelen op normale snel‐
    heid.
    (4) Knop UITWERPEN [d]
    Voor het uitwerpen van de disk.

    (7) Knop INFORMATIE [INFO] Hier‐
    mee geeft u informatie weer over de
    afgespeelde song.
    (17) Knop STIL [@]
    Deze knop indrukken (alleen voor
    model type 2-C) of ingedrukt houden
    (alleen voor model type 1/2-A) om de
    stilschakelfunctie in of uit te schake‐
    len.
    Disk erin steken

    Steek de af te spelen disk in de dis‐
    kspeler met de afgedrukte zijde naar
    boven toe.

    133

    ■ Zodra de diskinformatie is uitgele‐
    zen, wordt deze automatisch vanaf
    song 1 afgespeeld.
    ■ Wanneer een niet-leesbare disk is
    ingelegd, wordt de disk automa‐
    tisch uitgeworpen en een diskfout‐
    melding weergegeven; het sys‐
    teem schakelt vervolgens naar de
    vorige gebruikte functie of naar FMradio.

    Wanneer een af te spelen disk al is
    ingelegd, druk dan meerdere malen
    op de toets CD/AUX om CD/MP3 af‐
    spelen te selecteren.



  • Page 136

    134

    Infotainmentsysteem

    ■ Als er geen disk is om af te spelen,
    verschijnt Geen disk ingelegd op
    het scherm en wordt de functie niet
    geselecteerd.
    ■ De song die eerder werd afge‐
    speeld, speelt automatisch af.
    De disk uitwerpen

    Om de disk uit te werpen drukt u op
    de knop UITWERPEN [d] om de disk
    uit te nemen.

    ■ Terwijl de disk naar buiten komt,
    schakelt het systeem automatisch
    naar de vorige gebruikte functie of
    naar FM-radio.
    ■ Wanneer de disk na enige tijd niet
    wordt verwijderd, zal deze automa‐
    tisch weer inladen.

    Of draai aan TUNE om de songlist te
    doorlopen en vervolgens op de knop
    MENU drukken om meteen te wijzi‐
    gen.
    Een andere afspeelpositie kiezen

    Een andere song afspelen

    Druk op de fSEEKe knoppen in de
    afspeelmodus om naar de vorige of
    volgende song te gaan.
    Bij gebruik van de stuurwielbediening
    kan gemakkelijk een andere song
    worden gekozen door de bedienings‐
    knop Bron [dSRCc] te gebruiken.

    Houd de toetsen fSEEKe tijdens de
    afspeelmodus ingedrukt om binnen
    de song snel vooruit of terug te spoe‐
    len. Laat de knop los om de song
    weer op de normale snelheid af te
    spelen.
    Tijdens vooruit- en terugspoelen is
    het geluidsvolume iets verminderd en
    wordt de afspeeltijd weergegeven.



  • Page 137

    Infotainmentsysteem
    Informatie over afgespeelde song
    bekijken

    Druk in de afspeelmodus op INFOR‐
    MATIE [INFO] om informatie te bekij‐
    ken over de song die wordt afge‐
    speeld.
    Wanneer er op audio-CD's geen in‐
    formatie bestaat over de afgespeelde
    song, toont het systeem Geen
    informatie.
    Bij MP3-songs (WMA) kan extra in‐
    formatie worden bekeken door tijdens
    de weergave van songinformatie aan
    TUNE te draaien.

    ■ De weergegeven informatie omvat
    de bestandsnaam, mapnaam en de
    ID3 Tag-informatie die bij de song
    is opgeslagen.
    Wanneer de ID3 Tag-informatie
    (zoals artiest, songtitel) werd toe‐
    gevoegd aan MP3- bestanden
    (WMA) voordat deze op schijf wer‐
    den gebrand, wordt deze informatie
    "as is" weergegeven door het info‐
    tainmentsysteem.
    Foutieve ID3 Tag-informatie kan
    niet worden gewijzigd of gecorri‐
    geerd door het infotainmentsys‐
    teem (ID3 Tags kunnen alleen op
    een pc worden gecorrigeerd).
    ■ Wanneer informatie bij songs de
    vorm heeft van speciale symbolen
    of is beschreven in niet-beschik‐
    bare talen, wordt deze weergege‐
    ven als ---- of helemaal niet.

    135

    Het CD-menu gebruiken
    De afspeelmodus wijzigen

    Druk in de afspeelmodus op MENU
    om het CD-menu weer te geven.



  • Page 138

    136

    Infotainmentsysteem

    Draai aan TUNE om de functies wil‐
    lekeurig afspelen of afspelen herha‐
    len te selecteren en druk vervolgens
    op MENU om de betreffende functies
    Aan of Uit te zetten.

    CD-menu → Songlist

    CD-menu → Zoeken in mappen

    Draai bij audio-CD's in het CD-menu
    aan de draaiknop TUNE om de song‐
    list te selecteren en druk vervolgens
    op MENU.
    Draai aan TUNE om de gewenste
    songlist te vinden en druk vervolgens
    op MENU om de geselecteerde song
    af te spelen.

    Draai bij MP3-disks (WMA) in het CDmenu aan de bedieningsknop TUNE
    om Mappen te selecteren en druk ver‐
    volgens op MENU.
    Draai aan de draaiknop TUNE om de
    gewenste map te selecteren en druk
    vervolgens op MENU.
    Draai aan TUNE om de gewenste
    song te vinden en druk vervolgens op
    MENU om de geselecteerde song
    vanuit de geselecteerde map af te
    spelen.



  • Page 139

    Infotainmentsysteem
    CD-menu → Zoeken...

    Draai bij MP3-disks (WMA) in het CDmenu aan de draaiknop TUNE om
    Zoeken... te selecteren en druk ver‐
    volgens op MENU.
    ■ Nadat het systeem de diskinforma‐
    tie heeft uitgelezen, wordt de eerste
    song van de playlist [iP] weergege‐
    ven.

    137

    ■ Als de playlist [iP] geen muziekbe‐
    standen bevat, wordt de eerste
    song voor elke artiest [iA] weerge‐
    geven.
    ■ Het kan soms lange tijd duren voor‐
    dat de disk geheel is uitgelezen, af‐
    hankelijk van het aantal muziekbe‐
    standen.

    Draai aan de draaiknop TUNE om het
    gedetailleerde classificatie-item te
    selecteren en druk vervolgens op
    MENU.

    Druk opnieuw op MENU en draai,
    vanuit het weergegeven zoekitem,
    aan TUNE om de gewenste afspeel‐
    modus te selecteren.
    Het aantal relevante nummers wordt
    weergegeven per Playlist [iP]/Artiest
    [iA]/Album [iL]/Titel [iS]/Genre [iG].



  • Page 140

    138

    Infotainmentsysteem

    Draai aan TUNE om de gewenste
    song/titel te vinden en druk vervol‐
    gens op MENU om de geselecteerde
    song af te spelen.

    Randapparatuur
    USB-speler (alleen voor model
    type 1/2-A/B)
    Aanwijzingen bij het gebruik van
    USB-apparatuur
    ■ De werking kan niet worden gega‐
    randeerd als u een USB-adapter
    gebruikt om een USB-apparaat
    voor massaopslag met inge‐
    bouwde harddisk of een CF- of SDgeheugenkaart aan te sluiten. Ge‐
    bruik een USB-dataopslagappa‐
    raat van het flashgeheugentype.
    ■ Pas op en voorkom ontlading van
    statische elektriciteit bij het aanslui‐
    ten of losmaken met USB. Wan‐
    neer aansluiten en losmaken in
    korte tijd vaak worden herhaald,
    kan er een probleem ontstaan met
    het gebruik van het apparaat.

    ■ Om het USB-apparaat los te maken
    gebruikt u USB-menu → USB
    verwijderen met gebruik van de
    knop MENU met draaiknop TUNE
    om verwijderen van het USB-appa‐
    raat uit te voeren.
    ■ De correcte werking is niet gega‐
    randeerd wanneer het USB-appa‐
    raat geen metalen aansluitelement
    heeft.
    ■ Aansluiten van USB-opslagappa‐
    ratuur van het i-Stick-type geeft mo‐
    gelijk storingen door trillingen van
    de auto, daarom kan de werking er‐
    van niet worden gegarandeerd.
    ■ Wees voorzichtig en raak de USBaansluiting niet aan met een voor‐
    werp of enig deel van uw lichaam.
    ■ Het USB-opslagapparaat wordt al‐
    leen herkend wanneer dit is gefor‐
    matteerd in een FAT 16/32-be‐
    standsindeling. Alleen apparaten
    met een toegewezen grootte per
    eenheid van 512 byte/sector of
    2048 byte/sector kunnen worden
    gebruikt. NTFS- en andere be‐
    standsystemen worden niet her‐
    kend.

    ■ Afhankelijk van het type en de op‐
    slagcapaciteit van het USB-opslag‐
    apparaat en het type opgeslagen
    bestand, kan de tijd vereist voor
    herkenning van bestanden afwij‐
    ken. In zo'n geval bestaat er geen
    probleem met het product, dus
    wacht tot de bestanden zijn ver‐
    werkt.
    ■ Bestanden in sommige USB-op‐
    slagapparaten worden soms niet
    herkend door compatibiliteitspro‐
    blemen; aansluitingen met een ge‐
    heugenlezer of een USB-hub wor‐
    den niet ondersteund. Controleer
    de werking van het apparaat in de
    auto voordat u dit gebruikt.
    ■ Wanneer apparaten zoals een
    MP3-speler, mobiele telefoon of di‐
    gitale camera via een draagbare
    disk worden aangesloten, zullen
    deze mogelijk niet normaal werken.
    ■ Ontkoppel het USB-opslagappa‐
    raat niet terwijl dit wordt afge‐
    speeld. U kunt zo schade aan het
    product veroorzaken of de werking
    van het USB-apparaat gaat hier‐
    door achteruit.



  • Page 141

    Infotainmentsysteem
    ■ Ontkoppel het aangesloten USBopslagapparaat nadat in de auto
    het contact is afgezet. Als u het
    contact afzet terwijl het USB-op‐
    slagapparaat is aangesloten, kan
    het USB-opslagapparaat bescha‐
    digd raken of in sommige gevallen
    niet normaal werken.

    Voorzichtig
    Alleen USB-opslagmedia voor af‐
    spelen van muziek kunnen op dit
    product worden aangesloten.
    De USB-aansluiting van het pro‐
    duct mag niet worden gebruikt
    voor het opladen van USB-appa‐
    ratuur, omdat de daarbij veroor‐
    zaakte warmteontwikkeling de
    werking van de USB-aansluiting
    kan verslechteren of schade aan
    het product kan aanbrengen.
    ■ Wanneer het logisch volume wordt
    gescheiden van een USB-apparaat
    voor massaopslag, kunnen alleen
    de bestanden vanaf het bovenste
    niveau van het logisch volume als
    USB-muziekbestanden worden af‐

    gespeeld. Om deze reden dienen
    af te spelen muziekbestanden
    steeds te worden opgeslagen in het
    bovenste-niveau volume van het
    apparaat. Muziekbestanden in
    sommige USB-opslagapparaten
    zullen mogelijk ook niet normaal af‐
    spelen wanneer een toepassing
    wordt geladen door binnen het
    USB-apparaat een afzonderlijk vo‐
    lume te partitioneren.
    ■ Muziekbestanden waarop DRM
    (Digital Right Management) van
    toepassing is, kunnen niet worden
    afgespeeld.
    ■ Dit product kan USB-opslagappa‐
    raten ondersteunen met een op‐
    slagcapaciteit tot 16 GB, maar be‐
    perkt tot 999 bestanden, 512 map‐
    pen en een mappenstructuur tot 10
    niveaus. Een normaal gebruik kan
    niet worden gegarandeerd bij op‐
    slagapparatuur die deze limieten
    overschrijdt.

    139

    Aanwijzingen bij het gebruik van
    USB-muziekbestanden
    ■ Beschadigde muziekbestanden
    kunnen tijdens afspelen worden on‐
    derbroken of worden mogelijk he‐
    lemaal niet afgespeeld.
    ■ Mappen en muziekbestanden wor‐
    den weergegeven in volgorde van
    Symbool → Nummer → Taal.
    ■ Maximaal 64 tekens kunnen binnen
    het Joliet-bestandssysteem wor‐
    den herkend als map- of bestands‐
    namen.
    Over MP3-muziekbestanden (WMA)
    ■ De volgende MP3-bestanden kun‐
    nen worden afgespeeld.
    ◆ Transmissiesnelheid: 8 kbps ~
    320 kbps
    ◆ Samplingfrequentie:
    48 kHz, 44,1 kHz, 32 kHz (voor
    MPEG-1)



  • Page 142

    140









    Infotainmentsysteem

    24 kHz, 22,05 kHz, 16 kHz (voor
    MPEG-2)
    Dit product geeft MP3-bestanden
    (WMA) weer met mp3 of .wma
    (kleine letters) of .MP3 of .WMA
    (hoofdletters) als extensies bij de
    bestandsnaam.
    Dit product kan voor MP3-bestan‐
    den ID3 tag-informatie (versie 1.0,
    1.1, 2.2, 2.3, 2.4) weergeven over
    album, artiest etc.
    De map- en bestandsnamen die
    volgens het opslagtype kunnen
    worden gebruikt zijn de volgende,
    inclusief de bestandsnaamextensie
    met vier tekens (.mp3).
    ◆ ISO 9660 niveau 1: maximaal
    12 tekens
    ◆ ISO 9660 niveau 2: maximaal
    31 tekens
    ◆ Joliet: maximaal 64 tekens
    (1 byte)
    ◆ Lange Windows-bestandsnaam:
    maximaal 128 tekens (1 byte)
    Dit product kan MP3-bestanden af‐
    spelen die VBR gebruiken. Wan‐
    neer een MP3-bestand van het

    VBR-type wordt afgespeeld, kan de
    resterende afspeeltijd afwijken van
    de werkelijk resterende afspeeltijd.
    Hoofdknoppen/draaiknop
    De volgende hoofdknoppen en draai‐
    knoppen worden gebruikt om USBmuziekbestanden af te spelen.
    (9) Knop CD/AUX
    Druk de knop meerdere malen in ter‐
    wijl het USB-apparaat is aangesloten
    om de USB-afspeelmodus selecte‐
    ren.
    (14) Knop MENU met draaiknop
    TUNE
    ■ Draai aan de draaiknop voor het
    doorlopen van de songlist, menu of
    MP3-songinformatie (WMA).
    ■ Druk de knop in om het menu‐
    scherm weer te geven bij het hui‐
    dige item of de huidige modus.

    (8) Knoppen fSEEKe
    ■ Druk deze knoppen in om het vo‐
    rige of volgende nummer af te spe‐
    len.
    ■ Houd deze knoppen ingedrukt om
    snel vooruit of terug te spoelen en
    laat dan weer los om op normale
    snelheid af te spelen.
    (7) Knop INFORMATIE [INFO]
    Toont de informatie van de afge‐
    speelde opname.
    (16) Knop P BACK
    Annuleer het ingevoerde item of ga
    terug naar het vorige menu.
    (17) Knop STIL [@]
    Houd de knop ingedrukt om de stil‐
    schakelfunctie aan of uit te zetten.



  • Page 143

    Infotainmentsysteem
    Aansluiten van het USBopslagapparaat

    Sluit het USB-opslagmedium met af
    te spelen muziekbestanden aan op
    de USB-aansluiting.

    ■ Zodra het product gereed is met het
    inlezen van de informatie op het
    USB-opslagapparaat, zal het auto‐
    matisch afspelen.
    ■ Wanneer een niet-leesbaar USBopslagapparaat is aangesloten,
    verschijnt een foutmelding en scha‐
    kelt het product automatisch naar
    de vorige gebruikte functie of naar
    de FM-radio.
    Wanneer het af te spelen USB-op‐
    slagapparaat al is aangesloten, drukt
    u meerdere malen op CD/AUX om de
    USB-speler te selecteren.

    141

    Hij zal dan automatisch afspelen
    vanaf het punt waarop afspelen eer‐
    der werd onderbroken.
    De functies van de USB-speler wor‐
    den verder op identieke wijze bediend
    als bij afspelen van CD's en MP3-be‐
    standen.
    Afspelen van USB-muziekbestanden
    beëindigen
    Druk op RADIO BAND of CD/AUX om
    andere functies te selecteren.
    Om afspelen te beëindigen en het
    USB-opslagapparaat te ontkoppelen,
    gaat u naar de functie USB-menu →
    USB verwijderen om het USB-opslag‐
    apparaat veilig te verwijderen.
    Het USB-menu gebruiken
    De functiebeschrijving voor Songs
    willekeurig afspelen/Herhalen/
    Mappen/Zoeken... vanuit het USBmenu is identiek aan die in het CDmenu voor de CD-/MP3-speler; uit‐
    sluitend het USB verwijderen item is
    toegevoegd. Raadpleeg de functies
    voor de CD/MP3-speler vanuit het
    CD-menu.



  • Page 144

    142

    Infotainmentsysteem

    USB-menu → USB verwijderen

    Druk in de afspeelmodus op MENU
    om het USB-menu weer te geven.
    Draai aan TUNE om naar USB
    verwijderen te gaan en druk vervol‐
    gens op MENU om de melding weer
    te geven die aangeeft dat het USBapparaat veilig kan worden verwij‐
    derd.
    Ontkoppel het USB-apparaat van de
    USB-aansluiting.
    Ga terug naar de vorige in gebruik
    zijnde functie.

    iPod-speler (alleen voor model
    type 1/2-A/B)
    Hoofdknoppen/draaiknop
    De volgende hoofdknoppen en draai‐
    knop worden gebruikt om iPod-mu‐
    ziekbestanden af te spelen.
    (9) Knop CD/AUX
    Druk wanneer de iPod is aangesloten
    de knop meerdere malen in om de
    iPod- afspeelmodus te selecteren.
    (14) Knop MENU met draaiknop
    TUNE
    ■ Draai aan de draaiknop om de cur‐
    sor te verplaatsen en de songlist
    weer te geven die wordt afge‐
    speeld.
    ■ Druk de knop in om het menu‐
    scherm weer te geven bij het hui‐
    dige item of de huidige modus.

    (8) Knoppen fSEEKe
    ■ Druk deze knoppen in om het vo‐
    rige of volgende nummer af te spe‐
    len.
    ■ Houd deze knoppen ingedrukt om
    snel vooruit of terug te spoelen en
    laat dan weer los om op normale
    snelheid af te spelen.
    (7) Knop INFORMATIE [INFO]
    Toont de informatie van de afge‐
    speelde opname.
    (16) Knop P BACK
    Annuleer het vorige item of ga terug
    naar het vorige menu.
    (17) Knop STIL [@]
    De knop indrukken (alleen voor mo‐
    dellen type 2-C) of ingedrukt houden
    (alleen voor modellen type 1/2-A) om
    de stilschakelfunctie in of uit te scha‐
    kelen.



  • Page 145

    Infotainmentsysteem
    De iPod-speler aansluiten

    Sluit de iPod met af te spelen muziek‐
    bestanden aan op de USB-aanslui‐
    ting.
    ■ Sommige iPod/iPhone-productmo‐
    dellen worden wellicht niet onder‐
    steund.
    ■ Sluit de iPod alleen op dit product
    aan met aansluitkabels die door
    iPod-producten worden onder‐
    steund. Andere verbindingskabels
    zijn niet bruikbaar.

    143

    product automatisch naar de vorige
    gebruikte functie of naar de FM-ra‐
    diofunctie.

    ■ In sommige gevallen kan het iPodproduct worden beschadigd wan‐
    neer het contact wordt uitgezet ter‐
    wijl de iPod nog aan het product is
    aangesloten.
    Wanneer het iPod-product niet in
    gebruik is, maak dit dan los van het
    product terwijl het contact is uitge‐
    zet.
    ■ Zodra het product gereed is met het
    inlezen van de informatie op de
    iPod, zal het automatisch afspelen.
    ■ Wanneer een niet-leesbare iPod is
    aangesloten, verschijnt hierover
    een foutmelding en schakelt het

    Wanneer de af te spelen iPod al is
    aangesloten, druk dan meerdere ma‐
    len op CD/AUX om de iPod-speler te
    selecteren.
    ■ Hij zal dan automatisch afspelen
    vanaf het punt waarop afspelen
    eerder werd onderbroken.



  • Page 146

    144

    Infotainmentsysteem

    ■ De bij dit product gebruikte afspeel‐
    functies en de items voor informa‐
    tieweergave op de iPod-speler kun‐
    nen afwijken van de iPod als het
    gaat om de afspeelvolgorde, wer‐
    king en getoonde informatie.
    ■ Bekijk de volgende tabel voor de
    classificatie van zoekfunctie-items
    zoals het iPod-product die hanteert.

    De speelfuncties van de iPod worden
    op soortgelijke wijze bediend als bij
    afspelen van CD's en MP3-bestan‐
    den.

    Uitloggen na afspelen van iPod
    Om het afspelen te beëindigen drukt
    u op RADIO BAND of CD/AUX om
    andere functies te selecteren.
    Het iPod-menu gebruiken
    In het iPod-menu zijn de instructies
    voor Songs willekeurig afspelen/
    Herhalen/Zoeken... (inclusief Audio‐
    books en Componisten) identiek aan
    die in het CD-menu van de CD/MP3speler; alleen het item iPod
    uitwerpen is toegevoegd.
    Raadpleeg om te gebruiken elk item
    in het CD/MP3-menu.
    iPod-menu → iPod uitwerpen

    Druk in de afspeelmodus op MENU
    om het iPod-menu weer te geven.
    Draai aan TUNE om naar de functie
    iPod uitwerpen te gaan en druk ver‐
    volgens op MENU om de melding
    weer te geven die aangeeft dat het
    apparaat veilig kan worden verwij‐
    derd.
    Ontkoppel het iPod-apparaat van de
    USB-aansluiting.
    Ga terug naar de vorige in gebruik
    zijnde functie.

    Ingang voor externe spelers
    (AUX)
    Hoofdknoppen/draaiknop
    De volgende hoofdknoppen en draai‐
    knoppen gebruikt u om te genieten
    van de rijke klank van het Infotain‐
    mentsysteem nadat een externe spe‐
    ler op de AUX- ingang is aangesloten.
    (9) Knop CD/AUX
    Wanneer een externe muziekspeler
    is aangesloten, drukt u meerdere ma‐
    len op de knop om de AUX-ingang
    voor externe spelers te selecteren.
    (2) Draaiknop VOLUME [VOL]



  • Page 147

    Infotainmentsysteem
    Draai aan de draaiknop om het vo‐
    lume in te stellen.
    (17) Knop STIL [@]
    Houd de knop ingedrukt om de stil‐
    schakelfunctie aan of uit te zetten.

    ■ Het infotainmentsysteem schakelt
    automatisch naar de ingang voor
    extern geluid (AUX) zodra de ex‐
    terne audiospeler wordt aangeslo‐
    ten.

    Een externe speler aansluiten
    Sluit de audio-uitgang van de externe
    audiospeler aan op de AUX-ingang 1
    of 2 (optioneel).

    ■ AUX 1: ondergebracht in het info‐
    tainmentapparaat
    AUX 2: ondergebracht binnenin het
    handschoenenkastje bij de voor‐
    passagiersstoel

    Druk op CD/AUX om over te schake‐
    len naar de ingang voor extern geluid
    als het externe audiosysteem al was
    aangesloten.
    Draai aan de draaiknop VOLUME
    [VOL] om het volume in te stellen.

    145

    Telefoon
    Bluetooth®
    Hoofdknoppen/draaiknop

    De volgende hoofdknoppen en draai‐
    knop worden gebruikt om muziekbe‐
    standen af te spelen of om telefoon‐
    functies via een Bluetooth-apparaat
    te gebruiken.
    (9) Knop CD/AUX
    Wanneer een Bluetooth-apparaat
    met een muziekspelerfunctie is aan‐
    gesloten, drukt u meerdere malen op
    deze knop om de Bluetooth-audioaf‐
    speelfunctie te selecteren.
    (14) Knop MENU met draaiknop
    TUNE
    ■ Druk in de Bluetooth-telefoonmo‐
    dus op deze knop om het menu‐
    scherm weer te geven.
    ■ Draai aan de draaiknop om naar
    het menu of de instellingswaarde te
    gaan.



  • Page 148

    146

    Infotainmentsysteem

    (8) Knoppen fSEEKe
    ■ Druk op deze knoppen in de Blue‐
    tooth-audioafspeelmodus om naar
    de vorige of volgende song te gaan.
    ■ Houd deze knoppen ingedrukt om
    snel vooruit of terug te spoelen en
    laat weer los om op normale snel‐
    heid af te spelen.
    (17) TELEFOON [y] / STIL [@]
    ■ Druk op deze knop om de Blue‐
    tooth-modus te activeren.
    ■ Houd de knop ingedrukt om de stil‐
    schakelfunctie aan of uit te zetten.

    Bluetooth koppelen
    Het Bluetooth-apparaat aanmelden
    Meld het te koppelen Bluetooth-ap‐
    paraat aan bij het infotainmentsys‐
    teem.
    Stel eerst in het menu Bluetoothinstellingen het te koppelen Blue‐
    tooth-apparaat in, zodat andere ap‐
    paraten kunnen zoeken naar het
    Bluetooth-apparaat.

    Druk op CONFIG, druk op de knop
    MENU met draaiknop TUNE om naar
    Telefoonmenu → Bluetoothinstellingen → Bluetooth → Apparaat
    toevoegen te gaan en druk vervol‐
    gens op MENU.
    ■ U kunt Bluetooth-apparaten aan‐
    melden met de toets CONFIG maar
    ook via Telefoonmenu → Bluetoothinstellingen → Bluetooth →
    Apparaat toevoegen.

    ■ Wanneer er al een Bluetooth-appa‐
    raat is gekoppeld aan het infotain‐
    mentsysteem, verschijnt het bericht
    Bluetooth is bezig.
    ■ Weergegeven wordt "Verbinding
    standby", samen met een bericht
    en een veiligheidscode. (De begin‐
    waarde is 0000, u kunt dit wijzigen
    via Instellingen → Bluetoothinstellingen → Bluetooth →
    Bluetooth-code wijzigen.)
    Het infotainmentsysteem kan worden
    gevonden door te zoeken naar het te
    koppelen Bluetooth-apparaat.
    Voer via het Bluetooth-apparaat de
    veiligheidscode voor het infotain‐
    mentsysteem in.
    Wanneer de aanmelding van het aan
    het infotainmentsysteem te koppelen
    apparaat succesvol was, toont het
    scherm informatie over het Bluetoothapparaat.



  • Page 149

    Infotainmentsysteem
    Bluetooth-apparaten koppelen/
    verwijderen/losmaken

    ■ Bij het infotainmentsysteem kun‐
    nen maximaal vijf Bluetooth-appa‐
    raten worden aangemeld.
    ■ Sommige Bluetooth-apparatuur
    kan alleen worden gebruikt wan‐
    neer het item Altijd koppelen is in‐
    gesteld.

    147

    Druk op CONFIG, druk op de knop
    MENU met draaiknop TUNE om naar
    Instellingen → Bluetooth-instellingen
    → Bluetooth → Apparatenlijst te gaan
    en druk vervolgens op MENU.

    Voorzichtig
    Wanneer er al een Bluetooth-ap‐
    paraat is aangesloten, moet dat
    apparaat eerst worden losgekop‐
    peld.
    Stel eerst in het menu Bluetoothinstellingen het te koppelen Blue‐
    tooth-apparaat in, zodat andere ap‐
    paraten kunnen zoeken naar het
    Bluetooth-apparaat.

    Gebruik de knop MENU met draai‐
    knop TUNE om vanuit het aange‐
    melde Bluetooth-apparaat naar het te
    koppelen apparaat te gaan en druk
    vervolgens op MENU.



  • Page 150

    148

    Infotainmentsysteem

    U kunt aanmelden door de knop
    MENU met draaiknop TUNE te ge‐
    bruiken, naar item selecteren te gaan,
    naar item wissen te gaan om te wis‐
    sen en vervolgens op MENU te druk‐
    ken.

    Het huidige gekoppelde Bluetoothapparaat ontkoppelen, Selecteer in
    het apparatenlijstscherm het gekop‐
    pelde apparaat, waarbij dan
    Ontkoppelen zal zijn weergegeven.
    Druk vervolgens op MENU.
    Aanwijzingen bij aanmelden/
    koppelen aan Bluetooth
    ■ Wanneer een apparaat niet aan
    Bluetooth kan worden gekoppeld,
    wis dan de hele apparatenlijst uit de
    te koppelen Bluetooth-apparaat en
    probeer het opnieuw. Wanneer ook
    wissen van de hele apparatenlijst
    niet werkt, breng dan de batterij op‐
    nieuw aan en koppel opnieuw.

    ■ Wanneer er een probleem optreedt
    nadat het Bluetooth-apparaat is ge‐
    koppeld, gebruik dan de knop
    MENU met draaiknop TUNE om
    Instellingen → Bluetoothinstellingen → Fabrieksinstellingen
    herstellen uit te voeren.
    Initialiseer het apparaat met het
    probleem, veroorzaakt door een
    fout opgetreden tijdens het koppe‐
    len van het Bluetooth-apparaat aan
    het infotainmentsysteem.
    ■ Soms kan Bluetooth alleen worden
    gekoppeld via de handenvrij bellenfunctie of de Bluetooth audioaf‐
    speelfunctie, ook al is een stereoheadset aangesloten. Probeer in
    zo'n geval het infotainmentsysteem
    opnieuw te koppelen met gebruik
    van het Bluetooth-apparaat.
    ■ Bij Bluetooth-apparatuur die geen
    stereo-headsets ondersteunt, kan
    de Bluetooth-audioafspeelfunctie
    niet worden gebruikt.
    ■ U kunt geen muziek beluisteren via
    Bluetooth-audio wanneer een
    iPhone is aangesloten via een



  • Page 151

    Infotainmentsysteem
    USB-aansluiting. Dit komt door de
    unieke specificaties van de mobiele
    telefoon.

    Bluetooth-audio afspelen

    Audio via Bluetooth
    Afspelen van Bluetooth-audio
    ■ Een mobiele telefoon of Bluetoothapparaat dat A2DP-versies (Ad‐
    vanced Audio Distribution Profile)
    van na 1.2 ondersteunt, moet wor‐
    den aangemeld en gekoppeld aan
    het product.
    ■ Vind vanuit de mobiele telefoon of
    het Bluetooth-apparaat het Blue‐
    tooth-apparaattype om het item in
    te stellen/te koppelen als een ste‐
    reo-headset.
    Er verschijnt een muzieknootpicto‐
    gram [n] in de rechterbenedenhoek
    van het scherm als de stereo-head‐
    set met succes is gekoppeld.
    ■ Sluit de mobiele telefoon niet aan
    via de Bluetooth-aansluiting. Er kan
    zich een storing voordoen terwijl de
    telefoon is aangesloten tijdens de
    CD/MP3- en Bluetooth-audioaf‐
    speelmodus.

    Druk meerdere malen op CD/AUX om
    de audioafspeelmodus van het ge‐
    koppelde Bluetooth-apparaat te se‐
    lecteren.
    Als het Bluetooth-apparaat niet ge‐
    koppeld is, kunt u deze functie niet
    selecteren.
    Na aanzetten van de mobiele tele‐
    foon of het Bluetooth-apparaat wor‐
    den de muziekbestanden afgespeeld.

    149

    ■ Het door het Bluetooth-apparaat af‐
    gespeeld geluid is hoorbaar via het
    infotainmentsysteem.
    ■ Om Bluetooth-audio te kunnen af‐
    spelen, moet de muziek minstens
    eenmaal zijn afgespeeld vanaf de
    muziekspeelfunctie van de mobiele
    telefoon of vanaf het Bluetooth-ap‐
    paraat, nadat dit als stereo-headset
    is gekoppeld. Na minstens een‐
    maal te zijn afgespeeld zal de mu‐
    ziekspeler automatisch afspelen
    als deze in de afpeelmodus komt,
    en zal hij automatisch stoppen zo‐
    dra de muziekafspeelmodus wordt
    beëindigd. Als de mobiele telefoon
    of het Bluetooth-apparaat zich niet
    in de wachtschermmodus bevin‐
    den, zullen sommige apparaten
    mogelijk niet automatisch afspelen
    in de Bluetooth-audioafspeelfunc‐
    tie.
    Druk op fSEEKe om naar het vorige
    of volgende nummer te gaan of houd
    deze knoppen ingedrukt om snel
    vooruit of terug te spoelen.



  • Page 152

    150

    Infotainmentsysteem

    ■ Deze functie werkt alleen met Blue‐
    tooth-apparaten die de AVRCPversie (Audio Video Remote Con‐
    trol Profile) 1.0 of hoger ondersteu‐
    nen. (Afhankelijk van de opties voor
    het Bluetooth-apparaat zullen som‐
    mige apparaten bij de eerste kop‐
    peling "AVRCP wordt gekoppeld"
    weergeven.)
    ■ De informatie over het afspelen van
    de song en de positie in de song
    wordt niet weergegeven op het
    scherm van het infotainmentsys‐
    teem.
    Aanwijzingen bij het afspelen van
    Bluetooth-audio
    ■ Spring niet te snel heen en weer
    tussen songs bij het afspelen van
    Bluetooth-audio.
    Het kostte enige tijd om data vanuit
    de mobiele telefoon naar het info‐
    tainmentsysteem te verzenden.
    ■ Het infotainmentsysteem verzendt
    de afspeelopdracht vanuit de mo‐
    biele telefoon in de Bluetooth-audi‐
    oafspeelmodus. Wanneer dit in een
    andere modus gebeurt, zendt het

    apparaat de opdracht om te stop‐
    pen.
    Afhankelijk van de opties van de
    mobiele telefoon, is enige tijd nodig
    om deze opdracht tot afspelen/
    stoppen te activeren.
    ■ Als de mobiele telefoon of het Blue‐
    tooth-apparaat zich niet in de
    wachtschermmodus bevindt, zullen
    deze mogelijk niet automatisch af‐
    spelen, ook al wordt de opdracht
    uitgevoerd in de Bluetooth-audioaf‐
    speelmodus.
    Als de Bluetooth-audioafspeelfunc‐
    tie niet werkt, controleer dan of de
    mobiele telefoon zich in de wacht‐
    schermmodus bevindt.
    ■ Soms kan tijdens het afspelen van
    Bluetooth-audio de geluidsweer‐
    gave stokken. Het infotainmentsys‐
    teem verwerkt het audiosignaal
    vanaf de mobiele telefoon of het
    Bluetooth-apparaat terwijl dit wordt
    gezonden.

    Bluetooth-foutmeldingen en
    maatregelen
    ■ Bluetooth uitgeschakeld
    Controleer of de Bluetooth-active‐
    ring is ingeschakeld. De Bluetoothfunctie kan worden gebruikt zodra
    Bluetooth-activering is ingescha‐
    keld.
    ■ Bluetooth is bezig
    Controleer of er andere gekoppelde
    Bluetooth-apparaten zijn. Om een
    ander apparaat te koppelen, ont‐
    koppelt u eerst eventuele overige
    gekoppelde apparatuur en koppelt
    u vervolgens opnieuw.
    ■ Apparatenlijst is vol
    Controleer of er minder dan 5 aan‐
    gemelde apparaten zijn. Er kunnen
    niet meer dan 5 apparaten zijn aan‐
    gemeld.
    ■ Geen contactenlijst beschikbaar
    Dit bericht verschijnt als de mobiele
    telefoon het overbrengen van con‐
    tactpersonen niet ondersteunt. Als
    dit bericht na een aantal pogingen



  • Page 153

    Infotainmentsysteem
    verschijnt, ondersteunt het appa‐
    raat het overbrengen van contact‐
    personen niet.

    Voorzichtig

    Telefoon met
    handsfreefunctie
    Een oproep beantwoorden

    Het bericht wordt getoond wan‐
    neer de overdracht van contact‐
    personen wordt ondersteund ter‐
    wijl eveneens informatie met een
    apparaatfout wordt overgebracht.
    Voer als dit gebeurt opnieuw een
    update voor het apparaat uit.
    ■ Contactenlijst is leeg
    Dit bericht wordt weergegeven als
    er in de mobiele telefoon geen te‐
    lefoonnummers zijn opgeslagen.
    Dit bericht verschijnt ook wanneer
    overdracht van het telefoonlogboek
    wel wordt ondersteund, maar zoda‐
    nig dat het infotainmentsysteem dit
    niet ondersteunt.

    151

    Voorzichtig
    Het is mogelijk om uw ringtone
    over te brengen, afhankelijk van
    de mobiele telefoon. Pas het ring‐
    tonevolume van de mobiele tele‐
    foon aan als het volume te laag is.
    Om dan een telefoongesprek te voe‐
    ren, drukt u op de stuurwielbediening
    op de audioknop of u draait TUNE
    naar de beantwoordingsfunctie; druk
    vervolgens MENU in.

    Wanneer u een telefonische oproep
    ontvangt via de mobiele telefoon met
    Bluetooth-aansluiting, wordt de afge‐
    speelde song onderbroken. De tele‐
    foon geeft een geluidssignaal en
    toont de relevante informatie.



  • Page 154

    152

    Infotainmentsysteem

    ■ Om een oproep te negeren drukt u
    op de knop Ophangen [n] op de
    stuurwielbediening of u gebruikt de
    knop MENU met draaiknop TUNE
    en selecteert u Weigeren.

    ■ Tijdens het telefoongesprek kunt u
    de doorgifte van geluid blokkeren
    door aan de knop MENU met draai‐
    knop TUNE te draaien en het item
    Mic stilschakelen (microfoon dem‐
    pen) te selecteren.

    ■ Houd tijdens het gesprek de op‐
    roepknop op de stuurwielbediening
    ingedrukt om te wisselen naar de
    modus voor privé telefoneren (som‐
    mige telefoons zullen deze modus
    niet ondersteunen, naargelang de
    opties van de telefoon).
    ■ Wanneer in een auto met infotain‐
    mentsysteem een oproep wordt
    ontvangen en Bluetooth is gekop‐
    peld, zijn er mobiele telefoons die
    niet automatisch overgaan naar de
    modus voor privé telefoneren. Dit
    hangt af van de originele specifica‐
    ties van elke mobiele telefoon.



  • Page 155

    Infotainmentsysteem
    ■ Wanneer de communicatieservice‐
    provider via een toepassing de ge‐
    bruikmaking van diensten gerela‐
    teerd aan conversaties van drie
    personen ondersteunt, kunt u tij‐
    dens een oproep via het infotain‐
    mentsysteem oproepen plaatsen.
    ■ Tijdens een telefoongesprek van
    drie of meer personen kan de weer‐
    gegeven inhoud afwijken van de
    praktische informatie.

    draait u aan de draaiknop TUNE om
    naar Ophangen te gaan en drukt u op
    de knop MENU.

    Bellen door terug te bellen

    Een gesprek beëindigen

    Om het gesprek te beëindigen, drukt
    u op de knop Ophangen [n] op de
    afstandsbediening op het stuurwiel of

    153

    Druk op de stuurwielbediening op de
    audioknop om het begeleidend ven‐
    ster voor terugbellen weer te geven,
    of houd de knop ingedrukt om het log‐
    boekscherm voor bellers weer te ge‐
    ven.
    Draai aan de draaiknop TUNE om
    Ja of contactpersonen te selecteren
    en druk vervolgens op MENU of de
    oproeptoets om te bellen.

    ■ Wanneer de mobiele telefoon niet
    in de wachtstand staat, ondersteunt
    uw telefoon de terugbelfunctie mo‐
    gelijk niet. Dit hangt af van de opties
    van de mobiele telefoon.
    ■ Wanneer u een nummer terugbelt,
    wordt het aangesloten telefoon‐
    nummer niet weergegeven.
    ■ Afhankelijk van de mobiele telefoon
    wordt in sommige gevallen de op‐
    roep geplaatst via de oproepge‐
    schiedenis voor ontvangen/ge‐
    miste oproepen, dus niet via de te‐
    rugbelfunctie. Dit hangt af van de
    opties van de mobiele telefoon.



  • Page 156

    154

    Infotainmentsysteem
    Bellen via invoeren van nummer

    Druk op MENU terwijl de telefoon is
    aangesloten om zoals hierboven ge‐
    toond de verbindingsfuncties weer te
    geven.
    Gebruik de knop MENU met draai‐
    knop TUNE om de functies in het ge‐
    toonde menu te gebruiken.
    Terwijl u via de telefoon spreekt,
    houdt u de oproeptoets op de stuur‐
    wielbediening ingedrukt om te wisse‐
    len naar de modus voor privé telefo‐
    neren.

    Om te bellen door een telefoonnum‐
    mer in te voeren, drukt u op MENU en
    draait u aan TUNE om Nummer
    invoeren te selecteren; druk vervol‐
    gens MENU in.

    Draai aan TUNE om de gewenste let‐
    ters te selecteren en druk vervolgens
    op MENU om het nummer in te voe‐
    ren.
    ■ Herhaal deze handeling om alle te‐
    lefoonnummers in te voeren.
    ■ Druk op P BACK om een voor een
    letters te wissen of houd de knop
    ingedrukt om alle ingevoerde in‐
    houd te wissen.
    ■ Raadpleeg de volgende informatie
    om de ingevoerde inhoud te bewer‐
    ken.



  • Page 157

    Infotainmentsysteem
    1. Verplaatsen [_ 6]: invoerpositie
    verplaatsen
    2. Wissen [⌫]: ingevoerd teken wis‐
    sen
    3. Contactenlijst [d]: contacten zoe‐
    ken (bruikbaar na bijwerken van
    de telefoonnummers)
    4. Kiezen [y]: beginnen met kiezen

    Nadat het telefoonnummer geheel is
    ingevoerd, draait u aan TUNE om het
    kiezen te starten [y]; vervolgens
    drukt u op de knop MENU om de op‐
    roep te plaatsen.

    Beëindig een gesprek met de draai‐
    knop TUNE, kies Ophangen en druk
    op de knop MENU.

    Het telefoonmenu gebruiken

    155

    Draai aan TUNE om Zoeken te selec‐
    teren en druk vervolgens MENU in.
    Draai aan TUNE om Voornaam of
    Achternaam te selecteren en druk
    vervolgens MENU in.

    Telefoonmenu → Contactenlijst →
    Zoeken

    Druk op MENU, draai aan TUNE om
    Contactenlijst te selecteren en druk
    vervolgens op MENU.
    Als er geen contactpersonen zijn, ver‐
    schijnt een kennisgeving op het
    scherm en gaat u terug naar het voor‐
    gaande menu.

    Draai aan TUNE om Zoekbegrippen/
    bereik te selecteren en druk vervol‐
    gens MENU in.



  • Page 158

    156

    Infotainmentsysteem
    Telefoonmenu → Contactenlijst →
    Bijwerken

    Draai in het venster met zoekresulta‐
    ten aan TUNE om het gewenste item
    te selecteren en druk vervolgens
    MENU in om de details voor dat item
    te bekijken.

    Wanneer u het relevante nummer wilt
    bellen drukt u op MENU.
    Raadpleeg het item over het maken
    van telefoongesprekken voor meer
    informatie.

    Update de contactpersonen van de
    aangesloten mobiele telefoon naar de
    contactenlijst van het systeem.
    Gebruik de knop MENU met draai‐
    knop TUNE en selecteer
    Telefoonmenu → Contactenlijst →
    Bijwerken en druk vervolgens op
    MENU.



  • Page 159

    Infotainmentsysteem

    Draai aan TUNE om Ja of Nee te se‐
    lecteren en druk vervolgens op
    MENU om het bijwerken te activeren
    of te annuleren.
    Opmerking bij bijwerken van
    contactpersonen
    ■ Deze functie is bruikbaar bij mo‐
    biele telefoons die het bijwerken
    van contactpersonen en de over‐
    drachtfunctie voor oproepgeschie‐
    denis ondersteunen. (Wanneer het
    product is aangesloten aan een
    mobiele telefoon die deze functies
    niet ondersteunt, kan de oproepge‐
    schiedenis via het infotainmentsys‐
    teem worden weergegeven.)

    ■ Bijwerken wordt ondersteund tot
    maximaal 1000 telefoonnummers
    van contactpersonen.
    ■ Denk eraan dat handenvrij telefo‐
    neren en audio afspelen via Blue‐
    tooth wordt onderbroken tijdens het
    bijwerken van contactpersonen
    (andere functies dan handenvrij te‐
    lefoneren en audio afspelen via
    Bluetooth kunnen wel worden ge‐
    bruikt).
    ■ Bij het bijwerken van uw contact‐
    personen is het mogelijk om de
    overdrachtcertificatie voor contact‐
    personen op te vragen. Wanneer
    op het wachtende scherm lange tijd
    niets verandert, kunt u controleren
    of de mobiele telefoon certificatie
    aanvraagt. Bij een aanvraag voor
    certificatie van de mobiele telefoon,
    worden alle Bluetooth-verbindin‐
    gen afgebroken als deze niet wor‐
    den geaccepteerd; daarna wordt
    het apparaat opnieuw verbonden.
    ■ Bij het ontvangen van de oproep‐
    geschiedenis is het mogelijk om de
    overdrachtcertificatie op te vragen
    voor de oproepgeschiedenis van

    157

    de mobiele telefoon. Wanneer op
    het wachtende scherm lange tijd
    niets verandert, controleert u of de
    mobiele telefoon certificatie aan‐
    vraagt.
    Bij een aanvraag voor certificatie
    van de mobiele telefoon, worden
    alle Bluetooth-verbindingen onder‐
    broken als deze niet worden geac‐
    cepteerd; daarna wordt het appa‐
    raat opnieuw verbonden.
    ■ Wanneer er een probleem is in de
    opgeslagen informatie van een mo‐
    biele telefoon, worden de contact‐
    personen mogelijk niet bijgewerkt.
    ■ Het infotainmentsysteem gebruikt
    alleen informatie gecodeerd vol‐
    gens de UTF-8-indeling.
    ■ Wanneer andere bewerkingen
    (spellen, zoeken, navigatie etc.), tij‐
    dens het bijwerken van contactper‐
    sonen of overdragen van de op‐
    roepgeschiedenis worden geacti‐
    veerd, functioneert het bijwerk-/
    overdrachtproces mogelijk niet.
    Dit komt doordat andere bewerkin‐
    gen uitgevoerd op de mobiele tele‐
    foon de dataoverdracht verstoren.



  • Page 160

    158

    Infotainmentsysteem

    ■ Wanneer het bijwerken van con‐
    tactpersonen of de overdracht van
    de oproepgeschiedenis is voltooid,
    worden alle functies voor handen‐
    vrij telefoneren en audio afspelen
    via Bluetooth automatisch ontkop‐
    peld en weer gekoppeld.
    ■ Wanneer het infotainmentsysteem
    uitschakelt tijdens een telefoonge‐
    sprek, wordt de oproep doorgezet
    naar de mobiele telefoon. Bij som‐
    mige telefoons moet mogelijk eerst
    een oproepoverdrachtfunctie wor‐
    den ingesteld, naargelang het type
    telefoon.
    ■ Wanneer de gebruiker de aanslui‐
    ting rechtstreeks verbreekt (via het
    infotainmentsysteem of de mobiele
    telefoon), wordt de functie voor au‐
    tomatische verbinding niet uitge‐
    voerd.
    Automatische verbinding: deze
    functie vindt automatisch het laat‐
    ste aangesloten apparaat en ver‐
    bindt hiermee.
    ■ Bij selectie van contactpersonen
    zullen niet altijd alle lijsten van de
    telefoon ook worden weergegeven.











    Het infotainmentsysteem geeft al‐
    leen weer wat vanaf de mobiele te‐
    lefoon is overgedragen.
    De bijwerkfunctie voor contactper‐
    sonen kan per contactvermelding
    slechts vier nummers (Mobiele
    telefoon, Kantoor, Thuis en
    Overige) ontvangen.
    Bij wijzigen van de taalinstelling tij‐
    dens bijwerken van contactperso‐
    nen worden alle vorige updates ge‐
    wist.
    Wanneer de mobiele telefoon niet
    wordt ingesteld met een wachtend
    scherm, worden mogelijk geen op‐
    roepen doorgegeven naar dit info‐
    tainmentsysteem.
    Wanneer het besturingssysteem
    van de mobiele telefoon wordt bij‐
    gewerkt, kan dit van invloed zijn op
    de werking van de Bluetooth-func‐
    tie van de telefoon.
    Speciale tekens en niet onder‐
    steunde talen worden weergege‐
    ven met ____.

    ■ Bij oproepen geregistreerd voor
    contactpersonen zonder naam
    wordt Geen nummer bij
    contactpersoon aangegeven.
    ■ Het infotainmentsysteem toont
    contactpersonen, oproepgeschie‐
    denis en terugbelinformatie zoals
    overgedragen vanaf de mobiele te‐
    lefoon.
    Telefoonmenu → Contactenlijst →
    Alles wissen

    Elk afzonderlijk telefoonnummer op‐
    geslagen in de contactenlijst van het
    systeem wordt gewist.



  • Page 161

    Infotainmentsysteem
    gebruik de knop MENU met draai‐
    knop TUNE en selecteer
    Telefoonmenu → Contactenlijst →
    Alles wissen en druk vervolgens op
    MENU.
    Draai aan TUNE om Ja of Nee te se‐
    lecteren en druk vervolgens MENU in
    om alle contactpersonen te wissen of
    om te annuleren.

    Gebruik de knop MENU met draai‐
    knop TUNE en selecteer
    Telefoonmenu → Oproepinfo en druk
    vervolgens MENU in.
    Draai aan TUNE om de gedetail‐
    leerde oproepgeschiedenis te selec‐
    teren en druk vervolgens MENU in.

    Telefoonmenu → Oproepinfo

    Controleer, gebruik of wis contactper‐
    sonen.

    Draai aan TUNE om de oproepge‐
    schiedenis te controleren en een con‐
    tactpersoon te bellen.
    Druk op MENU om in de oproepge‐
    schiedenis het geselecteerde num‐
    mer te bellen.

    159

    ■ Wanneer het scherm Even
    wachten a.u.b te lang weergegeven
    blijft na selectie van het oproepen‐
    logboek, controleer dan of de mo‐
    biele telefoon vraagt om verificatie
    van de overdracht van telefoon‐
    nummers. Na het voltooien van de
    verificatieprocedures van de mo‐
    biele telefoon, worden de contact‐
    personen en het oproepenlogboek
    overgedragen naar het infotain‐
    mentsysteem.
    ■ Het oproepenlogboek van de mo‐
    biele telefoon en het op het info‐
    tainmentsysteem weergegeven
    logboek kunnen verschillen. Dit in‐
    fotainmentsysteem toont de feitelijk
    overgedragen informatie vanaf de
    mobiele telefoon.



  • Page 162

    160

    Infotainmentsysteem

    Telefoonmenu → Bluetoothinstellingen

    Stel de Bluetooth-functie in.
    Gebruik de knop MENU met draai‐
    knop TUNE en selecteer
    Telefoonmenu → Bluetoothinstellingen en druk vervolgens
    MENU in.
    Om de Bluetooth-functie te activeren,
    moet het Bluetooth-apparaat worden
    geregistreerd/gekoppeld/gewist of de
    Bluetooth-code worden gewijzigd;
    kies Bluetooth met behulp van de
    knop MENU met draaiknop TUNE en

    gebruik vervolgens de knop MENU
    met draaiknop TUNE om het gewen‐
    ste item in te stellen.

    Voor het instellen van de ringtone en
    het volume ervan zoals gebruikt door
    de Bluetooth-functie gebruikt u de
    knop MENU met draaiknop TUNE om
    Geluid & Signaal te selecteren; stel
    vervolgens de gewenste items in met
    de knop MENU.
    ■ Het is mogelijk om de ringtones die
    u al hebt over te dragen naar het
    infotainmentsysteem, afhankelijk
    van de mobiele telefoon. Bij zo'n

    mobiele telefoon is het niet mogelijk
    om de geselecteerde ringtone te
    gebruiken.
    ■ Bij mobiele telefoons die uw ringto‐
    nes kunnen overdragen, is het vo‐
    lume van de ringtone gebaseerd op
    het volume zoals overgedragen
    vanaf de mobiele telefoon. Pas het
    ringtonevolume van de mobiele te‐
    lefoon aan als dit volume te laag is.

    Als u de Bluetooth-instellingen weer
    wilt initialiseren volgens hun stan‐
    daardwaarden, gebruikt u de knop
    MENU met draaiknop TUNE om het



  • Page 163

    Infotainmentsysteem
    eerste te herstellen item te selecteren
    en selecteert u vervolgens Ja met de
    knop MENU.

    161



  • Page 164

    162

    Klimaatregeling

    Klimaatregeling
    Klimaatregelsystemen ............... 162
    Luchtroosters ............................. 167
    Onderhoud ................................. 168

    Klimaatregelsystemen
    Verwarmings- en
    ventilatiesysteem

    Temperatuur

    De temperatuur instellen door aan de
    knop te draaien.
    rood
    = warm
    blauw
    = koud
    De verwarming werkt pas optimaal
    als de motor op de normale bedrijfs‐
    temperatuur is gekomen.

    Luchtdebiet

    Luchtdebiet instellen door de ventila‐
    torknop in de gewenste stand te zet‐
    ten.

    Luchtverdeling

    Bedieningsorganen voor:
    ■ Temperatuur
    ■ Luchtdebiet
    ■ Luchtverdeling
    ■ Verwarming
    ■ Voorruit ontvriezen
    ■ Luchtrecirculatie 4
    ■ Achterruit- 3 33 en buitenspiegel‐
    verwarming 3 31.

    Selecteer de luchtuitstroomstand
    door de middelste knop te verdraaien.
    M: de luchtstroom is rechtstreeks ge‐
    richt naar het bovenlichaam. Elke uit‐
    stroomopening is instelbaar.
    L: de luchtstroom is rechtstreeks ge‐
    richt naar het bovenlichaam en naar
    de vloer.
    K: de luchtstroom is vooral naar de
    vloer gericht, een geringe hoeveel‐
    heid lucht stroomt uit naar de voorruit
    en via de zijuitstroomopeningen.



  • Page 165

    Klimaatregeling

    163

    De voorruit ontvriezen

    J: de luchtstroom is vooral naar de
    vloer gericht en naar de voorruit, een
    geringe hoeveelheid lucht stroomt uit
    via de zijuitstroomopeningen.
    V: de luchtstroom is vooral naar de
    voorruit gericht, een geringe hoeveel‐
    heid lucht stroomt uit via de zijuit‐
    stroomopeningen.

    Verwarming
    Normaal verwarmen
    1. Draai de temperatuurregelknop
    naar het rode gebied om te ver‐
    warmen.
    2. Draai de luchtcirculatieknop.
    3. Zet de aanjagerknop op de ge‐
    wenste snelheid.

    Maximaal verwarmen

    Gebruik de stand voor maximale ver‐
    warming om snel op te warmen.
    Gebruik dit niet gedurende langere
    perioden. Dit kan leiden tot een on‐
    geluk, omdat de lucht in het interieur
    muf wordt en de ruiten kunnen be‐
    slaan wat kan leiden tot verminderd
    zicht voor de bestuurder.

    Om de ruiten helder te krijgen, draait
    u de luchtverdeelknop naar de stand
    ONTDOOIEN V.
    Maximaal verwarmen:
    1. Druk de recirculatieknop in voor
    de recirculatiemodus.
    2. Draai de temperatuurregelknop
    helemaal naar het rode gebied om
    te verwarmen.
    3. Zet de aanjagerknop op de maxi‐
    male snelheid.

    1. Draai de luchtverdeelknop naar
    ONTDOOIEN V.
    2. Draai de temperatuurregelknop
    naar het rode gebied voor warme
    lucht.
    3. Zet de aanjagerknop op de hoog‐
    ste snelheid voor snelle ontwase‐
    ming.
    4. Zijdelingse luchtroosters openen
    naar wens en op de zijruiten rich‐
    ten.



  • Page 166

    164

    Klimaatregeling
    Voorzichtig

    Het temperatuurverschil tussen de
    buitenlucht en de voorruit kan ver‐
    oorzaken dat de voorruit beslaat,
    waardoor uw zicht wordt belem‐
    merd.
    Gebruik de standen FLOOR/DE‐
    FROST J of DEFROST V niet
    bij een extreem hoge luchtvochtig‐
    heid als de temperatuurregelknop
    in het blauwe gedeelte staat.
    Dit kan leiden tot verminderd zicht
    waardoor de kans op ongevallen
    groter wordt en persoonlijk letsel
    en schade aan de auto kan ont‐
    staan.

    Luchtrecirculatiesysteem 4

    slaan. De kwaliteit van de binnen‐
    lucht neemt na verloop van tijd af,
    wat tot vermoeidheidsverschijnse‐
    len bij de inzittenden kan leiden.

    Achterruit- en
    buitenspiegelverwarming

    De achterruit- en buitenspiegelver‐
    warming wordt bediend met de Ü
    knop.
    Verwarmbare achterruit 3 33, ver‐
    warmbare spiegels 3 31.

    De luchtrecirculatiestand wordt in- of
    uitgeschakeld met de 4-toets.

    9 Waarschuwing
    Door langdurig rijden in de recir‐
    culatiestand kunt u slaperig wor‐
    den. Schakel voor frisse lucht af
    en toe de buitenluchtstand in.
    Als het luchtrecirculatiesysteem is
    ingeschakeld, vermindert de lucht‐
    verversing. Bij het gebruik zonder
    koeling neemt de luchtvochtigheid
    toe waardoor de ruiten kunnen be‐

    Airconditioning
    9 Waarschuwing
    Niet in een auto slapen met inge‐
    schakelde airco of verwarming. Dit
    kan door het afnemen van het
    zuurstofgehalte en/of het dalen
    van de lichaamstemperatuur ern‐
    stig letsel en zelfs de dood tot ge‐
    volg hebben.



  • Page 167

    Klimaatregeling
    Luchtdebiet

    Luchtdebiet instellen door de ventila‐
    torknop in de gewenste stand te zet‐
    ten.

    165

    De voorruit ontwasemen

    Luchtverdeling

    Bedieningsorganen voor:
    ■ Temperatuur
    ■ Luchtdebiet
    ■ Luchtverdeling
    ■ Ontwasemen en ontdooien
    ■ Luchtrecirculatie 4
    ■ Koeling n

    Temperatuur

    De temperatuur instellen door aan de
    knop te draaien.
    rood
    = warm
    blauw
    = koud

    Selecteer de luchtuitstroomstand
    door de middelste knop te verdraaien.
    M: de luchtstroom is rechtstreeks ge‐
    richt naar het bovenlichaam. Elke uit‐
    stroomopening is instelbaar.
    L: de luchtstroom is rechtstreeks ge‐
    richt naar het bovenlichaam en naar
    de vloer.
    K: de luchtstroom is vooral naar de
    vloer gericht, een geringe hoeveel‐
    heid lucht stroomt uit naar de voorruit
    en via de zijuitstroomopeningen.
    J: de luchtstroom is vooral naar de
    vloer gericht en naar de voorruit, een
    geringe hoeveelheid lucht stroomt uit
    via de zijuitstroomopeningen.
    V: de luchtstroom is vooral naar de
    voorruit gericht, een geringe hoeveel‐
    heid lucht stroomt uit via de zijuit‐
    stroomopeningen.

    1. Draai de luchtverdeelknop naar
    ONTDOOIEN V.
    2. De recirculatieknop wordt inge‐
    steld op de buitenluchtmodus en
    het airconditioningsysteem op au‐
    tomatisch.
    Wanneer er geen airconditioning
    nodig is, draait u de luchtverdeel‐
    knop naar VLOER/ONTDOOIEN
    J.
    3. Selecteer de gewenste tempera‐
    tuur.
    4. Stel de aanjagerknop in op de ge‐
    wenste snelheid.



  • Page 168

    166

    Klimaatregeling

    Luchtrecirculatiesysteem 4

    slaan. De kwaliteit van de binnen‐
    lucht neemt na verloop van tijd af,
    wat tot vermoeidheidsverschijnse‐
    len bij de inzittenden kan leiden.

    Koeling n

    De luchtrecirculatiestand wordt in- of
    uitgeschakeld met de 4-toets.

    9 Waarschuwing
    Door langdurig rijden in de recir‐
    culatiestand kunt u slaperig wor‐
    den. Schakel voor frisse lucht af
    en toe de buitenluchtstand in.
    Als het luchtrecirculatiesysteem is
    ingeschakeld, vermindert de lucht‐
    verversing. Bij het gebruik zonder
    koeling neemt de luchtvochtigheid
    toe waardoor de ruiten kunnen be‐

    Wordt bediend met toets n en werkt
    alleen wanneer de motor draait en de
    aanjager is ingeschakeld.
    De airconditioning koelt en ontvoch‐
    tigt (droogt) de lucht van zodra de bui‐
    tentemperatuur iets boven het vries‐
    punt ligt. Er kan zich dan condens
    vormen en onder de auto op de grond
    druppelen.
    Als geen koeling of droging gewenst
    is, moet u de koeling uitschakelen om
    brandstof te besparen.
    De airco werkt niet wanneer de aan‐
    jager UIT staat.
    Ook als de airconditioning is aange‐
    zet, zal de auto warme lucht produ‐
    ceren als de temperatuurknop is in‐
    gesteld in de rode zone.
    Om het airconditioningsysteem uit te
    schakelen, draait u de ventilatorknop
    op 0.

    Voorzichtig
    Gebruik uitsluitend het juiste kou‐
    demiddel.

    9 Waarschuwing
    Klimaatregelsystemen mogen uit‐
    sluitend door gekwalificeerd per‐
    soneel worden onderhouden. On‐
    juiste onderhoudsmethoden kun‐
    nen tot persoonlijk letsel leiden.
    Normaal koelen
    1. Het airconditioningsysteem be‐
    dienen.
    2. Draai de temperatuurregelknop
    naar het blauwe gebied om te
    koelen.
    3. Draai de luchtcirculatieknop.
    4. Zet de aanjagerknop op de ge‐
    wenste snelheid.



  • Page 169

    Klimaatregeling
    Maximale koeling

    167

    Luchtroosters
    Verstelbare luchtroosters
    Bij ingeschakelde koeling moet er mi‐
    nimaal één luchtrooster geopend zijn
    om te voorkomen dat de verdamper
    door gebrek aan luchtcirculatie be‐
    vriest.

    Voor een maximale koeling bij hoge
    buitentemperaturen en als de auto
    gedurende lange tijd in de volle zon
    heeft gestaan:
    1. Het airconditioningsysteem be‐
    dienen.
    2. Druk de recirculatieknop in voor
    de recirculatiemodus.
    3. Draai de temperatuurregelknop
    helemaal naar het blauwe gebied
    om te koelen.
    4. Zet de aanjagerknop op de maxi‐
    male snelheid.

    Draai de knop linksom om de zijuit‐
    stroomopeningen te openen en draai
    deze in de gewenste richting.
    Als u geen luchtstroming wilt, draait u
    de knop rechtsom.

    9 Waarschuwing
    De middelste uitstroomopening is niet
    volledig gesloten.
    Stel de richting van de luchtstroom in
    door de lamellen te kantelen en te
    draaien.

    Geen voorwerpen bevestigen aan
    de roosters van de ventilatieope‐
    ningen. Kans op schade en letsel
    in geval van een ongeluk.



  • Page 170

    168

    Klimaatregeling

    Vaste luchtroosters
    Er bevinden zich bovendien nog
    luchtroosters onder de voorruit en de
    voorportierruiten, alsook in de voe‐
    tenruimte.

    Onderhoud
    Luchtinlaat

    De luchtinlaat naar de motorruimte
    onder aan de voorkant van de voorruit
    moet voor voldoende luchttoevoer
    vrijgehouden worden.
    Bladeren, vuil of sneeuw verwijderen.

    Pollenfilter
    Luchtfilter van de
    passagiersruimte

    Het filter ontdoet de binnenkomende
    buitenlucht van stof, roet en sporen.

    Filter vervangen:
    1. Verwijder het dashboardkastje.
    Open het handschoenenkastje en
    trek eraan om dit te verwijderen.



  • Page 171

    Klimaatregeling
    2. Verwijder het filterdeksel door
    beide zijden van het deksel uit‐
    waarts te draaien.
    3. Vervang het interieurfilter.
    4. Bouw het filterdeksel en het hand‐
    schoenenkastje in omgekeerde
    volgorde in.
    Let op
    Wij adviseren u contact op te nemen
    met een erkende werkplaats om het
    filter te vervangen.

    Voorzichtig
    Wanneer veel op stoffige en op
    onverharde wegen en in gebieden
    met zware luchtvervuiling wordt
    gereden, moet het luchtfilter vaker
    worden vervangen.
    Het filter werkt minder efficiënt en
    de ademhaling wordt sterk getrof‐
    fen.

    Airconditioning regelmatig
    aanzetten
    Om te zorgen dat het systeem goed
    blijft werken, moet de koeling een‐
    maal per maand, ongeacht de weers‐
    gesteldheid of het seizoen, enkele mi‐
    nuten worden ingeschakeld. Bij lage
    buitentemperaturen kan de koeling
    niet worden ingeschakeld.

    Service
    Voor een optimale koelfunctie moet
    het klimaatregelsysteem jaarlijks wor‐
    den gecontroleerd:
    ■ Functie- en druktest
    ■ Werking van de verwarming
    ■ Lektest
    ■ Controle van de aandrijfriemen
    ■ Reinigen van condensor
    ■ Aftappen van verdamper
    ■ Prestatietest

    169

    Voorzichtig
    Gebruik uitsluitend het juiste kou‐
    demiddel.

    9 Waarschuwing
    Klimaatregelsystemen mogen uit‐
    sluitend door gekwalificeerd per‐
    soneel worden onderhouden. On‐
    juiste onderhoudsmethoden kun‐
    nen tot persoonlijk letsel leiden.



  • Page 172

    170

    Rijden en bediening

    Rijden en bediening

    Rijtips
    Controle over de auto

    Rijtips ......................................... 170
    Starten en bediening ................. 171
    Uitlaatgassen ............................. 175
    Automatische versnellingsbak ... 176
    Handgeschakelde versnellings‐
    bak ............................................. 181
    Remmen .................................... 182
    Rijregelsystemen ....................... 184
    Bestuurdersondersteuningssys‐
    temen ......................................... 186
    Brandstof ................................... 192

    Nooit met afgezette motor rijden

    In deze toestand werken veel syste‐
    men niet (bijv. rembekrachtiging,
    stuurbekrachtiging). Wanneer u op
    deze manier rijdt, vormt u een gevaar
    voor uzelf en anderen.

    Pedalen

    Om de pedalen ongehinderd te kun‐
    nen bedienen geen matten onder de
    pedalen leggen.

    Sturen
    Als de stuurbekrachtiging wegvalt
    omdat de motor stopt of vanwege een
    systeemdefect, kunt u nog steeds
    sturen, maar kost dat wellicht meer
    kracht.
    Controlelamp c 3 80.

    Voorzichtig
    Auto's met hydraulische stuurbe‐
    krachtiging:
    Als het stuurwiel naar de eindaan‐
    slag wordt gedraaid en meer dan
    15 seconden in die stand wordt
    gehouden, kan de stuurbekrachti‐
    ging beschadigd raken en minder
    goed werken.



  • Page 173

    Rijden en bediening

    Starten en bediening

    Contactslotstanden

    Nieuwe auto inrijden
    Houd u de eerste paar honderd kilo‐
    meter aan het onderstaande om de
    prestaties en het brandstofverbruik
    van uw auto te verbeteren en te zor‐
    gen dat deze langer meegaat:
    ■ Niet volgas wegrijden.
    ■ De motor niet te hoge toeren laten
    maken.
    ■ Niet abrupt remmen, tenzij er
    sprake is van een noodsituatie. Zo
    kunnen de remmen goed op elkaar
    inslijten.
    ■ Abrupt remmen en optrekken als‐
    mede lange ritten op hoge snelhe‐
    den vermijden om schade aan de
    motor tegen te gaan en brandstof te
    besparen.
    Niet volgas optrekken in een lage
    versnelling.
    ■ Geen andere voertuigen slepen.

    171

    9 Gevaar
    Zet het contact tijdens het rijden
    niet in de stand 0 of 1.
    Voertuigondersteunende functies
    en rembekrachtiging werken dan
    niet, wat schade aan het voertuig,
    persoonlijk of fataal letsel kan ver‐
    oorzaken.

    Voorzichtig
    0 (VERGREND = Contact uit
    ELEN)
    1 (ACC)
    = Contact uit, stuur‐
    slot opgeheven
    2 (AAN)
    = Contact aan, voor‐
    verwarming voor
    dieselmotor
    3 (START)
    = Starten

    Laat het contact bij stilstaande
    motor niet gedurende lange tijd in
    de stand 1 of 2 staan.
    Hierdoor zal de accu worden ont‐
    laden.



  • Page 174

    172

    Rijden en bediening

    Motor starten
    Motor starten met contactslot

    ■ Dieselmotor: sleutel naar stand 2
    draaien voor het voorgloeien tot‐
    dat ! dooft.
    ■ Draai de sleutel in stand 3, terwijl u
    het koppelingspedaal en het rem‐
    pedaal intrapt en vervolgens loslaat
    als de motor draait.
    Om de motor opnieuw te starten of
    deze af te zetten, sleutel in het con‐
    tactslot eerst terugdraaien naar
    stand 0.

    Voorzichtig

    ■ Sleutel in stand 1 draaien. Stuur‐
    wiel iets verdraaien om het stuur‐
    slot te ontgrendelen.
    ■ Handgeschakelde versnellingsbak:
    trap de koppeling in.
    ■ Automatische versnellingsbak: zet
    keuzehendel op P of N.
    ■ Geen gas geven.

    Laat de startmotor niet langer dan
    10 seconden achter elkaar
    draaien.
    Als de motor niet start, wacht u 10
    seconden totdat u het opnieuw
    probeert.
    Op deze manier wordt schade aan
    de startmotor voorkomen.

    Stop/Start-systeem
    Het stop-startsysteem helpt brandstof
    te besparen en uitlaatemissies te be‐
    perken. De motor schakelt automa‐
    tisch uit als de auto langzaam rijdt of
    stilstaat.
    De motor start automatisch opnieuw
    bij het intrappen van het koppelings‐
    pedaal.

    Activering

    Het Stop/Start-systeem schakelt in
    zodra het contact wordt aangezet.

    Deactivering



  • Page 175

    Rijden en bediening
    Schakel het stop-startsysteem manu‐
    eel uit door op de eco-knop te druk‐
    ken.
    De uitschakeling wordt aangetoond
    door de het doven van de LED in de
    knop.

    Motor automatisch stoppen

    Als de auto langzaam rijdt of stilstaat,
    moet u het automatisch stoppen van
    de motor als volgt inschakelen:
    ■ Zet de keuzehendel op N
    ■ Laat het koppelingspedaal los
    De motor wordt uitgeschakeld terwijl
    het contact ingeschakeld blijft.

    Het stoppen van de motor wordt aan‐
    geduid door de naald in de stand
    AUTOSTOP in de toerenteller.
    Tijdens het automatisch stoppen van
    de motor blijven de verwarmingspres‐
    taties, de stuurbekrachtiging en de
    remprestaties behouden.
    De airconditioning kan het stop- en
    startsysteem afhankelijk van het koel‐
    vermogen wel of niet hinderen.
    Voorwaarden voor het automatisch
    stoppen van de motor
    ■ Het stop-startsysteem is niet ma‐
    nueel uitgeschakeld
    ■ De motorkap is volledig gesloten
    ■ Het bestuurdersportier is gesloten
    of de veiligheidsgordel van de be‐
    stuurder is vastgemaakt
    ■ De accu van de auto is voldoende
    geladen en in goede staat
    ■ De motor is opgewarmd
    ■ De motorkoelvloeistoftemperatuur
    is niet te laag
    ■ De omgevingstemperatuur is niet te
    laag

    173

    ■ De ontdooifunctie is niet geacti‐
    veerd
    ■ Het klimaatregelsysteem verhin‐
    dert geen motorstop
    ■ Het remvacuüm is voldoende
    ■ De auto heeft gereden sinds de
    laatste automatische motorstop

    Herstarten van de motor door de
    bestuurder

    Trap het koppelingspedaal in om de
    motor te herstarten.
    Het starten van de motor wordt aan‐
    geduid door de naald van de statio‐
    naire toerentalstand in de toerentel‐
    ler.
    Als de keuzehendel uit N wordt ge‐
    schakeld voordat u eerst de koppe‐
    ling hebt ingetrapt, dan gaat - bran‐
    den.
    De lamp gaat uit zodra het koppe‐
    lingspedaal wordt ingetrapt.



  • Page 176

    174

    Rijden en bediening

    Herstarten van de motor door
    het stop-startsysteem

    Als er zich een van de volgende om‐
    standigheden voordoet tijdens een
    motorstop, dan zal de motor automa‐
    tisch door het stop-startsysteem wor‐
    den herstart.
    ■ Het stop-startsysteem is manueel
    uitgeschakeld
    ■ De motorkap is open
    ■ De veiligheidsgordel van de be‐
    stuurders is losgemaakt en het be‐
    stuurdersportier is geopend
    ■ De motortemperatuur is te laag
    ■ De accu van de auto is bijna ontla‐
    den
    ■ Het remvacuüm is niet voldoende
    ■ De auto begint te bewegen
    ■ De ontdooifunctie is geactiveerd
    ■ Het klimaatregelsysteem vereist
    het starten van de motor

    Parkeren
    ■ De auto niet op een licht ontvlam‐
    bare ondergrond parkeren. De on‐
    dergrond kan door de hoge tempe‐
    ratuur van het uitlaatgassysteem
    mogelijk vlam vatten.
    ■ Handrem altijd zonder indrukken
    van de ontgrendelingsknop stevig
    aantrekken. Op aflopende of oplo‐
    pende hellingen zo stevig mogelijk.
    Trap tegelijkertijd de rem in om de
    bedieningskracht te verminderen.
    ■ Motor en contact uitschakelen.
    Stuurwiel verdraaien totdat het
    stuurslot vergrendelt.
    ■ Wanneer de auto vlak of op een op‐
    lopende helling staat, dan voor het
    uitschakelen van het contact de
    eerste versnelling inschakelen. Op
    een oplopende helling bovendien
    de voorwielen van de stoeprand
    wegdraaien.
    Wanneer de auto op een aflopende
    helling staat, dan voor het uitscha‐
    kelen van het contact de achteruit‐
    versnelling inschakelen. Boven‐

    dien de voorwielen naar de stoep‐
    rand toedraaien.
    ■ Ruiten sluiten.
    ■ Vergrendel de auto en activeer het
    alarmsysteem.



  • Page 177

    Rijden en bediening

    Uitlaatgassen
    9 Gevaar
    Motoruitlaatgassen bevatten het
    giftige en bovendien kleur- en
    geurloze koolmonoxide dat bij in‐
    ademen levensgevaarlijk kan zijn.
    Wanneer uitlaatgassen in de pas‐
    sagiersruimte dringen, de ruiten
    openen. Oorzaak van de storing
    door een werkplaats laten verhel‐
    pen.
    Niet met een geopende achterklep
    rijden, aangezien er dan uitlaat‐
    gassen de passagiersruimte bin‐
    nen kunnen dringen.

    Roetfilter
    Het roetfilter verwijdert schadelijke
    roetdeeltjes uit de uitlaatgassen. Het
    systeem heeft een zelfreinigende
    functie die tijdens het rijden automa‐
    tisch wordt geactiveerd. Het filter
    wordt gereinigd door achtergebleven
    roetdeeltjes bij een hoge temperatuur
    te verbranden. Dit proces vindt onder

    bepaalde rijomstandigheden automa‐
    tisch plaats en kan tot 25 minuten du‐
    ren. Tijdens deze periode kan het
    brandstofverbruik hoger liggen. Enige
    emissiegeur en rookontwikkeling tij‐
    dens deze procedure is normaal.

    175

    Controlelamp % dooft zodra de zelf‐
    reiniging is afgerond.

    Voorzichtig
    Wordt het reinigingsproces (rege‐
    nereren) vaker dan een keer on‐
    derbroken, dan bestaat het grote
    risico dat er zware motorschade
    ontstaat.

    Katalysator
    De katalysator vermindert de hoe‐
    veelheid schadelijke stoffen in de uit‐
    laatgassen.
    Onder bepaalde rijomstandigheden,
    bijv. bij korte ritten, kan het systeem
    zichzelf niet automatisch reinigen.
    Als het filter moet worden gereinigd,
    knippert controlelamp %. Blijf rijden
    en houd een motortoerental van meer
    dan 2000 omw/min. aan. De reiniging
    van het roetfilter wordt dan gestart.



  • Page 178

    176

    Rijden en bediening
    Voorzichtig

    Voorzichtig

    Het gebruik van andere brandstof‐
    kwaliteiten dan die genoemd op
    pagina 3 192, 3 265 kan aanlei‐
    ding geven tot schade aan de ka‐
    talysator en elektronische onder‐
    delen.
    Onverbrande benzine kan leiden
    tot oververhitting van en schade
    aan de katalysator. Daarom de
    startmotor niet onnodig lang laten
    draaien, de tank niet leegrijden en
    de motor niet door duwen of sle‐
    pen proberen te starten.

    Raak de katalysator tijdens niet
    aan terwijl de motor draait; hij
    wordt zeer heet en kan brandwon‐
    den (aan uw handen of het li‐
    chaam) veroorzaken Laat de ka‐
    talysator alvorens deze aan te ra‐
    ken minstens twee uur afkoelen bij
    de omgevingstemperatuur nadat
    de motor is afgezet.

    Bij overslag, een onregelmatige mo‐
    torloop, beperkingen van het motor‐
    vermogen of andere ongewone sto‐
    ringen, de oorzaak van de storing
    meteen door een werkplaats laten
    verhelpen. In noodgevallen kan er
    korte tijd met matige snelheid en laag
    motortoerental verder worden gere‐
    den.

    Automatische
    versnellingsbak
    Met de automatische versnellingsbak
    kunt u zowel handmatig (handge‐
    schakelde modus) als automatisch
    schakelen (automatische modus).
    De automatische versnellingsbak is
    een elektronisch geregelde zesver‐
    snellingsbak.
    De zesde versnelling is een over‐
    drive.

    Auto starten
    1. Na het opwarmen van de motor
    houdt u het rempedaal ingetrapt
    en zet u de keuzehendel in de
    stand R, D of M.

    Voorzichtig
    Schakel niet tussen D (rijden) en R
    (achteruit) of P (parkeren) terwijl
    de auto in beweging is. Hierdoor
    raakt de transmissie beschadigd
    en ontstaat er persoonlijk letsel.



  • Page 179

    Rijden en bediening
    2. Zet de handrem los en haal de
    voet van het rempedaal.
    3. Trap het gaspedaal langzaam in
    om weg te rijden.

    Keuzehendel

    Versnellingsbakdisplay

    Deze is ondergebracht in de instru‐
    mentengroep.
    Hij geeft de geschakelde versnelling
    of de versnellingsbakmodus aan.

    P (PARKEER): vergrendelt de voor‐
    wielen. P alleen inschakelen als de
    auto stilstaat en de handrem is aan‐
    getrokken.
    R (ACHTERUIT): de stand voor ach‐
    teruitrijden. Selecteer R alleen wan‐
    neer de auto stil staat.
    N (NEUTRAL): neutrale versnelling.
    D: deze rijstand dient voor alle nor‐
    male rijomstandigheden. Hiermee
    kan de versnellingsbak alle zes voor‐
    uitversnellingen inschakelen.
    M: de stand voor de handgescha‐
    kelde modus.

    177

    Voorzichtig
    Tijdens het schakelen geen gas
    geven.
    Gas- en rempedaal nooit gelijktij‐
    dig bedienen.
    Wanneer een versnelling is inge‐
    schakeld en de rem wordt losge‐
    laten, rijdt de auto langzaam weg.
    Gebruik de stand P (parkeren) niet
    ter vervanging van de handrem.
    Zet de motor af, trek de handrem
    aan, en verwijder de contactsleu‐
    tel wanneer u het voertuig verlaat.
    Laat het voertuig nooit zonder toe‐
    zicht achter wanneer de motor
    draait.



  • Page 180

    178

    Rijden en bediening

    Tussen versnellingen
    schakelen
    Trap het rempedaal in en druk op de
    ontgrendelknop om te schakelen.
    Schakelbewegingen waarbij u de ont‐
    grendelknop moet indrukken zijn met
    pijlen aangeduid.

    Schakel vrijelijk.

    Handgeschakelde modus

    Bij het bewegen tussen bepaalde ver‐
    snellingen moet u op de ontgrendel‐
    knop aan de zijkant van de keuze‐
    hendel drukken.
    Ga bij het schakelen te werk volgens
    de richtingen die door de pijlen wor‐
    den aangegeven.
    Druk op de ontgrendelknop om te
    schakelen. Pijlen geven schakelbe‐
    wegingen aan waarbij je niet op de
    ontgrendelknop hoeft te drukken.



  • Page 181

    Rijden en bediening
    Zet de keuzehendel in de stand M.
    Druk de ontgrendelknop aan de zij‐
    kant van de keuzehendel in.
    OMHOOG (+): naar een hogere ver‐
    snelling schakelen.
    OMLAAG (-): naar een lagere ver‐
    snelling schakelen.
    Om de vereiste niveaus voor voer‐
    tuigprestatie en veiligheid te handha‐
    ven, mag het systeem bij de bedie‐
    ning van de keuzehendel bepaalde
    schakelacties niet uitvoeren.
    In de handgeschakelde modus ge‐
    beurt terugschakelen automatisch
    zodra de rijsnelheid afneemt. Zodra
    de auto stopt, wordt automatisch de
    eerste versnelling geselecteerd.

    Voorzichtig
    Schakel correct en houd rekening
    met de wegomstandigheden.

    Afremmen op de motor

    Om het remeffect van de motorcom‐
    pressie beter te gebruiken wanneer
    de auto neerwaarts rijdt op een lange

    helling, schakelt u terug door de op‐
    eenvolgende versnellingen met ge‐
    bruik van de handgeschakelde mo‐
    dus.

    9 Waarschuwing
    Schakel de transmissie niet twee
    of meer versnellingen tegelijkertijd
    terug.
    Op deze manier voorkomt u be‐
    schadigingen aan uw transmissie,
    raakt u de controle over de auto
    niet kwijt, en loopt u geen persoon‐
    lijk letsel op.

    179

    Motor niet te hoge toeren laten maken
    en snel optrekken voorkomen.

    Parkeren

    Schakel na stilzetten van de auto met
    het rempedaal de stand P in, trek de
    handremhendel stevig omhoog en
    verwijder de contactsleutel.

    Kickdown

    Let op
    Het gebruik van motorcompressie
    tijdens lange afdalingen in de ber‐
    gen kan de levensduur van uw rem‐
    men verlengen.

    Auto heen en weer schommelen

    Het is alleen toegestaan de auto heen
    en weer te schommelen als de auto is
    vastgereden in zand, modder of
    sneeuw.
    Beweeg de keuzehendel meermaals
    tussen stand D en R heen en weer.

    Voor sneller optrekken het gaspedaal
    volledig intrappen en vasthouden. De
    versnellingsbak schakelt afhankelijk
    van het motortoerental naar een la‐
    gere versnelling.



  • Page 182

    180

    Rijden en bediening

    Storing
    Bij een storing gaat de storingsindi‐
    catielelamp branden. De versnel‐
    lingsbak schakelt niet langer automa‐
    tisch of handmatig, omdat deze in een
    bepaalde versnelling geblokkeerd
    staat.
    Oorzaak van de storing onmiddellijk
    door een werkplaats laten verhelpen.

    pen. Als u niet uit P kunt schakelen
    met ingeschakeld contact en het rem‐
    pedaal ingetrapt:
    1. Zet het contact uit en verwijder de
    sleutel.
    2. Houd het rempedaal ingetrapt en
    trek de handremhefboom aan.

    Stroomonderbreking
    Bij een stroomonderbreking kan de
    keuzehendel niet uit stand P worden
    gehaald.
    Bij een lege accu van de auto hulp‐
    startkabels gebruiken.
    Is de accu van de auto niet de oor‐
    zaak van deze storing, ontgrendel
    dan de keuzehendel en verwijder de
    sleutel uit het contactslot.

    Keuzehendel ontgrendelen

    Om uit Parkeren (P) te schakelen,
    moet het contact ingeschakeld zijn en
    moet u het rempedaal geheel intrap‐

    3. Verwijder de kap van de console
    met een dun voorwerp, zoals een
    gewone schroevendraaier.

    4. Steek de contactsleutel in de sleuf
    en druk deze aan.
    5. Naar de neutraalstand (N) scha‐
    kelen.
    6. Neem de sleutel uit de sleuf.
    7. Breng de kap weer aan.
    8. Laat uw auto zo spoedig mogelijk
    repareren.



  • Page 183

    Rijden en bediening
    9 Waarschuwing
    Let op de volgende voorzorgs‐
    maatregelen om beschadigingen
    aan de transmissie te voorkomen:
    Trap het gaspedaal niet in bij het
    schakelen van P of N naar R of
    naar een vooruitversnelling.
    Doet u dit wel, dan is het mogelijk
    dat niet alleen de transmissie
    wordt beschadigd, maar u kunt
    ook de controle over de auto ver‐
    liezen.
    Gebruik zoveel mogelijk stand D.
    Schakel nooit over naar P of R ter‐
    wijl de auto in beweging is.
    Houd de auto bij het stoppen op
    een helling niet stil door het gas‐
    pedaal in te trappen. Gebruik de
    voetrem.
    Trap het rempedaal in bij het over‐
    schakelen van P of N naar R of
    een vooruitversnelling.
    Anders kan de transmissie be‐
    schadigd raken of het voertuig kan
    onverwacht gaan bewegen. Hier‐

    door kan de bestuurder de con‐
    trole over de auto verliezen, met
    persoonlijk letsel of beschadigin‐
    gen aan het voertuig of andere ei‐
    gendommen tot gevolg.

    181

    Handgeschakelde
    versnellingsbak

    Om de achteruit in te schakelen terwijl
    de auto stilstaat, trekt u de ring op de
    keuzehendel omhoog en schakelt u
    de versnelling in.
    Kan de versnelling niet worden inge‐
    schakeld, dan koppeling in de neu‐
    trale stand laten opkomen, koppeling
    weer intrappen en nogmaals schake‐
    len.



  • Page 184

    182

    Rijden en bediening

    De koppeling niet onnodig laten slip‐
    pen. Bij bediening het koppelingspe‐
    daal helemaal intrappen. Uw voet niet
    op het pedaal laten rusten.

    Voorzichtig
    Rijd bij voorkeur niet met de hand
    voortdurend op de selectorhendel.

    Remmen
    Het remsysteem omvat twee onaf‐
    hankelijke remcircuits.
    Wanneer een remcircuit uitvalt, kan
    de auto nog met het andere circuit
    worden afgeremd. De remvertraging
    wordt echter alleen bereikt wanneer u
    het rempedaal stevig intrapt. Hiervoor
    is aanzienlijk meer kracht nodig. De
    remweg wordt langer. Alvorens de
    reis te vervolgen, de hulp van een
    werkplaats inroepen.

    Voorzichtig
    Als een van de circuits uitvalt,
    moet er meer kracht worden uit‐
    geoefend om het rempedaal in te
    trappen. Ook kan de remweg lan‐
    ger zijn. Laat het remsysteem on‐
    middellijk door een werkplaats
    controleren en repareren. Wij ad‐
    viseren u contact op te nemen met
    een erkende werkplaats.

    Als het rempedaal verder dan nor‐
    maal kan worden ingetrapt, kan er
    een reparatie aan het remsysteem
    nodig zijn.
    Neem onmiddellijk contact op met
    een werkplaats. Wij adviseren u
    contact op te nemen met een er‐
    kende werkplaats.

    Voorzichtig
    Haal uw voet tijdens het rijden van
    het rempedaal af. Doet u dit niet,
    dan zullen de onderdelen van de
    rem sneller verslijten. Ook kunnen
    de remmen oververhit raken,
    waardoor de remafstand langer
    wordt en er een onveilige situatie
    ontstaat.

    9 Waarschuwing
    Nadat u door diep water hebt ge‐
    reden, de auto hebt gewassen of
    de remmen tijdens het heuvelaf rij‐
    den veel hebt gebruikt, kunnen de



  • Page 185

    Rijden en bediening
    remmen tijdelijk minder goed wer‐
    ken. Dit kan het gevolg zijn van
    natte remonderdelen of overver‐
    hitting.
    Als de remmen tijdelijk niet werken
    door oververhitting: Schakel bij het
    heuvelaf rijden over op een lagere
    versnelling. Trap het rempedaal
    niet continu in.
    Als de remwerking is teruggelopen
    omdat de onderdelen van het rem‐
    systeem nat zijn geworden, kan de
    volgende procedure uitkomst bie‐
    den:
    1. Controleer of de weg achter u
    vrij is.
    2. Rijd met een veilige snelheid
    met voldoende ruimte achter u
    en opzij.
    3. Trap het rempedaal lichtjes in
    totdat de normale remwerking
    weer teruggekeerd is.

    Antiblokkeersysteem
    Het antiblokkeerremsysteem (ABS)
    voorkomt dat de wielen blokkeren.

    Zodra een wiel dreigt te blokkeren,
    regelt het ABS de remdruk af op het
    desbetreffende wiel. De auto blijft ook
    bij een noodstop bestuurbaar.
    De ABS-regeling is merkbaar door
    het tikken van het rempedaal en door
    regelgeluiden.
    Voor optimale remwerking het rem‐
    pedaal tijdens het hele remproces
    volledig intrappen, ongeacht het tik‐
    ken van het pedaal. De druk op het
    rempedaal niet verminderen.
    Verminder niet de kracht waarmee u
    de voetrem ingedrukt houdt.
    Als u de auto start na het inschakelen
    van het contact, kan er een mecha‐
    nisch geluid klinken. Dit is normaal en
    geeft aan dat ABS bedrijfsgereed is.
    Controlelamp u 3 80.

    183

    voordelen van het ABS vallen dan
    weg. De auto is bij een noodstop
    mogelijk niet meer bestuurbaar en
    kan uitbreken.
    Oorzaak van de storing onmiddellijk
    door een werkplaats laten verhelpen.

    Handrem

    Storing
    9 Waarschuwing
    Bij een defect aan het ABS kunnen
    de wielen bij krachtig remmen de
    neiging hebben te blokkeren. De

    Handrem altijd zonder indrukken van
    de ontgrendelingsknop stevig aan‐
    trekken, op op- of aflopende hellingen
    altijd zo stevig mogelijk.



  • Page 186

    184

    Rijden en bediening

    Om de handrem los te zetten, de
    handremhendel iets optillen, de ont‐
    grendelingsknop indrukken en de
    hendel helemaal omlaagzetten.
    Om minder kracht te hoeven uitoefe‐
    nen bij het aantrekken van de hand‐
    rem, tegelijkertijd het rempedaal in‐
    trappen.
    Controlelamp 4 3 79.

    Remassistentie
    Bij het snel en krachtig intrappen van
    het rempedaal wordt automatisch met
    de maximale remkracht (noodstop)
    geremd.
    De druk op het rempedaal niet ver‐
    minderen, zolang er maximaal ge‐
    remd moet worden. Bij het loslaten
    van het rempedaal wordt de rem‐
    kracht automatisch verminderd.

    Hellingrem
    Het systeem helpt te voorkomen dat
    de auto achteruitrolt wanneer op een
    heuvel wordt weggereden.

    Wanneer het gaspedaal wordt inge‐
    drukt nadat het rempedaal op een
    heuvel is losgelaten, blijven de rem‐
    men ca. 2 seconden geactiveerd.

    Rijregelsystemen
    Traction Control
    De Traction Control (TCS) verhoogt
    zo nodig de rijstabiliteit, ongeacht het
    type wegdek of de grip van de ban‐
    den, door te voorkomen dat de aan‐
    gedreven wielen doorslaan.
    Zodra de aandrijfwielen beginnen
    door te slaan, wordt het motorvermo‐
    gen verminderd en wordt het wiel met
    de meeste slip afzonderlijk afgeremd.
    Daardoor wordt de rijstabiliteit van de
    auto op een glad wegdek aanmerke‐
    lijk verbeterd.
    TCS schakelt in zodra het contact
    wordt aangezet.

    9 Waarschuwing
    Laat u door dit speciale veilig‐
    heidssysteem niet verleiden tot
    een roekeloze rijstijl.
    Snelheid aan de staat van het
    wegdek aanpassen.



  • Page 187

    Rijden en bediening
    Deactivering

    TCS kan worden uitgeschakeld wan‐
    neer doorslaan van de aangedreven
    wielen juist vereist is. Toets a indruk‐
    ken.
    De controlelamp k gaat branden.
    TCS wordt opnieuw ingeschakeld
    door nogmaals op a te drukken.
    TCS wordt ook opnieuw geactiveerd
    wanneer u het contact de volgende
    keer weer aanzet.
    Controlelamp voor uitschakeling van
    Traction Control (TC) 3 81.

    Elektronisch
    stabiliteitsprogramma
    De elektronische stabiliteitsregeling
    (ESC) helpt om de auto te stabiliseren
    tijdens bochtmanoeuvres.
    ESC bekrachtigt de remmen van af‐
    zonderlijke wielen en grijpt samen
    met het motorregelsysteem in om de
    auto te stabiliseren.
    De werking van het ESC-systeem kan
    worden beïnvloed door nadelige om‐
    standigheden zoals de conditie van
    het wegdek of de grip van de banden.
    Het systeem vormt geen vervanging
    voor een veilige rijstijl, dus blijf veilig
    rijden.
    ESC schakelt in zodra het contact
    wordt aangezet.
    Wanneer ESC actief ingrijpt, gaat R
    branden.

    185

    9 Waarschuwing
    Laat u door dit speciale veilig‐
    heidssysteem niet verleiden tot
    een roekeloze rijstijl.
    Snelheid aan de staat van het
    wegdek aanpassen.
    Controlelamp voor elektronische sta‐
    biliteitsregeling (ESC) 3 80.

    Deactivering

    Voor rijden met optimaal vermogen
    kan ESC worden uitgeschakeld.



  • Page 188

    186

    Rijden en bediening

    Houd de toets a enkele seconden in‐
    gedrukt totdat de controlelamp a gaat
    branden.
    U kunt de ESC weer activeren door
    nogmaals op de toets a te drukken.
    De ESC wordt ook opnieuw geacti‐
    veerd wanneer u het contact de vol‐
    gende keer weer inschakelt.

    Bestuurdersondersteu‐
    ningssystemen
    Cruise control

    Het gebruik van cruise control kan
    gevaarlijk zijn wanneer u niet veilig
    kunt rijden op constante snelheid.
    Gebruik cruise control niet op
    bochtige wegen of in druk verkeer.

    Cruise control instellen

    9 Waarschuwing
    Wanneer het ESC-systeem acti‐
    veert om de voertuigstabiliteit te
    corrigeren, minder dan snelheid
    en let extra aandachtig op de weg‐
    omstandigheden.
    Het ESC-systeem vormt slechts
    een aanvullende voorziening voor
    de auto. Wanneer de auto zijn fy‐
    sieke limieten overschrijdt, wordt
    deze onbeheersbaar. Vertrouw
    daarom niet puur op dit systeem.
    Blijf veilig rijden.

    9 Waarschuwing

    Het cruise control-systeem zorgt dat
    u uw rijsnelheid kunt handhaven zon‐
    der het gaspedaal te hoeven intrap‐
    pen.
    Het systeem wordt gebruikt wanneer
    de rijsnelheid van de auto hoger
    wordt dan ongeveer 20 km/u.

    1. Druk op m om cruise control aan‐
    zetten. De controlelamp m gaat
    branden.
    2. Accelereer tot de gewenste rij‐
    snelheid.
    3. Draai het stelwiel naar SET/- en
    laat los.
    4. Haal uw voet van het gaspedaal.
    De ingestelde rijsnelheid verhogen
    ■ Draai het stelwiel naar RES/+ en
    houd vast. Uw auto verhoogt de rij‐
    snelheid. Laat het stelwiel los bij de
    gewenste rijsnelheid.
    ■ Draai het stelwiel naar RES/+ en
    laat meteen los. De rijsnelheid zal
    toenemen met 1~2 km/u.



  • Page 189

    Rijden en bediening
    De ingestelde rijsnelheid verlagen
    ■ Draai het stelwiel naar SET/- en
    houd vast. Uw auto verlaagt de rij‐
    snelheid. Laat het stelwiel los bij de
    gewenste rijsnelheid.
    ■ Draai het stelwiel naar SET/- en
    laat meteen los. De rijsnelheid zal
    afnemen met 1~2 km/u.
    De rijsnelheid tijdelijk verhogen
    Als u tijdelijk sneller wilt rijden terwijl
    cruise control aan is, trapt u het gas‐
    pedaal in. De verhoging van de rij‐
    snelheid verstoort de werking van
    cruise control niet en wijzigt de inge‐
    stelde rijsnelheid niet.
    Om weer terug te gaan naar de inge‐
    stelde rijsnelheid, haalt u uw voet van
    het gaspedaal.
    Tijdelijk uitschakelen
    ■ y wordt ingedrukt
    ■ de rijsnelheid daalt tot onder ca.
    20 km/u
    ■ het rempedaal wordt ingetrapt
    ■ het koppelingspedaal wordt langer
    dan een aantal seconden ingedrukt
    ■ de keuzehendel staat in de stand N

    Opgeslagen snelheid hervatten

    Wanneer het cruise control-systeem
    nog ingeschakeld is, wordt bij indruk‐
    ken van de RES/+ knop automatisch
    de laatst ingestelde rijsnelheid aan‐
    gehouden.

    187

    van die maximumsnelheid wordt de
    bestuurder hierover geïnformeerd via
    een controlelamp of een geluidssig‐
    naal.
    Snelheid instellen

    Deactivering

    Druk m in, de controlelamp m dooft.
    De cruise control is gedeactiveerd.

    Systeem voor
    snelheidsbegrenzing

    1. Druk op Z om het systeem voor
    snelheidsbegrenzing aan te zet‐
    ten. De controlelamp LIM gaat
    branden.
    2. Accelereer tot de gewenste snel‐
    heid.
    Het systeem voor snelheidsbegren‐
    zing kent een maximale rijsnelheid
    aan de auto toe. Bij overschrijding



  • Page 190

    188

    Rijden en bediening

    3. Draai het stelwiel naar SET/- en
    laat los. Als uw rijsnelheid hoger
    is dan 30 km/u, kan de huidige
    snelheid worden ingesteld.
    4. De ingestelde snelheid wordt
    weergegeven in de instrumenten‐
    groep.
    De ingestelde rijsnelheid verhogen
    ■ Draai het stelwiel naar RES/+ en
    houd vast. Uw ingestelde snelheid
    wordt verhoogd. Laat het stelwiel
    los bij de gewenste rijsnelheid.
    ■ Draai het stelwiel naar RES/+ en
    laat meteen los. De ingestelde
    snelheid zal toenemen met
    1~2 km/u.
    De ingestelde rijsnelheid verlagen
    ■ Draai het stelwiel naar SET/- en
    houd vast. Uw ingestelde snelheid
    wordt verlaagd. Laat het stelwiel los
    bij de gewenste rijsnelheid.
    ■ Draai het stelwiel naar SET/- en
    laat meteen los. De ingestelde
    snelheid zal afnemen met
    1~2 km/u.

    Opgeslagen snelheid hervatten
    Draai het stelwiel naar RES/+. De
    eerder ingestelde snelheid wordt in‐
    gesteld.
    Draai het stelwiel naar SET/- om in te
    schakelen en laat los.
    Deactivering
    Als u het systeem voor snelheidsbe‐
    grenzing wilt annuleren, drukt u op
    y. Als u het systeem voor snelheids‐
    begrenzing uit wilt schakelen, drukt u
    op Z.
    Waarschuwing bij snelheidslimiet
    Zodra u de ingestelde snelheid over‐
    schrijdt, gaat de waarschuwingslamp
    knipperen en klinkt een geluidssig‐
    naal.
    Als de huidige snelheid hoger is dan
    de ingestelde snelheid
    Als de huidige snelheid minstens
    3 km/u hoger is dan de ingestelde
    snelheid, knippert de controlelamp
    LIM* en hoort u een geluidssignaal.

    Als de huidige snelheid gelijk wordt
    aan de ingestelde snelheid, stopt het
    knipperen van de waarschuwings‐
    lamp en het geluidssignaal onmiddel‐
    lijk.
    Als uw rijsnelheid echter 5 km/u be‐
    neden de ingestelde snelheid komt,
    hoort u het geluidssignaal eveneens.
    Waarschuwing bij hervatten van op‐
    geslagen snelheid
    Wanneer de bestuurder op de knop
    RES/+ drukt terwijl hij de eerder inge‐
    stelde snelheid overschrijdt, klinkt
    25 seconden later het geluidssignaal.



  • Page 191

    Rijden en bediening

    Parkeerhulp
    Park pilot met
    ultrasoonsensoren

    Let op
    Accessoires e.d. die in het detectie‐
    gebied van de sensoren gemon‐
    teerd zijn kunnen storingen in het
    systeem veroorzaken.
    Activering
    Wanneer u de achteruit inschakelt,
    wordt het systeem automatisch geac‐
    tiveerd. De aanwezigheid van een ob‐
    stakel wordt aangegeven door ge‐
    luidssignalen. De geluidssignalen
    volgen elkaar sneller op naarmate de
    auto het obstakel nadert.
    Bij een afstand van minder dan
    40 cm klinkt er een continu geluids‐
    signaal.

    De parkeerhulp vergemakkelijkt het
    parkeren door de afstand tussen uw
    auto en obstakels erachter te meten
    en u met geluidssignalen in de auto te
    waarschuwen. De bestuurder is en
    blijft echter verantwoordelijk bij het
    parkeren. Het systeem bestaat uit vier
    ultrasoonparkeersensor in de achter‐
    bumper.

    9 Waarschuwing
    Reflecterende oppervlakken van
    voorwerpen of kleding en externe
    geluidsbronnen kunnen er in be‐
    paalde omstandigheden toe lei‐
    den dat het systeem een obstakel
    niet registreert.

    189

    Deactivering
    Uitgeschakeld in de standen Drive en
    Park, of als er een storing is.
    Het systeem zal een obstakel soms
    niet detecteren wanneer de auto snel‐
    ler rijdt dan 10 km/u.
    Storing
    Bij een systeemstoring gaat r
    branden.
    Mocht het systeem bovendien tijdelijk
    niet werken wegens sneeuw op de
    sensoren, gaat r branden.

    Voorzichtig
    Het parkeerhulpsysteem mag al‐
    leen als een aanvullende functie
    worden gezien. De bestuurder
    moet achteruit kijken.
    Het hoorbare waarschuwingssig‐
    naal kan verschillen afhankelijk
    van de voorwerpen.
    Het hoorbare waarschuwingssig‐
    naal wordt niet geactiveerd wan‐
    neer de sensor bevroren of ver‐
    vuild is met vuil of modder.



  • Page 192

    190

    Rijden en bediening

    Duw niet tegen de buitenkant van
    de sensor en bekras deze niet.
    Hierdoor wordt waarschijnlijk de
    afdekking beschadigd.
    Het is mogelijk dat het parkeer‐
    hulpsysteem gestoord wordt wan‐
    neer op oneffen ondergrond wor‐
    den gereden, zoals in bossen, op
    gravelwegen, slecht wegdekken
    of hellingen.
    Het parkeerhulpsysteem herkent
    mogelijk geen scherpe objecten,
    dikke winterkleding of andere
    dikke en zachte materialen die de
    frequentie kunnen absorberen.

    Voorzichtig
    Wanneer andere ultrasone gelui‐
    den worden ontvangen (metaal‐
    geluiden of luchtremgeluiden van
    zware bedrijfsvoertuigen) kan het
    parkeerhulpsysteem niet correct
    functioneren.
    Reinig vervuilde sensoren met
    een zachte spons en schoon wa‐
    ter.

    U moet gebruik blijven maken van
    de spiegels of om blijven kijken.
    De normale voorzorgsmaatrege‐
    len bij het achteruit rijden moeten
    ook worden aangehouden. De
    sensoren niet indrukken of stoten
    door erop te slaan of deze tijdens
    het wassen af te spuiten met een
    hogedrukspuit, omdat ze hierdoor
    beschadigd raken.

    sleutel in de stand ON/START staat
    en de bestuurder de auto in R (ach‐
    teruit) zet, verschijnt het videobeeld
    automatisch op het display van de
    LCD-module.
    Wanneer de bestuurder de auto uit R
    (achteruit) schakelt, verdwijnt het vi‐
    deobeeld automatisch van het display
    van de LCD-module.

    Voorzichtig

    De achteruitkijkcamera (RVC) kan
    nooit het zicht van de bestuurder
    vervangen.
    RVC doet het volgende niet:
    ■ Objecten buiten het zicht van de
    camera, onder de bumper of on‐
    der de auto detecteren.
    ■ Kinderen, voetgangers, fietsers
    of dieren waarnemen.
    Rij niet alleen op basis van het
    RVC-achteruit en gebruik het
    scherm ook niet bij langer achter‐
    uitrijden met een hogere snelheid
    of bij een kans op kruisend ver‐
    keer.

    Het bovenste deel van de auto kan
    geraakt worden voordat de sensor
    in werking treedt. Gebruik dus al‐
    tijd de achteruitkijkspiegel of kijk
    achterom tijdens het parkeren.
    Het parkeerhulpsysteem zal cor‐
    rect functioneren op verticale,
    vlakke ondergronden.

    Achteruitkijkcamera
    De achteruitkijkcamera (RVC) helpt
    de bestuurder bij het achteruit rijden
    door een beeld van de zone achter de
    auto weer te geven. Wanneer de

    9 Waarschuwing



  • Page 193

    Rijden en bediening
    De op het scherm geschatte af‐
    standen verschillen van de werke‐
    lijke afstanden.

    Plaats van achteruitkijkcamera

    9 Waarschuwing
    Als u niet behoedzaam achteruit
    rijdt, kunt u een voertuig, een kind,
    een voetganger, een fietser of een
    dier raken, met schade aan de
    auto, letsel of de dood als gevolg.
    Controleer zelfs bij een auto met
    achteruitkijkcamera vóór het ach‐
    teruit rijden altijd zelf de zone ach‐
    ter en rondom de auto.

    Activering

    De achteruitkijkcamera wordt auto‐
    matisch geactiveerd wanneer de
    sleutel in de stand ON/START staat
    en de achteruitversnelling wordt inge‐
    schakeld.

    De camera zit achter op de auto.
    De door de camera getoonde zone is
    beperkt en toont geen objecten bij de
    hoeken of onder de bumper. De ge‐
    toonde zone kan variëren met de rich‐
    ting van de auto of de staat van het
    wegdek. De afstand op het beeld op
    het scherm verschilt van de werkelijke
    afstand.

    Storing

    191

    De achteruitkijkcamera werkt wellicht
    niet goed of geeft wellicht geen dui‐
    delijk beeld als:
    ■ de achteruitkijkcamera uitgescha‐
    keld is,
    ■ het donker is,
    ■ als de zon of koplampen van an‐
    dere auto's direct in de lens van de
    camera schijnen,
    ■ als de cameralens door ijs,
    sneeuw, modder of iets anders is
    vervuild. Reinig de lens, spoel deze
    af met water en wrijf na met een
    zachte doek,
    ■ de auto een botsing aan de achter‐
    zijde heeft gehad. De stand en de
    montagehoek van de camera kan
    veranderen of de camera werkt
    minder goed. Laat de camera, de
    positie en de montagehoek ervan
    door uw erkende dealer nakijken,
    ■ bij extreme temperatuurwisselin‐
    gen.



  • Page 194

    192

    Rijden en bediening

    Brandstof
    Brandstof voor
    benzinemotoren
    Alleen loodvrije brandstoffen gebrui‐
    ken die voldoen aan EN 228.
    Gelijkwaardig genormeerde brand‐
    stoffen met een ethanolgehalte van
    max. 10% mogen ook worden ge‐
    bruikt.
    Brandstof met het aanbevolen oc‐
    taangetal gebruiken 3 265. Het ge‐
    bruik van brandstof met een te laag
    octaangetal resulteert mogelijk in een
    lager motorvermogen en motorkop‐
    pel en kan een lichte stijging van het
    brandstofverbruik tot gevolg hebben.

    Voorzichtig
    Gebruik van brandstof die niet vol‐
    doet aan EN 228 of E DIN 51626-1
    of soortgelijk, kan leiden tot neer‐
    slag of motorschade en kan van
    invloed zijn op de garantie.

    Voorzichtig
    Het gebruik van brandstof met een
    te laag octaangetal kan ongecon‐
    troleerde verbranding en daarmee
    motorschade tot gevolg hebben.

    Brandstof voor
    dieselmotoren
    Alleen dieselbrandstoffen gebruiken
    die voldoen aan EN 590.
    In landen buiten de Europese Unie
    Euro-Diesel gebruiken met een zwa‐
    velconcentratie onder 50 ppm.

    Voorzichtig
    Gebruik van brandstof die niet vol‐
    doet aan EN 590 of soortgelijk,
    kan leiden tot een verminderd mo‐
    torvermogen, meer slijtage of mo‐
    torschade en vervallen van de ga‐
    rantie.
    Gebruik geen scheepsdiesel, verwar‐
    mingsolie, Aquazole en vergelijkbare
    diesel-wateremulsies.

    Het is niet toegestaan om dieseloliën
    aan te lengen met brandstoffen voor
    benzinemotoren.
    De viscositeit en filtreerbaarheid van
    dieselolie zijn temperatuurafhanke‐
    lijk. Bij lage temperaturen dieselolie
    met gegarandeerde wintereigen‐
    schappen tanken.

    Tanken
    Voorzichtig
    Wanneer brandstof van de ver‐
    keerde klasse wordt getankt of de
    verkeerde brandstofadditieven
    wordt toegevoegd, kunnen motor
    en katalysator ernstig worden be‐
    schadigd.
    Let er bij het tanken op dat u de
    juiste brandstof tankt (benzine of
    diesel). Als u benzine tankt bij een
    dieselauto, kan de motor ernstig
    beschadigd raken. Als u op diesel
    rijdt, kunt u aan de informatie op
    de brandstofvuldop zien of u de
    juiste brandstof tankt.



  • Page 195

    Rijden en bediening
    Om veiligheidsredenen moeten
    brandstofblikken, -pompen en slangen correct zijn geaard. Stati‐
    sche elektriciteit kan benzinedam‐
    pen doen ontploffen. U kunt
    brandwonden oplopen en uw auto
    kan beschadigd raken.

    9 Gevaar
    Zet de motor af en schakel externe
    verwarmingen met verbrandings‐
    kamers uit alvorens te beginnen
    met tanken. Schakel mobiele tele‐
    foons uit.
    Elektromagnetische velden of sta‐
    tische ontladingen van mobiele te‐
    lefoons kunnen aanleiding geven
    tot ontsteking van brandstofdam‐
    pen.
    Brandstof is brandbaar en explo‐
    sief. Niet roken. Geen open vuur
    of vonken. Volg de bedienings- en
    veiligheidsinstructies van het tank‐
    station tijdens het tanken.

    Verwijder statische elektriciteit
    aan uw handen door een voor‐
    werp beet te pakken dat statische
    elektriciteit kan afvoeren terwijl u
    de tankdop of het vulpistool aan‐
    raakt of opent.
    Vermijd handelingen die statische
    elektriciteit kunnen opwekken,
    zoals in- en uitstappen tijdens het
    tanken. Statische elektriciteit kan
    aanleiding geven tot het ontbran‐
    den van brandstofdampen.
    Wanneer u brandstof in de auto
    kunt ruiken, dient u de oorzaak
    daarvan onmiddellijk door een
    werkplaats te laten verhelpen.

    193

    De tankdopklep bevindt zich op de
    achterzijkant van de auto.

    1. Schakel de motor uit.



  • Page 196

    194

    Rijden en bediening

    2. Om de tankdopklep te ontgrende‐
    len, drukt u op het dashboard of
    op de handzender op c.
    3. Open de tankdopklep.
    4. Draai het de tankdop langzaam
    linksom. Wacht bij een sissend
    geluid totdat dit stopt voordat u de
    dop geheel losschroeft.

    6. Sluit de top na het tanken. Draai
    de dop rechtsom vast totdat u een
    "klikgeluid" hoort.
    7. Druk het tankdopklepje dicht tot‐
    dat het vergrendelt.

    Raadpleeg voor de specifieke waar‐
    den van uw auto het bij de auto gele‐
    verde EC-keurmerk of andere bij de
    auto geleverde voertuigdocumenten.

    Let op
    Als bij koud weer de brandstofvul‐
    klep niet open gaat, tik dan lichtjes
    op de klep. Probeer de klep daarna
    opnieuw te openen.

    De officiële waarden van het brand‐
    stofverbruik en de specifieke CO2
    emissie betreffen het EU-basismodel
    met standaarduitrusting.
    Gegevens inzake brandstofverbruik
    en CO2-emissie worden bepaald con‐
    form regeling R (EC) nr. 715/2007 (in
    de dan geldende versie), met inacht‐
    neming van het rijklaar voertuigge‐
    wicht, zoals gespecificeerd in de re‐
    geling.
    De cijfers worden alleen vermeld ter
    vergelijking tussen verschillende
    voertuigvarianten en moeten niet
    worden beschouwd als garantie voor
    het werkelijke brandstofverbruik van
    een specifiek voertuig. Extra uitrus‐
    ting kan iets hogere resultaten ople‐
    veren dan de vermelde waarden voor
    verbruik en CO2. Voorts hangt het

    Voorzichtig
    Gemorste brandstof onmiddellijk
    afwassen.

    Brandstofverbruik - CO2uitstoot
    5. Als de tankdop vergrendeld is,
    kunt u deze ontgrendelen met de
    contactsleutel. Neem de dop weg.
    De dop zit met een scharnierende
    bevestigingshaak vast aan de
    auto.

    Het gecombineerde brandstofver‐
    bruik van de Aveo/Sonic bevindt zich
    binnen een bereik van 6,6 tot 3,6 l/100
    km.
    De CO2 emissie (gecombineerd) be‐
    vindt zich binnen een bereik van 155
    tot 95 g/km.

    Algemene informatie



  • Page 197

    Rijden en bediening
    brandstofverbruik af van de persoon‐
    lijke rijstijl, de staat van het wegdek en
    de verkeerssituatie.

    195



  • Page 198

    196

    Verzorging van de auto

    Verzorging van de
    auto

    Algemene informatie

    Algemene informatie .................. 196
    Controle van de auto ................. 197
    Gloeilamp vervangen ................. 217
    Elektrisch systeem ..................... 223
    Boordgereedschap .................... 231
    Velgen en banden ..................... 232
    Starthulp gebruiken ................... 245
    Trekken ...................................... 246
    Verzorging van uiterlijk .............. 249

    Wij raden u aan alleen gebruik te ma‐
    ken van originele onderdelen, acces‐
    soires en andere uitdrukkelijk door de
    fabriek voor uw autotype goedge‐
    keurde onderdelen. Voor andere on‐
    derdelen kunnen wij – ook als deze
    door autoriteiten of anderszins zijn
    goedgekeurd – niet beoordelen of
    deze betrouwbaar zijn en er evenmin
    garant voor staan.
    Geen aanpassingen in het elektrische
    systeem aanbrengen, zoals wijzigin‐
    gen in de elektronische stuurappara‐
    ten (chip-tuning).

    Accessoires en
    modificaties van auto

    Voorzichtig
    Breng nooit wijzigingen aan het
    voertuig aan. Deze kunnen van in‐
    vloed zijn op de prestaties, duur‐
    zaamheid en de veiligheid van de

    auto en de garantie dekt wellicht
    bepaalde problemen niet als ge‐
    volg van de modificatie.

    Auto stallen
    Langdurig stallen

    Wordt de auto meerdere maanden
    gestald, dan het volgende doen:
    ■ Auto wassen en conserveren.
    ■ Conservering van motorruimte en
    bodemplaat laten controleren.
    ■ Brandstoftank volledig vullen.
    ■ Afdichtrubbers reinigen en conser‐
    veren.
    ■ Motorolie verversen.
    ■ Sproeiervloeistofreservoir leegma‐
    ken.
    ■ Vorst- en corrosiebestendigheid
    koelvloeistof controleren.
    ■ Bandenspanning instellen op de
    waarde voor maximale belading.
    ■ Auto in een droge en goed geven‐
    tileerde ruimte parkeren. Eerste of
    achteruitversnelling inschakelen.



  • Page 199

    Verzorging van de auto







    Schakel bij een automatische ver‐
    snellingsbak naar de stand P. Voor‐
    komen dat auto kan wegrollen.
    Handrem niet aantrekken.
    Motorkap openen, alle portieren
    sluiten en auto vergrendelen.
    Poolklem van de minpool van de
    accu loskoppelen. Erop letten dat
    geen van de systemen werkt, waar‐
    onder het diefstalalarmsysteem.
    Sluit de motorkap.

    Verwerking van sloopauto
    Informatie over autodemontagebe‐
    drijven en de recycling van sloopau‐
    to's vindt u op onze website. Laat dit
    werk uitsluitend over aan een erkend
    autodemontagebedrijf.

    197

    Controle van de auto
    Werkzaamheden
    uitvoeren

    Weer in gebruik nemen

    Wanneer u de auto weer in gebruik
    neemt:
    ■ Poolklem op de minpool van de
    accu aansluiten. Elektronica voor
    de elektrische ruitbediening inscha‐
    kelen.
    ■ Bandenspanning controleren.
    ■ Sproeiervloeistofreservoir vullen.
    ■ Motoroliepeil controleren.
    ■ Koelvloeistofpeil controleren.
    ■ Zo nodig kentekenplaat monteren.

    9 Waarschuwing
    Controles in de motorruimte alleen
    met uitgeschakelde ontsteking uit‐
    voeren.
    De koelventilator kan ook bij uit‐
    geschakelde ontsteking gaan
    draaien.



  • Page 200

    198

    Verzorging van de auto
    9 Gevaar

    Het ontstekingssysteem werkt met
    een zeer hoge spanning. Niet aan‐
    raken.

    Motorkap
    Openen
    2. Windhaak omhoogduwen en de
    motorkap openen.

    9 Waarschuwing
    Alleen de schuimplastic bekleding
    van de windhaak aanraken, wan‐
    neer de motor heet is.

    1. Aan de ontgrendelingshendel
    trekken en in de uitgangspositie
    terugduwen.

    3. Trek de ondersteuningstang voor‐
    zichtig uit de houder. En zet hem
    vervolgens vast aan de linker zij‐
    haak van de motorruimte.

    Sluiten

    Steun vóór het sluiten van de motor‐
    kap stevig in de houder duwen.
    Motorkap laten zakken en in het slot
    laten vallen. Controleer of de motor‐
    kap vergrendeld is.



  • Page 201

    Verzorging van de auto
    9 Waarschuwing
    Houd altijd de volgende voor‐
    zorgsmaatregelen in acht: Trek de
    motorkap aan de voorzijde om‐
    hoog om te controleren of hij goed
    vergrendeld is voordat u wegrijdt.
    Trek tijdens het rijden niet aan de
    ontgrendelhendel van de motor‐
    kap.
    Verplaats de wagen niet terwijl de
    motorkap is geopend. Een geo‐
    pende motorkap blokkeert het
    zicht van de bestuurder.
    Rijden met een geopende motor‐
    kap kan leiden tot een aanrijding
    en daarmee tot (fataal) letsel en/of
    materiële schade.

    Voorzichtig
    Trek de motorkap niet omlaag
    wanneer deze wordt ondersteund
    door de stang.

    199



  • Page 202

    200

    Verzorging van de auto

    Overzicht motorruimte
    Benzinemotor - 1.2



  • Page 203

    Verzorging van de auto
    Benzinemotor - 1.4

    201



  • Page 204

    202

    Verzorging van de auto

    Benzinemotor - 1.4 turbo



  • Page 205

    Verzorging van de auto
    Benzinemotor - 1.6

    203



  • Page 206

    204

    Verzorging van de auto

    Dieselmotor - 1.3



  • Page 207

    Verzorging van de auto
    1.
    2.
    3.
    4.
    5.
    6.
    7.
    8.
    9.

    Motorluchtfilter
    Peilstok motorolie
    Vuldop motorolie
    Remvloeistofreservoir
    Accu
    Zekeringenkastje
    Sproeiervloeistofreservoir
    Koelvloeistofreservoir
    Reservoir hydraulische stuurbe‐
    krachtigingsvloeistof /AUX. zeke‐
    ringhouder (1.4 benzine turbo)

    Motorolie
    Wij raden u aan het motoroliepeil vóór
    elke lange rit handmatig te controle‐
    ren.
    Alleen op een vlakke ondergrond
    controleren. De motor moet op be‐
    drijfstemperatuur zijn en minstens
    5 minuten uitgeschakeld zijn ge‐
    weest.
    Oliepeilstok uittrekken, afvegen, tot
    aan de aanslag van de handgreep
    weer insteken, opnieuw uittrekken en
    het motoroliepeil aflezen.

    Peilstok tot aan de aanslag van de
    handgreep insteken en een halve
    slag draaien.

    <Benzinemotor>

    <Dieselmotor>
    Wanneer het motoroliepeil tot het
    merkje MIN is gedaald, dan motorolie
    bijvullen.

    205



  • Page 208

    206

    Verzorging van de auto

    Wij raden u aan dezelfde soort olie te
    nemen als voor de laatste olieverver‐
    sing is gebruikt.
    De motorolie mag niet hoger staan
    dan het bovenste merkteken MAX op
    de peilstok.

    De motorolievuldop bevindt zich op
    de kleppendeksel

    Voorzichtig
    Een teveel aan motorolie moet
    worden afgetapt of afgezogen.
    Vulhoeveelheden en viscositeit
    3 273, 3 260.

    9 Waarschuwing
    Motorolie is irriterend en kan bij in‐
    slikken ziekte of overlijden veroor‐
    zaken.
    Uit de buurt van kinderen houden.
    Vermijd herhaaldelijk of langdurig
    contact met de huid.
    Was blootgestelde delen met zeep
    en water of een handreiniger.
    Wees heel voorzichtig tijdens het
    aftappen van de motorolie, omdat
    deze heet genoeg kan zijn om u te
    branden!

    Afhankelijk van de rijomstandighe‐
    den, kan de kilometerstand waarbij
    wordt aangegeven dat de motorolie
    moet worden ververst aanzienlijk va‐
    riëren.
    Om ervoor te zorgen dat het oliele‐
    vensduursysteem goed werkt, moet
    het systeem na iedere olieverversing
    worden gereset.
    Heeft het systeem berekend dat de
    levensduur van de olie is verstreken,
    geeft het aan dat een olieverversing
    noodzakelijk is.

    Controlesysteem
    oliekwaliteit
    Deze auto heeft een computersys‐
    teem dat aangeeft wanneer de olie
    moet worden ververst en het oliefilter
    vervangen.
    Dit is gebaseerd op het aantal om‐
    wentelingen, de temperatuur van de
    motor en de kilometerstand.

    De boordinformatie verschijnt op het
    Driver Information Center (DIC).



  • Page 209

    Verzorging van de auto
    Ververs de olie zo snel mogelijk bin‐
    nen de volgende 1000 km.
    Het is onder bepaalde omstandighe‐
    den mogelijk dat het olielevensduur‐
    systeem aangeeft dat er een heel jaar
    geen olieverversing nodig is. Het olie‐
    filter moet minstens eens per jaar
    worden vervangen en de olie ververst
    en dan moet ook het systeem worden
    gereset.
    Uw erkende dealer heeft getraind ser‐
    vicepersoneel dat deze werkzaamhe‐
    den kan uitvoeren en het systeem re‐
    setten. Het is belangrijk ook tussen
    twee olieverversingsintervallen het
    oliepeil te controleren en op het juiste
    peil te houden.
    Mocht het systeem onbedoeld wor‐
    den gereset, moet de olie bij
    5000 km sinds de vorige olieverver‐
    sing worden ververst.
    Nadat u de olie hebt ververst, moet de
    olielevensduurbewaking worden ge‐
    reset. Wij adviseren u contact op te
    nemen met een erkend reparatiebe‐
    drijf.

    207

    Resetten van het motoroliele‐
    vensduursysteem

    Reset het systeem telkens na het ver‐
    versen van de motorolie, zodat het
    systeem de volgende motoroliever‐
    versing kan berekenen.
    1. Schakel het contact in bij uitge‐
    schakelde motor.

    2. Met de toets MENU en stelwiel in
    de richtingaanwijzerhendel be‐
    weegt u naar
    Motorolielevensduur in het Driver
    Information Centre (DIC).

    3. Druk op de toets SET/CLEAR om
    de olielevensduur terug te zetten
    naar 100%.
    4. Schakel het contact uit.
    Zorg ervoor dat de weergave van de
    olielevensduur niet onopzettelijk
    wordt gereset op een willekeurig mo‐
    ment nadat de olie is ververst. De cor‐
    recte waarde kan niet opnieuw wor‐
    den ingesteld.
    Als de boordinformatie weer op het
    Driver Information Center wordt weer‐
    gegeven zodra de auto wordt gestart,
    is het controlesysteem oliekwaliteit
    niet gereset. Herhaal de procedure.



  • Page 210

    208

    Verzorging van de auto
    Voorzichtig

    Vergeet niet het controlesysteem
    oliekwaliteit terug te zetten wan‐
    neer de motorolie is ververst.

    Automatischeversnellingsbakolie
    Het is niet nodig om het niveau van de
    automatische versnellingsbakvloei‐
    stof te controleren.
    Als er een probleem is zoals lekkage,
    laat dit dan door een autowerkplaats
    verhelpen.

    Voorzichtig
    Door het gebruik van de verkeerde
    vloeistof kan de auto worden be‐
    schadigd. Gebruik altijd de vloei‐
    stof vermeld onder Aanbevolen
    vloeistoffen en smeermiddelen
    3 260.

    Vloeistof
    handgeschakelde
    versnellingsbak
    Voorzichtig
    Voordat u dit werk doet, moet u
    beslist volkomen vertrouwd zijn
    met de uitvoering ervan.
    Wij adviseren u contact op te ne‐
    men met een erkend reparatiebe‐
    drijf.

    1. Zet de motor uit en laat de hand‐
    geschakelde versnellingsbak af‐
    koelen.
    2. Verwijder de vulplug.
    3. Als het vloeistofniveau laag staat,
    vul dan versnellingsbakvloeistof
    bij tot het niveau weer bij de on‐
    derkant van de vulplugopening
    staat.
    4. Breng na het bijvullen tot het cor‐
    recte niveau de vulplug weer ste‐
    vig aan.

    Voorzichtig
    Door het gebruik van de verkeerde
    vloeistof kan de auto worden be‐
    schadigd. Gebruik altijd de vloei‐
    stof vermeld onder Aanbevolen
    vloeistoffen en smeermiddelen
    3 260.



  • Page 211

    Verzorging van de auto
    Voorzichtig

    Motorluchtfilter

    Vul niet te veel transmissievloei‐
    stof bij.
    Hierdoor kan de transmissie be‐
    schadigd worden.

    Voorzichtig
    De motor heeft schone lucht nodig
    om goed te kunnen werken.
    Laat de motor niet draaien zonder
    dat het luchtfilterelement geplaatst
    is.
    Rijden zonder dat het luchtfilter‐
    element op de juiste manier ge‐
    plaatst is, kan de motor beschadi‐
    gen.

    9 Waarschuwing
    Hitte afgegeven door de motor,
    versnellingsbak of vloeistoffen
    kunnen brandwonden veroorza‐
    ken.
    Zorg dat de versnellingsbak is af‐
    gekoeld voordat u deze aanraakt.

    209

    1. Beide boutjes losdraaien.
    2. Maak de scharnieren van het
    luchtfilterdeksel los en open het
    deksel.
    3. Vervang het luchtfilter.
    4. Vergrendel het deksel met de
    dekselscharnieren en de schroe‐
    ven.

    Koelvloeistof
    In landen met een gematigd klimaat
    biedt de koelvloeistof antivriesbe‐
    scherming tot ongeveer -30 °C.
    In landen met een zeer koud klimaat
    biedt de koelvloeistof antivriesbe‐
    scherming tot ongeveer -40 °C.
    Antivries in de juiste concentratie ge‐
    bruiken.

    Voorzichtig
    Alleen goedgekeurde antivries ge‐
    bruiken.



  • Page 212

    210

    Verzorging van de auto

    Koelvloeistofpeil
    Voorzichtig
    Een te laag koelvloeistofpeil kan
    motorschade veroorzaken.

    kan zo ernstig letsel worden toe‐
    gebracht. De motor moet zijn af‐
    gekoeld voordat de dop wordt ge‐
    opend. Draai de dop voorzichtig
    open en laat de druk langzaam
    ontsnappen.
    Bijvullen met een mengsel van ge‐
    destilleerd water en een type antivries
    dat goedgekeurd is voor de auto. Dop
    goed vastdraaien. Antivriesgehalte
    door een werkplaats laten controleren
    en oorzaak van het koelvloeistofver‐
    lies laten verhelpen.

    Bij een koud koelsysteem moet de
    koelvloeistof boven de vulstreep
    staan. Bijvullen als het peil te laag is.

    9 Waarschuwing
    Verwijder nooit de dop van het
    koelvloeistofreservoir terwijl de
    motor en de radiateur heet zijn. Er

    Let op
    Indien het koelvloeistofpeil tot onder
    de MIN-lijnmarkering komt, vul de
    radiateur dan met een 56/44-anti‐
    vriesmengsel van gedeminerali‐
    seerd water (56%) en antivries op
    basis van organische zuren.
    Gebruik een mengsel van 48% wa‐
    ter en 52% antivries om uw auto te‐
    gen extreem koud weer te bescher‐
    men.

    Voorzichtig
    Leidingwater of een onjuist meng‐
    sel kan het koelsysteem bescha‐
    digen.
    Gebruik geen leidingwater of anti‐
    vries op alcohol- of methanolbasis
    in het koelsysteem.
    De motor kan oververhit raken of
    zelfs in brand vliegen.

    Voorzichtig
    Koelvloeistof kan gevaarlijk zijn.
    Vermijd herhaaldelijk of langdurig
    contact met koelvloeistof.
    Reinig uw huid en nagels met
    zeep en water of handreiniger na
    het contact met koelvloeistof.
    Uit de buurt van kinderen houden.
    Koelvloeistof kan de huid irriteren
    en kan bij inslikken ziekte of zelfs
    overlijden veroorzaken.



  • Page 213

    Verzorging van de auto
    Voorzichtig

    Hydraulische
    stuurbekrachtiging

    Het is niet noodzakelijk vaker dan
    het voorgeschreven interval koel‐
    vloeistof bij te vullen.
    Als u te vaak koelvloeistof moet
    bijvullen, kan het er op duiden dat
    de motor onderhoud nodig heeft.
    Wij adviseren u contact op te ne‐
    men met een erkende werkplaats.

    Als de auto is uitgerust met een elek‐
    tronisch stuurbekrachtigingssys‐
    teem, wordt er geen stuurbekrachti‐
    gingsvloeistof gebruikt.

    zijde van de reservoirdop/peilstok
    of dat ze in het reservoir terecht‐
    komen.

    Voorzichtig
    Rijd niet met de auto zonder de
    voorgeschreven hoeveelheid
    stuurbekrachtigingsvloeistof.
    Wanneer u dat wel doet, kan de
    stuurbekrachtiging van uw auto
    beschadigd raken, wat tot kost‐
    bare reparaties leidt.

    Stuurbekrachtigingsvloei‐
    stof
    Elektrische stuurbekrachtiging

    211

    De stuurbekrachtigingsvloeistof moet
    tussen de merktekens MIN en MAX
    staan.
    Bijvullen als het peil te laag is.

    Voorzichtig
    Zeer kleine hoeveelheden vuil‐
    deeltjes kunnen schade aan de
    stuurinrichtingssysteem veroorza‐
    ken, waardoor het niet meer goed
    werkt. Voorkom dat vuildeeltjes in
    contact komen met de vloeistof‐

    9 Waarschuwing
    Het morsen van vloeistof kan
    brand of verkleuring van het lak‐
    werk veroorzaken.
    Vul het reservoir niet te vol.
    Als de motor in brand vliegt, kan
    persoonlijk letsel of schade aan de
    auto en andere zaken ontstaan.



  • Page 214

    212

    Verzorging van de auto

    Sproeiervloeistof

    Remvloeistof
    9 Waarschuwing
    Remvloeistof is giftig en bijtend.
    Contact met ogen, huid, textiel en
    lakwerk vermijden.

    Met sproeiervloeistof vullen die anti‐
    vries bevat.
    Bijvullen van het ruitensproeierreser‐
    voir:
    ■ Gebruik alleen in de handel ver‐
    krijgbare kant-en-klare sproeier‐
    vloeistof.
    ■ Geen kraanwater gebruiken. Door
    de mineralen in kraanwater kunnen
    de voorruitensproeierleidingen ver‐
    stopt raken.
    ■ Gebruik sproeiervloeistof met vol‐
    doende vorstbescherming wan‐
    neer het gaat vriezen.

    De remvloeistof moet tussen de
    merktekens MIN en MAX staan.
    Bij het bijvullen schoon te werk gaan,
    omdat verontreinigde remvloeistof
    storingen in het remsysteem tot ge‐
    volg kan hebben. Oorzaak van het
    remvloeistofverlies door een werk‐
    plaats laten verhelpen.

    Gebruik alleen remvloeistof die is
    goedgekeurd voor de auto, rem- en
    koppelingsvloeistof 3 260.

    Voorzichtig
    Zorg ervoor dat het gebied rond de
    dop van het remvloeistofreservoir
    grondig gereinigd wordt voordat
    de dop wordt verwijderd.
    Vervuiling van het remvloeistof‐
    systeem kan de werking van het
    systeem beïnvloeden wat tot kost‐
    bare reparaties kan leiden.
    Op de motor gemorste remvloei‐
    stof kan in brand vliegen.
    Vul het reservoir niet te vol.
    Als de motor in brand vliegt, kan
    persoonlijk letsel of schade aan de
    auto en andere zaken ontstaan.

    Voorzichtig
    Door een remvloeistof met een
    lage kwaliteit te gebruiken, kan er
    corrosie ontstaan aan de interne



  • Page 215

    Verzorging van de auto
    onderdelen van het remsysteem,
    wat kan resulteren in een slech‐
    tere werking van het remsysteem,
    wat een veiligheidsprobleem is.
    Gebruik altijd remvloeistof van
    hoge kwaliteit die goedgekeurd is
    voor uw automodel. Wij adviseren
    originele GM-remvloeistof.

    Voorzichtig
    Gooi remvloeistof niet weg met het
    huishoudelijk afval.
    Breng deze naar een gemeentelijk
    inzamelpunt voor chemisch afval.
    Gebruikte remvloeistof en vloei‐
    stofblikken zijn gevaarlijk. Zij kun‐
    nen schadelijk zijn voor uw ge‐
    zondheid en het milieu.
    Remvloeistof is gevaarlijk en kan
    huid en ogen irriteren.
    Laat geen remvloeistof op uw huid
    of in uw ogen komen. Gebeurt dit
    wel, was het betroffen gebied dan
    onmiddellijk af met water en zeep
    of handreiniger.

    Accu
    Auto's zonder stop-startsysteem zijn
    uitgerust met een loodzuuraccu. Au‐
    to's met stop-startsysteem zijn uitge‐
    rust met een AGM-accu die geen
    loodzuuraccu is.
    De accu van de auto is onderhouds‐
    vrij als de accu tijdens de ritten vol‐
    doende wordt bijgeladen. Bij veelvul‐
    dige starts en korte ritten raakt de
    accu mogelijk ontladen. Vermijd het
    gebruik van onnodige elektrische ver‐
    bruikers.

    Accu's horen niet in het huisvuil thuis.
    Ze moeten via speciale inzamelpun‐
    ten gerecycled worden.
    Wanneer de auto meer dan 4 weken
    achtereen stil staat, kan de accu ont‐
    laden raken. Poolklem van de min‐
    pool van de accu loskoppelen.

    213

    Accu van de auto alleen bij uitgescha‐
    keld contact aansluiten en loskoppe‐
    len.

    9 Waarschuwing
    Gloeiende materialen uit de buurt
    houden van de accu om ontplof‐
    fing tegen te gaan. Bij een explo‐
    sie van de accu kan schade aan
    de auto en ernstig of dodelijk letsel
    ontstaan.
    Contact met ogen, huid, textiel en
    lakwerk vermijden. De vloeistof
    bevat zwavelzuur, dat bij direct
    contact persoonlijk letsel en
    schade aan de auto kan veroorza‐
    ken. Bij huidcontact het getroffen
    gebied met water schoonwassen
    en onmiddellijk medische hulp in‐
    roepen.
    Uit de buurt van kinderen houden.
    Een geopende accu niet kantelen.
    Ontlaadbeveiliging van accu 3 100.



  • Page 216

    214

    Verzorging van de auto

    Accu vervangen
    Let op
    Elke afwijking van de in deze para‐
    graaf gegeven instructies kan leiden
    tot een tijdelijke uitschakeling van
    het stop- startsysteem.
    Gebruik alleen accu's waarbij het mo‐
    gelijk is de zekeringhouder boven de
    accu te monteren.
    In auto's met het Stop/Start-systeem
    dient u ervoor te zorgen dat de AGMaccu (Absorptive Glass Mat) weer
    wordt vervangen door een AGMaccu.
    Een AGM-accu kan worden herkend
    aan het label op de accu. Wij advise‐
    ren het gebruik van een originele GM
    accu.
    Let op
    Als u een andere AGM-accu ge‐
    bruikt dan de originele GM-accu is
    het mogelijk dat het stop-startsys‐
    teem slechter presteert.
    Wij adviseren u de accu te laten ver‐
    vangen door uw erkende reparateur.

    Accu opladen
    9 Waarschuwing
    Bij auto's met een stop-startsys‐
    teem moet u ervoor zorgen dat het
    oplaadvermogen geen 14,6 volt
    overschrijdt wanneer u een accuoplader gebruikt. Anders kunt u de
    accu beschadigen.

    Waarschuwingssticker

    Betekenis van de symbolen:
    ■ Geen vonken, open vuur en niet ro‐
    ken.
    ■ Altijd een veiligheidsbril dragen.
    Explosieve gassen kunnen aanlei‐
    ding geven tot blindheid of letsel.
    ■ De accu uit de buurt van kinderen
    houden.
    ■ De accu bevat zwavelzuur dat aan‐
    leiding kan geven tot blindheid of
    ernstige brandwonden.
    ■ Zie de gebruikershandleiding voor
    meer informatie.
    ■ Er kan knalgas aanwezig zijn in de
    buurt van de accu.

    Dieselbrandstoffilter
    Water uit brandstoffilter
    aftappen

    Als het water in de brandstof in de
    motor en het brandstofsysteem komt,
    kan het ernstige schade aan het
    brandstofsysteem veroorzaken.



  • Page 217

    Verzorging van de auto
    Als het waterpeil in het brandstoffilter
    een bepaald niveau overschrijdt, gaat
    de lamp water in brandstof U bran‐
    den.
    Tap in dat geval het water onmiddel‐
    lijk uit het brandstoffilter af.

    Voorzichtig
    Zorg voor het aftappen dat u ge‐
    heel vertrouwd bent met deze
    werkzaamheden.
    Wij adviseren u contact op te ne‐
    men met een erkend reparatiebe‐
    drijf.

    1. Zoek naar het brandstoffilter
    rondom de brandstoftank.
    2. Zet een wateropvangbak onder
    het brandstoffilter.
    3. Draai de aftapplug met een platte
    schroevendraaier linksom.
    4. Wacht totdat al het water wegge‐
    stroomd is en draai de aftapplug
    rechtsom vast.
    5. Voer de brandstof voorafgaand
    aan het starten van de motor als
    volgt op:
    Schakel het contact IN, wacht on‐
    geveer 5 seconden en zet het
    contact in de stand LOCK. Her‐
    haal dit meer dan 3 keer.

    Voorzichtig
    Als u blijft rijden met een bran‐
    dende waarschuwingslamp U,
    kan het brandstofsysteem ernstig
    beschadigd raken.
    Tap het water onmiddellijk af uit
    het brandstoffilter.

    215

    Dieselbrandstofsysteem
    ontluchten
    Na het leegrijden van de tank moet
    het dieselbrandstofsysteem worden
    ontlucht. Het contact driemaal achter‐
    een 15 seconden lang inschakelen.
    Motor vervolgens maximaal 40 se‐
    conden laten starten. Deze procedure
    na minstens 5 seconden herhalen.
    Slaat de motor niet aan, dan de hulp
    van een werkplaats inroepen.

    Wisserblad vervangen
    Goed werkende voorruitenwissers
    zijn uitermate belangrijk voor een
    goed zicht en veilig rijden. Inspecteer
    de staat van de ruitenwisserbladen
    regelmatig. Vervang harde, verbrok‐
    kelde of gescheurde bladen of exem‐
    plaren die vuil op de voorruit achter‐
    laten.
    Vreemde stoffen op de voorruit of de
    wisserbladen kan de werking van de
    ruitenwissers nadelig beïnvloeden.
    Als de balden niet goed wissen, rei‐
    nigt u zowel de voorruit als de bladen



  • Page 218

    216

    Verzorging van de auto

    met een goede reiniger of een mild
    schoonmaakmiddel. Spoel deze
    grondig met water af.
    Procedure zo nodig herhalen. Het is
    lastig om siliconensporen van glas te
    verwijderen. Wrijf de voorruit van uw
    auto daarom nooit in met siliconen‐
    houdende middelen om strepen en
    een slechter zicht voor de bestuurder
    te voorkomen.
    Reinig ruitenwissers niet met oplos‐
    middelen, benzine, kerosine of verf‐
    verdunner. Deze bijten en kunnen de
    bladen en het lakwerk beschadigen.

    1. Houd de stang van de wisserarm
    vast en haal de wisserarm om‐
    hoog.
    2. Druk de uitschuifbare bevesti‐
    gingspen eruit met uw vingers.

    Wisserblad van voorruitwisser
    3. Druk tegen de voorkant van het
    wisserblad terwijl u dit draait en
    druk vervolgens omhoog.

    Wisserblad achterruitwisser

    1. Haal het wisserblad omhoog tot
    het wisserblad en de wisserarm‐
    houder op gelijke hoogte komen.
    2. Trek het wisserblad eruit.



  • Page 219

    Verzorging van de auto

    3. Verwijder het wisserblad uit de
    houder, let op het geleidingsgat.

    Gloeilamp vervangen

    Koplampen

    Contact uitschakelen en desbetref‐
    fende schakelaar uitschakelen of por‐
    tieren sluiten.
    Nieuwe gloeilamp alleen aan fitting
    vastpakken! Het glas van de gloei‐
    lamp niet met blote handen aanraken.
    Bij vervangen altijd hetzelfde type
    gloeilamp gebruiken.
    Vervang de gloeilampen van de kop‐
    lampen vanuit de motorruimte.

    Grootlicht en dimlicht

    Let op
    Na rijden in zware regenval of na
    een wasbeurt kunnen de lenzen van
    sommige externe lampen beslagen
    lijken.
    Dit wordt veroorzaakt door het tem‐
    peratuurverschil tussen de binnenen buitenkant van de lamp.
    Dit komt overeen met de condensa‐
    tie op de ruiten in uw auto tijdens re‐
    gen en betekent niet dat er een pro‐
    bleem is met uw auto.
    Wanneer er water in het gloeilamp‐
    circuit lekt, laat u de auto controleren
    door uw erkende werkplaats.

    217

    1. Koplampafdekking verwijderen.



  • Page 220

    218

    Verzorging van de auto

    2. Druk de veerklem in, maak hem
    los.
    3. Gloeilamp uit reflectorhuis verwij‐
    deren.

    Auto's met halogeenkoplampen
    tijdens rijden in het buitenland

    Voorzichtig
    Laat de koplamphoogte na het
    deactiveren controleren.
    Wij adviseren u contact op te ne‐
    men met een erkend reparatiebe‐
    drijf.

    9 Waarschuwing

    4. Stekker van gloeilamp loshalen.
    5. Vervang de gloeilamp en maak de
    connector vast aan de gloeilamp.
    6. Bij het aanbrengen van de nieuwe
    gloeilamp de lipjes in de uitsparin‐
    gen van het reflectorhuis steken.
    7. Draadveerklem vastklikken.
    8. Koplampafdekking aanbrengen
    en vastdraaien.

    De stelbouten zitten boven de dim‐
    lichtkap.
    Draai de stelbouten met een schroe‐
    vendraaier een halve slag rechtsom.
    Draai de stelbouten een halve slag
    linksom om te deactiveren.

    Wanneer de koplampen verkeerd
    zijn afgesteld, kan de bestuurder
    van een tegenligger verblind ra‐
    ken.
    Stel alleen af indien dit echt nood‐
    zakelijk is.



  • Page 221

    Verzorging van de auto
    Parkeerlichten

    2. Lamphouder zijmarkeringslicht uit
    reflectorhuis verwijderen.
    3. Stekker van gloeilamp loshalen.

    219

    Mistlampen

    Gloeilampen door een werkplaats la‐
    ten vervangen.

    Richtingaanwijzers vooraan

    1. Koplampafdekking verwijderen.
    4. Gloeilamp uit lamphouder verwij‐
    deren.
    5. Nieuwe gloeilamp plaatsen.
    6. Stekker aan gloeilamp bevesti‐
    gen.
    7. Lamphouder in reflectorhuis aan‐
    brengen.
    8. Koplampafdekking aanbrengen
    en vastdraaien.

    1. Lamphouder linksom draaien en
    losmaken.



  • Page 222

    220

    Verzorging van de auto

    Achterlichten

    2. Gloeilamp iets in lamphouder du‐
    wen, linksom draaien, verwijderen
    en nieuwe gloeilamp plaatsen.
    3. Lamphouder in reflectorhuis
    plaatsen en rechtsom vergrende‐
    len.

    1. Beide boutjes losdraaien.
    2. Trek aan de achterlichteenheid
    om te verwijderen. De kabelgelei‐
    der moet op zijn plaats blijven zit‐
    ten.

    3. Achterlicht/remlicht (1).
    Richtingaanwijzer (2).
    Achteruitrijlicht (passagierszijde) /
    mistachterlicht (bestuurderszijde)
    (3).



  • Page 223

    Verzorging van de auto

    4. Lamphouder linksom draaien.

    5. Lamphouder verwijderen. Gloei‐
    lamp iets in lamphouder duwen,
    linksom draaien, verwijderen en
    nieuwe gloeilamp plaatsen.
    6. Lamphouder in de achterlicht-unit
    steken en vastschroeven. Achter‐
    licht-unit in carrosserie aanbren‐
    gen en boutjes vastdraaien. Af‐
    dekkingen sluiten en vastklikken.
    7. Contact inschakelen, verlichting
    activeren en controleren of alle
    lampen werken.

    Zijrichtingaanwijzers

    221

    1. Lampelement met schroeven‐
    draaier loswippen. Druk de lamp
    naar voren (linkerzijde) of naar
    achteren (rechterzijde). Kantel de
    lamp vervolgens omlaag en ver‐
    wijder deze uit de uitsparing.
    2. Lamphouder linksom draaien.
    3. Gloeilamp uit de lamphouder trek‐
    ken en vervangen.
    4. In omgekeerde volgorde terug‐
    plaatsen.

    LED-lampen (buitenspiegel)

    Laat LED-lampen door een werk‐
    plaats vervangen.



  • Page 224

    222

    Verzorging van de auto

    Derde remlicht

    Kentekenverlichting

    Binnenverlichting
    Interieurverlichting
    1. Wrik de kant tegenover de licht‐
    schakelaar met een platte schroe‐
    vendraaier los om deze te verwij‐
    deren. (Maak geen krassen.)
    2. Verwijder de gloeilamp.
    3. Vervang de gloeilamp.
    4. Plaats de lampeenheid terug.

    Als het derde remlicht niet functio‐
    neert, laat dit dan controleren door
    een autowerkplaats.

    1. Lampelement met schroeven‐
    draaier loswippen.
    2. Lamphuis naar beneden toe ver‐
    wijderen, hierbij niet aan de kabel
    trekken.
    Lamphouder linksom losdraaien.
    3. Gloeilamp uit lamphouder nemen
    en nieuwe gloeilamp plaatsen.
    4. Lamphouder in lamphuis plaatsen
    en rechtsom draaien.
    5. Lamphouder aanbrengen en met
    een schroevendraaier vast‐
    draaien.

    Achterklep- (of kofferdeksel-)
    verlichting

    1. Lampelement met schroeven‐
    draaier loswerken.



  • Page 225

    Verzorging van de auto

    Elektrisch systeem
    Zekeringen

    2. Lamp verwijderen.
    3. Nieuwe gloeilamp plaatsen.
    4. Lampelement aanbrengen.

    Controleren of het opschrift op de ver‐
    vangende zekering overeenkomt met
    dat op de defecte zekering.
    In een kastje boven de pluspool van
    de accu zitten enkele hoofdzekerin‐
    gen. Deze zo nodig vervangen door
    een werkplaats laten vervangen.
    Alvorens een zekering te vervangen,
    de desbetreffende schakelaar en het
    contact uitschakelen.
    Een defecte zekering is te herkennen
    aan de doorgebrande smeltdraad.
    Zekering pas vervangen wanneer de
    oorzaak van de storing verholpen is.
    Sommige functies worden door meer‐
    dere zekeringen beveiligd.
    Er kunnen zekeringen aanwezig zijn
    die geen functie hebben.
    Let op
    Het is mogelijk dat niet alle beschre‐
    ven zekeringenkasten op uw auto
    aanwezig zijn.

    223

    Raadpleeg bij een controle van de
    zekeringenkast de bijbehorende
    sticker.

    Zekeringtrekker

    In de zekeringenkast in de motor‐
    ruimte zit mogelijk een zekeringtrek‐
    ker.
    Zekeringtrekker van boven af of van
    opzij op zekering zetten en zekering
    lostrekken.

    Zekeringenkast in
    motorruimte



  • Page 226

    224

    Verzorging van de auto

    De zekeringenkast bevindt zich in de
    motorruimte.
    Maak het deksel los, til het op en ver‐
    wijder het.

    Benzine

    Nr. Stroomkring
    1

    Snelheidsrelais voorruitwisser

    2

    ABS-pomp

    3

    Snelheidsrelais achterruitwisser

    4

    Ruitenwisser voor

    5

    Aanjager

    6

    ABS-klep

    7

    Zonnedak

    9

    Achterruitwisser

    10 RVC
    11 Olie ABS
    12 AOS/ROS
    13 OSRVM
    14 Relais achterruitverwarming
    15 Achterruitverwarming
    16 Reservezekering
    17 Reservezekering
    18 Reservezekering
    19 Reservezekering
    20 Reservezekering



  • Page 227

    Verzorging van de auto
    Nr. Stroomkring

    Nr. Stroomkring

    21 Reservezekering

    44 TCM

    22 Reservezekering

    45 ECM 1

    24 RUN/CRANK IEC

    46 BOBINE

    25 RUN/CRANK-relais

    47 ECM 4

    28 OSRVM HTD

    48 ECM 3

    30 Voorstoelverwarming

    49 ECM 2

    31 FSCM 1

    50 Verstuiver/bobine

    32 Flexfuel

    51 P/T-relais

    33 Sproeier

    52 Claxon

    34 Relais brandstofpomp

    53 Relais koelventilator K3

    35 Brandstofpomp

    54 Start

    36 ECM_5

    55 Startrelais

    37 FSCM_2/niveauregeling

    56 Relais aoircokoppeling

    38 TCM_1

    57 Grootlichtrelais

    39 Koelventilator K5

    58 Mistlampen voor

    40 Koelventilator K4

    59 Grootlicht links

    41 EVP

    60 Grootlicht rechts

    42 ECM

    61 Relais koelventilator K1

    43 Aircokoppeling

    Stop/Start-systeem auto

    225



  • Page 228

    226

    Verzorging van de auto

    Nr.

    Stroomkring

    Nr.

    Stroomkring

    Nr.

    Stroomkring

    1

    Ruitenwisser voor

    29

    Niet gebruikt/SAI-kleprelais

    48

    Voeding hulpwaterpomp

    2

    ABS-pomp

    30

    Niet gebruikt/SAI-klep

    49

    ECM 1

    3

    Snelheidsrelais achterruit‐
    wisser

    31

    OSRVM HTD

    50

    BOBINE

    4

    Snelheidsrelais voorrui‐
    twisser

    32

    Voedingsrelais hulpwater‐
    pomp

    51

    ECM 4

    33

    Voorstoelverwarming

    52

    ECM 3

    34

    FSCM_1

    53

    ECM 2

    35

    Koolstoffilterontluchting

    54

    Verstuiver/bobine

    36

    Sproeier

    37

    Relais brandstofpomp

    38

    Brandstofpomp

    39

    ECM_5

    40

    FSCM_2/niveauregeling

    41

    TCM_1/DC-DC-omzetter

    43

    SAI-POMP

    44

    EVP

    45

    ECM

    46

    Aircokoppeling

    47

    TCM

    6

    Aanjager

    8

    OSRVM

    9

    AOS/ROS

    10

    Olie ABS

    11

    RVC

    12

    Achterruitwisser

    13

    Niet gebruikt/IBS

    14

    ABS-klep

    15

    Zonnedak

    17

    Relais achterruitverwarming

    18

    Achterruitverwarming

    19-25 Reservezekering
    27

    RUN/CRANK IEC

    28

    RUN/CRANK-relais

    55

    Relais SAI-pomp

    56

    P/T-relais

    57

    Koelventilator K4

    58

    Koelventilator K5

    59

    Relais koelventilator K3

    60

    Start

    61

    Startrelais

    62

    Relais aoircokoppeling

    63

    Grootlichtrelais

    64

    Claxon

    65

    Mistlampen voor

    66

    Grootlicht links



  • Page 229

    Verzorging van de auto
    Diesel

    227

    Nr.

    Stroomkring

    Nr.

    Stroomkring

    67

    Grootlicht rechts

    1

    Ruitenwisser voor

    68

    Relais koelventilator K1

    2

    ABS-pomp

    3

    Snelheidsrelais achterruit‐
    wisser

    4

    Snelheidsrelais voorrui‐
    twisser

    6

    Aanjager

    8

    OSRVM

    9

    AOS/ROS

    10

    Olie ABS

    11

    RVC

    12

    Achterruitwisser

    13

    Niet gebruikt/IBS

    14

    ABS-klep

    15

    Zonnedak

    17

    Relais achterruitverwarming

    18

    Achterruitverwarming

    19-25 Reservezekering
    27

    RUN/CRANK IEC

    28

    RUN/CRANK-relais



  • Page 230

    228

    Verzorging van de auto

    Nr.

    Stroomkring

    Nr.

    Stroomkring

    29

    Voedingsrelais hulpwater‐
    pomp

    50

    BOBINE

    30

    Voeding hulpwaterpomp

    51

    ECM 4

    31

    OSRVM HTD

    52

    ECM 3

    32

    Relais verwarming brandstof‐
    filter

    53

    ECM 2

    54

    PCV-verwarming

    33

    Voorstoelverwarming

    55

    Relais koelventilator K2

    34

    Niet gebruikt

    56

    P/T-relais

    35

    Sproeier

    57

    Koelventilator K5

    37

    Relais brandstofpomp

    58

    Koelventilator K4

    38

    Brandstofpomp

    59

    Relais koelventilator K3

    39

    ECM_5

    60

    Start

    40

    Niveauregeling

    61

    Startrelais

    41

    DC-DC-omzetter

    62

    Relais aoircokoppeling

    42

    Verwarming brandstoffilter

    63

    Grootlichtrelais

    44

    Gloeibougie

    64

    Claxon

    45

    ECM

    65

    Mistlampen voor

    46

    Aircokoppeling

    66

    Grootlicht links

    47

    TCM

    67

    Grootlicht rechts

    49

    ECM 1

    68

    Relais koelventilator K1



  • Page 231

    Verzorging van de auto
    1.4 turbo

    229



  • Page 232

    230

    Verzorging van de auto

    AUX. zekeringhouder (1.4 benzine
    turbo)
    De hulpzekeringhouder zit in de mo‐
    torruimte naast het koelvloeistofre‐
    servoir.
    R1: relais koelventilator K3
    R2: relais koelventilator K7

    Nr.

    Stroomkring

    1

    DLIS

    2

    DLC

    3

    Airbag

    4

    Achterklep

    5

    Reservezekering

    Zekeringenkast
    instrumentenpaneel

    6-13 Carrosserieregelmodule

    Het zekeringenkastje interieur be‐
    vindt zich aan de onderzijde van het
    dashboard aan de bestuurderszijde.

    14

    IPC

    15

    ONSTAR

    16

    Ultra-parkeerhulp

    17

    Regensensor

    18

    Audio

    19

    Aanhanger

    20

    VLBS/FCA/LDW

    21

    CHEVYSTAR

    22

    Verwarming, ventilatie en
    airconditioning

    23

    HDLP ALC

    24

    Koppeling

    25

    IPC-AOS



  • Page 233

    Verzorging van de auto
    Nr.

    Stroomkring

    Nr.

    Stroomkring

    26

    Airbag RUN/CRANK

    42

    PTC1

    27

    Run-relais

    43

    Accuconnector

    28

    Achterkleprelais

    29

    Aanhanger RUN/CRANK

    30

    Klokveer

    31

    Verwarming, ventilatie en
    airconditioning

    32

    Reservezekering

    33

    Zonnedak

    34

    Aansteker

    35

    Reservezekering

    36

    Elektrische ruitbediening
    achterin

    37

    Elektrische ruitbediening
    voorin

    38

    RAP/ACCY

    39

    DCDC CONV

    40

    Elektrisch bediende ruiten snel
    omhoog/omlaag

    41

    PTC2

    231

    Boordgereedschap
    Gereedschap
    Auto's met bandenreparatieset

    De bandenreparatieset zit in een op‐
    bergvak onder de vloerafdekplaat van
    de bagageruimte 3 238.

    Auto's met reservewiel

    De krik en het gereedschap liggen in
    een opbergvak in de bagageruimte
    op het reservewiel.
    Noodreservewiel 3 243, wiel verwis‐
    selen 3 241.



  • Page 234

    232

    Verzorging van de auto

    Velgen en banden
    Conditie van banden en velgen

    Zo langzaam mogelijk en onder een
    rechte hoek over obstakels rijden. Het
    rijden over scherpe randen kan
    schade aan banden en velgen tot ge‐
    volg hebben. Banden niet tegen de
    stoeprand klemmen.
    De wielen regelmatig op beschadi‐
    ging controleren. Bij beschadigingen
    of abnormale slijtage de hulp van een
    werkplaats inroepen.

    Winterbanden
    Winterbanden verhogen de veiligheid
    bij temperaturen onder 7 °C en moe‐
    ten daarom op alle wielen worden ge‐
    monteerd.

    Aanduidingen op banden
    Bijv. 215/60 R 16 95 H
    215 = Bandbreedte in mm
    60 = Hoogte-breedteverhouding
    (bandhoogte t.o.v. band‐
    breedte) in %

    R
    RF
    16
    95
    H

    =
    =
    =
    =

    Type koordlagen: Radiaal
    Type: RunFlat
    Velgdiameter in inches
    Kengetal voor draagvermo‐
    gen, 95 komt bijv. overeen met
    690 kg
    = Kenletter voor snelheid

    Kenletter voor snelheid:
    Q = maximaal 160 km/u
    S = maximaal 180 km/u
    T = maximaal 190 km/u
    H = maximaal 210 km/u
    V = maximaal 240 km/u
    W = maximaal 270 km/u

    Bandenspanning
    De bandenspanning minstens om de
    14 dagen en vóór elke lange rit bij
    koude banden controleren. Het reser‐
    vewiel niet vergeten.
    Draai het ventieldopje los.

    Bandspanningentabel op sluitvlak
    van bestuurdersportier.
    De voorgeschreven bandenspanning
    geldt bij koude banden. De waarde
    geldt voor zowel zomer- als winter‐
    banden.
    Reservewiel altijd oppompen tot de
    bandenspanning bij maximale bela‐
    ding.
    De ECO-bandenspanning dient om
    een zo laag mogelijk brandstofver‐
    bruik te bereiken.



  • Page 235

    Verzorging van de auto
    Een onjuiste bandenspanning beïn‐
    vloedt de veiligheid, het weggedrag,
    het rijcomfort en het brandstofver‐
    bruik negatief en verhoogt de ban‐
    denslijtage.

    bandenspanning en verzenden de
    waarden ervan naar een ontvanger in
    de auto.

    9 Waarschuwing
    Een te lage bandenspanning kan
    aanleiding geven tot oververhitting
    van de banden en interne bescha‐
    digingen, wat bij hoge snelheden
    loslatende loopvlakken en zelfs
    klapbanden kan veroorzaken.

    Bandenspanningscontro‐
    lesysteem
    Deze auto kan zijn uitgerust met een
    bandenspanningscontrolesysteem
    (TPMS).
    Het TPMS waarschuwt de bestuurder
    als de spanning in de banden te laag
    wordt. De TPMS-sensoren zitten op
    elke band en wiel compleet, behalve
    op de reserveband en het reserve‐
    wiel. De TPMS-sensoren bewaken de

    233

    ■ Belasting 1: laag (comfortabele
    stand bandenspanning)
    ■ Belasting 2: eco (eco-stand ban‐
    denspanning)
    ■ Belasting 3: hoog (MTT-stand ban‐
    denspanning)
    Druk enkele seconden op de toets
    SET/CLR om te bevestigen.
    Let op
    Het label bandenspanning zit op het
    frame van het portier links.
    Raadpleeg het label bandenspan‐
    ningswaarden voor de aanbevolen
    bandenspanning.

    Druk op de knop MENU in de rich‐
    tingaanwijzerhendel om het verklik‐
    kerlichtje bandenspanning aan te
    passen aan de werkelijke belasting
    van de auto. Verstel het kartelwieltje
    tot aan het menu "Bandbelasting".
    Druk op de knop SET/CLR. U kunt de
    volgende menu's selecteren.
    U kunt elk menu selecteren door het
    kartelwieltje in de richtingaanwijzer‐
    hendel te verdraaien.



  • Page 236

    234

    Verzorging van de auto

    Bij een te lage bandenspanning gaat
    A op de instrumentengroep branden.
    Stop als het verklikkerlichtje voor een
    te lage bandenspanning oplicht zo
    spoedig mogelijk en breng de banden
    op de aanbevolen spanning.
    Bandenspanning 3 274.
    A licht bij elke contactcyclus op totdat
    de banden op de juiste spanning zijn
    gebracht.
    A kan bij het starten van de auto bij
    koud weer oplichten en gaat dan on‐
    derweg uit. Dit kan een eerste indica‐
    tie zijn dat de bandenspanning laag
    wordt en de banden moeten op de
    juiste spanning worden gebracht.
    Een label bandenspanning en bela‐
    dingsinformatie vermeldt de maat van
    de originele banden en de juiste
    spanning voor de banden in koude
    staat.
    Bandenspanning 3 274.
    Let op
    Het TPMS kan waarschuwen voor
    een te lage bandenspanning maar
    vervangt niet het reguliere onder‐
    houd aan de banden.

    Storing

    Het TPMS werkt niet goed bij ontbre‐
    ken van of defecten aan één of meer
    TPMS-sensoren. Als het systeem
    een defect detecteert, knippert A ge‐
    durende ongeveer één minuut en blijft
    het gedurende de rest van de con‐
    tactcyclus branden.
    A licht bij elke contactcyclus op totdat
    het probleem verholpen is. Sommige
    situaties waarin A kan oplichten zijn:
    ■ Een van de banden is vervangen
    door de reserveband.
    ■ De reserveband heeft geen TPMSsensor. A moet uit gaan na het ver‐
    vangen van de band door een vol‐
    waardige band met een TPMS-sen‐
    sor.
    ■ Na het onderling verwisselen van
    de banden is de TPMS-sensor niet
    of niet goed gekoppeld. Na het
    goed koppelen van de sensor moet
    A uit gaan. Zie onderstaand voor
    het koppelen van de TPMS-sensor.
    ■ Een of meerdere TPMS-sensoren
    ontbreken of zijn beschadigd. Na
    het monteren en goed koppelen

    van de TPMS-sensoren moet A uit
    gaan. Laat het systeem door uw
    dealer nakijken.
    ■ De nieuwe banden of wielen heb‐
    ben een andere maat dan de origi‐
    nele banden of wielen. Door ban‐
    den en wielen met een andere maat
    dan aanbevolen werkt het TPMS
    wellicht niet goed.
    ■ Door elektronische apparaten of bij
    het rijden bij gebouwen waarin ra‐
    diofrequenties van die van het
    TPMS worden gebruikt, kunnen de
    TPMS-sensoren defect raken.
    Als het TPMS niet goed werkt, kan het
    geen te lage bandenspanning detec‐
    teren of signaleren. Laat het systeem
    als A oplicht en blijft branden door
    een erkende Chevrolet dealer nakij‐
    ken.

    TPMS-sensor koppelen

    Elke TPMS-sensor heeft een unieke
    identificatiecode. Na het onderling
    verwisselen van de banden of het ver‐
    vangen van één of meer TPMS-sen‐
    soren moet de identificatiecode aan
    de positie van een nieuw(e) band/wiel



  • Page 237

    Verzorging van de auto
    worden gekoppeld. Koppel de TPMSsensor ook na het vervangen van een
    reserveband door een volwaardige
    band met de TPMS-sensor. Bij de vol‐
    gende contactcyclus moet A uit gaan.
    De sensoren zijn met een inleertool
    voor het TPMS aan de posities van de
    banden/wielen gekoppeld in deze
    volgorde: band linksvoor, band
    rechtsvoor, band rechtsachter en
    band linksachter. Raadpleeg uw er‐
    kende Chevrolet dealer voor het ver‐
    richten van deze werkzaamheden of
    de aanschaf van een programmeer‐
    tool.
    De eerste positie van de banden/wie‐
    len moet binnen twee minuten wor‐
    den gekoppeld en alle vier posities
    van de banden/wielen moeten binnen
    vijf minuten worden gekoppeld. Als
    het langer duurt, stopt het koppelen
    en moet het opnieuw worden gestart.
    Koppel de TPMS-sensoren als volgt:
    1. Trek de handrem aan.
    2. Zet het contact bij uitgeschakelde
    motor op ON/RUN.

    3. Gebruik de knop MENU in de rich‐
    tingaanwijzer om het menu op het
    Driver Information Center (DIC) te
    selecteren.

    4. Gebruik het kartelwieltje om op
    het scherm naar de menuoptie
    Band inleren te bladeren.
    5. Druk op de knop SET/CLR om het
    koppelen van de sensoren te star‐
    ten. Er moet een bericht met de
    vraag of u wilt doorgaan verschij‐
    nen.

    235

    6. Druk nogmaals op de knop SET/
    CLR om de selectie te bevestigen.
    De claxon klinkt twee keer ter in‐
    dicatie dat de ontvanger in de pro‐
    grammeerstand staat.
    7. Begin met de band linksvoor.
    8. Plaats de programmeertool tegen
    de wang van de band, in de buurt
    van het ventiel. Druk daarna op de
    knop om de TPMS-sensor te acti‐
    veren. De claxon tsjilpt ter beves‐
    tiging dat de identificatiecode van
    de sensor aan deze positie van
    band en wiel gekoppeld is.
    9. Ga verder met de band rechtsvoor
    en herhaal de procedure zoals be‐
    schreven in stap 8.
    10. Ga verder met de band rechts‐
    achter en herhaal de procedure
    zoals beschreven in stap 8.
    11. Ga verder met de band linksach‐
    ter en herhaal de procedure zoals
    beschreven in Stap 8. De claxon
    klinkt twee keer ter indicatie dat de
    identificatiecode van de sensor



  • Page 238

    236

    Verzorging van de auto

    aan aan de band linksachter ge‐
    koppeld is en dat het koppelen
    van de TPMS-sensoren voltooid
    is.
    12. Zet het contact op LOCK/OFF.
    13. Breng alle vier de banden op de
    aanbevolen spanning zoals aan‐
    geduid op het label bandenspan‐
    ning en beladingsinformatie.

    Banden verouderen ook wanneer er
    niet mee gereden wordt. Wij raden u
    aan de banden om de 6 jaar te ver‐
    vangen.

    Profieldiepte

    Bij het gebruik van banden met een
    andere bandenmaat dan af fabriek
    gemonteerd, moeten mogelijk de
    snelheidsmeter en de voorgeschre‐
    ven bandenspanning geherprogram‐
    meerd worden en moeten er eventu‐
    eel andere aanpassingen aan de auto
    worden verricht.
    Na montage van banden met een an‐
    dere bandenmaat de sticker met de
    bandenspanning laten vervangen.

    Regelmatig de profieldiepte controle‐
    ren.
    Om veiligheidsredenen de banden te
    vervangen wanneer een profieldiepte
    van 2–3 mm (4 mm voor winterban‐
    den) is bereikt.
    Om veiligheidsredenen mag het ver‐
    schil in profieldiepte van banden op
    één as niet meer dan 2 mm zijn.

    Van banden- en velgmaat
    veranderen
    Banden en wielen met
    afwijkende maten

    De wettelijk toegestane minimumpro‐
    fieldiepte (1,6 mm) is bereikt wanneer
    het profiel tot aan één van de slijtageindicatoren (TWI = Tread Wear Indi‐
    cator) is afgesleten. De positie van de
    slijtage-indicatoren wordt aangeduid
    door merktekens op de zijwand van
    de band.
    Is de slijtage voor groter dan achter,
    dan de voorbanden omwisselen met
    de achterbanden. De draairichting
    van de wielen moet dezelfde als voor‐
    heen zijn.



  • Page 239

    Verzorging van de auto
    9 Waarschuwing
    Het gebruik van ongeschikte ban‐
    den of velgen kan tot ongelukken
    leiden en maakt de typegoedkeu‐
    ring van het voertuig ongeldig.

    9 Waarschuwing
    Gebruik gaan andere banden-/
    velgmaten dan die oorspronkelijk
    op het voertuig werden geplaatst.
    Dit kan van invloed zijn op de vei‐
    ligheid en prestatie van het voer‐
    tuig. Dit kan leiden tot problemen
    met sturen, omrollen en ernstig let‐
    sel. Let er bij het vervangen van
    banden op dat alle vier de wielen
    dezelfde maat hebben, van het‐
    zelfde type en merk zijn, hetzelfde
    profiel hebben en dezelfde draag‐
    kracht hebben. Het gebruik van
    een andere maat of een ander
    type kan de rij-eigenschappen, de
    afstand tot de grond, de remaf‐

    stand, en de betrouwbaarheid van
    de snelheidsmeter ernstig beïn‐
    vloeden.

    Wieldoppen
    Gebruik wieldoppen en banden die
    door de fabriek voor de desbetref‐
    fende auto zijn goedgekeurd en daar‐
    mee aan alle eisen voor de desbe‐
    treffende combinatie van wielen en
    banden voldoen.
    Indien geen wieldoppen en banden
    worden gebruikt die door de fabriek
    zijn goedgekeurd, mogen de banden
    niet voorzien zijn van een velgbe‐
    schermingsrand.
    Wieldoppen mogen de koeling van de
    remmen niet belemmeren.

    9 Waarschuwing
    Het gebruik van ongeschikte ban‐
    den of wieldoppen kan tot plotse‐
    ling drukverlies leiden met onge‐
    lukken als mogelijk gevolg.

    237

    Wieluitlijning en
    bandbalans
    De banden en wielen zijn af fabriek
    uitgelijnd en gebalanceerd voor een
    zo lang mogelijke levensduur en de
    beste algehele prestaties. Regelma‐
    tig uitlijnen en balanceren van wielen
    resp. banden is niet nodig.
    De wielophangingssystemen en
    stuurinrichting van uw auto moeten
    zich na transport weer enige tijd zet‐
    ten en zich aanpassen aan uw rijstijl,
    het aantal inzittenden en eventuele
    aanwezige bagage. GM raadt aan
    eerst 800 km met de auto te rijden
    voordat wordt nagegaan of het stuur‐
    wiel van uw auto trekt. Iets naar links
    of rechts trekken, afhankelijk van de
    opbolling van het wegdek en/of an‐
    dere wegdekgesteldheden, zoals uit‐
    hollingen of voren, is normaal. Laat
    de uitlijning daarom alleen controle‐
    ren als de auto veel naar een van
    beide kanten trekt of als u ongebrui‐
    kelijke slijtage van de banden vast‐
    stelt. Als de auto onderweg op een
    effen wegdek trilt, moeten de banden
    en wielen wellicht opnieuw worden



  • Page 240

    238

    Verzorging van de auto

    gebalanceerd. Raadpleeg uw er‐
    kende Chevrolet dealer voor de juiste
    diagnose.

    Sneeuwkettingen

    Sneeuwkettingen zijn alleen toege‐
    staan op de vooras (uitsluitend bij 14,
    15, 16 inch banden).
    Gebruik altijd kettingen met fijne
    schakels waardoor het loopvlak en de
    binnenkanten (inclusief kettingslot)
    met niet meer dan 10 mm toenemen.

    9 Waarschuwing
    Beschadigingen kunnen een klap‐
    band veroorzaken.

    Bandenreparatieset
    Lichte beschadigingen van de loop‐
    vlakken en de zijwanden van de ban‐
    den kunnen met de bandenreparatie‐
    set worden verholpen.
    Vreemde voorwerpen niet uit de ban‐
    den verwijderen.
    Beschadigingen die groter zijn dan
    4 mm of die in de bandwang dichtbij
    de velg zitten, kunnen niet met de
    bandenreparatieset worden verhol‐
    pen.

    Trek de handrem aan.
    Schakel bij een handgeschakelde
    versnellingsbak in de eerste versnel‐
    ling of de achteruitversnelling.
    Schakel bij een automatische ver‐
    snellingsbak naar de stand P.
    De bandenreparatieset zit in een op‐
    bergvak onder de vloerafdekplaat van
    de bagageruimte.

    9 Waarschuwing
    Niet sneller rijden dan 80 km/u.
    Niet langdurig gebruiken.
    Bestuurbaarheid en rijeigen‐
    schappen worden mogelijk nade‐
    lig beïnvloed.
    Bij bandenpech:

    1. Haal de bandenreparatieset uit
    het opbergvak.
    2. Verwijder de compressor en de
    fles afdichtmiddel.



  • Page 241

    Verzorging van de auto

    3. Verwijder de aansluitkabel (1) en
    de luchtslang (2) uit de opberg‐
    vakken aan de onderkant van de
    compressor.

    4. De schakelaar van de compres‐
    sor moet op § staan.
    5. Schroef de compressorluchtslang
    op de koppeling van de fles af‐
    dichtmiddel.
    6. Steek de compressorstekker in de
    accessoireaansluiting (12 V-aan‐
    sluiting of aanstekercontact). Om
    te voorkomen dat de accu van de
    auto leegraakt, is het raadzaam
    de motor te laten draaien.
    7. Zet de fles afdichtmiddel in de
    houder op de compressor.
    Plaats de compressor dichtbij de
    band, zodanig dat de fles afdicht‐
    middel rechtop staat.

    239

    8. Ventieldop van defecte band los‐
    schroeven.
    9. Schroef de vulslang op het ven‐
    tiel.

    10. Zet de wipschakelaar van de com‐
    pressor op I. De band wordt nu
    met afdichtmiddel gevuld.
    11. De manometer van de compres‐
    sor geeft even max. 6 bar aan
    wanneer de fles afdichtmiddel
    wordt geleegd (ca. 30 seconden).
    Daarna begint de druk te dalen.
    12. Al het afdichtmiddel wordt in de
    band gepompt. Daarna wordt de
    band opgepompt.



  • Page 242

    240

    Verzorging van de auto

    13. De voorgeschreven bandenspan‐
    ning (ongeveer 2,4 bar) moet bin‐
    nen 10 minuten worden bereikt.
    Schakel de compressor uit wan‐
    neer de juiste bandenspanning is
    bereikt.
    Wordt de voorgeschreven ban‐
    denspanning niet binnen
    10 minuten bereikt, dan de ban‐
    denreparatieset verwijderen. De
    auto één wielomwenteling ver‐
    plaatsen. De bandenreparatieset
    weer aansluiten en het vulproces
    10 minuten lang voortzetten.
    Wordt de voorgeschreven ban‐
    denspanning dan nog niet bereikt,

    dan is de band te ernstig bescha‐
    digd. De hulp van een werkplaats
    inroepen. Laat eventueel de te
    hoge bandenspanning af via de
    knop boven op de manometer.
    De compressor niet langer dan
    10 minuten laten werken.
    14. Maak de bandenreparatieset los.
    Borglipje op houder indrukken om
    fles met afdichtmiddel uit houder
    te verwijderen. Bandenvulslang
    op de vrije aansluiting van fles met
    afdichtmiddel schroeven. Hier‐
    door wordt voorkomen dat er af‐
    dichtmiddel uit de fles stroomt.
    Bandenreparatieset in de baga‐
    geruimte opbergen.
    15. Eventueel vrijgekomen afdicht‐
    middel met een doek verwijderen.
    16. Het op de fles met afdichtmiddel
    aanwezige etiket met de maxi‐
    maal toelaatbare snelheid (onge‐
    veer 80 km/h) in het gezichtsveld
    van de bestuurder aanbrengen.

    17. De rit onmiddellijk voortzetten, zo‐
    dat het afdichtmiddel zich gelijk‐
    matig in de band kan verspreiden.
    Na ca. 10 km rijden (uiterlijk na
    10 minuten) stoppen en de ban‐
    denspanning controleren. Hier‐
    voor de luchtslang van de com‐
    pressor rechtstreeks op bandven‐
    tiel en compressor schroeven.
    Bij een bandenspanning hoger
    dan 1,3 bar, de bandenspanning
    op de voorgeschreven waarde
    (ongeveer 2,4 bar) brengen. Pro‐
    cedure (nr. 17) herhalen totdat de
    bandenspanning niet meer af‐
    neemt.



  • Page 243

    Verzorging van de auto
    Bij een bandenspanning lager
    dan 1,3 bar, de auto niet meer ge‐
    bruiken. De hulp van een werk‐
    plaats inroepen.
    18. Bandenreparatieset in de baga‐
    geruimte opbergen.
    Let op
    Het rijcomfort van de gerepareerde
    band is sterk verslechterd, laat deze
    band daarom vervangen.
    Als er een ongewoon geluid klinkt of
    de compressor warm wordt, de com‐
    pressor gedurende minstens 30 mi‐
    nuten uitschakelen.
    Controleer de houdbaarheidsdatum
    van de set. Na deze datum zijn de
    afdichtende eiegenschappen niet
    meer gegarandeerd. Let op de infor‐
    matie m.b.t. opslag op de fles af‐
    dichtmiddel.
    Vervang de gebruikte fles afdicht‐
    middel. Voer de fles conform de gel‐
    dende wetgeving af.
    De compressor en het afdichtmiddel
    kunnen worden gebruikt vanaf on‐
    geveer -30 °C ~ 70 °C.

    Wiel verwisselen
    Door verschillende banden door el‐
    kaar te gebruiken kunt u onderweg de
    macht over het stuur verliezen.
    Door banden van verschillende ma‐
    ten, merken of typen (radiaalbanden
    en gordelbanden met diagonaalkar‐
    kas) door elkaar te gebruiken kan het
    rijgedrag slecht worden en kunt u een
    botsing krijgen. Door banden van ver‐
    schillende maten, merken of typen
    door elkaar te gebruiken kan uw auto
    ook schade oplopen. Gebruik op alle
    wielen banden met de juiste maat en
    van hetzelfde merk en type.
    Sommige auto's hebben in plaats van
    een reservewiel een bandenrepara‐
    tieset 3 238.
    De onderstaande voorbereidingen
    treffen en de instructies opvolgen:
    ■ Rijd de auto naar een veilige plek
    van de weg, zover mogelijk van het
    verkeer.
    ■ Auto op een vlakke, stevige en slip‐
    vrije ondergrond parkeren. Voor‐
    wielen in de rechtuitstand draaien.

    241

    ■ Handrem aantrekken, eerste ver‐
    snelling of achteruitversnelling.
    Schakel bij een automatische ver‐
    snellingsbak naar de stand P.
    ■ Motor uitschakelen en de contact‐
    sleutel verwijderen.
    ■ Schakel de alarmknipperlichten in.
    ■ Gebruik een wig, een blok hout of
    een stuk steen voor en achter het
    wiel dat diagonaal staat tegenover
    het wiel dat u van plan bent te gaan
    wisselen.
    ■ Laat alle passagiers uitstappen.
    ■ Reservewiel verwijderen 3 243.
    ■ Nooit meerdere wielen tegelijkertijd
    vervangen.
    ■ Gebruik de krik alleen om een wiel
    te wisselen bij bandenpech en niet
    voor de jaarlijkse montage van win‐
    ter- of zomerbanden.
    ■ Bij een zachte ondergrond, een ste‐
    vige plank (max. 1 cm dik) onder de
    krik leggen.
    ■ In de op te krikken auto mogen zich
    geen personen of dieren bevinden.



  • Page 244

    242

    Verzorging van de auto

    ■ Nooit onder een opgekrikte auto
    kruipen.
    ■ Opgekrikte auto niet starten.
    ■ Maak de wielmoeren en de
    schroefdraad schoon alvorens het
    wiel te monteren.

    2. Klap de wielsleutel uit, zet deze
    stevig op de wielmoer en draai
    elke moer een halve slag los.

    9 Waarschuwing
    We hebben de krik speciaal voor
    uw auto ontworpen.
    Gebruik de krik van uw auto niet bij
    andere auto's.
    Overschrijd nooit het maximaal
    toegestane gewicht van de krik.
    Als deze krik bij andere auto's
    wordt gebruikt, kunnen deze au‐
    to's of de krik beschadigd raken en
    kan er persoonlijk letsel ontstaan.

    1. Wieldeksel met een schroeven‐
    draaier loswippen en verwijderen.
    3. Draai de krikhendel om de hefkop
    iets om hoog te brengen en plaats
    de krik recht onder de positie die
    wordt aangeduid met de halve cir‐
    kel.
    4. Bevestig de krikhendel aan de krik
    en bevestig de sleutel correct aan
    de krikhendel.
    Breng vervolgens de krik omhoog
    zodat de hefkop stevig aansluit op
    de kriksteun.



  • Page 245

    Verzorging van de auto

    5. Draai de sleutel waarbij u de cor‐
    recte positie van de krik contro‐
    leert tot het wiel vrij is van de
    grond.
    6. Draai de wielmoeren los.
    7. Wiel verwisselen.
    8. Draai de wielmoeren erop.
    9. Auto laten zakken.
    10. Wielsleutel aanbrengen, let er
    hierbij op dat deze stevig vastzit
    en de wielmoeren kruislings aan‐
    halen.
    11. Wieldop voor het aanbrengen zo
    verdraaien dat de ventielopening
    over het bandventiel valt.

    Wielmoerdoppen aanbrengen.
    12. Het vervangen wiel en het boord‐
    gereedschap opbergen. Om rate‐
    len te voorkomen, draait u de
    boutkop totdat de boven- en on‐
    derkant van de krik na het terug‐
    leggen van de krik stevig tegen de
    gereedschapskist geklemd zijn.
    Zorg er ook voor dat de krik iets
    van het andere boordgereed‐
    schap af ligt. Gereedschap
    3 231.
    13. Bandenspanning alsmede het
    aanhaalmoment van de wielmoe‐
    ren van het gemonteerde wiel zo
    spoedig mogelijk controleren.
    Defecte band laten vervangen of re‐
    pareren.

    9 Waarschuwing
    Door roest of vuil op een wiel, of
    op de onderdelen waaraan het be‐
    vestigd is, kunnen de wielmoeren
    in de loop van de tijd lostrillen. Het
    wiel kan losschieten en een onge‐
    luk veroorzaken. Verwijder bij het

    243

    verwisselen van een wiel roest of
    vuil van punten waar het wiel aan
    de auto bevestigd is. Gebruik in
    noodsituaties een doek of een
    stuk papier; verwijder in dat geval
    alle roest of vuil later met een
    schraper of een staalborstel.
    Smeer tijdens het verwisselen van
    een wiel het midden van de wielnaaf
    in met wiellagervet ter voorkoming
    van corrosie of roestopbouw. Voor‐
    kom dat er vet op het vlakke wielmon‐
    tagevlak of op de wielmoeren of -bou‐
    ten komt.

    Reservewiel
    Compact reservewiel

    Het reservewiel kan afhankelijk van
    de uitvoering en de landelijke bepa‐
    lingen ook als compact reservewiel
    (thuiskomer) worden aangemerkt.
    Het reservewiel heeft een stalen velg.
    Is het gemonteerde reservewiel klei‐
    ner dan de andere wielen of wordt het
    gebruik in combinatie met winterban‐
    den, dan kunnen de rijeigenschappen



  • Page 246

    244

    Verzorging van de auto

    negatief worden beïnvloed. Defecte
    band zo spoedig mogelijk laten ver‐
    vangen.

    Voorzichtig
    Het reservewiel is alleen bedoeld
    voor tijdelijk noodgebruik.
    Vervang deze zo spoedig mogelijk
    door een normale band.
    Gebruik geen sneeuwkettingen.
    Monteer geen band op deze velg
    dat niet gelijk is aan het origineel.
    Niet op andere voertuigen monte‐
    ren.

    Compact reservewiel

    Het reservewiel ligt in de bagage‐
    ruimte onder de vloerafdekplaat. Het
    wordt in de kuip vastgezet met een
    vleugelmoer.
    De kuip van het reservewiel is niet
    ontworpen voor alle toegestane ban‐
    denmaten. Wilt u een verwisseld wiel
    met een bredere band in de reserve‐
    wielkuip leggen, dan kunt u de vloer‐
    afdekplaat op het uitstekende wiel la‐
    ten rusten.

    Bij gebruik van het compacte reser‐
    vewiel kunnen de rijeigenschappen
    negatief worden beïnvloed. Defecte
    band zo spoedig mogelijk laten ver‐
    vangen of repareren.
    Slechts één compact reservewiel
    monteren. Niet sneller rijden dan
    80 km/u. Neem bochten langzaam.
    Niet langdurig gebruiken.
    Sneeuwkettingen 3 238.

    Draairichtingsgebonden
    banden

    Draairichtingsgebonden banden zo
    monteren dat ze in de rijrichting afrol‐
    len. De draairichting is herkenbaar
    aan een symbool (bijv. een pijl) op de
    zijwand van de band.
    Voor banden die tegen de draairich‐
    ting in gemonteerd zijn geldt:
    ■ Rijeigenschappen worden mogelijk
    nadelig beïnvloed. Defecte band zo
    spoedig mogelijk laten vervangen
    of repareren.
    ■ Niet sneller rijden dan 80 km/h.
    ■ Bij regen en sneeuw bijzonder
    voorzichtig rijden.



  • Page 247

    Verzorging van de auto

    Starthulp gebruiken
    Niet starten met behulp van een snel‐
    lader.
    Bij een ontladen accu van de auto kan
    de motor worden gestart met hulp‐
    startkabels en de accu van een an‐
    dere auto.

    9 Waarschuwing
    Ga bij het werken met hulpstartka‐
    bels uiterst behoedzaam te werk.
    Afwijken van de onderstaande in‐
    structies kan letsel of schade door
    exploderen van de accu of schade
    aan de elektrische systemen van
    beide voertuigen veroorzaken.

    9 Waarschuwing
    Laat de accu niet in contact komen
    met de ogen, de huid, weefsels en
    lakwerk. De vloeistof bevat zwa‐
    velzuur, dat bij direct contact per‐
    soonlijk letsel en schade aan de
    auto kan veroorzaken.

    ■ De accu van de auto nooit aan von‐
    ken of open vuur blootstellen.
    ■ Een ontladen accu van de auto kan
    al bij een temperatuur van 0 °C be‐
    vriezen. Bevroren accu ontdooien
    alvorens hulpstartkabels aan te
    sluiten.
    ■ Bij werkzaamheden aan de accu
    van de auto oogbescherming en
    beschermende kleding dragen.
    ■ Een hulpstartaccu met dezelfde
    spanning (12 V) gebruiken. De ca‐
    paciteit van de hulpstartaccu (Ah)
    mag niet veel minder zijn dan die
    van de lege accu.
    ■ Hulpstartkabels met geïsoleerde
    aansluitklemmen en een diameter
    van minstens 16 mm2 (bij diesel‐
    motor 25 mm2) gebruiken.
    ■ De ontladen accu van de auto niet
    van het boordnet loskoppelen.
    ■ Alle onnodige stroomverbruikers
    uitschakelen.
    ■ Tijdens de hulpstart niet over de
    accu van de auto leunen.

    245

    ■ De aansluitklemmen van de ene
    kabel mogen die van de andere niet
    raken.
    ■ Ook de auto's mogen elkaar tijdens
    de hulpstart niet raken.
    ■ Handrem aantrekken, handge‐
    schakelde versnellingsbak in neu‐
    trale stand, automatische versnel‐
    lingsbak in stand P.
    ■ Open de kappen van de pluspolen
    van beide accu's.



  • Page 248

    246

    Verzorging van de auto

    Aansluitvolgorde van de kabels:
    1. Rode kabel op de pluspool van de
    hulpstartaccu aansluiten.
    2. Het andere uiteinde van de rode
    kabel op de pluspool van de ont‐
    laden accu aansluiten.
    3. Zwarte kabel op de minuspool van
    de hulpstartaccu aansluiten.
    4. Het andere uiteinde van de zwarte
    kabel op de massa van de auto
    aansluiten, bijv. op het motorblok
    of op een bout van de motorop‐
    hanging. Zover mogelijk van de
    ontladen accu aansluiten; mini‐
    maal 60 cm.
    De kabels zo leggen dat ze niet door
    de draaiende delen in de motorruimte
    geraakt kunnen worden.
    Om de motor te starten:
    1. De motor van het stroom leve‐
    rende voertuig starten.
    2. Na 5 minuten de andere motor
    starten. Startpogingen niet langer
    dan 15 seconden laten duren met
    tussenpozen van 1 minuut.

    3. Beide motoren met aangesloten
    kabels ca. 3 minuten stationair la‐
    ten draaien.
    4. Elektrische verbruikers (bijv. kop‐
    lampen, achterruitverwarming)
    van de stroom ontvangende auto
    inschakelen.
    5. Bovenstaande procedure bij het
    verwijderen van de kabels in de
    omgekeerde volgorde volgen.

    Trekken
    Auto slepen
    Roep voor het slepen van uw auto de
    hulp in van ons servicenetwerk of een
    professioneel sleepbedrijf.

    De beste manier om de auto te laten
    vervoeren is met een bergingsvoer‐
    tuig.



  • Page 249

    Verzorging van de auto

    247

    Ga voor het slepen van een auto als
    volgt te werk:
    ■ Laat geen passagiers in de ge‐
    sleepte auto zitten.
    ■ Zet de handrem van de gesleepte
    auto los en zet de versnellingsbak
    in de neutraalstand.
    ■ Schakel de alarmknipperlichten in.
    ■ Houd u aan de maximumsnelhe‐
    den.

    Slepen bij noodgevallen

    Wanneer een sleepservice niet be‐
    schikbaar bij een noodgeval, mag uw
    auto tijdelijk worden gesleept met een
    kabel die bevestigd is aan het nood‐
    sleepoog.

    Til de voorwielen op en zet deze vast
    om de auto op 2 wielen te slepen.

    Afdekking losmaken door erop te
    drukken en de afdekking te verwijde‐
    ren.
    Het sleepoog is opgeborgen bij het
    boordgereedschap 3 231.



  • Page 250

    248

    Verzorging van de auto
    Voorzichtig
    Langzaam wegrijden. Schok‐
    kende bewegingen vermijden.
    Buitensporige trekkrachten kun‐
    nen de auto beschadigen.

    Sleepoog inschroeven en tot aan de
    aanslag in horizontale stand vast‐
    draaien.
    Sleepkabel – beter is een sleepstang
    – aan sleepoog bevestigen.
    Sleepoog alleen gebruiken om de
    auto weg te slepen en niet om deze
    te bergen.
    Ontsteking inschakelen om het stuur‐
    slot op te heffen en remlichten, claxon
    en voorruitwisser te kunnen bedie‐
    nen.
    Versnellingsbak in neutrale stand.

    Bij uitgeschakelde motor gaat rem‐
    men en sturen aanmerkelijk zwaar‐
    der.
    Luchtrecirculatiesysteem inschake‐
    len en ruiten sluiten, zodat er geen
    uitlaatgassen van de slepende auto
    kunnen binnendringen.
    Auto's met automatische versnel‐
    lingsbak: Sleep de auto niet met be‐
    hulp van het sleepoog.
    Slepen met een sleepkabel kan ern‐
    stige schade aan de automatische
    versnellingsbak veroorzaken. Wan‐
    neer een auto met automatische ver‐
    snellingsbak moet worden gesleept,
    gebruikt u een autoambulance of een
    dolly.
    Auto's met handgeschakelde ver‐
    snellingsbak: De auto moet voor‐
    waarts worden gesleept, niet sneller

    dan 88 km/u. Anders of ingeval de
    transmissie defect is, moet de vooras
    worden opgetild.
    De hulp van een werkplaats inroepen.
    Na het slepen verwijdert u het sleep‐
    oog.
    Afdekking insteken en afdekking slui‐
    ten.

    Andere auto slepen

    Afdekking losmaken door erop te
    drukken en de afdekking te verwijde‐
    ren. Het sleepoog is opgeborgen bij
    het boordgereedschap 3 231.



  • Page 251

    Verzorging van de auto
    Voorzichtig
    Langzaam wegrijden. Schok‐
    kende bewegingen vermijden.
    Buitensporige trekkrachten kun‐
    nen de auto beschadigen.

    Sleepoog inschroeven en tot aan de
    aanslag in horizontale stand vast‐
    draaien.
    Sleepkabel, of beter nog een sleep‐
    stang, aan het sleepoog bevestigen.
    Sleepoog alleen gebruiken om de
    auto weg te slepen en niet om deze
    te bergen.
    Na het slepen plaatst u de afdekking
    weer stevig terug.

    249

    Verzorging van uiterlijk
    Verzorging exterieur
    Sloten

    De sloten zijn af fabriek gesmeerd
    met een hoogwaardig slotcilindervet.
    Ontdooimiddelen alleen in dringende
    gevallen gebruiken, omdat ze ontvet‐
    tend werken en de werking van de
    sloten belemmeren. Na gebruik van
    ontdooimiddelen, de sloten door een
    werkplaats opnieuw laten smeren.

    Wassen

    Het lakwerk van de auto staat bloot
    aan invloeden van buitenaf. De auto
    daarom regelmatig wassen en met
    was conserveren. Bij het bezoek aan
    de carwash, een programma met een
    wasbehandeling selecteren.
    Vogeluitwerpselen, dode insecten,
    boomhars en stuifmeel e.d. onmid‐
    dellijk verwijderen. Hierin zitten
    agressieve bestanddelen die lak‐
    schade kunnen veroorzaken.



  • Page 252

    250

    Verzorging van de auto

    Bij een bezoek aan een carwash, de
    aanwijzingen van de exploitant opvol‐
    gen. Voorruitwissers en achterruit‐
    wisser uitschakelen. Auto vergrende‐
    len zodat de tankvulklep niet kan wor‐
    den geopend. Antenne en accessoi‐
    res op de buitenkant van de auto
    zoals een dakdragersysteem verwij‐
    deren.
    Bij handmatig wassen erop letten dat
    ook de binnenkant van de wielkasten
    grondig schoongespoten worden.
    Randen en naden van geopende por‐
    tieren, achterklep en motorkap en de
    gebieden die erdoor bedekt worden
    reinigen.
    Laat de scharnieren van alle portieren
    smeren door een werkplaats.
    Reinig de motorruimte niet met een
    stoomcleaner of hogedrukreiniger.
    De auto grondig afspoelen en afze‐
    men. Zeemlap vaak uitspoelen. Voor
    de carrosserie en de ruiten verschil‐
    lende zeemlappen gebruiken: was‐
    resten op de ruiten belemmeren het
    zicht.

    Teervlekken niet met harde voorwer‐
    pen verwijderen. Op gelakte opper‐
    vlakken een spray voor het verwijde‐
    ren van teervlekken gebruiken.

    Rijverlichting

    De glazen van de koplampen en de
    andere lampen zijn gemaakt van
    kunststof. Geen schurende, bijtende
    of agressieve middelen of ijskrabbers
    gebruiken en deze niet droog reini‐
    gen.
    Gebruik voor het verwijderen van in‐
    sectenresten, vet, vuil of teer van de
    lampen of lampglazen alleen lauw
    water, een zachte doek en autozeep.
    Bij hard reinigen met een droge doek
    kunnen de lampafdekkingen bescha‐
    digd raken. Reinig niet met een krach‐
    tige autowasvloeistof. Gebruik bij
    voorkeur geen gevaarlijke reinigings‐
    middelen. Hierbij kan het glas door
    een chemische reactie scheuren.
    Let op
    Raadpleeg een handleiding voor het
    wassen van de auto en gebruik al‐
    leen milde wasmiddelen om schade

    aan het koplampglas te vermijden.
    Gebruik nooit reinigingsvloeistoffen
    met een van de volgende stoffen:
    ■ aceton
    ■ benzeen
    ■ tolueen
    ■ xyleen
    ■ verdunners

    Polijsten en in de was zetten

    Zet de auto regelmatig in de was (ui‐
    terlijk wanneer het water geen drup‐
    peltjes meer vormt). Anders zal het
    lakwerk uitdrogen.
    Polijsten is alleen nodig als de laklaag
    mat geworden is of aanslag vertoont.
    Autopolish met siliconen vormt een
    vuilwerende laag, waardoor in de was
    zetten overbodig is.
    Kunststof carrosseriedelen mogen
    niet met autowas of polijstmiddelen
    worden behandeld.

    Ruiten en ruitenwisserbladen

    Een zachte, pluisvrije doek of een
    zeemleer en een ruitenreiniger en in‐
    sectenverwijderaar gebruiken.



  • Page 253

    Verzorging van de auto
    Bij het reinigen van de achterruit de
    verwarmingsdraden aan de binnen‐
    kant niet beschadigen.
    Wrijf bij het reinigen van de binnen‐
    kant van de achterruit altijd parallel
    aan het verwarmingselement om
    schade te voorkomen.
    Om handmatig ijs te verwijderen, een
    ijskrabber met een scherpe rand ge‐
    bruiken. IJskrabber stevig tegen de
    ruit drukken, zodat er geen vuil onder
    de krabber kan komen en er geen
    krassen op de ruit worden gemaakt.
    Wisserbladen die strepen trekken,
    met een zachte doek en een ruiten‐
    reiniger reinigen.

    Velgen en banden

    Niet schoonmaken met hogedrukrei‐
    nigers.
    Velgen met een pH-neutrale velgen‐
    reiniger reinigen.
    Velgen zijn gelakt en kunnen met de‐
    zelfde middelen worden behandeld
    als de carrosserie.

    Lakschade

    Geringe lakschade voordat er roest‐
    vorming optreedt met een lakstift her‐
    stellen. Grotere lakschade of roest‐
    vorming door een werkplaats laten
    herstellen.

    Speciaal pakket en
    carrosserieset

    ■ Sleep voorzichtig om schade door
    de sleepkabel te voorkomen. Neem
    voor het slepen de kap uit de bum‐
    per.
    ■ Minder afstand tot het wegdek. Rijd
    langzaam over hellingen, hobbels
    of stoepranden.
    ■ Breng het voertuig met ondersteu‐
    ning omhoog.
    ■ Om schade aan en breken van de
    carrosserie te voorkomen, raden
    wij aan om de auto voor transport
    geheel op een bergvoertuig te zet‐
    ten.

    Onderstel

    Op de bodemplaat van uw auto kun‐
    nen zich corroderende stoffen voor
    het verwijderen van ijs en sneeuw of

    251

    stof ophopen. Als u deze stoffen niet
    verwijdert, kan er sneller sprake zijn
    van corrosie en roestvorming.
    Spoel periodiek de bodemplaat van
    uw auto af met water om deze stoffen
    te verwijderen.
    Reinig alle gebieden waarin zich
    modder en ander vuil kunnen opho‐
    pen zorgvuldig. Maak afzettingen in
    afgesloten ruimtes eerst los voordat u
    met water spoelt.

    Verzorging interieur
    Interieur en bekleding

    Interieur van de auto inclusief instru‐
    mentenpaneel en bekleding alleen
    met een droge doek of interieurreini‐
    ger schoonmaken.
    Glas van de instrumentengroep en de
    displays alleen met een zachte voch‐
    tige doek reinigen. Gebruik zo nodig
    een milde zeepoplossing.
    Stoffen bekleding met een stofzuiger
    en een borstel reinigen. Vlekken met
    een bekledingreiniger verwijderen.



  • Page 254

    252

    Verzorging van de auto

    Het weefsel van de stof is wellicht niet
    kleurvast. Dit kan zichtbare verkleu‐
    ringen veroorzaken, met name op
    lichtgekleurde bekleding. Reinig ver‐
    wijderbare vlekken en verkleuringen
    zo spoedig mogelijk.
    Veiligheidsgordels met lauw water of
    een interieurreiniger schoonmaken.

    Voorzichtig
    Eventuele klittenbandsluitingen
    aan kleding dichtmaken aange‐
    zien losse klittenbandsluitingen de
    stoelbekleding kunnen beschadi‐
    gen.

    Kunststof en rubber onderdelen

    Kunststof en rubberen onderdelen
    mogen met dezelfde middelen wor‐
    den gereinigd als de carrosserie. Zo
    nodig een interieurreiniger gebruiken.
    Geen andere middelen gebruiken.
    Vooral geen oplosmiddelen of brand‐
    stof. Niet schoonmaken met hoge‐
    drukreinigers.



  • Page 255

    Service en onderhoud

    Service en onderhoud

    Algemene informatie

    Algemene informatie .................. 253
    Periodiek onderhoud ................. 254
    Aanbevolen vloeistoffen, smeer‐
    middelen en onderdelen ............ 260

    Het is voor de bedrijfs- en verkeers‐
    veiligheid en voor het behoud van de
    waarde van uw auto belangrijk dat
    alle servicewerkzaamheden met de
    voorgeschreven intervallen worden
    uitgevoerd.

    Service-informatie

    Registraties

    Bevestiging van het onderhoud wordt
    in de Servicehandleiding genoteerd.
    De datum en afgelezen kilometer‐
    stand worden bevestigd met stempel
    en handtekening van de uitvoerende
    werkplaats.
    Zorg ervoor dat de Servicehandlei‐
    ding correct wordt ingevuld, omdat
    een sluitend bewijs van service es‐
    sentieel is bij aanspraken op garantie
    of goodwill en tevens een pluspunt is
    bij verkoop van de auto.

    253



  • Page 256

    254

    Service en onderhoud

    Periodiek onderhoud
    Serviceschema's

    Onderhoudsinterval
    1 keer per jaar /15000 km (wat het eerst wordt bereikt)
    Onderhoud I: gebruik Onderhoud I voor de eerste onderhoudsbeurt of als Onderhoud II eerder werd uitgevoerd.
    Onderhoud II: gebruik Onderhoud II als de vorige onderhoudsbeurt die werd uitgevoerd Onderhoud I was.
    Nee Onderhoudswerkzaamheid

    Onderhoud I Onderhoud II

    1

    Vervang motorolie en filter.

    R

    R

    2

    Controleer op lekken of beschadiging.

    I

    I

    3

    Controleer motorluchtfilter.

    I

    I

    4

    Controleer banden op bandenspanning en slijtage.

    I

    I

    5

    Controleer het remsysteem.

    I

    I

    6

    Controleer het motorkoelvloeistofpeil en het sproeiervloeistofpeil van de voorruit en voeg I
    indien nodig vloeistof toe.

    I

    7

    Controleer de ophangings- en stuuronderdelen.

    I

    I

    8

    Controleer de wisserbladen en de werking van de rijverlichting.

    I

    I

    9

    Controleer de aandrijfriemen.

    I

    I

    10

    Voer alle vereiste bijkomende onderhoudswerkzaamheden uit - raadpleeg het hoofdstuk I
    van toepassing.

    I

    11

    Controleer op veldacties.

    I

    I



  • Page 257

    Service en onderhoud
    Nee Onderhoudswerkzaamheid

    255

    Onderhoud I Onderhoud II

    Onderhoud 2 - voer alle services uit die beschreven staan in Onderhoud 1, plus het
    volgende
    12

    Vervang de remvloeistof.

    R

    13

    Controleer het motorkoelsysteem.

    I

    14

    Controleer de onderdelen van het beveiligingssysteem.

    I

    15

    Inspecteer de aandrijving en aandrijfonderdelen.

    I

    16

    Smeer de carrosserie-onderdelen.

    I

    I: Controleer deze items en hun verwante onderdelen. Zo nodig corrigeren, reinigen, bijvullen, afstellen of vervangen.
    R: Vervangen of verversen.
    Nee Omschrijving

    Aveo

    17

    Pollenfilter vervangen.

    Elke 60000 km / 2 jaar

    18

    Vervang luchtfilter.

    Elke 60000 km / 4 jaar

    19

    Bougies vervangen.

    Elke 60000 km / 4 jaar

    20

    Vervang motorkoelvloeistof.

    Elke 240000 km / 5 jaar

    21

    Vervang automatische versnellingsbakolie.

    Normale omstandigheden: elke 150000 km / 10 jaar
    Zware omstandigheden: elke 75000 km / 5 jaar

    22

    Vervang de hulpriem.

    Rek: elke 90000 km / 10 jaar

    23

    Vervang de aandrijfriem.

    24

    Controleer de klepspeling - pas aan indien nodig.

    1.2D, 1.4D, 1.4 turbo, diesel Elke 150000 km / 10 jaar
    Elke 150000 km / 10 jaar



  • Page 258

    256

    Service en onderhoud

    Nee Omschrijving

    Aveo

    25

    Vervang de distributieketting.

    Elke 240000 km / 10 jaar

    26

    Vervang distributieriem.

    Elke 150000 km / 10 jaar

    27

    Brandstoffilter vervangen

    Diesel

    Elke 60000 km / 2 jaar



  • Page 259

    Service en onderhoud
    Voetnoten
    Onderhoudsitem

    257

    Opmerking

    1

    Bij rijden onder ruwe omstandigheden: korte afstandsritten, buitensporig vrijlopen of rijden in
    stoffige omstandigheden is het mogelijk dat de motorolie en filter vaker moeten worden
    vervangen.

    2

    Vloeistofverlies in elk voertuigsysteem kan op een probleem duiden. Het systeem moet
    worden gecontroleerd en gerepareerd en het vloeistofpeil gecontroleerd. Voeg zo nodig
    vloeistof toe.

    3 & 17

    Wanneer er regelmatig onder stoffige omstandigheden wordt gereden, moet het filter vaker
    worden gecontroleerd.
    Wanneer er regelmatig onder stoffige omstandigheden wordt gereden, moet het filter wellicht
    vaker worden vervangen.

    5

    Inspecteer remleidingen en -slangen visueel op vastzitten, lekken, scheuren, schuurplekken,
    enz. Inspecteer de remblokken op slijtage en de staat van het oppervlak van de remschijven.
    Controleer de remvoering/schoenen van de trommels op slijtage of barsten. Controleer
    andere remonderdelen, waaronder trommels, wielcilinders, remklauwen, handrem enz.

    7

    Controleer de voor- en achterwielophanging en de stuurinrichting visueel op schade, losse
    of ontbrekende onderdelen of tekenen van slijtage. Controleer de stuurbekrachtigingsonder‐
    delen op afklemmen, barsten, schuurplekken enz.

    8

    Controleer de wisserbladen op slijtage, barsten of vervuiling. Reinig de ruitenwisser en de
    wisserbladen wanneer ze vuil zijn. Vervang de wisserbladen die versleten of beschadigd zijn.

    12

    Wanneer er onder barre omstandigheden wordt gereden: rijden op heuvelachtig of bergachtig
    terrein of het vaak slepen van een aanhangwagen is het mogelijk dat de remvloeistof vaker
    moet worden vervangen.



  • Page 260

    258

    Service en onderhoud

    Onderhoudsitem

    Opmerking

    13

    Controleer de slangen visueel en laat ze vervangen wanneer ze gebarsten, opgezwollen of
    in slechte toestand zijn. Controleer alle leidingen, aansluitingen en klemmen; waar nodig
    vervangen door originele onderdelen. Om voor een correcte werking te zorgen, wordt een
    druktest van het koelsysteem en de drukdop en het reinigen van de radiator en de aircocon‐
    densor geadviseerd.

    14

    Zorg ervoor dat het lampje van de gordelverklikker en de veiligheidsgordels correct werken.
    Kijk of er andere losse of beschadigde onderdelen van het veiligheidsgordelsysteem zijn.
    Constateert u iets dat voorkomt dat het veiligheidsgordelsysteem zijn werk kan doen, laat het
    dan repareren. Zorg ervoor dat gescheurde of gerafelde veiligheidsgordels worden
    vervangen.

    16

    Smeer alle slotcilinders, portierscharnieren en -vergrendelingen, motorkapscharnieren en vergrendelingen en de kofferbakscharnieren en -vergrendelingen. Staat de auto blootgesteld
    aan een corrosieve omgeving, moet er wellicht vaker worden gesmeerd. Door met een
    schone doek siliconenvet aan te brengen op afdichtrubbers, gaan ze langer mee, dichten ze
    beter af en plakken of piepen ze niet.

    27

    Het filterpatroon voor de dieselbrandstof moet wellicht vaker worden vervangen, afhankelijk
    van het biodieselgebruik, rijden in zeer stoffige klimaten of in terrein of het slepen van een
    aanhanger gedurende langere periodes.

    Algemeen voor
    automatische transmissie

    Vervang de automatische transmissievloeistof en filter als het voertuig vooral bestuurd wordt
    onder één of meer van deze voorwaarden:
    • In druk stadsverkeer waar de buitentemperatuur regelmatig 90 °F (32 °C) of hoger is.
    • In heuvelachtige of bergachtige gebieden.
    • Wanneer er vaak een aanhangwagen wordt gesleept.
    • Gebruik zoals bij taxi's, politiewagens of besteldiensten.



  • Page 261

    Service en onderhoud
    Onderhoudsitem

    259

    Opmerking

    Algemeen voor veiligheids‐ Voer een visuele inspectie uit om rafelen, overmatige barsten of duidelijke schade vast te
    gordels
    stellen. Vervang de riem indien nodig.
    Algemeen voor alle

    Controleer alle systemen op interferentie of verbuiging en op beschadigde of ontbrekende
    onderdelen. Vervang de onderdelen indien nodig. Vervang elk onderdeel dat overmatige
    slijtage vertoont.

    Bandentoestand en ban‐
    denspanning

    De conditie van de banden moet worden gecontroleerd voordat u gaat rijden en banden‐
    spanning moet elke keer worden gecontroleerd wanneer u tankt of tenminste eenmaal per
    maand met behulp van een bandenspanningsmeter.

    Wieluitlijning

    Rouleer en balanceer indien nodig de wielen.



  • Page 262

    260

    Service en onderhoud

    Aanvullend onderhoud
    Zware bedrijfsomstandigheden

    Gebruiksomstandigheden worden als
    zwaar beschouwd wanneer u vaak te
    maken krijgt met een of meer van de
    onderstaande zaken:
    ■ Herhaald rijden van korte afstan‐
    den van minder dan 10 km.
    ■ Veelvuldig stationair draaien, veel‐
    vuldig rijden met lage snelheden in
    druk verkeer.
    ■ Rijden op stoffige wegen.
    ■ Rijden in bergachtige gebieden.
    ■ Het trekken van een aanhanger.
    ■ Rijden in druk stadsverkeer waar
    de buitentemperatuur regelmatig
    32 °C of hoger is.
    ■ Gebruik als taxi, politieauto of koe‐
    riersauto.
    ■ Frequent gebruik bij temperaturen
    beneden het vriespunt.
    Politievoertuigen, taxi's en rijschool‐
    auto's worden eveneens gerang‐
    schikt als werkend in zware gebruiks‐
    omstandigheden.

    In zware gebruiksomstandigheden
    moeten bepaalde reguliere service‐
    werkzaamheden vaker worden uitge‐
    voerd dan de intervallen voorschrij‐
    ven.
    Technisch advies inwinnen omtrent
    de servicebehoeften op basis van de
    gebruiksomstandigheden van uw
    auto.

    Aanbevolen
    vloeistoffen,
    smeermiddelen en
    onderdelen
    Aanbevolen vloeistoffen
    en smeermiddelen
    Alleen producten gebruiken die ge‐
    test en goedgekeurd zijn. Schade als
    gevolg van het gebruik van niet goed‐
    gekeurde materialen valt niet onder
    de garantie.

    9 Waarschuwing
    Bedrijfsvloeistoffen zijn gevaarlijk
    en mogelijk giftig. Voorzichtig han‐
    teren. Informatie op de verpakking
    in acht nemen.



  • Page 263

    Service en onderhoud
    Motorolie

    Motorolie wordt ingedeeld op basis
    van kwaliteit en viscositeit. Bij de
    keuze van motorolie is kwaliteit be‐
    langrijker dan viscositeit. Door de
    oliekwaliteit blijft o.a. de motor
    schoon, is de slijtage minimaal en
    veroudert de olie minder snel. De vis‐
    cositeit geeft informatie over de dikte
    van de olie bij diverse temperaturen.
    Motoroliekwaliteit
    Dexos 2TM

    Selecteren van de juiste motorolie
    Selecteren van de juiste motorolie is
    afhankelijk van de juiste oliespecifi‐
    caties en viscositeitsgraad.
    Gebruik en vraag naar motorolie ge‐
    markeerd met het dexosTM certificaat.
    Olie die voldoet aan de eisen voor uw
    auto moeten gemarkeerd zijn met het
    dexosTM certificaat op de verpakking.
    Dit certificaat geeft aan dat de olie is
    goedgekeurd volgens de dexosTMspecificaties.
    Uw auto is af fabriek gevuld met een
    dexosTM-goedgekeurde motorolie.

    Gebruik alleen olie die is goedge‐
    keurd op basis van de dexosTM-spe‐
    cificatie of een vergelijkbare olie met
    de juiste viscositeitsgraad. Gebruik
    van olie die niet voldoet aan de de‐
    xos-specificaties kan echter onder
    bepaalde omstandigheden leiden tot
    verminderde prestaties en motor‐
    schade.
    Als u niet zeker weet of uw olie is
    goedgekeurd volgens de dexosTMspecificaties, vraagt het dan na bij uw
    onderhoudswerkplaats.
    Motorolie bijvullen
    Motoroliesoorten van verschillende
    fabrikanten en merken kunnen wor‐
    den gemengd zolang ze voldoen aan
    de vereiste motoroliecriteria (kwaliteit
    en viscositeit).
    Wanneer geen olie van de vereiste
    kwaliteit beschikbaar is, maximaal
    1 liter olie van het type ACEA A3/B4
    of A3/B3 gebruiken (slechts eenmaal
    tussen elke olieverversing).
    De viscositeit moet aan de specifica‐
    tie voldoen.

    261

    Het gebruik van motorolie van alleen
    de kwaliteit ACEA A1/B1 of alleen
    A5/B5 is verboden, omdat deze onder
    bepaalde omstandigheden langdu‐
    rige motorschade kan veroorzaken.
    Motorolieadditieven
    Het gebruik van motorolieadditieven
    kan schade tot gevolg hebben en de
    garantie ongeldig maken.
    Viscositeitsindex motorolie
    De SAE-viscositeitsindex geeft het
    vloeivermogen van een oliesoort aan.
    Multigrade-olie wordt aangeduid met
    twee getallen:
    Het eerste getal, gevolgd door een W,
    geeft de viscositeit aan bij lage tem‐
    peratuur en het tweede getal de vis‐
    cositeit bij hoge temperatuur.



  • Page 264

    262

    Service en onderhoud
    Tot -25 °C en lager: 0W-30, 0W-40

    Koelvloeistof en antivries

    SAE 5W-30 is de beste viscositeits‐
    graad voor uw auto. Gebruik geen an‐
    dere viscositeitsgraad zoals SAE
    10W-30, 10W-40 of 20W-50.
    Gebruik bij lage temperaturen:
    In een extreem koud gebied, waar de
    temperatuur onder -25 °C komt, moet
    een SAE 0W-xx olie worden gebruikt.
    Olie met deze viscositeitsgraad zorgt
    voor een eenvoudige koude start van
    de motor bij extreem lage temperatu‐
    ren. Zorg er bij de keuze voor een olie
    met de juiste viscositeitsgraad altijd
    voor dat deze voldoet aan de de‐
    xosTM-specificatie.
    Tot en met -25 °C: 5W-30, 5W-40

    Gebruik uitsluitend antivries met een
    extreem lange levensduur (long life
    coolant - LLC) op basis van een or‐
    ganisch zuur.
    In landen met een gematigd klimaat
    biedt de koelvloeistof antivriesbe‐
    scherming tot ongeveer -35 °C.
    In landen met een koud klimaat biedt
    de koelvloeistof antivriesbescher‐
    ming tot ongeveer -50 °C. Deze con‐
    centratie moet het gehele jaar worden
    aangehouden.
    Antivries in de juiste concentratie ge‐
    bruiken.
    Koelvloeistofadditieven die bedoeld
    zijn om extra corrosiebestendigheid
    te bieden of om geringe lekken te
    dichten kunnen functiestoringen ver‐
    oorzaken. Aansprakelijkheid voor
    eventuele gevolgen van het gebruik
    van koelvloeistofadditieven wordt af‐
    gewezen.

    Remvloeistof

    Gebruik alleen onze erkende rem‐
    vloeistof voor deze auto (DOT 4).
    Remvloeistof absorbeert na verloop
    van tijd vocht waardoor de remmen
    minder efficiënt werken. De remvloei‐
    stof moet daarom na het aangegeven
    interval worden ververst.
    Remvloeistof moet worden opgesla‐
    gen in een afgesloten verpakking om
    absorptie van vocht tegen te gaan.
    Verontreiniging van de remvloeistof
    voorkomen.

    Voorzichtig
    Door een remvloeistof met een
    lage kwaliteit te gebruiken, kan er
    corrosie ontstaan aan de interne
    onderdelen van het remsysteem,
    wat kan resulteren in een slech‐
    tere werking van het remsysteem,
    wat een veiligheidsprobleem is.
    Gebruik altijd remvloeistof van
    hoge kwaliteit die goedgekeurd is
    voor uw automodel. Wij adviseren
    originele GM-remvloeistof.



  • Page 265

    Service en onderhoud
    Stuurbekrachtigingsvloeistof

    Gebruik uitsluitend Dexron VI-vloei‐
    stof.

    Transmissie-olie voor
    handgeschakelde transmissie

    Bij 1.6 benzinemotor: gebruik uitslui‐
    tend SAE75W90-vloeistof.
    Behalve bij 1.6 benzinemotor: gebruik
    alleen Castrol BOT 303-vloeistof.

    ATF-olie

    Gebruik uitsluitend Dexron VI-vloei‐
    stof.

    263



  • Page 266

    264

    Technische gegevens

    Technische gegevens
    Voertuigidentificatie ................... 264
    Autogegevens ............................ 265

    Voertuigidentificatie

    Typeplaatje

    Voertuigidentificatienum‐
    mer

    Het typeplaatje zit in de opening van
    het portier links.
    Het voertuigidentificatienummer
    (VIN) is gegraveerd op het midden
    van de brandwerende plaat.



  • Page 267

    Technische gegevens

    Autogegevens
    Motorgegevens

    Verkoopaanduiding
    Motoraanduiding

    1.2D/1.2D ECO
    LDC

    1.2D Detuned
    LWD

    1.4D
    LDD

    1.4 Turbo
    LUJ

    1.6D
    LDE

    Aantal cilinders

    4

    4

    4

    4

    4

    1229

    1229

    1398

    1364

    1598

    Motorvermogen [kW]

    63

    51

    74

    103

    85

    bij 1/min

    5600

    5600

    6000

    4900 ~ 6000

    6000

    Koppel [Nm]

    115

    115

    130

    200

    155

    bij 1/min

    4000

    4000

    4000

    1850 ~ 4900

    4000

    Brandstofsoort

    Benzine

    Benzine

    Benzine

    Benzine

    Benzine

    Octaangetal RON

    91 of hoger

    91 of hoger

    91 of hoger

    91 of hoger

    91 of hoger

    Cilinderinhoud

    [cm3]

    Verkoopaanduiding
    Motoraanduiding

    1.3 FGT
    LDV

    1.3 VGT
    LSF

    1.3 VGT ECO
    LSF

    Aantal cilinders

    4

    4

    4

    1248

    1248

    1248

    Motorvermogen [kW]

    55

    70

    70

    bij 1/min

    4000

    4000

    4000

    Cilinderinhoud

    [cm3]

    265



  • Page 268

    266

    Technische gegevens

    Verkoopaanduiding
    Motoraanduiding

    1.3 FGT
    LDV

    1.3 VGT
    LSF

    1.3 VGT ECO
    LSF

    Koppel [Nm]

    190

    210

    190

    bij 1/min

    1750-2250

    1750-2500

    1750–3000

    Brandstofsoort

    Diesel

    Diesel

    Diesel



  • Page 269

    Technische gegevens

    267

    Prestaties
    Motor

    1.2D

    1.2D ECO

    1.2D DETUNED

    1.4D

    1.4 Turbo

    1.6D

    Handgeschakelde versnellingsbak

    171

    183

    162

    177

    197

    189

    Automatische versnellingsbak







    175

    182

    186

    Topsnelheid1)

    1)

    [km/u]

    De aangegeven topsnelheid is te bereiken bij leeggewicht (zonder bestuurder) plus 200 kg aan belading. Bij montage van extra uitrusting en accessoires
    geldt een lagere topsnelheid dan gespecificeerd.

    Motor

    1.3 FGT & MT

    1.3 VGT & MT

    1.3 VGT ECO & MT

    Handgeschakelde versnellingsbak

    163

    174

    174

    Automatische versnellingsbak







    Topsnelheid1)

    1)

    [km/h]

    De aangegeven topsnelheid is te bereiken bij leeggewicht (zonder bestuurder) plus 200 kg aan belading. Bij montage van extra uitrusting en accessoires
    geldt een lagere topsnelheid dan gespecificeerd.



  • Page 270

    268

    Technische gegevens

    Voertuiggewicht
    Minimaal leeggewicht, met bestuurder (75 kg)
    Benzinemotor
    Motor

    Stop/Start-systeem

    Hatchback/notchback [kg]

    1.2D & MT

    X

    1145/1160

    O

    1156/1164

    X

    1145/1160

    O

    1156/1164

    1.2D ECO & MT

    O

    1139/-

    1.4D & MT

    O

    1164/1184

    1.4D & AT

    O

    1192/1204

    1.4 Turbo & MT

    X

    1276/-

    1.4 Turbo & AT

    X

    1300/-

    1.6D & MT

    O

    1229/1245

    1.6D & AT

    O

    1245/1259

    1.2D DETUNED & MT



  • Page 271

    Technische gegevens
    Dieselmotor
    Motor

    Type auto

    [kg]

    1.3 FGT & MT

    Hatchback

    1247

    Notchback

    1262

    Hatchback

    1260

    Notchback

    1275

    Hatchback

    1240

    Notchback

    1278

    1.3 VGT & MT
    1.3 VGT ECO & MT

    Maximaal leeggewicht, met bestuurder (75 kg)
    Benzinemotor
    Motor

    Stop/Start-systeem

    Hatchback/notchback [kg]

    1.2D & MT

    X

    1236/1251

    O

    1247/1255

    X

    1209/1224

    O

    1220/1228

    1.2D DETUNED & MT
    1.2D ECO & MT

    O

    1221/-

    1.4D & MT

    O

    1256/1276

    1.4D & AT

    O

    1284/1296

    1.4 Turbo & MT

    X

    1298/-

    269



  • Page 272

    270

    Technische gegevens

    Motor

    Stop/Start-systeem

    Hatchback/notchback [kg]

    1.4 Turbo & AT

    X

    1322/-

    1.6D & MT

    O

    1296/1312

    1.6D & AT

    O

    1312/1326

    Dieselmotor
    Motor

    Type auto

    [kg]

    1.3 FGT & MT

    Hatchback

    1333

    Notchback

    1348

    Hatchback

    1346

    Notchback

    1361

    Hatchback

    1330

    Notchback

    1345

    1.3 VGT & MT
    1.3 VGT ECO & MT



  • Page 273

    Technische gegevens
    Maximaal toegestane massa
    Benzinemotor
    Motor

    Stop/Start-systeem

    Hatchback/notchback [kg]

    1.2D & MT

    X

    1557/1566

    O

    1568/1570

    X

    1530/1539

    O

    1541/1543

    1.2D ECO & MT

    O

    1542/-

    1.4D & MT

    O

    1569/1581

    1.4D & AT

    O

    1597/1601

    1.4 Turbo & MT

    X

    1612/-

    1.4 Turbo & AT

    X

    1636/-

    1.6D & MT

    O

    1610/1617

    1.6D & AT

    O

    1626/1631

    1.2D DETUNED & MT

    271



  • Page 274

    272

    Technische gegevens

    Dieselmotor
    Motor

    Type auto

    Hatchback/notchback [kg]

    1.3 FGT & MT

    Hatchback

    1658

    Notchback

    1668

    Hatchback

    1686

    Notchback

    1696

    Hatchback

    1634

    Notchback

    1649

    1.3 VGT & MT
    1.3 VGT ECO & MT

    Afmetingen auto
    Hatchback

    Notchback

    Lengte [mm]

    4039

    4399

    Breedte [mm]

    1735

    1735

    Hoogte [mm]

    1517

    1517

    Lengte vloer bagageruimte [mm]

    716

    925

    Breedte bagageruimte [mm]

    1103

    998

    Hoogte bagageruimte [mm]

    706

    319

    Wielbasis [mm]

    2525

    2525

    Diameter draaicirkel [m]

    10,44

    10,44



  • Page 275

    Technische gegevens

    Inhouden
    Motorolie
    Motor
    1.2 D, 1.4 D

    BENZINE
    1.4 Turbo

    DIESEL
    1.3 VGT

    1.6 D

    1.3 FGT

    inclusief filter [l]

    4,3

    4,0

    4,5

    3,2

    3,5

    tussen MIN en MAX [l]

    1,0

    1,0

    1,0

    1,0

    1,0

    Brandstoftank
    Nominale inhoud [l]

    46

    273



  • Page 276

    274

    Technische gegevens

    Bandenspanningswaarden
    Banden

    185/75 R143)
    195/65 R15

    Voor [kPa/bar] ([psi])
    1~3 personen
    COMPORT
    ECO

    4~5 personen
    GVW2)

    Achter [kPa/bar] ([psi])
    1~3 personen
    COMPORT
    ECO

    4~5 personen
    GVW2)

    240/2,4 (35)

    240/2,4 (35)

    240/2,4 (35)

    290/2,9 (42)

    270/2,7 (39)

    260/2,6 (38)

    240/2,4 (35)

    300/3,0 (43)

    240/2,4 (35)

    240/2,4 (35)

    260/2,6 (38)

    310/3,1 (45)

    R154)

    240/2,4 (35)

    270/2,7 (39)

    240/2,4 (35)

    240/2,4 (35)

    260/2,6 (38)

    310/3,1 (45)

    205/55 R165)

    240/2,4 (35)

    270/2,7 (39)

    240/2,4 (35)

    240/2,4 (35)

    260/2,6 (38)

    310/3,1 (45)

    R175)

    240/2,4 (35)

    270/2,7 (39)

    240/2,4 (35)

    240/2,4 (35)

    260/2,6 (38)

    260/2,6 (38)

    Compact reservewiel

    420/4,2 (60)

    420/4,2 (60)

    420/4,2 (60)

    420/4,2 (60)

    420/4,2 (60)

    420/4,2 (60)

    205/60
    205/50

    2)
    3)
    4)
    5)

    Maximaal toegestane massa.
    Behalve 1.6D en behalve dieselmotor.
    Uitsluitend voor aftermarket, behalve de 1.2D Detuned motor.
    Behalve 1.2D Detuned motor.



  • Page 277

    Klantinformatie

    275

    Klantinformatie

    Registratie van
    voertuigdata en privacy

    voorkeuren vastleggen, zoals radio‐
    voorkeuze-instellingen, stoelposities
    en temperatuurinstellingen.

    Registratie van voertuigdata en
    privacy ....................................... 275

    Het voertuig beschikt over een aantal
    computers die informatie registreren
    over de prestaties van het voertuig en
    de manier waarop er mee gereden is.
    Het voertuig maakt bijvoorbeeld ge‐
    bruikt van computermodules om de
    prestaties van motor en transmissie
    te bewaken en te regelen, om de
    voorwaarden voor airbaginschake‐
    ling te bewaken en ze te activeren bij
    een botsing en, mits ingebouwd, om
    een antiblokkeerfunctie te bieden tij‐
    dens het remmen, zodat de bestuur‐
    der het voertuig onder controle kan
    houden. Deze modules kunnen ge‐
    gevens opslaan die de monteur van
    de dealer kunnen helpen bij het on‐
    derhoud aan de auto. Sommige mo‐
    dules kunnen ook gegevens opslaan
    over de wijze waarop het voertuig
    wordt gebruikt, zoals het brandstof‐
    verbruik of de gemiddelde snelheid.
    Deze modules kunnen persoonlijke

    Event Data Recorders
    (EDR)
    Registratie van
    voertuiggegevens

    Deze auto kan uitgerust zijn met een
    module die gegevens registreert bij
    botsings- en bijna-botsingssituaties,
    bijvoorbeeld wanneer een airbag
    wordt geactiveerd of de auto een
    wegobstakel raakt. Deze gegevens
    kunnen van dienst zijn bij een beter
    inzicht in de omstandigheden waarin
    botsingen en letsel voorkomen. Som‐
    mige gegevens kunnen betrekking
    hebben op de voertuigdynamica en
    de werking van veiligheidssystemen.



  • Page 278

    276

    Klantinformatie

    De gegevens kunnen het volgende
    tonen:
    ■ Hoe verschillende systemen in de
    auto werkten.
    ■ Of de veiligheidsgordels van be‐
    stuurder en passagier waren om‐
    gelegd/bevestigd.
    ■ Of en zo ja hoe diep de bestuurder
    het gaspedaal en/of rempedaal in‐
    drukte.
    ■ Hoe hard de auto reed.
    Deze gegevens kunnen van dienst
    zijn bij het verkrijgen van een inzicht
    in de omstandigheden waarin botsin‐
    gen en letsel voorkomen. De auto kan
    alleen gegevens registreren wanneer
    er botsingssituaties optreden die niet
    onbelangrijk zijn; onder normale rij‐
    omstandigheden worden er geen ge‐
    gevens geregistreerd en er worden
    geen persoonlijke gegevens geregi‐
    streerd. Anderen, zoals ordehandha‐
    vers, kunnen de geregistreerde ge‐
    gevens echter combineren met per‐
    soonlijke identiteitsgegevens die ge‐
    woonlijk tijdens een botsingsonder‐
    zoek worden verzameld.

    Voor het uitlezen van de geregi‐
    streerde gegevens is speciale appa‐
    ratuur nodig en toegang tot de auto of
    de module. Behalve de voertuigfabri‐
    kant kunnen anderen, zoals orde‐
    handhavers, die over speciale appa‐
    ratuur beschikken, de informatie uit‐
    lezen wanneer ze toegang hebben tot
    het voertuig of de module.
    GM opent deze gegevens niet, noch
    deelt zij deze gegevens met anderen,
    tenzij: de voertuigeigenaar hiermee
    instemt of, indien het voertuig is ge‐
    leased, de leasegever hiermee in‐
    stemt; ze hiertoe wordt opgeroepen
    door een officieel verzoek van de po‐
    litie of een soortgelijke overheidsin‐
    stantie; het deel uitmaakt van de ver‐
    dediging van GM in een rechtszaak
    via het ontdekkingsproces of tenzij
    het geëist wordt door de wet. Gege‐
    vens die GM verzamelt of ontvangt,
    kunnen ook worden gebruikt voor
    GM-onderzoeksbehoeften of kunnen
    beschikbaar worden gesteld aan an‐
    deren voor onderzoeksdoeleinden,
    indien hiertoe de behoefte bestaat en

    de gegevens niet gekoppeld zijn aan
    een specifiek voertuig of een speci‐
    fieke voertuigeigenaar.

    Radiofrequentieidentificatie (RFID)
    RFID-technologie wordt in sommige
    auto's gebruikt voor functies als ban‐
    denspanningscontrole en beveiliging
    van het ontstekingsysteem. Het wordt
    ook gebruikt in combinatie met com‐
    fortsystemen, zoals handzenders
    voor het vergrendelen/ontgrendelen
    van portieren en starten en afstands‐
    bedieningen in de auto voor garage‐
    deuropeners. RFID-technologie in
    Chevrolet-modellen gebruikt geen
    persoonlijke gegevens en legt deze
    niet vast noch worden ze gekoppeld
    aan enig ander Chevrolet-systeem
    dat persoonlijke informatie bevat.



  • Page 279

    Klantinformatie

    277



  • Page 280

    278

    Trefwoordenlijst

    A

    Aanbevolen vloeistoffen en
    smeermiddelen ....................... 260
    Aanduidingen op banden .......... 232
    Aansteker .................................... 71
    Aanvullend onderhoud .............. 260
    Accessoires en modificaties van
    auto ........................................ 196
    Accu ........................................... 213
    Achterlichten......................... 83, 220
    Achterruitverwarming ................... 33
    Achteruitkijkcamera ................... 190
    Achteruitrijlichten ......................... 98
    Afmetingen auto ........................ 272
    Airbag deactiveren ....................... 49
    Airbag-deactivering ...................... 78
    Airbag en gordelspanners ........... 78
    Airbagsysteem ............................. 43
    Airconditioning ........................... 164
    Airconditioning regelmatig
    aanzetten ............................... 169
    Alarmknipperlichten ..................... 97
    Algemene aanwijzingen............. 101
    AM/FM-radio .............................. 117
    Andere auto slepen ................... 248
    Antiblokkeersysteem ................. 183
    Antiblokkeersysteem (ABS) ......... 80
    Antidiefstalfunctie ...................... 102
    Asbakken ..................................... 72

    Automatische verlichting .............. 95
    Automatische versnellingsbak ... 176
    Automatischeversnellingsbakolie ................. 208
    Automatisch vergrendelen ........... 24
    Auto ontgrendelen ......................... 6
    Auto slepen ................................ 246
    Auto stallen................................. 196

    B

    Bagageruimte ........................ 25, 62
    Bagageruimte-afdekking ............. 64
    Bandenreparatieset ................... 238
    Bandenspanning ....................... 232
    Bandenspanningscontrolesys‐
    teem.................................. 81, 233
    Bandenspanningswaarden ........ 274
    Banden verwisselen................... 236
    Bediening ................................... 109
    Bekerhouders .............................. 60
    Bekleding.................................... 251
    Beladingsinformatie ..................... 65
    Beslagen lampglazen .................. 98
    Binnenverlichting ................. 99, 222
    Bluetooth® ................................. 145
    Board-Info-Display ....................... 86
    Bolle vorm .................................... 30
    Boordinformatie ........................... 87
    Brandstoffilter aftappen ............... 82
    Brandstofmeter ............................ 74



  • Page 281

    279
    Brandstofverbruik - CO2-uitstoot 194
    Brandstof voor benzinemotoren 192
    Brandstof voor dieselmotoren . . . 192

    C

    Cd-speler ................................... 129
    Centrale vergrendeling ................ 22
    Claxon ................................... 13, 67
    Contactslotstanden .................... 171
    Controlelampen............................ 75
    Controle over de auto ................ 170
    Controlesysteem oliekwaliteit..... 206
    Cruise control ...................... 83, 186

    D

    Dagrijlicht................................ 83, 97
    Dakbelasting................................. 65
    Derde remlicht ........................... 222
    Diefstalalarmsysteem .................. 28
    Dieselbrandstoffilter ................... 214
    Dieselbrandstofsysteem
    ontluchten .............................. 215
    Driepuntsgordel ........................... 41
    Driver Information Center............. 83

    E

    Elektrisch bediende ruiten ........... 32
    Elektrische aansluitingen ............. 71
    Elektrische verstelling .................. 30
    Elektronische stabiliteitsregeling. . 80

    Elektronische
    stabiliteitsregeling UIT .............. 81
    Elektronisch
    stabiliteitsprogramma.............. 185
    Event Data Recorders (EDR)..... 275

    F

    Frontaal airbagsysteem ............... 47

    G

    Gebruik van deze handleiding ....... 3
    Geluidssignalen ........................... 87
    Gereedschap ............................. 231
    Gevaar, Waarschuwing en
    Voorzichtig ................................. 3
    Gevarendriehoek ......................... 64
    Gloeilamp vervangen ................ 217
    Gordelverklikker ........................... 78
    Gordijnairbagsysteem .................. 48
    Grootlicht ............................... 82, 96

    H

    Handbediende ruiten ................... 32
    Handgeschakelde
    versnellingsbak ...................... 181
    Handmatige dimfunctie ................ 31
    Handmatig verstellen ................... 30
    Handrem..................................... 183
    Handschoenenkastje ................... 60
    Handzender ................................. 19

    Hellingrem ................................. 184
    Hoofdsteunen .............................. 36
    Hoofdsteunverstelling .................... 7

    I

    Inbouwposities kinderveilig‐
    heidssystemen ......................... 52
    Inhouden ................................... 273
    Inklapbare buitenspiegel.............. 30
    Inklapbare spiegels ..................... 30
    Inleiding ......................................... 3
    Instapverlichting ........................... 99
    ISOFIXkinderveiligheidssystemen........ 55

    K

    Katalysator ................................. 175
    Kentekenverlichting ................... 222
    Keuzehendel ............................. 177
    Kilometerteller .............................. 73
    Kindersloten ................................. 24
    Kinderveiligheidssystemen .......... 50
    Klimaatregeling ............................ 15
    Klok .............................................. 70
    Koelvloeistof .............................. 209
    Koelvloeistof en antivries............ 260
    Koelvloeistoftemperatuur ............. 81
    Koplampen ................................ 217



  • Page 282

    280
    Koplampinstelling in het
    buitenland ................................ 97
    Koplampverstelling ...................... 96

    L

    Laadsysteem ............................... 79
    Lichtschakelaar ............................ 95
    Lichtsignaal .................................. 96
    Luchtinlaat ................................. 168

    M

    Mistachterlicht .............................. 83
    Mistachterlichten .......................... 98
    Mistlamp ...................................... 83
    Mistlampen voor .......................... 98
    Motorgegevens .......................... 265
    Motorkap .................................... 198
    Motorluchtfilter ........................... 209
    Motorolie ............................ 205, 260
    Motoroliedruk ............................... 82
    Motor starten ............................. 172

    N

    Nieuwe auto inrijden .................. 171

    O

    Ontlaadbeveiliging accu ............ 100
    Opbergruimten.............................. 59
    Opbergvakken
    instrumentenpaneel.................. 59

    Opbergvak onder passagiersstoel 61
    Opschakelen................................. 80
    Overzicht bedieningselementen. 103
    Overzicht instrumentenpaneel ..... 10
    Overzicht motorruimte................ 200

    P

    Parkeerhulp ............................... 189
    Parkeren .............................. 17, 174
    Partikelfilter................................. 175
    Personaliseren............................ 113
    Persoonlijke instellingen .............. 90
    Pollenfilter .................................. 168
    Portier open ................................. 83
    Portiervergrendelknoppen............ 21
    Prestaties ................................... 267
    Profieldiepte ............................... 236

    R

    Radio Data System (RDS) ......... 124
    Radiofrequentie-identificatie
    (RFID) .................................... 276
    Randapparatuur ........................ 138
    Registratie van voertuigdata en
    privacy..................................... 275
    Registreren van autogegevens
    en privacy................................ 275
    Remassistentie .......................... 184
    Rem- en koppelingssysteem ....... 79
    Remmen .................................... 182

    Remvloeistof ...................... 212, 260
    Reservewiel ............................... 243
    Richtingaanwijzer ........................ 78
    Richtingaanwijzers ....................... 97
    Roetfilter .................................... 175
    Rijverlichting ................................ 11

    S

    Service ............................... 169, 253
    Service-indicatie .......................... 79
    Service-informatie ...................... 253
    Serviceschema's........................ 254
    Sleutels ........................................ 19
    Sneeuwkettingen ....................... 238
    Snelheidsmeter ............................ 73
    Spiegelverstelling .......................... 8
    Sproeiervloeistof ........................ 212
    Startbeveiliging ...................... 29, 82
    Starthulp gebruiken ................... 245
    Stoelpositie .................................. 37
    Stoelverstelling ........................ 6, 38
    Stop/Start-systeem..................... 172
    Storing ....................................... 180
    Storingsindicatielamp .................. 79
    Stroomonderbreking .................. 180
    Sturen......................................... 170
    Stuurbedieningsknoppen ............. 66
    Stuurbekrachtiging ....................... 80
    Stuurbekrachtigingsvloeistof.....
    ........................................ 211, 260



  • Page 283

    281
    Stuurwiel instellen .......................... 9
    Stuurwielverstelling ...................... 66

    T

    Tanken ....................................... 192
    Te laag brandstofpeil ................... 82
    Telefoon met handsfreefunctie . . 151
    Toerenteller ................................. 74
    Top-Tether-bevestigingsogen...... 57
    Traction Control ......................... 184
    Traction Control-systeem UIT ...... 81
    Transmissie-olie......................... 260
    Tripcomputer ............................... 88
    Typeplaatje ................................ 264

    U

    Uitlaatgassen ............................. 175
    Uitstapverlichting ....................... 100
    Ultrasoonparkeerhulp .................. 80

    V

    Van banden- en velgmaat
    veranderen ............................. 236
    Vaste antennestaaf ................... 128
    Vaste luchtroosters .................... 168
    Veiligheidsgordel ........................... 8
    Veiligheidsgordels ....................... 40
    Velgen en banden ..................... 232
    Ventilatie..................................... 162
    Versnellingsbak ........................... 15

    Versnellingsbakdisplay ........ 75, 177
    Verstelbare luchtroosters ........... 167
    Verwarmbare buitenspiegels........ 31
    Verwarmde spiegels .................... 31
    Verwarmde voorstoelen................ 39
    Verwarming ................................. 39
    Verwarmings- en
    ventilatiesysteem .................... 162
    Verwerking van sloopauto ......... 197
    Verzorging exterieur .................. 249
    Verzorging interieur ................... 251
    Vloeistof handgeschakelde
    versnellingsbak ...................... 208
    Voertuiggewicht ......................... 268
    Voertuigidentificatienummer ...... 264
    Voordat u wegrijdt ........................ 16
    Voorgloeien en roetfilter............... 81

    W

    Werkzaamheden uitvoeren ....... 197
    Wieldoppen ................................ 237
    Wieluitlijning en bandbalans....... 237
    Wiel verwisselen ........................ 241
    Winterbanden ............................ 232
    Wis-/wasinstallatie ....................... 13
    Wis-/wasinstallatie achterruit ....... 69
    Wis-/wasinstallatie voorruit .......... 67
    Wisserblad vervangen ............... 215

    Z

    Zekeringen ................................. 223
    Zekeringenkast in motorruimte . . 223
    Zekeringenkast
    instrumentenpaneel ............... 230
    Zonnebrilhouder .......................... 61
    Zonnedak ..................................... 34
    Zonnekleppen .............................. 34
    Zijdelings airbagsysteem ............. 47
    Zijrichtingaanwijzers .................. 221



  • Page 284

    282



  • Page 285

    Copyright GM Korea Company, Inchon, Korea and Chevrolet Europe GmbH, Zürich, Switzerland.
    Alle informatie in dit boekje is actueel ten tijde van het ter perse gaan ervan en geldt met ingang van de onderstaand vermelde
    datum. Chevrolet Europe GmbH behoudt zich het exclusieve recht voor om wijzigingen in dit boekje aan te brengen.
    Editie: oktober 2013, Chevrolet Europe GmbH, Zürich, Switzerland.
    Gedrukt op chloorvrij gebleekt papier.

    KTA-8201/4-nl

    *KTA-8201/4-NL*

    Instructieboekje






Missbrauch melden von Frage und/oder Antwort

Libble nimmt den Missbrauch seiner Dienste sehr ernst. Wir setzen uns dafür ein, derartige Missbrauchsfälle gemäß den Gesetzen Ihres Heimatlandes zu behandeln. Wenn Sie eine Meldung übermitteln, überprüfen wir Ihre Informationen und ergreifen entsprechende Maßnahmen. Wir melden uns nur dann wieder bei Ihnen, wenn wir weitere Einzelheiten wissen müssen oder weitere Informationen für Sie haben.

Art des Missbrauchs:

Zum Beispiel antisemitische Inhalte, rassistische Inhalte oder Material, das zu einer Gewalttat führen könnte.

Beispielsweise eine Kreditkartennummer, persönliche Identifikationsnummer oder unveröffentlichte Privatadresse. Beachten Sie, dass E-Mail-Adressen und der vollständige Name nicht als private Informationen angesehen werden.

Forenregeln

Um zu sinnvolle Fragen zu kommen halten Sie sich bitte an folgende Spielregeln:

Neu registrieren

Registrieren auf E - Mails für Chevrolet Aveo 2013 wenn:


Sie erhalten eine E-Mail, um sich für eine oder beide Optionen anzumelden.


Holen Sie sich Ihr Benutzerhandbuch per E-Mail

Geben Sie Ihre E-Mail-Adresse ein, um das Handbuch zu erhalten von Chevrolet Aveo 2013 in der Sprache / Sprachen: Holländisch als Anhang in Ihrer E-Mail.

Das Handbuch ist 6,63 mb groß.

 

Sie erhalten das Handbuch in Ihrer E-Mail innerhalb von Minuten. Wenn Sie keine E-Mail erhalten haben, haben Sie wahrscheinlich die falsche E-Mail-Adresse eingegeben oder Ihre Mailbox ist zu voll. Darüber hinaus kann es sein, dass Ihr ISP eine maximale Größe für E-Mails empfangen kann.

Andere Handbücher von Chevrolet Aveo 2013

Chevrolet Aveo 2013 Zusatzinformation - Holländisch - 203 seiten


Das Handbuch wird per E-Mail gesendet. Überprüfen Sie ihre E-Mail.

Wenn Sie innerhalb von 15 Minuten keine E-Mail mit dem Handbuch erhalten haben, kann es sein, dass Sie eine falsche E-Mail-Adresse eingegeben haben oder dass Ihr ISP eine maximale Größe eingestellt hat, um E-Mails zu erhalten, die kleiner als die Größe des Handbuchs sind.

Ihre Frage wurde zu diesem Forum hinzugefügt

Möchten Sie eine E-Mail erhalten, wenn neue Antworten und Fragen veröffentlicht werden? Geben Sie bitte Ihre Email-Adresse ein.



Info