Zoom out
Zoom in
Vorherige Seite
1/334
Nächste Seite
Feel the difference
FordFocus
Instructieboekje
1

Brauchen Sie Hilfe? Stellen Sie Ihre Frage.

Forenregeln

Inhalt der Seiten


  • Page 1

    FordFocus
    Instructieboekje

    Feel the difference



  • Page 2

    De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de
    technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor, specificaties, ontwerpen of onderdelen
    zonder voorafgaande kennisgeving of verplichtingen te wijzigen. Deze publicatie, of een deel daarvan,
    mag niet worden gereproduceerd of vertaald zonder onze toestemming. Fouten of omissies uitgesloten.
    © Ford Motor Company 2011
    Alle rechten voorbehouden.
    Onderdeelnummer: (CG3568nl) 12/2010 20110128110326

    E108837



  • Page 3

    Inhoudsopgave
    Inleiding

    Motorstartblokkering

    Over deze handleiding..............................7
    Overzicht van symbolen...........................7
    Onderdelen en accessoires....................7

    Werking.....................................................47
    Gecodeerde sleutels..............................47
    Immobilisatiesysteem inschakelen.......47
    Immobilisatiesysteem uitschakelen.....47

    Kort overzicht
    Kort overzicht...........................................10

    Alarm

    Veiligheidsuitrusting voor
    kinderen

    Werking.....................................................48
    Alarm inschakelen...................................49
    Alarm uitschakelen.................................49

    Kinderzitjes...............................................24
    Plaatsing van kinderzitjes.......................25
    Zitverhogers.............................................28
    ISOFIX verankeringspunten...................29
    Kindersloten.............................................30

    Stuurwiel
    Stuurwiel afstellen....................................51
    Audiobediening........................................51
    Spraaksturing...........................................52

    Bescherming van
    inzittenden

    Ruitenwissers en ruitensproeiers

    Werking.....................................................32
    Veiligheidsgordels vastmaken..............34
    Hoogte van veiligheidsgordels
    afstellen.................................................34
    Waarschuwingssignaal
    veiligheidsgordel..................................35
    Gebruik van veiligheidsgordels tijdens
    zwangerschap.....................................35
    Passagiersairbag uitschakelen.............36

    Voorruitwissers........................................53
    Automatisch in- en uitschakelende
    ruitenwissers........................................53
    Voorruitsproeiers.....................................54
    Achterruitwissers en -sproeiers...........55
    Koplampsproeiers..................................55
    Ruitenwisserbladen controleren..........56
    Ruitenwisserbladen vervangen............56

    Sleutels en afstandsbediening

    Verlichting
    Verlichtingsbediening.............................58
    Automatisch in- en uitschakelende
    verlichting..............................................59
    Automatische grootlichtregeling .........59
    Voorste mistlampen................................61
    Mistachterlichten.....................................62
    Koplamphoogte afstellen......................62
    Waarschuwingsknipperlichten..............63
    Richtingaanwijzers..................................63
    Zijrichtingaanwijzers................................64
    Interieurverlichting...................................65
    Een koplamp verwijderen......................66

    Algemene informatie over
    radiofrequenties...................................37
    Programmeren van de
    afstandsbediening...............................37
    Batterij van afstandsbediening
    vervangen.............................................37

    Sloten
    Vergrendelen en ontgrendelen............40
    Sleutelloze toegang................................42
    Centrale vergrendeling..........................45

    1



  • Page 4

    Inhoudsopgave
    Gloeilampen vervangen.........................66
    Gloeilampentabel....................................74

    Gemaksfuncties
    Dimmer
    instrumentenpaneelverlichting........127
    Klok..........................................................127
    Aansteker................................................127
    Extra voedingsaansluitingen................127
    Bekerhouders........................................128
    Glashouder ............................................128
    Kinder observatiespiegel ....................129
    Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN)
    ..............................................................129
    USB-poort..............................................129
    Houder satelliet-navigatie-unit............129
    Vloermatten ...........................................130

    Ruiten en spiegels
    Elektrisch bedienbare ruiten..................75
    Buitenspiegels..........................................77
    Elektrisch verstelbare
    buitenspiegels......................................77
    Automatisch dimmende spiegel...........78
    Monitor dode hoek ................................78

    Instrumenten
    Meters.......................................................82
    Waarschuwings- en
    indicatielampen....................................84
    Akoestische waarschuwingssignalen
    en -indicaties........................................86

    De motor starten
    Algemene informatie.............................131
    Contactslot..............................................131
    Stuurwielblokkering................................131
    Een benzinemotor starten...................132
    Een benzinemotor starten - Flex Fuel
    (FF, ethanol)........................................133
    Een dieselmotor starten.......................133
    Sleutelloos starten.................................134
    Dieselroetfilter (DPF).............................136
    Motor uitschakelen...............................136
    Motorverwarming..................................137

    Infodisplays
    Algemene informatie..............................88
    Tripcomputer...........................................95
    Persoonlijke instellingen.........................96
    Infoberichten............................................96

    Klimaatregeling
    Werking...................................................109
    Ventilatieroosters...................................109
    Handmatige klimaatregeling................110
    Automatische klimaatregeling.............112
    Verwarmde ruiten en spiegels.............115
    Extra verwarming...................................116
    Elektrisch zonnedak..............................118

    Start/stop knop
    Werking...................................................138
    Start/stop knop gebruiken...................138

    Eco-modus

    Stoelen

    Werking...................................................140
    Eco-modus gebruiken.........................140

    De juiste zitpositie innemen..................121
    Handmatig verstelbare stoelen...........121
    Hoofdsteunen........................................122
    Elektrisch verstelbare stoelen.............124
    Achterbank.............................................125
    Verwarmde stoelen..............................126

    Brandstof en tanken
    Veiligheidsmaatregelen.........................141
    Brandstofkwaliteit - Benzine................141

    2



  • Page 5

    Inhoudsopgave
    Brandstofkwaliteit - Flex Fuel (FF,
    ethanol)................................................141
    Brandstofkwaliteit - Diesel...................142
    Katalysator..............................................142
    Tankklep..................................................142
    Tanken.....................................................144
    Tanken - Flex Fuel (FF, ethanol)..........144
    Brandstofverbruik .................................144
    Technische specificatie........................144

    Actieve parkeerhulp gebruiken ..........158

    Achteruitkijkcamera
    Werking....................................................161
    Achteruitkijkcamera gebruiken............161

    Snelheidsregeling (cruise
    control)
    Werking...................................................164
    Gebruik maken van snelheidsregeling
    (cruise control)...................................164

    Versnellingsbak/transmissie
    Handgeschakelde versnellingsbak.....146
    Automatische transmissie...................146

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)

    Remmen

    Werking...................................................166
    Gebruik maken van ACC.....................168
    Functie voorgangerwaarschuwing
    (forward alert).....................................170

    Werking...................................................149
    Tips voor rijden met ABS......................149
    Parkeerrem............................................149

    Snelheidsbegrenzer
    Werking...................................................172
    Snelheidsbegrenzer gebruiken...........172

    Stabiliteitsregeling
    Werking...................................................150
    Gebruik maken van
    stabiliteitsregeling...............................151

    Bestuurderswaarschuwing
    Werking...................................................174
    Bestuurderswaarschuwing
    gebruiken............................................174

    Regeling voor bergop
    rijden
    Werking...................................................152
    Regeling voor bergop rijden
    gebruiken............................................152

    Waarschuwing rijden buiten
    baan
    Werking...................................................176
    Waarschuwing rijden buiten baan
    gebruiken.............................................177

    Parkeerhulp
    Werking...................................................154
    Gebruik maken van de parkeerhulp Auto's met Parkeerhulp achteruit....154
    Gebruik maken van de parkeerhulp Auto's met Parkeerhulp voor en
    achter ..................................................155

    Systeem hulp bij blijven
    rijden op rijstrook
    Werking...................................................179
    Systeem hulp bij blijven rijden op
    rijstrook gebruiken.............................180

    Actieve parkeerhulp
    Werking...................................................158

    3



  • Page 6

    Inhoudsopgave
    Verkeersbordherkenning

    Onderhoud

    Werking...................................................182
    Verkeersbordherkenning
    gebruiken............................................182

    Algemene informatie............................209
    De motorkap openen en sluiten.........210
    Overzicht motorruimte - 1,6 l
    Duratec-16V Ti-VCT (Sigma).............211
    Overzicht motorruimte - 1,6L EcoBoost
    SCTi (Sigma).......................................212
    Overzicht motorruimte - 1,6 l
    Duratorq-TDCi (DV) diesel ...............214
    Overzicht motorruimte - 2,0 l
    Duratorq-TDCi (DW) diesel .............215
    Oliepeilstaaf - 1,6 l Duratec-16V Ti-VCT
    (Sigma)................................................216
    Oliepeilstaaf - 1,6L EcoBoost SCTi
    (Sigma)................................................216
    Oliepeilstaaf - 1,6 l Duratorq-TDCi (DV)
    diesel /2,0 l Duratorq-TDCi (DW)
    diesel ...................................................217
    Motorolie controleren...........................217
    Motorkoelvloeistof controleren...........217
    Controle vloeistofpeil koppeling en
    remsysteem.......................................218
    Ruitensproeiervloeistof controleren....219
    Technische specificatie.......................220

    Veiligheidssysteem lage
    snelheid
    Werking...................................................184
    Veiligheidssysteem lage snelheid
    gebruiken............................................185

    Transport
    Algemene informatie............................186
    Bagageverankeringspunten................186
    Bagageafdekkingen.............................186
    Bagagenetten........................................187
    Dakrekken en bagagedragers............188

    Aanhangers trekken
    Trekken van een aanhanger................191
    Afneembare trekhaakkogel.................191

    Tips voor het rijden
    Inrijden.....................................................195
    Voorzorgsmaatregelen voor koude
    weersomstandigheden....................195
    Door water rijden...................................195

    Verzorging van de auto
    Reinigen van buitenzijde auto.............222
    Reinigen van binnenzijde auto............223
    Kleine lakschade repareren................223

    Nooduitrusting

    Accu van de auto

    Eerstehulpset.........................................196
    Gevarendriehoek..................................196

    Gebruik van startkabels.......................224
    Accu vervangen....................................225
    Aansluitpunten van de accu ..............225

    Zekeringen
    Plaatsen zekeringenhouders...............197
    Een zekering vervangen......................198
    Specificatie-overzicht zekeringen......199

    Velgen en banden
    Algemene informatie............................226
    Een wiel vervangen..............................226
    Bandenreparatieset ............................232
    Verzorging van banden.......................236
    Gebruik van winterbanden.................236

    Bergen van de auto
    Sleeppunten..........................................207
    Auto op vier wielen slepen..................207

    4



  • Page 7

    Inhoudsopgave
    Gebruik van sneeuwkettingen...........236
    Bandenspanningcontrolesysteem.....237
    Technische specificatie.......................238

    CD-speler
    CD afspelen............................................261
    Nummer selecteren..............................261
    Versneld vooruit/achteruit....................261
    Shuffle/random (door
    elkaar/willekeurig)..............................261
    CD-nummers herhalen........................261
    CD-nummers scannen........................262
    MP3-bestand afspelen........................262
    MP3 weergave-opties.........................265
    Afspelen CD beëindigen.....................265

    Voertuigidentificatie
    Voertuigidentificatieplaatje...................241
    Voertuigidentificatienummer (VIN).....242

    Technische specificaties
    Technische specificatie.......................243

    Inleiding audio-installatie
    Belangrijke audio-informatie...............248

    Ingangsaansluiting (AUX
    IN)

    Overzicht audioinstallatie

    Ingangsaansluiting (AUX IN)................266

    Overzicht audio-installatie...................249

    Storingen verhelpen audioinstallatie

    Beveiliging van uw audioinstallatie

    Storingen verhelpen
    audio-installatie..................................267

    Beveiligingscode...................................255

    Telefoon
    Algemene informatie............................268
    Setup Bluetooth....................................268
    Setup telefoon......................................269
    Bedieningselementen telefoon..........270
    Gebruik maken van de telefoon ........270

    Werking van de audioinstallatie
    Aan/uit toets..........................................256
    Volumeknop..........................................256
    Golfband toets......................................256
    Station afstemtoetsen.........................256
    Voorkeuzetoetsen................................257
    Autostore toets.....................................257
    Regeling functie
    verkeersinformatie............................258

    Spraaksturing
    Werking..................................................273
    Spraakgestuurd regelsysteem
    gebruiken............................................273
    Commando’s audio-unit .....................274
    Commando’s telefoon........................282
    Commando’s klimaatregeling.............287

    Menu's audio-installatie
    Automatische volumeregeling...........259
    Digitale signaalverwerking (DSP).......259
    Nieuwsberichten...................................259
    Alternatieve frequenties......................259
    Regionale modus (REG)......................260

    Verbinding
    Algemene informatie............................289
    Extern apparaat aansluiten ................290

    5



  • Page 8

    Inhoudsopgave
    Extern apparaat aansluiten - Auto's met
    Bluetooth.............................................291
    USB-apparaat gebruiken ....................291
    iPod gebruiken .....................................293

    Introductie navigatie
    Algemene informatie............................295
    Rijveiligheid ............................................295

    Introductie navigatie
    Introductie navigatie ............................297

    Overzicht navigatie-unit
    Overzicht navigatie-eenheid...............300
    Navigatiedata laden.............................304

    Systeeminstellingen
    Systeeminstellingen ............................305

    Navigatiesysteem
    Menu route-opties ..............................308
    Routeweergaven .................................309

    Traffic Message Channel
    (verkeersberichtenkanaal)
    Werking....................................................311
    TMC gebruiken ......................................311

    Kaartupdates
    Kaartupdates ........................................312

    Bijlagen
    Typegoedkeuringen..............................313
    Typegoedkeuringen..............................313
    Typegoedkeuringen..............................313
    Typegoedkeuringen..............................314
    Typegoedkeuringen..............................314
    Typegoedkeuringen..............................315
    Elektromagnetische compatibiliteit.....315

    6



  • Page 9

    Inleiding
    OVER DEZE HANDLEIDING

    LET OP
    U riskeert beschadiging van uw auto
    wanneer u niet de instructies opvolgt
    waarop u door dit
    waarschuwingssymbool wordt
    geattendeerd.

    Hartelijk dank voor het kiezen van een
    Ford. Wij raden u aan de tijd te nemen om
    uw auto goed te leren kennen door dit
    instructieboekje zorgvuldig te lezen. Hoe
    meer u van uw auto afweet, des te beter
    kunt u ermee omgaan en dat komt de
    veiligheid en het rijplezier ten goede.

    Symbolen op uw auto

    WAARSCHUWING
    Rijd altijd voorzichtig en oplettend
    wanneer u de bedieningselementen
    en functies van uw auto bedient.
    N.B.: In deze handleiding worden de
    producteigenschappen en beschikbare
    opties van de gehele serie beschreven
    (soms zelfs wanneer deze nog niet
    algemeen verkrijgbaar zijn). Soms worden
    opties beschreven waarmee uw auto niet
    is uitgerust.

    Wanneer u deze symbolen ziet, lees dan
    eerst de betreffende instructies in dit
    instructieboekje en volg deze op voordat
    u iets aanraakt of probeert af te stellen.

    ONDERDELEN EN
    ACCESSOIRES

    N.B.: Gebruik uw auto altijd volgens de
    geldende regels en wetgeving.
    N.B.: Overhandig bij verkoop van uw auto
    dit instructieboekje aan de nieuwe
    eigenaar. Het instructieboekje is een
    onderdeel van de auto.

    Nu kunt u er zeker van zijn dat
    uw Ford onderdelen Ford
    onderdelen zijn.

    OVERZICHT VAN
    SYMBOLEN

    U Ford is volgens de hoogste normen
    gebouwd met gebruik van Originele Ford
    onderdelen van hoge kwaliteit. Met als
    resultaat dat u er vele jaren met plezier in
    kunt rijden.

    Symbolen in dit
    instructieboekje

    Mocht het onverwachte plaatsvinden en
    een belangrijk onderdeel moet worden
    vervangen, dan raden wij u aan met niets
    minder dan Originele Ford Onderdelen
    genoegen te nemen.

    WAARSCHUWING
    U riskeert de dood of ernstige
    verwonding van uzelf en anderen
    wanneer u niet de instructies
    opvolgt waarop u door dit
    waarschuwingssymbool wordt
    geattendeerd.

    Het gebruik van Originele Ford
    Onderdelen verzekert dat uw auto in de
    oorspronkelijke staat wordt teruggebracht
    en zijn maximale restwaarde behoudt.

    7



  • Page 10

    Inleiding
    Bumper en radiateurgrille

    Originele Ford Onderdelen voldoen aan
    de strenge veiligheidseisen en hoge eisen
    ten aanzien van pasvorm, afwerking en
    betrouwbaarheid. Eenvoudig gezegd: zij
    staan in voor de laagst mogelijke
    reparatiekosten, inclusief onderdelen en
    arbeidsloon.




    Radiateurgrille
    Voor- en achterbumper

    Het is nu eenvoudiger te bewijzen dat
    werkelijk Originele Ford Onderdelen zijn
    gebruikt. Het Ford logo is duidelijk op de
    volgende onderdelen zichtbaar wanneer
    Originele Ford Onderdelen zijn gebruikt.
    Wanneer uw auto moet worden
    gerepareerd, kijk dan of het duidelijk
    zichtbare Ford beeldmerk te zien is en
    controleer of uitsluitend Originele Ford
    Onderdelen zijn gebruikt.

    Kijk voor het Ford logo op de
    volgende onderdelen

    E132326

    Buitenspiegel

    Plaatwerk




    Motorkap
    Portieren
    Achterklep

    E132340

    Ruit



    E132325

    8

    Achterruit
    Zijruiten
    Voorruit



  • Page 11

    Inleiding

    E132327

    Verlichting



    Achterlichten
    Koplampen

    E132328

    9



  • Page 12

    Kort overzicht
    KORT OVERZICHT
    Overzicht voorzijde exterieur

    A

    B

    C

    D

    H

    F

    G

    E

    E133220

    A

    Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 40). Zie Sleutelloze
    toegang (bladzijde 42).

    B

    Zie Automatische grootlichtregeling (bladzijde 59). Zie
    Bestuurderswaarschuwing (bladzijde 174). Zie Waarschuwing rijden
    buiten baan (bladzijde 176). Zie Systeem hulp bij blijven rijden op
    rijstrook (bladzijde 179). Zie Verkeersbordherkenning (bladzijde 182).
    Zie Veiligheidssysteem lage snelheid (bladzijde 184).

    10



  • Page 13

    Kort overzicht
    C

    Zie Ruitenwisserbladen vervangen (bladzijde 56).

    D

    Zie Onderhoud (bladzijde 209).

    E

    Zie Sleeppunten (bladzijde 207).

    F

    Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 66).

    G

    Bandenspanning. Zie Technische specificatie (bladzijde 238).

    H

    Zie Een wiel vervangen (bladzijde 226).

    Overzicht interieur

    A

    B

    C

    D

    E

    I

    H

    E133222

    G

    F

    11



  • Page 14

    Kort overzicht
    A

    Zie Versnellingsbak/transmissie (bladzijde 146).

    B

    Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 40).

    C

    Zie Elektrisch bedienbare ruiten (bladzijde 75). Zie Elektrisch
    verstelbare buitenspiegels (bladzijde 77).

    D

    Zie Hoofdsteunen (bladzijde 122).

    E

    Zie Veiligheidsgordels vastmaken (bladzijde 34).

    F

    Zie Achterbank (bladzijde 125).

    G

    Zie Handmatig verstelbare stoelen (bladzijde 121). Zie Elektrisch
    verstelbare stoelen (bladzijde 124).

    H

    Zie Parkeerrem (bladzijde 149).

    I

    Zie De motorkap openen en sluiten (bladzijde 210).

    12



  • Page 15

    Kort overzicht
    Overzicht instrumentenpaneel
    Stuur links

    A B

    W

    E132738

    C

    V

    D

    U

    T

    E

    S

    F

    R

    Q

    13

    P

    G

    O N M

    H

    I

    L

    K

    J



  • Page 16

    Kort overzicht
    Stuur rechts

    I

    H

    J

    O

    E132739

    N

    G

    M

    L

    B

    K

    C

    P Q

    V

    D

    U

    T

    E

    S

    F

    A

    R

    W

    A

    Luchtroosters. Zie Ventilatieroosters (bladzijde 109).

    B

    Richtingaanwijzers. Zie Richtingaanwijzers (bladzijde 63). Grootlicht. Zie
    Verlichtingsbediening (bladzijde 58).

    C

    Bedieningstoetsen informatiedisplay (alle auto's behalve auto's met stuur
    rechts en spraakbesturing). Zie Infodisplays (bladzijde 88).

    C

    Bedieningstoetsen informatie- en entertainmentdisplay (alleen auto's met
    stuur rechts en spraakbesturing).

    D

    Instrumentengroep. Zie Meters (bladzijde 82). Zie Waarschuwings- en
    indicatielampen (bladzijde 84).

    E

    Bedieningstoetsen audiosysteem (alle auto's zonder spraakbesturing). Zie
    Infodisplays (bladzijde 88).

    14



  • Page 17

    Kort overzicht
    E

    Bedieningstoetsen informatie- en entertainmentdisplay (alleen auto's met
    stuur links en spraakbesturing). Zie Audiobediening (bladzijde 51).

    E

    Bedieningstoetsen informatiedisplay (alleen auto's met stuur rechts en
    spraakbesturing). Zie Infodisplays (bladzijde 88).

    F

    Ruitenwisserschakelaar. Zie Ruitenwissers en ruitensproeiers (bladzijde
    53).

    G

    Informatie- en entertainmentdisplay.

    H

    Audiosysteem. Zie Overzicht audio-installatie (bladzijde 249).

    I

    Portiervergrendelingsknop. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde
    40).

    J

    Schakelaar waarschuwingsknipperlichten. Zie
    Waarschuwingsknipperlichten (bladzijde 63).

    K

    Schakelaar parkeerhulp. Zie Parkeerhulp (bladzijde 154).

    L

    Schakelaar actieve parkeerhulp. Zie Actieve parkeerhulp (bladzijde 158).

    M

    Start/stop-schakelaar. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 138).

    N

    Schakelaar achterruitverwarming. Zie Verwarmde ruiten en spiegels
    (bladzijde 115).

    O

    Schakelaar voorruitverwarming. Zie Verwarmde ruiten en spiegels
    (bladzijde 115).

    P

    Bedieningselementen klimaatregeling. Zie Klimaatregeling (bladzijde 109).

    Q

    Startknop. Zie Sleutelloos starten (bladzijde 134).

    R

    Contactslot. Zie Contactslot (bladzijde 131).

    S

    Bediening audiosysteem. Zie Audiobediening (bladzijde 51).
    Spraakbesturing. Zie Spraaksturing (bladzijde 52).

    T

    Stuurwielverstelling. Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 51).

    U

    Claxon.

    V

    Schakelaars snelheidsregeling (cruise control). Zie Gebruik maken van
    snelheidsregeling (cruise control) (bladzijde 164). Schakelaars adaptieve
    snelheidsregeling (ACC). Zie Gebruik maken van ACC (bladzijde 168).
    Schakelaars snelheidsbegrenzer. Zie Snelheidsbegrenzer gebruiken
    (bladzijde 172).

    W

    Bediening verlichting. Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 58).
    Mistlampen, vóór. Zie Voorste mistlampen (bladzijde 61). Mistachterlicht.
    Zie Mistachterlichten (bladzijde 62). Bediening koplampafstelling. Zie
    Koplamphoogte afstellen (bladzijde 62). Regelknop
    instrumentenverlichting. Zie Dimmer instrumentenpaneelverlichting
    (bladzijde 127).

    15



  • Page 18

    Kort overzicht
    Overzicht achterzijde exterieur

    A

    B

    C

    D

    E133221

    G

    H

    F

    A

    Zie Ruitenwisserbladen vervangen (bladzijde 56).

    B

    Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 66).

    C

    Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 66).

    D

    Zie Tankklep (bladzijde 142).

    E

    Zie Een wiel vervangen (bladzijde 226).

    F

    Bandenspanning. Zie Technische specificatie (bladzijde 238).

    16

    E



  • Page 19

    Kort overzicht
    G

    Zie Sleeppunten (bladzijde 207).

    H

    Zie Eerstehulpset (bladzijde 196). Zie Gevarendriehoek (bladzijde 196).
    Zie Bandenreparatieset (bladzijde 232). Reservewiel. Zie Een wiel
    vervangen (bladzijde 226). Boordkrik. Zie Een wiel vervangen (bladzijde
    226). Wielmoersleutel. Zie Een wiel vervangen (bladzijde 226). Sleepoog.
    Zie Sleeppunten (bladzijde 207). Brandstoftrechter. Zie Tankklep (bladzijde
    142).

    Vergrendelen en ontgrendelen

    Hoogte van veiligheidsgordels
    instellen

    A

    B

    C

    E87379

    A

    Ontgrendelen

    B

    Vergrendelen

    C

    Kofferdeksel/achterklep
    ontgrendelen

    Met sleutel dubbel vergrendelen
    E87511

    Draai de sleutel tweemaal binnen drie
    seconden in de vergrendelstand.

    N.B.: Door het stelmechanisme iets in te
    drukken terwijl u de knop indrukt komt het
    verstelmechanisme makkelijker los.

    Portieren en achterklep dubbel
    vergrendelen met de
    afstandsbediening

    Druk voor het hoger of lager stellen de
    vergrendelknop op het
    verstelmechanisme in en beweeg deze
    zonodig.

    Druk toets B tweemaal binnen drie
    seconden in.
    Zie Vergrendelen en ontgrendelen
    (bladzijde 40).

    Stuurwiel instellen
    WAARSCHUWING
    Verstel het stuurwiel nooit wanneer
    de auto in beweging is.

    17



  • Page 20

    Kort overzicht
    Ruitenwissers en -sproeiers

    2

    Ruitenwissers

    D

    2

    C

    B

    1
    E95178

    A
    E128444

    A

    Enkele wisslag

    B

    Wissen met intervallen of
    automatisch wissen

    C

    Normale wissnelheid

    D

    Wissen met hoge snelheid

    Intervalwissen

    3

    A

    B

    E95179

    Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 51).

    C
    E128445

    18

    A

    Wissen met korte intervallen

    B

    Intervalwissen

    C

    Wissen met lange intervallen



  • Page 21

    Kort overzicht
    Lichtschakelaar

    Achterruitwissers en -sproeiers

    Standen van de lichtschakelaar

    A

    B

    C

    A B
    E132706

    E129193

    A

    Intervalwissen

    B

    Wissen met lage snelheid

    A

    Off (uit)

    B

    Stads- en achterlichten

    C

    Koplampen

    Lichtsignaal
    Trek de schakelaarhendel naar het
    stuurwiel toe.

    Ruitensproeier, achter

    Zie Verlichtingsbediening (bladzijde
    58).

    Handmatige klimaatregeling
    Interieur snel afkoelen

    E129194

    Zie Ruitenwissers en
    ruitensproeiers (bladzijde 53).

    E129887

    19



  • Page 22

    Kort overzicht
    Interieur snel verwarmen

    Mono modus
    In de mono modus zijn de
    temperatuurinstellingen voor de
    bestuurder en de passagier aan elkaar
    gekoppeld. Wanneer u de temperatuur
    met de draaiknop aan bestuurderszijde
    verandert, wordt dezelfde instelling voor
    de passagierszijde doorgevoerd.

    E129884

    Zie Automatische klimaatregeling
    (bladzijde 112).

    Voorruit ontdooien en ontwasemen

    Handmatig verstelbare stoelen
    Stoelen naar voren en achteren
    schuiven

    E129888

    Wanneer de temperatuur hoger is dan 4
    °C, schakelt de airconditioning
    automatisch in. Let erop dat de aanjager
    aanstaat. De controlelamp in de
    schakelaar brandt tijdens het ontdooien
    en ontwasemen.
    Wanneer u de luchtverdeelknop in een
    andere stand dan voorruit zet, blijft de
    A/C ingeschakeld.
    U kunt de airconditioning en
    luchtrecirculatie in- en uitschakelen terwijl
    de luchtverdeelknop in de stand voorruit
    staat.
    E130249

    Zie Handmatige klimaatregeling
    (bladzijde 110).

    Automatische klimaatregeling

    E133120

    Aanbevolen instellingen: AUTO,
    22ºC

    20



  • Page 23

    Kort overzicht
    Hoogte van de bestuurdersstoel
    verstellen

    Zie Handmatig verstelbare stoelen
    (bladzijde 121).

    Hoofdsteunen

    E66539
    E70730

    Stel de hoofdsteun zo in, dat de
    bovenzijde ervan gelijkligt met de
    bovenzijde van uw hoofd.

    Hellingshoek van de rugleuning
    instellen

    Zie Hoofdsteunen (bladzijde 122).

    E130250

    21



  • Page 24

    Kort overzicht
    Elektrisch verstelbare stoelen

    E78060

    22



  • Page 25

    Kort overzicht
    Sleutelloos starten

    Motor uitschakelen bij rijdende
    auto

    WAARSCHUWING
    WAARSCHUWING

    Het is mogelijk dat het keyless
    startsysteem niet werkt wanneer de
    sleutel zich te dicht bij metalen
    voorwerpen of elektronische apparaten,
    zoals een mobiele telefoon, bevindt.

    Afzetten van de motor terwijl nog
    met de auto wordt gereden, leidt
    tot verlies van rem- en
    stuurbekrachtiging. De stuurinrichting
    wordt niet geblokkeerd, maar er is meer
    stuurkracht vereist. Wanneer het contact
    wordt uitgeschakeld, kunnen ook
    sommige elektrische circuits,
    waarschuwings- en controlelampjes
    uitgeschakeld worden.
    Houd de startknop twee seconden
    ingedrukt of druk er driemaal binnen drie
    seconden op.

    E85766

    Druk eenmaal de startknop in.

    Zie Sleutelloos starten (bladzijde 134).

    Motor starten bij uitvoeringen met
    automatische transmissie
    N.B.: Door tijdens het starten het
    rempedaal op te laten komen, wordt de
    startmotor uitgeschakeld maar blijft het
    contact aan.
    1.

    Controleer of de transmissie in stand
    P of N staat.
    2. Druk het rempedaal volledig in.
    3. Druk de startknop kortstondig in.
    Motor starten bij uitvoeringen met
    handgeschakelde versnellingsbak
    N.B.: Door tijdens het starten het
    koppelingspedaal op te laten komen,
    wordt de startmotor uitgeschakeld maar
    blijft het contact aan.
    1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
    2. Druk de startknop kortstondig in.

    23



  • Page 26

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    KINDERZITJES

    WAARSCHUWINGEN
    Laat kinderen niet zonder toezicht
    in uw auto achter.
    Wanneer uw auto bij een aanrijding
    betrokken is geweest, laat dan het
    kinderzitje door een hiertoe
    opgeleide monteur controleren.
    N.B.: De wettelijke voorschriften t.a.v. het
    gebruik van kinderzitjes zijn per land
    verschillend.

    E133140

    Alleen kinderzitjes die volgens
    ECE-R44.03 (of later) gecertificeerd zijn,
    zijn getest en goedgekeurd voor gebruik
    in uw auto. Een aantal zijn leverbaar via
    uw dealer.

    Kinderzitjes voor verschillende
    gewichtsgroepen
    Gebruik het correcte kinderzitje als volgt:
    Babyzitje
    E68916

    WAARSCHUWINGEN
    Plaats kinderen kleiner dan 150
    centimeter in een geschikt, wettelijk
    goedgekeurd kinderveiligheidszitje
    op de achterbank.
    Bijzonder gevaarlijk! Plaats geen
    kinderveiligheidszitje achterwaarts
    op een stoel waarvóór zich een
    airbag bevindt!
    Lees de instructies van de fabrikant
    en volg deze op wanneer u een
    kinderzitje aanbrengt.

    E68918

    Plaats kinderen met een lichaamsgewicht
    van minder dan 13 kilogram in een
    achterwaarts gericht babyzitje (groep 0+)
    op de achterbank.

    Verander op geen enkele wijze het
    kinderzitje.
    Neem tijdens het rijden geen
    kinderen op schoot.

    24



  • Page 27

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    Kinderveiligheidszitje

    WAARSCHUWINGEN
    Bijzonder gevaarlijk! Plaats geen
    kinderveiligheidszitje achterwaarts
    op een stoel waarvóór zich een
    airbag bevindt!
    Wanneer een kinderzitje met
    steunpoot wordt gebruikt, dan moet
    de steunpoot stevig op de vloer
    rusten.
    Wanneer een kinderzitje met een
    gordel wordt gebruikt, dan mag de
    gordel niet slap hangt of is gedraaid.
    LET OP

    E68920

    Het kinderzitje moet stevig tegen de
    stoel aan rusten. De hoofdsteun
    moet wellicht worden opgetild of
    verwijderd. Zie Hoofdsteunen
    (bladzijde 122).

    Plaats kinderen met een lichaamsgewicht
    van 13 tot 18 kilogram in een
    kinderveiligheidszitje (groep 1) op de
    achterbank.

    N.B.: Bij gebruik van een kinderzitje op
    de voorstoel, dient u de voorste
    passagiersstoel altijd zo ver mogelijk naar
    achteren te verschuiven. Als het
    heupgedeelte van de veiligheidsgordel
    moeilijk vast te zetten is zonder dat er
    speling overblijft, zet de rugleuning dan
    recht omhoog en zet de stoel in een
    hogere stand. Zie Stoelen (bladzijde 121).

    PLAATSING VAN
    KINDERZITJES
    WAARSCHUWINGEN
    Neem contact op met uw dealer
    voor de laatste informatie
    betreffende door Ford aanbevolen
    kinderzitjes.

    Gewichtsgroepen
    Plaats

    0

    0+

    1

    2

    3

    Tot 10 kg

    Tot 13 kg

    9 - 18 kg

    15 - 25 kg

    22 - 36 kg

    Voorstoel aan passagierszijde, met airbag
    AAN

    X

    X

    UF¹

    UF¹

    UF¹

    Voorstoel aan passagierszijde, met airbag
    UIT

    U

    U

    U

    U

    U

    25



  • Page 28

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    Gewichtsgroepen
    Plaats

    Achterbank

    0

    0+

    1

    2

    3

    Tot 10 kg

    Tot 13 kg

    9 - 18 kg

    15 - 25 kg

    22 - 36 kg

    U

    U

    U

    U

    U

    X Niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsgroep.
    U Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
    UF¹ Geschikt voor universele, voorwaarts gekeerde kinderzitjes, die zijn goedgekeurd
    voor gebruik in deze gewichtsgroep. Wij raden u echter aan een door de overheid
    goedgekeurd kinderzitje te gebruiken dat op de achterbank wordt geplaatst.
    ISOFIX-kinderzitjes
    Gewichtsgroepen

    Plaats

    Voorstoel

    0+

    1

    Naar achteren
    gericht

    Naar voren gericht

    Tot 13 kg

    9 - 18 kg

    Maatklasse
    Niet uitgerust met ISOFIX
    Stoeltype

    Achterste zitplaats opzij,
    ISOFIX

    Middelste achterstoel

    Maatklasse

    C, D, E

    Stoeltype

    IL

    *

    A, B, B1, C, D

    **

    *

    ***

    IL, IUF

    Maatklasse
    Niet uitgerust met ISOFIX
    Stoeltype

    IL Geschikt voor bepaalde ISOFIX kinderzitjes van de categorie semi-universeel.
    Raadpleeg de voertuigaanbevelingslijst van de fabrikant van de kinderzitjes.
    IUF Geschikt voor ISOFIX naar voren gerichte kinderzitjes van de categorie universeel
    goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep en ISOFIX maatklasse.
    *

    De ISOFIX maatklasse voor universele en semi-universele kinderzitjes is
    gedefinieerd door de hoofdletters A t/m G. Deze letters staan vermeld op ISOFIX
    kinderzitjes.
    **

    Ten tijde van publicatie is de aanbevolen groep O+ ISOFIX kinderzitjes de Britax Roemer
    Baby Safe. Neem contact op met uw dealer voor de laatste informatie betreffende
    door Ford aanbevolen kinderzitjes.

    26



  • Page 29

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    ***

    Ten tijde van publicatie is de aanbevolen groep 1 ISOFIX kinderzitjes de Britax Roemer
    Duo. Neem contact op met uw dealer voor de laatste informatie betreffende door Ford
    aanbevolen kinderzitjes.

    27



  • Page 30

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    Kinderzitje (groep 2)

    ZITVERHOGERS
    WAARSCHUWINGEN
    Bevestig een kinderzitje of een
    zitverhoger nooit alleen met de
    heupgordel.
    Bevestig een kinderzitje of een
    zitverhoger niet met een
    veiligheidsgordel die niet gespannen
    is of gedraaid zit.
    Leg de schoudergordel niet onder
    de arm of achter de rug van het kind
    langs.
    Gebruik geen kussens, boeken of
    handdoeken om het kind hoger te
    laten zitten.

    E70710

    Wij raden het gebruik van een kinderzitje
    aan, dat uit een zitverhoger met een
    rugleuning bestaat in plaats van alleen een
    zitverhoger. De hogere zitpositie zorgt
    ervoor dat de standaard veiligheidsgordel
    correct over het midden van de schouder
    van het kind en de heupgordel over de
    heupen komt te liggen.

    Zorg ervoor dat uw kinderen
    rechtop zitten.
    Laat kinderen met een
    lichaamsgewicht van meer dan 15
    kilogram maar met een lengte van
    minder dan 150 centimeter in een
    kinderzitje of op een zitverhoger
    plaatsnemen.

    Zitverhoger (groep 3)

    LET OP
    Wanneer u een kinderzitje op een
    achterbank gebruikt, zorg dan dat
    het kinderzitje stevig tegen de stoel
    rust. De hoofdsteun moet wellicht worden
    opgetild of verwijderd. Zie
    Hoofdsteunen (bladzijde 122).

    E68924

    28



  • Page 31

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    Verankeringspunten aan de
    bovenzijde - alle auto's

    ISOFIX
    VERANKERINGSPUNTEN
    WAARSCHUWING
    Gebruik bij toepassing van het
    ISOFIX systeem een voorziening dat
    voorkomt dat de veiligheidsgordel
    kan draaien. Wij raden het gebruik van
    een veiligheidsgordel aan de bovenzijde
    of met een voet aan.
    N.B.: Wanneer u een ISOFIX kinderzitje
    aanschaft, let er dan op dat dit geschikt
    is voor de gewichtsgroep van uw kind en
    dat de ISOFIX maatklasse geschikt is voor
    de plaats waar het zitje wordt
    aangebracht. Zie Plaatsing van
    kinderzitjes (bladzijde 25).

    E132902

    Verankeringspunten aan de
    bovenzijde - 4-deurs auto's

    Uw wagen is uitgerust met ISOFIX
    verankeringspunten die geschikt zijn voor
    het gebruik van goedgekeurde ISOFIX
    kinderzitjes.
    Het ISOFIX systeem bestaat uit twee
    stevige bevestigingsarmen aan het
    kinderzitje, die op de verankeringspunten
    op de achterbank tussen de rugleuning
    en de zitting worden bevestigd. Ook
    kunnen kinderzitjes met een
    veiligheidsgordel aan de bovenzijde
    worden aangebracht.

    E132903

    De verankeringspunten aan de bovenzijde
    bevinden zich onder een klep.

    29



  • Page 32

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    Kinderzitje met een
    veiligheidsriem aan de
    bovenzijde bevestigen

    KINDERSLOTEN
    WAARSCHUWING
    Wanneer de kindersloten in werking
    zijn gesteld, kunnen de portieren
    niet van binnenuit worden geopend.

    WAARSCHUWING
    Bevestig de veiligheidsgordel aan
    de bovenzijde aan geen ander punt
    dan aan het verankeringspunt dat
    hiervoor is bestemd.

    Handmatig bediende
    kindersloten

    N.B.: Verwijder zo nodig het
    bagageafdekpaneel om de montage te
    vergemakkelijken. Zie
    Bagageafdekkingen (bladzijde 186).

    N.B.: Gebruik bij auto's met sleutelloze
    toegang de reservesleutel. Zie
    Sleutelloze toegang (bladzijde 42).

    WAARSCHUWING
    Zorg ervoor dat de gordel aan de
    bovenzijde niet doorhangt of
    gedraaid is en goed op het
    verankeringspunt is bevestigd.
    1.

    Geleid de gordel naar het
    verankeringspunt.

    E78298

    Linkerzijde
    Draai linksom om te vergrendelen en
    rechtsom om te ontgrendelen.
    Rechterzijde
    E87145

    Draai rechtsom om te vergrendelen en
    linksom om te ontgrendelen.

    2. Druk het kinderzitje stevig naar
    achteren zodat de onderste ISOFIX
    verankeringspunten goed aangrijpen.
    3. Bevestig de veiligheidsgordel volgens
    de instructies van de fabrikant van het
    kinderzitje.

    30



  • Page 33

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    Elektrisch bediende
    kindersloten
    N.B.: Door op de schakelaar te drukken
    worden tevens de schakelaars voor de
    elektrisch bediende achterruit
    gedeactiveerd.

    E124779

    31



  • Page 34

    Bescherming van inzittenden
    N.B.: Reinig de panelen van de airbags
    met een vochtige doek.

    WERKING
    Airbags

    Voorairbags

    WAARSCHUWINGEN
    Wijzig de voorzijde van de auto op
    geen enkele wijze. Dit zou nadelige
    gevolgen voor het ontvouwen van
    de airbags kunnen hebben.
    Bijzonder gevaarlijk! Plaats nooit een
    kinderzitje achterwaarts op een
    stoel waarvóór zich een airbag
    bevindt!
    Draag een veiligheidsgordel en houd
    voldoende afstand tussen uzelf en
    het stuurwiel. Alleen wanneer de
    veiligheidsgordel correct wordt gedragen,
    kan deze u in een zodanige positie
    houden dat de airbag optimaal kan
    functioneren. Zie De juiste zitpositie
    innemen (bladzijde 121).

    E74302
    De frontairbags en de voorste
    gordelspanners treden in werking bij
    zware frontale aanrijdingen of bij
    aanrijdingen binnen een hoek van
    maximaal 30 graden van links of van
    rechts. De airbags worden in enkele
    milliseconden opgeblazen en stromen
    weer leeg zodra zij in contact komen met
    de lichamen van de inzittenden, waardoor
    de voorwaartse beweging wordt
    opgevangen. Bij lichte aanrijdingen, het
    over de kop slaan van de auto of bij
    aanrijdingen van opzij of van achteren
    worden de frontairbags niet geactiveerd.

    Laat reparaties aan het stuurwiel,
    de stuurkolom, stoelen, airbags en
    veiligheidsgordel uitvoeren door een
    goed opgeleide monteur.
    Houd de gebieden voor de airbags
    vrij. Breng niets aan op of over de
    panelen van de airbags.
    Steek geen scherpe voorwerpen in
    gebieden waar airbags zijn
    gemonteerd. Hierdoor zou de
    airbags kunnen beschadigen en nadelige
    gevolgen kunnen hebben voor het
    ontvouwen.

    Zij- en gordijnairbag
    Bij aanzienlijke aanrijdingen van opzij
    treden alleen de airbags aan de
    betreffende zijde en de voorste
    gordelspanners in werking. De airbags
    worden in enkele milliseconden
    opgeblazen en stromen weer leeg zodra
    zij in contact komen met de lichamen van
    de inzittenden, waardoor zij bescherming
    bieden aan het lichaam. Bij lichte
    zijdelingse aanrijdingen, frontale
    aanrijdingen, aanrijdingen van achteren
    of het over de kop slaan van de auto
    worden de side curtains niet geactiveerd.

    Gebruik stoelhoezen die zijn
    ontworpen voor stoelen met
    zij-airbags. Laat deze aanbrengen
    door een goed opgeleide monteur.
    N.B.: Het opblazen van een airbag gaat
    gepaard met een luide knal en u ziet een
    onschadelijke, poederachtige stofwolk.
    Dit is normaal.

    32



  • Page 35

    Bescherming van inzittenden
    Veiligheidsgordels

    Zijairbags

    WAARSCHUWINGEN
    Draag een veiligheidsgordel en houd
    voldoende afstand tussen uzelf en
    het stuurwiel. Alleen wanneer u de
    veiligheidsgordel op de juiste wijze draagt,
    kan deze u op uw plaats houden en zijn
    maximale bescherming bieden. Zie De
    juiste zitpositie innemen (bladzijde
    121).
    Gebruik een veiligheidsgordel nooit
    voor meer dan een persoon.

    E72658

    Gebruik voor iedere stoel het juiste
    gordelslot.

    De zijairbags bevinden zich in de zijkant
    van de rugleuningen van de voorstoelen.
    Een label op de rugleuning geeft aan dat
    uw auto is uitgerust met zijairbags.

    Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel
    niet slap of gedraaid zit.

    Side curtains

    Draag geen dikke kleding. De
    veiligheidsgordels bieden optimaal
    bescherming wanneer ze
    nauwsluitend worden gedragen.
    Leg de schoudergordel over het
    midden van de schouder en leg de
    heupgordel strak over uw heupen.
    De veiligheidsgordelsystemen van de
    bestuurdersstoel en de passagiersstoel
    zijn uitgerust met een gordelspanner. De
    gordelspanners hebben een lagere
    activeringsdrempel dan de airbags. Bij
    lichte aanrijdingen is het mogelijk dat
    alleen de gordelspanners worden
    geactiveerd.

    E75004

    Achter de bekledingspanelen boven de
    voorste en achterste zijruiten zijn side
    curtains aangebracht. Opschriften in reliëf
    op de B-stijlen geven aan dat de auto is
    uitgerust met side curtains.

    Status na aanrijding
    WAARSCHUWINGEN
    Veiligheidsgordels die zijn belast ten
    gevolge van een aanrijding moeten
    worden vervangen en de
    verankeringen worden gecontroleerd.
    Deze werkzaamheden moeten door een
    correct hiertoe opgeleide monteur
    worden uitgevoerd.

    33



  • Page 36

    Bescherming van inzittenden
    WAARSCHUWINGEN
    Als een gordelspanner is
    geactiveerd, dan moet de
    veiligheidsgordel worden
    vervangen.

    VEILIGHEIDSGORDELS
    VASTMAKEN
    WAARSCHUWING
    Steek de slottong in het gordelslot
    tot een zachte klik hoorbaar is.
    Wanneer de veiligheidsgordel niet
    correct is bevestigd, hoort u geen klik.

    E85817

    Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig uit.
    De veiligheidsgordel kan blokkeren
    wanneer deze te snel wordt uitgetrokken
    of wanneer de wagen op een helling
    staat.
    Druk op de rode knop om de
    veiligheidsgordel te ontgrendelen. Laat
    hem volledig en geheel oprollen.

    HOOGTE VAN
    VEILIGHEIDSGORDELS
    AFSTELLEN
    E74124

    E87511

    34



  • Page 37

    Bescherming van inzittenden
    N.B.: Door het stelmechanisme iets in te
    drukken terwijl u de knop indrukt komt het
    verstelmechanisme makkelijker los.

    Er wordt een visuele herinnering van de
    gordelstatus weergegeven op de display
    van het instrumentepaneel nadat de
    motor is gestart en nogmaals wanneer
    een gordel wordt losgemaakt tijdens het
    rijden.

    Druk voor het hoger of lager stellen de
    vergrendelknop op het
    verstelmechanisme in en beweeg deze
    zonodig.

    Vastgemaakte gordels worden
    aangegeven door een afvinksymbool.

    WAARSCHUWINGSSIGNAAL
    VEILIGHEIDSGORDEL

    Als een gordel wordt losgemaakt tijdens
    het rijden, dan wordt het scherm voor de
    gordelstatus weergegeven en worden
    de betreffende stoelen gemarkeerd met
    een uitroepteken. Er is tevens een
    akoestisch signaal hoorbaar.

    WAARSCHUWING
    Het veiligheidssysteem voor
    inzittenden biedt alleen optimale
    veiligheid wanneer u de
    veiligheidsgordel correct gebruikt.

    Herinneringssysteem
    uitschakelen
    Neem contact op met uw Ford dealer.

    De lamp van het
    herinneringssysteem gaat
    branden en er klinkt een
    akoestisch signaal wanneer de
    veiligheidsgordel van de voorstoel aan
    bestuurders- of passagierszijde niet is
    omgedaan en de auto sneller rijdt dan een
    relatief lage snelheid. De lamp gaat tevens
    branden wanneer de veiligheidsgordel
    van de voorstoel aan bestuurders- of
    passagierszijde niet is omgedaan als met
    de auto wordt gereden. Het akoestische
    signaal en de waarschuwingslamp
    worden na vier minuten uitgeschakeld.

    GEBRUIK VAN
    VEILIGHEIDSGORDELS
    TIJDENS ZWANGERSCHAP

    Herinneringssysteem
    veiligheidsgordel achter

    E68587

    WAARSCHUWING

    WAARSCHUWING

    Als meerdere gordels binnen enkele
    seconden na elkaar worden
    losgemaakt, is slechts één
    akoestisch signaal hoorbaar.

    Breng de veiligheidsgordel voor uw
    eigen veiligheid, maar ook voor dat
    van uw ongeboren kind op correcte
    wijze aan. Draag niet alleen de heupgordel
    of de schoudergordel.

    N.B.: Druk op de OK knop van de
    bedieningselementen op het stuur om
    het bericht te bevestigen.

    35



  • Page 38

    Bescherming van inzittenden
    N.B.: De sleutelschakelaar wordt in het
    handschoenenkastje gemonteerd en in
    de dakconsole wordt een controlelamp
    aangebracht.

    De heupgordel moet comfortabel over
    de heupen liggen aan de onderzijde van
    uw zwangere buik. Leg de
    schoudergordel tussen uw borsten,
    boven en aan de zijkant van uw zwangere
    buik.

    Wanneer de controlelamp van de airbag
    tijdens het rijden gaat branden of
    knipperen, duidt dit op een storing. Zie
    Waarschuwings- en
    indicatielampen (bladzijde 84).
    Verwijder het kinderzitje en laat het
    systeem onmiddellijk controleren.

    PASSAGIERSAIRBAG
    UITSCHAKELEN
    WAARSCHUWING

    Airbag aan passagierszijde
    uitschakelen

    Zorg ervoor dat de airbag aan
    passagierszijde is uitgeschakeld
    wanneer u een kinderzitje
    achterwaarts op de passagiersstoel
    voorin plaatst.

    A

    B

    E71312

    A

    Uitgeschakeld

    B

    Ingeschakeld

    Zet de schakelaar in stand A.
    Controleer bij het aanzetten van het
    contact, of de controlelamp airbag aan
    passagierszijde uitgeschakeld gaat
    branden.

    E71313

    Schakelaar voor airbag aan
    passagierszijde monteren

    Airbag aan passagierszijde
    inschakelen

    WAARSCHUWING
    Wanneer u een kinderzitje op een
    stoel moet plaatsen, waarvoor zich
    een operationele airbag bevindt, laat
    dan een schakelaar monteren waarmee
    de airbag aan passagierszijde kan worden
    uitgeschakeld. Raadpleeg uw dealer voor
    meer informatie.

    WAARSCHUWING
    Zorg ervoor dat de airbag aan de
    passagierszijde is ingeschakeld
    wanneer zich geen kinderzitje op
    de passagiersstoel voorin bevindt.
    Zet de schakelaar in stand B.

    36



  • Page 39

    Sleutels en afstandsbediening
    3. Houd de sleutel in stand 0 en druk
    binnen 10 seconden op een
    willekeurige toets van de
    afstandsbediening. Via een signaal of
    LED ontvangt u bevestiging dat het
    programmeren is voltooid.

    ALGEMENE INFORMATIE
    OVER RADIOFREQUENTIES
    LET OP
    De radiofrequentie van de
    afstandsbediening kan ook worden
    gebruikt door andere zenders met
    een klein bereik (bijvoorbeeld
    zendamateurs, medische apparatuur,
    draadloze hoofdtelefoons,
    afstandsbedieningen en alarmsystemen).
    Wanneer de frequenties worden
    gestoord, kunt u geen gebruik meer
    maken van uw afstandsbediening. De
    portieren kunt u met de sleutel
    vergrendelen en ontgrendelen.

    N.B.: Tijdens deze fase kunnen meerdere
    afstandsbedieningen worden
    geprogrammeerd.
    4. Druk binnen 10 seconden op een
    willekeurige toets van iedere extra
    afstandsbediening.

    Ontgrendelfunctie opnieuw
    programmeren
    N.B.: Wanneer u de ontgrendeltoets op
    de afstandsbediening indrukt, worden alle
    portieren ontgrendeld of wordt alleen het
    bestuurdersportier ontgrendeld. Door
    opnieuw op de ontgrendeltoets te
    drukken worden alle portieren
    ontgrendeld.

    Controleer of uw auto vergrendeld is
    voordat u deze onbeheerd
    achterlaat. Hierdoor worden
    eventuele frequentieblokkeringen
    voorkomen.
    N.B.: U kunt de portieren ontgrendelen
    wanneer u de toetsen op de
    afstandsbediening per ongeluk indrukt.

    Houd de ontgrendel- en vergrendeltoets
    op de afstandsbediening minimaal vier
    seconden tegelijkertijd ingedrukt bij
    uitgeschakeld contact. De
    richtingaanwijzers knipperen tweemaal
    om de wijziging te bevestigen.

    Het bereik tussen uw afstandsbediening
    en uw auto is afhankelijk van de
    omgeving.

    Herhaal de procedure om de
    oorspronkelijke ontgrendelfunctie in te
    schakelen.

    PROGRAMMEREN VAN DE
    AFSTANDSBEDIENING

    BATTERIJ VAN
    AFSTANDSBEDIENING
    VERVANGEN

    U kunt maximaal acht
    afstandsbedieningen voor uw auto
    programmeren (inclusief die met uw auto
    werd meegeleverd).

    Zorg dat u oude batterijen op
    milieuvriendelijke wijze
    weggooit. Zoek advies m.b.t. de
    plaatselijke regels m.b.t. recycling.

    Een nieuwe afstandsbediening
    programmeren

    E107998

    1. Steek de sleutel in het contactslot.
    2. Draai de sleutel van stand 0 naar II en
    vervolgens terug naar 0. Doe dit vier
    keer binnen zes seconden.

    37



  • Page 40

    Sleutels en afstandsbediening
    Afstandsbediening met
    inklapbaar sleutelblad

    4. Draai de afstandsbediening om om
    de batterij te verwijderen.
    5. Breng een nieuwe batterij (3V CR
    2032) aan met de + naar boven
    gekeerd.
    6. Vervang het batterijkapje.

    Afstandsbediening zonder
    inklapbaar sleutelblad

    1
    2
    E128809

    2

    1.

    Plaats een schroevendraaier op de
    afgebeelde positie en druk de klem
    voorzichtig in.
    2. Druk de klem naar beneden om het
    batterijkapje te ontgrendelen.

    1

    1

    E87964

    1.

    Houd de drukknoppen in de randen
    ingedrukt om de afdekking te
    ontgrendelen. Verwijder voorzichtig
    de kapje.
    2. Verwijder de sleutelbaard.
    E128810

    3. Verwijder voorzichtig de kapje.

    3

    E105362

    E128811

    38



  • Page 41

    Sleutels en afstandsbediening
    3. Draai de platte schroevendraaier in de
    afgebeelde richting om de twee
    huishelften van de afstandsbediening
    van elkaar te scheiden.

    4

    E119190

    4. Steek de schroevendraaier voorzichtig
    in de afgebeelde positie om de
    afstandsbediening te openen.

    5

    E125860

    LET OP
    Raak de batterijcontacten of de
    printplaat niet met de
    schroevendraaier aan.
    5. Maak de batterij voorzichtig met de
    schroevendraaier los.
    6. Breng een nieuwe batterij (3V CR
    2032) aan met de + naar beneden
    gekeerd.
    7. Zet de twee huishelften van de
    afstandsbediening op elkaar vast.
    8. Breng het sleutelblad aan.

    39



  • Page 42

    Sloten
    N.B.: Als u de auto dubbel vergrendelt
    vanaf de binnenzijde, schakel dan het
    contact in om de portieren in de stand
    voor enkele vergrendeling te zetten.

    VERGRENDELEN EN
    ONTGRENDELEN
    LET OP

    N.B.: De auto kan dubbel worden
    vergrendeld met een geopend
    achterportier. Het portier wordt dubbel
    vergrendeld als deze wordt gesloten.

    Controleer of uw auto vergrendeld is
    voordat u deze onbeheerd
    achterlaat.

    Dubbele vergrendeling is een voorziening
    tegen diefstal die voorkomt dat personen
    de portieren van binnenuit kunnen
    ontgrendelen.

    N.B.: Laat uw sleutels niet in de auto
    liggen.

    Vergrendelen

    Met sleutel dubbel vergrendelen

    Met sleutel vergrendelen

    Draai de sleutel tweemaal binnen drie
    seconden in de vergrendelstand.

    Draai de bovenzijde van de sleutel in de
    richting van de voorzijde van de auto.

    Met afstandsbediening dubbel
    vergrendelen

    Met afstandsbediening
    vergrendelen

    Druk de toets tweemaal binnen
    drie seconden in.

    N.B.: Het bestuurdersportier kan met de
    sleutel worden vergrendeld. Hiervan moet
    gebruik worden gemaakt wanneer de
    afstandsbediening niet werkt.

    Ontgrendelen

    N.B.: De auto kan worden vergrendeld
    met een geopend achterportier. Het
    portier wordt vergrendeld als deze wordt
    gesloten.

    Met sleutel ontgrendelen
    Draai de bovenzijde van de sleutel in de
    richting van de achterzijde van de auto.

    Druk de toets.

    Met afstandsbediening
    ontgrendelen
    N.B.: Het bestuurdersportier kan met de
    sleutel worden ontgrendeld. Hiervan moet
    gebruik worden gemaakt wanneer de
    afstandsbediening niet werkt.

    Dubbel vergrendelen
    WAARSCHUWING
    Schakel de dubbele vergrendeling
    niet in wanneer zich personen of
    dieren in de wagen bevinden. De
    portieren kunnen niet van binnenuit
    worden ontgrendeld indien de dubbele
    vergrendeling is ingeschakeld.

    N.B.: Als de auto meerdere weken
    vergrendeld blijft, wordt de
    afstandsbediening uitgeschakeld. De auto
    moet met de sleutel ontgrendeld en de
    motor met de sleutel gestart worden.
    Door de auto op deze manier te
    ontgrendelen en te starten, wordt de
    afstandsbediening weer ingeschakeld.

    40



  • Page 43

    Sloten
    Kofferdeksel/achterklep

    Druk de toets.

    Achterklep openen met de
    afstandsbediening
    Automatisch opnieuw
    vergrendelen

    Druk de toets tweemaal binnen
    drie seconden in.

    Wanneer u niet binnen 45 seconden na
    het ontgrendelen met de
    afstandsbediening een portier, de
    achterklep of het koffersdeksel opent, of
    het contact inschakelt, dan worden de
    portieren automatisch opnieuw
    vergrendeld. De portieren worden
    vergrendeld en het alarm wordt in de
    voorgaande status geschakeld.

    Kofferdeksel/achterklep sluiten

    Ontgrendelfunctie opnieuw
    programmeren
    De ontgrendelfunctie kan zodanig worden
    geprogrammeerd dat alleen het
    bestuurdersportier wordt ontgrendeld (
    Zie Programmeren van de
    afstandsbediening (bladzijde 37). ).

    E133536

    Bevestiging van vergrendelen
    en ontgrendelen

    Portieren afzonderlijk met de
    sleutel vergrendelen

    N.B.: Als uw auto dubbele vergrendeling
    heeft, knipperen de richtingaanwijzers
    eenmaal nadat u de centrale
    vergrendeling heeft geactiveerd, gevolgd
    door nog tweemaal knipperen na dubbel
    vergrendelen.

    N.B.: Als de centrale vergrendeling niet
    werkt, dan kunnen de portieren
    afzonderlijk met de sleutel in de
    afgebeelde positie worden vergrendeld.

    Wanneer u de portieren vergrendelt,
    knipperen de richtingaanwijzers eenmaal.
    Wanneer u de portieren dubbel
    vergrendelt, knipperen de
    richtingaanwijzers driemaal.
    Wanneer u de portieren ontgrendelt,
    knipperen de richtingaanwijzers eenmaal.

    De portieren van binnenuit
    vergrendelen en ontgrendelen
    Druk de toets. Voor locatie: Zie
    Kort overzicht (bladzijde 10).
    E102566

    41



  • Page 44

    Sloten
    SLEUTELLOZE TOEGANG
    Algemene informatie
    WAARSCHUWING
    De sleutelloze toegang werkt
    misschien niet wanneer de sleutel
    zich dicht bij metalen voorwerpen
    of elektronische apparaten, zoals mobiele
    telefoons, bevindt.
    Het passive entry systeem werkt niet
    indien:
    • De accu van de auto leeg is.
    • De frequenties van de passieve sleutel
    worden verstoord.
    • De batterij in de passieve sleutel leeg
    is.

    E112203

    Linkerzijde

    N.B.: Wanneer het passive entry systeem
    niet werkt, moet u voor het vergrendelen
    en ontgrendelen van uw auto de
    sleutelbaard gebruiken.

    Draai rechtsom om te vergrendelen.
    Rechterzijde
    Draai linksom om te vergrendelen.

    De sleutelloze toegang maakt het gebruik
    van een sleutel of afstandsbediening
    overbodig.

    Ontgrendelen
    N.B.: Als de kindersloten ook geactiveerd
    zijn, wordt door het omhoog trekken van
    de interne pal alleen de
    noodvergrendeling gedeactiveerd en niet
    de kindersloten. De portieren kunnen
    alleen worden geopend door vanaf de
    buitenzijde de portierkruk uit te trekken.
    N.B.: Als de portieren met deze methode
    ontgrendeld zijn, dan moeten de portieren
    afzonderlijk vergrendeld worden tot de
    centrale vergrendeling is gerepareed.

    E78276

    Ontgrendel het bestuurdersportier met
    de sleutel. De overige portieren kunnen
    afzonderlijk worden ontgrendeld door
    vanuit het interieur de portierkruk van het
    betreffende portier uit te trekken.

    42



  • Page 45

    Sloten
    Voor het passief vergrendelen en
    ontgrendelen is een geldige passieve
    sleutel nodig die zich in de omgeving van
    een van de drie externe detectiezones
    bevindt. Deze zones bevinden zich op
    ongeveer anderhalve meter afstand van
    de portierhandgrepen aan bestuurdersen passagierszijde en het kofferdeksel/de
    achterklep.

    Activeren van centraal
    vergrendelingssysteem en alarminstallatie:
    • Raak eenmaal een vergrendelsensor
    van de voorportierhandgreep aan.
    Activeren van dubbele vergrendeling en
    alarminstallatie:
    • Raak een vergrendelsensor van de
    voorportierhandgreep tweemaal
    binnen drie seconden aan.

    Passieve sleutel

    N.B.: Er moet even worden gewacht
    tussen iedere aanraking van de
    portierhandgreep.

    De auto kan met de passieve sleutel
    worden ontgrendeld en vergrendeld. De
    passieve sleutel kan tevens als
    afstandsbediening worden gebruikt. Zie
    Vergrendelen en ontgrendelen
    (bladzijde 40).

    N.B.: Eenmaal geactiveerd, blijft de auto
    gedurende drie seconden vergrendeld.
    Na de vertragingsperiode kunnen de
    portieren weer worden ontgrendeld, op
    voorwaarde dat de passieve sleutel zich
    binnen het detectiegebied bevindt.

    Auto vergrendelen
    WAARSCHUWING

    Twee korte knippersignalen van de
    richtingaanwijzers geeft aan dat alle
    portieren en het kofferdeksel/de
    achterklep zijn vergrendeld en dat de
    alarminstallatie is ingeschakeld.

    De auto wordt niet automatisch
    vergrendeld. Als de
    vergrendelfunctie niet is
    geactiveerd, blijft de auto ontgrendeld.

    Kofferdeksel/achterklep

    N.B.: Kom niet aan de portierhandgreep.

    N.B.: Als de passieve sleutel zich bij
    gesloten portieren in de auto bevindt, kan
    het kofferdeksel/de achterklep niet
    worden gesloten en komt deze weer
    omhoog.
    N.B.: Indien zich een tweede geldige
    passieve sleutel binnen het
    detectiegebied van de achterzijde
    bevindt, kan het kofferdeksel/de
    achterklep niet worden afgesloten.

    E87384

    Raak een vergrendelsensor van de
    voorportierhandgreep aan om de auto te
    vergrendelen.

    43



  • Page 46

    Sloten
    Auto ontgrendelen

    Een lang lichtsignaal van de
    richtingaanwijzers geeft aan dat alle
    portieren en het kofferdeksel/de
    achterklep zijn ontgrendeld en dat de
    alarminstallatie is uitgeschakeld.

    N.B.: Indien de auto langer dan drie
    dagen niet wordt ontgrendeld, schakelt
    de sleutelloze toegang over op een
    energiebesparende modus. Hierdoor
    wordt voorkomen dat de accu leegraakt.
    Wanneer de auto in deze modus wordt
    ontgrendeld kan de reactietijd enigszins
    langer zijn dan normaal. Nadat de auto na
    eenmaal is ontgrendeld, wordt de
    energiebesparende modus
    uitgeschakeld.

    Alleen bestuurdersportier
    ontgrendelen
    Indien de ontgrendelfunctie opnieuw is
    geprogrammeerd zodat alleen het
    bestuurdersportier en het kofferdeksel/de
    achterklep worden ontgrendeld ( Zie
    Programmeren van de
    afstandsbediening (bladzijde 37). ), let
    dan op het volgende:

    N.B.: Als de auto meerdere weken
    vergrendeld blijft, wordt het sleutelloze
    systeem uitgeschakeld. De auto moet
    worden ontgrendel met behulp van de
    sleutelbaard. Door de auto eenmaal te
    ontgrendelen, wordt het sleutelloze
    systeem ingeschakeld.

    Als het bestuurdersportier als eerste
    wordt geopend blijven de andere
    portieren vergrendeld. Alle andere
    portieren kunnen vanuit het interieur
    worden ontgrendeld door de
    ontgrendeltoets op het
    instrumentenpaneel in te drukken. Voor
    locatie: Zie Kort overzicht (bladzijde
    10). De portieren kunnen afzonderlijk
    worden ontgrendeld door vanuit het
    interieur de portierhandgreep van het
    betreffende portier uit te trekken.

    N.B.: Raak de vergrendelsensor van de
    voorportierhandgreep niet aan bij het
    openen van een portier.

    Uitgeschakelde sleutels
    In de auto achtergebleven sleutels
    worden uitgeschakeld bij het
    vergrendelen van de auto.
    Een uitgeschakelde sleutel kan niet meer
    worden gebruikt voor het aanzetten van
    het contact of het starten van de motor.

    Open een willekeurig portier.

    Om deze passieve sleutels opnieuw te
    kunnen gebruiken moeten ze opnieuw
    worden geactiveerd.

    N.B.: De passieve sleutel moet zich
    binnen het detectiegebied van dat portier
    bevinden.

    Ontgrendel de auto met behulp van een
    passieve sleutel of de afstandsbediening
    om al uw passieve sleutel te activeren.

    E78278

    Bij het aanzetten van het contact of
    wanneer de motor met een geldige
    sleutel wordt gestart worden alle passieve
    sleutels worden geactiveerd.

    44



  • Page 47

    Sloten
    Portieren met de sleutelbaard
    vergrendelen en ontgrendelen

    Comfortontgrendeling

    2
    1

    E87964

    E71955

    1

    Druk, om alle ruiten te openen, op de
    ontgrendeltoets van de
    afstandsbediening en houd deze
    minstens drie seconden ingedrukt. Druk
    op de vergrendel- of ontgrendeltoets om
    de openingsfunctie te stoppen.

    1. Verwijder voorzichtig de kapje.
    2. Verwijder de sleutelbaard en steek
    hem in het slot.
    N.B.: Alleen de handgreep van het
    bestuurdersportier is uitgerust met een
    slotcilinder.

    Comfortvergrendeling
    Uitvoeringen zonder sleutelloze
    toegang

    CENTRALE
    VERGRENDELING

    WAARSCHUWING

    U kunt ook bij afgezet contact de
    elektrisch bedienbare ruiten bedienen met
    behulp van de functie integraal openen
    en sluiten.

    Let altijd op bij het integraal sluiten.
    Druk in een noodgeval onmiddellijk
    op de vergrendel- of
    ontgrendeltoets om te stoppen.

    N.B.: Het integraal sluiten werkt alleen
    als het geheugen voor elke ruit
    afzonderlijk correct is ingesteld. Zie
    Elektrisch bedienbare ruiten
    (bladzijde 75).

    45



  • Page 48

    Sloten
    N.B.: Het integraal sluiten kan worden
    geactiveerd met behulp van de
    bestuurdersportierhandgreep. Integraal
    openen en sluiten kan ook worden
    geactiveerd met de toetsen op de
    passieve sleutel.
    Houd om alle ruiten te sluiten de
    bestuurdersportierhandgreep minstens
    twee seconden ingedrukt. Tijdens het
    integraal sluiten is de antiklemfunctie
    geactiveerd.

    E71956

    Druk, om alle ruiten te sluiten, op de
    vergrendeltoets van de
    afstandsbediening en houd deze
    minstens drie seconden ingedrukt. Druk
    op de vergrendel- of ontgrendeltoets om
    de sluitfunctie te stoppen. Tijdens het
    integraal sluiten is de antiklemfunctie
    geactiveerd.
    Uitvoeringen met sleutelloze
    toegang

    E87384

    WAARSCHUWING
    Let altijd op bij het integraal sluiten.
    Raak in een noodgeval de
    vergrendelsensor van een
    portierhandgreep aan om te stoppen.

    46



  • Page 49

    Motorstartblokkering
    WERKING
    Het immobilisatiesysteem is een
    diefstalbeveiligingssysteem dat voorkomt
    dat iemand de motor van uw auto met
    een onjuist gecodeerde sleutel kan
    starten.

    GECODEERDE SLEUTELS
    N.B.: Dek uw sleutels niet met metalen
    voorwerpen af. Hierdoor kan de
    ontvanger uw sleutel niet herkennen als
    geldige sleutel.
    N.B.: Wanneer u een sleutel bent
    verloren, laat dan de code bij al uw
    overige sleutels wissen. Raadpleeg uw
    dealer voor meer informatie. Laat de
    vervangingssleutels samen met uw
    overige sleutels opnieuw coderen.
    Wanneer u een sleutel verliest, kunt u bij
    uw Ford dealer een vervangingssleutel
    verkrijgen. Geef, indien mogelijk, uw
    dealer het sleutelnummer door, dat op
    het plaatje staat dat met de originele
    sleutels is geleverd. U kunt ook extra
    sleutels bij uw Ford dealer verkrijgen.

    IMMOBILISATIESYSTEEM
    INSCHAKELEN
    Korte tijd nadat u het contact hebt afgezet
    wordt het immobilisatiesysteem
    automatisch ingeschakeld.

    IMMOBILISATIESYSTEEM
    UITSCHAKELEN
    Het immobilisatiesysteem wordt
    automatisch uitgeschakeld bij het met een
    correct gecodeerde sleutel aanzetten van
    het contact.

    47



  • Page 50

    Alarm
    Sirene met afzonderlijke accu

    WERKING

    De sirene met afzonderlijke accu is een
    extra alarmsysteem dat de sirene
    inschakelt wanneer het alarm wordt
    geactiveerd. Deze wordt direct
    ingeschakeld bij het afsluiten van de
    wagen. De sirene heeft zijn eigen accu en
    wordt ingeschakeld zodra iemand de
    accukabels of de accu van de sirene zelf
    loskoppelt.

    Alarmsysteem
    Uw wagen kan zijn uitgerust met één van
    de volgende alarminstallaties:




    Perimeter alarminstallatie.
    Perimeter alarminstallatie met
    interieursensoren.
    Categorie 1 alarm met
    interieursensoren en sirene met
    afzonderlijke accu.

    Alarm activeren
    Wanneer het alarm is ingeschakeld, kan
    het op een van de volgende manieren
    worden geactiveerd:

    Perimeter alarminstallatie
    Het perimeter alarm is een afschrikmiddel
    voor personen die ongeoorloofd de
    portieren en de motorkap proberen te
    openen. Het beveiligt ook de
    audio-installatie.





    Interieursensoren






    Wanneer iemand een portier, de
    achterklep of de motorkap opent
    zonder geldige sleutel of
    afstandsbediening.
    Wanneer iemand de audio-installatie
    of het navigatiesysteem verwijdert.
    Wanneer het contactslot zonder
    geldige sleutel in stand I, II of III wordt
    gezet.
    Wanneer de interieursensoren
    bewegingen in de wagen registreren.
    Bij wagens met een sirene met
    afzonderlijke accu, wanneer iemand
    de accukabels of de accu van de
    sirene zelf loskoppelt.

    Wanneer het alarm is geactiveerd, klinkt
    het alarmsignaal gedurende 30 seconden
    en knipperen de
    waarschuwingsknipperlichten vijf minuten.

    E129005

    WAARSCHUWING
    De sensoren in de
    interieurverlichting mogen niet
    worden afgedekt. Schakel het alarm
    niet in indien zich personen, dieren of
    andere bewegende voorwerpen in de
    auto bevinden.

    Iedere verdere poging om een van
    bovenstaande handelingen uit te voeren
    activeert het alarm opnieuw.

    Volledige en gereduceerde
    beveiliging

    Dit sensoren zijn een afschrikmiddel voor
    indringers door elke beweging in de auto
    met behulp van sensoren te registreren.

    Volledige beveiliging
    Volledige beveiliging is de standaard
    instelling.

    48



  • Page 51

    Alarm
    Volledige of gereduceerde
    beveiliging selecteren

    Bij volledige beveiliging worden de
    interieursensoren geactiveerd bij het
    inschakelen van het alarm.

    N.B.: Door Reduced te selecteren
    wordt de alarminstallatie niet permanent
    in de gereduceerde beveiligingsmodus
    gezet. De installatie wordt slechts één
    contactcyclus in de gereduceerde modus
    geschakeld. Wanneer u regelmatig de
    alarminstallatie in de gereduceerde
    beveiligingsmodus zet, selecteer dan Ask
    on Exit.

    N.B.: Dit kan resulteren in een vals alarm
    wanneer dieren of bewegende
    voorwerpen in de auto aanwezig zijn.
    N.B.: Een valse alarm kan ook worden
    geactiveerd door de hulpverwarming Zie
    Extra verwarming (bladzijde 116). Als
    u de hulpverwarming gebruikt, leid de
    luchtstroom dan naar de beenruimte.

    U kunt volledige of gereduceerde
    beveiliging selecteren m.b.v. het
    informatie-display. Zie Algemene
    informatie (bladzijde 88).

    Gereduceerde beveiliging
    Bij verminderde beveiliging worden de
    interieursensoren gedeactiveerd bij het
    inschakelen van het alarm.

    Informatiemededelingen

    N.B.: U kunt de gereduceerde beveiliging
    slechts gedurende één contactcyclus
    inschakelen. De volgende keer dat u het
    contact aanzet, zal het alarm worden
    teruggesteld naar volledige beveiliging.

    Zie Infoberichten (bladzijde 96).

    ALARM INSCHAKELEN

    Vragen bij het verlaten van de
    wagen

    Alarminstallatie inschakelen, wagen
    vergrendelen. Zie Sloten (bladzijde 40).

    U kunt de informatiedisplay zodanig
    instellen, dat telkens wordt gevraagd welk
    beveiligingsniveau u wilt instellen.

    ALARM UITSCHAKELEN
    Uitvoeringen zonder keyless
    entry systeem

    Wanneer u Ask on Exit selecteert,
    verschijnt telkens wanneer u het contact
    afzet het bericht Reduced guard? op
    de display in de instrumentengroep.

    Perimeter alarminstallatie
    Schakel de alarminstallatie en het
    alarmsignaal uit door de portieren met de
    sleutel te ontgrendelen, zet het contact
    met een correct gecodeerde sleutel aan
    of ontgrendel de portieren of de
    achterklep met de afstandsbediening.

    Wanneer u de gereduceerde beveiliging
    wilt instellen, drukt u op de OK toets
    wanneer dit bericht verschijnt.
    Wanneer u de volledige beveiliging wilt
    instellen, verlaat dan de auto zonder op
    de OK te drukken.

    49



  • Page 52

    Alarm
    Categorie 1 alarm
    Schakel de alarminstallatie en het
    alarmsignaal uit door de portieren met de
    sleutel te ontgrendelen, zet het contact
    met een correct gecodeerde sleutel
    binnen 12 seconden aan of ontgrendel de
    portieren of de achterklep met de
    afstandsbediening.

    Uitvoeringen met keyless entry
    systeem
    N.B.: Voor keyless entry moet zich
    binnen het detectiegebied van dat portier
    een geldige passive key bevinden. Zie
    Sleutelloze toegang (bladzijde 42).
    Perimeter alarminstallatie
    Schakel de alarminstallatie en het
    alarmsignaal uit door de portieren te
    ontgrendelen en zet het contact aan, of
    ontgrendel de portieren of de achterklep
    met de afstandsbediening.
    Categorie 1 alarm
    Schakel de alarminstallatie en het
    alarmsignaal uit door de portieren te
    ontgrendelen en zet het contact binnen
    12 seconden aan, of ontgrendel de
    portieren of de achterklep met de
    afstandsbediening.

    50



  • Page 53

    Stuurwiel
    STUURWIEL AFSTELLEN

    AUDIOBEDIENING
    Selecteer de gewenste bron op de
    audio-unit.

    WAARSCHUWING
    Verstel nooit het stuurwiel als de
    auto in beweging is.

    De volgende functies kunnen met de
    afstandsbediening worden bediend:

    N.B.: Controleer of u in de juiste positie
    zit. Zie De juiste zitpositie innemen
    (bladzijde 121).

    Type 1

    A
    E

    2
    2

    B

    D

    1

    C

    E129462

    E95178

    3
    E95179

    WAARSCHUWING
    Duw de ontgrendelingshendel
    helemaal op zijn plaats wanneer u
    deze weer in de oude stand zet.

    51

    A

    Volume hoger

    B

    Opwaarts zoeken of volgende

    C

    Volume lager

    D

    Neerwaarts zoeken of vorige

    E

    Modus



  • Page 54

    Stuurwiel
    Type 2

    SPRAAKSTURING

    A
    D
    C

    B
    E129463
    E129464

    A

    Volume hoger

    B

    Opwaarts zoeken of volgende

    C

    Volume lager

    D

    Neerwaarts zoeken of vorige

    Trek aan de toets om de spraakbesturing
    in of uit te schakelen. Zie
    Spraaksturing (bladzijde 273).

    Modus
    Druk de modus toets in om de audiobron
    te kiezen.
    Zoeken, volgende of vorige
    Druk de seek toets in om:
    • op het volgende of vorige radiostation
    af te stemmen
    • het volgende of vorige nummer af te
    spelen
    Druk de seek toets in en houd deze
    ingedrukt om:
    • af te stemmen op het volgende
    radiostation op een hogere of lagere
    frequentie
    • door een nummer te zoeken

    52



  • Page 55

    Ruitenwissers en ruitensproeiers
    Automatisch
    ruitenwissersysteem

    VOORRUITWISSERS
    D

    Sommige uitvoeringen zonder een
    automatisch ruitenwissersysteem zijn
    uitgerust met een snelheidsafhankelijk
    ruitenwissersysteem voor de voorruit.

    C

    B

    Wanneer de auto tot loopsnelheid of tot
    stilstand wordt gebracht, wordt de
    ruitenwissersnelheid automatisch naar de
    volgende lagere snelheid teruggebracht.
    Wanneer de auto in snelheid toeneemt,
    keert de ruitenwissersnelheid terug naar
    de met de hand gekozen instelling.

    A

    Wanneer de ruitenwisserhendel wordt
    bediend terwijl het systeem is
    ingeschakel, wordt het systeem
    uitgeschakeld.

    E128444

    A

    Enkele wisslag

    B

    Wissen met intervallen of
    automatisch wissen

    C

    Normale wissnelheid

    D

    Wissen met hoge snelheid

    Indien de auto opnieuw in snelheid
    mindert of tot stilstand wordt gebracht,
    wordt het systeem opnieuw geactiveerd.

    AUTOMATISCH IN- EN
    UITSCHAKELENDE
    RUITENWISSERS

    Intervalwissen

    A

    B
    LET OP
    Schakel de automatische wisfunctie
    niet bij droog weer in. De
    regensensor is bijzonder gevoelig en
    de ruitenwissers kunnen in werking treden
    indien de voorruit met vuil, mist of vliegen
    in aanraking komt.

    C

    Vervang de ruitenwisserbladen zodra
    deze strepen water en vuil op de
    voorruit achterlaten. Als de
    ruitenwisserbladen niet worden
    vervangen, blijft de regensensor continu
    water op de voorruit waarnemen. Dit
    heeft tot gevolg dat de ruitenwissers in
    werking treden terwijl het grootste deel
    van de voorruit droog is.

    E128445

    A

    Wissen met korte intervallen

    B

    Intervalwissen

    C

    Wissen met lange intervallen

    De intervalwerking kan met de
    draaischakelaar worden ingesteld.

    53



  • Page 56

    Ruitenwissers en ruitensproeiers
    Stel de gevoeligheid van de regensensor
    met de draaiknop in. Bij een lage
    gevoeligheid zullen de ruitenwissers in
    werking treden wanneer de sensor een
    grote hoeveelheid water op de voorruit
    registreert. Bij een hoge gevoeligheid
    zullen de ruitenwissers in werking treden
    wanneer de sensor een kleine
    hoeveelheid water op de voorruit
    registreert.

    LET OP
    Zorg bij vorst dat de voorruit volledig
    is ontdooit voordat u de
    automatische wisfunctie selecteert.
    Schakel de automatische wisfunctie
    uit voordat u een wasstraat
    binnenrijdt.
    N.B.: Als de automatische verlichting is
    ingeschakeld in combinatie met de
    automatische wisfunctie, dan wordt het
    dimlicht automatisch ingeschakeld
    wanneer de regensensor de continue
    wisfunctie van de ruitenwissers activeert.

    A

    VOORRUITSPROEIERS

    B

    C

    E129188

    WAARSCHUWING

    E128445

    A

    Hoge gevoeligheid

    B

    Aan

    C

    Lage gevoeligheid

    Schakel de ruitensproeiers niet
    langer dan tien seconden achtereen
    in; schakel de ruitensproeiers nooit
    in als het reservoir leeg is.
    Wanneer de hendel naar het stuurwiel
    wordt getrokken treden zowel de sproeier
    als de ruitenwissers in werking.

    Wanneer u de automatische wisfunctie
    inschakelt, maken de ruitenwissers pas
    een wisbeweging nadat water op de
    voorruit is geregistreerd. De regensensor
    meet daarna continu de hoeveelheid
    water op de voorruit en zal de snelheid
    van de ruitenwissers automatisch
    instellen.

    Na het loslaten van de hendel blijven de
    ruitenwissers nog kortstondig in werking.

    54



  • Page 57

    Ruitenwissers en ruitensproeiers
    Ruitensproeier, achter

    ACHTERRUITWISSERS EN SPROEIERS
    Intervalwissen

    E129194

    WAARSCHUWING
    Schakel de ruitensproeiers niet
    langer dan tien seconden achtereen
    in; schakel de ruitensproeiers nooit
    in als het reservoir leeg is.

    A B

    Wanneer de hendel van het stuurwiel
    wordt geduwd, treden zowel de sproeier
    als de ruitenwissers in werking.
    Na het loslaten van de hendel blijven de
    ruitenwissers nog kortstondig in werking.

    E129193

    A

    Intervalwissen

    B

    Wissen met lage snelheid

    KOPLAMPSPROEIERS
    Bij ingeschakelde koplampen werken de
    koplampsproeiers in combinatie met de
    voorruitsproeiers.

    Druk op de toets op het uiteinde van de
    hendel om te navigeren tussen
    uitschakelen, intervalwissen en wissen
    met lage snelheid.

    N.B.: Om ervoor te zorgen de het
    ruitensproeierreservoir te snel leegraakt,
    werken de koplampsproeiers niet telkens
    wanneer de voorruitsproeiers in werking
    worden gesteld.

    Wissen tijdens achteruitrijden
    De achterruitwisser wordt automatisch
    geactiveerd als de achteruitversnelling
    wordt ingeschakeld, mits de
    achterruitwisser niet reeds is ingeschakeld
    en de voorruitwisser werkt.

    55



  • Page 58

    Ruitenwissers en ruitensproeiers
    Onderhoudsstand

    RUITENWISSERBLADEN
    CONTROLEREN

    E75184

    E66644

    Controleer met uw vingertoppen de
    rubber randen van de ruitenwisserbladen
    op oneffenheden.

    A

    E129986

    Reinig de ruitenwisserbladen met een in
    water gedrenkte, zachte spons.

    Zet het contact af en zet binnen drie
    seconden de ruitenwisserhendel in de
    stand A. Laat de hendel los wanneer de
    ruitenwissers in de onderhoudsstand
    staan.

    RUITENWISSERBLADEN
    VERVANGEN

    Ruitenwisserbladen vervangen

    Voorruitwisserbladen

    Zet de ruitenwissers in de
    onderhoudsstand en trek de wisserarmen
    omhoog.

    LET OP
    Zet om de ruitenwisserbladen te
    vervangen de voorruitwissers in de
    onderhoudsstand.

    2

    U kunt de onderhoudsstand in de
    winter gebruiken om de
    ruitenwisserbladen eenvoudiger te
    kunnen bereiken om deze vrij te maken
    van sneeuw en ijs. De voorruitwissers
    keren in hun normale stand terug zodra
    u het contact inschakelt, u moet er dus
    voor zorgen dat de buitenzijde van de
    voorruit geheel vrij is van sneeuw en ijs
    voordat u het contact inschakelt.

    1
    E72899
    Breng de eerder verwijderde onderdelen
    in omgekeerde volgorde aan.

    56



  • Page 59

    Ruitenwissers en ruitensproeiers
    N.B.: Zorg ervoor dat het
    ruitenwisserblad goed op zijn plaats komt
    te zitten.

    Achterruitwisserblad
    1.

    Til de ruitenwisserarm op.

    3
    4

    2
    E86456

    2. Draai het ruitenwisserblad onder een
    rechte hoek op de ruitenwisserarm.
    3. Maak het ruitenwisserblad los van de
    wisserarm.
    4. Verwijder het ruitenwisserblad.
    N.B.: Zorg ervoor dat het
    ruitenwisserblad goed op zijn plaats komt
    te zitten.
    5. Breng de eerder verwijderde
    onderdelen in omgekeerde volgorde
    aan.

    57



  • Page 60

    Verlichting
    Een zijde

    VERLICHTINGSBEDIENING

    A

    Standen van de lichtschakelaar

    A

    B

    C

    B
    E130139

    E132706

    A

    Off (uit)

    B

    Stads- en achterlichten

    C

    Koplampen

    A

    Rechterzijde

    B

    Linkerzijde

    Grootlicht en dimlicht

    Parkeerlichten
    LET OP
    Door langdurig gebruik van de
    parkeerlichten wordt de accu
    ontladen.
    Schakel het contact uit.

    E130140

    Beide zijden

    Druk de hendel naar voren om te
    schakelen tussen grootlicht en dimlicht.

    Zet de lichtschakelaar in stand B.

    Lichtsignaal
    Trek de schakelaarhendel naar het
    stuurwiel toe.

    58



  • Page 61

    Verlichting
    Home safe verlichting
    Schakel de verlichting uit en trek de
    richtingaanwijzer naar het stuurwiel toe
    om de koplampen in te schakelen. Er
    klinkt kort een signaal. Bij een geopende
    deur gaan de koplampen automatisch na
    drie minuten uit, of 30 seconden nadat
    de laatste deur is gesloten.
    De home safe functie kan worden
    uitgeschakeld door hetzij de
    richtingaanwijzerhendel opnieuw naar het
    stuurwiel te trekken of door het contact
    AAN te zetten.
    E132707

    Afhankelijk van de lichtsituatie worden de
    koplampen automatisch in- en
    uitgeschakeld.

    AUTOMATISCH IN- EN
    UITSCHAKELENDE
    VERLICHTING

    De koplampen blijven branden gedurende
    een bepaalde periode nadat het contact
    is afgezet. De tijdvertraging kan worden
    afgesteld met behulp van de
    informatiedisplay. Zie Infodisplays
    (bladzijde 88).

    WAARSCHUWING
    Onder slechte
    weersomstandigheden kan het
    nodig zijn uw koplampen handmatig
    in te schakelen.

    AUTOMATISCHE
    GROOTLICHTREGELING

    N.B.: Wanneer u de automatisch
    in-/uitschakelende verlichting hebt
    ingeschakeld, kunt u alleen het groot licht
    inschakelen wanneer de functie de
    koplampen heeft ingeschakeld.

    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn. Een
    handmatige deactivering kan nodig zijn
    indien het systeem het grootlicht niet inof uitschakelt.

    N.B.: Als de automatische verlichting is
    ingeschakeld in combinatie met de
    automatische wisfunctie, dan wordt het
    dimlicht automatisch ingeschakeld
    wanneer de regensensor de continue
    wisfunctie van de ruitenwissers activeert.

    Een handmatige deactivering kan
    nodig zijn bij het naderen van andere
    weggebruikers, zoals fietsers.
    Gebruik het systeem niet in de mist.

    59



  • Page 62

    Verlichting
    Een camerasensor is centraal achter de
    voorruit van de auto gemonteerd en
    controleert continu de omstandigheden
    om te beslissen wanneer het grootlicht
    moet worden uit- en ingeschakeld.

    LET OP
    Onder koude en barre
    weersomstandigheden is het
    mogelijk dat het systeem niet werkt.
    In dergelijke gevallen kan handmatige
    deactivering nodig zijn.

    Zodra het systeem actief is, wordt het
    grootlicht ingeschakeld indien:
    • het voldoende donker is om het
    gebruik van grootlicht nodig te maken
    en
    • er geen verkeer of straatverlichting
    vóór het voertuig is en
    • de rijsnelheid hoger is dan 40 km/u.

    Reflecterende verkeersborden
    kunnen als tegemoetkomend
    verkeer worden herkend en de
    koplampen kunnen dan in de dimstand
    worden geschakeld.
    Indien de lampen van
    tegemoetkomende voertuigen
    achter obstakels verborgen zijn
    (bijvoorbeeld vangrails), is het mogelijk dat
    het systeem het grootlicht niet
    deactiveert.

    Het grootlicht wordt uitgeschakeld indien:
    • Het omgevingslicht voldoende is om
    grootlicht overbodig te maken.
    • De koplampen van een
    tegemoetkomend voertuig worden
    ontdekt.
    • Straatverlichting wordt ontdekt.
    • De rijsnelheid minder wordt dan 25
    km/u.
    • De camerasensor te heet is of
    versperd is.

    Breng altijd Originele Ford
    Onderdelen aan wanneer
    gloeilampen voor de koplampen
    worden vervangen. Andere gloeilampen
    kunnen de prestaties van het systeem
    verminderen.
    Controleer en vervang
    ruitenwisserbladen regelmatig om
    ervoor te zorgen dat de
    camerasensor vrij zicht door de voorruit
    heeft. Vervangende ruitenwisserbladen
    moeten de juiste lengte hebben.

    Het systeem activeren
    Schakel het systeem in m.b.v. de
    informatiedisplay en de automatisch
    inschakelende koplampen. Zie
    Infodisplays (bladzijde 88). Zie
    Automatisch in- en uitschakelende
    verlichting (bladzijde 59).

    N.B.: Houd de voorruit vrij van
    belemmeringen zoals uitwerpselen van
    vogels, insecten en sneeuw of ijs.
    Het systeem schakelt automatisch
    grootlicht in indien het voldoende donker
    is en er geen ander verkeer is. Indien het
    system de koplampen of achterlichten
    van een naderend voertuig waarneemt,
    of de straatverlichting vóór de auto,
    schakelt het systeem het grootlicht uit
    voordat het andere weggebruikers kan
    verblinden. Dimlicht blijft ingeschakeld.

    60



  • Page 63

    Verlichting
    Het systeem handmatig
    onderbreken

    E133632

    E132707

    Zet de schakelaar in de stand van de
    automatisch inschakelende koplampen.

    Druk tegen of trek aan de hendel om te
    wisselen tussen groot- en dimlicht.

    N.B.: Het systeem kan enige tijd nodig
    hebben om te initialiseren na eerst het
    contact in te scahekelen, met name in
    zeer donkere omstandigheden. Het
    grootlicht wordt gedurende deze periode
    niet automatisch ingeschakeld.

    N.B.: Dit is een tijdelijke onderbreking en
    het systeem keert na een korte periode
    naar automatische werking terug.
    Om het systeem permanent te
    deactiveren, gebruikt u de
    informatiedisplaymenu of schakelt u de
    lichtschakelaar van automatisch
    inschakelende koplampen naar
    koplampen.

    De gevoeligheid van het
    systeem instellen.
    Het systeem heeft drie
    gevoeligheidsniveaus die toegankelijk zijn
    via de informatiedisplay. Zie
    Infodisplays (bladzijde 88).

    VOORSTE MISTLAMPEN
    WAARSCHUWING

    De gevoeligheid bepaalt de snelheid
    waarmee het grootlicht wordt hersteld
    nadat ontdekt verkeer het zichtveld heeft
    verlaten.

    Gebruik de mistlampen alleen
    wanneer het zicht ernstig wordt
    belemmerd door mist, sneeuw of
    regen.

    61



  • Page 64

    Verlichting
    KOPLAMPHOOGTE
    AFSTELLEN
    N.B.: Uitvoeringen met Xenon
    koplampen zijn uitgerust met
    automatische hoogteregeling van de
    koplamplichtbundels.
    1.

    Druk om de knop omhoog te
    brengen.

    E132709

    2
    MISTACHTERLICHTEN

    2

    WAARSCHUWINGEN
    Gebruik de mistachterlichten alleen
    wanneer het zicht minder dan 50
    meter bedraagt.

    1

    Schakel de mistachterlichten niet in
    bij regen of sneeuwval en wanneer
    het zicht meer dan 50 meter
    bedraagt.

    E132711

    2. Draai de knop naar de gewenste
    instelling.
    3. Druk de knop weer naar binnen.
    U kunt de hoogte van de
    koplamplichtbundels aanpassen aan de
    belading van de auto.

    E132710

    62



  • Page 65

    Verlichting
    Aanbevolen regelknopstanden
    Belading

    1

    Lading in bagagecompartiment

    Stand regelknop

    -

    -

    0

    2

    3

    -

    1

    2

    3

    Max

    1

    -

    Max

    Voorstoelen

    Zitplaatsen,
    tweede zitrij

    1-2

    1

    2

    1

    3

    Zie Voertuigidentificatie (bladzijde 241).

    RICHTINGAANWIJZERS

    WAARSCHUWINGSKNIPPERLICHTEN

    E71943

    Voor locatie: Zie Kort overzicht
    (bladzijde 10).

    E130141

    N.B.: Beweeg de
    richtingaanwijzerschakelaar kort omhoog
    of omlaag om de richtingaanwijzers
    driemaal te laten knipperen.

    63



  • Page 66

    Verlichting
    ZIJRICHTINGAANWIJZERS

    A

    A

    B

    B

    E72898
    A

    Lichtbundel van koplamp

    B

    Lichtbundel van bochtverlichting

    Bij het nemen van een bocht verlicht de
    bochtverlichting de binnenzijde van de
    bocht.

    64



  • Page 67

    Verlichting
    Sfeerverlichting

    INTERIEURVERLICHTING

    Wanneer u het contact afzet, gaan de
    sfeerverlichtingslampen korte tijd later
    automatisch uit om te voorkomen dat de
    accu leegraakt.

    LED-interieurverlichting
    LED-lamp bestuurderszijde

    Wanneer het donker is, zijn de
    sfeerverlichtingslampen actief als het
    contact en de koplampen ingeschakeld
    zijn.

    A

    Type 1

    B

    Verlicht het interieur met één kleur. De
    sfeerverlichting kan worden in- en
    uitgeschakeld m.b.v. het menu in het
    informatiedisplay. Zie Algemene
    informatie (bladzijde 88).

    A

    Aan/uit-schakelaar afzonderlijke
    lamp

    Gebruik de dimschakelaars van de
    instrumentenverlichting om de gewenste
    helderheid af te stellen. Zie Dimmer
    instrumentenpaneelverlichting
    (bladzijde 127).

    B

    Aan/uit-schakelaar alle lampen

    Type 2

    E124991

    U kunt alle lampen bedienen m.b.v.
    schakelaar B.
    N.B.: Lampen kunnen afzonderlijk van
    elkaar worden ingeschakeld, maar niet
    afzonderlijk worden uitgeschakeld als de
    bestuurder alle lampen heeft
    ingeschakeld.
    De lampen gaan branden wanneer u een
    portier of de achterklep ontgrendelt of
    opent. Wanneer u het contact afzet, gaan
    alle lampen korte tijd later automatisch uit
    om te voorkomen dat de accu leegraakt.
    Zet het contact korte tijd aan om de
    verlichting weer in te schakelen.

    E133092

    Verlicht het interieur met een keuze uit
    diverse kleuren. De bedieningsschakelaar
    van de sfeerverlichting bevindt zich in de
    dakconsole.

    Als u schakelaar B 3 seconden ingedrukt
    houdt, blijven alle lampen uitgeschakeld
    ongeacht de positie van de portieren of
    de achterklep. Druk nogmaals op de
    schakelaar om dit ongedaan te maken.

    65



  • Page 68

    Verlichting
    Draai de regelknop om de sfeerverlichting
    te activeren en de gewenste helderheid
    af te stellen. Gebruik de linker schakelaar
    om de kleurkeuzes te bekijken. Gebruik
    de rechter schakelaar om alle
    sfeerverlichtingsplaatsen en
    interieurlampen te activeren.

    3. Trek de koplamp zover mogelijk naar
    de voorzijde van de auto om deze los
    te maken van het onderste
    bevestigingspunt.
    4. Trek de buitenzijde van de koplamp
    omhoog en verwijder hem.

    EEN KOPLAMP
    VERWIJDEREN
    WAARSCHUWING
    Laat Xenon gloeilampen door een
    geschoolde monteur vervangen. Er
    bestaat kans op een elektrische
    schok.
    1.

    5

    Open de motorkap. Zie De
    motorkap openen en sluiten
    (bladzijde 210).

    E133750

    5. Trek de stekker los.
    N.B.: Wanneer de koplamp wordt
    gemonteerd, let er dan op dat de stekker
    correct wordt aangesloten.

    2

    N.B.: Wanneer de koplamp wordt
    gemonteerd, let er dan op dat het
    onderste bevestigingspunt van de
    koplamp goed op zijn plaats komt te
    zitten.

    4

    N.B.: Bij het monteren van de koplamp
    moet de schroef in de koplamprand zitten
    alvorens u deze aanbrengt.

    2

    GLOEILAMPENVERVANGEN
    WAARSCHUWINGEN
    Schakel de verlichting en vervolgens
    het contact uit.

    3
    E133215

    Laat de gloeilamp afkoelen voordat
    u deze verwijdert.

    2. Verwijder de schroeven.

    66



  • Page 69

    Verlichting
    Richtingaanwijzer

    WAARSCHUWINGEN
    Laat Xenon gloeilampen door een
    goed opgeleide monteur
    vervangen. Er bestaat kans op een
    elektrische schok.

    1.

    Verwijder de koplamp. Zie Een
    koplamp verwijderen (bladzijde
    66).

    3
    LET OP
    Raak het glas van de gloeilamp niet
    aan.
    Breng alleen gloeilampen met de
    juiste specificaties aan. Zie
    Gloeilampentabel (bladzijde 74).
    N.B.: De volgende instructies beschrijven
    hoe de gloeilampen moeten worden
    verwijderd. Breng de nieuwe gloeilampen
    in omgekeerde volgorde van verwijderen
    aan, tenzij anders is voorgeschreven.

    2. Verwijder het paneel.
    3. Draai de lamphouder linksom en
    verwijder deze.
    4. Druk voorzichtig de gloeilamp in de
    lamphouder en draai de gloeilamp
    linksom. Verwijder de gloeilamp.

    Koplampen
    N.B.: Verwijder de kappen om de
    gloeilampen te kunnen bereiken.

    A

    B

    C

    2

    E133104

    D

    Grootlicht
    LET OP
    Raak het glas van de gloeilamp niet
    aan.
    1.
    E133102

    A

    Stadslicht

    B

    Koplamp, dimlicht

    C

    Grootlicht

    D

    Richtingaanwijzer

    67

    Verwijder de koplamp. Zie Een
    koplamp verwijderen (bladzijde
    66).



  • Page 70

    Verlichting
    2

    4. Maak de klemveer los en verwijder de
    gloeilamp.

    4

    Stadslicht
    1.

    Verwijder de koplamp. Zie Een
    koplamp verwijderen (bladzijde
    66).

    3
    E133105

    2. Verwijder het paneel.
    3. Trek de stekker los.
    4. Maak de klemveer los en verwijder de
    gloeilamp.
    Koplamp, dimlicht
    LET OP
    Raak het glas van de gloeilamp niet
    aan.
    1.

    E133103

    2. Verwijder het paneel.
    3. Verwijder de lamphouder.
    4. Verwijder de gloeilamp.

    Verwijder de koplamp. Zie Een
    koplamp verwijderen (bladzijde
    66).

    2

    2

    Zijknipperlicht

    4

    1
    E133426

    1.

    E133106

    2. Verwijder het paneel.
    3. Trek de stekker los.

    68

    Verwijder voorzichtig de kapje.



  • Page 71

    Verlichting

    E133427

    2. Maak de bevestigingsklem m.b.v. een
    geschikt werktuig los.
    E133109

    4. Verwijder de lamphouder.
    5. Verwijder de gloeilamp.

    Naderingslicht
    LET OP
    Voorkom dat het spiegelglas tijdens
    het verwijderen breekt.
    N.B.: Draai het spiegelglas zover mogelijk
    naar binnen.

    E133108

    3. Verwijder voorzichtig het
    zijknipperlicht.

    E133110

    69



  • Page 72

    Verlichting
    1.

    Steek uw vingers in de opening tussen
    de spiegelbehuizing en het spiegelglas
    en trek voorzichtig aan het spiegelglas
    om dit te verwijderen.

    3

    2

    E133717

    2. Verwijder het lamphuis.

    2
    E133107
    E133718

    3

    N.B.: De gloeilamp van de mistlamp kan
    niet uit de lamphouder worden verwijderd.

    3. Verwijder de gloeilamp.

    2. Trek de stekker los.
    3. Draai de lamphouder linksom en
    verwijder deze.

    Voormistlichten
    1.

    Verwijder de koplamp. Zie Een
    koplamp verwijderen (bladzijde
    66).

    Achterlichten - 5-deurs

    E133111

    1.

    70

    Verwijder het bekledingspaneel.



  • Page 73

    Verlichting
    A

    B
    2
    C
    D

    E133112

    E133113

    2. Verwijder de vleugelmoeren en maak
    de klem los.
    3. Verwijder het lamphuis.

    5. Verwijder de lamphouder.
    6. Druk voorzichtig de gloeilamp in de
    lamphouder en draai de gloeilamp
    linksom. Verwijder de gloeilamp.
    A. Remlicht
    B. Achteruitrijlamp
    C. Achterlicht en mistachterlicht
    D. Richtingaanwijzer

    4

    Achterlichten - 4-deurs
    Richtingaanwijzer, achter- en
    mistlicht

    E133127

    4. Trek de stekker los.

    E133702

    1.

    71

    Verwijder het bekledingspaneel.



  • Page 74

    Verlichting
    6. Druk voorzichtig de gloeilamp in de
    lamphouder en draai de gloeilamp
    linksom. Verwijder de gloeilamp.
    A. Achterlicht en mistachterlicht
    B. Richtingaanwijzer
    Rem- en achteruitrijlicht
    1.

    2

    Open het kofferdeksel.

    x10

    2

    E133703

    2. Verwijder de vleugelmoeren en maak
    de klem los.
    3. Verwijder het lamphuis.
    E133724

    2. Verwijder het bekledingspaneel van
    het kofferdeksel.

    4

    E133713

    3

    4. Trek de stekker los.

    B

    E133725

    LET OP
    E133714

    A

    Maak eerst de buitenzijde los uit de
    klemmen.

    5. Verwijder de lamphouder.

    72



  • Page 75

    Verlichting
    Kentekenplaatverlichting

    3. Verwijder de vleugelmoer en maak de
    2 klemmen los.
    4. Verwijder het lamphuis.

    N.B.: Deze items kunnen niet worden
    gerepareerd; raadpleeg a.u.b. uw dealer
    wanneer deze defect raken.

    Interieurverlichting
    Auto's met LED-lampen
    N.B.: De LED verlichting kan niet worden
    gerepareerd, raadpleeg bij defecten uw
    dealer.

    5

    E133726

    5. Trek de stekker los.

    B

    E125092

    Bagageruimteverlichting,
    beenruimteverlichting en
    achterlicht

    A
    E133727

    6. Verwijder de lamphouder.
    7. Druk voorzichtig de gloeilamp in de
    lamphouder en draai de gloeilamp
    linksom. Verwijder de gloeilamp.
    A. Remlicht
    B. Achteruitrijlamp

    Derde remlicht
    N.B.: Deze items kunnen niet worden
    gerepareerd; raadpleeg a.u.b. uw dealer
    wanneer deze defect raken.

    E72784

    73



  • Page 76

    Verlichting
    1.

    Werk de lamp voorzichtig los.

    2. Verwijder de gloeilamp.

    GLOEILAMPENTABEL
    Lampje

    Specificatie

    Vermogen (watt)

    PY21W

    21

    Grootlicht

    H1

    55

    Koplamp, dimlicht

    H7

    55

    Bochtverlichting

    H1

    55

    Mistlamp, vóór

    H11

    55

    W5W

    5

    Zijknipperlicht

    WY5W

    5

    Naderingslicht

    W5W

    5

    Richtingaanwijzer, achter

    PY21W

    21

    Remlicht en achterlicht

    P21/5W

    21/5

    Richtingaanwijzer, voor

    Stadslicht

    1

    1

    Achterlicht

    W5W

    5

    Mistachterlicht

    P21W

    21

    Achteruitrijlamp

    W16W

    16

    Verlichting bagagecompartiment

    W5W

    5

    Vervang een doorgebrande zekering door een exemplaar met hetzelfde vermogen.

    74



  • Page 77

    Ruiten en spiegels
    Ruiten automatisch openen en
    sluiten

    ELEKTRISCH BEDIENBARE
    RUITEN

    Druk de schakelaar tot het tweede
    schakelpunt in of trek hem tot het tweede
    schakelpunt omhoog en laat hem los.
    Druk de schakelaar opnieuw in of trek
    hem opnieuw omhoog om de beweging
    te stoppen.

    WAARSCHUWING
    Schakel de elektrisch bedienbare
    ruiten niet in tenzij deze vrij zijn van
    obstructies.

    Veiligheidsschakelaar voor de
    achterste ruiten

    N.B.: Wanneer de ruiten gedurende
    korte tijd vaak worden bediend kan het
    systeem een bepaalde tijd buiten werking
    treden om schade door oververhitting te
    voorkomen.

    WAARSCHUWING
    Bij sommige auto's worden door
    drukken op de schakelaar tevens
    de achterportieren van binnenuit
    vergrendeld. Zie Kindersloten
    (bladzijde 30).

    Zet het contact aan om de elektrisch
    bedienbare ruiten te openen of te sluiten.

    Integraal openen/sluiten
    Met behulp van de functie integraal
    openen en sluiten kunt u ook de elektrisch
    bedienbare ruiten bij afgezet contact
    bedienen. Zie Sloten (bladzijde 40).

    N.B.: U kunt altijd de ruiten achterin vanaf
    het bestuurdersportier bedienen.

    Module portier
    bestuurderszijde
    Met behulp van de schakelaars op het
    bestuurdersportier kunt u alle ruiten
    bedienen.

    E70850

    Met een schakelaar op het
    bestuurdersportier kan de elektrische
    bediening van de achterste ruiten worden
    geblokkeerd.
    Het lampje in de schakelaar gaat branden
    en de lampjes in de schakelaars van de
    achterste ruiten gaan uit wanneer de
    blokkering is ingeschakeld.

    E70848

    75



  • Page 78

    Ruiten en spiegels
    Antiklemfunctie

    Geheugen van de elektrisch
    bedienbare ruiten opnieuw
    instellen

    WAARSCHUWING
    Het onzorgvuldig sluiten van de
    ruiten kan deze
    beschermingsfunctie opheffen en
    verwonding tot gevolg hebben.

    WAARSCHUWING
    De antiklemfunctie wordt buiten
    werking gesteld tot het geheugen
    opnieuw is ingesteld.

    De ruit stopt automatisch tijdens het
    sluiten en gaat een stukje terug wanneer
    de ruit een obstakel tegenkomt.

    Nadat de accukabels zijn losgenomen
    moet het geheugen van elke ruit
    afzonderlijk opnieuw worden ingesteld:

    Antiklemfunctie uitschakelen

    N.B.: Bij uitvoeringen met een convertible
    kap, moeten de kap en de portieren
    volledig worden gesloten voordat de
    volgende procedure kan worden
    uitgevoerd.

    LET OP
    Wanneer u de ruit voor de derde
    keer sluit, wordt de antiklemfunctie
    uitgeschakeld. Controleer of er geen
    obstakels in de weg zitten.

    1.

    Om deze veiligheidsvoorziening uit te
    schakelen wanneer er meer weerstand
    is, bijvoorbeeld in de winter, gaat u als
    volgt te werk:

    2.
    3.

    1.

    4.

    Sluit de ruiten tweemaal tot aan de
    weerstand en laat deze
    terugschuiven.
    2. Sluit de ruit voor een derde keer tot
    deze weerstand ondervindt. De
    antiklemfunctie wordt uitgeschakeld
    en u kunt de ruit niet meer
    automatisch sluiten. De ruit zal de
    weerstand overbruggen en u kunt de
    ruit volledig sluiten.
    3. Laat de ruit door een deskundige
    controleren indien deze na de derde
    poging niet sluit.

    5.
    6.

    7.
    8.

    76

    Trek de schakelaar omhoog en houd
    hem in deze stand tot de ruit volledig
    is gesloten.
    Laat de schakelaar los.
    Trek de schakelaar opnieuw langer
    dan een seconde omhoog.
    Druk de schakelaar in en houd hem
    ingedrukt tot de ruit volledig is
    geopend.
    Laat de schakelaar los.
    Trek de schakelaar omhoog en houd
    hem in deze stand tot de ruit volledig
    is gesloten.
    Open de ruit en probeer hem
    automatisch te sluiten.
    Herhaal de procedure wanneer de ruit
    niet automatisch sluit.



  • Page 79

    Ruiten en spiegels
    Richtingen waarin de spiegel
    kan worden gekanteld

    BUITENSPIEGELS
    WAARSCHUWING
    Vergis u niet in de afstand van
    voorwerpen die u in deze
    groothoekspiegel ziet. Voorwerpen
    die u in deze spiegels ziet, zien er kleiner
    uit en lijken verder weg te zijn dan in
    werkelijkheid het geval is.

    Handmatig inklapbare spiegels
    Inklappen
    Druk de spiegel in de richting van de
    portierruit.

    E70847

    Uitklappen

    De elektrisch bedienbare buitenspiegels
    zijn voorzien van een
    verwarmingselement dat het spiegelglas
    ontdooit en ontwasemt. Zie
    Verwarmde ruiten en spiegels
    (bladzijde 115).

    Zorg ervoor dat de spiegel weer volledig
    wordt vergrendeld wanneer u deze weer
    in zijn oorspronkelijke stand terugzet.

    ELEKTRISCHVERSTELBARE
    BUITENSPIEGELS

    Elektrisch inklapbare
    buitenspiegels
    Automatisch inklappen en
    uitklappen
    N.B.: Als de spiegels zijn ingeklapt met
    behulp van de toets handmatig inklappen,
    dan kunnen deze alleen worden uitgeklapt
    met behulp van de toets handmatig
    inklappen.

    A

    De spiegels klappen automatisch uit
    wanneer u de auto vergrendelt met
    behulp van de sleutel, de
    afstandsbediening of een verzoek van de
    sleutelloze toegang. De spiegels klappen
    uit wanneer u de auto ontgrendelt met
    behulp van de sleutel, de
    afstandsbediening, een verzoek van de
    sleutelloze toegang, de binnenhandgreep
    van het bestuurdersportier of door de
    motor te starten.

    C
    B

    E70846
    A

    Linker spiegel

    B

    Off (uit)

    C

    Rechter spiegel

    77



  • Page 80

    Ruiten en spiegels
    Handmatig inklappen en uitklappen

    AUTOMATISCH DIMMENDE
    SPIEGEL

    De elektrisch inklapbare spiegels werken
    bij aangezet contact.
    N.B.: U kunt de spiegels nog gedurende
    enkele minuten na het afzetten van het
    contact bedienen (kantelen en inklappen).
    Zodra een portier wordt geopend wordt
    het mechanisme uitgeschakeld.

    E71028
    De automatisch dimmende
    achteruitkijkspiegel voorkomt verblinding
    door achteropkomend verkeer. Bij
    ingeschakelde achteruitversnelling werkt
    hij niet.

    MONITOR DODE HOEK
    Informatiesysteem dode hoek
    (BLIS)
    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem is niet ontworpen om
    contact met andere auto's of
    voorwerpen te voorkomen. Het
    systeem dient alleen als een
    waarschuwing om te helpen bij het
    registreren van auto's in blinde hoeken.
    Het systeem registreert geen
    voorwerpen, voetgangers, motorrijders
    of fietsers.

    E72623

    Druk op de toets om de spiegels in of uit
    te klappen.
    Wanneer nogmaals op de schakelaar
    wordt gedrukt terwijl de spiegels in
    beweging zijn, stoppen deze en keren in
    de oorspronkelijke stand terug.
    N.B.: Wanneer de spiegels gedurende
    korte tijd vaak worden bediend, kan het
    systeem tijdelijk buiten bedrijf zijn om
    schade door oververhitting te voorkomen.

    Gebruik het systeem niet als
    vervanging van de zijspiegels en de
    achteruitkijkspiegels en het over de
    schouder kijken alvorens van rijstrook te
    veranderen. Het systeem is geen
    vervanging voor voorzichtig rijden en mag
    alleen worden gebruikt als hulpmiddel.

    78



  • Page 81

    Ruiten en spiegels
    N.B.: Nadat het contact is aangezet
    branden beide indicatoren kort ter
    bevestiging dat het systeem operationeel
    is.

    Het systeem is een comfortfunctie die de
    bestuurder helpt bij het registreren van
    auto's die de blinde hoek zijn
    binnengereden (A). Het registratiegebied
    bevindt zich aan beide zijden van de auto
    en loopt vanaf de buitenspiegels tot
    ongeveer 3 meter achter de bumper. Het
    systeem geeft tijdens het rijden een
    waarschuwing af wanneer bepaalde
    auto's de blinde hoek binnenrijden.

    N.B.: Bij auto's met automatische
    transmissie is het systeem alleen actief in
    stand S, D en N.
    Het systeem is alleen actief vanaf
    rijsnelheden van 10 km/u. Het systeem
    wordt tijdelijke gedeactiveerd wanneer
    de achteruitrijversnelling wordt gekozen.

    A

    Systeemregistratie en waarschuwingen
    Het systeem activeert de waarschuwing
    voor auto's die de blinde hoek
    binnenrijden vanaf de achterzijde of de
    zijkant. Voor auto's die worden ingehaald
    of auto's die de blinde hoek vanaf de
    voorzijde binnenrijden wordt de
    waarschuwing alleen geactiveerd
    wanneer de auto een korte periode in de
    blinde hoek blijft rijden.

    A
    E124788

    N.B.: Voor auto's die snel door de blinde
    hoek rijden (meestal minder dan 2
    seconden) wordt de waarschuwing niet
    geactiveerd.

    Gebruik van het systeem
    Het systeem geeft een gele indicator
    weer die is aangebracht in de
    buitenspiegels.

    Het systeem bestaat uit twee
    radarsensoren die zijn aangebracht achter
    de achterwielen (weggewerkt achter de
    bumpers).
    LET OP
    Breng geen voorwerpen zoals
    bumperstickers aan in dit gebied.
    Reparaties aan deze gebieden met
    behulp van carrosserievulmiddel
    hebben een nadelige invloed op de
    prestaties van het systeem.

    E124736

    79



  • Page 82

    Ruiten en spiegels




    Struiken en bomen.
    Fietsers en motorrijders.
    Stoppen met een auto erachter en
    erg dichtbij.

    Systeem in- en uitschakelen
    N.B.: De stand aan of uit blijft behouden
    tot deze handmatig wordt gewijzigd.
    Het systeem kan worden in- en
    uitgeschakeld met behulp van de
    informatiedisplay. Zie Infodisplays
    (bladzijde 88).

    E124741

    Situaties waarin het
    naderingsalarm niet werkt

    Er worden geen meldingen ontvangen
    nadat het systeem is uitgeschakeld. De
    BLIS-controlelamp gaat branden. Zie
    Waarschuwings- en
    indicatielampen (bladzijde 84).

    Het kan voorkomen dat auto's die de
    blinde hoek binnenrijden en uitrijden niet
    worden geregistreerd.
    Gevallen waar dit kan voorkomen:
    • Vuilophoping op de
    achterbumperpanelen in het gebied
    van de sensoren.
    • Bepaalde manoeuvres van auto's die
    de blinde hoek binnenrijden en
    uitrijden.
    • Auto's die met hoge snelheid door de
    blinde hoek rijden.
    • Slechte weersomstandigheden.
    • Verschillende auto's die kort na elkaar
    door de blinde hoek rijden.

    Registratiefouten
    N.B.: De waarschuwingsindicator in de
    spiegel brandt niet.
    Als het systeem een storing bij een sensor
    heeft geregistreerd, gaat het
    waarschuwingssymbool van het systeem
    branden en dooft niet. De
    informatiedisplay bevestigt de storing en
    geeft aan of de linker- of rechterzijde is
    betroffen.
    Geblokkeerde sensor

    Valse waarschuwingen

    WAARSCHUWING

    N.B.: Valse waarschuwingen zijn tijdelijk
    en worden automatisch gecorrigeerd.

    Voordat het systeem een blokkering
    heeft geregistreerd en een
    waarschuwing afgeeft, neemt het
    aantal gemiste voorwerpen toe.

    Het kan voorkomen dat het systeem een
    waarschuwing afgeeft wanneer er geen
    auto in de blinde hoek aanwezig is.

    LET OP

    Gevallen waar dit kan voorkomen:
    • Vangrails.
    • Betonmuren bij de snelweg.
    • Gebieden in aanleg.
    • Scherpe bochten rond een gebouw.

    Bij zware regenval of andere
    omstandigheden waardoor
    verstorende reflecties ontstaan is het
    mogelijk dat de sensoren bepaalde auto's
    niet 'zien'.

    80



  • Page 83

    Ruiten en spiegels
    N.B.: Houd de achterbumper in het
    gebied van de sensoren vrij van vuil, ijs en
    sneeuw.
    Als een sensor geblokkeerd raakt, kunnen
    de prestaties van het systeem afnemen.
    Een bericht m.b.t. een geblokkeerde
    sensor kan worden weergegeven.
    Het systeem keert automatisch terug naar
    de normale werking nadat twee andere
    voertuigen aan beide zijden zijn
    geregistreerd.
    Valse waarschuwing trekhaak
    LET OP
    Auto's met een trekhaakmodule die
    niet door ons is goedgekeurd kunnen
    wellicht niet correct worden
    geregistreerd. Schakel het systeem uit
    om valse waarschuwingen te voorkomen.
    Zie Infodisplays (bladzijde 88).
    Als de auto is uitgerust met een
    trekhaakmodule die door ons is
    goedgekeurd, registreert het systeem
    een aangesloten aanhangwagen en
    wordt gedeactiveerd. Op de
    informatiedisplay verschijnt ter bevestiging
    een mededeling. Zie Infoberichten
    (bladzijde 96). De BLIS-controlelamp gaat
    branden. Zie Waarschuwings- en
    indicatielampen (bladzijde 84).

    81



  • Page 84

    Instrumenten
    METERS
    Type 1

    A

    F

    E

    D

    C

    E132065

    A

    Informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 88).

    B

    Snelheidsmeter

    C

    Koelvloeistoftemperatuurmeter

    D

    Terugsteltoets dagteller

    E

    Brandstofpeilmeter

    F

    Toerenteller

    82

    B



  • Page 85

    Instrumenten
    Type 2 en 3

    A

    E

    D

    C

    B

    E130149

    A

    Informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 88).

    B

    Snelheidsmeter

    C

    Koelvloeistoftemperatuurmeter

    D

    Brandstofpeilmeter

    E

    Toerenteller
    Wanneer de wijzer in het rode gebied
    komt, is de motor oververhit. Schakel de
    motor uit, schakel het contact uit en stel
    de oorzaak vast zodra de motor is
    afgekoeld. Zie Motorkoelvloeistof
    controleren (bladzijde 217).

    Koelvloeistoftemperatuurmeter
    Alle modelvarianten
    Geeft de temperatuur van de koelvloeistof
    aan. Bij normale bedrijfstemperatuur blijft
    de naald in het centrale gedeelte.

    Brandstofpeilmeter
    De pijl naast het symbool van de
    benzinepomp duidt aan, aan welke zijde
    zich de brandstofvulklep bevindt.

    LET OP
    Start de motor niet voordat de
    oorzaak voor de oververhitting is
    verholpen.

    83



  • Page 86

    Instrumenten
    Lamp remsysteem

    WAARSCHUWINGS- EN
    INDICATIELAMPEN

    De lamp gaat branden wanneer
    de parkeerrem wordt
    ingeschakeld.

    De volgende waarschuwings- en
    controlelampen gaan branden wanneer
    het contact wordt aangezet:








    WAARSCHUWING
    Verlaag geleidelijk uw snelheid en
    breng de auto tot stilstand zodra dit
    veilig kan. Gebruik de remmen
    voorzichtig.

    Airbag
    ABS
    Stabiliteitsregeling (ESP)
    Laag brandstofpeil
    Remsysteem
    Vorst
    ESP uit

    Als de lamp tijdens het rijden gaat
    branden, controleer dan of de parkeerrem
    niet is ingeschakeld. Als de parkeerrem
    niet is ingeschakeld, dan is er een storing
    aanwezig. Laat het systeem onmiddellijk
    door een goed opgeleide monteur
    controleren.

    Indien een van deze waarschuwings- of
    controlelampen niet gaat branden
    wanneer het contact wordt ingeschakeld,
    duidt dit op een storing. Laat het systeem
    onmiddellijk door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    Controlelamp automatische
    snelheidsregeling
    De controlelamp gaat branden
    wanneer u een snelheid heeft
    E71340
    ingesteld met behulp van de
    snelheidsregeling. Zie Gebruik maken
    van snelheidsregeling (cruise
    control) (bladzijde 164).

    Waarschuwingslamp ABS
    Als deze lamp brandt onder het
    rijden, dan duidt dit op een
    storing. De normale remwerking
    blijft gehandhaafd (zonder ABS). Laat het
    systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur
    controleren.

    Richtingaanwijzers
    Knippert tijdens werking. Een
    plotselinge toename van de
    knipperfrequentie duidt op een
    defecte gloeilamp. Zie Gloeilampen
    vervangen (bladzijde 66).

    Waarschuwingslamp airbag
    Als deze lamp brandt onder het
    rijden, dan duidt dit op een
    storing. Laat het systeem door
    een goed opgeleide monteur controleren.

    Indicator dodehoekmonitor
    Deze brandt wanneer deze
    functie wordt gedeactiveerd of
    E124823
    in combinatie met een bericht.
    Zie Monitor dode hoek (bladzijde 78).
    Zie Infoberichten (bladzijde 96).

    84



  • Page 87

    Instrumenten
    Waarschuwingslamp motor

    Controlelamp
    voorgloeibougies

    Wanneer de lamp bij draaiende
    motor brandt, duidt dit op een
    storing. Wanneer deze tijdens
    het rijden knippert, minder dan
    onmiddellijk snelheid. Blijft de lamp
    knipperen, vermijd dan snel accelereren
    en krachtig afremmen. Laat het systeem
    onmiddellijk door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    Zie Een dieselmotor starten
    (bladzijde 133).

    Controlelamp koplampen
    Brandt wanneer u het dimlicht
    of de stadslichten en
    achterlichten inschakelt.

    LET OP

    Waarschuwingslamp
    laadstroom

    Als de waarschuwingslamp motor
    brandt vergezeld van een bericht,
    dan moet het systeem zo snel
    mogelijk worden gecontroleerd.

    Als deze lamp brandt onder het
    rijden, dan duidt dit op een
    storing. Schakel alle onnodige
    stroomverbruikers uit. Laat het systeem
    onmiddellijk door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    Controlelamp Forward Alert
    Deze brandt wanneer deze
    functie wordt uitgeschakeld of
    in combinatie met een bericht.
    Zie Functie
    voorgangerwaarschuwing
    (forward alert) (bladzijde 170).

    Waarschuwing voor verlaten
    rijstrook (lane departure)
    Deze brandt wanneer deze
    functie wordt uitgeschakeld of
    in combinatie met een bericht.
    Zie Waarschuwing rijden buiten
    baan (bladzijde 176).

    Controlelamp mistlampen, vóór
    Brandt wanneer u de
    mistlampen vóór inschakelt.

    Waarschuwingslamp laag
    brandstofniveau

    Controlelamp 'Vorst'

    Wanneer deze lamp brandt, ga
    dan zo spoedig mogelijk tanken.

    WAARSCHUWING
    Ook wanneer de temperatuur tot
    boven + 4 ºC stijgt, is dit nog geen
    garantie dat de weg vrij is van
    gevaren die door plotselinge
    weersveranderingen kunnen ontstaan.

    Controlelamp grootlicht
    Brandt wanneer u het grootlicht
    inschakelt. De lamp knippert
    wanneer u een lichtsignaal

    Deze lamp brandt oranje bij een
    buitenluchttemperatuur tussen
    +4 ºC en 0 ºC. Brandt rood
    wanneer de temperatuur lager is dan 0ºC.

    geeft.

    85



  • Page 88

    Instrumenten
    Berichtsymbolen

    Controlelamp Elektronisch
    Stabiliteits Programma (ESP)

    De controlelamp gaat branden
    wanneer een nieuw bericht is
    opgeslagen op de
    informatiedisplay. Zie Infoberichten
    (bladzijde 96).

    Wanneer het systeem tijdens
    het rijden wordt geactiveerd,
    knippert de lamp. Als na het
    inschakelen van het contact deze lamp
    niet brandt of indien het tijdens het rijden
    continu brandt, dan duidt dit op een
    storing. Bij storingen schakelt het systeem
    uit. Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en vakkundige
    monteur controleren.

    Controlelamp oliedruk
    LET OP
    Hervat uw reis niet wanneer de
    controlelamp gaat branden terwijl het
    peil correct is. Laat het systeem
    onmiddellijk door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    Wanneer u het ESP uitschakelt,
    gaat de waarschuwingslamp
    branden. De lamp gaat uit
    wanneer u het systeem weer inschakelt
    of wanneer u het contact uitschakelt.

    Wanneer de lamp na het starten
    blijft branden of oplicht tijdens
    het rijden, dan duidt dit op een
    storing. Breng de auto tot stilstand zodra
    dit veilig kan en schakel de motor uit.
    Controleer het motoroliepeil. Zie
    Motorolie controleren (bladzijde 217).

    Start/stop-indicatielamp
    Deze lamp brandt om u te
    informeren over wanneer de
    motor wordt uitgeschakeld of
    in combinatie met een bericht. Zie
    Start/stop knop gebruiken (bladzijde
    138). Zie Infoberichten (bladzijde 96).

    Controlelamp mistachterlicht
    Brandt wanneer u de
    mistachterlichten inschakelt.

    AKOESTISCHE
    WAARSCHUWINGSSIGNALEN
    EN -INDICATIES

    Herinneringssysteem
    veiligheidsgordel

    De gongsignalen in- en
    uitschakelen

    Zie Waarschuwingssignaal
    veiligheidsgordel (bladzijde
    35).

    U kunt bepaalde akoestische signalen op
    de informatiedisplay deactiveren met
    behulp van de stuurwielbediening. Voor
    locatie: Zie Kort overzicht (bladzijde
    10).
    Type gong instellen:

    86



  • Page 89

    Instrumenten
    1.

    2.

    3.
    4.

    5.

    Sleutel buiten auto

    Druk op de linker pijltjestoets op het
    stuurwiel om het hoofdmenu binnen
    te gaan.
    Selecteer Instellingen met de open neer-pijltjestoetsen en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer Chimes en druk op de
    rechter pijltoets.
    Selecteer Information of Warning
    en druk op de toets OK om het
    gongsignaal in en uit te schakelen.
    Druk op de linker pijltoets om het
    menu te verlaten. Houd de linker
    pijltoets ingedrukt om terug te keren
    naar de weergave van het
    hoofdmenu.

    Uitvoeringen met sleutelloze
    toegang
    Als de motor draait en er geen passieve
    sleutel meer in het interieur gedetecteerd
    wordt, klinkt een akoestisch
    waarschuwingssignaal.

    Portier niet goed gesloten
    Er klinkt een waarschuwingssignaal
    wanneer er een portier geopend wordt
    als het voertuig een relatief lage snelheid
    overschrijdt.

    Verlichting ingeschakeld
    Wanneer bij afgezet contact het
    bestuurdersportier wordt geopend terwijl
    de buitenverlichting niet is uitgeschakeld,
    klinkt een akoestisch
    waarschuwingssignaal.

    Automatische transmissie
    Indien de keuzehendel niet in de stand P
    staat klinkt een akoestisch
    waarschuwingssignaal wanneer het
    bestuurdersportier wordt geopend.

    Laag brandstofpeil

    Vorst

    Er klinkt een waarschuwingssignaal
    wanneer de resterende brandstof minder
    dan ca. 6 liter is.

    WAARSCHUWING
    Zelfs wanneer de temperatuur tot
    boven +4 ºC stijgt, is dit nog geen
    garantie dat de weg vrij is van
    gevaren die door plotselinge
    weersveranderingen kunnen ontstaan.

    Herinneringssysteem
    veiligheidsgordel
    Zie Waarschuwingssignaal
    veiligheidsgordel (bladzijde 35).

    Een waarschuwingssignaal klinkt onder
    de volgende weersomstandigheden:
    • +4 ºC of lager: waarschuwing voor
    bevriezing
    • 0 ºC of lager: gevaar van bevroren
    wegdek

    87



  • Page 90

    Infodisplays
    Instellingen

    ALGEMENE INFORMATIE
    N.B.: De informatiedisplay blijft nadat u
    het contact hebt afgezet gedurende
    enkele minuten aan.

    Bedieningstoetsen
    Druk op de pijltoetsen omhoog en
    omlaag om door de opties in het menu
    te scrollen en deze te selecteren.

    Verschillende systemen van uw auto
    kunnen worden aangestuurd met behulp
    van de bedieningstoetsen
    informatiedisplay op de stuurkolom. De
    bijbehorende informatie verschijnt op de
    informatiedisplay.

    Druk op de rechter pijltoets om een
    submenu op te vragen.
    Druk op de linker pijltoets om een menu
    te verlaten.

    Raadpleeg voor gedetailleerde instructies
    de betreffende handleiding.

    Houd telkens de linker pijltoets ingedrukt
    wanneer u naar het hoofdmenu wilt
    terugkeren (escape toets).

    Lijst met componenten
    Het pictogram verandert om de gebruikte
    functie aan te duiden.

    Druk op de OK toets om een keuze te
    maken en een instelling te bevestigen.

    CD-speler

    Menustructuur
    informatiedisplay
    Radio

    Alle modelvarianten
    U verkrijgt toegang tot het menu met
    behulp van de bedieningstoetsen
    informatiedisplay. Voor locatie: Zie Kort
    overzicht (bladzijde 10).

    Auxiliary ingang

    Telefoon

    88



  • Page 91

    Infodisplays
    Boordcomputer

    Dagteller
    Actieradius
    Huidig verbruik
    Ø-verbruik

    Ford EcoMode

    Schakelen
    Anticiperen
    Snelheid
    Ford EcoMode

    Ø-snelheid
    Buitentemp.
    Fabrieksinstelling
    Informatie

    Band.sp. contr.
    Gordels
    Auto StartStop
    Driver Alert
    Verk.borden

    Instellingen

    Bestuurd. ass.

    Tractiecontrole
    BLIS
    LS safety sys
    Forward alert

    Driver alert
    Hellingstart
    Verk.borden
    Lane departure
    Auto regenverl.
    Interieurverl.
    Dimmen

    Verlichting

    Auto groot licht
    Uitstapverlicht.

    A

    B

    E133367

    89

    Hoge gevoel.
    Norm. gevoel.
    Lage gevoel.
    Uit

    Herkenning
    Snelh.waarsch.
    Gevoeligheid
    Intensiteit

    Automatisch
    Handmatig
    Instellen
    Aan
    Gevoeligheid
    Handmatig
    20 seconden
    40 seconden
    60 seconden



  • Page 92

    Infodisplays

    A

    B
    Display

    Navigatie-info

    Altijd aan
    On demand
    Altijd uit

    Taalgegevens voor

    Engels
    Deutsch
    Italiano
    Français
    Español
    Türkçe
    Pyccкий
    Nederlands
    Polski
    Svenska
    Português

    Maateenheid

    l/100km
    Mijl/gallon

    Temp.eenh.

    °Celsius
    °Fahrenheit

    Attentiegel.

    Parkeerhulp
    Informatie
    Een waarschuwing

    Comfort

    Extra verw.
    Standverwarm.

    Alarminstall.

    Systeemcontrole

    E133368

    90

    Tijd 1
    Tijd 2
    Eén keer
    Nu verwarmen
    Voll. beveiligd
    Bep. beveil.
    Vragen



  • Page 93

    Infodisplays
    Menustructuur informatie- en
    entertainmentdisplay

    U heeft toegang tot het menu met behulp
    van de toetsen op het audio- of
    navigatiesysteem.

    Alle modelvarianten
    cd
    Radio

    FMFM AST
    DAB1
    DAB2
    AM
    AM AST

    Aux

    iPOD
    USB
    Bluetooth audio
    Audio-ingang

    Telefoon

    Nummer kiezen
    Telefoonboek
    Bellijsten
    Bluetooth
    Nr. herhalen
    Telefoon kiezen
    Alles weigeren

    Menu

    Audio

    Adaptief volume
    Klank
    Nav-audio-mix
    DSP-instelling
    DSP-equalizer
    Nieuws
    Alt. frequentie
    RDS regional
    DAB-servicelink
    Bluetooth

    Klok

    Tijd
    Datum
    GPS-tijd
    Tijdzone
    Zomertijd
    24-uurs

    E130532

    91



  • Page 94

    Infodisplays
    Menustructuur informatie- en
    entertainmentdisplay

    U verkrijgt toegang tot het menu met
    behulp van de bedieningstoetsen
    informatie- en entertainmentdisplay. Voor
    locatie: Zie Kort overzicht (bladzijde
    10).

    92



  • Page 95

    Infodisplays
    Auto's met navigatiesysteem
    Navigatie

    Actieve routegel
    Routelijst

    Route

    Omleiding
    Gedeelte vrijgev
    Land
    Stad/PC

    Best. invoeren

    Straat
    Stadsdeel
    Start routegeleiding
    TA
    TMC-berichten

    Verkeersinformatie

    Omleiding
    Routelijst
    Gedeelte vrijgev
    Start routegeleiding
    Adres wijzigen

    Eigen adres
    Laatste best
    Favorieten

    Favorieten (a-z)

    Spec. bestemm

    In de buurt
    In omgeving best
    Langs snelweg
    Adres
    Naam zoeken
    Nieuwe tocht
    Bewaarde tochten

    Toerenplanning
    Positie opslaan

    Route

    Routeopties

    Eco
    Snel
    Kort

    Rijstijl

    Altijd vragen
    Rustig
    Normaal
    Snel

    A

    B

    C

    E130534

    93



  • Page 96

    Infodisplays

    A

    B

    C
    Eco instelling

    Aanhanger
    Dakkoffer

    Dynamisch
    Snelweg
    Tunnel
    Veer/autotrein
    Tol
    Seizoenswegen
    Vignet
    Speciale functies

    GPS-informatie
    Systeeminfo
    Positie invoeren
    Demo-modus

    CD

    Zie de afzonderlijke menustructuur

    de radio

    Zie de afzonderlijke menustructuur

    Aux

    Zie de afzonderlijke menustructuur

    Telefoon

    Zie de afzonderlijke menustructuur

    Menu

    Navigatie

    Routeopties

    Kaartweergave

    B

    C

    E130535

    94

    Route
    Rijstijl
    Eco instelling
    Dynamisch
    Snelweg
    Tunnel
    Veer/autotrein
    Tol
    Seizoenswegen
    Vignet
    Kaartinhoud
    Pijlen op kaart
    Weerg. reistijd
    In rijrichting
    Altern. kleuren



  • Page 97

    Infodisplays

    B

    C
    Hulpfuncties

    Borden/rijstrook
    Max. snelheden
    Nav-pijl in lijsten

    Pers. gegevens

    Laatste best. wissen
    Favorieten wissen
    Eigen adres wissen
    Alles wissen

    Instellingen terug
    Audio
    Klok

    Zie de afzonderlijke menustructuur
    Zie de afzonderlijke menustructuur

    E130536

    Gemiddelde snelheid

    TRIPCOMPUTER
    Tripcomputer

    Geeft de berekende gemiddelde snelheid
    aan vanaf het moment dat de functie op
    nul werd teruggesteld.

    De dagteller registreert het aantal
    kilometers van een bepaald traject.

    Buitentemperatuur
    Geeft de buitentemperatuur weer.

    Actieradius tot de
    brandstoftank leeg is

    Kilometerteller

    Duidt bij benadering de afstand aan die
    nog kan worden afgelegd voordat de tank
    leeg is. De waarde zal variëren naarmate
    de rijomstandigheden veranderen.

    De kilometerteller geeft het totale aantal
    gereden kilometers weer.

    Momentaan brandstofverbruik

    Een bepaald display terugstellen:

    Duidt het momentane gemiddelde
    brandstofverbruik aan.

    1.

    Tripcomputer resetten
    Selecteer Boordcomputer met de
    op en neer pijltjestoetsen en druk op
    de rechter pijltjestoets.
    2. Selecteer de functie die moet worden
    teruggesteld.
    3. Houd de OK toets ingedrukt.

    Gemiddeld brandstofverbruik
    Geeft het gemiddelde brandstofverbruik
    aan vanaf het moment dat de functie op
    nul werd teruggesteld.

    95



  • Page 98

    Infodisplays
    PERSOONLIJKE
    INSTELLINGEN

    INFOBERICHTEN
    N.B.: Afhankelijk van het type
    instrumentenpaneel kunnen bepaalde
    berichten worden afgekort of ingekort.

    Taal instellen
    Er kan uit elf talen worden gekozen:
    Engels, Duits, Italiaans, Frans, Spaans,
    Turks, Russisch, Nederlands, Pools,
    Zweeds en Portugees.

    Maateenheden
    Blader naar dit display en druk op de
    OK-toets om te wisselen tussen
    metrische en Engelse eenheden.
    Het wisselen tussen de maateenheden
    met dit dispaly heeft invloed op de
    volgende displays:
    • Resterende afstand tot tank leeg is
    • Gemiddeld brandstofverbruik
    • Momentaan brandstofverbruik
    • Gemiddelde snelheid

    E130248

    Druk op de toets OK om te bevestigen
    en om enkele berichten van de
    informatiedisplay te verwijderen. Andere
    berichten worden na korte tijd
    automatisch verwijderd.

    Temperatuureenheden
    Blader naar dit display en druk op de
    OK-toets om te wisselen tussen
    metrische en Engelse eenheden.

    Bepaalde berichten moeten worden
    bevestigd voordat toegang tot de menu's
    wordt verkregen.

    Het wisselen naar andere
    temperatuureenheden via dit display heeft
    invloed op de volgende displays:
    • Omgevingstemperatuur
    • Het temperatuurdisplay in de
    automatische klimaatregeling.

    Berichtsymbolen
    De berichtenindicator licht op
    om bepaalde berichten aan te
    vullen. Afhankelijk van de ernst
    van het bericht is de indicator rood of
    oranje en blijft deze branden totdat de
    oorzaak van het bericht is verholpen.

    Gong uitschakelen
    De volgende geluidssignalen kunnen
    worden uitgeschakeld:
    • Waarschuwingsmeldingen.
    • Informatiemeldingen.

    Sommige berichten worden aangevuld
    door een systeemspecifiek symbool met
    een berichtenindicator.

    96



  • Page 99

    Infodisplays
    Airbag
    Mededeling

    Berichtsymbolen

    Te verrichten handeling

    airbag storing service
    nu

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur controleren.

    Mededeling

    Berichtsymbolen

    Te verrichten handeling

    alarm afgegaan check
    voertuig

    oranje

    Alarmsysteem, Storing,
    Onderhoud zsm

    -

    Alarminstallatie

    Zie Alarm (bladzijde 48).
    Laat het systeem door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    Automatische grootlichtregeling
    Mededeling

    Controlelamp

    Frontcamera Verminderd zicht Ruit
    schoonmaken

    oranje

    Frontcamera Storing
    Onderhouds zsm

    oranje

    Te verrichten handeling

    De sensor van de frontcamera heeft verminderd
    zicht. Reinig de voorruit.
    De sensor van de frontcamera heeft een storing.
    Laat dit zo snel mogelijk controleren.

    Accu en laadsysteem
    Berichtsymbolen

    Te verrichten handeling

    Overspanning elektrisch systeem. Stop
    veilig.

    rood

    Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en
    schakel het contact uit. Laat het systeem zo snel
    mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige
    monteur controleren.

    Accu, Spanning laag,
    Zie handboek

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur controleren.

    Mededeling

    97



  • Page 100

    Infodisplays
    Controlefunctie blinde hoek
    Mededeling

    Berichtsymbolen

    BLIS, Sensor vervuild,
    Zie handboek

    oranje

    Zie Monitor dode hoek (bladzijde 78).

    BLIS: storing rechter
    sensor, Onderhoud
    zsm

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur controleren.

    BLIS: storing linker
    sensor, Onderhoud
    zsm

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur controleren.

    BLIS, Niet beschikbaar
    wegens aanhanger

    oranje

    Zie Monitor dode hoek (bladzijde 78).

    Te verrichten handeling

    Elektrisch bediend kinderslot
    Mededeling

    Elektrisch kinderslot,
    Storing, Onderhoud
    zsm

    Berichtsymbolen

    Te verrichten handeling

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur controleren.

    Klimaatregeling
    Mededeling

    Hulpverwarming aan
    Hulpverwarming uit

    Controlelamp

    Te verrichten handeling

    oranje

    Zie Extra verwarming (bladzijde 116).

    -

    Zie Extra verwarming (bladzijde 116).

    98



  • Page 101

    Infodisplays
    Cruise control en adaptieve cruise control (ACC)
    Mededeling

    Controlelamp

    Voorste radarsensor
    geblokkeerd schoonmaken

    oranje

    Forward Alert niet
    beschikbaar

    oranje

    Zie Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    (bladzijde 166).

    oranje

    Zie Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    (bladzijde 166).

    ACC niet beschikbaar

    Te verrichten handeling

    Zie Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    (bladzijde 166).

    Portieren open
    Mededeling

    Berichtsymbolen

    Te verrichten handeling

    Bestuurderspo. open

    rood

    Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit veilig
    kan en sluit het portier.

    Achterportier bestuurdersz. open

    rood

    Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit veilig
    kan en sluit het portier.

    Passag.portier open

    rood

    Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit veilig
    kan en sluit het portier.

    Achterportier passagierszijde open

    rood

    Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit veilig
    kan en sluit het portier.

    Kofferbak open

    rood

    Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit veilig
    kan en sluit het portier.

    motorkap open

    rood

    Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit veilig
    kan en sluit het portier. Zie De motorkap
    openen en sluiten (bladzijde 210).

    Bestuurderspo. open

    -

    Auto is niet in beweging. Sluiten.

    Achterportier bestuurdersz. open

    -

    Auto is niet in beweging. Sluiten.

    Passag.portier open

    -

    Auto is niet in beweging. Sluiten.

    Achterportier passagierszijde open

    -

    Auto is niet in beweging. Sluiten.

    Kofferbak open

    -

    Auto is niet in beweging. Sluiten.

    99



  • Page 102

    Infodisplays

    Mededeling

    motorkap open

    Berichtsymbolen

    Te verrichten handeling

    -

    Auto is niet in beweging. Sluiten. Zie De
    motorkap openen en sluiten (bladzijde 210).

    Bestuurderswaarschuwing
    Mededeling

    Controlelamp

    Te verrichten handeling

    Waarschuwing Chauffeur moe Rusten nu!

    rood

    Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en
    pauzeer.

    Waarschuwing Chauffeur moe Rust aanbevolen!

    oranje
    Neem gauw een pauze.

    Startblokkeringssysteem
    Mededeling

    Berichtsymbolen

    Te verrichten handeling

    Startonderbreking
    actief, Zie handboek

    oranje

    Uw sleutel is niet herkend. Neem de sleutel uit
    het slot en probeer het nogmaals.

    Startonderbreking,
    Storing, Onderhoud
    zsm

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur controleren.

    Berichtsymbolen

    Te verrichten handeling

    Hellingstart
    Mededeling

    Hellingstart niet
    beschikbaar

    oranje

    Laat het systeem door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    100



  • Page 103

    Infodisplays
    Sleutelloze toegang
    Berichtsymbolen

    Te verrichten handeling

    Besturing, Storing,
    Veilig stoppen

    rood

    Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en
    schakel het contact uit. Laat het systeem zo snel
    mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige
    monteur controleren.

    Ford KeyFree, contact
    afzetten, op POWER
    drukken

    rood

    Zie Sleutelloos starten (bladzijde 134).

    Ford KeyFree, Sleutel
    niet in auto

    rood

    Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 42).

    Ford KeyFree, Sleutel
    in auto

    oranje

    Sleutelloze toegang.

    Besturing, Storing,
    Onderhoud nu

    oranje

    Laat het systeem door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    Mededeling

    Ford KeyFree Steek
    sleutel in sleutelhouder

    -

    Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 42).

    Ford KeyFree, Sleutel
    niet herkend

    -

    Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 42).

    Ford KeyFree, Om te
    starten rem indrukken

    -

    Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 42).

    Ford KeyFree, Druk
    koppeling in om te
    starten

    -

    Zie Sleutelloos starten (bladzijde 134).

    Ford KeyFree, Rem en
    koppeling indrukken

    -

    Zie Sleutelloos starten (bladzijde 134).

    Sleutel, Batterij leeg,
    Vervangen

    -

    Zie Batterij van afstandsbediening
    vervangen (bladzijde 37).

    Stuurslot geactiveerd,
    Stuur draaien

    -

    Zie Stuurwielblokkering (bladzijde 131).

    101



  • Page 104

    Infodisplays
    Lane keeping aid
    Mededeling

    Lane keeping aid
    storing Onderhoud
    zsm

    Controlelamp

    oranje

    Te verrichten handeling

    Het systeem heeft niet correct gewerkt. Laat dit
    zo snel mogelijk controleren.

    Verlichting
    Berichtsymbolen

    Te verrichten handeling

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur controleren.

    Remlicht, Lamp defect

    -

    Een of beide gloeilampen van de remlichten is of
    zijn defect. Controleer de gloeilampen van de
    remlichten. Zie Gloeilampen vervangen
    (bladzijde 66).

    Parkeerlicht, Lamp
    defect

    -

    Mistachterlicht, Lamp
    defect

    -

    Een of beide gloeilampen van de mistachterlichten is of zijn defect. Controleer de gloeilampen
    van de mistachterlichten. Zie Gloeilampen
    vervangen (bladzijde 66).

    Dimlicht, Lamp defect

    -

    Een of beide gloeilampen van het dimlicht is of
    zijn defect. Controleer de gloeilampen van het
    dimlicht. Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 66).

    Remlicht aanhanger,
    Lamp defect

    -

    Een of beide gloeilampen van de remlichten van
    uw aanhanger is of zijn defect. Controleer de
    gloeilampen van de remlichten van uw
    aanhanger.

    -

    Een of beide gloeilampen van de richtingaanwijzers van uw aanhanger is of zijn defect. Controleer de gloeilampen van de richtingaanwijzers
    van uw aanhanger.

    Mededeling

    Koplamp, Storing,
    Onderhoud zsm

    Knipperl. aanhang.,
    Lamp defect

    102



  • Page 105

    Infodisplays
    Low speed safety system
    Mededeling

    Controlelamp

    LS Safety Sys Sensor
    geblokk. Glas
    schoonm.

    oranje

    Low Speed Safety
    System niet beschikbaar

    oranje

    LS Safety Sys Automatisch remmen

    -

    Te verrichten handeling

    Zie Veiligheidssysteem lage snelheid
    gebruiken (bladzijde 185).
    Zie Veiligheidssysteem lage snelheid
    gebruiken (bladzijde 185).
    Zie Veiligheidssysteem lage snelheid
    gebruiken (bladzijde 185).

    Onderhoud
    Berichtsymbolen

    Te verrichten handeling

    Motortemperatuur te
    hoog, Veilig stoppen!

    rood

    Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en
    schakel het contact uit. Laat het systeem zo snel
    mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige
    monteur controleren.

    Laag niveau,
    Remvloeistof, Onderhoud nu

    rood

    Controleer het remvloeistofniveau. Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en remsysteem
    (bladzijde 218).

    Remsysteem, Storing,
    Veilig stoppen

    rood

    Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan.
    Laat het systeem onmiddellijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    Motor Storing Onderhoud nu!

    rood

    Stop zodra dit veilig kan en zet de motor onmiddellijk af. Laat het systeem onmiddellijk door een
    goed opgeleide monteur controleren.

    Water geregistreerd in
    brandstof, onderhoud
    nodig

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur controleren.

    Motor Storing Onderhoud nu!

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur controleren.

    -

    Controleer het peil van de ruitensproeiervloeistof.
    Zie Ruitensproeiervloeistof controleren
    (bladzijde 219).

    Mededeling

    Vloeistofpeil ruitensproeier laag

    103



  • Page 106

    Infodisplays

    Mededeling

    Motorolie verversen

    Berichtsymbolen

    -

    Te verrichten handeling

    Onderhoudsindicatie

    Bescherming van de inzittenden
    Mededeling

    Gordelalarm Service
    zsm

    Controlelamp

    Te verrichten handeling

    -

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur controleren.

    Vooruit- en achteruitrijbeveiliging
    Mededeling

    Controlelamp

    Te verrichten handeling

    Inparkeerhulp Storing
    Onderhoud zsm

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur controleren.

    Controlelamp

    Te verrichten handeling

    Handrem
    Mededeling

    Handrem aangetrokken

    rood

    Handrem aangetrokken

    oranje

    Zie Parkeerrem (bladzijde 149).
    Zie Parkeerrem (bladzijde 149).

    104



  • Page 107

    Infodisplays
    Stuurbekrachtiging
    Berichtsymbolen

    Te verrichten handeling

    rood

    Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en
    schakel het contact uit. Laat het systeem zo snel
    mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige
    monteur controleren.

    Stuurbekrachtiging
    Storing Onderhoud
    zsm

    oranje

    Stuurbekrachtiging. De auto blijft bestuurbaar,
    maar hiervoor is meer kracht vereist. Laat het
    systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren.

    Besturing, Storing,
    Onderhoud nu

    oranje

    Laat het systeem door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    Mededeling

    Besturing uitgevallen
    Veilig stoppen!

    Stabiliteitsregeling (ESP)
    Mededeling

    Traction control uit

    Controlelamp

    oranje

    Te verrichten handeling

    Zie Algemene informatie (bladzijde 88).

    De motor inschakelen
    Mededeling

    Berichtsymbolen

    Rijden reinigt uitlaatfilter
    Zie handboek

    oranje

    Zie Dieselroetfilter (DPF) (bladzijde 136).

    Uitlaatfilter vol Onderhoud nu

    oranje

    Zie Dieselroetfilter (DPF) (bladzijde 136).

    Motor Storing Onderhoud nu!

    oranje

    Zie Dieselroetfilter (DPF) (bladzijde 136).

    Te verrichten handeling

    motor voorgloeien

    -

    Zie Een dieselmotor starten (bladzijde 133).

    Uitlaatfilter wordt gereinigd

    -

    Zie Dieselroetfilter (DPF) (bladzijde 136).

    Reinigen filter voltooid

    -

    Zie Dieselroetfilter (DPF) (bladzijde 136).

    105



  • Page 108

    Infodisplays
    Start/stop
    Mededeling

    Berichtsymbolen

    Te verrichten handeling

    Auto StartStop Ontsteking uitschakelen

    rood

    Schakel het contact uit voordat u uit het voertuig
    stapt als het systeem de motor uitgeschakeld
    heeft. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 138).

    Auto StartStop Storing
    Onderhoud zsm

    oranje

    Auto StartStop Om te
    starten Kopp.
    indrukken

    -

    De motor moet weer worden gestart; trap het
    koppelingspedaal in om te starten. Zie
    Start/stop knop gebruiken (bladzijde 138).

    Auto StartStop
    Versnelling in vrij zetten

    -

    Selecteer neutraal om het systeem de motor
    weer te laten starten. Zie Start/stop knop
    gebruiken (bladzijde 138).

    Auto StartStop Handmatig starten vereist

    -

    Het systeem werkt niet. Er moet handmatig
    worden gestart.

    Laat het systeem door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    Transmissie
    Berichtsymbolen

    Te verrichten handeling

    Transmissie te heet,
    Remped. indrukken

    rood

    Onder bepaalde rijomstandigheden kunnen de
    koppelingen in de transmissie oververhit raken.
    Onder dergelijke omstandigheden moet het
    rempedaal worden ingetrapt en de auto worden
    stilgezet om verdere oververhitting. Selecteer N
    (NEUTRAL) of P (PARK) en bedien het
    rempedaal en de parkeerrem tot de transmissie
    is afgekoeld en het bericht uit de display is
    verdwenen. Als met de auto wordt gereden met
    dit actieve bericht, dan kan als oververhittingswaarschuwing schokken van de auto voorkomen.

    Transmissie, Storing,
    Onderhoud nu

    rood

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur controleren.

    Mededeling

    106



  • Page 109

    Infodisplays
    Berichtsymbolen

    Te verrichten handeling

    rood

    De transmissie is oververhit. Onder deze extreme
    omstandigheden schakelt de transmissie de
    aandrijving uit om beschadiging als gevolg van
    oververhitting te voorkomen. U kunt pas weer
    met de auto rijden wanneer de transmissie is
    afgekoeld. Selecteer N (NEUTRAL) of P
    (PARK) en bedien het rempedaal en de
    parkeerrem tot de transmissie is afgekoeld en
    het bericht uit de display is verdwenen.

    Transmissie te heet,
    Remped. indrukken

    oranje

    Onder bepaalde rijomstandigheden kunnen de
    koppelingen in de transmissie oververhit raken.
    Onder dergelijke omstandigheden moet het
    rempedaal worden ingetrapt en de auto worden
    stilgezet om verdere oververhitting. Selecteer N
    (NEUTRAL) of P (PARK) en bedien het
    rempedaal en de parkeerrem tot de transmissie
    is afgekoeld en het bericht uit de display is
    verdwenen. Als met de auto wordt gereden met
    dit actieve bericht, dan kan als oververhittingswaarschuwing schokken van de auto voorkomen.

    Transmissie beperkte
    functie, Zie handboek

    oranje

    Sommige versnellingen zijn mogelijk niet
    beschikbaar. Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en vakkundige
    monteur controleren.

    Transmissie warmt op,
    Even wachten

    -

    Bij lage buitentemperaturen kan het na het
    starten van de motor enkele seconden duren
    voordat de transmissie R (REVERSE) of D
    (DRIVE) inschakelt. Houd het rempedaal ingetrapt tot deze berichten uit de display zijn
    verdwenen.

    Automaat niet in
    parkeerstand, Selecteer P

    -

    Zie Automatische transmissie (bladzijde 146).
    Zie De motor starten (bladzijde 131).

    Om te starten remped.
    indrukken

    -

    Zie Automatische transmissie (bladzijde 146).
    Zie De motor starten (bladzijde 131).

    Rempedaal indrukken

    -

    Zie Automatische transmissie (bladzijde 146).

    Mededeling

    Transmissie te heet,
    Veilig stoppen!

    107



  • Page 110

    Infodisplays
    Bandenspanningcontrolesysteem
    Mededeling

    Berichtsymbolen

    Te verrichten handeling

    Controleer bandenspanning!

    oranje

    De spanning in een van de banden is gedaald.
    Controleer de spanning zo snel mogelijk.

    Bandenspann.sys.,
    Storing, Onderhoud
    zsm

    oranje

    Permanente storing. Laat uw auto door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur controleren.

    108



  • Page 111

    Klimaatregeling
    Algemene informatie over de
    klimaatregeling in het interieur

    WERKING
    Buitenlucht

    Sluit alle ruiten.

    Houd de luchtinlaten voor de voorruit vrij
    van belemmeringen (sneeuw, bladeren,
    enz.) zodat het klimaatregelsysteem
    effectief kan werken.

    Het interieur verwarmen
    Laat de lucht naar de beenruimten
    stromen. Laat, bij koud of vochtig weer,
    een geringe hoeveelheid lucht naar de
    voorruit en de portierruiten stromen.

    Gerecirculeerde lucht
    LET OP

    Het interieur afkoelen

    Wanneer de luchtrecirculatiestand
    langdurig wordt ingeschakeld,
    kunnen de ruiten beslaan. Wanneer
    de ruiten beslaan, stel dan de standen in
    om de voorruit te ontdooien en te
    ontwasemen.

    Laat de lucht naar het hoofdniveau
    stromen.

    VENTILATIEROOSTERS
    Middelste luchtroosters

    De lucht die zich in het
    passagierscompartiment bevindt, wordt
    gerecirculeerd. Er stroomt geen
    buitenlucht de auto in.

    Verwarming
    De verwarmingscapaciteit is afhankelijk
    van de koelvloeistoftemperatuur.

    Airconditioning
    N.B.: De airconditioning werkt alleen
    wanneer de temperatuur hoger is dan 4
    ºC.
    N.B.: Wanneer de airconditioning is
    ingeschakeld, zal het brandstofverbruik
    hoger zijn.
    De lucht wordt door de warmtewisselaar
    gevoerd, waar deze wordt gekoeld. Om
    de ruiten wasemvrij te houden wordt
    vocht aan de lucht onttrokken. Het
    condens wordt naar buiten afgevoerd en
    daarom is het normaal dat zich een klein
    plasje water onder de auto vormt.

    E132995

    109



  • Page 112

    Klimaatregeling
    Luchtrooster aan de zijkant

    HANDMATIGE
    KLIMAATREGELING
    Toetsen voor luchtverdeling

    B

    C

    D

    E132996

    E

    A
    E74660

    A

    Hoofdniveau

    B

    Hoofdniveau en beenruimte

    C

    Beenruimte

    D

    Beenruimte en voorruit

    E

    Voorruit

    De luchtverdeelknop kan in elke gewenste
    stand tussen de symbolen worden gezet.

    110



  • Page 113

    Klimaatregeling
    Ventilator

    Ventilatie

    A
    E129885

    Stel de regelknoppen van de luchtstroom,
    de aanjager en luchtroosters naar wens
    in.

    Airconditioning
    Airconditioning in- en uitschakelen

    E75470

    A

    Off (uit)

    N.B.: Wanneer u de aanjager uitschakelt
    kan de voorruit beslaan.

    Wanneer u de aanjager uitschakelt, wordt
    ook de airconditioning uitgeschakeld.
    Wanneer u de aanjager weer inschakelt,
    schakelt de airconditioning automatisch
    in.

    Gerecirculeerde lucht

    Koelen met buitenlucht

    Druk op de toets om te kiezen tussen
    toevoer van buitenlucht en het
    recirculeren van de in het interieur
    aanwezige lucht.

    Interieur snel verwarmen
    E129886

    Interieur snel afkoelen

    E129884

    E129887

    111



  • Page 114

    Klimaatregeling
    Met de verwarmingsregeling in deze
    stand worden de airconditioning en de
    gerecirculeerde lucht automatisch
    ingeschakeld.

    Wanneer u de luchtverdeelknop in een
    andere stand dan voorruit zet, blijft de
    A/C ingeschakeld.
    U kunt de airconditioning en
    luchtrecirculatie in- en uitschakelen terwijl
    de luchtverdeelknop in de stand voorruit
    staat.

    De airconditioning en gerecirculeerde
    lucht kunnen worden in- en uitgeschakeld.
    Voorruit ontdooien en ontwasemen

    Schakel zo nodig de ruitverwarming in.
    Zie Verwarmde ruiten en spiegels
    (bladzijde 115).
    Luchtvochtigheid in het interieur
    verlagen

    E129888

    Wanneer de temperatuur hoger is dan 4
    °C, schakelt de airconditioning
    automatisch in. Let erop dat de aanjager
    aanstaat. De controlelamp in de
    schakelaar brandt tijdens het ontdooien
    en ontwasemen.

    E129889

    AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING

    E133114

    Het systeem regelt automatisch de
    temperatuur, de hoeveelheid en verdeling
    van de lucht en past deze aan de rij- en
    weersomstandigheden aan. Door
    eenmaal op de AUTO toets te drukken
    wordt de auto modus ingeschakeld.

    112



  • Page 115

    Klimaatregeling
    Uw auto is uitgerust met een automatisch
    klimaatregelsysteem met twee zones.
    Wanneer het systeem in de mono modus
    staat, worden alle temperatuurzones
    gekoppeld aan de zone aan
    bestuurderszijde. Wanneer u de mono
    modus uitschakelt, kunt u met het twee
    zone systeem verschillende temperaturen
    instellen voor de bestuurder en passagier
    voorin.

    U kunt de temperatuur tussen 15,5 °C en
    29,5 °C in stappen van 0,5 °C instellen. In
    de stand LO, 15 °C, schakelt het systeem
    over op permanente koeling. In de stand
    HI, 30 °C, schakelt het systeem over op
    permanente verwarming.

    N.B.: Vermijd het wijzigen van de
    instellingen wanneer het in de auto
    extreem warm of koud is. De
    automatische klimaatregeling past zich
    automatisch aan de actuele
    omstandigheden aan. Voor een correcte
    werking van het systeem moeten de
    midden- en zijroosters volledig zijn
    geopend.

    Mono modus

    N.B.: Als stand LO of HI wordt
    geselecteerd, dan regelt het systeem
    geen stabiele temperatuur.

    In de mono modus zijn de
    temperatuurinstellingen voor de
    bestuurder en de passagier aan elkaar
    gekoppeld. Wanneer u de temperatuur
    met de draaiknop aan bestuurderszijde
    verandert, wordt dezelfde instelling voor
    de passagierszijde doorgevoerd. In de
    mono modus verschijnt MONO in het
    display.

    N.B.: De zonnesensor bevindt zich
    bovenop het instrumentenpaneel. Bedek
    de zonnesensor niet.

    Mono modus uitschakelen

    N.B.: Als het systeem bij lage
    buitentemperaturen in de auto modus
    staat, wordt de lucht zolang de motor
    koud is naar de voorruit en de zijruiten
    geleid.

    Selecteer met de draaiknop aan
    passagierszijde een temperatuur voor de
    passagierszijde. De mono modus wordt
    uitgeschakeld en MONO verdwijnt van
    het display. De temperatuur voor de
    bestuurderszijde blijft ongewijzigd. U kunt
    nu de temperatuur voor de
    bestuurderszijde en de passagierszijde
    onafhankelijk van elkaar instellen. De
    temperatuurinstellingen voor beide zijden
    worden in het display weergegeven. U
    kunt een temperatuurverschil van
    maximaal 4 °C instellen.

    Temperatuur instellen

    N.B.: Wanneer het temperatuurverschil
    groter is dan 4 °C, wordt de temperatuur
    aan de andere zijde bijgesteld zodat het
    verschil 4 °C blijft.
    N.B.: Wanneer voor één zijde de stand
    HI of LO wordt geselecteerd, wordt voor
    beide zijden de stand HI of LO ingesteld.

    E133115

    113



  • Page 116

    Klimaatregeling
    Mono modus weer inschakelen

    Wanneer u voorruit ontdooien en
    ontwasemen kiest schakelen A, B en C
    automatisch uit en wordt de
    airconditioning ingeschakeld. Buitenlucht
    stroomt nu het interieur in. U kunt de
    recirculatiestand niet selecteren.

    E133120

    Druk op de knop AUTO en houd deze
    ingedrukt om de mono-modus weer in te
    schakelen. MONO verschijnt in het
    display en de temperatuur aan
    passagierszijde wordt aangepast aan de
    temperatuur aan bestuurderszijde.

    Interieur snel afkoelen

    Ventilator
    E133122

    Voorruit ontdooien en
    ontwasemen

    Stel het aanjagertoerental met de toetsen
    in.
    De ventilatorinstelling wordt in het display
    weergegeven.

    E91392

    Druk om terug te keren naar de auto
    modus op de AUTO toets.

    Druk de knop voorruit ontdooien en
    ontwasemen in. Buitenlucht stroomt nu
    het interieur in. De airconditioning wordt
    automatisch ingeschakeld. Zolang de
    luchtverdeling in deze stand blijft staan,
    kunt u de recirculatiestand niet selecteren.

    Luchtverdeling
    Druk op de gewenste toets om de
    luchtverdeling in te stellen. Iedere
    combinatie van instellingen kan
    tegelijkertijd worden geselecteerd.

    A

    B

    Het ventilatortoerental en de
    temperatuurregeling werken automatisch
    en kunnen niet met de hand worden
    bediend. De aanjager draait met een hoog
    toerental en de temperatuur wordt op HI
    ingesteld.
    Wanneer u voorruit ontdooien en
    ontwasemen selecteert, schakelt de
    voorruitverwarming automatisch in en na
    korte tijd weer uit.

    C

    E70308

    A

    Beenruimte

    B

    Hoofdniveau

    C

    Voorruit

    Druk om terug te keren naar de auto
    modus op de AUTO toets.

    114



  • Page 117

    Klimaatregeling
    Airconditioning in- en
    uitschakelen

    VERWARMDE RUITEN EN
    SPIEGELS
    Verwarmbare ruiten

    E91393

    Schakel de ruitverwarming in om de voorof achterruit te ontdooien of ontwasemen.

    Druk op de A/C toets om de
    airconditioning in of uit te schakelen. A/C
    OFF verschijnt in het display wanneer de
    airconditioning is uitgeschakeld.

    N.B.: De ruitverwarming werkt alleen bij
    een draaiende motor.
    Verwarmde voorruit

    A/C ON verschijnt in het display wanneer
    de airconditioning wordt ingeschakeld.

    Gerecirculeerde lucht

    E72506

    Verwarmde achterruit
    Druk op de recirculatietoets om de lucht
    te laten recirculeren.

    E72507

    N.B.: In de auto modus wordt bij hoge
    binnen- en buitentemperaturen voor een
    maximale koeling van het interieur
    automatisch de recirculatiestand
    ingeschakeld. Wanneer de ingestelde
    temperatuur eenmaal is bereikt, selecteert
    het systeem automatisch toevoer van
    buitenlucht.

    Auto's zonder extra verwarming
    Als de omgevingstemperatuur lager is dan
    5 °C en de temperatuur van de
    motorkoelvloeistof lager is dan 65 °C, dan
    worden de verwarmde voorruit en
    achterruit automatisch ingeschakeld. Het
    systeem wordt automatisch
    uitgeschakeld.

    Automatische airconditioning
    uitschakelen

    Verwarmbare buitenspiegels
    In de elektrisch bedienbare buitenspiegels
    is een verwarmingselement gemonteerd
    dat het spiegelglas ontdooit of
    ontwasemt. Wanneer u de
    achterruitverwarming inschakelt, worden
    deze elementen automatisch
    ingeschakeld.

    E133093

    Druk de toets.
    Het verwarmings-, ventilatie- en
    airconditioningsysteem wordt
    uitgeschakeld en de recirculatiestand
    ingeschakeld.

    115



  • Page 118

    Klimaatregeling
    Wanneer de parkeerverwarming correct
    wordt gebruikt, biedt deze de volgende
    voordelen:

    EXTRA VERWARMING
    Parkeerverwarming




    WAARSCHUWINGEN
    Schakel de parkeerverwarming uit
    tijdens het tanken, wanneer u zich
    in een omgeving bevindt met
    brandbare dampen of stoffen en in
    gesloten ruimten.



    Het interieur wordt voorverwarmd.
    De ruiten blijven bij vorst vrij van ijs en
    condensatie wordt voorkomen.
    De koude start wordt vermeden
    waardoor de motor eerder op
    bedrijfstemperatuur is.

    Om te voorkomen dat de accu wordt
    ontladen:

    De parkeerverwarming moet het
    gehele jaar minimaal eenmaal per
    maand ongeveer tien minuten
    worden ingeschakeld. Hierdoor wordt
    voorkomen dat de vloeistofpomp en de
    aanjagermotor gaan vastzitten.



    N.B.: De parkeerverwarming werkt alleen
    wanneer er zich minimaal 7,5 liter
    brandstof in de tank bevindt en de
    buitentemperatuur lager is dan 15 °C. De
    parkeerverwarming werkt niet wanneer
    de accu slecht geladen is.



    Nadat de parkeerverwarming een
    verwarmingscyclus heeft doorlopen,
    zal de volgende geprogrammeerde
    verwarmingscyclus alleen worden
    uitgevoerd indien de motor tussentijds
    is gestart.
    Rijd met de auto na een
    verwarmingscyclus minimaal een
    verwarmingscyclus.

    Programmeerbare
    parkeerverwarming

    N.B.: De verwarming werkt afhankelijk
    van de buitentemperatuur.

    N.B.: De geprogrammeerde tijd is de tijd
    waarop u wilt dat de auto warm is en klaar
    is om weg te rijden, niet de tijd waarop de
    verwarming inschakelt.

    N.B.: Wanneer de parkeerverwarming is
    ingeschakeld, kunnen wat uitlaatgassen
    onder de zijkanten van de wagen
    uitkomen. Dit is normaal.

    N.B.: U moet de tijden minimaal 70
    minuten ten opzichte van de tijd die u wilt
    instellen vooruit programmeren.

    N.B.: Bij auto's met hanbediende
    klimaatregeling is de verwarming van het
    interieur afhankelijk van de instelling van
    de temperatuur, luchtverdeling en
    aanjager.

    N.B.: U moet de tijd en de datum correct
    invoeren. Zie Klok (bladzijde 127).
    Verwarmingstijden programmeren:

    De parkeerverwarming werkt
    onafhankelijk van de verwarming van de
    auto door het koelvloeistofcircuit van de
    motor te verwarmen. Hij wordt door de
    brandstoftank van energie voorzien. U
    kunt het systeem ook tijdens het rijden
    gebruiken om het interieur sneller te laten
    opwarmen.

    1.

    Gebruik de pijltoetsen op het stuurwiel
    voor toegang tot het hoofdmenu. Zie
    Infodisplays (bladzijde 88).
    2. Selecteer de optie standverwarming.

    116



  • Page 119

    Klimaatregeling
    De functies Tijd 1 en Tijd 2
    programmeren

    Parkeerverw

    Tijd 1

    Tijd 1
    Tijd 2
    Eén keer
    Nu verwarmen

    [07:55]
    Maandag
    Dinsdag
    Woensdag
    Donderdag
    Vrijdag

    E136301







    Met de twee tijdfuncties kunt u tot
    twee verwarmingscycli voor elke dag
    van de week programmeren. Deze
    tijden blijven in het geheugen
    opgeslagen en de verwarming
    schakelt elke dag van de week op
    deze tijden in.
    Met de functie once (eenmaal) kunt
    u een verwarmingscyclus voor één
    specifieke dag programmeren.
    Met de functie Heat now (nu
    verwarmen) wordt de verwarming
    automatisch ingeschakeld.

    E74468
    1.

    Gebruik de pijltoetsen op het stuurwiel
    voor toegang tot het hoofdmenu.
    2. Selecteer de eerste programmatijdlijst.
    3. Selecteer de dag waarop de
    verwarming de auto moet verwarmen.
    4. Druk op de toets OK.
    5. Ga op dezelfde wijze te werk om alle
    dagen te selecteren waarop de
    verwarming de auto moet verwarmen.
    6. Selecteer, om de tijd in te stellen
    waarop de auto moet zijn verwarmd,
    de tijd aan de bovenzijde van het
    display en druk op de toets OK. De
    uren beginnen te knipperen.
    7. Pas zo nodig de uren en minuten aan.
    U kunt de tweede programmatijdlijst
    gebruiken om een tweede cyclus in te
    stellen, bijvoorbeeld verschillende tijden
    op verschillende dagen of tweemaal op
    dezelfde dag. De programmeerprocedure
    is hetzelfde als voor de eerste
    programma-timer.

    117



  • Page 120

    Klimaatregeling
    Geprogrammeerde verwarming
    deactiveren

    1.

    1.

    Gebruik de pijltoetsen op het stuurwiel
    voor toegang tot het hoofdmenu.
    2. Actieve programmasessie
    deselecteren.

    Extra verwarming diesel
    (afhankelijk van het land)
    Deze extra verwarming (PTC elektrische
    verwarming) helpt bij het verwarmen van
    de motor en het interieur bij auto's met
    dieselmotor. Het systeem wordt
    afhankelijk van de buitenluchttemperatuur,
    de koelvloeistoftemperatuur en de
    belasting van de dynamo automatisch inof uitgeschakeld.

    Verwarming voor enkele cyclus
    programmeren
    1.

    Markeer Extra verwarming en druk
    op de toets OK. Wanneer de
    verwarming is ingeschakeld verschijnt
    in het vak ernaast een kruis.

    Selecteer Eenmaal en druk op de
    rechter pijltoets.

    2. Druk op de toets OK en stel de
    gewenste tijd en datum in.
    3. Druk op OK om de ingestelde tijd en
    datum te bevestigen.

    ELEKTRISCH ZONNEDAK

    Verwarming handmatig activeren

    WAARSCHUWING

    Markeer Nu verwarmen en druk op de
    toets OK. Wanneer de verwarming is
    ingeschakeld verschijnt in het vak ernaast
    een kruis.

    Controleer voordat u het elektrisch
    bedienbare schuifdak bedient, of
    deze vrij is van obstructies en
    overtuig u ervan dat zich geen kinderen
    en/of huisdieren in de nabijheid van de
    schuifdakopening bevinden. Het nalaten
    hiervan kan ernstig lichamelijk letsel tot
    gevolg hebben. Het is in eerste instantie
    de verantwoording van de toeziende
    volwassenen dat een kind nooit alleen in
    de auto blijft; laat nooit de sleutels in de
    auto achter.

    Deselecteer de functie Nu verwarmen
    om de verwarming te deactiveren.

    Extra verwarming diesel
    (afhankelijk van het land)
    WAARSCHUWING
    Schakel de verwarming op
    brandstof uit tijdens het tanken,
    wanneer u zich in een omgeving
    bevindt met brandbare dampen of stoffen
    en in gesloten ruimten.

    N.B.: Wanneer de schakelaars
    gedurende korte tijd vaak worden
    bediend kan het systeem een bepaalde
    tijd buiten werking treden om schade
    door oververhitting te voorkomen.

    De standverwarming helpt bij het
    verwarmen van de motor en het interieur
    bij auto's met een dieselmotor. Het
    systeem wordt afhankelijk van de
    buitenluchttemperatuur, de
    koelvloeistoftemperatuur en de belasting
    van de dynamo automatisch in- of
    uitgeschakeld, tenzij u het hebt
    uitgeschakeld.

    N.B.: Het elektrisch bedienbare schuifdak
    kan bij afgezet contact worden bediend
    via de functie integraal openen/sluiten.
    Zie Centrale vergrendeling (bladzijde
    45).

    Parkeerverwarming uitschakelen:

    118



  • Page 121

    Klimaatregeling
    Schuifdak kantelen

    Het schuifdak kan op twee manieren
    worden geopend - de achterzijde van het
    schuifdak kan omhoog worden gekanteld
    of het schuifdak kan horizontaal naar
    achteren worden geschoven. Wanneer
    de schakelaar wordt ingedrukt opent of
    sluit het schuifdak.
    Zet het contact aan om de elektrisch
    bedienbare schuifdak te openen of te
    sluiten.
    De schakelaar van het elektrisch
    bedienbare schuifdak bevindt zich tussen
    de zonnekleppen.

    Schuifdak openen en sluiten
    E72189

    Schuifdak automatisch openen
    en sluiten
    N.B.: Bij het automatisch openen stopt
    het schuifdak op ongeveer 8 cm van de
    volledig geopende stand. Deze stand
    reduceert het dreunende geluid dat soms
    bij volledig geopend schuifdak hoorbaar
    is. Het schuifdak stopt alleen automatisch
    in deze stand wanneer het automatisch
    wordt geopend.
    Druk, om het schuifdak automatisch te
    openen of te sluiten, de betreffende zijde
    van de schakelaar tot de tweede aanslag
    in en laat hem vervolgens los. Druk de
    schakelaar opnieuw in om de beweging
    te stoppen.

    E72188

    Het schuifdak stopt automatisch wanneer
    de gesloten stand is bereikt.

    Antiklemfunctie van het
    schuifdak
    WAARSCHUWINGEN
    De antiklemfunctie wordt buiten
    werking gesteld tot het geheugen
    opnieuw is ingesteld. Het
    onzorgvuldig sluiten van de ruit kan
    verwondingen tot gevolg hebben.

    119



  • Page 122

    Klimaatregeling
    Wanneer het systeem een storing
    vaststelt, treedt de veiligheidsmodus in
    werking. Het schuifdak beweegt dan
    slechts gedurende ca. 0,5 seconden per
    keer en stopt vervolgens. Sluit het
    schuifdak door opnieuw de schakelaar in
    te drukken wanneer het schuifdak stopt.
    Wanneer de achterzijde van het schuifdak
    omhoog is gekanteld, laat dan het
    schuifdak volledig omhoogkantelen en
    sluit het vervolgens. Laat het systeem
    onmiddellijk door een deskundige
    controleren.

    WAARSCHUWINGEN
    Het onvoorzichtig sluiten van het
    elektrisch bedienbare schuifdak kan
    de antiklemfunctie teniet doen en
    verwondingen tot gevolg hebben.
    Wanneer het schuifdak tijdens het sluiten
    met een obstakel in aanraking komt, stopt
    het automatisch en schuift het een stukje
    terug.
    Ga, om de antiklemfunctie op te heffen
    wanneer er sprake is van weerstand, bijv.
    in de winter, als volg te werk:

    Leerprocedure schuifdak

    WAARSCHUWING
    WAARSCHUWING

    Wanneer het schuifdak voor de
    derde maal wordt gesloten, wordt
    de antiklemfunctie uitgeschakeld.
    Let erop dat er tijdens het sluiten van het
    schuifdak geen obstakels in de weg
    kunnen zitten.

    De antiklemfunctie werkt tijdens
    deze procedure niet. Let erop dat
    er tijdens het sluiten van het
    schuifdak geen obstakels in de weg
    kunnen zitten.
    Wanneer het schuifdak niet langer meer
    correct sluit, voer dan deze
    'leerprocedure' uit:

    Sluit het schuifdak voor een derde keer
    tot deze weerstand ondervindt. De
    antiklemfunctie is uitgeschakeld en het
    schuifdak kan niet automatisch worden
    gesloten. Het schuifdak zal de weerstand
    overwinnen en kan vervolgens volledig
    worden gesloten.





    Laat het schuifdak door een deskundige
    controleren indien het na de derde poging
    niet sluit.



    Veiligheidsmodus van het
    schuifdak
    WAARSCHUWING
    De antiklemfunctie werkt tijdens
    deze procedure niet. Let erop dat
    er tijdens het sluiten van het
    schuifdak geen obstakels in de weg
    kunnen zitten.

    Kantel de achterzijde van het
    schuifdak zover mogelijk omhoog.
    Laat de schakelaar los.
    Druk de schakelaar opnieuw in en
    houd deze 30 seconden ingedrukt tot
    u het schuifdak ziet bewegen.
    Laat de schakelaar los en druk deze
    onmiddellijk opnieuw in. Het schuifdak
    sluit, schuift volledig open en schuift
    vervolgens weer dicht. Laat de
    schakelaar niet los voordat het
    schuifdak de gesloten stand voor de
    tweede keer heeft bereikt.

    Wanneer de schakelaar niet constant
    wordt ingedrukt, wordt de leerprocedure
    afgebroken. Begin van voren af aan
    opnieuw met de procedure.

    120



  • Page 123

    Stoelen


    DE JUISTE ZITPOSITIE
    INNEMEN





    voldoende afstand houdt tussen uzelf
    en het stuurwiel. minimaal 250 mm (10
    inch) tussen uw borstbeen en de kap
    van de airbag aanhoudt.
    het stuurwiel met licht gebogen armen
    vasthoudt.
    uw benen licht buigt zodat u de
    pedalen volledig kunt indrukken.
    de schoudergordel over het midden
    van uw schouder en de heupgordel
    strak over uw heupen legt.

    Zorg ervoor dat uw zitpositie comfortabel
    is en dat u de volledige controle over de
    auto hebt.

    HANDMATIG VERSTELBARE
    STOELEN

    E68595

    WAARSCHUWINGEN
    Verstel de stoelen nooit tijdens het
    rijden.

    Stoelen naar voren en achteren
    schuiven

    Alleen wanneer de veiligheidsgordel
    correct wordt gedragen, kan deze
    u in een zodanige positie houden
    dat de airbag optimaal kan functioneren.
    Wanneer u de veiligheidsgordel correct
    draagt kunnen de stoel, hoofdsteun,
    veiligheidsgordel en airbags bij een
    eventuele aanrijding optimaal
    bescherming bieden. Wij raden aan dat
    u:





    zoveel mogelijk rechtop gaat zitten
    met de onderzijde van uw rug zover
    mogelijk naar achteren.
    de rugleuning van de stoel niet meer
    dan 30 graden achterover kantelt.
    de hoofdsteun zodanig instelt, dat de
    bovenzijde gelijkligt met de bovenzijde
    van uw hoofd. Stel de hoofdsteun
    zover mogelijk naar voren in, maar u
    moet comfortabel kunnen zitten.

    E130249

    WAARSCHUWING
    Schuif de stoel naar voren en naar
    achteren nadat u de hendel hebt
    losgelaten om ervoor te zorgen dat
    de stoel weer goed wordt vergrendeld.

    121



  • Page 124

    Stoelen
    Lendensteun instellen

    Hellingshoek van de rugleuning
    instellen

    E78058
    E130250

    Hoogte van de
    bestuurdersstoel verstellen

    HOOFDSTEUNEN
    Hoofdsteun instellen
    WAARSCHUWINGEN
    Trek de achterste hoofdsteun
    omhoog wanneer iemand achterin
    plaatsneemt.
    Wanneer een voorwaarts gericht
    kinderzitje op een stoel van de
    tweede of derde stoelenrij wordt
    geplaatst, verwijder dan altijd de
    hoofdsteun van die stoel.

    E70730

    E66539

    122



  • Page 125

    Stoelen

    E135437

    E135401

    Stel de hoofdsteun zo in, dat de
    bovenzijde ervan gelijkligt met de
    bovenzijde van uw hoofd.

    Hoofdsteun verwijderen
    Druk de knoppen in en verwijder de
    hoofdsteun.

    123



  • Page 126

    Stoelen
    ELEKTRISCH VERSTELBARE STOELEN

    E78060

    124



  • Page 127

    Stoelen
    ACHTERBANK
    WAARSCHUWINGEN
    Wanneer u de rugleuningen
    neerklapt, let er dan op dat uw
    vingers niet tussen de rugleuning en
    het stoelframe komen.

    3

    Zorg ervoor dat de stoelen en de
    rugleuningen goed vastzitten en
    volledig zijn vergrendeld.
    E135628

    Rugleuningen naar voren
    klappen
    LET OP
    Laat de hoofdsteunen zakken. Zie
    Hoofdsteunen (bladzijde 122).

    N.B.: Zorg dat de veiligheidsgordel
    volledig in het oprolmechanisme wordt
    opgerold.

    1

    3. Maak de veiligheidsgordels vast in de
    klemmen op het bekledingspaneel
    aan de buitenzijde.

    1

    Zitting en rugleuning
    achterbank naar voren klappen

    2

    WAARSCHUWING
    Zorg ervoor dat de rode indicator
    niet is te zien wanneer u de bank in
    de sloten drukt.
    LET OP
    Laat de hoofdsteunen zakken. Zie
    Hoofdsteunen (bladzijde 122).

    E135629

    1.

    Druk de ontgrendelknoppen in en
    houd deze ingedrukt.
    2. Druk de rugleuning naar voren.

    Wanneer u uw vingers tussen het
    zitkussen en de rugleuning steekt,
    zorg dan dat u niet met uw vingers
    vast komt te zitten in de
    ISOFIX-verankeringspunten en de
    steunen. Zie ISOFIX
    verankeringspunten (bladzijde 29).

    125



  • Page 128

    Stoelen
    4. Maak de veiligheidsgordels vast in de
    klemmen op het bekledingspaneel
    aan de buitenzijde.

    2
    2

    Rugleuningen opklappen
    WAARSCHUWING

    1

    Zorg er bij het opklappen van de
    rugleuningen voor dat de gordels
    zichtbaar zijn voor de inzittende en
    niet achter de bank bekneld raken.

    3

    VERWARMDE STOELEN
    E135646

    LET OP

    N.B.: Houd de rand van het zitkussen
    tegen om de ISOFIX-verankeringspunten
    en steunen mijden.

    Wanneer deze functie bij stilstaande
    motor wordt ingeschakeld, wordt
    hierdoor de accu ontladen.

    1.

    Steek uw vingers tussen de zitting en
    de rugleuning en klap de zitting naar
    voren.
    2. Druk de ontgrendelknoppen in en
    houd deze ingedrukt.
    3. Druk de rugleuning naar voren.

    4
    E130471

    De maximum temperatuur wordt bereikt
    na vijf tot zes minuten. De temperatuur
    wordt door een thermostaat geregeld.

    E135647

    De stoelverwarming werk alleen met
    ingeschakeld contact.

    N.B.: Zorg dat de veiligheidsgordel
    volledig in het oprolmechanisme wordt
    opgerold.

    126



  • Page 129

    Gemaksfuncties
    N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt
    gebruiken voor 12 volt accessoires met
    een maximum vermogen van 10 ampère.
    Gebruik alleen Ford stekkers of stekkers
    die geschikt zijn voor gebruik in SAE
    gestandaardiseerde aansluitingen.

    DIMMERINSTRUMENTENPANEELVERLICHTING

    E132712

    Druk herhaaldelijk of houd ingedrukt tot
    het gewenste niveau is bereikt.

    E132415

    N.B.: Als de accu losgekoppeld wordt,
    leeg is of een nieuwe accu wordt
    aangebracht, dan stelt de verlichte
    componenten automatisch op de
    maximale instelling in.

    Druk het verwarmingselement in om de
    aansteker te laten gloeien. Hij springt
    automatisch in de oorspronkelijke stand
    terug.

    KLOK

    EXTRA VOEDINGSAANSLUITINGEN

    Zie Infodisplays (bladzijde 88).
    LET OP
    Wanneer u het aansluitpunt gebruikt
    terwijl de motor niet draait, wordt
    hierdoor de accu ontladen.

    AANSTEKER
    LET OP
    Wanneer u het aansluitpunt gebruikt
    terwijl de motor niet draait, wordt
    hierdoor de accu ontladen.

    N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt
    gebruiken voor 12 volt accessoires met
    een maximum vermogen van 10 ampère.
    Gebruik alleen Ford stekkers of stekkers
    die geschikt zijn voor gebruik in SAE
    gestandaardiseerde aansluitingen.

    Houd het verwarmingselement van
    de aansteker niet ingedrukt.

    127



  • Page 130

    Gemaksfuncties
    GLASHOUDER

    E78056

    De extra elektrische aansluitpunten
    bevinden zich in de middenconsole en de
    bagageruimte.

    BEKERHOUDERS
    WAARSCHUWING
    Plaats tijdens het rijden geen hete
    dranken in de bekerhouders.

    E75193

    Armleuning achterbank

    E91508
    E132505

    128



  • Page 131

    Gemaksfuncties
    KINDER
    OBSERVATIESPIEGEL

    USB-POORT

    E132423

    Zie Verbinding (bladzijde 289).
    E75192

    HOUDER SATELLIETNAVIGATIE-UNIT

    AANSLUITING AUXILIARY
    INGANG (AUX IN)

    Houder instellen

    1

    3

    2
    E132422

    Zie Ingangsaansluiting (AUX IN)
    (bladzijde 266).
    E112711

    1. Ontgrendelen
    2. Stel de gewenste positie van de
    houder in.

    129



  • Page 132

    Gemaksfuncties
    3. Vergrendelen
    N.B.: Zorg dat de houder van de
    navigatie-unit in de juiste positie wordt
    vergrendeld.

    VLOERMATTEN
    WAARSCHUWING
    Wanneer de vloermatten worden
    gebruikt, zorg dan dat de
    vloermatten correct worden
    vastgemaakt met de correcte
    bevestigingselementen, zodat de matten
    geen invleod hebben op de bediening van
    de pedalen.

    130



  • Page 133

    De motor starten
    N.B.: Laat, om te voorkomen dat de accu
    leegraakt, de contactsleutel niet te lang
    in deze stand staan.

    ALGEMENE INFORMATIE
    Algemene opmerkingen over
    het starten

    II Het contact staat aan. Alle elektrische
    circuits zijn ingeschakeld.
    Waarschuwings- en controlelampen
    branden. Dit is de stand waarin de sleutel
    moet staan tijdens het rijden. U moet deze
    stand ook kiezen wanneer de auto wordt
    gesleept.

    Als de accu losgekoppeld is geweest kan
    de motor, nadat de accukabels weer zijn
    aangesloten, een afwijkende
    draaikarakteristiek vertonen gedurende
    ca. 8 kilometer.
    De oorzaak is, dat het motormanagement
    zich weer aan de motor moet aanpassen.
    Ongebruikelijke rijkarakteristieken tijdens
    deze periode moeten worden genegeerd.

    III Startmotor ingeschakeld. Laat de
    sleutel los zodra de motor aanslaat.

    STUURWIELBLOKKERING

    Motor starten door middel van
    slepen of duwen

    WAARSCHUWING
    Controleer altijd voordat u probeert
    uw auto in beweging te brengen of
    het stuurslot is uitgeschakeld.

    WAARSCHUWING
    Om beschadiging te voorkomen
    moet u uw auto niet aanduwen of
    aanslepen. Gebruik hulpstartkabels
    en een hulpaccu. Zie Gebruik van
    startkabels (bladzijde 224).

    Uitvoeringen zonder
    sleutelloos startsysteem
    Stuurslot activeren:

    CONTACTSLOT

    1. Neem de sleutel uit het contactslot.
    2. Draai het stuurwiel.

    WAARSCHUWING

    Uitvoeringen met sleutelloos
    startsysteem

    Draai nooit de sleutel in de stand 0
    of I terug zolang de auto nog in
    beweging is.

    N.B.: Het stuurslot wordt niet geactiveerd
    bij ingeschakeld contact of wanneer met
    de auto wordt gereden.
    Uw auto is uitgerust met een elektronisch
    bediend stuurslot. Deze werkt
    automatisch.
    Korte tijd nadat u de auto heeft
    geparkeerd en de passieve sleutel zich
    buiten de auto bevindt, of nadat u de auto
    vergrendelt, wordt het stuurslot
    geactiveerd. Zie Sleutelloze toegang
    (bladzijde 42).

    E72128
    0 Contact uitgeschakeld.
    I De ontsteking en alle hoofdcircuits zijn
    uitgeschakeld.

    131



  • Page 134

    De motor starten
    Stuurslot deactiveren

    2. Druk het rempedaal volledig in.
    3. Start de motor.

    Schakel het contact in of:
    Uitvoeringen met automatische
    transmissie
    • Trap het rempedaal in.

    Alle modelvarianten
    Wacht even wanneer de motor niet
    binnen 15 seconden aanslaat en probeer
    het nogmaals.

    Auto's met handgeschakelde
    versnellingsbak
    • Trap het koppelingspedaal in.

    Wanneer de motor na drie startpogingen
    nog niet is aangeslagen, wacht dan tien
    seconden en ga te werk zoals is
    beschreven onder Verzopen motor.

    EEN BENZINEMOTOR
    STARTEN

    Wanneer het starten problemen oplevert
    bij temperaturen onder -25 ºC, druk dan
    het gaspedaal ¼ tot ½ van de pedaalslag
    in en probeer het opnieuw.

    N.B.: U kunt de startmotor per
    startpoging slechts maximaal 30
    seconden inschakelen.

    Verzopen motor

    Koude of warme motor

    Auto's met handgeschakelde
    versnellingsbak

    Alle modelvarianten

    1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
    2. Druk het gaspedaal volledig in en houd
    het ingedrukt.
    3. Start de motor.

    LET OP
    Zet, wanneer de temperatuur lager
    dan -20 ºC is, het contact minimaal
    één seconde aan voordat u de motor
    start. Hierdoor zorgt u ervoor dat de
    maximale benzinedruk wordt opgebouwd
    voordat de motor wordt gestart.

    Uitvoeringen met automatische
    transmissie
    1. Schakel park of neutral in.
    2. Druk het gaspedaal volledig in en houd
    het ingedrukt.
    3. Druk het rempedaal volledig in.
    4. Start de motor.

    Auto's met handgeschakelde
    versnellingsbak
    N.B.: Druk het gaspedaal niet in.
    1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
    2. Start de motor.
    3. Als de motor niet start, trap het
    rempedaal en het koppelingspedaal
    dan volledig in en probeer het
    opnieuw.

    Alle modelvarianten
    Slaat de motor niet aan, herhaal dan de
    startprocedure zoals beschreven onder
    Koude of warme motor.

    Stationair toerental na het
    starten

    Uitvoeringen met automatische
    transmissie

    Het stationaire toerental waarmee de
    motor direct na het aanslaan draait is
    afhankelijk van de motortemperatuur.

    N.B.: Raak het gaspedaal niet aan.
    1.

    Schakel park of neutral in.

    132



  • Page 135

    De motor starten
    Wanneer de motor koud is, wordt het
    stationaire toerental automatisch
    verhoogd om de katalysator zo snel
    mogelijk op temperatuur te brengen.
    Hierdoor wordt de uitlaatgasemissie van
    de auto tot een absoluut minimum
    beperkt.

    1. Trap het gaspedaal volledig in.
    2. Zet de contactsleutel in stand III.

    Het stationaire toerental neem langzaam
    af tot normaal zodra de katalysator
    opwarmt.

    3. Laat 5 seconden na het starten van
    de motor het gaspedaal geleidelijk los
    of wanneer het motortoerental stijgt.

    LET OP
    Laat de sleutel los zodra de motor
    aanslaat.

    Als de motor niet wordt gestart, herhaal
    dan stap 1, 2 en 3 of sluit een
    motorblokverwarming gedurende twee
    uren aan alvorens de motor te starten.

    EEN BENZINEMOTOR
    STARTEN - FLEX FUEL (FF,
    ETHANOL)

    Tijdens het starten worden de
    inspuitventielen buiten werking gesteld
    zolang het gaspedaal is ingedrukt. Dit kan
    worden gebruikt om het teveel aan
    brandstof na enkele mislukte
    startpogingen uit het inlaatspruitstuk te
    verwijderen.

    Voor algemene informatie bij het starten
    van een benzinemotor. Zie Een
    benzinemotor starten (bladzijde 132).

    Starten bij lage
    buitentemperaturen

    Indien de accu losgekoppeld is geweest
    of nadat een ander soort brandstof is
    getankt, kan de motor met een
    onregelmatig stationair toerental draaien.
    Dit herstelt zich na 10 tot 30 seconden.

    Indien de buitentemperatuur lager is dan
    -10°C en de tank E85 bevat, moet een
    motorblokverwarming worden gebruikt
    om het starten te vergemakkelijken. Zie
    Motorverwarming (bladzijde 137).
    Gebeurt dit niet, dan kan de motor niet
    worden gestart.

    EEN DIESELMOTOR
    STARTEN

    Indien de buitentemperatuur lager dan
    -10°C blijft, is het raadzaam ongelode
    benzine met een octaangetal van 95 bij
    te tanken indien de tank niet geheel
    gevuld is. Ongeveer 10 liter benzine brengt
    de verhouding bio-ethanol E85 in een ¾
    gevulde tank van 85% naar 70% terug,
    waardoor de koude-starteigenschappen
    aanzienlijk worden verbeterd.

    Koude of warme motor
    Alle modelvarianten
    N.B.: Wanneer de temperatuur lager is
    dan -15 ºC, mag u de startmotor 25
    seconden achtereen inschakelen.
    Wanneer de auto frequent wordt gebruikt
    bij dergelijk lage temperaturen raden wij
    aan een verwarmingselement in het
    motorblok te laten monteren.

    Indien bij zeer lage buitentemperaturen
    de tank alleen is gevuld met E85 en er
    geen motorblokverwarming kan worden
    gebruikt, kunt u moeilijkheden
    ondervinden bij het starten van de motor.

    N.B.: Schakel de startmotor in tot de
    motor aanslaat.

    Indien de motor niet wil aanslaan, ga dan
    als volgt te werk:

    133



  • Page 136

    De motor starten
    N.B.: U kunt de startmotor per
    startpoging slechts maximaal 30
    seconden inschakelen.

    N.B.: Druk het rempedaal of
    koppelingspedaal, afhankelijk van het type
    versnellingsbak, volledig in om de motor
    te starten.

    Zet het contact aan en wacht
    tot de controlelamp van het
    voorgloeisysteem uitgaat.
    Auto's met handgeschakelde
    versnellingsbak
    N.B.: Raak het gaspedaal niet aan.
    1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
    2. Start de motor.
    3. Als de motor niet start, trap het
    rempedaal en het koppelingspedaal
    dan volledig in en probeer het
    opnieuw.

    E85766

    Contact aan
    Druk eenmaal de startknop in. Alle
    elektrische circuits zijn operationeel, de
    waarschuwings- en controlelampen
    branden.

    Uitvoeringen met automatische
    transmissie

    Motor starten bij uitvoeringen
    met automatische transmissie

    1. Selecteer park of neutral.
    2. Druk het rempedaal volledig in.
    3. Start de motor.

    N.B.: Door tijdens het starten het
    rempedaal op te laten komen, wordt de
    startmotor uitgeschakeld maar blijft het
    contact aan.

    SLEUTELLOOS STARTEN

    1.

    Controleer of de transmissie in stand
    P of N staat.
    2. Druk het rempedaal volledig in.
    3. Druk de startknop in.

    WAARSCHUWINGEN
    Het is mogelijk dat het keyless
    startsysteem niet werkt wanneer de
    sleutel zich te dicht bij metalen
    voorwerpen of elektronische apparaten,
    zoals een mobiele telefoon, bevindt.

    Motor starten bij uitvoeringen
    met handgeschakelde
    versnellingsbak

    Controleer altijd voordat u probeert
    uw auto in beweging te brengen of
    het stuurslot is uitgeschakeld. Zie
    Stuurwielblokkering (bladzijde 131).

    N.B.: Door tijdens het starten het
    koppelingspedaal op te laten komen,
    wordt de startmotor uitgeschakeld maar
    blijft het contact aan.

    N.B.: Om het contact aan te zetten en
    de motor te starten moet zich een geldige
    passieve sleutel in de auto bevinden.

    1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
    2. Druk de startknop in.

    134



  • Page 137

    De motor starten
    3. Als de motor niet start, trap het
    rempedaal en het koppelingspedaal
    dan volledig in en probeer het
    opnieuw.

    Een dieselmotor starten
    N.B.: De startmotor kan pas worden
    ingeschakeld wanneer het voorgloeien is
    voltooid. Onder extreem koude
    omstandigheden kan dit enkele seconden
    duren.
    N.B.: Houd het koppelings- of rempedaal
    ingetrapt tot de motor wordt gestart.
    E85767

    Motor slaat niet aan.

    2. Steek de sleutel in de sleutelhouder.
    3. Met de passieve sleutel in deze stand
    kunt u de startknop gebruiken om het
    contact aan te zetten en de motor te
    starten.

    Het startsysteem met passieve sleutel
    werkt niet indien:
    • De frequenties van de passieve sleutel
    worden verstoord.
    • De batterij in de passieve sleutel leeg
    is.

    De motor afzetten bij
    stilstaande auto

    Volg de volgende procedure wanneer de
    motor niet kan worden gestart.

    N.B.: Het contact, alle elektrische circuits,
    waarschuwings- en controlelampen
    worden uitgeschakeld.
    Handgeschakelde versnellingsbak
    Druk de startknop in.
    Automatische transmissie
    1.

    Zet de keuzehendel in de stand P.
    2. Druk de startknop in.

    E87381

    1.

    Werk voorzichtig de kap los.

    135



  • Page 138

    De motor starten
    De motor afzetten bij rijdende
    auto

    N.B.: Nadat de motor is afgezet draaien
    de ventilatoren wellicht nog een korte
    periode door.

    WAARSCHUWING

    In tegenstelling tot een gewoon filter, dat
    regelmatig vervangen moet worden, is
    het DPF zodanig ontworpen dat het
    regenereert (zichzelf reinigt) om
    doeltreffend te blijven. Het
    regeneratieproces vindt automatisch
    plaats. Onder sommige
    rijomstandigheden moet u echter het
    regeneratieproces ondersteunen.

    Afzetten van de motor terwijl nog
    met de auto wordt gereden, leidt
    tot verlies van rem- en
    stuurbekrachtiging. De stuurinrichting
    wordt niet geblokkeerd, maar er is meer
    moeite nodig. Als het contact is
    uitgeschakeld, kunnen sommige
    elektrische circuits en waarschuwingsen controlelampen worden uitgeschakeld
    (OFF).

    Als u alleen korte afstanden aflegt of uw
    tijdens het rijden regelmatig stopt en start
    (met verhoogd accelereren en
    decelereren), dan zal een enkele keer
    rijden onder de volgende
    omstandigheden het regeneratieproces
    ondersteunen:

    Houd de startknop twee seconden
    ingedrukt of druk hier tweemaal binnen
    twee seconden op.

    DIESELROETFILTER (DPF)



    Het DPF is een onderdeel van het
    uitlaatgasemissiesysteem van uw auto.
    Het zuivert de uitlaatgassen van
    schadelijke roetdeeltjes bij auto's met
    dieselmotor.






    Regeneratie
    WAARSCHUWING
    Laat de motor niet stationair draaien
    of parkeer de auto niet op droge
    bladeren, droog gras of ander
    brandbaar materiaal. Het
    DPF-regeneratieproces werkt met
    bijzonder hoge uitlaatgastemperaturen
    en na het afzetten van de motor en tijdens
    en na DPF-regeneratie blijft de uitlaat een
    aanzienlijke hoeveelheid hitte uitstralen.
    Hierdoor ontstaat het gevaar van brand.

    Rijd tot 20 minuten met een constante
    snelheid, bij voorkeur op een
    hoofdweg of snelweg.
    Voorkom langdurig stationair draaien
    en neem altijd snelheidslimieten en het
    type wegdek in acht.
    Zet de auto niet van contact.
    Kies zo nodig een lagere versnelling
    dan normaal om tijdens deze rit een
    hoger motortoerental te verkrijgen.

    MOTOR UITSCHAKELEN
    Auto's met turbocompressor
    LET OP
    Zet de motor niet af wanneer deze
    met een hoog toerental draait. Als de
    motor bij een hoog toerental wordt
    afgezet, zal de turbocompressor nog
    draaien nadat de oliedruk al tot nul is
    gedaald. Dit heeft vroegtijdige slijtage van
    de compressorlagers tot gevolg.

    LET OP
    U dient te voorkomen dat de
    brandstof opraakt.

    136



  • Page 139

    De motor starten
    Laat het gaspedaal los. Wacht tot de
    motor stationair draait en zet de motor af.

    MOTORVERWARMING
    LET OP
    Onkoppel de voedingskabel van de
    aansluiting van de motorverwarming
    alvorens weg te rijden.
    N.B.: De aansluiting van de
    motorverwarming is aangebracht in de
    voorbumper.

    E135813

    Sluit de motorverwarming 2 tot 3 uur aan,
    voordat u de motor start.

    137



  • Page 140

    Start/stop knop
    N.B.: Het systeem werkt alleen wanneer
    de motor de normale bedrijfstemperatuur
    heeft bereikt en de buitentemperatuur
    tussen 0 ºC en 30 ºC ligt.

    WERKING
    LET OP
    Voor auto's met
    start/stop-schakelaar verschillen de
    accuvereisten. De accu moet
    worden vervangen door een accu met
    exact dezelfde specificatie als de
    originele.

    N.B.: Het systeem is standaard
    ingeschakeld. Druk op de schakelaar in
    het instrumentenpaneel om het systeem
    uit te schakelen. Het systeem wordt alleen
    gedeactiveerd gedurende de huidige
    contactcyclus. Druk nogmaals op de
    schakelaar om het systeem in te
    schakelen. Voor locatie. Zie Kort
    overzicht (bladzijde 10).

    Het systeem verlaagt het
    brandstofverbruik en de CO2-emissies
    door de motor uit te schakelen wanneer
    de auto stationair draait, bijvoorbeeld bij
    verkeerslichten. De motor wordt
    automatisch opnieuw gestart wanneer
    de bestuurder het koppelingspedaal
    intrapt of wanneer een voertuigsysteem
    dit aanvraagt, bijvoorbeeld voor het laden
    van de accu.

    N.B.: De start/stop-indicatielamp brandt
    groen wanneer de motor wordt
    uitgeschakeld. Zie Waarschuwingsen indicatielampen (bladzijde 84).
    N.B.: De start/stop-indicatielamp knippert
    oranje, wat aanduidt dat u neutraal moet
    selecteren of het koppelingspedaal moet
    intrappen. Hierbij wordt een bericht op de
    display weergegeven.

    Om maximaal voordeel uit het systeem
    te halen, moet de keuzehendel in de
    neutrale stand worden gezet en het
    koppelingspedaal bij een stop van langer
    dan 2 seconden worden losgelaten.

    N.B.: Als het systeem een storing heeft
    geregistreerd wordt dit uitgeschakeld.
    Laat het systeem onmiddellijk door een
    goed opgeleide monteur controleren.

    START/STOP KNOP
    GEBRUIKEN

    N.B.: Wanneer u het systeem hebt
    uitgeschakeld, is de schakelaar verlicht.
    N.B.: Als u de motor laat afslaan en
    vervolgens binnen een paar seconden
    het koppelingspedaal intrapt, dan wordt
    de motor automatisch opnieuw gestart.

    WAARSCHUWINGEN
    Indien het systeem dit vereist, kan
    de motor automatisch opnieuw
    worden gestart. Zie Werking
    (bladzijde 138).

    Motor afzetten
    N.B.: De auto moet stilstaan.

    Schakel het contact uit voordat de
    motorkap wordt geopend of
    onderhoudswerkzaamheden
    worden uitgevoerd.

    N.B.: Als het systeem de motor niet
    uitschakelt, dan wordt de storing op de
    informatiedisplay weergegeven. Zie
    Infoberichten (bladzijde 96).

    Schakel altijd het contact uit voordat
    u uit de auto stapt, want het
    systeem kan de motor wel
    uitgeschakeld hebben, maar het contact
    is nog steeds ingeschakeld.

    1. Stop de auto.
    2. Zet de keuzehendel in de
    neutraalstand.
    3. Laat het koppelingspedaal los.

    138



  • Page 141

    Start/stop knop
    4. Laat het gaspedaal los.
    Het systeem zet de motor wellicht niet af
    onder bepaalde omstandigheden,
    bijvoorbeeld:








    Om het interieurklimaat te behouden.
    Lage accuspanning.
    De buitentemperatuur is te laag of te
    hoog.
    Het bestuurdersportier is geopend.
    Lage bedrijfstemperatuur motor.
    Weinig vacuüm in remsysteem.
    Als een snelheid van 10 km/u niet is
    overschreden.

    Motor starten
    N.B.: De keuzehendel moet in de
    neutraalstand staan.
    Druk het koppelingspedaal in.
    Het systeem kan de motor onder
    bepaalde omstandigheden weer starten,
    bijvoorbeeld:



    Lage accuspanning.
    Om het interieurklimaat te behouden.

    139



  • Page 142

    Eco-modus
    Schakelen

    WERKING

    Door de hoogst mogelijke versnelling voor
    de betreffende rijomstandigheden te
    gebruiken, verbetert het
    brandstofverbruik.

    Het systeem assisteert de bestuurder bij
    het efficiënter rijden door voortdurend de
    karakteristieken van het schakelen, het
    anticiperen op verkeersomstandigheden
    en de snelheid op autosnelwegen en
    buitenwegen te controleren.

    Anticipatie
    Door uw rijsnelheid aan te passen en de
    afstand tot voertuigen voor u aan te
    passen zodat hard remmen of versnellen
    niet nodig is, verbetert het
    brandstofverbruik.

    N.B.: Deze rendementswaarden
    resulteren niet in een vaste
    brandstofverbruikswaarde. Deze kan
    namelijk variëren aangezien deze niet
    alleen samenhangt met de rijgewoonten,
    maar ook wordt beïnvloed door veel
    andere factoren zoals korte ritten en een
    koude start.

    Efficiënte snelheid
    Bij een hogere snelheid wordt meer
    brandstof verbruikt. Door uw kruissnelheid
    op buitenwegen te verlagen, verbetert
    het brandstofverbruik.

    N.B.: Regelmatige korte ritten, waarbij
    de motor niet volledig op
    bedrijfstemperatuur komt, zullen het
    brandstofverbruik ook doen toenemen.

    Type 2 en 3

    De waarde van deze karakteristieken
    wordt aangeduid door de bloemblaadjes
    in het display, waarbij vijf bloemblaadjes
    het efficiëntste is. Hoe efficiënter u rijdt,
    hoe beter deze waarde en hoe lager het
    totale brandstofverbruik.

    De relevante informatie wordt in het
    informatiedisplay weergegeven.

    ECO-MODUS GEBRUIKEN
    Toegang tot het systeem wordt
    verkregen m.b.v. het relevante
    informatiedisplaymenu. Zie Infodisplays
    (bladzijde 88).

    Type 1

    Eco-modus resetten
    Reset het gemiddelde brandstofverbruik.

    E121813

    A

    B

    A

    Schakelen

    B

    Anticipatie

    C

    Efficiënte snelheid

    N.B.: Het berekenen van nieuwe
    waarden kan even duren.

    C

    140



  • Page 143

    Brandstof en tanken
    VEILIGHEIDSMAATREGELEN

    WAARSCHUWINGEN
    Vervang het brandstofsysteem of
    componenten ervan niet door
    onderdelen die niet specifiek zijn
    ontworpen voor gebruik van E85.

    WAARSCHUWINGEN
    Stop met tanken nadat het
    vulpistool voor de tweede keer is
    afgeslagen. Alle brandstof die u dan
    nog toevoegt vult de expansieruimte in
    de brandstoftank, hetgeen er toe kan
    leiden dat de brandstof overstroomt. Het
    morsen van brandstof kan gevaarlijk zijn
    voor andere weggebruikers.

    LET OP
    Gebruik geen gelode benzine of
    benzine met additieven die andere
    metallische bestanddelen (bijv. op
    mangaan gebaseerd) bevat. Deze kunnen
    het emissiesysteem beschadigen.

    Vermijd open vuur of hittebronnen
    in de nabijheid van het
    brandstofsysteem. Het
    brandstofsysteem staat onder druk.
    Wanneer het brandstofsysteem lekt,
    bestaat het gevaar van verwonding.

    Gebruik geen methanol in plaats van
    E85.
    N.B.: Gebruik uitsluitend brandstof van
    hoge kwaliteit zonder additieven of
    andere toevoegingen.

    BRANDSTOFKWALITEIT BENZINE

    N.B.: Tijdens gebruik van E85 kan het
    brandstofverbruik hoger zijn.
    N.B.: De auto functioneert naar behoren
    op commerciële ongelode benzine met
    octaangetal 95. E85 van een hoge
    kwaliteit levert echter dezelfde
    bescherming en prestaties.

    LET OP
    Gebruik geen gelode benzine of
    benzine met additieven die andere
    metallische bestanddelen (bijv. op
    mangaan gebaseerd) bevat. Deze kunnen
    het emissiesysteem beschadigen.

    Gebruik ongelode benzine met een
    minimum octaangetal van 95 die
    voldoet aan de specificatie EN 228, of
    een equivalent. U kunt tevens een
    mengsel van ongelode benzine en E85
    gebruiken.

    N.B.: Gebruik uitsluitend brandstof van
    hoge kwaliteit zonder additieven of
    andere toevoegingen.
    Gebruik ongelode benzine met een
    minimum octaangetal van 95 die
    voldoet aan de specificatie EN 228, of
    een equivalent.

    Opslaan voor de lange termijn
    Vanwege kleine hoeveelheden
    corrosiebevorderende verontreinigingen
    in E85 wordt aanbevolen de tank alleen
    te vullen met ongelode benzine met een
    octaangetal van 95 alvorens de auto voor
    een langere periode niet te gebruiken.

    BRANDSTOFKWALITEIT FLEX FUEL (FF, ETHANOL)
    WAARSCHUWINGEN
    Breng geen wijzigingen aan het
    brandstofsysteem of onderdelen
    ervan aan.

    141



  • Page 144

    Brandstof en tanken
    KATALYSATOR

    BRANDSTOFKWALITEIT DIESEL

    WAARSCHUWING

    WAARSCHUWING

    Laat de motor niet stationair draaien
    of parkeer de wagen niet op droge
    bladeren, droog gras of ander
    brandbaar materiaal. Tijdens het gebruik
    van de motor en na het afzetten van de
    motor straalt het uitlaatsysteem veel
    warmte uit. Hierdoor ontstaat het gevaar
    van brand.

    Meng de dieselolie niet met olie,
    benzine of andere vloeistoffen. Deze
    kunnen een chemische reactie
    veroorzaken.
    LET OP
    Voeg geen kerosine, paraffine of
    petroleum aan de dieselolie toe.
    Deze kunnen het brandstofsysteem
    beschadigen.

    Rijden met een auto met
    katalysator
    LET OP
    Zorg ervoor dat u de tank niet leeg
    rijdt.

    Gebruik dieselolie die voldoet aan de
    specificatie EN 590, of de
    betreffende nationale specificatie.

    Schakel de startmotor niet langdurig
    achtereen in.

    N.B.: We adviseren alleen brandstof van
    hoge kwaliteit te gebruiken.

    Laat de motor niet met een
    losgekoppelde bougiekabel draaien.

    N.B.: Het gebruik van niet door Ford
    goedgekeurde additieven of andere
    motorbehandelingen worden door Ford
    afgeraden.

    Sleep of duw de auto niet aan.
    Gebruik hulpstartkabels. Zie
    Gebruik van startkabels
    (bladzijde 224).

    N.B.: Wij raden het langdurig gebruik van
    additieven af die vlokvorming moeten
    voorkomen.

    Zet het contact tijdens het rijden niet
    af.

    Opslaan voor de lange termijn

    TANKKLEP

    De meeste dieselbrandstoffen bevatten
    biodiesel; wanneer uw voertuig lange tijd
    niet wordt gebruikt (meer dan twee
    maanden), dan wordt aanbevolen de tank
    enkel met diesel op aardoliebasis (indien
    beschikbaar) te vullen of een antioxidant
    aan de biodiesel toe te voegen. Uw dealer
    kan u helpen met een geschikte
    antioxidant.

    WAARSCHUWINGEN
    Voorkom dat tijdens het tanken
    brandstof wordt gemorst, die zich
    in het vulpistool bevindt.
    Vermijd open vuur of hittebronnen
    in de nabijheid van het
    brandstofsysteem. Het
    brandstofsysteem staat onder druk.
    Wanneer het brandstofsysteem lekt,
    bestaat het gevaar van verwonding.

    142



  • Page 145

    Brandstof en tanken
    Wanneer u het vulpistool plaatst, opent
    een veerbelaste klep wanneer de
    correcte vulpistooldiameter wordt
    geregistreerd. Hierdoor wordt voorkomen
    dat onjuiste brandstof wordt getankt.

    LET OP
    Wanneer u een hogedrukspuit
    gebruikt om uw wagen te wassen,
    spuit dan kort op de tankklep vanaf
    een afstand van niet minder dan 20
    centimeter (8 inch).

    WAARSCHUWING
    Stop met tanken nadat het
    vulpistool voor de tweede keer is
    afgeslagen. Alle brandstof die u dan
    nog toevoegt vult de expansieruimte in
    de brandstoftank, waardoor de brandstof
    zou kunnen overstromen. Het morsen
    van brandstof kan gevaarlijk zijn voor
    andere weggebruikers.

    Type 1

    E135934

    Type 2

    E119080

    Breng het vulpistool tot en met de eerste
    nok op het vulpistool in. Laat het rusten
    op de afdekking van de vulbuis.
    WAARSCHUWING
    Wij raden aan minimaal 10 seconden
    te wachten alvorens het vulpistool
    langzaam uit de vulbuis te halen,
    zodat alle achtergebleven brandstof in de
    brandstoftank kan stromen.
    E135935

    Druk op de klep om deze te openen.
    Open de klep volledig tot hij vergrendelt.

    143



  • Page 146

    Brandstof en tanken
    TANKEN - FLEX FUEL (FF,
    ETHANOL)
    LET OP
    Probeer niet de motor te starten
    wanneer u de tank met de onjuiste
    brandstofsoort hebt gevuld. Hierdoor
    kan de motor worden beschadigd. Laat
    het systeem onmiddellijk door een
    geschoolde monteur controleren.

    E119081

    Til het vulpistool licht op om het te
    verwijderen.

    Tanken met een jerrycan

    Laat de motor na het tanken 5 minuten
    met een rijsnelheid van boven de 48 km/h
    werken om het risico van een langere
    herstarttijd van de motor te verkleinen.

    Gebruik de trechter in het
    handschoenenkastje.

    BRANDSTOFVERBRUIK
    De CO2 waarden en de
    brandstofverbruikcijfers zijn afgeleid van
    laboratoriumtests volgens EEC richtlijn
    80/1268/EEC en aanvullingen daarop.
    Deze richtlijnen worden door alle
    automobielfabrikanten aangehouden.

    TANKEN
    LET OP
    Probeer niet de motor te starten
    wanneer u de tank met de onjuiste
    brandstofsoort hebt gevuld. Hierdoor
    kan de motor worden beschadigd. Laat
    het systeem onmiddellijk door een
    geschoolde monteur controleren.

    Deze gegevens zijn bedoeld voor het
    vergelijken van merken en modellen. Ze
    zijn niet bedoeld als weergave van het
    werkelijke brandstofverbruik van uw
    wagen. Het werkelijke brandstofverbruik
    wordt door vele factoren bepaald,
    waaronder de rijstijl, rijden met hoge
    snelheden, starten/stoppen, gebruik van
    de airconditioning, de gemonteerde
    accessoires, rijden met een aanhanger,
    enz.
    Uw Ford dealer dient u gaarne van advies
    hoe u het brandstofverbruik kunt
    verlagen.

    TECHNISCHE SPECIFICATIE

    144



  • Page 147

    Brandstof en tanken
    Focus
    Brandstofverbruikscijfers
    Stadsverkeer

    Buitenweg

    Gecombineerd

    CO2emissie

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    g/km

    1.6L Duratec- 16V Ti- VCT
    (Sigma) fase V, 5-deurs

    8 (35,3)

    4,7 (60,1)

    5,9 (47,9)

    136

    1.6L Duratec- 16V Ti- VCT
    (Sigma) fase V, 4-deurs en
    stationwagon

    8,1 (34,9)

    4,8 (58,9)

    6 (47,1)

    139

    1.6L EcoBoost SCTi (Sigma)
    zonder start/stop-systeem

    8,3 (34)

    5 (56,5)

    6,2 (45,6)

    144

    1.6L EcoBoost SCTi (Sigma)
    met start/stop-systeem

    7,7 (36,7)

    5 (56,5)

    6 (47,1)

    139

    1.6L Duratorq- TDCi (DV)
    Diesel fase V zonder
    start/stop-systeem

    5,7 (49,6)

    3,7 (76,3)

    4,5 (62,8)

    117

    1.6L Duratorq- TDCi (DV)
    Diesel fase V met
    start/stop-systeem

    5,1 (55,4)

    3,7 (76,3)

    4,2 (67,3)

    109

    2.0L Duratorq- TDCi (DW)
    Diesel fase V, handgeschakelde versnellingsbak

    6,3 (44,8)

    4,2 (67,3)

    5 (56,5)

    129

    2.0L Duratorq- TDCi (DW)
    Diesel fase V, automatische
    transmissie

    6,8 (41,5)

    4,4 (64,2)

    5,3 (53,3)

    139

    Variant

    145



  • Page 148

    Versnellingsbak/transmissie
    HANDGESCHAKELDE
    VERSNELLINGSBAK

    AUTOMATISCHE
    TRANSMISSIE

    De achteruit inschakelen

    Keuzehandelstanden

    LET OP
    Schakel de achteruit niet in wanneer
    de wagen in beweging is. Dit kan
    inwendige schade aan de
    versnellingsbak veroorzaken.

    E133124

    E99067

    Bij sommige auto's moet de kraag
    omhoog worden gebracht tijdens
    inschakelen van de achteruit.
    Auto's met handgeschakelde
    5-versnellingsbak
    LET OP
    Druk het koppelingspedaal geheel in
    en wacht drie seconden voordat u
    de achteruit inschakelt.

    P

    Parkeren

    R

    Achteruit

    N

    Neutraal

    D

    Rijden

    S

    Sportmodus en handmatig
    schakelen

    +

    Handmatig opschakelen

    -

    Handmatig terugschakelen
    WAARSCHUWING
    Druk het rempedaal in voordat u de
    keuzehendel verplaatst en houd het
    ingedrukt tot u wegrijdt.

    Druk de knop op de keuzehendel in om
    een andere stand in te schakelen.
    De stand van de keuzehendel wordt op
    het informatiedisplay weergegeven.

    146



  • Page 149

    Versnellingsbak/transmissie
    N.B.: U kunt de actueel geselecteerde
    versnelling tijdelijk uitschakelen m.b.v. de
    knoppen + en -.

    Parkeren
    WAARSCHUWINGEN
    Schakel de parkeerstand alleen in
    wanneer de auto stilstaat.

    Schakel de rijstand in om automatisch
    gebruik te maken van alle voorwaartse
    versnellingen.

    Trek voordat u de auto verlaat
    de parkeerrem aan en schakel
    de parkeerstand in. Controleer
    of de keuzehendel is vergrendeld.

    De transmissie schakelt de juiste
    versnelling in voor optimale prestaties
    gebaseerd op de omgevingstemperatuur,
    de hellingshoek van het wegdek, de
    belading van de auto en de inbreng van
    de bestuurder.

    N.B.: Wanneer het bestuurdersportier
    wordt geopend en u de parkeerstand niet
    hebt ingeschakeld, klinkt een akoestisch
    signaal.

    Sportmodus en handmatig
    schakelen

    In deze stand wordt geen kracht op de
    aangedreven wielen overgebracht en de
    transmissie is geblokkeerd. Wanneer de
    keuzehendel in deze stand staat kunt u
    de motor starten.

    Sportmodus
    N.B.: In de modus Sport werkt de
    transmissie normaal, maar worden
    versnellingen sneller gekozen bij hogere
    motortoerentallen.

    Achteruit

    N.B.: In de modus Sport wordt S
    weergegeven in het instrumentenpaneel.

    WAARSCHUWINGEN
    Schakel de achteruit alleen in
    wanneer de auto stilstaat en de
    motor stationair draait.

    Activeer de modus Sport door de
    keuzehendel in de stand S te plaatsen.
    De Sport-modus blijft actief tot u
    handmatig op- of terugschakelt m.b.v. +
    en -, of de keuzehendel weer in stand D
    zet.

    Zorg altijd dat de auto volledig stil
    staat voordat er vanuit de
    achteruitversnelling naar een andere
    versnelling wordt geschakeld.

    Handmatig schakelen
    Selecteer de achteruitversnelling om het
    voertuig achteruit te laten rijden.

    WAARSCHUWING
    Houd de knoppen niet constant in
    – of +.

    Neutraal
    In deze stand wordt geen kracht op de
    aangedreven wielen overgebracht, maar
    de transmissie is niet geblokkeerd.
    Wanneer de keuzehendel in deze stand
    staat kunt u de motor starten.

    LET OP
    De transmissie schakelt automatisch
    terug wanneer het motortoerental te
    laag is.

    Rijden
    Druk op de knop - om terug te schakelen
    en op de knop + om op te schakelen.

    N.B.: Het schakelen vindt alleen plaats
    bij bepaalde rijsnelheden en
    motortoerentallen.

    147



  • Page 150

    Versnellingsbak/transmissie
    Er worden mogelijk versnellingen
    overgeslagen wanneer er herhaaldelijk
    binnen korte intervallen op de knoppen
    wordt gedrukt.
    De handmatige modus beschikt ook over
    een kickdown functie. Zie Kickdown.

    Aanwijzingen voor het rijden
    met een automatische
    transmissie
    LET OP

    3

    E133128

    2

    1

    1. Verwijder voorzichtig de kapje.
    2. Verwijder de borgklem.
    3. Verwijder het zijpaneel van de
    middenconsole.

    Laat de motor niet langdurig
    achtereen stationair draaien met een
    ingetrapt rempedaal in de stand D.
    Wegrijden
    1. Zet de parkeerrem los.
    2. Laat het rempedaal opkomen en druk
    het gaspedaal in.
    Stoppen

    4

    1.

    Laat het gaspedaal opkomen en druk
    het rempedaal in.
    2. Schakel de parkeerrem in.
    3. Selecteer neutraal of park.

    E133129

    Kickdown

    N.B.: De hendel is wit van kleur.

    Druk het gaspedaal volledig in terwijl het
    keuzehendel in de rijstand staat om voor
    optimale prestaties de eerstvolgende
    lagere versnelling in te schakelen. Laat
    het gaspedaal los wanneer kickdown niet
    langer gewenst is.

    4. Druk het rempedaal in. Houd de
    hendel m.b.v. een geschikte
    gereedschapspers naar voren gedrukt
    terwijl u de keuzehendel vanuit de
    parkeerstand in de neutraalstand
    trekt.

    Voorziening voor het
    ontgrendelen van de
    keuzehendel
    Gebruik de hefboom om bij een
    elektrische storing of bij een lege accu de
    keuzehendel uit de parkeerstand te
    zetten.

    148



  • Page 151

    Remmen
    WERKING

    PARKEERREM

    N.B.: Afhankelijk van de
    verkeerswetgeving van het land waarin
    uw auto oorspronkelijk is gebouwd,
    knipperen de remlichten wanneer u
    krachtig remt.

    Alle uitvoeringen
    WAARSCHUWING
    Bij auto's met automatische
    transmissie moet de keuzehendel
    altijd in de stand P staan.

    Schijfremmen
    Natte remschijven hebben een lagere
    wrijvingscoëfficiënt. Druk na het verlaten
    van een wasstraat het rempedaal even
    voorzichtig in om de waterfilm op de
    remschijven te laten verdampen.




    ABS





    WAARSCHUWING
    ABS is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.



    Het ABS voorkomt dat de wielen
    blokkeren, zelfs tijdens krachtig remmen,
    waardoor de auto in noodsituaties volledig
    bestuurbaar en stabiel blijft.

    Druk het rempedaal krachtig in.
    Trek de handremhendel krachtig en
    zover mogelijk aan.
    Druk de ontgrendelknop tijdens het
    aantrekken niet in.
    Wanneer uw auto op een helling
    geparkeerd staat met de voorzijde in
    opwaartse richting, schakel dan de
    eerste versnelling in en draai het
    stuurwiel van de trottoirband af.
    Wanneer uw auto op een helling
    geparkeerd staat met de voorzijde in
    neerwaartse richting, schakel dan de
    achteruit in en draai het stuurwiel naar
    de trottoirband toe.

    Druk, om de handrem los te zetten, het
    rempedaal krachtig in, trek de hefboom
    iets omhoog, druk de ontgrendelknop in
    en laat de hefboom zakken.

    TIPS VOOR RIJDEN MET ABS
    Wanneer het ABS in werking is, pulseert
    het rempedaal. Dit is normaal. Blijf het
    rempedaal indrukken.
    Het ABS voorkomt geen gevaren die
    ontstaan wanneer:
    • u te weinig afstand ten opzichte van
    voor u rijdend verkeer houdt.
    • de auto te maken krijgt met
    aquaplaning.
    • u bochten te snel neemt.
    • het wegdek slecht is.

    149



  • Page 152

    Stabiliteitsregeling
    Het systeem zorgt ook voor een betere
    tractieregeling door het motorkoppel te
    verlagen wanneer de wielen bij het
    accelereren beginnen door te spinnen.
    Het verbetert de mogelijkheden om op
    gladde of losse oppervlakken te kunnen
    optrekken en het verbetert het comfort
    door wielspin in haarspeldbochten te
    beperken.

    WERKING
    Elektronisch
    stabiliteitsprogramma (ESP)
    WAARSCHUWING
    ESP houdt niet in dat u niet langer
    voorzichtig en aandachtig hoeft te
    rijden.

    Controlelamp stabiliteitsregeling
    (ESP)
    De controlelamp van het ESP knippert
    wanneer het systeem is geactiveerd. Zie
    Waarschuwings- en
    indicatielampen (bladzijde 84).

    B

    Noodremassistent
    WAARSCHUWING

    B

    De noodremassistent is niet
    bedoeld om de bestuurder te
    ontheffen van zijn plicht om tijdens
    het rijden voorzichtig en oplettend te zijn.

    B
    A
    A

    B

    A

    De noodremassistent kan een
    noodstopsituatie herkennen aan de
    snelheid waarmee u het rempedaal
    indrukt. Hij zorgt voor een maximale
    remdruk zolang het rempedaal wordt
    ingedrukt. De noodremassistent kan de
    remweg in kritieke situaties reduceren.

    E72903

    A

    zonder ESP

    B

    met ESP

    Aanhangerstabiliteitsregeling

    Het ESP ondersteunt de stabiliteit van de
    auto wanneer deze dreigt uit te breken.
    Dit wordt bewerkstelligd door de wielen
    afzonderlijk af te remmen en door het
    motorkoppel zo nodig te verlagen.

    WAARSCHUWINGEN
    De aanhangerstabiliteitsregeling is
    niet bedoeld om de bestuurder te
    ontheffen van zijn plicht om tijdens
    het rijden met een aanhanger voorzichtig
    en oplettend te zijn.
    Door ESP uit te schakelen, wordt
    het systeem gedeactiveerd.

    150



  • Page 153

    Stabiliteitsregeling
    Aanhangerstabiliteitsregeling is een
    uitbreidingsfunctie van ESP die
    automatisch registreert wanneer een
    gekoppelde aanhanger begint te
    slingeren.
    Als dit het geval is, dan remt het systeem
    automatisch de afzonderlijke wielen af om
    de stabiliteit van de aanhanger en het
    voertuig te herstellen. Als er overmatig
    slingeren wordt geregistreerd, dan wordt
    het motorkoppel verlaagd en neemt de
    snelheid van het voertuig automatisch af.

    GEBRUIK MAKEN VAN
    STABILITEITSREGELING
    N.B.: Telkens wanneer u het contact aan
    zet wordt het systeem automatisch
    ingeschakeld.
    Het systeem uit- en inschakelen. Zie
    Infodisplays (bladzijde 88).

    151



  • Page 154

    Regeling voor bergop rijden
    Alleen auto's met
    handgeschakelde
    versnellingsbak

    WERKING
    Het systeem maakt het eenvoudiger op
    te trekken wanneer de auto op een helling
    staat zonder dat het noodzakelijk is
    gebruik te maken van de parkeerrem.

    Het systeem kan worden in- en
    uitgeschakeld met behulp van de
    informatiedisplay. Zie Algemene
    informatie (bladzijde 88).

    Wanneer het systeem actief is, dan blijft
    de auto korte tijd op de helling stil staan
    nadat u het rempedaal loslaat. Gedurende
    deze tijd heeft u de tijd om uw voet van
    het rempedaal te halen, het gaspedaal in
    te drukken en op te trekken. De remmen
    worden automatisch gelost zodra de
    motor voldoende vermogen heeft
    opgebouwd om weg te rijden. Zo wordt
    voorkomen dat de auto op een helling
    kan terugrollen. Dit is een voordeel
    wanneer u op een helling moet optrekken,
    bijvoorbeeld vanaf een helling van een
    parkeerplaats, bij verkeerslichten of tijdens
    het achteruit tegen een helling inparkeren.

    Het systeem activeren
    WAARSCHUWINGEN
    U dient in de auto te blijven zitten
    nadat het systeem is geactiveerd.
    U blijft te allen tijde verantwoordelijk
    voor het besturen van de auto en
    het zo nodig in en uitschakelen van
    het systeem.
    Als een storing is geregistreerd
    wanneer het systeem actief is, dan
    wordt het systeem gedeactiveerd
    en wordt een bericht weergegeven op
    de display. Zie Infoberichten (bladzijde
    96).

    WAARSCHUWING
    Het systeem vervangt niet de
    parkeerrem. Trek altijd de handrem
    aan en schakel de eerste versnelling
    of de achteruit in wanneer u de auto
    verlaat.

    U kunt het systeem alleen activeren als
    aan de volgende voorwaarden is voldaan:
    • De motor loopt.
    • Het systeem is ingeschakeld.
    • Bij wagens met een handgeschakelde
    versnellingsbak, het koppelingspedaal
    is ingedrukt.
    • Er geen sprake is van storingen.

    REGELING VOOR BERGOP
    RIJDEN GEBRUIKEN
    Het systeem wordt automatisch
    geactiveerd als de auto op een helling van
    meer dan 3% wordt stilgezet. Het
    systeem werkt als de auto met de neus
    bergaf staat gericht met ingeschakelde
    achteruitversnelling en als de auto bergop
    staat gericht met ingeschakelde
    vooruitversnelling.

    Activeren van het systeem:
    1.

    Druk het rempedaal in om de wagen
    volledig tot stilstand te brengen. Houd
    het rempedaal ingedrukt.
    2. Als de sensoren registreren dat de
    auto op een helling staat, dan wordt
    het systeem automatisch geactiveerd.

    152



  • Page 155

    Regeling voor bergop rijden
    3. Wanneer u uw voet van het
    rempedaal neemt, blijft de auto een
    korte periode op de helling staan
    zonder achteruit te rollen. Deze
    periode wordt automatisch verlengd
    als u bezig bent weg te rijden.
    4. Rijd op de normale manier weg. De
    remmen worden automatisch gelost.

    Het systeem deactiveren
    Voer voor het activeren van het systeem
    één van de volgende stappen uit:





    Wacht even tot het systeem
    automatisch gedeactiveerd wordt.
    Wanneer een vooruitversnelling was
    ingeschakeld toen het systeem actief
    werd, schakel dan de achteruit in.
    Wanneer de achteruitversnelling was
    ingeschakeld toen het systeem actief
    werd, schakel dan een
    vooruitversnelling in.

    153



  • Page 156

    Parkeerhulp
    N.B.: Houd de sensoren vrij van vuil, ijs
    en sneeuw. Reinig de sensoren niet met
    scherpe voorwerpen.

    WERKING
    WAARSCHUWING

    N.B.: Wanneer de parkeerhulp een
    signaal registreert dat op dezelfde
    frequentie wordt uitgezonden als de
    sensoren gebruiken, of wanneer de auto
    maximaal is beladen, kan een vals signaal
    worden gegeven.

    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.
    LET OP
    Uitvoeringen met een
    trekhaakmodule die niet door ons is
    goedgekeurd, kunnen obstakels niet
    correct detecteren.

    N.B.: De buitenste sensoren kunnen de
    zijmuren van een garage detecteren.
    Wanneer de afstand tussen de buitenste
    sensor en de muur gedurende drie
    seconden constant blijft, wordt het
    akoestisch signaal uitgeschakeld.
    Wanneer u doorrijdt, kunnen de binnenste
    sensoren objecten achter de auto
    detecteren.

    Bij zware regenval of andere
    omstandigheden waardoor
    verstorende reflecties ontstaan is het
    mogelijk dat de sensoren bepaalde
    voorwerpen niet 'zien'.

    GEBRUIK MAKEN VAN DE
    PARKEERHULP - AUTO'S
    MET PARKEERHULP
    ACHTERUIT

    De sensoren kunnen voorwerpen
    met een oppervlak de ultrasone
    geluidsgolven absorberen niet 'zien'.
    De parkeerhulp detecteert geen
    obstakels die van de auto af
    bewegen. Deze worden alleen kort
    nadat zij opnieuw naar de auto toe
    bewegen gedetecteerd.

    WAARSCHUWING
    Ondanks de parkeerhulp bent u
    verplicht voorzichtig en aandachtig
    te rijden.

    Wanneer u een hogedrukspuit
    gebruikt om uw auto te wassen, spuit
    dan kort op de sensoren vanaf een
    afstand van niet minder dan 20
    centimeter (8 inches).
    De parkeerhulp stuurt signalen via
    het door Ford aangebrachte en
    goedgekeurde audiosysteem. Werkt
    dit niet, dan werkt het
    parkeerhulpsysteem niet naar behoren.
    E77927

    N.B.: Bij auto's met een afneembare
    trekhaakkoppeling wordt de parkeerhulp
    achter automatisch uitgeschakeld
    wanneer een van de aanhangerlampen
    (of verlichting) wordt aangesloten op de
    13 pins stekkerdoos via een door Ford
    goedgekeurde trekhaakmodule.

    De parkeerhulp wordt automatisch
    geactiveerd wanneer u bij aangezet
    contact de achteruit inschakelt.

    154



  • Page 157

    Parkeerhulp
    N.B.: Als een storing wordt aangegeven,
    wordt het systeem uitgeschakeld. Laat
    het systeem onmiddellijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    U hoort een onderbroken signaal wanneer
    de afstand tussen de achterbumper en
    een obstakel ca. 150 cm bedraagt of ca.
    50 cm aan de zijkanten. Wanneer de
    afstand kleiner wordt, volgen de signalen
    elkaar sneller op.

    A
    E130180

    Een aanhangersymbool geeft aan dat een
    aanhanger is aangekopppeld, waarna het
    systeem wordt uitgeschakeld.

    E130178

    A

    Indicator afgelegde weg.

    GEBRUIK MAKEN VAN DE
    PARKEERHULP - AUTO'S
    MET PARKEERHULP VOOR
    EN ACHTER

    Als de afgelegde weg korter wordt, dan
    beweegt de indicator richting de auto.
    Een voortdurend signaal weerklinkt op
    een afstand van minder dan 30
    centimeter tot de achterbumper.

    WAARSCHUWING

    N.B.: Bij auto's met een trekhaak die
    door Ford is goedgekeurd, klinkt het
    continue signaal op een afstand van 45
    centimeter vanaf de achterbumper.

    Ondanks de parkeerhulp bent u
    verplicht voorzichtig en aandachtig
    te rijden.

    Parkeerhulp in- en uitschakelen
    De parkeerhulp is standaard
    uitgeschakeld. Schakel de
    achteruitversnelling in of druk de
    schakelaar op het instrumentenpaneel in,
    om de parkeerhulp in te schakelen. Positie
    van onderdeel: Zie Kort overzicht
    (bladzijde 10).

    A

    Wanneer de parkeerhulp is ingeschakeld,
    brandt het lampje in de schakelaar.

    E130179

    A

    Storingsindicatielamp.

    Druk nogmaals op de schakelaar om de
    functie uit te schakelen.

    155



  • Page 158

    Parkeerhulp
    Manoeuvreren met de
    parkeerhulp

    A

    U hoort een wisselend signaal wanneer
    de obstakels aan de voor- en achterzijde
    minder dan 30 centimeter van de voorof achterbumper zijn verwijderd.

    B
    1

    A
    D

    C

    2
    E130382

    A

    Indicator afgelegde weg.

    E130381

    1

    Achteruitversnelling
    geselecteerd

    2

    Neutraal of vooruitversnelling
    geselecteerd

    A

    Display en toon

    B

    Display en toon

    C

    Alleen display

    D

    Display en toon

    Als de afgelegde weg korter wordt, dan
    beweegt de indicator richting de auto.

    A

    U hoort een onderbroken signaal wanneer
    de afstand tussen de achterbumper en
    een obstakel ca. 150 cm bedraagt, 80 cm
    tussen een obstakel en de voorbumper
    of 50 cm aan de zijkanten. Wanneer de
    afstand kleiner wordt, volgen de signalen
    elkaar sneller op. Een voortdurend signaal
    weerklinkt op een afstand van minder dan
    30 centimeter tot de voor- of
    achterbumper.

    E130383

    A

    Storingsindicatielamp.

    N.B.: Als een storing wordt aangegeven,
    wordt het systeem uitgeschakeld. Laat
    het systeem onmiddellijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    N.B.: Bij auto's met een trekhaak die
    door Ford is goedgekeurd, klinkt het
    continue signaal op een afstand van 45
    centimeter vanaf de achterbumper.

    156



  • Page 159

    Parkeerhulp

    E130180

    Een aanhangersymbool geeft aan dat een
    aanhanger is aangekopppeld, waarna de
    achterste sensoren worden
    uitgeschakeld.

    157



  • Page 160

    Actieve parkeerhulp
    De actieve parkeerhulp registreert een
    geschikte parkeerplaats en stuurt de auto
    op de plek. Het systeem regelt de
    besturing terwijl de bestuurder het
    gaspedaal, de transmissie en de remmen
    bedient. De manoeuvre kan worden
    onderbroken door het stuur vast te
    houden of de schakelaar voor de actieve
    parkeerhulp in te drukken.

    WERKING
    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.
    U dient er op te letten dat de
    gekozen ruimte te allen tijde tijdens
    de manoeuvre vrij blijft van
    obstakels.

    De actieve parkeerhulp instrueert de
    bestuurder visueel en hoorbaar tijdens de
    procedure voor het veilig parkeren van
    de auto.

    Auto's met overhangende lading,
    voorwerpen op de straat en andere
    voorwerpen worden wellicht niet
    herkend door de actieve parkeerhulp.
    Zorg dat de gekozen ruimte geschikt is
    om te parkeren.

    ACTIEVE PARKEERHULP
    GEBRUIKEN
    LET OP
    Bij zware regenval of andere
    omstandigheden waardoor
    verstorende reflecties ontstaan is het
    mogelijk dat de sensoren bepaalde
    voorwerpen niet 'zien'.

    Gebruik de actieve parkeerhulp niet
    als een aanhanger achter de auto
    is gekoppeld.
    Gebruik de actieve parkeerhulp niet
    als een fietsenrek achterop de auto
    is bevestigd.

    De sensoren kunnen voorwerpen
    met een oppervlak de ultrasone
    geluidsgolven absorberen niet 'zien'.

    Gebruik de actieve parkeerhulp niet
    als een overhangend voorwerk is
    bevestigd aan het dak.

    De sensoren registreren wellicht
    geen stoeprand.

    Als de manoeuvre wordt
    onderbroken voordat deze is
    voltooid, dan wordt de actieve
    parkeerhulp onderbroken. De stuurpositie
    geeft niet de werkelijke positie van het
    stuur aan en u dient de besturing van de
    auto over te nemen.

    N.B.: Als het aandrijfregelsysteem wordt
    uitgeschakeld, dan is de actieve
    parkeerhulp niet beschikbaar. Zie
    Algemene informatie (bladzijde 88).
    De actieve parkeerhulp lijnt de auto niet
    correct uit als:
    • Een reserveband of een band die
    meer is versleten dan de andere
    banden wordt gebruikt;

    Zorg dat los hangende kleding, uw
    handen of uw armen niet verstrikt
    raken in het draaiende stuur.




    158

    De in de fabriek aangebrachte banden
    niet bij de auto zijn gebruikt;
    De banden doorslippen;



  • Page 161

    Actieve parkeerhulp



    N.B.: Als geen selectie wordt gemaakt
    met behulp van de
    richtingaanwijzerhendel, dan gebruikt de
    actieve parkeerhulp de passagierszijde
    van de auto.

    U de auto laat rollen;
    De weersomstandigheden slecht zijn
    (zware regenval, sneeuw, mist enz.).

    Rijd naar voren met een maximale
    snelheid van 30 km/u. Druk op de
    schakelaar voor de actieve parkeerhulp.
    Zie Kort overzicht (bladzijde 10).
    Gebruik de richtingaanwijzerhendel om
    zoeken aan de linker- of rechterzijde van
    de auto te selecteren.

    A

    E130107

    N.B.: Uitschakelen van de akoestische
    signalen: Zie Persoonlijke
    instellingen (bladzijde 96).

    N.B.: De pijlsymbolen of afbeeldingen op
    de display laten zien aan welke zijde van
    het voertuig het systeem parkeert. De
    display geeft ook aan wanneer u de
    achteruitversnelling dient te selecteren.

    Het informatie- en entertainmentdisplay
    informeert u en een akoestisch signaal is
    hoorbaar wanneer een geschikte
    parkeerplaats is gevonden. Volg om het
    voertuig te parkeren de instructies op het
    informatie- en entertainmentdisplay.

    Rijd langzaam naar positie A en volg de
    instructies van het systeem.

    E130108

    159



  • Page 162

    Actieve parkeerhulp
    Rijd voorzichtig met de auto achteruit met
    behulp van het gaspedaal en het
    rempedaal om de auto te besturen. Er
    zijn waarschuwingssignalen voor de
    parkeerhulp hoorbaar. Stop de auto
    wanneer u een continu signaal hoort.

    WAARSCHUWING
    Als een snelheid van 10 km/u wordt
    overschreden, dan wordt het
    systeem uitgeschakeld en dient u
    de volledige besturing van de auto over
    te nemen.

    U kunt de manoeuvre overnemen door
    het stuur vast te nemen. Er kan een
    bericht worden weergegeven dat de
    actieve parkeerhulp kan worden hervat.
    Druk op de schakelaar voor de actieve
    parkeerhulp om dit bericht te accepteren.
    Zie Kort overzicht (bladzijde 10).

    E130109

    Rijd met de auto vooruit. Stop de auto
    wanneer u een continu signaal hoort.
    Herhaal de bovenstaande stappen tot de
    auto naar tevredenheid is geparkeerd.
    Het infocentrum geeft aan wanneer de
    actieve parkeerhulp de manoeuvre heeft
    voltooid.

    160



  • Page 163

    Achteruitkijkcamera
    WERKING

    WAARSCHUWINGEN
    Plaats geen voorwerpen voor de
    camera.

    De camera is een visueel hulpmiddel bij
    achteruitrijden.
    WAARSCHUWING

    De camera is aangebracht op de
    achterklep (bij de handgreep).

    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.
    LET OP
    Wanneer u een hogedrukspuit
    gebruikt om uw wagen te wassen,
    spuit dan kort op de camera vanaf
    een afstand van niet minder dan 20
    centimeter.
    Oefen geen druk op de camera uit.

    E99105

    N.B.: Houd de camera vrij van vuil, ijs en
    sneeuw. Reinig de camera niet met
    scherpe voorwerpen, ontvetter, was of
    organische producten. Gebruik alleen een
    zachte doek.

    Achteruitkijkcamera activeren
    LET OP
    Het kan voorkomen dat de camera
    voorwerpen die zich te dicht bij de
    auto bevinden niet kan registreren.

    Tijdens de bediening worden in de display
    hulplijnen weergegeven die de route van
    de wagen en de geschatte afstand vanaf
    voorwerpen aan de achterzijde
    voorstellen.

    Met het contact en het audiosysteem
    ingeschakeld:
    1. Druk op de parkeerhulpschakelaar op
    het instrumentenpaneel. Voor locatie:
    Zie Kort overzicht (bladzijde 10).
    Of,
    2. Schakel de achteruitversnelling in.

    ACHTERUITKIJKCAMERA
    GEBRUIKEN
    WAARSCHUWINGEN
    De bediening van de camera
    varieert afhankelijk van de
    buitentemperatuur, de
    rij-omstandigheden van de auto en het
    type weg.

    De afbeelding wordt op het scherm
    weergegeven.
    De lamp in de schakelaar gaat branden
    wanneer het systeem wordt geactiveerd.

    De in het display weergegeven
    afstanden kunnen verschillen van
    de werkelijke afstand.

    161



  • Page 164

    Achteruitkijkcamera
    De camera werkt wellicht niet correct
    onder de volgende omstandigheden:
    • Donkere gebieden.
    • Fel licht.
    • Als de buitentemperatuur snel toe- of
    afneemt.
    • Als de camera nat is (bijvoorbeeld
    tijdens regen of een hoge
    vochtigheid).
    • Als het zicht van de camera is
    geblokkeerd (bijvoorbeeld door
    modder).

    D

    E

    D

    C

    C

    B

    B

    A

    A

    Display gebruiken
    LET OP
    Voorwerpen boven de camera
    worden niet weergegeven.
    Controleer indien nodig het gebied
    achter de auto.
    Markeringen worden alleen gebruikt
    als algemene richtlijn en worden
    berekend voor auto's met een
    maximale belading op een egaal wegdek.
    De lijnen geven een geprojecteerde route
    van de auto (gebaseerd op de huidige
    stuurwielhoek) en de afstand vanaf de
    buitenspiegels en de achterbumper aan.

    E99458

    162

    A

    Speling buitenspiegel - 0,1
    meter

    B

    Rood - 0,3 meter

    C

    Geel - 0,6 meter

    D

    Groen - 0,9 tot 3,2 meter



  • Page 165

    Achteruitkijkcamera
    N.B.: Wanneer er met een aanhanger
    achteruit wordt gereden, dan worden de
    lijnen niet op het scherm getoond.

    Achteruitkijkcamera
    deactiveren
    N.B.: Schakel een vooruitversnelling in.
    Het display blijft een korte periode aan
    alvorens deze wordt uitgeschakeld.
    N.B.: Het systeem wordt automatisch
    uitgeschakeld wanneer de
    voertuigsnelheid ongeveer 15 km/u is.
    Druk op de parkeerhulpschakelaar op het
    instrumentenpaneel. Voor locatie: Zie
    Kort overzicht (bladzijde 10).

    Auto's met parkeerhulp
    In het display wordt tevens een gekleurde
    afstandsbalk getoond. Deze geeft de
    afstand van de achterbumper naar het
    geregistreerde object aan.
    De volgende kleurcodes zijn van
    toepassing:
    • Groen - 0,6 tot 1,8 meter
    • Geel - 0,3 tot 0,6 meter
    • Rood - 0,3 meter of minder.

    163



  • Page 166

    Snelheidsregeling (cruise control)
    Snelheid instellen

    WERKING

    Druk op de SET+ of de SET- schakelaar
    om de snelheid in het geheugen op te
    slaan en met de actuele snelheid te blijven
    rijden. De controlelamp van de cruise
    control gaat branden. Zie
    Waarschuwings- en
    indicatielampen (bladzijde 84).

    WAARSCHUWING
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.
    Met cruise control (automatische
    snelheidsregeling) kunt u met behulp van
    de schakelaars op het stuurwiel de
    rijsnelheid instellen. U kunt cruise control
    gebruiken bij snelheden hoger dan
    ongeveer 30 km/u.

    Ingestelde snelheid
    veranderen
    WAARSCHUWING
    Wanneer u een heuvel afrijdt, kan
    de snelheid hoger worden dan de
    ingestelde snelheid. Het systeem
    stelt niet de remmen in werking. Schakel
    terug en druk op de SET- schakelaar om
    het systeem te helpen de ingestelde
    snelheid te handhaven.

    GEBRUIK MAKEN VAN
    SNELHEIDSREGELING
    (CRUISE CONTROL)
    WAARSCHUWING

    N.B.: Wanneer u het gaspedaal indrukt,
    verandert de ingestelde snelheid niet.
    Wanneer u het gaspedaal loslaat, gaat de
    auto weer met de eerder ingestelde
    snelheid rijden.

    Schakel onder drukke
    verkeersomstandigheden, op
    trajecten met veel bochten en op
    gladde wegen cruise control niet in.

    Cruise control inschakelen

    A

    B

    E130073

    E130072

    N.B.: Het systeem is gereed op de
    snelheid in te stellen.

    164

    A

    Accelereren (versnellen)

    B

    Decelereren (vertragen)



  • Page 167

    Snelheidsregeling (cruise control)
    Cruise control uitschakelen
    Druk het rempedaal of de CAN
    schakelaar in.
    N.B.: Het systeem regelt niet langer de
    rijsnelheid. De controlelamp van de cruise
    control gaat niet branden, maar de laatst
    ingestelde rijsnelheid blijft in het geheugen
    opgeslagen.

    Cruise control opnieuw
    inschakelen
    Druk op de RES schakelaar.
    De controlelamp van de cruise control
    gaat branden en het systeem zal
    proberen de auto met de eerder door u
    ingestelde snelheid te laten rijden.

    Cruise control uitschakelen

    E130072

    De eerder door u ingestelde snelheid blijft
    niet in het geheugen opgeslagen. De
    controlelamp van de cruise control gaat
    niet branden.

    165



  • Page 168

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    WERKING

    LET OP
    Gebruik het systeem niet wanneer u
    een snelweg oprijdt of verlaat.

    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem is geen
    aanrijdingswaarschuwings- of
    aanrijdingsvoorkomingssysteem. De
    afzonderlijke forward alert functie
    waarschuwt voor aanrijdingen en verlaagt
    de rijsnelheid. Zie Functie
    voorgangerwaarschuwing
    (forward alert) (bladzijde 170). U moet
    zelf ingrijpen wanneer het systeem geen
    verkeer voor u waarneemt.

    De radarsensor heeft een beperkt
    gezichtsveld. In sommige situaties
    kan het een andere wagen dan
    verwacht registeren of helemaal geen.
    N.B.: Wanneer adaptive cruise control is
    ingeschakeld, kunt u ongebruikelijke
    geluiden horen wanneer automatisch
    wordt afgeremd. Dit is normaal en het
    wordt veroorzaakt door het automatische
    remsysteem.

    Tijdens het rijden bent u
    verantwoordelijk voor het
    handhaven van de juiste afstand en
    snelheid, ook wanneer adaptive cruise
    control is ingeschakeld. U moet altijd
    oplettend in het verkeer blijven en
    ingrijpen wanneer adaptive cruise control
    niet de juiste snelheid of afstand
    aanhoudt.

    N.B.: Houd de voorzijde van de wagen
    vrij van vuil, metalen badges of
    voorwerpen, inclusief beschermers tegen
    steenslag en extra lampen die de werking
    van de sensor kunnen belemmeren.
    Het systeem is ontwikkeld om u te helpen
    de afstand tot de auto voor u gelijk te
    houden of een rijsnelheid in te stellen
    wanneer er zich geen langzamer rijdend
    verkeer voor u bevindt. Het systeem is
    bedoeld om het rijden te veraangenamen
    wanneer u andere auto's volgt die op
    dezelfde rijstrook in dezelfde richting
    rijden.

    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.
    Het systeem remt niet voor
    langzame of stilstaande auto's,
    voetgangers, objecten op de weg,
    tegemoetkomende auto's of kruisende
    auto's.

    Het systeem is gebaseerd op het gebruik
    van een radarsensor, die een
    stralenbundel direct vóór de auto
    projecteert. Binnen het bereik van het
    systeem zien deze stralenbundel alle
    auto's vóór u.

    LET OP
    Gebruik adaptive cruise control alleen
    wanneer de verkeerssituatie dit
    toelaat, bijvoorbeeld op snelwegen
    en hoofdwegen waarop het verkeer blijft
    doorstromen.

    De radarsensor is achter de grille
    aangebracht.

    Gebruik ACC niet bij slecht zicht,
    vooral niet bij mist, zware regenval,
    opspattend water en sneeuw.
    Gebruik ACC niet op bevroren of
    gladde wegen.

    166



  • Page 169

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    Onverwachte reacties

    Automatisch remmen met ACC
    WAARSCHUWINGEN
    U dient dan onmiddellijk te reageren,
    omdat adaptive cruise control
    onvoldoende remt om een veilige
    afstand tot uw voorligger aan te houden.
    In sommige gevallen kan de
    waarschuwing ontbreken of
    vertraag worden. U moet altijd
    remmen indien dit nodig is.
    Wanneer u een auto volgt dan remt
    adaptive cruise control niet
    automatisch tot stilstand af.
    Het systeem remt automatisch voor u,
    om de ingestelde afstand tussen uw auto
    en uw voorligger te handhaven. Het
    remvermogen is beperkt tot ongeveer
    30% van de totale remcapaciteit zodat
    de wagen soepel en comfortabel blijft
    rijden. Wanneer sterker dan dit moet
    worden afgeremd, en u grijpt zelf niet in,
    klinkt er een alarmsignaal en verschijnt er
    een waarschuwingssymbool in de
    instrumentengroep.

    E71621

    Onverwachte reacties kunnen optreden:




    bij voertuigen die zich op uw rijbaan
    voegen en alleen kunnen worden
    'gezien' wanneer ze zich volledig op
    de rijbaan bevinden (A). Motorfietsen
    kunnen soms laat of in het geheel niet
    worden 'gezien'. (B)
    bij voertuigen voor u bij het in- en
    uitrijden van een bocht (C). De
    stralenbundel volgt geen scherpe
    bochten van de weg.

    In dergelijke gevallen remt het systeem
    laat of onverwacht. U moet alert blijven
    en zo nodig ingrijpen.

    167



  • Page 170

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    Ingestelde snelheid
    veranderen

    GEBRUIK MAKEN VAN ACC
    Het systeem wordt bediend met de
    toetsen op het stuurwiel.

    N.B.: De rijsnelheid kan in stappen van 5
    km/u of 5 mph worden verhoogd of
    verlaagd.
    N.B.: Wanneer het systeem niet op deze
    wijzigingen reageert, kan de reden zijn dat
    de ingestelde afstand tot uw voorligger
    voorkomt dat de rijsnelheid kan
    toenemen.

    A
    F

    Druk op schakelaar A voor het verhogen
    of schakelaar B voor het verlagen van de
    ingestelde snelheid tot de gewenste
    snelheidsinstelling op de informatiedisplay
    wordt weergegeven. De voertuigsnelheid
    zal geleidelijk in de gekozen snelheid
    veranderen.

    E

    E133195

    D

    C

    B

    A

    Snelheidstoename instellen

    B

    Snelheidsafname instellen

    C

    ACC aan/uit

    D

    ACC afstand vergroten

    E

    ACC afstand verkleinen

    F

    ACC annuleren/hervatten

    Afstand tot uw voorligger
    instellen
    LET OP
    Pas een afstand toe die in
    overeenstemming is met de
    plaatselijke regelgeving.
    N.B.: De ingestelde afstand is
    tijdafhankelijk en daarom zal de afstand
    automatisch de rijsnelheid aanpassen.
    Wanneer bijvoorbeeld de afstand wordt
    ingesteld op vier balken, bedraagt de
    tijdsafstand 1,8 seconden. Dit houdt in dat
    bij een snelheid van 100 km/u (62 mph)
    de afstand tot uw voorligger wordt
    gehandhaafd op 50 meter (164 feet).

    Het systeem inschakelen
    Druk op schakelaar C. Het systeem wordt
    in de stand-by modus geschakeld.

    Snelheid instellen
    N.B.: Het systeem moet in de
    standby-modus staan.

    N.B.: Wanneer het gaspedaal kortstondig
    wordt ingedrukt, bijvoorbeeld om in te
    halen, wordt het systeem tijdelijk
    uitgeschakeld en weer ingeschakeld
    wanneer het gaspedaal wordt losgelaten.
    Er verschijnt een bericht op de
    informatiedisplay.

    Druk op schakelaar A of schakelaar B om
    de gewenste snelheid te selecteren. De
    snelheid wordt op de informatiedisplay
    weergegeven en opgeslagen als de
    ingestelde snelheid.

    N.B.: De afstand blijft ongewijzigd tijdens
    ontstekingscycli.

    168



  • Page 171

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    Druk op schakelaar E om de afstand te
    laten afnemen of op schakelaar D om de
    afstand te laten toenemen. De ingestelde
    afstand wordt door het aantal balken op
    de display weergegeven.
    N.B.: De aanbevolen afstand is vier tot
    vijf balken.

    E82311

    Systeem tijdelijk deactiveren

    De afstand tussen u en uw voorligger
    wordt door een variabele instelling
    gehandhaafd. Deze bestaat uit vijf
    stappen, die met horizontale balken op
    de informatiedisplay worden
    weergegeven. Een balk komt overeen
    met de kleinste afstand en vijf balken met
    de grootste. Deze balken zijn leeg tijdens
    de stand-by modus en gekleurd tijdens
    de ingeschakelde modus.

    N.B.: Het systeem wordt gedeactiveerd
    wanneer de versnellingshendel naar een
    neutrale stand wordt gezet of wanneer
    het gaspedaal of het koppelingspedaal
    een langere periode wordt ingetrapt.
    Trap op het rempedaal of druk op
    schakelaar F om het systeem te
    annuleren. Het systeem gaat naar de
    standby-modus, waarna u alle functies
    handmatig kunt bedienen. De ingestelde
    snelheid en de afstand blijven in het
    geheugen opgeslagen.

    Wanneer geen voorligger wordt
    geregistreerd, wordt alleen uw wagen op
    de informatiedisplay onder de balken
    weergegeven. Het systeem houdt de
    ingestelde snelheid aan zolang de
    omstandigheden dat toelaten. De
    ingestelde afstand wordt gehandhaafd
    en weergegeven.

    Druk nogmaals op schakelaar F om te
    hervatten. Het systeem hervat de eerder
    ingestelde snelheid en afstand als de
    omstandigheden dit toelaten.

    Systeem uitschakelen

    Wanneer een voertuig door de sensor
    wordt geregistreerd. geeft de display een
    ander voertuig boven de horizontale
    balken weer:

    Druk op schakelaar C om het systeem uit
    te schakelen.
    N.B.: Bij deactiveren van het systeem
    door op schakelaar C te drukken, wordt
    de opgeslagen snelheid niet behouden.

    Automatisch uitschakelen
    N.B.: Wanneer het motortoerental te laag
    wordt, verschijnt een mededeling op de
    informatiedisplay dat u moet
    terugschakelen (alleen handgeschakelde
    versnellingsbak). Wanneer u deze
    aanbeveling niet opvolgt, gaat het
    systeem automatisch naar de
    uitgeschakelde modus.

    E82312
    dit is de volgmodus en het systeem
    versnelt of vertraagt zo nodig om de
    ingestelde afstand tot de voorligger te
    handhaven.

    169



  • Page 172

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    N.B.: Het systeem werkt niet wanneer
    de elektronische stabiliteitsregeling (ESP)
    handmatig is uitgeschakeld.

    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem reageert alleen op
    voertuigen die vóór u in dezelfde
    richting rijden en reageert niet op
    langzaam rijdende of stilstaande
    voertuigen.

    Het systeem is afhankelijk van diverse
    andere veiligheidssystemen, zoals ABS
    en ESP. Wanneer een van deze systemen
    niet goed werkt of reageert op een
    noodsituatie wordt het systeem
    automatisch uitgeschakeld.

    Rijd nooit op een zodanige manier
    dat het systeem wordt geactiveerd.
    Het systeem is uitsluitend bedoeld
    om in noodsituaties te assisteren.

    Bij een automatische uitschakeling klinkt
    een signaal en verschijnt het bericht op
    de informatiedisplay. Zie Infoberichten
    (bladzijde 96). U moet dan ingrijpen en uw
    rijsnelheid en de afstand tot uw voorligger
    aanpassen.

    LET OP
    Waarschuwingen kunnen laat, niet of
    onnodig gegeven worden door
    onverwachte reacties m.b.t. de
    stralenbundel. Zie Werking (bladzijde
    166).

    Een automatische uitschakeling kan
    plaatsvinden wanneer:








    de snelheid afneemt tot onder 30
    km/u (20 mph)
    de wielen de grip op het wegdek
    verliezen
    de temperatuur van de remmen te
    hoog is, bijvoorbeeld tijdens het rijden
    door de bergen of over heuvelachtige
    wegen
    het motortoerental te laag is
    de radarsensor bedekt is
    de parkeerrem wordt ingeschakeld.

    Het systeem maakt gebruik van
    dezelfde radarsensor als de adaptive
    cruise control en heeft daardoor
    dezelfde beperkingen. Zie Werking
    (bladzijde 166).
    N.B.: De ondersteuning van het
    remsysteem reduceert alleen de snelheid
    waarmee de aanrijding plaatsvindt
    wanneer u onmiddellijk na de
    waarschuwing remt.
    N.B.: Wanneer het rempedaal voldoende
    snel is ingedrukt treden de remmen met
    volle kracht in werking, ook al wordt het
    rempedaal licht ingedrukt.

    FUNCTIE VOORGANGERWAARSCHUWING
    (FORWARD ALERT)

    N.B.: De ondersteuning van het
    remsysteem bereidt het remsysteem
    voor op snel remmen en de remmen
    komen soepel in aangrijping, hetgeen als
    een lichte schok kan worden ervaren.

    WAARSCHUWINGEN
    Wacht nooit tot een waarschuwing
    voor een aanrijding. Tijdens het
    rijden bent u verantwoordelijk voor
    het handhaven van de juiste afstand en
    snelheid, ook wanneer het systeem is
    ingeschakeld.

    N.B.: De waarschuwing voor een
    aanrijding vindt alleen plaats wanneer het
    systeem is ingeschakeld; de
    ondersteuning van het remsysteem is
    altijd ingeschakeld en kan niet worden
    uitgeschakeld.

    170



  • Page 173

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    N.B.: Het systeem kan met zonder
    geactiveerde adaptive cruise control
    gebruikt worden.
    Het systeem helpt u door te
    waarschuwen voor het risico op een
    aanrijding met de auto voor u.
    Het systeem waarschuwt u met
    gonggeluiden en een visuele
    waarschuwing in het informatiedisplay.
    Zie Infoberichten (bladzijde 96).
    De remondersteuning wordt geactiveerd
    om een maximale remwerking te
    verkrijgen en de ernst van de aanrijding
    met de auto voor u te beperken.

    Het systeem in- en
    uitschakelen
    N.B.: Wanneer het systeem is
    uitgeschakeld, blijft een
    waarschuwingslampje in het
    informatiedisplay branden. Zie
    Waarschuwings- en
    indicatielampen (bladzijde 84).
    N.B.: De systeemstatus en instellingen
    blijven onveranderd tijdens
    ontstekingscycli.
    Het systeem kan worden in- en
    uitgeschakeld m.b.v. het informatiedisplay.
    Zie Algemene informatie (bladzijde
    88).

    Gevoeligheid voor de
    waarschuwingen instellen
    U kunt de gevoeligheid van het
    waarschuwingssysteem instellen met de
    knoppen op het stuurwiel. Zie
    Algemene informatie (bladzijde 88).
    Hiermee wordt geregeld hoe snel de
    visuele en akoestische waarschuwing
    wordt geactiveerd.

    171



  • Page 174

    Snelheidsbegrenzer
    WERKING
    WAARSCHUWING
    Wanneer u een heuvel afrijdt, kan
    de snelheid hoger worden dan de
    ingestelde snelheid. Het systeem
    bedient de remmen niet, maar geeft een
    waarschuwing af.

    Snelheidslimiet instellen
    Gebruik de cruise control schakelaars om
    de instelling van de maximumsnelheid te
    wijzigen.
    Druk op schakelaar A of schakelaar C om
    de gewenste snelheidslimiet te
    selecteren. De snelheid wordt op het
    informatiedisplay weergegeven en
    opgeslagen als de ingestelde snelheid.

    N.B.: De ingestelde snelheidslimiet kan
    gedurende een korte periode doelbewust
    worden overschreven (bijvoorbeeld
    tijdens inhalen).

    Druk op schakelaar D om de werking van
    de begrenzer te annuleren en deze in de
    standby-modus te zetten. De
    informatiedisplay bevestigt deactivering
    door de ingestelde snelheid doorgekruist
    weer te geven.

    Het systeem wordt bediend met de
    toetsen op het stuurwiel.

    Druk op schakelaar D om de werking van
    de begrenzer te hervatten. De
    informatiedisplay bevestigt dat het
    systeem actief is door de ingestelde
    snelheid opnieuw weer te geven.

    A

    D

    Ingestelde snelheidslimiet
    doelbewust overschrijden

    B

    Trap het gaspedaal volledig in om het
    systeem tijdelijk te deactiveren. Het
    systeem wordt opnieuw geactiveerd
    nadat de voertuigsnelheid onder de
    ingestelde snelheid is gedaald.

    C
    E133198

    Snelheidstoename instellen
    Snelheidsbegrenzer aan/uit

    Snelheidsbegrenzer
    annuleren/hervatten

    Druk op schakelaar B. De
    informatiedisplay vraagt een snelheid in
    te stellen.

    SNELHEIDSBEGRENZER
    GEBRUIKEN

    A

    Snelheidsafname instellen

    D

    Het systeem in- en
    uitschakelen

    Via het systeem kan een snelheid worden
    ingesteld waar de auto vervolgens op
    wordt begrensd. De ingestelde snelheid
    wordt de effectieve maximumsnelheid
    van de auto, maar met als optie deze
    snelheid indien nodig tijdelijk te
    overschrijden.

    B

    C

    172



  • Page 175

    Snelheidsbegrenzer
    Systeemwaarschuwingen
    Als de ingestelde limiet per ongeluk wordt
    overschreden (bijvoorbeeld bergafwaarts
    rijden), dan knippert de ingestelde
    snelheid in de informatiedisplay en wordt
    een hoorbare waarschuwing afgegeven.
    Als de ingestelde snelheidslimiet
    doelbewust wordt overschreden, dan
    geeft de informatiedisplay de ingestelde
    snelheid doorgekruist weer.

    173



  • Page 176

    Bestuurderswaarschuwing
    WERKING

    LET OP
    Voer geen voorruitreparaties uit in de
    directe omgeving van de sensor.

    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.

    Indien uw auto is uitgerust met een
    niet door ons goedgekeurde
    wielophangingsset, is het mogelijk
    dat het systeem niet naar behoren werkt.

    U blijft te allen tijde verantwoordelijk
    voor het besturen van de auto en
    het zo nodig in- en uitschakelen van
    het systeem.

    N.B.: Houd de voorruit vrij van
    belemmeringen zoals uitwerpselen van
    vogels, insecten en sneeuw of ijs.

    Indien de sensor versperd raakt, is
    het mogelijk dat het systeem niet
    werkt.

    N.B.: Het systeem is bedoeld als
    hulpmiddel voor de bestuurder op snelle
    hoofdwegen en snelwegen.

    Neem regelmatig de vereiste
    rustpauzes en wacht niet totdat het
    systeem u waarschuwt indien u
    vermoeidheid voelt.

    N.B.: Het systeem berekent een
    alertheidsniveau bij rijsnelheden boven ca.
    65 km/u.
    Het systeem controleert automatisch uw
    rijgedrag aan de hand van verschillende
    inputs incl. de voorste camerasensor.

    Neem rustpauzes uitsluitend op
    plekken waar dit veilig kan.

    Indien het systeem ontdekt dat u slaperig
    wordt of dat uw rijstijl verslechtert,
    waarschuwt het systeem u.

    Bepaalde rijstijlen en -gedrag kan
    erin resulteren dat het systeem een
    waarschuwing afgeeft, ook al voelt
    u geen vermoeidheid.

    BESTUURDERSWAARSCHUWING
    GEBRUIKEN

    LET OP
    Onder koude en barre
    weersomstandigheden is het
    mogelijk dat het systeem niet werkt.
    Regen, sneeuw, opspattend water en
    grote contrasten in verlichting kunnen de
    sensor allemaal beïnvloeden.

    Het systeem in- en
    uitschakelen
    N.B.: De systeemstatus blijft onveranderd
    tijdens ontstekingscycli.

    Het systeem werkt niet indien de
    sensor de rijstrookmarkeringen niet
    kan registreren.

    Activeer het systeem m.b.v. het
    informatiedisplay. Zie Infodisplays
    (bladzijde 88).

    Het is mogelijk dat het systeem niet
    werkt in gebieden met
    wegwerkzaamheden.

    Eenmaal geactiveerd berekent het
    systeem uw alertheidsniveau aan de hand
    van uw uw rijgedrag ten opzichte van de
    rijstrookmarkeringen, en andere factoren.

    Het is mogelijk dat het systeem niet
    werkt op wegen met scherpe
    bochten of smalle rijstroken.

    174



  • Page 177

    Bestuurderswaarschuwing
    Systeemwaarschuwingen
    N.B.: Het systeem geeft geen
    waarschuwingen onder ca. 65 km/u.
    Het waarschuwingssysteem werkt in
    twee fasen. In eerste instantie geeft het
    systeem een tijdelijke waarschuwing dat
    een rustpauze moet worden genomen.
    Dit bericht verschijnt slechts gedurende
    een korte periode. Wordt geen rustpauze
    genomen, dan kan een tweede
    waarschuwing worden gegeven die in het
    informatiedisplay blijft weergegeven totdat
    ze geannuleerd wordt. Zie
    Infoberichten (bladzijde 96).

    E131359

    Alertheidsniveau is kritisch, hetgeen
    betekent dat - zo snel als dit veilig kan een rustpauze moet worden genomen.
    De statusbalk verloopt van links naar
    rechts met het afnemen van het
    berekende alertheidsniveau. Zodra het
    rustpauze-icoon wordt genaderd,
    verandert de kleur van groen naar geel
    en uiteindelijk rood, wanneer een
    rustpauze moet worden genomen.

    Druk op OK op de stuurwielbediening om
    de waarschuwing te verwijderen.

    Systeemdisplay





    Wanneer het systeem actief is, loopt het
    automatisch op de achtergrond en geeft
    het uitsluitend indien nodig
    waarschuwingen. U kunt de status te allen
    tijde bekijken m.b.v. het informatiedisplay.
    Zie Algemene informatie (bladzijde
    88).

    Groen - Geen rustpauze vereist.
    Geel - Eerste (tijdelijke) waarschuwing.
    Rood - Tweede waarschuwing.

    N.B.: Het alertheidsniveau wordt grijs
    weergegeven als de camerasensor de
    rijstrookmarkeringen niet kan registeren
    of als de voertuigsnelheid lager is dan ca.
    65 km/u.

    Het alertheidsniveau wordt in zes stappen
    op een gekleurde balk weergegeven.

    Systeem resetten
    U kunt het systeem als volgt resetten:
    • Schakel de contactspanning uit en in.
    • Stop de auto en open en sluit het
    bestuurdersportier.

    E131358

    Alertheidsniveau is in orde, geen
    rustpauze nodig.

    175



  • Page 178

    Waarschuwing rijden buiten baan
    WERKING

    LET OP
    Indien uw auto is uitgerust met een
    niet door ons goedgekeurde
    wielophangingsset, is het mogelijk
    dat het systeem niet naar behoren werkt.

    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.

    N.B.: Houd de voorruit vrij van
    belemmeringen zoals uitwerpselen van
    vogels, insecten en sneeuw of ijs.

    U blijft te allen tijde verantwoordelijk
    voor het besturen van de auto en
    het zo nodig in- en uitschakelen van
    het systeem.

    N.B.: Het systeem is bedoeld als
    hulpmiddel voor de bestuurder op snelle
    hoofdwegen en snelwegen.

    Indien de sensor versperd raakt, is
    het mogelijk dat het systeem niet
    werkt.

    N.B.: Het is mogelijk dat het systeem niet
    werkt tijdens hard remmen of accelereren
    en wanneer u de auto met opzet
    verkeerd bestuurt.

    Het is mogelijk dat
    rijstrookmarkeringen niet altijd goed
    gevolgd worden door de sensor.
    Andere structuren of voorwerpen kunnen
    soms verkeerd als rijstrookmarkering
    gedetecteerd worden, hetgeen kan
    resulteren in een valse of gemiste
    waarschuwing.

    N.B.: Het systeem werkt met minimaal
    een geregistreerde rijstrookmarkering.
    N.B.: Het systeem werkt alleen boven
    rijsnelheden van ca. 65 km/u.
    Er is een sensor gemonteerd achter de
    binnenspiegel. Deze controleert continu
    de omstandigheden om u te
    waarschuwen voor onbedoeld afdrijven
    van het midden van de rijstrook bij hoge
    snelheden.

    LET OP
    Onder koude en barre
    weersomstandigheden is het
    mogelijk dat het systeem niet werkt.
    Regen, sneeuw, opspattend water en
    grote contrasten in verlichting kunnen de
    sensor allemaal beïnvloeden.

    Het systeem registreert en volgt
    automatisch de rijstrookmarkeringen op
    de weg. Indien het registreert dat de auto
    onbedoeld naar de rijstrookgrenzen
    afdrijft, wordt een visuele waarschuwing
    weergegeven in het informatiedisplay.
    Ook wordt een waarschuwing gegeven
    in de vorm van een trilling die in het
    stuurwiel voelbaar is.

    Het systeem werkt niet indien de
    sensor de rijstrookmarkeringen niet
    kan registreren.
    Het is mogelijk dat het systeem niet
    werkt in gebieden met
    wegwerkzaamheden.
    Het is mogelijk dat het systeem niet
    werkt op wegen met scherpe
    bochten of smalle rijstroken.
    Voer geen voorruitreparaties uit in de
    directe omgeving van de sensor.

    176



  • Page 179

    Waarschuwing rijden buiten baan
    Systeemwaarschuwingen

    WAARSCHUWING RIJDEN
    BUITEN BAAN GEBRUIKEN
    Het systeem in- en
    uitschakelen
    N.B.: Wanneer het systeem is
    uitgeschakeld, blijft een
    waarschuwingslamp op de
    informatiedisplay branden. Zie
    Waarschuwings- en
    indicatielampen (bladzijde 84).
    N.B.: De systeemstatus en instellingen
    blijven onveranderd tijdens
    ontstekingscycli.

    E132651

    Een kolom wordt weergegeven aan
    weerszijden van een tekening van de
    auto, die de rijstrookmarkeringen
    voorstellen.
    De rijstrookmarkeringen hebben de
    volgende kleurcode:
    • Groen - Het systeem is gereed om u
    te waarschuwen voor onbedoeld
    overschrijden van de
    rijstrookmarkeringen.
    • Rood - De auto nadert of is te dicht bij
    de gedetecteerde rijstrookgrens.
    Onderneem meteen veilig actie om
    de auto in de juiste positie te brengen.
    • Grijs - De betreffende rijstrookgrens
    wordt onderdrukt.

    E132099

    Activeer en deactiveer het systeem m.b.v.
    de knop op de richtingaanwijzerhendel.
    Druk op de knop om het systeem uit te
    schakelen. Druk tweemaal op de knop
    om het systeem in te schakelen.

    Trillingsniveau in stuurwiel
    afstellen
    Het systeem heeft drie intensiteitsniveaus
    die m.b.v. de informatiedisplay kunnen
    worden ingesteld. Zie Algemene
    informatie (bladzijde 88).

    Gevallen waarin een rijstrookgrens kan
    worden onderdrukt:
    • Het is mogelijk dat
    rijstrookmarkeringen op de weg niet
    door de sensor worden gedetecteerd.
    • De richtingaanwijzer voor die zijde van
    de auto is ingeschakeld.
    • Tijdens hard accelereren of remmen
    of indien scherp wordt ingestuurd.
    • De voertuigsnelheid ligt buiten de
    bedrijfslimieten.

    De gevoeligheid van het
    systeem instellen.
    U kunt instellen hoe snel het systeem u
    voor een gevaarlijke situatie waarschuwt.
    Het systeem heeft twee
    gevoeligheidsniveaus die m.b.v. de
    informatiedisplay kunnen worden
    ingesteld. Zie Algemene informatie
    (bladzijde 88).

    177



  • Page 180

    Waarschuwing rijden buiten baan



    Bij tussenkomst van het ABS of de
    stabiliteitsregeling (ESP).
    Smalle rijstrookbreedte.

    Indien de rijstrookmarkeringen rood
    worden of indien een trilling in het
    stuurwiel voelbaar is, moet u meteen
    veilige actie ondernemen om de auto in
    het juiste spoor te brengen en onbedoeld
    afdrijven te corrigeren.

    178



  • Page 181

    Systeem hulp bij blijven rijden op rijstrook
    WERKING

    LET OP
    Voer geen voorruitreparaties uit in de
    directe omgeving van de sensor.

    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.

    Indien uw auto is uitgerust met een
    niet door ons goedgekeurde
    wielophangingsset, is het mogelijk
    dat het systeem niet naar behoren werkt.

    U blijft te allen tijde verantwoordelijk
    voor het besturen van de auto en
    het zo nodig in- en uitschakelen van
    het systeem.

    N.B.: Houd de voorruit vrij van
    belemmeringen zoals uitwerpselen van
    vogels, insecten en sneeuw of ijs.

    Indien de sensor versperd raakt, is
    het mogelijk dat het systeem niet
    werkt.

    N.B.: Het systeem is bedoeld als
    hulpmiddel voor de bestuurder op snelle
    hoofdwegen en snelwegen.

    Het is mogelijk dat
    rijstrookmarkeringen niet altijd goed
    gevolgd worden door de sensor.
    Andere voorwerpen of objecten kunnen
    soms incorrect worden gedetecteerd als
    een rijstrookmarkering, wat leidt tot een
    valse of gemiste waarschuwing in
    combinatie met een valse of gemiste
    stuurinterventie.

    N.B.: Het is mogelijk dat het systeem niet
    werkt tijdens hard remmen of
    accelereren, en wanneer u het voertuig
    met opzet verkkeerd bestuurt.
    N.B.: Het systeem werkt met minimaal
    een geregistreerde rijstrookmarkering.
    N.B.: Het systeem werkt alleen bij een
    rijsnelheid tussen ca. 65 km/h en 180
    km/h.

    Houd altijd het stuurwiel vast voor
    het geval u moet ingrijpen.

    N.B.: Als het systeem geen actieve
    besturing door de bestuurder detecteert,
    dan wordt het tijdelijk gedeactiveerd tot
    u de controle overneemt. Het systeem
    waarschuwt u met een akoestisch signaal
    en een bericht op de display.

    LET OP
    Onder koude en barre
    weersomstandigheden is het
    mogelijk dat het systeem niet werkt.
    Regen, sneeuw, opspattend water en
    grote contrasten in verlichting kunnen de
    sensor allemaal beïnvloeden.

    Er is een sensor gemonteerd achter de
    binnenspiegel. Deze controleert continu
    de omstandigheden om u te
    waarschuwen voor onbedoeld afdrijven
    van het midden van de rijstrook bij hoge
    snelheden.

    Het systeem werkt niet indien de
    sensor de rijstrookmarkeringen niet
    kan registreren.
    Het is mogelijk dat het systeem niet
    werkt in gebieden met
    wegwerkzaamheden.
    Het is mogelijk dat het systeem niet
    werkt op wegen met scherpe
    bochten of smalle rijstroken.

    179



  • Page 182

    Systeem hulp bij blijven rijden op rijstrook
    Systeemwaarschuwingen

    Het systeem registreert en volgt
    automatisch de rijstrookmarkeringen op
    de weg. Indien het registreert dat de auto
    onbedoeld naar de rijstrookgrenzen
    afdrijft, wordt een visuele waarschuwing
    weergegeven op de informatiedisplay.
    Het systeem past ook automatisch een
    stuurkoppel toe om het pad van de auto
    te corrigeren. Als het systeem het pad
    van de auto niet kan corrigeren, dan
    wordt een waarschuwing voor het
    verlaten van de rijstrook gegeven. Zie
    Waarschuwing rijden buiten baan
    gebruiken (bladzijde 177).

    SYSTEEM HULP BIJ BLIJVEN
    RIJDEN OP RIJSTROOK
    GEBRUIKEN

    E132651

    Een kolom wordt weergegeven aan
    weerszijden van een tekening van de
    auto, die de rijstrookmarkeringen
    voorstellen.

    Het systeem in- en
    uitschakelen

    De rijstrookmarkeringen hebben de
    volgende kleurcode:
    • Groen - Het systeem is gereed om in
    te grijpen bij het onbedoeld
    overschrijden van de
    rijstrookmarkeringen.
    • Geel - Het systeem past automatisch
    een stuurkoppel toe om het pad van
    de auto en onbedoeld afdrijven van
    het midden van de rijstrook te
    corrigeren.
    • Rood - De auto nadert of is te dicht bij
    de gedetecteerde rijstrookgrens. Er
    wordt een waarschuwing gegeven in
    de vorm van trillingen via het stuurwiel.
    Onderneem meteen veilig actie om
    de auto in de juiste positie te brengen.
    • Grijs - De betreffende rijstrookgrens
    wordt onderdrukt.

    N.B.: Het systeem is standaard
    uitgeschakeld.
    N.B.: Wanneer het systeem ingeschakeld
    is, is de waarschuwing voor het verlaten
    van de rijstrook (lane departure)
    standaard ingeschakeld.

    E132099

    Activeer en deactiveer het systeem m.b.v.
    de knop op de richtingaanwijzerhendel.
    Druk driemaal op de knop om het
    systeem in te schakelen. Druk nogmaals
    op de knop om het systeem uit te
    schakelen.

    180



  • Page 183

    Systeem hulp bij blijven rijden op rijstrook
    Gevallen waarin een rijstrookgrens kan
    worden onderdrukt:
    • Het is mogelijk dat
    rijstrookmarkeringen op de weg niet
    door de sensor worden gedetecteerd.
    • De richtingaanwijzer voor die zijde van
    de auto is ingeschakeld.
    • Tijdens hard accelereren of remmen
    of indien scherp wordt ingestuurd.
    • De voertuigsnelheid ligt buiten de
    bedrijfslimieten.
    • Bij tussenkomst van het ABS of de
    stabiliteitsregeling (ESP).
    • Smalle rijstrookbreedte.
    N.B.: Het systeem kan op elk willekeurig
    moment uitgeschakeld worden door het
    stuurwiel te draaien.

    181



  • Page 184

    Verkeersbordherkenning
    Er is een sensor gemonteerd achter de
    binnenspiegel. Het systeem registreert
    voortdurend verkeersborden en geeft
    waarschuwingen m.b.t. de wettelijke
    snelheidslimiet en inhaalregelgeving.

    WERKING
    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.

    Het systeem detecteert automatisch
    herkenbare verkeersborden, bijv. borden
    met snelheidslimiet, borden voor niet
    inhalen en borden voor einde
    snelheidslimiet.

    U blijft te allen tijde verantwoordelijk
    voor het besturen van de auto en
    het zo nodig in- en uitschakelen van
    het systeem.

    VERKEERSBORDHERKENNING GEBRUIKEN

    Indien de sensor versperd raakt, is
    het mogelijk dat het systeem niet
    werkt.

    Het systeem in- en
    uitschakelen

    LET OP
    Onder koude en barre
    weersomstandigheden is het
    mogelijk dat het systeem niet werkt.
    Regen, sneeuw, opspattend water en
    grote contrasten in verlichting kunnen de
    sensor allemaal beïnvloeden.

    N.B.: De systeemstatus en instellingen
    blijven onveranderd tijdens
    ontstekingscycli.
    Het systeem kan worden in- en
    uitgeschakeld m.b.v. het informatiedisplay.
    Zie Algemene informatie (bladzijde
    88).

    Voer geen voorruitreparaties uit in de
    directe omgeving van de sensor.

    Snelheidswaarschuwing
    systeem instellen

    Indien uw auto is uitgerust met een
    niet door ons goedgekeurde
    wielophangingsset, is het mogelijk
    dat het systeem niet naar behoren werkt.

    Het systeem heeft een aantal
    snelheidswaarschuwingsniveaus die
    m.b.v. het informatiedisplay kunnen
    worden ingesteld. Zie Algemene
    informatie (bladzijde 88).

    Breng altijd Originele Ford
    Onderdelen aan wanneer
    gloeilampen voor de koplampen
    worden vervangen. Andere gloeilampen
    kunnen de prestaties van het systeem
    verminderen.

    Systeemdisplay

    N.B.: Houd de voorruit vrij van
    belemmeringen zoals uitwerpselen van
    vogels, insecten en sneeuw of ijs.
    N.B.: Het systeem registreert mogelijk
    niet alle verkeersborden.
    E132994

    N.B.: Het systeem is ontworpen om
    verkeersborden te herkennen conform
    het Verdrag van Wenen.

    Het systeem kan twee verkeersborden
    parallel weergeven.

    182



  • Page 185

    Verkeersbordherkenning
    U kunt de status te allen tijde bekijken
    m.b.v. het informatiedisplay.
    De weergave van het systeem vindt in
    vier fasen plaats:
    1. Alle nieuwe herkenbare
    verkeersborden worden met meer
    helderheid in het display weergegeven
    dan de overige
    waarschuwingsborden.
    2. Na een vooraf bepaalde tijd worden
    ze normaal weergegeven.
    3. Na een vooraf bepaalde afstand
    worden ze grijs weergegeven.
    4. Na nog een vooraf bepaalde afstand
    worden ze gewist.
    Als een aanvullend verkeersbord wordt
    gedetecteerd, bijv. een gereduceerde
    snelheidslimiet bij een nat wegdek, dan
    wordt dit niet weergegeven, maar als een
    leeg vak onder het betreffende bord
    aangeduid.

    183



  • Page 186

    Veiligheidssysteem lage snelheid
    WERKING

    LET OP
    Indien uw auto is uitgerust met een
    niet door ons goedgekeurde voorruit,
    dan is het mogelijk dat het systeem
    niet naar behoren werkt.

    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.

    Als de motor stopt nadat het
    systeem geactiveerd is, dan worden
    de waarschuwingsknipperlichten
    geactiveerd.

    U blijft te allen tijde verantwoordelijk
    voor het besturen van de auto en
    het zo nodig in- en uitschakelen van
    het systeem.

    N.B.: Houd de voorruit vrij van
    belemmeringen zoals uitwerpselen van
    vogels, insecten en sneeuw of ijs.

    Kijk nooit direct of met welk type
    voorwerp dan ook in de sensor. Er
    bestaat een risico op oogletsel.

    N.B.: Houd de motorkap vrij van ijs en
    sneeuw, want het systeem werkt anders
    niet naar behoren.

    Indien de sensor versperd raakt, is
    het mogelijk dat het systeem niet
    werkt.

    Er is een sensor gemonteerd achter de
    binnenspiegel. De sensor controleert
    voortdurend de omstandigheden om te
    bepalen wanneer er ingegrepen moet
    worden.

    De prestaties van het systeem
    kunnen variëren, afhankelijk van het
    voertuig en de
    verkeersomstandigheden.

    Het systeem is ontworpen om u te helpen
    bij het reduceren van aanrijdingen met
    voorgangers bij lage snelheden. Het helpt
    u ook bij het reduceren van
    aanrijdingsschade of het volledig
    voorkomen van de aanrijding.

    Het systeem reageert niet op
    voertuigen die in een andere richting
    rijden.
    Het systeem reageert niet op
    fietsen, motors, mensen of dieren.
    Wanneer het contact ingschakeld
    is, dan verstuurt de sensor
    voortdurend een laserstraal.

    Het systeem werkt bij snelheden tot ca.
    30 km/u door bediening van de remmen
    wanneer de sensor een waarschijnlijke
    aanrijding detecteert.

    Het systeem werkt niet tijdens hard
    versnellen.

    U moet het rempedaal intrappen om de
    volledige remkracht te verkrijgen.
    Wanneer het systeem remt of de remmen
    automatisch heeft bediend, dan wordt er
    een bericht in het display weergegeven.

    LET OP
    Onder koude en barre
    weersomstandigheden is het
    mogelijk dat het systeem niet werkt.
    Regen, sneeuw, mist en ijs kunnen de
    sensor beïnvloeden.

    Voor informatie en gegevens m.b.t. de
    lasersensor: Zie Typegoedkeuringen
    (bladzijde 313).

    Voer geen voorruitreparaties uit in de
    directe omgeving van de sensor.

    184



  • Page 187

    Veiligheidssysteem lage snelheid
    VEILIGHEIDSSYSTEEM
    LAGE SNELHEID
    GEBRUIKEN
    WAARSCHUWING
    Kijk nooit direct of met welk type
    voorwerp dan ook in de sensor. Er
    bestaat een risico op oogletsel.

    Het systeem in- en
    uitschakelen
    N.B.: Het systeem is standaard
    ingeschakeld.
    N.B.: In bepaalde situaties wordt
    aanbevolen het systeem te deactiveren,
    bijvoorbeeld tijdens off-road rijden
    wanneer objecten de voorruit kunnen
    bedekken.
    Activeer en deactiveer het systeem m.b.v.
    het informatiedisplay. Zie Algemene
    informatie (bladzijde 88).

    185



  • Page 188

    Transport
    ALGEMENE INFORMATIE
    WAARSCHUWINGEN
    Gebruik bevestigingsriemen die
    voldoen aan een norm, bijv. DIN.
    Zorg ervoor dat alle losse
    voorwerpen goed zijn vastgezet.
    Plaats bagage en ander
    voorwerpen zo laag mogelijk en zo
    ver mogelijk naar voren in de
    bagageruimte of de laadruimte.
    E97377

    Rijd niet met geopende achterklep
    of achterdeur. Uitlaatgassen kunnen
    de auto worden binnengezogen.

    BAGAGEVERANKERINGSPUNTEN

    Overschrijd niet de maximum vooren achterasbelasting voor uw auto.
    Zie Voertuigidentificatie
    (bladzijde 241).
    Zware ladingen bestemd voor de
    passagiersruimte moeten worden
    geplaatst op een neergeklapte
    achterbank (zie de afbeelding). Zie
    Achterbank (bladzijde 125).
    LET OP
    Laat geen items in contact komen
    met de achterruiten.
    Gebruik geen schurende materialen
    voor het reinigen van de binnenzijde
    van de achterruiten.

    E132901

    Breng geen stickers of labels aan op
    de binnenzijde van de achterruiten.

    Til de klep op voor toegang tot het
    verankeringspunt.

    BAGAGEAFDEKKINGEN
    WAARSCHUWING
    Leg geen voorwerpen op de
    afdekking van de bagageruimte.

    186



  • Page 189

    Transport
    BAGAGENETTEN
    Bagagenet
    WAARSCHUWING
    Bij de stationwagon zijn geen
    verankeringspunten voor het
    bagagenet achter de eerste stoelrij
    aangebracht, maar wel achter de tweede
    stoelrij.
    Cassette met bagage-scheidingsnet
    aanbrengen:
    E72969

    Verwijder de bagageafdekhoes.

    Trek het afdekpaneel uit en zet het in de
    bevestigingspunten vast.

    Druk de geleiders op de cassette naar
    elkaar toe en schuif de telescopische
    pennen in de uitsparingen achter de
    rugleuningen van de achterstoelen.

    Maak hem uit de bevestigingspunten los
    en laat hem in de houder oprollen. Zet de
    haak op de houder vast.

    Zorg ervoor dat de kappen op het
    uiteinde met de borgpennen op correcte
    wijze in de zijbekledingpanelen worden
    aangebracht.

    E72970

    Druk een van de uiteinden van de
    behuizing naar binnen om de afdekking
    te verwijderen of aan te brengen.

    187



  • Page 190

    Transport
    Bagagenet

    A

    B

    E78835
    E78834

    Trek het net omhoog en breng de
    uiteinden van de stang aan in de houders
    tegen het dak.

    A

    Met sjorogen

    B

    Zonder sjorogen

    Het bagagenet kan worden gebruikt om
    te voorkomen dat voorwerpen door de
    wagen schuiven.

    Zorg ervoor dat de stang in het smalle
    gedeelte van de houders komt te zitten.
    WAARSCHUWING

    Bevestig de haken op de hoeken aan de
    vier sjorogen op de laadvloer.

    Druk, nadat de cassette is
    aangebracht, de voorste rand van
    de bagageafdekhoes in zijn
    oorspronkelijke stand (naar voren) om te
    voorkomen dat het zicht naar achteren
    wordt belemmerd.

    DAKREKKEN EN
    BAGAGEDRAGERS
    Imperiaal

    Breng de bagageafdekhoes weer aan.

    WAARSCHUWINGEN
    Wanneer u een imperiaal gebruikt,
    kan het brandstofverbruik van uw
    auto hoger zijn en kan de
    rijkarakteristiek anders zijn.

    Het verwijderen geschiedt in omgekeerde
    volgorde.

    188



  • Page 191

    Transport
    N.B.: De zijrails zijn zodanig ontworpen
    dat dakdragers (voor fietssteunen,
    skiklemmen, enz.) uit het Ford
    Accessoires Programma kunnen worden
    aangebracht.

    WAARSCHUWINGEN
    Wanneer u een imperiaal aanbrengt,
    lees dan de instructies van de
    fabrikant en volg deze op.

    N.B.: Reinig, voordat de dakdragers
    worden aangebracht, de zijrails met een
    in water gedrenkte spons.

    LET OP
    Overschrijd de maximum toelaatbare
    dakbelasting van 75 kg (inclusief de
    imperiaal) niet.

    N.B.: Positioneer de dakdragers zoals
    afgebeeld.

    A

    Controleer of de imperiaal goed vastzit
    en zet de bevestigingen als volgt vast:




    voordat u vertrekt
    na 50 kilometer (30 mijl) te hebben
    gereden
    met intervallen van 1.000 kilometer
    (600 mijl).

    B

    E135136

    Wanneer de imperiaal niet in gebruik is,
    moeten de rails in dwarsrichting naar
    achteren worden verplaatst om geluiden
    die door de wind worden veroorzaakt tot
    een minimum te beperken. Als de rails in
    dwarsrichting niet worden gebruikt,
    moeten ze worden verwijderd om het
    brandstofverbruik te verlagen.

    A

    515 mm

    B

    750 mm

    Dakdragers aanbrengen
    WAARSCHUWING
    Verdeel de lading gelijkmatig over
    de laadvloer en houd het
    zwaartepunt zo laag mogelijk. Zet
    de lading goed vast om te voorkomen dat
    deze kan verschuiven. Plaats nooit de
    lading direct op het dakpaneel.

    E135137

    N.B.: Er is zelfklevend schuimrubber
    meegeleverd om schudden door
    windstoten te voorkomen.
    N.B.: Zorg dat het oppervlak van de
    dwarsdragers schoon is alvorens het
    zelfklevende schuimrubber te bevestigen.

    LET OP
    Verwijder de dakdragers voordat u
    een automatische wasstraat
    binnenrijdt.

    1.

    189

    Verwijder de achterzijde en bevestig
    het zelfklevende schuimrubber op de
    dwarsdragers op de aangegeven
    posities.



  • Page 192

    Transport
    4 Nm

    4
    2

    4Nm

    7
    3

    E135138

    2. Breng de sleutel aan. Draai de sleutel
    linksom.
    3. Verwijder het paneel.
    4. Draai de schroeven los.

    A

    A
    E135139

    N.B.: Er mag geen opening aanwezig zijn
    tussen de dwarsdrager en rail (A).
    6. Breng de dwarsdragers aan.
    7. Haal de bouten aan tot u een
    duidelijke klik hoort.
    8. Breng het paneeltje aan. Draai de
    sleutel rechtsom om te vergrendelen.
    9. Verwijder de sleutel.

    B

    Dakbox aanbrengen

    E135140
    E135141

    5. Breng de rubberen strips in de
    afgebeelde posities aan.

    Zorg dat het zelfklevende schuimrubber
    niet in contact komt met de
    bevestigingsbout.

    190



  • Page 193

    Aanhangers trekken
    Steile hellingen

    TREKKEN VAN EEN
    AANHANGER

    WAARSCHUWING
    Houd er rekening mee dat de
    oplooprem van een aanhanger niet
    door het ABS wordt geregeld.

    WAARSCHUWINGEN
    Rijd niet harder dan 100 km/h (62
    mph).
    De bandenspanningen achter
    moeten worden vermeerderd met
    0,2 bar (3 psi) boven de specificatie.
    Zie Technische specificatie (bladzijde
    238).

    Schakel terug voordat u een steile afdaling
    bereikt.

    AFNEEMBARE
    TREKHAAKKOGEL

    Overschrijd het maximaal
    toelaatbaar treingewicht dat op het
    identificatieplaatje van de auto staat
    niet. Zie Voertuigidentificatie
    (bladzijde 241).

    WAARSCHUWINGEN
    Wanneer de trekhaak niet wordt
    gebruikt, berg de trekhaakkogel dan
    stevig vastgezet in het
    bagagecompartiment op.

    LET OP

    Het aanbrengen van de afneembare
    trekhaakkogel moet bijzonder
    zorgvuldig plaatsvinden aangezien
    de juiste bevestiging bepalend is voor de
    veiligheid van uw auto en de aanhanger.

    Overschrijd nooit het maxiamale
    toegestane kogeldruk, d.w.z. het
    verticale gewicht op de
    trekhaakkogel, van 75 kilogram.

    Gebruik geen gereedschap voor
    het aanbrengen of verwijderen van
    de afneembare trekhaakkogel.
    Wijzig de aanhangerkoppeling niet.
    Demonteer of repareer de trekhaakkogel
    niet.

    N.B.: Niet alle auto's zijn geschikt of
    goedgekeurd voor het aanbrengen van
    een trekhaak. Vraag dit eerst bij uw dealer
    na.
    Plaats de lading zo laag mogelijk en
    midden op de as(sen) van de aanhanger.
    Wanneer u met een onbeladen auto rijdt,
    moet de lading in de aanhanger zover
    mogelijk naar de aanhangerkoppeling
    worden geschoven, omdat dit voor de
    beste stabiliteit zorgt. Overschrijd de
    maximum toelaatbare kogeldruk niet.
    De stabiliteit van de auto-aanhanger
    combinatie is vooral afhankelijk van de
    kwaliteit van de aanhanger.
    In bergachtige streken moet vanaf
    hoogten van 1.000 meter het maximum
    toelaatbaar gewicht voor iedere 1.000
    meter met 10% worden verlaagd.

    E71328

    191



  • Page 194

    Aanhangers trekken
    Trekhaakkogel aanbrengen

    Een 13 pins stekkerdoos en het
    bevestigingspunt voor de trekhaakkogel
    bevinden zich onder de achterbumper.
    Draai de stekkerdoos 90 graden tot hij in
    zijn eindstand wordt vergrendeld.

    Trekhaakkogel ontgrendelen

    1

    3
    1
    2
    E71329

    1.

    Verwijder de beschermkap (1). Steek
    de sleutel in het slot en draai hem
    rechtsom om hem te ontgrendelen
    (2).
    2. Houd de trekhaakkogel vast. Trek het
    kartelwiel naar buiten en draai het
    rechtsom tot het klikt (3).
    3. Het rode merkteken op kartelwiel
    moet tegenover het groene
    merkteken op de trekhaakkogel staan.
    4. Laat de kartelwiel los. De
    trekhaakkogel is nu ontgrendeld.

    2
    E71330
    WAARSCHUWING
    Breng de trekhaakkogel alleen aan
    wanneer de koppeling volledig is
    ontgrendeld.
    1. Verwijder de dop.
    2. Druk de trekhaakkogel verticaal in de
    opening tot hij aangrijpt (1). Houd uw
    hand niet in de omgeving van het
    kartelwiel.
    3. Het groene merkteken op kartelwiel
    moet tegenover het groene
    merkteken op de trekhaakkogel staan.
    4. Draai de sleutel linksom om de
    trekhaakkogel te vergrendelen en
    verwijder de sleutel (2).
    5. Trek de beschermkap van de sleutel
    en steek deze in het slot.

    192



  • Page 195

    Aanhangers trekken
    Rijden met een aanhanger

    Trekhaakkogel verwijderen

    A
    3
    B

    E71331

    2

    WAARSCHUWING
    Wanneer aan één van de
    onderstaande voorwaarden niet kan
    worden voldaan, gebruik dan de
    trekhaak niet en laat deze door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    1
    E71332

    Controleer voordat u gaat rijden of de
    trekhaakkogel goed is vergrendeld.
    Controleer of:





    1. Koppel de aanhanger af.
    2. Verwijder de beschermkap. Schuif de
    kap op de sleutel. Steek de sleutel in
    het slot en ontgrendel deze (1).
    3. Houd de trekhaakkogel vast. Trek het
    kartelwiel uit, draai het rechtsom tot
    tegen de aanslag (2), verwijder de
    trekhaakkogel (3).
    4. Laat het kartelwiel los.

    de groene merktekens tegenover
    elkaar staan
    het kartelwiel (A) correct op de
    trekhaakkogel is aangebracht.
    of u de sleutel (B) hebt verwijderd.
    De trekhaakkogel stevig vastzit. Deze
    moet stevig op zijn plaats blijven als er
    aan getrokken wordt.

    Wanneer de trekhaakkogel op deze wijze
    wordt ontgrendeld, kan hij ten alle tijde
    worden aangebracht.

    193



  • Page 196

    Aanhangers trekken
    Rijden zonder aanhanger

    1

    E94771

    1. Verwijder de trekhaakkogel.
    2. Steek de stekker in de houder (1).
    WAARSCHUWING
    Ontgrendel de trekhaakkogel nooit
    terwijl een aanhanger is
    aangekoppeld.

    Onderhoud
    LET OP
    Verwijder voordat u uw auto met een
    hogedrukreiniger reinigt de
    afneembare trekhaakkogel en sluit
    de opening met de dop af.
    Houd het systeem schoon. Smeer de
    lagerpunten, glij-oppervlakken en
    vergrendelingskogels met harsvrij vet of
    olie. Smeer het slot met grafiet.
    Noteer het sleutelnummer. In geval van
    verlies kunnen vervangingssleutels onder
    vermelding van het vier cijferige
    sleutelnummer bij de fabrikant worden
    besteld.

    194



  • Page 197

    Tips voor het rijden
    INRIJDEN

    DOOR WATER RIJDEN

    Banden

    Door water rijden

    WAARSCHUWING

    LET OP
    Rijd alleen door water in
    noodgevallen en niet als normaal
    wordt gereden.

    Nieuwe banden hebben een
    inlooptijd van ongeveer 500
    kilometer (300 mijl). Gedurende
    deze periode kan de auto een andere
    rijkarakteristiek vertonen.

    De motor kan beschadigd raken als
    water het luchtfilter binnendringt.

    Remmen en koppeling

    In noodgevallen kan de auto door water
    worden gereden met een maximale
    diepte van 200 mm en een maximale
    snelheid van 10 km/u. Tijdens rijden door
    stromend water moet extra worden
    opgelet.

    WAARSCHUWING
    Vermijd indien mogelijk het intensief
    gebruik van de remmen en de
    koppeling gedurende de eerste 150
    kilometer (100 mijl) in de stad en
    gedurende de eerste 1.500 kilometer
    (1.000 mijl) op snelwegen.

    Houd tijdens rijden in water een lage
    snelheid aan en zet de auto niet stil. Voer
    na het rijden door water de volgende
    procedures uit als de situatie dit toelaat:
    • Trap het rempedaal licht in en
    controleer of volledige remwerking
    wordt verkregen.
    • Controleer of de claxon werkt.
    • Controleer of de verlichting van de
    auto volledig werkt.
    • Controleer de stuurbekrachtiging.

    Motor
    LET OP
    Rijd de eerste 1.500 kilometer (1.000
    mijl) niet te snel. Varieer uw snelheid
    en schakel tijdig op. Laat de motor
    niet zwoegen.

    VOORZORGSMAATREGELEN
    VOOR KOUDE
    WEERSOMSTANDIGHEDEN
    De werking van sommige componenten
    en systemen kan worden beïnvloed bij
    temperaturen lager dan -30 °C.

    195



  • Page 198

    Nooduitrusting
    EERSTEHULPSET
    Er is ruimte vrijgemaakt in de
    bagageruimte.

    GEVARENDRIEHOEK
    Er is ruimte vrijgemaakt in de
    bagageruimte.

    196



  • Page 199

    Zekeringen
    Zekeringenkast laadruimte

    PLAATSEN
    ZEKERINGENHOUDERS

    4-deurs

    Zekeringenkast in motorruimte
    Deze zekeringenkast is aangebracht in
    de motorruimte. Zie Onderhoud
    (bladzijde 209).

    Zekeringkast in de
    passagiersruimte

    E135336

    5-deurs

    E130170

    E135337

    E130171

    1.

    Knijp in de klemmen om de afdekking
    los te maken.
    2. Laat de zekeringenkastafdekking
    zakken en trek deze naar u toe.
    Breng de eerder verwijderde onderdelen
    in omgekeerde volgorde aan.

    197



  • Page 200

    Zekeringen
    Stationwagon

    WAARSCHUWINGEN
    Zet het contact af en schakel alle
    stroomverbruikers uit voordat u een
    zekering aanraakt of probeert te
    vervangen.
    LET OP
    Breng een vervangingszekering met
    hetzelfde vermogen aan als van de
    verwijderde zekering.
    N.B.: U kunt een doorgeslagen zekering
    herkennen aan de gebroken smeltdraad.
    N.B.: Alle zekeringen, behalve zekeringen
    voor hoge stroomsterkten, zijn
    steekzekeringen.

    E135338

    EENZEKERINGVERVANGEN

    N.B.: Er zit een zekeringentrekker in de
    zekeringenkast van de motorruimte.

    WAARSCHUWINGEN
    Wijzig de elektrische installatie van
    de wagen op geen enkele wijze.
    Laat reparaties aan de elektrische
    installatie en het vervangen van relais en
    zekeringen voor hoge stroomsterktes
    door een goed opgeleide monteur
    uitvoeren.

    198



  • Page 201

    Zekeringen
    SPECIFICATIE-OVERZICHT ZEKERINGEN
    Zekeringenkast in motorruimte

    E129925

    Zekering

    Amperage

    Beveiligde circuits

    7

    40

    ABSpomp, pomp elektronisch stabiliteitsprogramma
    (ESP)

    8

    30

    Klep elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)

    9

    30

    Verwarmde achterruit

    10

    40

    Verwarmingsaanjager

    11

    30

    Module start/stop-systeem

    12

    30

    Motormanagementsystemen

    13

    30

    Startmotorrelais

    14

    40

    Voorruitverwarming, rechterzijde

    15

    25

    Regeleenheid transmissie

    199



  • Page 202

    Zekeringen
    Zekering

    Amperage

    Beveiligde circuits

    16

    40

    Voorruitverwarming, linkerzijde

    17

    20

    Extra verwarming

    18

    20

    Ruitenwissers

    19

    5

    ABS, module elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)

    20

    15

    Claxon

    21

    5

    Remlichtschakelaar

    22

    15

    Accubewakingssysteem

    23

    5

    Relaisspoelen, schakelaarmodule verlichtingsregeling

    24

    20

    Voedingsuitgang achter

    25

    10

    Elektrisch verstelbare buitenspiegels

    26

    15

    Regeleenheid transmissie

    27

    15

    Koppeling van compressor airconditioning

    28

    5

    Adaptieve snelheidsregeling (cruise control)

    29

    20

    30

    5

    Computer motorregeling (PCM)

    31

    -

    Niet in gebruik

    32

    10

    EGR-klep, wervelregelkleppen, lambdasonde (motorregeling)

    33

    10

    Motorregelkleppen

    34

    10

    Verstuivers

    35

    5

    Actieve afsluitklep radiateurgrille (benzinemotor)

    35

    15

    Actieve afsluitklep radiateurgrille en filterverwarming
    (dieselmotor)

    36

    10

    Computer motorregeling (PCM)

    37

    -

    38

    15

    Computer motorregeling (PCM), transmissieregelmodule

    39

    5

    Regeleenheid koplamp

    40

    5

    Elektronische stuurbekrachtiging

    Koplampsproeiers

    Niet in gebruik

    200



  • Page 203

    Zekeringen
    Zekering

    Amperage

    Beveiligde circuits

    41

    20

    Carrosserieregeleenheid

    42

    15

    Achterruitwisser

    43

    15

    Hoogteverstelling koplamplichtbundels

    44

    5

    Adaptieve snelheidsregeling (cruise control)

    45

    10

    Verwarmde spuitmonden

    46

    25

    Elektrisch bedienbare ruiten (voor)

    47

    7,5

    Verwarmbare buitenspiegels

    48

    15

    Verdamper

    201



  • Page 204

    Zekeringen
    Zekeringkast in de passagiersruimte

    E129926

    Zekering

    Amperage

    56

    20

    Beveiligde circuits

    Voeding brandstofpomp

    202



  • Page 205

    Zekeringen
    Zekering

    Amperage

    Beveiligde circuits

    57

    -

    Niet in gebruik

    58

    -

    Niet in gebruik

    59

    5

    Voeding passieve elektronische startbeveiliging (PATS)

    60

    10

    Interieurverlichting, schakelaargroep bestuurdersportier,
    dashboardkastje, sfeerverlichting (ambient), elektrisch
    schuifdakpaneel

    61

    20

    Aansteker, achterste voedingsaansluiting

    62

    5

    Module regensensor, vochtsensor, automatisch
    dimmende binnenspiegel

    63

    10

    Adaptieve snelheidsregeling (cruise control)

    64

    -

    65

    10

    Ontgrendeling kofferdeksel

    66

    20

    Bestuurdersportierslot, dubbele vergrendeling

    67

    7,5

    Informatie- en entertainment-display, GPS, BVC

    68

    15

    Stuurkolomslot

    69

    5

    Instrumentengroep

    70

    20

    Centrale vergrendeling

    71

    10

    Airconditioning

    72

    7,5

    Regeleenheid stuurwiel

    73

    5

    Sirene met afzonderlijke accu (alarmsysteem), boorddiagnosesysteem

    74

    15

    Grootlicht

    75

    15

    Voormistlichten

    76

    10

    Achteruitrijlamp

    77

    20

    Sproeierpomp

    78

    5

    Contactslot of startknop

    79

    15

    Knoppen radio, waarschuwingsknipperlichten en
    portiervergrendeling

    80

    20

    Elektrisch schuifdak

    Niet in gebruik

    203



  • Page 206

    Zekeringen
    Zekering

    Amperage

    Beveiligde circuits

    81

    5

    82

    20

    Massa sproeierpomp

    83

    20

    Massa centrale vergrendeling

    84

    20

    Massa bestuurdersportierslot en dubbele vergrendeling

    85

    7,5

    Verwarming klimaatregeling, schakelaar deactivering
    passagiersairbag, schakelaar stoelverwarming, extra
    verwarming, module verwarming handmatig bediende
    airconditioning

    86

    10

    Veiligheidssysteem, deactiveringssysteem passagiersairbag

    Interieurbewegingssensoor, RF-ontvanger

    87

    -

    Niet in gebruik

    88

    -

    Niet in gebruik

    89

    -

    Niet in gebruik

    Zekeringenkast laadruimte

    E129927

    Zekering

    Amperage

    Beveiligde circuits

    1

    -

    2

    10

    Niet in gebruik
    Keyless-module

    3

    5

    Portierhandgrepen sleutelloos voertuigsysteem

    204



  • Page 207

    Zekeringen
    Zekering

    Amperage

    Beveiligde circuits

    4

    25

    Portiermodule (linksvoor) (elektrisch bedienbare ruiten,
    centrale vergrendeling, elektrisch inklapbare spiegels,
    buitenspiegelverwarming)

    5

    25

    Portiermodule (rechtsvoor) (elektrisch bedienbare ruiten,
    centrale vergrendeling, elektrisch inklapbare spiegels,
    buitenspiegelverwarming)

    6

    25

    Portiermodule (linksachter) (elektrisch bedienbare ruiten)

    7

    25

    Portiermodule (rechtsachter) (elektrisch bedienbare
    ruiten)

    8

    10

    Alarmsysteem

    9

    25

    Elektrisch verstelbare bestuurdersstoel

    10

    -

    Niet in gebruik

    11

    -

    Niet in gebruik

    12

    10

    Module airconditioning (met module start/stop-systeem)

    13

    5

    Instrumentenpaneel (met module start/stop-systeem)

    14

    7,5

    Informatie- en entertainment-display, GPS-module (met
    module start/stop-systeem)

    15

    15

    Audio-installatie, bedieningspaneel audio-installatie (met
    module start/stop-systeem)

    16

    -

    Niet in gebruik

    17

    -

    Niet in gebruik

    18

    -

    Niet in gebruik

    19

    -

    Niet in gebruik

    20

    -

    Niet in gebruik

    21

    -

    Niet in gebruik

    22

    -

    Niet in gebruik

    23

    -

    Niet in gebruik

    24

    -

    Niet in gebruik

    25

    -

    Niet in gebruik

    26

    40

    Aanhangermodule

    205



  • Page 208

    Zekeringen
    Zekering

    Amperage

    Beveiligde circuits

    27

    -

    Niet in gebruik

    28

    -

    Niet in gebruik

    29

    5

    Dodehoekmonitor, lane keeping aid (hulp bij blijven rijden
    op rijstrook), low speed safety system (veiligheidssysteem lage snelheid), achteruitkijkcamera (zonder module
    start/stop-systeem)

    30

    5

    Module parkeerhulp

    31

    -

    Niet in gebruik

    32

    -

    Niet in gebruik

    33

    -

    Niet in gebruik

    34

    15

    Verwarming bestuurdersstoel

    35

    15

    Verwarming passagiersstoel, voor

    36

    -

    Niet in gebruik

    37

    5

    Elektrisch schuifdak

    38

    -

    Niet in gebruik

    39

    -

    Niet in gebruik

    40

    -

    Niet in gebruik

    41

    -

    Niet in gebruik

    42

    -

    Niet in gebruik

    43

    -

    Niet in gebruik

    44

    -

    Niet in gebruik

    45

    -

    Niet in gebruik

    46

    10

    Dodehoekmonitor, lane keeping aid (hulp bij blijven rijden
    op rijstrook), achteruitkijkcamera (met module start/stopsysteem)

    206



  • Page 209

    Bergen van de auto
    Sleepoog, achter

    SLEEPPUNTEN
    Locatie sleepoog
    Het afneembare sleepoog bevindt zich in
    het bagagecompartiment.
    Het sleepoog moet altijd in de wagen
    worden meegenomen.

    Sleepoog aanbrengen
    LET OP
    Het afneembare sleepoog heeft
    linkse schroefdraad. Draai het
    linksom om het vast te zetten. Zorg
    ervoor dat het sleepoog volledig wordt
    vastgezet.
    N.B.: Bij wagens met een trekhaak kan
    het sleepoog aan de achterzijde niet
    worden aangebracht. Gebruik de
    trekhaak voor het slepen van een auto.

    E78368

    Sleepoog, voor

    Breng het sleepoog aan.

    Steek een geschikt voorwerp in het gat
    aan de onderzijde van het paneel en trek
    het paneel los.

    AUTO OP VIER WIELEN
    SLEPEN
    Alle modelvarianten
    WAARSCHUWINGEN
    Zet het contact aan wanneer uw
    auto wordt gesleept. Bij afgezet
    contact treedt het stuurslot in
    werking en werken de richtingaanwijzers
    en de remlichten niet.
    De rem- en stuurbekrachtiging
    werken niet, tenzij de motor draait.
    Druk het rempedaal harder in en
    houd rekening met langere remafstanden
    en een zwaarder draaiend stuurwiel.

    E78367

    207



  • Page 210

    Bergen van de auto
    LET OP
    Te veel spanning op de sleepkabel
    kan schade toebrengen aan uw en
    aan de trekkende auto.

    LET OP
    Sleep uw auto niet als de
    omgevingstemperatuur lager is dan
    0 ºC.

    Zet de versnellingsbak in neutraal
    wanneer uw auto wordt gesleept.
    In geval van pech of een
    mechanische storing mag niet
    gebruik worden gemaakt van
    afzonderlijke asdragers. De auto moet
    worden gesleept met ALLE wielen op
    het wegdek of worden vervoerd met
    ALLE wielen van het wegdek op een
    vlakke ondergrond.
    Trek rustig en soepel zonder rukken op.

    Uitvoeringen met automatische
    transmissie
    LET OP
    Wanneer uw auto met snelheden
    boven 20 km/u en over afstanden
    van meer dan 20 kilometer moet
    worden gesleept, moet deze worden
    getransporteerd terwijl ALLE wielen vrij
    zijn van het wegdek.
    Het wordt aanbevolen de auto niet
    te slepen met de aandrijfwielen op
    het wegdek. Als het echter nodig is
    om de auto van een gevaarlijk plaats te
    verwijderen, sleep uw auto dan niet sneller
    dan 20 km/h of over een afstand van
    meer dan 20 kilometer.
    Sleep uw auto niet achterwaarts.
    In geval van een mechanische storing
    bij de transmissie mag niet gebruik
    worden gemaakt van afzonderlijke
    asdragers. ALLE wielen moeten vrij zijn
    van het wegdek op een vlakke
    ondergrond.

    208



  • Page 211

    Onderhoud
    Dagelijkse controles

    ALGEMENE INFORMATIE





    Wanneer u uw auto regelmatig laat
    onderhouden zal dit de betrouwbaarheid
    en de inruilwaarde ten goede komen. Er
    staat een groot netwerk van Ford
    Erkende Reparateurs ter beschikking die
    u met hun professionele expertise ter zijde
    kunnen staan. De speciaal opgeleide
    monteurs zijn het best gekwalificeerd om
    het onderhoud aan uw auto snel en
    vakkundig uit te voeren. Bovendien
    beschikken zij over gereedschappen en
    apparatuur die speciaal zijn ontwikkeld
    om het onderhoud aan uw auto uit te
    voeren.

    Buitenverlichting.
    Binnenverlichting
    Waarschuwings- en controlelampen.

    Controles bij het tanken





    Naast het normale onderhoud raden wij
    aan de volgende extra controles uit te
    voeren.





    WAARSCHUWINGEN
    Zet het contact af voordat u
    onderdelen aanraakt of probeert af
    te stellen.

    Motoroliepeil. Zie Motorolie
    controleren (bladzijde 217).
    Remvloeistofpeil. Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en
    remsysteem (bladzijde 218).
    Peil van de ruitensproeiervloeistof. Zie
    Ruitensproeiervloeistof
    controleren (bladzijde 219).
    Bandenspanning (in koude toestand).
    Zie Technische specificatie
    (bladzijde 238).
    Staat van de banden. Zie Velgen en
    banden (bladzijde 226).

    Maandelijkse controles

    Raak onderdelen van het
    elektronisch ontstekingssysteem bij
    aangezet contact of draaiende
    motor niet aan. Het systeem werkt met
    hoogspanning.



    Zorg dat uw handen en
    kledingstukken niet met de
    koelventilateur in aanraking kunnen
    komen. Onder bepaalde omstandigheden
    kan de koelventilateur na het afzetten van
    de motor nog enkele minuten blijven
    doordraaien.








    LET OP
    Zorg tijdens het uitvoeren van
    onderhoudscontroles dat de
    vuldoppen stevig zijn aangebracht.

    209

    Koelvloeistofpeil (bij koude motor).
    Zie Motorkoelvloeistof
    controleren (bladzijde 217).
    Slangen, leidingen en reservoirs op
    lekkage.
    Werking van de airconditioning.
    Werking van de parkeerrem.
    Werking van de claxon.
    Vastzitten van de wielmoeren. Zie
    Technische specificatie (bladzijde
    238).



  • Page 212

    Onderhoud
    Verplaats de gele pal naar rechts.

    DE MOTORKAP OPENEN EN
    SLUITEN
    De motorkap openen

    E87786
    E73698

    Open de motorkap en ondersteun deze
    met de steunstang.

    De motorkap sluiten
    WAARSCHUWING
    Zorg dat de motorkap goed wordt
    gesloten.
    Laat de motorkap zakken en vanaf een
    hoogte van 20 – 30 cm dichtvallen.

    E133239

    210



  • Page 213

    Onderhoud
    OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,6 L DURATEC-16V TI-VCT
    (SIGMA)

    A

    B

    C

    I

    D

    E

    F

    H

    G

    E130030

    *

    A

    Expansiereservoir : Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 217).

    B

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts) : Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 218).

    C

    Motorolievuldop : Zie Motorolie controleren (bladzijde 217).

    D

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur links) : Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 218).

    *

    1

    *

    E

    Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 224).

    F

    Zekeringenkast in motorcompartiment: Zie Zekeringen (bladzijde 197).

    G

    Luchtfilter: geen onderhoud vereist.

    211



  • Page 214

    Onderhoud
    1

    H

    Motoroliepeilstaaf : Zie Motorolie controleren (bladzijde 217).

    I

    Vloeistofreservoir ruitensproeiers : Zie Ruitensproeiervloeistof
    controleren (bladzijde 219).

    *

    1

    Voor een gemakkelijke herkenbaarheid zijn alle vuldoppen en de motoroliepeilstaaf
    met een kleur gemarkeerd.

    OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,6L ECOBOOST SCTI (SIGMA)

    B

    A

    E132729

    I

    H

    C

    G

    D

    E

    F

    212



  • Page 215

    Onderhoud
    A

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie
    Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 218).

    B

    Motorolievuldop . Zie Motorolie controleren (bladzijde 217).

    C

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie
    Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 218).

    D

    Accu. Zie Accu van de auto (bladzijde 224).

    1

    A

    Zekeringenkast in motorruimte. Zie Zekeringen (bladzijde 197).

    F

    Luchtfilter. Geen onderhoud nodig.

    G

    Motoroliepeilstaaf . Zie Motorolie controleren (bladzijde 217).

    H

    Vloeistofreservoir ruitensproeiers. Zie Ruitensproeiervloeistof
    controleren (bladzijde 219).

    I

    Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 217).

    1

    1

    De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf zijn voor een makkelijke herkenning fel
    gekleurd.

    213



  • Page 216

    Onderhoud
    OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,6 L DURATORQ-TDCI (DV)
    DIESEL

    A

    I

    B

    C

    D

    E

    F

    H

    G

    E130031

    *

    A

    Expansiereservoir : Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 217).

    B

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts) : Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 218).

    C

    Motorolievuldop : Zie Motorolie controleren (bladzijde 217).

    D

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur links) : Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 218).

    *

    1

    *

    E

    Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 224).

    F

    Zekeringenkast in motorcompartiment: Zie Zekeringen (bladzijde 197).

    G

    Luchtfilter: geen onderhoud vereist.

    214



  • Page 217

    Onderhoud
    1

    H

    Motoroliepeilstaaf : Zie Motorolie controleren (bladzijde 217).

    I

    Vloeistofreservoir ruitensproeiers : Zie Ruitensproeiervloeistof
    controleren (bladzijde 219).

    *

    1

    Voor een gemakkelijke herkenbaarheid zijn alle vuldoppen en de motoroliepeilstaaf
    met een kleur gemarkeerd.

    OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,0 L DURATORQ-TDCI (DW)
    DIESEL

    A

    I

    B

    C

    D

    E

    F

    H

    G

    E130032

    *

    A

    Expansiereservoir : Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 217).

    B

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts) : Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 218).

    C

    Motoroliepeilstaaf : Zie Motorolie controleren (bladzijde 217).

    *

    1

    215



  • Page 218

    Onderhoud
    D

    *

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur links) : Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 218).

    E

    Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 224).

    F

    Zekeringenkast in motorcompartiment: Zie Zekeringen (bladzijde 197).

    G

    Luchtfilter: geen onderhoud vereist.

    H

    Motorolievuldop : Zie Motorolie controleren (bladzijde 217).

    I

    Vloeistofreservoir ruitensproeiers : Zie Ruitensproeiervloeistof
    controleren (bladzijde 219).

    1

    *

    1

    Voor een gemakkelijke herkenbaarheid zijn alle vuldoppen en de motoroliepeilstaaf
    met een kleur gemarkeerd.

    OLIEPEILSTAAF - 1,6L
    ECOBOOST SCTI (SIGMA)

    OLIEPEILSTAAF - 1,6 L
    DURATEC-16V TI-VCT
    (SIGMA)

    A
    A

    B

    E95540

    A

    MIN

    B

    MAX

    E134114

    216

    A

    MIN

    B

    MAX

    B



  • Page 219

    Onderhoud
    Verwijder de oliepeilstaaf en veeg deze
    met een schone, niet pluizende doek
    schoon. Breng de oliepeilstaaf weer aan
    en verwijder hem opnieuw om het oliepeil
    te controleren.

    OLIEPEILSTAAF - 1,6 L
    DURATORQ-TDCI (DV)
    DIESEL /2,0 L DURATORQTDCI (DW) DIESEL

    A

    Wanneer het peil bij het MIN merkteken
    staat, vul dan direct bij.

    B

    Bijvullen
    WAARSCHUWINGEN
    Vul alleen bij wanneer de motor
    koud is. Wacht wanneer de motor
    heet is tien minuten om de motor te
    laten afkoelen.

    E95543

    A

    MIN

    B

    MAX

    Verwijder de vuldop niet bij
    draaiende motor.
    Verwijder de vuldop.

    MOTOROLIECONTROLEREN

    LET OP
    Het oliepeil mag niet boven het MAX
    merkteken komen te staan.

    LET OP
    Gebruik geen additieven of andere
    smeermiddelen. Onder bepaalde
    omstandigheden kunnen deze de
    motor beschadigen.

    Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford
    specificatie. Zie Technische
    specificatie (bladzijde 220).
    Draai de vuldop er weer op. Draai hem tot
    u sterke weerstand voelt.

    N.B.: Het olieverbruik van nieuwe
    motoren bereikt zijn normale waarde na
    ongeveer 5.000 kilometer (3.000 mijl).

    MOTORKOELVLOEISTOF
    CONTROLEREN

    Het oliepeil controleren
    LET OP

    Koelvloeistofpeil controleren

    Controleer of het peil tussen de MIN
    en MAX merktekens staat.

    WAARSCHUWING
    Voorkom dat de vloeistof in contact
    komt met de huid of de ogen.
    Mocht dit toch gebeuren, spoel het
    betreffende lichaamsdeel dan direct met
    veel water schoon en neem contact op
    met uw huisarts.

    N.B.: Controleer het peil voordat de
    motor wordt gestart.
    N.B.: De wagen moet op een vlakke
    ondergrond staan.
    N.B.: Bij verwarming zet olie uit. Daardoor
    kan het oliepeil enkele millimeters boven
    het MAX merkteken staan.

    217



  • Page 220

    Onderhoud
    LET OP

    LET OP

    Controleer of het peil tussen de MIN
    en MAX merktekens staat.

    Het oliepeil mag niet boven het MAX
    merkteken komen te staan.

    N.B.: Koelvloeistof zet bij verwarming uit.
    Daardoor kan het koelvloeistofpeil enkele
    millimeters boven het MAX merkteken
    staan.

    Vul bij met een mengsel van koelvloeistof
    en water (50/50) op basis van vloeistof
    die voldoet aan de Ford specificatie. Zie
    Technische specificatie (bladzijde
    220).

    Wanneer het peil bij het MIN merkteken
    staat, vul dan direct bij.

    CONTROLE VLOEISTOFPEIL
    KOPPELING EN
    REMSYSTEEM

    Bijvullen
    WAARSCHUWINGEN
    Vul alleen bij wanneer de motor
    koud is. Wacht wanneer de motor
    heet is tien minuten om de motor te
    laten afkoelen.

    WAARSCHUWINGEN
    Voorkom dat de vloeistof in contact
    komt met de huid of de ogen.
    Mocht dit toch gebeuren, spoel het
    betreffende lichaamsdeel dan direct met
    veel water schoon en neem contact op
    met uw huisarts.

    Verwijder de vuldop niet bij
    draaiende motor.
    Verwijder de vuldop niet wanneer
    de motor heet is. Laat de motor
    eerst afkoelen.

    Als het vloeistofpeil is gezakt tot de
    markering MIN, laat het systeem
    dan zo snel mogelijk controleren
    door een goed opgeleide monteur.

    Onverdunde koelvloeistof is
    brandbaar en kan ontbranden
    wanneer deze wordt gemorst op
    een hete uitlaat.

    N.B.: Vervuiling door vuil, water,
    petroleumproducten of andere materialen
    kunnen leiden tot een defect remsysteem
    of dure reparaties.

    LET OP
    In een noodgeval kan water in het
    koelsysteem worden bijgevuld om
    een tankstation te bereiken. Laat het
    systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur
    controleren.

    N.B.: Het remsysteem en het
    bedieningsmechanisme van de koppeling
    zijn aangesloten op één reservoir.
    Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford
    specificatie. Zie Technische
    specificatie (bladzijde 220).

    Langdurig gebruik van koelvloeistof
    met een incorrecte mengverhouding
    kan leiden tot motorschade door
    corrosie, oververhitting of bevriezing.
    Draai de dop langzaam los. Laat de druk
    langzaam ontsnappen terwijl u de dop
    losdraait.

    218



  • Page 221

    Onderhoud
    Gebruik voor het bijvullen een mengsel
    van sproeiervloeistof en water om
    bevriezing bij koude
    weersomstandigheden te voorkomen en
    het reinigende effect te verbeteren. We
    adviseren alleen sproeiervloeistof van
    hoge kwaliteit te gebruiken.

    RUITENSPROEIERVLOEISTOF
    CONTROLEREN
    N.B.: De ruitensproeiers van de voor- en
    achterruit hebben een gemeenschappelijk
    reservoir.

    Raadpleeg de productinstructies voor
    informatie over vloeistofverdunning.

    219



  • Page 222

    Onderhoud
    TECHNISCHE SPECIFICATIE
    Vloeistoffen
    LET OP
    Gebruik geen vloeistoffen die niet aan de gedefinieerde specificaties of eisen
    voldoen. Gebruik van een ongeschikte vloeistof kan beschadiging tot gevolg
    hebben, hetgeen niet onder de Garantie valt.
    Punt

    Specificatie

    Motoroliesoorten Benzine- en dieselmotoren

    Aanbevolen vloeistof

    WSS-M2C913-C

    Castrol of Ford motorolie

    Alternatieve motorolie alleen benzinemotoren

    WSS-M2C925-B

    Castrol motorolie

    Antivries

    WSS-M97B44-D

    Motorcraft SuperPlus antivries

    Remvloeistof

    WSS-M6C57-A2

    Ford of Motorcraft Super
    DOT 4 remvloeistof

    Uw auto is ontworpen voor gebruik van Castrol en Ford motorolie voor een gunstig
    brandstofverbruik met behoud van de duurzaamheid van de motor.
    Alleen voor benzinemotoren hebben Ford en Castrol een lage wrijvingsolie SAE-5W-20
    ontwikkeld voor een gunstiger brandstofverbruik dan de standaard SAE-5W-30 olie.
    Als deze olie niet beschikbaar is, wordt aanbevolen tijdens onderhoud olie met
    specificatie WSS-M2C913-C bij te vullen.
    Olie bijvullen: Als u geen olie kunt vinden die voldoet aan de specificatie gedefinieerd
    door WSS-M2C913-C of WSS-M2C925-B (alleen benzinemotoren), dan dient u
    SAE 5W-30 te gebruiken die voldoet aan de specificatie gedefinieerd door ACEA
    A5/B5.
    Het gebruik van olie voor bijvullen in plaats van de gespecificeerde olie kan tot gevolg
    hebben dat de motor minder snel aanslaat, minder vermogen levert, meer brandstof
    verbruikt en een hogere emissiewaarde heeft.
    Castrol motorolie wordt aanbevolen.

    E115472

    220



  • Page 223

    Onderhoud
    Inhouden
    Variant

    Nr.

    Inhoud in liter (gallons)

    Auto's met een benzinemotor

    Brandstoftank

    55 (12,1)

    1,6 l DuraTorq-TDCi

    Brandstoftank

    53 (11,7)

    2,0L Duratorq-TDCi

    Brandstoftank

    60 (13,2)

    Alle

    Ruitensproeiersysteem met koplampsproeiers

    4,5 (1)

    Alle

    Ruitensproeiersysteem zonder koplampsproeiers

    3 (0,7)

    1,6 l Duratec-16V Ti-VCT

    Motorolie - inclusief filter

    4,1 (0,9)

    1,6 l Duratec-16V Ti-VCT

    Motorolie - exclusief filter

    3,75 (0,8)

    1,6 l Duratec-16V Ti-VCT

    Koelsysteem

    1,6L EcoBoost SCTi

    Motorolie - inclusief filter

    4,1 (0,9)

    1,6L EcoBoost SCTi

    Motorolie - exclusief filter

    3,75 (0,8)

    ongeveer 5,8 (1,3)

    1,6L EcoBoost SCTi

    Koelsysteem

    1,6 l DuraTorq-TDCi

    Motorolie - inclusief filter

    ca. 6,3 (1,4)
    3,8 (0,8)

    1,6 l DuraTorq-TDCi

    Motorolie - exclusief filter

    3,5 (0,8)

    1,6 l DuraTorq-TDCi

    Koelsysteem

    2,0L Duratorq-TDCi

    Motorolie - inclusief filter

    5,7 (1,3)

    2,0L Duratorq-TDCi

    Motorolie - exclusief filter

    5,4 (1,2)

    2,0L Duratorq-TDCi

    Koelsysteem

    ongeveer 7,3 (1,6)

    ca. 8,5 (1,9)

    Vulhoeveelheden motorolie
    Vulhoeveelheid in liter
    (gallons)

    Motor

    1,6 l Duratec-16V Ti-VCT

    0,8 (0,2)

    1,6L EcoBoost SCTi

    0,8 (0,2)

    1,6 l DuraTorq-TDCi

    1,6 (0,4)

    2,0L Duratorq-TDCi

    1,8 (0,4)

    221



  • Page 224

    Verzorging van de auto
    Achterruit reinigen

    REINIGEN VAN BUITENZIJDE
    AUTO

    LET OP
    Gebruik geen scherpe voorwerpen,
    schurende reinigingsmiddelen of
    chemische oplossingen op de
    binnenzijde van de achterruit te reinigen.

    WAARSCHUWING
    Wanneer de auto tijdens het
    wassen in een autowasserette in de
    was wordt gezet, verwijder dan de
    was van de voorruit.

    Gebruik een schone, niet pluizende doek
    of een vochtige zeem om de binnenzijde
    van de achterruit te reinigen.

    LET OP
    Controleer eerst de geschiktheid van
    de autowasserette voor uw auto,
    voordat u van de autowasserette
    gebruik maakt.

    Chromen onderdelen reinigen
    LET OP
    Gebruik geen schuurmiddelen of
    chemische oplosmiddelen. Gebruik
    een zeepoplossing.

    Sommige wasinstallaties maken
    gebruik van water onder hoge druk.
    Hierdoor kunnen sommige
    onderdelen van uw auto worden
    beschadigd.

    Onderhoud van de lak

    Verwijder de antenne voordat u een
    automatische wasstraat inrijdt.

    LET OP
    Poets de auto niet in de felle zon.

    Schakel de aanjager uit om te
    voorkomen dat deeltjes was zich in
    het luchtfilter vastzetten.

    Voorkom dat polish op kunststof
    oppervlakken komt. Dit laat zich
    moeilijk verwijderen.

    Wij raden aan uw auto met een spons en
    handwarm water en autoshampoo te
    wassen.

    Breng geen polish op de voor- en
    achterruit aan. Dit heeft een lawaaiige
    werking van de ruitenwissers tot
    gevolg; bovendien kunnen de ruiten dan
    niet goed worden drooggeveegd.

    Koplampen reinigen
    LET OP
    Gebruik geen scherpe voorwerpen,
    schurende reinigingsmiddelen of
    oplossingen op alcoholische of
    chemische basis om de koplampglazen
    te reinigen.

    Wij raden u aan de lak één- of tweemaal
    per jaar in de was te zetten.

    Veeg de koplampglazen niet schoon
    wanneer ze droog zijn.

    222



  • Page 225

    Verzorging van de auto
    REINIGEN VAN
    BINNENZIJDE AUTO

    KLEINE LAKSCHADE
    REPAREREN

    Veiligheidsgordels

    LET OP
    Verwijder onmiddellijk ogenschijnlijk
    onschadelijke substanties van het
    lakwerk (bijvoorbeeld uitwerpselen
    van vogels, boomsappen, dode insecten,
    teervlekken, wegenzout en industriële
    neerslag).

    WAARSCHUWINGEN
    Gebruik voor het reinigen geen
    schurende middelen of chemische
    oplosmiddelen.
    Let er op dat geen vocht in het
    oprolmechanisme komt.

    Lakbeschadigingen door steenslag of
    kleine krasjes moeten zo spoedig mogelijk
    worden hersteld. Uw Ford dealer heeft
    een grote keuze aan producten. Lees en
    volg nauwkeurig de instructies van de
    fabrikant op.

    Reinig de veiligheidsgordels met een
    interieurreiniger of water met een zachte
    spons. Laat de veiligheidsgordels op een
    natuurlijke manier drogen. Gebruik geen
    haardroger o.i.d.

    Instrumentenpaneelschermen,
    LCD-schermen,
    radioschermen
    WAARSCHUWING
    Gebruik voor het reinigen geen
    schurende middelen, oplosmiddelen
    op basis van alcohol of chemische
    oplosmiddelen.

    Achterruiten
    LET OP
    Gebruik geen schurende materialen
    voor het reinigen van de binnenzijde
    van de achterruiten.
    Breng geen stickers of labels aan op
    de binnenzijde van de achterruiten.

    223



  • Page 226

    Accu van de auto
    1.

    Plaats de auto's zodanig dat ze elkaar
    niet raken.
    2. Zet het contact van beide wagens af
    en schakel alle stroomverbruikers uit.
    3. Verbind de plus (+) pool van auto B
    met de plus (+) pool van auto A (kabel
    C).
    4. Verbind de min (-) pool van auto B
    met de massa-aansluiting van auto A
    (kabel D). Zie Aansluitpunten van
    de accu (bladzijde 225).

    GEBRUIK VAN
    STARTKABELS
    LET OP
    Verbind alleen accu's met dezelfde
    nominale spanning met elkaar.
    Gebruik altijd hulpstartkabels met
    geïsoleerde klemmen en een
    voldoende dikke kern.
    Koppel de ontladen accu niet los van
    de elektrische installatie van de auto.

    LET OP
    Sluit de kabel niet aan op de
    minpool (–) van de ontladen
    accu.

    Hulpstartkabels aansluiten

    Zorg ervoor dat de kabels niet met
    draaiende onderdelen in aanraking
    kunnen komen.

    A

    Motor starten
    1.

    C

    Start de motor van auto B en laat
    deze met een matig hoog toerental
    draaien.

    2. Start de motor van auto A.
    3. Laat beide motoren minimaal drie
    minuten draaien alvorens de kabels
    los te koppelen.

    D

    LET OP
    Schakel niet de koplampen tijdens
    het loskoppelen van de
    hulpstartkabels in. Door de
    spanningspiek kunnen de gloeilampen
    doorbranden.

    B

    Koppel de kabels in omgekeerde
    volgorde los.

    E102925

    A

    Wagen met de lege accu

    B

    Wagen met de hulpaccu

    C

    Positieve hulpstartkabel

    D

    Negatieve hulpstartkabel

    224



  • Page 227

    Accu van de auto
    ACCU VERVANGEN
    LET OP
    Voor auto's met
    start/stop-schakelaar verschillen de
    accuvereisten. De accu moet
    worden vervangen door een accu met
    exact dezelfde specificatie als de
    originele.
    N.B.: Indien nodig moet de Keycode van
    de audio-installatie opnieuw worden
    geprogrammeerd.
    De accu is aangebracht in de
    motorruimte. Zie Onderhoud (bladzijde
    209).

    AANSLUITPUNTEN VAN DE
    ACCU
    LET OP
    Sluit de kabel niet aan op de
    minpool (–) van de ontladen
    accu.

    E130431

    Het massaverbindingspunt bevindt zich
    rechts van de accu bij de zekeringenkast
    in de motorruimte.

    225



  • Page 228

    Velgen en banden
    ALGEMENE INFORMATIE

    Uitvoeringen met een
    reservewiel

    LET OP
    Gebruik uitsluitend banden en velgen
    met de goedgekeurde maat. Het
    gebruik van andere maten kan
    schade aan de auto tot gevolg hebben
    en kan de typegoedkeuring ongeldig
    maken.

    Als het reservewiel exact hetzelfde type
    is en dezelfde afmeting heeft als de
    andere aangebrachte wielen, dan kan het
    bestaande wiel worden vervangen door
    het reservewiel en kan worden verder
    gereden op de normale wijze.
    Als het reservewiel verschilt van de
    andere wielen, dan is er een geel label
    aangebracht met de betreffende
    snelheidslimiet.

    Wanneer u banden met een andere
    diameter laat monteren dan die van
    de in de fabriek gemonteerde
    banden, geeft de snelheidsmeter niet
    meer de juiste snelheid aan. Breng uw
    wagen naar uw dealer en laat het motor
    managementsysteem opnieuw
    programmeren.

    Raadpleeg de volgende informatie
    alvorens het wiel te verwisselen.
    WAARSCHUWINGEN
    Leg zo kort mogelijke afstanden af.

    Wanneer u banden met een andere
    diameter dan de in de fabriek
    gemonteerde banden wilt
    aanbrengen, controleer dan bij uw dealer
    of deze geschikt zijn.

    Monteer nooit meer dan één
    reservewiel tegelijk.

    N.B.: Controleer de bandenspanningen
    regelmatig voor een optimaal
    brandstofverbruik.

    Rijd met dit wiel niet een
    automatische wasstraat in.

    Op de B-stijl bij het bestuurdersportier
    bevindt zich een plaatje met de
    bandenspanning.

    Als u niet zeker bent van het type
    reservewiel, rijd dan niet sneller dan
    80 km/u.

    Controleer de bandenspanning bij een
    temperatuur waarin u gaat rijden en
    wanneer de banden koud zijn.

    Breng alleen sneeuwkettingen aan
    op gespecificeerde banden. Zie
    Technische specificatie
    (bladzijde 238).

    Voer geen bandenreparaties uit aan
    een reservewiel.

    EEN WIEL VERVANGEN

    LET OP

    Wielslotmoeren

    De bodemvrijheid van de auto wordt
    wellicht verminderd. Wees
    voorzichtig tijdens het parkeren naast
    een stoeprand.

    Na het overleggen van het certificaat met
    het referentienummer kunt u bij uw dealer
    een vervangings dopsleutel en
    vervangings slotmoeren verkrijgen.

    N.B.: De auto kan enige ongewone
    rij-eigenschappen vertonen.

    226



  • Page 229

    Velgen en banden
    Boordkrik

    N.B.: Gebruik een krik met een minimum
    hefvermogen van 1,5 ton en een krikkop
    met een diameter van minimaal 80 mm
    (3,1 inch).

    WAARSCHUWINGEN
    De boordkrik waarmee uw auto
    wordt geleverd mag alleen worden
    gebruikt voor het wisselen van een
    wiel in noodsituaties.

    Uitvoeringen zonder
    bandenreparatieset
    De krik, de wielmoersleutel, het
    afneembare sleepoog en de
    wieldopverwijderaar zijn aangebracht in
    de reservewielkuip.

    Controleer, voordat u de boordkrik
    gebruikt, of deze niet is beschadigd
    of vervormd en dat de schroefdraad
    is gesmeerd en vrij is van
    verontreinigingen.

    Kriksteunpunten

    U mag nooit iets tussen de krik en
    de grond of de krik en de auto
    plaatsen.

    LET OP
    Gebruik uitsluitend de aangegeven
    kriksteunpunten. Wanneer u andere
    punten gebruikt kan dit de
    carrosserie, de stuurinrichting, de
    wielophanging, de motor, het
    remsysteem of de brandstofleidingen
    beschadigen.

    N.B.: Auto's met een bandenreparatieset
    zijn niet uitgerust met een boordkrik en
    een wielmoersleutel.
    Het verdient aanbeveling een hydraulische
    garagekrik te gebruiken wanneer u bijv.
    de zomerbanden door winterbanden
    vervangt.

    227



  • Page 230

    Velgen en banden

    A
    B

    E92658

    A

    Alleen voor gebruik in noodsituaties

    B

    Onderhoud

    A

    E93302

    Kleine pijlvormige markeringen op de
    dorpels A duiden de kriksteunpunten aan.
    E92932

    228



  • Page 231

    Velgen en banden
    Type 2
    LET OP
    Het afneembare sleepoog heeft
    linkse schroefdraad. Draai het
    linksom om het vast te zetten. Zorg
    ervoor dat het sleepoog volledig wordt
    vastgezet.

    E93020

    Wielmoersleutel monteren
    Type 1
    WAARSCHUWING
    E122502

    Let erop dat uw vingers niet vast
    komen te zitten wanneer de
    verlenging van de wielmoersleutel
    in de originele positie wordt
    teruggebracht.

    Steek het afneembare sleepoog in de
    wielmoersleutel.

    Wieldop verwijderen
    Type 1

    N.B.: Zorg dat de wielmoersleutel volledig
    is verlengd.

    Steek het platte einde van de
    wielmoersleutel tussen de velg en de
    wieldop en verwijder de wieldop
    voorzichtig.

    E122546

    Verleng de wielmoersleutel.

    229



  • Page 232

    Velgen en banden
    Type 2

    WAARSCHUWINGEN
    Schakel de eerste versnelling of de
    achteruit in wanneer uw auto is
    uitgerust met een handgeschakelde
    versnellingsbak. Selecteer stand 'P'
    wanneer deze met een automatische
    transmissie is uitgerust.

    1

    Laat de inzittenden uitstappen.

    2
    Blokkeer het diagonaal
    tegenoverliggende wiel met een
    geschikt blok hout of een wielkeg.
    Let erop dat bij richting gebonden
    banden de pijlen in de draairichting
    wijzen wanneer de auto vooruit rijdt.
    Wanneer een reservewiel moet worden
    gemonteerd waarvan de pijlen
    tegengesteld aan de draairichting wijzen,
    laat dan de band zo spoedig mogelijk
    door een goed opgeleide monteur in de
    juiste richting monteren.

    E122314

    1. Breng de wieldopverwijderaar aan.
    2. Verwijder de wieldop.
    N.B.: Zorg dat de wieldopverwijderaar
    onder een rechte hoek ten opzichte van
    de wieldop wordt aangetrokken.

    Voer geen werkzaamheden uit
    onder een auto die alleen wordt
    ondersteund door een krik.

    Wiel verwijderen

    Zorg ervoor dat de krik verticaal ten
    opzichte van het kriksteunpunt staat
    en dat de voet vlak op de grond

    WAARSCHUWINGEN
    Parkeer uw auto dusdanig dat u,
    noch het verkeer hinder ondervindt
    of gevaar loopt.

    staat.
    LET OP

    Zet een gevarendriehoek neer.

    Leg lichtmetalen velgen niet met de
    buitenzijde op de grond, hierdoor
    wordt de lak beschadigd.

    Zorg ervoor dat de auto met de
    wielen in de rechtuitstand op een
    stevige, vlakke ondergrond staat.

    N.B.: Het reservewiel bevindt zich onder
    het paneel in het bagagecompartiment.

    Zet het contact af en schakel de
    parkeerrem in.

    1.

    230

    Breng de dopsleutel voor de slotmoer
    aan.



  • Page 233

    Velgen en banden
    LET OP
    Bevestig lichtmetalen velgen niet met
    moeren die voor stalen velgen zijn
    bestemd.
    N.B.: De wielmoeren voor lichtmetalen
    velgen en stalen spaakvelgen kunnen
    gedurende korte tijd worden gebruikt voor
    het vastzetten van de stalen velg van het
    reservewiel (maximaal twee weken).

    1

    N.B.: Zorg ervoor dat de contactvlakken
    tussen de velg en de naaf vrij zijn van
    vreemde voorwerpen.
    N.B.: Zorg ervoor dat de conische zijde
    van de wielmoeren naar de velg is
    gekeerd.

    2

    1. Breng het wiel aan.
    2. Draai de wielmoeren handvast aan.
    3. Breng de dopsleutel voor de slotmoer
    aan.
    E121887

    2. Draai de wielmoeren een slag los.
    3. Krik de auto op tot de band vrij is van
    de grond.
    4. Verwijder de wielmoeren en het wiel.

    1
    4

    3

    Wiel aanbrengen
    WAARSCHUWINGEN
    Gebruik uitsluitend banden en
    velgen met de goedgekeurde maat.
    Het gebruik van andere maten kan
    beschadiging van de auto tot gevolg
    hebben en maakt de typegoedkeuring
    ongeldig. Zie Technische specificatie
    (bladzijde 238).

    5

    2

    E75442
    4. Zet de wielmoeren in de aangegeven
    volgorde voorlopig vast.
    5. Laat de auto zakken en verwijder de
    krik.

    Laat geen run flat banden monteren
    als de auto hiermee oorspronkelijk
    niet was uitgerust. Raadpleeg uw
    dealer voor meer informatie over de
    geschiktheid van banden.

    231



  • Page 234

    Velgen en banden
    6. Draai de wielmoeren in de
    aangegeven volgorde definitief vast.
    Zie Technische specificatie
    (bladzijde 238).
    7. Breng de wieldop aan met de bal van
    uw hand.

    Met de bandenreparatieset kunt u de
    meeste gaatjes dichten [tot een diameter
    van zes millimeter], waarna u tijdelijk
    verder kunt rijden.
    Let op het volgende bij het gebruik van
    de set:


    WAARSCHUWING
    Laat het aanhaalmoment van de
    wielmoeren en de bandenspanning
    zo spoedig mogelijk controleren.



    BANDENREPARATIESET
    Uw wagen heeft eventueel geen
    reservewiel. In dat geval is er een
    bandenreparatieset aan boord, waarmee
    u één lekke band kunt repareren.



    De bandenreparatieset bevindt zich in de
    reservewielkuip.



    Algemene informatie

    WAARSCHUWINGEN
    Afhankelijk van het type en de
    omvang van de beschadiging
    kunnen sommige banden slechts
    gedeeltelijk of soms geheel niet worden
    gedicht. Een te lage bandenspanning kan
    het weggedrag van de wagen
    beïnvloeden, waardoor u de macht over
    het stuur kunt verliezen.

    Rijd voorzichtig en maak geen
    plotselinge stuurbewegingen,
    vooral wanneer de wagen zwaar is
    beladen of tijdens het rijden met een
    aanhanger.
    De set zorgt voor een tijdelijke
    reparatie, waardoor u uw reis tot de
    volgende dealer of bandenspecialist
    kunt voortzetten, of een afstand van
    maximaal 200 km (125 mijl) kunt
    afleggen.
    Rijd niet sneller dan maximaal
    80 km/h (50 mph).
    Houd de set buiten het bereik van
    kinderen.
    Gebruik de set bij
    omgevingstemperaturen van –30 °C
    tot +70 °C.

    Gebruik van de
    bandenreparatieset
    WAARSCHUWINGEN
    Samengeperste lucht kan zich
    gedragen als een explosief of
    drijfmiddel.

    Gebruik de bandenreparatieset niet
    wanneer de band al beschadigd is
    door het rijden met een te lage
    bandenspanning.

    Laat de bandenreparatieset tijdens
    het gebruik nooit onbeheerd achter.

    Gebruik de bandenreparatieset niet
    bij run flat banden.

    LET OP
    Laat de compressor niet langer dan
    10 minuten draaien.

    Probeer geen andere lekken te
    dichten dan zichtbare lekken in het
    loopvlak van de band.

    N.B.: Gebruik de bandenreparatieset
    alleen bij wagens die ermee zijn uitgerust.

    Probeer geen lekken te dichten in
    de bandwang.

    232



  • Page 235

    Velgen en banden












    Parkeer uw wagen zodanig langs de
    kant van de weg dat u het verkeer niet
    belemmert en dat u in staat bent de
    set te gebruiken zonder in gevaar te
    komen.
    Trek, zelfs wanneer u op een vlakke
    ondergrond geparkeerd staat, de
    handrem aan om te waarborgen dat
    de auto niet in beweging kan komen.
    Probeer geen vreemde voorwerpen,
    zoals spijkers of schroeven, uit de
    band te verwijderen.
    Laat, wanneer u de set gebruikt, de
    motor draaien, maar niet wanneer de
    wagen in een gesloten of slecht
    geventileerde ruimte staat (bijv. in een
    gebouw). Zet in dergelijke gevallen de
    compressor aan zonder de motor te
    starten.
    Vervang de fles met het afdichtmiddel
    door een nieuwe voordat de
    houdbaarheidsdatum (zie de
    bovenzijde van de fles) is bereikt.
    Informeer andere gebruikers van de
    wagen dat de band tijdelijk is
    gerepareerd met de
    bandenreparatieset en stel hen op de
    hoogte van de speciale
    rijvoorschriften.

    WAARSCHUWINGEN
    Sla de bandwang gade. Wanneer u
    scheuren, knobbels en dergelijke
    ziet verschijnen, schakel dan de
    compressor uit en laat de lucht met de
    aflaatklep B ontsnappen. Rijd niet verder
    met deze band.
    Het afdichtmiddel bevat natuurlijk
    latex. Voorkom contact met huid,
    ogen of kleding. Mocht dit toch
    gebeuren, spoel het betreffende
    lichaamsdeel dan direct met veel water
    schoon en neem contact op met uw
    huisarts.
    Wanneer de bandenspanning
    binnen zeven minuten lager wordt
    dan 1,8 bar (26 psi), kan de band
    ernstig zijn beschadigd, waardoor een
    tijdelijke reparatie onmogelijk is. Vervolg
    in een dergelijk geval uw reis niet met
    deze band.
    LET OP
    Wanneer de fles op de houder wordt
    gedraaid, wordt de afdichting van de
    fles verbroken. Draai de fles niet uit
    de houder omdat dan het afdichtmiddel
    ontsnapt.

    Band oppompen
    WAARSCHUWINGEN
    Controleer de bandwang voordat u
    het afdichtmiddel in de band pompt.
    Wanneer u scheuren, knobbels of
    dergelijke ziet, probeer dan niet de band
    op te pompen.
    Ga niet vlak naast de band staan
    wanneer de compressor draait.

    233



  • Page 236

    Velgen en banden
    A
    K
    1.

    I
    H
    C
    D

    E94973

    G

    F

    A

    Beschermkap

    B

    Aflaatklep

    C

    Slang

    D

    Oranje dop

    E

    Flessenhouder

    F

    Drukmeter

    G

    Stekker met kabel

    H

    Compressorschakelaar

    I

    Label

    Flessendop
    Fles afdichtmiddel

    Open het deksel van de
    bandenreparatieset.

    2. Trek het label I waarop de maximaal
    toelaatbare snelheid van 80 km/h
    (50 mph) vermeld staat van het huis
    en maak het binnen het gezichtsveld
    van de bestuurder vast op het
    instrumentenpaneel. Het label mag
    niets belangrijks aan het oog
    onttrekken.
    3. Haal de slang C en de stekker met
    kabel G uit de set.
    4. Draai de oranje dop D en de
    flessendop J los.
    5. Draai de fles afdichtmiddel K stevig
    rechtsom in de flessenhouder E.
    6. Draai het ventieldopje van de
    beschadigde band eraf.
    7. Verwijder de beschermdop A van de
    slang C en draai de slang C stevig op
    het ventiel van de lekke band.
    8. De compressorschakelaar H moet in
    de stand 0 staan.
    9. Sluit de stekker G aan op de
    aansluiting van de aansteker of het
    extra elektrisch aansluitpunt. Zie
    Aansteker (bladzijde 127). Zie Extra
    voedingsaansluitingen (bladzijde
    127).
    10. Start de motor.
    11. Zet de compressorschakelaar H in
    de stand 1.
    12. Pomp de band niet langer dan zeven
    minuten op voor een minimale druk
    van 1,8 bar (26 psi) en een maximum
    druk van 2,5 bar (51 psi). Zet de
    compressorschakelaar H in de stand
    0 en controleer de huidige
    bandenspanning met de drukmeter
    F.

    B

    J

    J
    K

    E

    234



  • Page 237

    Velgen en banden
    13.

    Neem de stekker G uit de aansluiting
    van de aansteker of het extra
    elektrisch aansluitpunt.

    14.

    Draai de slang C snel van het ventiel
    los en breng de beschermdop A
    aan. Draai het ventieldopje vast.

    15.

    Laat de fles afdichtmiddel K in de
    flessenhouder E zitten.
    Zorg ervoor dat de set, de
    flessendop en de oranje dop veilig
    worden opgeborgen, maar makkelijk
    bereikbaar zijn. De set kan weer
    nodig zijn wanneer u de
    bandenspanning controleert.
    Ga onmiddellijk ongeveer drie
    kilometer (twee mijl) rijden, zodat het
    afdichtmiddel het lek kan afdichten.

    16.

    17.

    3. Wanneer de spanning 1,3 bar (19 psi)
    of hoger is, breng de band dan op de
    voorgeschreven spanning. Zie
    Technische specificatie (bladzijde
    238).
    4. Herhaal de procedure om de band
    weer op spanning te brengen.
    5. Controleer de bandenspanning
    nogmaals met de drukmeter F.
    Wanneer de spanning te hoog is, laat
    dan de spanning afnemen met behulp
    van de aflaatklep B.
    6. Zodra u de band op de juiste spanning
    hebt gebracht: zet de
    compressorschakelaar H in de stand
    0, trek de stekker G uit de
    contactdoos, draai de slang C los,
    draai het ventieldopje vast en breng
    de beschermdop A weer aan.
    7. Laat de fles afdichtmiddel K in de
    flessenhouder E zitten en bewaar de
    set veilig op zijn oorspronkelijke plaats.
    8. Rijd naar de dichtstbijzijnde
    bandenspecialist om de beschadigde
    band te laten vervangen. Vertel,
    voordat de band van de velg wordt
    afgenomen, de bandenspecialist dat
    de band een afdichtmiddel bevat.
    Vervang de set zo snel mogelijk na
    eenmalig gebruik.

    N.B.: Wanneer het afdichtmiddel in de
    band wordt gepompt, kan de druk
    toenemen tot 6 bar (87 psi) maar deze
    neemt na ca. 30 seconden weer af.
    WAARSCHUWING
    Wanneer u heftige trillingen,
    onbalans in het stuurwiel of lawaai
    tijdens het rijden waarneemt, minder
    dan snelheid en rijd voorzichtig naar een
    plaats waar u veilig kunt stoppen.
    Controleer de band en de
    bandenspanning opnieuw. Wanneer de
    bandenspanning lager is dan 1,3 bar (19
    psi) of wanneer er scheuren, knobbels of
    dergelijke zichtbaar zijn, hervat dan uw
    reis niet met deze band.

    N.B.: Bedenk dat een
    bandenreparatieset slechts voor tijdelijke
    mobiliteit zorgt. Voorschriften aangaande
    bandreparatie na gebruik van de
    bandenreparatieset kunnen per land
    verschillen. Raadpleeg een
    bandenspecialist voor advies.

    Bandenspanning controleren
    1.

    Stop na ongeveer drie kilometer (twee
    mijl) te hebben gereden. Controleer
    en corrigeer zo nodig de spanning van
    de beschadigde band.
    2. Sluit de set aan en lees de
    bandenspanning af op de drukmeter
    F.

    WAARSCHUWING
    Voordat u wegrijdt moet de band
    de voorgeschreven
    bandenspanning hebben. Zie
    Technische specificatie (bladzijde
    238). Controleer voortdurend de
    bandenspanning tot de band is
    vervangen.

    235



  • Page 238

    Velgen en banden
    Lege flessen afdichtmiddel mogen samen
    met het huishoudelijk afval worden
    afgevoerd. Breng resten afdichtmiddel
    naar uw dealer of voer ze af volgens de
    lokale richtlijnen.

    GEBRUIK VAN
    WINTERBANDEN
    LET OP
    Controleer of u de velgen met de
    winterbanden met het correcte type
    wielmoeren hebt bevestigd.

    VERZORGING VAN BANDEN

    Indien winterbanden zijn gemonteerd,
    controleer dan of de bandenspanning
    correct is. Zie Technische
    specificatie (bladzijde 238).

    GEBRUIK VAN
    SNEEUWKETTINGEN
    E70415

    WAARSCHUWINGEN
    Rijd niet harder dan 50 km/h (30
    mhp).

    Zorg voor een langere levensduur ervoor
    dat de banden van de voor- en
    achterwielen gelijkmatig slijten. Wij raden
    aan dat de voor- en achterwielen met
    regelmatige intervallen tussen 5.000 en
    10.000 km te wisselen.

    Rijd niet met sneeuwkettingen op
    een sneeuwvrij wegdek.
    Breng alleen sneeuwkettingen aan
    op gespecificeerde banden. Zie
    Technische specificatie
    (bladzijde 238).

    LET OP
    Laat tijdens het parkeren de
    bandwangen niet langs
    trottoirbanden schuren.

    LET OP
    Wanneer uw auto is uitgerust met
    wieldeksels, verwijder deze dan
    voordat u sneeuwkettingen
    monteert.

    Als u een stoeprand moet oprijden, doe
    het dan zo langzaam mogelijk en rijd zo
    mogelijk haaks met de wielen het trottoir
    op.
    Controleer regelmatig de banden op
    scheuren, vreemde voorwerpen of
    onregelmatige slijtage van het loopvlak.
    Ongelijkmatige slijtage betekent dat de
    wieluitlijning niet meer aan de specificaties
    voldoet.

    N.B.: Het ABS blijft normaal werken.
    Gebruik alleen sneeuwkettingen met
    kleine schakels.
    Monteer alleen sneeuwkettingen op de
    voorwielen.

    Controleer iedere twee weken de
    bandenspanning (inclusief het
    reservewiel) wanneer de banden koud
    zijn.

    236



  • Page 239

    Velgen en banden
    Uitvoeringen met
    stabiliteitsregeling (ESP)

    Het detectiesysteem
    bandenspanningsverlies waarschuwt
    ingeval van een luchtdrukwijziging in een
    van de banden. Dit vindt plaats via de
    ABS-sensoren die de rollende omtrek van
    de wielen registreren. Wanneer de
    rollende omtrek verandert, dan geeft dit
    een lage spanning aan in een band. Er
    wordt een waarschuwingsbericht
    weergegeven in de informatiedisplay en
    de berichtencontrolelamp gaat branden.
    Zie Infoberichten (bladzijde 96).

    Uitvoeringen met stabiliteitsregeling (ESP)
    kunnen een wat ongebruikelijke
    rijkarakteristiek vertonen, hetgeen kan
    worden voorkomen door het systeem uit
    te schakelen. Zie Gebruik maken van
    stabiliteitsregeling (bladzijde 151).

    BANDENSPANNINGCONTROLESYSTEEM

    Naast een te lage bandenspanning of een
    beschadigde band kunnen de volgende
    situaties van invloed zijn op de rollende
    omtrek:
    • Ongelijke belading.
    • Gebruik van een aanhanger of een
    heuvel op en af rijden.
    • Gebruik van sneeuwkettingen.
    • Rijden op zachte ondergrond zoals
    sneeuw of modder.

    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem ontheft u niet van de
    verantwoording om regelmatig de
    bandenspanning te controleren.
    Het systeem waarschuwt u alleen
    voor een lage bandenspanning. Het
    pompt de banden niet op.
    Rijd niet met een aanzienlijk te lage
    bandenspanning. Hierdoor kunnen
    de banden oververhit raken en
    worden beschadigd. Een te lage
    bandenspanning verhoogt het
    brandstofverbruik, verkort de levensduur
    van de banden en heeft een nadelige
    invloed op de rijeigenschappen.

    N.B.: Het systeem functioneert naar
    behoren, maar de detectietijd kan wellicht
    toenemen.
    Wanneer een waarschuwingsbericht voor
    een lage bandenspanning op het
    informatiedisplay wordt weergegeven,
    controleer dan de bandenspanning zo
    spoedig mogelijk en breng deze op de
    voorgeschreven waarde. Zie
    Technische specificatie (bladzijde
    238).

    LET OP
    Buig of beschadig de ventielen niet
    wanneer u de banden oppompt.
    Laat banden door goed opgeleide
    monteurs monteren.

    Wanneer dit regelmatig voorkomt, laat
    dan zo snel mogelijk de oorzaak
    vaststellen en verhelp de storing.

    Systeem resetten
    N.B.: Reset het systeem niet wanneer
    met de auto wordt gereden.
    N.B.: Het systeem moet worden gereset
    na een afstelling van de bandenspanning
    of een bandenwissel.

    237



  • Page 240

    Velgen en banden
    N.B.: Zet het contact aan.
    1.

    Informatie > Leegloopdetectie
    2. Houd de knop OK ingedrukt tot er
    een bevestiging verschijnt.

    Navigeer m.b.v. de
    informatiedisplaybediening naar

    TECHNISCHE SPECIFICATIE
    Aanhaalmoment wielmoeren
    Velgtype

    Nm (Ib-ft)

    Alle

    130 (96)

    Bandenspanning (koude banden)
    Tot 80 km/u
    Normale belasting
    Uitvoering

    Bandenmaat

    Maximaal beladen

    Voor

    Achter

    Voor

    Achter

    bar (lbf/
    in²)

    bar (lbf/
    in²)

    bar (lbf/
    in²)

    bar (lbf/
    in²)

    Alle

    T125/80 R 16

    4,2 (61)

    4,2 (61)

    4,2 (61)

    4,2 (61)

    Alle

    T125/90 R 16

    4,2 (61)

    4,2 (61)

    4,2 (61)

    4,2 (61)

    Tot 160 km/u
    Normale belasting
    Uitvoering

    Bandenmaat

    Maximaal beladen

    Voor

    Achter

    Voor

    Achter

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    *

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,4 (35)

    2,8 (41)

    Alle

    205/55 R 16

    Auto's met benzinemotor of 1.6L Duratorq-TDCi (DV)
    dieselmotor

    215/55 R 16

    *

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,4 (35)

    2,8 (41)

    2,0L Duratorq-TDCi
    (DW) Diesel

    215/55 R 16

    *

    2,3 (33)

    2,1 (31)

    2,4 (35)

    2,8 (41)

    238



  • Page 241

    Velgen en banden
    Normale belasting
    Uitvoering

    Bandenmaat

    Maximaal beladen

    Voor

    Achter

    Voor

    Achter

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    Auto's met benzinemotor of 1.6L Duratorq-TDCi (DV)
    dieselmotor

    215/50 R 17

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,4 (35)

    2,8 (41)

    2,0L Duratorq-TDCi
    (DW) Diesel

    215/50 R 17

    2,3 (33)

    2,1 (31)

    2,4 (35)

    2,8 (41)

    Auto's met benzinemotor of 1.6L Duratorq-TDCi (DV)
    dieselmotor

    235/40 R 18

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,4 (35)

    2,8 (41)

    2,0L Duratorq-TDCi
    (DW) Diesel

    235/40 R 18

    2,3 (33)

    2,1 (31)

    2,4 (35)

    2,8 (41)

    *

    Breng alleen sneeuwkettingen aan op gespecificeerde banden.

    Snelheid continu hoger dan 160 km/u (100 mph)
    Normale belasting
    Uitvoering

    Bandenmaat

    Maximaal beladen

    Voor

    Achter

    Voor

    Achter

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    1.6L Duratec-TiVCT (Sigma) en
    1.6L Duratorq-TDCi
    (DV) dieselmotor

    205/55 R 16

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,4 (35)

    2,8 (41)

    1.6L EcoBoost SCTi
    (Sigma)

    205/55 R 16

    2,2 (32)

    2,1 (31)

    2,4 (35)

    2,8 (41)

    Auto's met benzinemotor of 1.6L Duratorq-TDCi (DV)
    dieselmotor

    215/55 R 16

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,4 (35)

    2,8 (41)

    2,0L Duratorq-TDCi
    (DW) Diesel

    215/55 R 16

    2,3 (33)

    2,1 (31)

    2,6 (38)

    2,8 (41)

    239



  • Page 242

    Velgen en banden
    Normale belasting
    Uitvoering

    Bandenmaat

    Maximaal beladen

    Voor

    Achter

    Voor

    Achter

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    Auto's met benzinemotor of 1.6L Duratorq-TDCi (DV)
    dieselmotor

    215/50 R 17

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,4 (35)

    2,8 (41)

    2,0L Duratorq-TDCi
    (DW) Diesel

    215/50 R 17

    2,3 (33)

    2,1 (31)

    2,6 (38)

    2,8 (41)

    Auto's met benzinemotor of 1.6L Duratorq-TDCi (DV)
    dieselmotor

    235/40 R 18

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,4 (35)

    2,8 (41)

    2,0L Duratorq-TDCi
    (DW) Diesel

    235/40 R 18

    2,3 (33)

    2,1 (31)

    2,6 (38)

    2,8 (41)

    240



  • Page 243

    Voertuigidentificatie
    N.B.: Het ontwerp van het
    identificatieplaatje kan afwijken van het
    getoonde plaatje.

    VOERTUIGIDENTIFICATIEPLAATJE

    N.B.: De informatie op het
    identificatieplaatje is afhankelijk van de
    vereisten per land.

    B

    C

    D

    E
    F
    G

    A

    H
    I
    E135662

    A

    Model

    B

    Uitvoering

    C

    Motorbenaming

    D

    Emissieniveau

    A

    Voertuigidentificatienummer

    F

    Maximaal toelaatbare totaalgewicht

    G

    Maximaal toelaatbaar treingewicht

    H

    Maximale voorasbelasting

    I

    Maximale achterasbelasting

    Het voertuigidentificatienummer (VIN) en
    de maximum toelaatbare gewichten zijn
    vermeld op een plaatje aan slotzijde
    onderin de opening van het rechter
    portier.

    241



  • Page 244

    Voertuigidentificatie
    VOERTUIGIDENTIFICATIENUMMER (VIN)

    E87496

    Het Voertuig Identificatie Nummer
    (chassisnummer) is rechtsvoor naast de
    voorstoel in de bodemplaat ingeslagen.
    Het is ook op de linkerzijde van het
    instrumentenpaneel vermeld.

    242



  • Page 245

    Technische specificaties
    TECHNISCHE SPECIFICATIE
    Afmetingen van de wagen

    D
    A

    C

    E
    B
    E132736

    243



  • Page 246

    Technische specificaties

    4-deurs
    Punt

    Beschrijving van afmeting

    A

    Totale lengte

    B

    Totale breedte inclusief buitenspiegels

    C

    Totale hoogte - EC rijklaargewicht

    D

    Wielbasis

    A

    Spoorbreedte, voor

    A

    Spoorbreedte, achter

    Afmeting in mm

    4 534 (178,5)
    2 010 (79,1)
    1 451 - 1 484 (57,1 - 58,4)
    2 648 (104,3)
    1 544 - 1 559 (60,8 - 61,4)
    1 534 - 1 549 (60,4 - 61)

    5-deurs
    Punt

    Beschrijving van afmeting

    A

    Totale lengte

    B

    Totale breedte inclusief buitenspiegels

    C

    Totale hoogte - EC rijklaargewicht

    D

    Wielbasis

    A

    Spoorbreedte, voor

    A

    Spoorbreedte, achter

    Afmeting in mm

    4 358 - 4 362 (171,6 - 171,7)
    2 010 (79,1)
    1 451 - 1 484 (57,1 - 58,4)
    2 648 (104,3)
    1 544 - 1 559 (60,8 - 61,4)
    1 534 - 1 549 (60,4 - 61)

    Stationwagon
    Punt

    A

    Beschrijving van afmeting

    Totale lengte

    Afmeting in mm

    4 556 (179,4)

    B

    Totale breedte inclusief buitenspiegels

    C

    Totale hoogte - EC rijklaargewicht

    D

    Wielbasis

    A

    Spoorbreedte, voor

    A

    Spoorbreedte, achter

    2 010 (79,1)
    1 472 - 1 505 (58 - 59,3)
    2 648 (104,3)
    1 544 - 1 559 (60,8 - 61,4)
    1 534 - 1 549 (60,4 - 61)

    244



  • Page 247

    Technische specificaties
    Afmetingen trekhaak

    A

    B

    C

    E
    D

    F
    G

    E132737

    245



  • Page 248

    Technische specificaties

    4-deurs
    Punt

    Beschrijving van afmeting

    Afmeting in mm

    A

    Bumper – midden van trekhaakkogel

    77 - 80 (3 - 3,1)

    B

    Bevestigingspunt – hart trekhaakkogel

    C

    Hart wiel – hart trekhaakkogel

    1 068 - 1 071 (42 - 42,2)

    D

    Hart trekhaakkogel – langsbalk

    518 (20,4)

    A

    Afstand tussen de langsbalken

    1 037 (40,8)

    F

    Hart trekhaakkogel – hart 1e bevestigingspunt

    450 (17,7)

    G

    Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigingspunt

    750 (29,5)

    5 (0,2)

    5-deurs
    Punt

    Beschrijving van afmeting

    Afmeting in mm

    A

    Bumper – midden van trekhaakkogel

    B

    Bevestigingspunt – hart trekhaakkogel

    81 - 83 (3,2 - 3,3)

    C

    Hart wiel – hart trekhaakkogel

    896 - 898 (35,3 - 35,4)

    D

    Hart trekhaakkogel – langsbalk

    518 (20,4)

    A

    Afstand tussen de langsbalken

    1 036 (40,8)

    F

    Hart trekhaakkogel – hart 1e bevestigingspunt

    420 (16,5)

    G

    Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigingspunt

    720 (28,3)

    5 (0,2)

    Stationwagon
    Punt

    Beschrijving van afmeting

    A

    Bumper – midden van trekhaakkogel

    B

    Bevestigingspunt – hart trekhaakkogel

    C

    Hart wiel – hart trekhaakkogel

    Afmeting in mm

    81 (3,2)
    76 (3)
    1 094 (43,1)

    246



  • Page 249

    Technische specificaties
    Punt

    Beschrijving van afmeting

    Afmeting in mm

    D

    Hart trekhaakkogel – langsbalk

    590 (23,2)

    A

    Afstand tussen de langsbalken

    1 179 (46,4)

    F

    Hart trekhaakkogel – hart 1e bevestigingspunt

    474 (18,7)

    G

    Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigingspunt

    719 (28,3)

    247



  • Page 250

    Inleiding audio-installatie
    Labels op de audio-installatie

    BELANGRIJKE AUDIOINFORMATIE
    WAARSCHUWINGEN
    Door technische verschillen kunnen
    opneembare CD’s (CD-R's) en
    opnieuw beschrijfbare CD’s
    (CD-RW's) mogelijk niet correct
    functioneren.

    E66256

    Deze radio / CD-spelers spelen
    CD's af die voldoen aan de
    standaard audiospecificaties van het
    International Red Book. CD’s met een
    kopieerbeveiliging van sommige
    fabrikanten voldoen niet aan deze
    standaard en het afspelen ervan kan niet
    worden gegarandeerd.

    E66257

    CD etiketten
    Audio CD

    Dual format, dubbelzijdige CD's
    (DVD Plus, CD-DVD format), die
    door de muziekindustrie worden
    gebruikt, zijn dikker dan normale CD's en
    het afspelen ervan kan daardoor niet
    worden gegarandeerd en ze kunnen
    klemraken. CD’s met een onregelmatige
    vorm en CD’s met krasbescherming of
    zelfklevende etiketten mogen niet worden
    gebruikt. Garantieclaims, waarbij dit type
    CD in een audio-installatie wordt
    aangetroffen die voor reparatie wordt
    aangeboden, worden niet geaccepteerd.

    E66254

    MP3

    Alle CD-spelers zijn alleen bedoeld
    om commercieel geperste 12 cm
    audio CD's af te spelen.
    Uw audio-installatie kan worden
    beschadigd wanneer voorwerpen
    als creditcards of munten door de
    opening van de CD-speler naar binnen
    worden geduwd.

    E66255

    248



  • Page 251

    Overzicht audio-installatie
    N.B.: Audio-units zijn voorzien van een
    geïntegreerd multifunctioneel display
    boven de CD-sleuf. Hierop wordt
    belangrijke informatie weergegeven over
    de bediening van de audio-unit. Daarnaast
    bevinden zich rondom het display diverse
    pictogrammen die oplichten wanneer een
    functie actief is (bijvoorbeeld CD, Radio of
    Aux.)

    OVERZICHT AUDIOINSTALLATIE

    Type 1

    A

    B

    C

    D

    O

    E
    F

    N

    M
    L
    G
    K
    J

    I

    H

    E130324

    A

    CD-uitwerptoets. Zie CD-speler (bladzijde 261).

    B

    Navigatiepijlen.

    C

    CD-sleuf. Zie CD-speler (bladzijde 261).

    D

    OK.

    E

    Informatie.

    249



  • Page 252

    Overzicht audio-installatie
    F

    Verkeersberichten. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde
    258).

    G

    Stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 257).

    H

    Opwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen
    (bladzijde 256). Zie Nummer selecteren (bladzijde 261).

    I

    Aan/uit en volumeknop.

    J

    Neerwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen
    (bladzijde 256). Zie Nummer selecteren (bladzijde 261).

    K

    Menu selecteren.

    L

    Klanktoets. Zie Volumeknop (bladzijde 256).

    M

    Extra ingang selecteren. Zie Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN)
    (bladzijde 129). Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 266).

    N

    Radio en golfband selecteren. Zie Werking van de audio-installatie
    (bladzijde 256).

    O

    CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 261).

    Type 2

    1

    E104157

    A

    2

    3

    4

    A
    Beschrijvingen voor
    functietoetsen 1-4

    250



  • Page 253

    Overzicht audio-installatie

    A

    B

    C

    D

    E
    F

    T

    S
    G
    R
    Q

    H

    P

    O

    N

    M

    L

    K

    J

    I

    E130142

    A

    CD-uitwerptoets. Zie CD-speler (bladzijde 261).

    B

    Navigatiepijlen.

    C

    CD-sleuf. Zie CD-speler (bladzijde 261).

    D

    OK.

    E

    Informatie.

    F

    Verkeersberichten. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde
    258).

    G

    Klanktoets. Zie Volumeknop (bladzijde 256).

    H

    Telefoontoetsenblok en stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Gebruik maken
    van de telefoon (bladzijde 270). Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 257).

    I

    Functie 4.

    J

    Functie 3.

    K

    Opwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen
    (bladzijde 256). Zie Nummer selecteren (bladzijde 261).

    251



  • Page 254

    Overzicht audio-installatie
    L

    Aan/uit en volumeknop.

    M

    Neerwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen
    (bladzijde 256). Zie Nummer selecteren (bladzijde 261).

    N

    Functie 2.

    O

    Functie 1.

    P

    Menu selecteren.

    Q

    Telefoonmenu. Zie Telefoon (bladzijde 268).

    R

    Extra ingang, USB en iPod selecteren. Zie Aansluiting Auxiliary ingang
    (AUX IN) (bladzijde 129). Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 266).
    Zie Verbinding (bladzijde 289).

    S

    Radio en golfband selecteren. Zie Werking van de audio-installatie
    (bladzijde 256).

    T

    CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 261).
    Type 3

    Functietoetsen 1 tot en met 4 zijn
    contextafhankelijk en wijzigen als functie
    van de huidige audio-unitmodus.
    Beschrijvingen voor de functies worden
    aan de onderzijde van het display
    weergegeven.

    1

    E104157

    A

    252

    2

    3

    A
    Beschrijvingen voor
    functietoetsen 1-4

    4



  • Page 255

    Overzicht audio-installatie
    A

    B

    C

    D

    E

    F
    G

    Y

    X
    H
    W
    I

    V

    J

    U

    K
    T
    L
    S

    R

    Q

    P

    O

    N

    M

    E129074

    A

    Aan/uit regeling.

    B

    Display selecteren.

    C

    Telefoontoetsenblok en stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Gebruik maken
    van de telefoon (bladzijde 270). Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 257).

    D

    CD-sleuf. Zie CD-speler (bladzijde 261).

    E

    Navigatiepijlen.

    F

    DSP selecteren. Zie Digitale signaalverwerking (DSP) (bladzijde 259).

    G

    CD-uitwerptoets. Zie CD-speler (bladzijde 261).

    H

    Informatie.

    I

    Klok.

    J

    Opwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Oproep beëindigen. Zie Station
    afstemtoetsen (bladzijde 256). Zie Nummer selecteren (bladzijde 261).
    Zie Gebruik maken van de telefoon (bladzijde 270).

    253



  • Page 256

    Overzicht audio-installatie
    K

    Geluid uitschakelen.

    L

    Verkeersberichten. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde
    258).

    M

    Functie 4.

    N

    Klanktoets. Zie Volumeknop (bladzijde 256).

    O

    Functie 3.

    P

    OK.

    Q

    Functie 2.

    R

    Menu selecteren.

    S

    Functie 1.

    T

    Telefoonmenu. Zie Telefoon (bladzijde 268).

    U

    Extra ingang selecteren. Zie Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN)
    (bladzijde 129). Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 266).

    V

    Neerwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Oproep beantwoorden. Zie Station
    afstemtoetsen (bladzijde 256). Zie Nummer selecteren (bladzijde 261).
    Zie Gebruik maken van de telefoon (bladzijde 270).

    W

    Radio en golfband selecteren. Zie Werking van de audio-installatie
    (bladzijde 256).

    X

    CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 261).

    Y

    Volumeregeling.

    Functietoetsen 1 tot en met 4 zijn
    contextafhankelijk en wijzigen als functie
    van de huidige audio-unitmodus.
    Beschrijvingen voor de functies worden
    aan de onderzijde van het display
    weergegeven.

    254



  • Page 257

    Beveiliging van uw audio-installatie
    BEVEILIGINGSCODE
    Elke installatie heeft een unieke code die
    gekoppeld is aan het chassisnummer
    (VIN). Het systeem controleert
    automatisch of de audio-installatie en de
    auto overeenkomen, voordat het gebruik
    wordt toegestaan.
    Als een veiligheidscodemelding verschijnt,
    neem dan contact op met uw dealer.

    255



  • Page 258

    Werking van de audio-installatie
    AAN/UIT TOETS

    STATION AFSTEMTOETSEN

    Druk op de aan/uit knop. Hierdoor kan het
    toestel nog een uur nadat het contact is
    afgezet worden gebruikt.

    DAB-service linking
    N.B.: De DAB service linking is standaard
    uitgeschakeld.

    Na een uur schakelt het radiotoestel
    automatisch uit.

    N.B.: Via service linking zijn
    kruisreferenties mogelijk naar andere
    betreffende frequenties van hetzelfde
    radiostation (bijvoorbeed FM en andere
    DAB-ensembles).

    VOLUMEKNOP
    Zo kunt u de volume-instellingen
    aanpassen (bijvoorbeeld bas en hoge
    tonen).

    N.B.: Het systeem schakelt automatisch
    naar een ander betreffend radiostation
    als het huidige radiostation niet
    beschikbaar is (bijvoorbeeld tijdens het
    verlaten van het dekkingsgebied).

    1. Druk de klanktoets in.
    2. Druk op de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag om de gewenste
    instelling te selecteren.
    3. Gebruik de pijltjestoetsen links/rechts
    om de vereiste aanpassing uit te
    voeren. Het display geeft de gekozen
    instelling weer.
    4. Druk op de OK toets om de nieuwe
    instelling te bevestigen.

    DAB service linking in- en uitschakelen.
    Zie Algemene informatie (bladzijde
    88).

    Zoeken
    Selecteer een frequentieband en druk
    kort op een van de zoektoetsen. Het
    toestel stopt bij het eerste radiostation
    dat in de door u gekozen richting wordt
    gevonden.

    GOLFBAND TOETS

    Handmatig afstemmen

    Druk op de toets RADIO om een van de
    beschikbare frequentiebanden te
    selecteren.

    Type 1
    1. Druk op de MENU toets.
    2. Selecteer de modus RADIO en
    vervolgens MANUAL TUNE.
    3. Druk op de linker en rechter
    pijltjestoetsen om de frequentieband
    in kleine stappen omlaag of omhoog
    af te zoeken of houd de toets
    ingedrukt om snel te zoeken tot u een
    radiostation vindt waarnaar u wilt
    luisteren.
    4. Druk op OK om naar een radiostation
    te blijven luisteren.

    Wanneer een andere geluidsbron is
    ingeschakeld kan deze keuzetoets ook
    worden gebruikt om weer over te
    schakelen naar de radio.
    Of druk op de linker pijltjestoets om de
    beschikbare frequentiebanden weer te
    geven. Blader naar de gewenste
    frequentieband en druk op OK.

    256



  • Page 259

    Werking van de audio-installatie
    Type 2 en 3

    1. Selecteer een golfband.
    2. Stem af op het gewenste radiostation.
    3. Houd een van de voorkeuzetoetsen
    ingedrukt. Er verschijnen een
    voortgangsbalk en een melding.
    Wanneer de voortgangsbalk vol is, is
    het radiostation opgeslagen. Tevens
    wordt ter bevestiging de
    geluidsweergave kort onderbroken.

    1. Druk op functietoets 2.
    2. Druk op de linker en rechter
    pijltjestoetsen om de frequentieband
    in kleine stappen omlaag of omhoog
    af te zoeken of houd de toets
    ingedrukt om snel te zoeken tot u een
    radiostation vindt waarnaar u wilt
    luisteren.
    3. Druk op OK om naar een radiostation
    te blijven luisteren.

    Dit kan op elke golfband en voor iedere
    voorkeuzetoets worden herhaald.
    N.B.: Wanneer u naar een ander deel
    van het land rijdt, wordt de informatie van
    FM en DAB radiostations die op een
    andere frequentie uitzenden en onder
    een voorkeuzetoets zijn opgeslagen,
    automatisch geactualiseerd met de
    correcte frequentie en stationsnaam voor
    dat gebied.

    Scanfunctie
    SCAN laat u elk gevonden radiostation
    enkele seconden horen.
    Type 1
    1. Druk op de MENU toets.
    2. Selecteer de modus RADIO en
    vervolgens SCAN.
    3. Gebruik de zoektoetsen om de
    geselecteerde frequentieband op- of
    neerwaarts af te zoeken.
    4. Druk op OK om naar een radiostation
    te blijven luisteren.

    AUTOSTORE TOETS
    N.B.: Autostore slaat maximaal de 10
    sterkste beschikbare signalen op (AM- of
    FM-golfband) en overschrijft daarbij de
    eerder opgeslagen radiostations.
    Autostore kan, net als bij de andere
    golfbanden, ook worden gebruikt om
    radiostations handmatig op te slaan.

    Type 2 en 3
    1. Druk op functietoets 3.
    2. Gebruik de zoektoetsen om de
    geselecteerde frequentieband op- of
    neerwaarts af te zoeken.
    3. Druk opnieuw op functietoets 3 of OK
    om naar een radiostation te blijven
    luisteren.

    N.B.: Bij type 3 moet u FM AST of AM
    AST selecteren om deze functie te
    gebruiken.



    VOORKEUZETOETSEN
    Met deze voorziening kunt u uw favoriete
    radiostations opslaan, zodat u later hierop
    direct kunt afstemmen door de juiste
    golfband te selecteren en de betreffende
    voorkeuzetoets in te drukken.

    257

    Houd functietoets 1 of de toets RADIO
    ingedrukt.
    Wanneer het zoeken is voltooid, wordt
    het geluid weer ingeschakeld en de
    sterkste signalen worden onder de
    voorkeuzetoetsen van Autostore
    opgeslagen.



  • Page 260

    Werking van de audio-installatie
    REGELING FUNCTIE
    VERKEERSINFORMATIE

    Volume van de
    verkeersberichten

    Veel radiostations die op de FM-band
    uitzenden hebben een TP-code die
    aanduidt dat deze verkeersinformatie
    uitzenden.

    Verkeersberichten onderbreken de
    normale geluidsweergave met een
    voorgeprogrammeerd volume dat
    gewoonlijk hoger is dan het gebruikelijke
    luistervolume.

    Verkeersberichten inschakelen

    Instellen van het voorgeprogrammeerde
    volume:

    Voordat u verkeersberichten kunt
    ontvangen, moet u op de TA of TRAFFIC
    toets drukken. ‘TA’ verschijnt op de
    display om aan te duiden dat de functie
    is ingeschakeld.



    Wanneer u reeds op een radiostation had
    afgestemd dat verkeersinformatie
    uitzendt, verschijnt ook 'TP' op de display.
    Anders gaat de unit zoeken naar een
    station dat verkeersinformatie uitzendt.

    Gebruik de volumeknop om het
    gewenste volume in te stellen tijdens
    een inkomende TA-uitzending. De
    display geeft het geselecteerde niveau
    weer.

    Verkeersberichten beëindigen
    Aan het einde van een verkeersbericht
    gaat de audio-installatie weer door met
    zijn normale werking. Om een
    verkeersbericht voortijdig af te breken,
    drukt u tijdens het verkeersbericht op TA
    of TRAFFIC.

    Wanneer verkeersinformatie wordt
    uitgezonden, wordt de normale weergave
    van radio of CD automatisch onderbroken
    en verschijnt 'TA - Traffic mededeling' op
    de display.

    N.B.: Indien op een ander tijdstip op TA
    of TRAFFIC wordt gedrukt, wordt de
    functie uitgeschakeld.

    Wanneer met behulp van de
    voorkeuzetoetsen een radiostation wordt
    gekozen dat geen verkeersinformatie
    uitzendt, dan blijft het radiotoestel op dit
    station afgestemd, tenzij TA of TRAFFIC
    wordt uitgeschakeld en vervolgens weer
    wordt ingeschakeld.
    N.B.: Als TA ingeschakeld is en u een
    voorkeuzetoets selecteert voor (of
    handmatig afstemt op) een radiostation
    dat geen verkeersinformatie (TA) uitzendt,
    dan hoort u geen verkeersinformatie.
    N.B.: Wanneer u naar een radiostation
    luistert dat geen verkeersinformatie (TA)
    uitzendt en u TA uitschakelt en weer
    inschakelt, dan wordt er gezocht naar TP.

    258



  • Page 261

    Menu's audio-installatie
    4. Druk op de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag om de gewenste
    instelling te selecteren.
    5. Druk op de OK toets om uw keuze te
    bevestigen.
    6. Druk op de toets MENU om terug te
    keren.

    AUTOMATISCHE
    VOLUMEREGELING
    Indien van toepassing, past de
    automatische volumeregeling (AVC) het
    geluidsvolume aan, om geluiden van de
    motor en het wegdek te compenseren.
    1.
    2.
    3.

    4.
    5.

    Druk op de MENU toets en kies
    AUDIO.
    Kies AVC LEVEL of ADAPTIVE VOL.
    Druk op de linker of rechter
    pijltjestoets om de instelling bij te
    stellen.
    Druk op de OK toets om uw keuze te
    bevestigen.
    Druk op de MENU toets om terug te
    gaan.

    NIEUWSBERICHTEN
    Sommige radiotoestellen onderbreken
    de normale ontvangst voor
    nieuwsberichten van radiostations op de
    FM band of RDS of EON geschakelde
    stations op dezelfde wijze als bij
    verkeersberichten.
    Tijdens nieuwsuitzendingen zal het display
    aangeven dat er een binnenkomend
    bericht is. Het nieuwsbericht onderbreekt
    de geluidsweergave met hetzelfde
    voorgeprogrammeerde volume als bij
    verkeersberichten.

    DIGITALE
    SIGNAALVERWERKING
    (DSP)

    1. Druk op de MENU toets.
    2. Selecteer AUDIO of AUDIO SETTINGS.
    3. Scroll naar NEWS, in- of uitschakelen
    met de OK toets.
    4. Druk op de MENU toets om terug te
    gaan.

    DSP voor bezette zitplaatsen
    Deze functie houdt rekening met de
    verschillen in afstand tot de diverse
    luidsprekers in de auto ten opzichte van
    de zitplaatsen. Selecteer de zitplaats
    waarvoor het audiosignaal moet worden
    gecorrigeerd.

    DSP-equalizer

    ALTERNATIEVE
    FREQUENTIES

    Selecteer de muziekcategorie waarnaar
    u bij voorkeur luistert. Het audiosignaal
    verandert om de weergave van de
    specifiek gekozen muziekstijl te
    verbeteren.

    Veel programma's die op de FM-band
    worden uitgezonden hebben een
    programma-identificatie (PI) code, die
    door de audio-installatie kan worden
    herkend.

    DSP-instellingen wijzigen

    Als bij uw radio AF is ingeschakeld en u
    rijdt vanuit het ene ontvangstgebied naar
    een ander, zoekt deze functie naar een
    krachtiger radiosignaal en stemt daarop
    af wanneer het wordt gevonden.

    1. Druk op de MENU toets.
    2. Selecteer AUDIO of AUDIO SETTINGS.
    3. Blader naar de gewenste DSP-functie.

    259



  • Page 262

    Menu's audio-installatie
    Onder bepaalde omstandigheden kan
    door het afstemmen op alternatieve
    frequenties (AF) de normale ontvangst
    tijdelijk worden onderbroken.

    REGIONALE MODUS (REG)
    De regionale modus (REG) regelt het
    gedrag van AF door tussen regionale
    netwerken van een hoofdzender te
    schakelen. Een zender kan over een
    groot netwerk beschikken dat in een
    groot gedeelte van het land te ontvangen
    is. Op verschillende tijden van de dag kan
    dit grote netwerk worden onderverdeeld
    in een aantal kleinere regionale
    netwerken, die bijvoorbeeld in grotere
    plaatsen of steden zijn gevestigd.
    Wanneer het netwerk niet in regionale
    zenders wordt opgesplitst, zendt het
    complete netwerk hetzelfde programma
    uit.

    De installatie evalueert continu de
    signaalsterkte en, indien een beter signaal
    beschikbaar komt, schakelt de installatie
    over naar dat alternatief. De
    geluidsweergave wordt onderbroken
    terwijl het toestel de lijst met alternatieve
    frequenties controleert en, zo nodig, de
    golfband eenmaal afzoekt naar een
    alternatieve frequentie.
    Wanneer een radiostation wordt
    gevonden wordt de weergave van het
    geluid hervat; wanneer er geen
    radiostation wordt gevonden, stemt het
    systeemautomatisch af op de
    oorspronkelijke frequentie.

    Regionale modus AAN: Dit voorkomt het
    schakelen naar andere regionale
    netwerken, die niet hetzelfde programma
    uitzenden.

    Indien geselecteerd wordt 'AF' op het
    display weergegeven.

    Regionale modus OFF (uit): Hiermee kan
    een groter gebied worden ontvangen
    wanneer naburige regionale netwerken
    hetzelfde programma uitzenden, maar
    kan leiden tot overschakelen wanneer dit
    niet het geval is.

    1. Druk op de MENU toets.
    2. Selecteer AUDIO of AUDIO MENU.
    3. Blader naar ALTERNAT FREQ. of
    ALTERNATIVE FREQ. en schakel dit in
    of uit met de OK toets.
    4. Druk op de toets MENU om terug te
    keren.

    1. Druk op de MENU toets.
    2. Selecteer AUDIO of AUDIO SETTINGS.
    3. Blader naar RDS REGIONAL en
    schakel dit in of uit met de toets OK.
    4. Druk op de toets MENU om terug te
    keren.

    260



  • Page 263

    CD-speler
    CD AFSPELEN

    VERSNELD
    VOORUIT/ACHTERUIT

    N.B.: Tijdens het afspelen wordt de CD,
    het nummer en de verstreken tijd van het
    nummer op het display weergegeven.

    Houd de zoeken omlaag of omhoog toets
    ingedrukt om achteruit of vooruit binnen
    de nummers op de CD te gaan.

    Druk tijdens radio-ontvangst eenmaal op
    de toets CD om de CD-weergave te
    starten.

    SHUFFLE/RANDOM (DOOR
    ELKAAR/WILLEKEURIG)

    Het afspelen start onmiddellijk wanneer
    een CD wordt geladen.

    Door het willekeurig afspelen van
    nummers, ook wel bekend als “shuffle”,
    worden alle opnames op de CD in
    willekeurige volgorde afgespeeld.

    NUMMER SELECTEREN








    Druk eenmaal op de toets opwaarts
    zoeken om naar het volgende
    nummer te gaan of druk meerdere
    keren om naar de daaropvolgende
    nummers te gaan.
    Druk eenmaal op de toets neerwaarts
    zoeken om het huidige nummer te
    herhalen. Wanneer deze toets binnen
    twee seconden vanaf het begin van
    een nummer wordt ingedrukt, dan
    wordt het vorige nummer
    geselecteerd.
    Druk meerdere keren op de toets
    neerwaarts zoeken om voorafgaande
    nummers te selecteren.

    Type 1
    1.

    Druk op de toets MENU en selecteer
    CD MODE.
    2. Selecteer SHUFFLE waarna de functie
    kan worden in- of uitgeschakeld.
    Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld,
    bestaan de opties uit SHUFFLE voor de
    hele CD of voor alle nummers in de map.

    Type 2 en 3
    Druk op functietoets 2.
    N.B.: Wanneer een MP3-CD wordt
    afgespeeld, bestaan de opties uit
    SHUFFLE voor de hele CD of voor alle
    nummers in de map. Door meerdere
    keren op functietoets 2 te drukken wordt
    tussen deze opties gewisseld.

    Druk op de pijltjestoetsen omhoog of
    omlaag en selecteer het gewenste
    nummer met de OK toets.

    Type 2 en 3
    Het gewenste nummer kan worden
    ingevoerd met de cijfertoetsen. Kies het
    gewenste nummer volledig (bijvoorbeeld
    1 gevolgd door 2 voor nummer 12) of kies
    het nummer en druk direct op OK.

    Gebruik de zoektoetsen omhoog/omlaag
    om desgewenst het volgende willekeurige
    nummer te selecteren.

    CD-NUMMERS HERHALEN
    Type 1
    1.

    261

    Druk op de toets MENU en selecteer
    CD MODE.



  • Page 264

    CD-speler

    Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld,
    bestaan de opties uit HERHALEN van het
    nummer of van alle nummers in de map.

    N.B.: Wanneer een MP3-CD wordt
    afgespeeld, bestaan de opties uit
    SCANNEN van de hele CD of van alleen
    de nummers in de map. Door meerdere
    keren op functietoets 3 te drukken wordt
    tussen deze opties gewisseld.

    Type 2 en 3

    2. Druk op functietoets 3 om de
    scanmodus te stoppen.

    2. Selecteer REPEAT waarna de functie
    kan worden in- of uitgeschakeld. Het
    nummer wordt na afloop herhaald.

    Druk op functietoets 1.

    MP3-BESTAND AFSPELEN

    Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld,
    bestaan de opties uit HERHALEN van het
    nummer of van alle nummers in de map.
    Door meerdere keren op functietoets 1
    te drukken wordt tussen deze opties
    gewisseld.

    MP3 (MPEG 1 Audio Layer-3) is een
    standaard technologie en format voor het
    comprimeren van audiodata. Hierdoor is
    een efficiënter gebruik van de media
    mogelijk.
    U kunt MP3 bestanden afspelen die op
    CD-ROM’s, CD-R’s en CD-RW’s zijn
    opgenomen. De CD moet voldoen aan
    ISO 9660 niveau 1 of niveau 2 format, of
    Joliet of Romeo in het
    gedecomprimeerde format. U kunt ook
    een CD gebruiken die in Multi Session is
    opgenomen.

    CD-NUMMERS SCANNEN
    Met de functie SCAN kunt u van elk
    nummer circa 5 seconden laten afspelen.

    Type 1
    Er zijn verschillende scanmodi mogelijk,
    afhankelijk van het type CD dat wordt
    afgespeeld.

    ISO 9660 format
    Dit is de meest algemene internationale
    standaard voor het logische format van
    bestanden en mappen op een CD-ROM.

    1.

    Druk op de toets MENU en selecteer
    CD MODE.
    2. Selecteer SCAN waarna de functie
    kan worden in- of uitgeschakeld.

    Er zijn een aantal specificatieniveaus. In
    niveau 1 moeten de bestandsnamen in
    de 8.3 regel (niet meer dan 8 tekens per
    naam, niet meer dan 3 tekens in de
    extensie “MP3”) en in hoofdletters zijn
    geschreven.

    N.B.: Wanneer een MP3-CD wordt
    afgespeeld, bestaan de opties uit
    SCANNEN van de hele CD of van alleen
    de nummers in de map.
    3. Druk op de toets OK om de
    scanmodus te stoppen.

    De namen van folders mogen niet meer
    dan 8 tekens bevatten. Er kunnen niet
    meer dan 8 mapniveaus (bomen) zijn. Bij
    niveau 2 specificaties mogen namen 31
    tekens bevatten.

    Type 2 en 3
    1.

    Druk op functietoets 3.

    Elke folder kan maximaal 8 bomen
    bevatten.

    262



  • Page 265

    CD-speler


    Denk aan deze beperkingen voor Joliet
    of Romeo in het geëxpandeerde format
    wanneer u de software voor uw
    CD-brander configureert.

    Multi session


    Deze opnamemethode maakt het
    mogelijk gegevens met behulp van de
    Track-At-Once methode toe te voegen.
    Conventionele CD’s beginnen met een
    CD regelgebied waarvan het begin
    Lead-in wordt genoemd en het einde
    Lead-out. Een Multi Session CD is een CD
    met meerdere sessies, met elk een
    segment van Lead-in tot Lead-out, dat
    als één sessie wordt gezien.




    Een multi session CD afspelen

    CD-Extra: het format dat audio
    nummers (audio CD data) als tracks
    op sessie 1, en data als tracks op
    sessie 2 opneemt.
    Mixed CD: bij dit format worden data
    opgenomen als track 1 en audio (audio
    CD data) als track 2.

    Wanneer de eerste track van de
    eerste sessie audio CD data is
    Alleen audio CD data van de eerste
    session worden weergegeven. Geen
    audio CD data/MP3 bestandsinformatie
    (tracknummer, tijd, enz.) worden/wordt
    zonder geluid weergegeven.

    Bestandsformaten




    Wanneer u de extensie “.MP3” aan
    een ander bestand dan een MP3
    bestand toevoegt, herkent de speler
    het bestand niet correct en zal deze
    een geluid genereren dat uw
    luidsprekers kan beschadigden.
    De volgende CD’s hebben een
    langere starttijd bij het afspelen.
    • een CD die is opgenomen met
    een gecompliceerde
    boomstructuur.
    • een CD die is opgenomen in Multi
    Session.
    • een CD waaraan data kunnen
    worden toegevoegd.

    Wanneer de eerste track van de
    eerste sessie geen audio CD data
    is

    Bij andere formats dan ISO 9660
    niveau 1 en niveau 2, is het mogelijk
    dat namen van mappen of bestanden
    niet correct worden weergegeven.
    Wanneer u een bestand een naam
    geeft, let er dan op dat de extensie
    “.MP3” wordt toegevoegd.





    Wanneer een MP3 bestand op de CD
    staat, wordt alleen het MP3 bestand
    weergegeven en worden andere data
    overgeslagen. (Audio CD data wordt
    niet herkend.)
    Wanneer er geen MP3 bestand op de
    CD staat, wordt geen geluid
    weergegeven. (Audio CD data wordt
    niet herkend.)

    Afspeelvolgorde van MP3
    bestanden
    De volgorde waarin de mappen en
    bestanden worden afgespeeld is als
    weergegeven.

    263



  • Page 266

    CD-speler
    N.B.: Een map die geen MP3 bestand
    bevat wordt overgeslagen.



    Tip voor het afspelen:om de
    gewenste volgorde van afspelen aan te
    duiden, moet vóór de map of de
    bestandsnaam, het volgnummer (bijv.
    “01,” “02”) worden ingevoerd, en daarna
    het nummer op de CD. (De volgorde
    verschilt afhankelijk van de software die
    voor het schrijven werd gebruikt.)





    Wanneer een deel van ID3 tag ver.2
    (aan het begin van het nummer) wordt
    overgeslagen, wordt geen geluid
    weergegeven. Sla veranderingen in
    tijd over afhankelijk van de capaciteit
    van ID3 tag ver.2. Voorbeeld: Bij 64
    kbytes, is het ongeveer 2 seconden
    (met RealJukebox).
    Wanneer een deel van ID3 tag ver.2
    wordt overgeslagen, is de
    weergegeven verstreken tijd niet
    nauwkeurig. Voor MP3 bestanden
    met een bitsnelheid anders dan 128
    kbps, wordt tijdens het afspelen de
    verstreken tijd niet nauwkeurig
    weergegeven.
    Wanneer een MP3 bestand is
    gemaakt met MP3 conversiesoftware
    (bijv. RealJukebox - een geregistreerd
    handelsmerk van RealNetworks Inc),
    wordt automatisch ID3 ver.2
    geschreven.

    MP3 navigatie
    MP3 nummers kunnen op verschillende
    manieren op een CD worden
    opgenomen. Ze kunnen allemaal in de
    hoofdmap worden geplaatst, net als bij
    een normale audio-CD, of ze kunnen in
    een bepaalde map worden geplaatst, die
    bijvoorbeeld bedoeld is voor een album,
    een artiest of een bepaald genre.

    E104206

    ID3 tag versie 2
    Het volgende vindt plaats wanneer een
    MP3 bestand dat een ID3 tag ver.2 bevat,
    wordt afgespeeld:

    De normale afspeelvolgorde bij CD's met
    meerdere mappen is eerst de nummers
    in de hoofdmap, dan de nummers in
    onderliggende map(pen), vervolgens de
    nummers in de tweede onderliggende
    map, etc.





    264

    Druk op de omhoog of omlaag toets
    om in de nummerlijst te komen.
    Navigeer door de mapstructuur met
    de pijltoetsen om een andere map of
    ander nummer (bestand) te kiezen.
    Druk op OK om een gemarkeerd
    nummer te kiezen.



  • Page 267

    CD-speler
    N.B.: Hierdoor wordt niet de CD
    uitgeworpen; het weergeven van de CD
    wordt alleen onderbroken op de plaats
    waar de weergave van de radio werd
    hervat.

    MP3 WEERGAVE-OPTIES
    N.B.: Bij units van type 1 kan het nodig
    zijn meerdere keren op de toets INFO te
    drukken om alle beschikbare
    nummerinformatie weer te geven.

    Druk nogmaals op de CD toets om het
    afspelen van de CD te hervatten.

    Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld,
    kan bepaalde informatie die gecodeerd
    in elke opname is opgenomen, worden
    weergegeven. Deze informatie omvat
    meestal:




    De bestandsnaam
    De naam van de map
    ID3 informatie die op het album kan
    staan of de naam van de artiest

    Gewoonlijk wordt de naam van het
    bestand dat wordt afgespeeld
    weergegeven. Een informatieonderwerp
    kiezen:


    Druk op de INFO toets.

    Opties weergave CD tekst
    Wanneer een audio CD met CD tekst
    wordt afgespeeld, kan een beperkte
    hoeveelheid informatie, die aan elk
    nummer is toegevoegd, worden
    weergegeven. Deze informatie omvat
    meestal:




    De naam van de CD
    De naam van de artiest
    De naam van het nummer

    Deze display-opties kunnen op dezelfde
    wijze worden gekozen als bij MP3 CD’s.

    AFSPELEN CD BEËINDIGEN
    Om de radioweergave bij alle typen te
    hervatten:


    Druk de RADIO toets in.

    265



  • Page 268

    Ingangsaansluiting (AUX IN)
    INGANGSAANSLUITING
    (AUX IN)
    N.B.: Stel voor optimale prestaties bij het
    afspelen van een extra apparaat het
    volume daarvan hoog. Hierdoor worden
    storingen gereduceerd wanneer het
    apparaat wordt aangesloten op de
    aansluiting voor de sigarenaansteker in
    de auto.
    Via de extra ingang (AUX IN), indien
    aanwezig, kan een extra apparaat zoals
    een MP3-speler op de audio-installatie
    van de auto worden aangesloten. Het
    geluid kan via de luidsprekers in de auto
    worden weergegeven.
    Sluit het extra apparaat met conventionele
    3,5 mm audiostekkers aan op de AUX IN
    aansluiting.
    Selecteer de extra ingang met de toets
    AUX en het geluid wordt weergegeven
    via de luidsprekers in de auto. Op het
    display van de audiounit verschijnt LINE
    IN of LINE IN ACTIVE. Volume, hoge en
    lage tonen kunnen zoals gewoonlijk via
    de audio-installatie worden ingesteld.
    De toetsen van de audio-installatie
    kunnen tevens worden gebruikt om de
    weergave van de audio-installatie te
    hervatten terwijl het extra apparaat
    aangesloten blijft.

    266



  • Page 269

    Storingen verhelpen audio-installatie
    STORINGEN VERHELPEN AUDIO-INSTALLATIE
    Display van de audio-installatie

    Rectificatie

    CONTROLEER CD

    Algemeen bericht voor storingen tijdens het afspelen
    van een CD, zoals 'cannot read the CD' (kan CD niet
    lezen), 'data-CD inserted' (data-CD aangebracht), enz.
    Controleer of de CD is aangebracht met de juiste zijde
    naar boven is gekeerd. Reinig de CD of reinig deze
    opnieuw of vervang de CD door een exemplaar met
    voor u bekende muziek. Neem contact op met uw
    dealer wanneer de storing blijft bestaan.

    STORING CD-LOOPWERK

    Algemeen bericht voor storingen tijdens het afspelen
    van een CD, zoals een mogelijke storing in het
    mechanisme.

    CD-DRIVE TE WARM

    Omgevingstemperatuur te hoog – CD-speler werkt
    niet tot deze is afgekoeld.

    IPOD FOUT BIJ LEZEN APPA- Algemeen bericht voor storingen tijdens het afspelen
    van een iPod, zoals het niet kunnen lezen van de data.
    RAAT
    Zorg dat de iPod correct is geplaatst. Neem contact
    op met uw dealer wanneer de storing blijft bestaan.

    267



  • Page 270

    Telefoon
    ALGEMENE INFORMATIE

    SETUP BLUETOOTH
    Voordat u uw telefoon kunt gebruiken
    moet deze worden gekoppeld aan het
    telefoonsysteem in de auto.

    LET OP
    Door gebruik van het systeem bij
    uitgeschakelde motor wordt de accu
    ontladen.

    Telefoons bedienen
    Er kunnen maximaal zes Bluetooth
    apparaten aan het systeem in de auto
    worden gekoppeld.

    In dit hoofdstuk worden de functies en
    eigenschappen van het handsfree
    systeem voor de Bluetooth mobiele
    telefoon beschreven.

    N.B.: Wanneer met de telefoon die als
    de nieuwe actieve telefoon wordt
    geselecteerd een gesprek wordt
    gevoerd, wordt het gesprek
    doorgeschakeld naar het audiosysteem
    in de auto.

    Het Bluetooth mobiele telefoongedeelte
    van het systeem zorgt voor de interactie
    tussen de audio-installatie of het
    navigatiesysteem en uw mobiele telefoon.
    Het zorgt ervoor dat u uw audio-installatie
    of het navigatiesysteem kunt gebruiken
    voor het ontvangen van
    telefoongesprekken zonder daarbij uw
    mobiele telefoon vast te houden.

    N.B.: Zelfs wanneer uw telefoon aan een
    systeem in de auto is gebonden, kan
    deze nog op de gebruikelijke wijze
    worden gebruikt.

    Compatibiliteit van
    telefoontoestellen

    Eisen voor een Bluetooth
    verbinding
    Het volgende is vereist voordat met een
    Bluetooth telefoon een verbinding tot
    stand kan worden gebracht.

    LET OP
    Omdat er geen algemene
    overeenkomst bestaat, kunnen
    fabrikanten van mobiele telefoons
    een groot aantal profielen in hun
    Bluetooth apparaten implementeren.
    Daardoor is het mogelijk dat een telefoon
    niet compatible met een handsfree
    systeem is, waardoor in sommige
    gevallen de prestaties van het systeem
    aanzienlijk worden beperkt. Om dit te
    voorkomen moeten alleen aanbevolen
    telefoons worden gebruikt.

    1.

    De Bluetooth functie moet op de
    telefoon en op het audiosysteem zijn
    ingeschakeld. Zorg ervoor dat de
    menu-optie Bluetooth in de audiounit
    op AAN is ingesteld. Raadpleeg voor
    meer informatie over
    telefooninstellingen de handleiding van
    uw mobiele telefoon.
    2. Zoek in het Bluetooth menu van uw
    telefoon naar Ford Audio en
    selecteer deze optie.

    Bezoek de website
    www.ford-mobile-connectivity.com
    voor volledige gegevens.

    268



  • Page 271

    Telefoon
    3. Voer het op de voertuigdisplay
    weergegeven codenummer in met
    behulp van de toetsen van de
    telefoon. Wanneer geen codenummer
    wordt weergegeven op de display,
    voer dan het Bluetooth PIN nummer
    0000 in met behulp van de toetsen
    van de telefoon. Voer nu het op de
    voertuigdisplay weergegeven
    Bluetooth PIN-nummer in.
    4. Als de mobiele telefoon om
    goedkeuring van de automatische
    verbinding vraagt, selecteer dan JA.

    Kantoor
    E87993

    Van een telefoon een actieve
    telefoon maken
    N.B.: Wanneer met de telefoon die als
    de nieuwe actieve telefoon wordt
    geselecteerd een gesprek wordt
    gevoerd, wordt het gesprek
    doorgeschakeld naar het audiosysteem
    in de auto.
    Wanneer het systeem voor het eerst
    wordt gebruikt, zijn er nog geen telefoons
    gekoppeld met het systeem.

    N.B.: Als de audiounit wordt
    uitgeschakeld, wordt een telefoongesprek
    verbroken. Wanneer de contactsleutel in
    de stand '0' wordt gezet, blijft de
    telefoonverbinding behouden.

    Na het inschakelen van het contact en de
    audiounit moet de Bluetooth telefoon aan
    het systeem worden gekoppeld. Zie
    Setup Bluetooth (bladzijde 268).

    SETUP TELEFOON

    Nadat een Bluetooth telefoon bij het
    systeem is aangemeld, wordt deze de
    actieve telefoon. Raadpleeg voor meer
    informatie het menu van de telefoon.

    Telefoonboek
    N.B.: Wellicht moet toegang tot het
    telefoonboek via het Bluetooth systeem
    worden bevestigd via de mobiele
    telefoon.

    Selecteer de telefoon in het menu van de
    actieve telefoon.
    Wanneer het contact en de radio weer
    wordt aangezet, wordt de verbinding met
    de laatst actieve telefoon door het
    systeem hersteld.

    Na het opstarten kan het al naar gelang
    de grootte enkele minuten duren voordat
    u toegang tot de telefoonboeklijst krijgt.

    N.B.: In sommige gevallen moet de
    Bluetooth verbinding ook op de telefoon
    worden bevestigd.

    Telefoonboekcategorieën
    De categorie wordt als pictogram
    weergegeven:
    Telefoon

    Een andere Bluetooth telefoon
    aanmelden

    Mobiel

    Koppel een nieuwe Bluetooth telefoon
    zoals is beschreven onder 'Eisen voor een
    Bluetooth verbinding'.

    Thuis

    Telefoons die in het systeem zijn
    opgeslagen zijn met behulp van de
    telefoonlijst op de audiounit toegankelijk.

    E87990

    E87991

    E87992

    269



  • Page 272

    Telefoon
    N.B.: Er kunnen maximaal zes apparaten
    worden gekoppeld. Als er al zes Bluetooth
    apparaten zijn gekoppeld, moet er één
    worden ontkoppeld om een nieuw
    apparaat te kunnen koppelen.

    N.B.: Indien er naar wordt verwezen
    kunnen de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag, de toetsen
    omhoog/omlaag zoeken en de OK toets
    worden gebruikt op het stuur of de
    audio-unit.

    BEDIENINGSELEMENTEN
    TELEFOON

    In dit hoofdstuk worden de
    telefoonfuncties van de audio-unit
    beschreven.

    Afstandsbediening

    Er moet een actieve telefoon aanwezig
    zijn.
    Zelfs wanneer uw telefoon op de
    audio-unit is aangesloten, kan de telefoon
    op de gebruikelijke wijze worden gebruikt.

    A
    E

    Bellen

    D

    Een nummer kiezen m.b.v.
    spraakbesturing

    B

    Telefoonnummers kunnen m.b.v.
    spraakbesturing worden gekozen. Zie
    Commando’s telefoon (bladzijde 282).

    C

    Een nummer kiezen m.b.v. het
    adresboek

    E129649

    1.
    A

    Volume hoger

    B

    Voice toets

    C

    Oproep beëindigen

    D

    Volume lager

    E

    Oproep ontvangen

    Druk op de toets PHONE.
    2. Druk op de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag tot PHONEBOOK
    wordt weergegeven.
    3. Druk op de toets OK.
    N.B.: U kunt tevens het
    telefoontoetsenblok gebruiken om de
    eerste letter van de gewenste invoer te
    selecteren. Druk herhaaldelijk op het
    betreffende nummer dat overeenkomt
    met de letter tot de gewenste letter wordt
    weergegeven.

    GEBRUIK MAKEN VAN DE
    TELEFOON
    N.B.: Raadpleeg de handleiding van de
    audio-unit voor meer informatie over de
    bedieningsorganen. Zie Overzicht
    audio-installatie (bladzijde 249).

    4. Druk op de
    omhoog/omlaag-pijltjestoetsen om
    het gewenste telefoonnummer te
    selecteren.

    N.B.: U kunt het telefoonmenu verlaten
    door te drukken op de toets CD, RADIO
    of AUX.

    N.B.: Houd de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag ingedrukt om voor- of
    achterwaarts te gaan in het telefoonboek.

    270



  • Page 273

    Telefoon
    5. Druk op de toets OK om het
    geselecteerde telefoonnummer te
    kiezen.

    6. Druk op de
    omhoog/omlaag-pijltjestoetsen om
    het gewenste telefoonnummer te
    selecteren.
    7. Druk op de toets OK.

    Een nummer kiezen m.b.v. het
    telefoontoetsenblok

    Laatst gekozen nummer opnieuw
    opbellen

    1.

    Druk op de toets PHONE.
    2. Kies het nummer met het toetsenbord
    op de audio-unit.
    3. Druk op de toets OK.

    1.

    Druk op de toets PHONE.
    2. Druk op de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag tot REDIAL wordt
    weergegeven.
    3. Druk op de toets OK.

    N.B.: Als u bij het kiezen van een
    telefoonnummer een onjuist cijfer intoetst,
    druk dan op functietoets 3 om het laatste
    cijfer te wissen. Wanneer de toets lang
    wordt ingedrukt, wordt de complete serie
    cijfers gewist.

    Een inkomend gesprek
    ontvangen
    Een inkomend gesprek
    beantwoorden

    Een gesprek beëindigen
    Geprekken kunnen worden beëindigd
    door:
    • te drukken op de toets omhoog
    zoeken.
    • te drukken op de OK toets.
    • te drukken op functietoets 4.

    Inkomende gesprekken kunnen worden
    beantwoord door op de toets omlaag
    zoeken of de OK toets te drukken.
    Een inkomend gesprek weigeren
    Inkomende oproepen kunnen worden
    geweigerd door:
    • te drukken op de toets omhoog
    zoeken, of
    • te drukken op de pijltjestoets omlaag
    om REJECT te markeren en
    vervolgens te drukken op de OK
    toets.

    Een nummer herhalen
    1.

    Druk op de toets PHONE.
    2. Druk op de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag tot CALL LISTS
    wordt weergegeven.
    3. Druk op de toets OK.
    N.B.: Indien de actieve telefoon niet over
    een lijst met eerder gekozen nummers
    beschikt, kan het laatst gekozen nummer
    opnieuw worden gekozen.

    Een tweede oproep ontvangen
    N.B.: De functie tweede inkomend
    gesprek op uw telefoon moet zijn
    geactiveerd.

    4. Druk op de toetsen omhoog/omlaag
    om de gewenste lijst met gekozen
    nummers te selecteren.
    5. Druk op de toets OK.

    Wanneer er tijdens een gesprek een
    inkomend gesprek binnenkomt, klinkt er
    een 'piep' en kunt u het actieve gesprek
    in de wachtstand plaatsen en het tweede
    inkomende gesprek beantwoorden.

    271



  • Page 274

    Telefoon
    Een tweede inkomend gesprek
    beantwoorden

    2. Druk op de toetsen omhoog/omlaag
    tot SELECT PHONE wordt
    weergegeven.
    3. Druk op de toets OK.

    N.B.: Het eerste inkomende gesprek
    wordt verbroken en vervangen door het
    tweede inkomende gesprek.

    4. Blader met de toetsen
    omhoog/omlaag door de
    verschillende opgeslagen telefoons
    om de gekoppelde telefoons weer te
    geven.
    5. Druk op de toets OK om de telefoon
    te selecteren die de actieve telefoon
    moet worden.

    Tweede inkomende gesprekken kunnen
    worden beantwoord door op de toets
    omlaag zoeken op het stuur of de
    audio-unit of de OK toets op de
    audio-unit te drukken.
    Een tweede inkomend gesprek
    weigeren

    Actieve telefoon afmelden

    Tweede inkomende gesprekken kunnen
    worden geweigerd door:
    • te drukken op de toets omhoog
    zoeken, of
    • te drukken op de pijltjestoets omlaag
    om REJECT te markeren en
    vervolgens te drukken op de OK
    toets.

    Een actieve telefoon kan op elk gewenst
    moment uit het systeem worden gewist,
    behalve wanneer met deze telefoon een
    gesprek wordt gevoerd.
    1.

    Druk op de toets PHONE.
    2. Druk op de toetsen omhoog/omlaag
    tot SELECT PHONE wordt
    weergegeven.
    3. Druk op de toets OK.

    Tweede inkomende gesprekken kunnen
    worden geweigerd door te drukken op
    functietoets 4.

    4. Druk op de toetsen omhoog/omlaag
    om de gewenste telefoon te
    markeren.
    5. Druk op functietoets 1.

    Microfoon dempen
    N.B.: Het is mogelijk om tijdens een
    gesprek de microfoon te dempen. Tijdens
    het dempen verschijnt er een bevestiging
    op het display.
    Druk op functietoets 1. Druk nogmaals op
    de toets om deze functie uit te schakelen.

    Van actieve telefoon
    veranderen
    N.B.: Voordat telefoons kunnen worden
    geactiveerd moeten ze bij het systeem
    worden aangemeld.
    N.B.: Nadat een telefoon aan het
    systeem is gekoppeld, wordt deze de
    actieve telefoon.
    1.

    Druk op de toets PHONE.

    272



  • Page 275

    Spraaksturing
    Probeer geen nieuwe commando's te
    geven voordat u de piep hebt gehoord.
    Het spraakbesturingssysteem herhaalt
    elk gesproken commando.

    WERKING
    LET OP
    Door gebruik van het systeem bij
    uitgeschakelde motor wordt de accu
    ontladen.

    Wanneer u niet precies weet hoe u moet
    doorgaan, zeg dan "HELP" voor hulp of
    "CANCEL" wanneer u niet wilt doorgaan.
    De "HELP" functie biedt u alleen een
    verzameling van de beschikbare
    commando's. Een gedetailleerde uitleg
    over alle mogelijke gesproken
    commando's kunt u op de volgende
    bladzijden vinden.

    Met spraakbesturing kunt u het systeem
    bedienen zonder dat uw aandacht van
    de weg wordt afgeleid om bijvoorbeeld
    instellingen te veranderen of om reacties
    van het systeem te lezen.
    Wanneer u bij geactiveerd systeem één
    van de gedefinieerde spraaklabels
    gebruikt, zet het
    spraakbesturingssysteem uw spraaklabel
    om in een bedieningssignaal voor het
    systeem. Uw spraaklabels nemen de
    vorm aan van dialogen of commando's.
    U wordt door mededelingen of vragen
    door deze dialogen geleid.

    Gesproken commando's
    Alle commando's moeten op natuurlijke
    wijze worden uitgesproken, alsof u tot een
    passagier spreekt of een telefoongesprek
    voert. Uw stemvolume moet afhankelijk
    zijn van omgevingsgeluiden in of buiten
    de auto, maar schreeuw niet.

    Maak uzelf vertrouwd met de functies van
    het systeem voordat u het
    spraakherkenningsysteem gaat
    gebruiken.

    SPRAAKGESTUURD
    REGELSYSTEEM
    GEBRUIKEN

    Ondersteunde commando's

    Werking van het systeem

    Met het spraakbesturingssysteem kunt u
    de volgende systemen in de wagen
    bedienen:

    De volgorde en de inhoud van de
    spraaklabels zijn in de volgende lijst
    weergegeven. De tabel toont de volgorde
    van de spraaklabels van de gebruiker en
    de reacties van het systeem die voor
    iedere functie beschikbaar zijn.



    Bluetooth telefoon



    radio



    CD-speler



    extern apparaat (USB)



    extern apparaat (iPod)

    <> duidt een nummer of opgeslagen
    spraaklabel aan, die door de gebruiker
    moet worden opgeslagen.



    automatische klimaatregeling

    Short cuts

    Reactie van het systeem

    Er zijn een aantal gesproken woorden
    (short cuts) mogelijk, waarmee u enkele
    functies van de auto kunt regelen zonder
    het complete commandomenu te hoeven
    volgen. Dit zijn:

    Wanneer u een gesproken commando
    geeft, antwoordt het systeem telkens met
    een piep wanneer het gereed is om door
    te gaan.

    273



  • Page 276

    Spraaksturing







    Spraaklabel

    telefoon: "MOBILE NAME", "DIAL
    NUMBER", "DIAL NAME" en "REDIAL"
    automatische klimaatregeling:
    "TEMPERATURE", "AUTO MODE",
    "DEFROSTING/DEMISTING ON" en
    "DEFROSTING/DEMISTING OFF"
    radio: "TUNE NAME"
    extern apparaat (USB): "TRACK"
    extern apparaat (iPod): "TRACK"

    Het spraaklabel kan de telefoon, de
    audio-installatie en het navigatiesysteem
    ondersteunen door gebruik te maken van
    de "STORE NAME" functie (naam
    opslaan). U kunt spraaklabels toewijzen
    aan items zoals favoriete radiozenders en
    persoonlijke telefooncontacten. Zie
    Commando’s audio-unit (bladzijde
    274). Zie Commando’s telefoon
    (bladzijde 282).

    Communicatie met het systeem
    starten
    Voordat u kunt beginnen met het systeem
    toe te spreken moet u voor iedere
    handeling eerst op de VOICE toets
    drukken en wachten tot het systeem met
    een piep antwoordt. Zie Spraaksturing
    (bladzijde 52).



    Sla maximaal 20 actieve spraaklabels
    per functie op.



    De gemiddelde opnametijd per
    spraaklabel bedraagt ongeveer 2 tot
    3 seconden.

    COMMANDO’S AUDIO-UNIT

    Druk de toets opnieuw in om de
    spraakbesturing uit te schakelen.

    CD-speler
    U kunt het afspelen direct met
    spraakbesturing bedienen.
    Overzicht
    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu aan de hand van
    gekozen voorbeelden.
    "CD PLAYER"

    "HELP"
    "PLAY"
    *

    "TRACK"

    "SHUFFLE ALL"
    "SHUFFLE FOLDER"
    "SHUFFLE OFF"

    274

    **



  • Page 277

    Spraaksturing
    "CD PLAYER"

    "REPEAT FOLDER"

    **

    "REPEAT TRACK"
    "REPEAT OFF"
    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Alleen beschikbaar als de CD audiogegevensbestanden bevat, zoals MP3.
    Muzieknummer
    U kunt direct een muzieknummer op de
    CD kiezen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CD PLAYER"

    "CD PLAYER"

    2

    "TRACK"

    3

    "<een getal tussen 1 en 99>"

    "TRACK NUMBER PLEASE"

    *
    **

    "TRACK <nummer>"

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "2", "4", "5"
    voor muzieknummer 245)
    Shuffle alles
    Random afspelen instellen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CD PLAYER"

    "CD PLAYER"

    2

    "SHUFFLE ALL"
    Overzicht

    Radio

    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu.

    De gesproken commando's
    ondersteunen de radiofuncties en u kunt
    met Voice Control op radiostations
    afstemmen.

    275



  • Page 278

    Spraaksturing

    "RADIO"

    "HELP"
    "AM"
    "FM"
    "TUNE NAME"

    *

    "DELETE NAME"
    "DELETE DIRECTORY"
    "PLAY DIRECTORY"
    "STORE NAME"
    "PLAY"
    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Afstemfrequentie
    Met deze functie kunt u met gesproken
    commando's afstemmen op
    radiostations.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "AM"

    "AM FREQUENCY PLEASE"

    "FM"
    3

    "FM FREQUENCY PLEASE"
    "TUNE <frequentie>"

    *

    "<frequentie>"

    * De frequentie kan op verschillende manieren worden ingevoerd. Raadpleeg
    onderstaande voor representatieve voorbeelden.
    FM-golflente: 87,5 - 108,0 in stappen van
    0,1








    AM/MW-golflengte: 531 - 1602 in stappen
    van 9

    "Eighty nine point nine" (89,9)
    "Ninety" (90,0)
    "One hundred point five" (100,5)

    "One zero one point one" (101,1)
    "One zero eight" (108,0)

    AM/LW-golflengte: 153 - 281 in stappen
    van 1

    276



  • Page 279

    Spraaksturing






    Naam opslaan

    "Five thirty one" (531)
    "Nine hundred" (900)
    "Fourteen forty" (1440)
    "Fifteen zero three" (1503)
    "Ten eighty" (1080)

    Wanneer u op een radiostation hebt
    afgestemd, kunt u deze met een naam
    in het bestand opslaan.

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "STORE NAME"

    "STORE NAME"
    "NAME PLEASE"

    3

    "<naam>"

    "REPEAT NAME PLEASE"

    4

    "<naam>"

    "STORING NAME"
    "<naam> STORED"

    Afstemmen op naam
    Met deze functie kunt u op een
    opgeslagen radiostation afstemmen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "TUNE NAME"

    3

    "<naam>"

    "NAME PLEASE"

    *

    "TUNE <naam>"

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Naam wissen
    Met deze functie kunt u een opgeslagen
    radiostation wissen
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "DELETE NAME"

    "NAME PLEASE"

    3

    "<naam>"

    "DELETE <naam>"
    "CONFIRM YES OR NO"

    277



  • Page 280

    Spraaksturing
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    4

    "YES"

    "DELETED"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    Bestand afspelen
    Met deze functie kunt u het systeem alle
    opgeslagen radiostations laten
    opnoemen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "PLAY DIRECTORY"

    "PLAY <DIRECTORY>"

    Bestand wissen
    Met deze functie kunt u alle opgeslagen
    radiostations wissen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "DELETE DIRECTORY"

    "DELETE DIRECTORY"
    "CONFIRM YES OR NO"

    3

    "YES"

    "RADIO DIRECTORY DELETED"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    Afspelen
    Met deze functie schakelt de audiobron
    over op de radiomodus.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "PLAY"

    278



  • Page 281

    Spraaksturing
    Auxiliary ingang

    Met deze functie laat u de audiobron
    overschakelen op het aangesloten
    apparaat met auxiliary ingang.

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "EXTERNAL DEVICE"

    "EXTERNAL DEVICE"

    2

    "LINE IN"

    "LINE IN"
    Overzicht

    Externe apparaten - USB

    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu aan de hand van
    gekozen voorbeelden.

    Deze gesproken commando's
    ondersteunen de functionaliteit van een
    extern USB-apparaat dat op de audiounit
    kan worden aangesloten.

    "EXTERNAL DEVICE", "USB"

    "HELP"
    "PLAY"
    *

    "TRACK"

    **

    "PLAYLIST"
    "FOLDER"

    **

    "SHUFFLE ALL"
    "SHUFFLE FOLDER"
    "SHUFFLE PLAYLIST"
    "SHUFFLE OFF"
    "REPEAT TRACK"
    "REPEAT FOLDER"
    "REPEAT OFF"
    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten en mappen moeten specifieke
    bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 289).

    279



  • Page 282

    Spraaksturing
    Afspelen USB

    Met deze functie laat u de audiobron
    overschakelen op het aangesloten
    USB-apparaat.

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "EXTERNAL DEVICE"

    "EXTERNAL DEVICE"

    2

    "USB"

    "USB"

    3

    "PLAY"

    USB-muzieknummer
    U kunt direct een muzieknummer op het
    USB-apparaat kiezen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "EXTERNAL DEVICE"

    "EXTERNAL DEVICE"

    2

    "USB"

    "USB"

    3

    "TRACK"

    "TRACK NUMBER PLEASE"

    4

    "<een getal tussen 1 en 99>"

    "TRACK <nummer>"

    **

    * Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "2", "4", "5"
    voor muzieknummer 245)
    Overzicht

    Externe apparaten - iPod

    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu aan de hand van
    gekozen voorbeelden.

    Deze gesproken commando's
    ondersteunen de functionaliteit van een
    iPod die op de audiounit kan worden
    aangesloten.

    "EXTERNAL DEVICE", "IPOD"

    "HELP"
    "PLAY"
    *

    "TRACK"

    **

    "PLAYLIST"

    280



  • Page 283

    Spraaksturing
    "EXTERNAL DEVICE", "IPOD"

    "SHUFFLE ALL"
    "SHUFFLE PLAYLIST"
    "SHUFFLE OFF"
    "REPEAT TRACK"
    "REPEAT OFF"
    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten moeten specifieke
    bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 289).
    iPod-muzieknummer
    U kunt direct een muzieknummer op de
    iPod kiezen in de lijst met alle titels.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "EXTERNAL DEVICE"

    "EXTERNAL DEVICE"

    2

    "IPOD"

    "IPOD"

    3

    "TRACK"

    4

    "<een getal tussen 1 en 99>"

    "TRACK NUMBER PLEASE"

    *
    **

    "TRACK <nummer>"

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Getallen kunnen ook als max. vijf losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "5", "2", "4",
    "5", "3" voor muzieknummer 52453) tot een grenswaarde van 65535.
    Afspeellijst iPod
    U kunt direct een afspeellijst in de iPod
    kiezen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "EXTERNAL DEVICE"

    "EXTERNAL DEVICE"

    2

    "IPOD"

    "IPOD"

    3

    "PLAYLIST"

    "PLAYLIST NUMBER PLEASE"

    *

    281



  • Page 284

    Spraaksturing
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    4

    "<een getal tussen 1 en 10>"

    "PLAYLIST <nummer>"

    * Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten moeten specifieke
    bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 289).
    Overzicht

    COMMANDO’S TELEFOON

    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu aan de hand van
    gekozen voorbeelden.

    Telefoon
    Met uw telefoonsysteem kunt u een extra
    telefoonboek aanleggen. De opgeslagen
    nummers kunnen met behulp van Voice
    Control worden gekozen.
    Telefoonnummers, die met behulp van
    Voice Control zijn opgeslagen, worden in
    het systeem van de auto opgeslagen en
    niet in dat van uw telefoon.

    "TELEFOON"

    "HELP"
    *

    "MOBILE NAME"

    *

    "DIAL NUMBER"
    *

    "DIAL NAME"

    "DELETE NAME"
    "DELETE DIRECTORY"
    "PLAY DIRECTORY"
    "STORE NAME"
    *

    "REDIAL"

    "ACCEPT CALLS"
    "REJECT CALLS"
    * Kan als short cut worden gebruikt.

    282



  • Page 285

    Spraaksturing
    Telefoonfuncties

    Nadat het spraaklabel is uitgesproken
    kunnen telefoonnummers worden
    gekozen.

    Nummer kiezen
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "DIAL NUMBER"

    "NUMBER PLEASE"

    3

    "<telefoonnummer>"

    "<telefoonnummer>
    CONTINUE?"

    4

    "DIAL"

    "DIALLING"

    "CORRECTION"

    "<laatste deel van nummer
    herhalen>
    CONTINUE?"

    *

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Naam kiezen
    Nadat het spraaklabel is uitgesproken
    kunnen telefoonnummers worden
    gekozen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "DIAL NAME"

    "NAME PLEASE"

    3

    "<naam>"

    "DIAL <naam>"
    "CONFIRM YES OR NO"

    4

    "YES"

    "DIALLING"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    *

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Nummer herhalen
    Deze functie maakt het mogelijk het laatst
    gekozen nummer te herhalen.

    283



  • Page 286

    Spraaksturing

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "REDIAL"

    "REDIAL"
    "CONFIRM YES OR NO"

    3

    "YES"

    "DIALLING"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    *

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Naam mobiele telefoon
    Met deze functie kunt u met een
    spraaklabel toegang krijgen tot de in uw
    mobiele telefoon opgeslagen
    telefoonnummers.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    1

    "TELEFOON"

    2

    Systeem antwoordt

    "TELEFOON"
    "MOBILE NAME" "<telefoonafhankelijke dialoog>"

    *

    "MOBILE NAME"

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    N.B.: DTMF kan alleen worden gebruikt
    tijdens een telefoongesprek. Druk op de
    toets VOICE en wacht op de
    systeemprompt.

    DTMF ('Tone' instelling)
    Met deze functie worden gesproken
    getallen in DTMF-tonen omgezet. Voor
    bijvoorbeeld het op afstand bedienen van
    het antwoordapparaat bij u thuis of voor
    het invoeren van PIN-nummer, enz.
    Stappen

    Kan alleen worden gebruikt op auto's met
    een aparte toets VOICE.

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1
    2

    "NUMBER PLEASE"
    "<cijfers 1 tot en met 9, nul, hekje,
    sterretje>"

    284



  • Page 287

    Spraaksturing
    Een telefoonboek aanleggen

    Nieuwe spraaklabels kunnen worden
    opgeslagen met het commando "STORE
    NAME". Deze functie kan worden gebruikt
    voor het kiezen van een nummer door de
    naam in plaats van het complete
    telefoonnummer uit te spreken.

    Naam opslaan

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "STORE NAME"

    "STORE NAME"
    "NAME PLEASE"

    3

    "<naam>"

    "REPEAT NAME PLEASE"

    4

    "<naam>"

    "STORING NAME"
    "<naam> STORED"
    "NUMBER PLEASE"

    5

    "<telefoonnummer>"

    "<telefoonnummer>"

    6

    "STORE"

    "STORING NUMBER"
    "<telefoonnummer>"
    "NUMBER STORED"

    Naam wissen
    Opgeslagen namen kunnen ook uit het
    bestand worden gewist.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "DELETE NAME"

    "NAME PLEASE"

    3

    "<naam>"

    "DELETE <naam>"
    "CONFIRM YES OR NO"

    4

    "YES"

    "<naam> DELETED"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    Bestand afspelen
    Gebruik deze functie om het systeem alle
    opgeslagen namen en nummers te laten
    opnoemen.

    285



  • Page 288

    Spraaksturing

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "PLAY DIRECTORY"

    "PLAY DIRECTORY"

    Bestand wissen
    Met deze functie kunt u alle ingevoerde
    gegevens in één keer wissen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "DELETE DIRECTORY"

    "DELETE DIRECTORY"
    "CONFIRM YES OR NO"

    3

    "YES"

    "DIRECTORY DELETED"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    Hoofdinstellingen
    Oproepen weigeren
    Oproepen kunnen zo worden ingesteld
    dat ze met spraakbesturing automatisch
    worden geweigerd.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "REJECT CALLS"

    "REJECT CALLS"

    *

    "ACCEPT CALLS"

    * schakel met dit commando de modus 'weigeren' uit

    286

    "ACCEPT CALLS"



  • Page 289

    Spraaksturing
    Overzicht

    COMMANDO’S
    KLIMAATREGELING

    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu aan de hand van
    gekozen voorbeelden.

    Airconditioning
    Met gesproken commando's voor de
    klimaatregeling kunnen het
    aanjagertoerental, de temperatuur en de
    modus worden ingesteld. Niet alle functies
    zijn in alle autotypen beschikbaar.

    "CLIMATE"

    "HELP"
    *

    "FAN"

    "DEFROSTING/DEMISTING ON"

    *

    "DEFROSTING/DEMISTING OFF"
    "TEMPERATURE"
    "AUTO MODE"

    *

    *

    *

    * Kan als short cut worden gebruikt. Bij auto's met een Engelse taalmodule is de short
    cut "FAN" niet beschikbaar.
    Aanjager
    Met deze functie kunt u het
    aanjagertoerental instellen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CLIMATE"

    "CLIMATE"

    2

    "FAN"

    "FAN SPEED PLEASE"

    "MINIMUM"

    "FAN MINIMUM"

    3

    a

    "<een getal tussen 1 en 7>"

    "FAN <getal>"

    "MAXIMUM"

    "FAN MAXIMUM"

    * Kan als short cut worden gebruikt. Bij auto's met een Engelse taalmodule is de short
    cut "FAN" niet beschikbaar.

    287



  • Page 290

    Spraaksturing
    Ontdooien/ontwasemen
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CLIMATE"

    "CLIMATE"

    "DEFROSTING ON/DEMISTING
    *

    ON"

    "DEFROSTING ON/DEMISTING ON"

    2
    "DEFROSTING OFF/DEMISTING
    *

    OFF"

    "DEFROSTING OFF/DEMISTING
    OFF"

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Temperatuur
    Met deze functie kunt u de temperatuur
    instellen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    1

    "CLIMATE"

    2

    3

    Systeem antwoordt

    "CLIMATE"

    "TEMPERATURE"

    *

    "TEMPERATURE PLEASE"

    "MINIMUM"

    "TEMPERATURE MINIMUM"

    "<een getal tussen 15 en 29 °C met
    stappen van 0,5>" of "<een getal
    tussen 59 en 84 °F>"

    "TEMPERATURE <getal>"

    "MAXIMUM"

    "TEMPERATURE MAXIMUM"

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Automatische functie
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CLIMATE"

    "CLIMATE"

    2

    "AUTO MODE"

    *

    "AUTO MODE"

    * Kan als short cut worden gebruikt. Kan worden uitgeschakeld door een andere
    temperatuur of een ander aanjagertoerental in te stellen.

    288



  • Page 291

    Verbinding
    N.B.: Het kan voorkomen dat sommige
    USB-apparaten met een hoger
    stroomverbruik incompatibel zijn
    (bijvoorbeeld sommige grotere harde
    schijven).

    ALGEMENE INFORMATIE
    LET OP
    Ga voorzichtig te werk bij het
    omgaan met externe apparaten met
    blootliggende stekkers (zoals de
    USB-plug). Vervang altijd de
    beschermkap/beschermplaat (indien
    mogelijk). Er bestaat kans op
    elektrostatische ontlading, wat tot schade
    aan het apparaat kan leiden.

    N.B.: De toegangstijd voor het lezen van
    de bestanden van het externe apparaat
    variëren afhankelijk van factoren zoals de
    bestandsstructuur, de grootte van het
    bestand en de inhoud van het apparaat.
    Het systeem ondersteunt een aantal
    externe apparaten voor een volledige
    integratie met de audio-unit via de
    USB-aansluitingen en extra aansluitingen.
    Eenmaal aangesloten kan het externe
    apparaat worden aangestuurd via de
    audio-unit.

    Raak de USB-aansluiting in de auto
    niet aan of voer er geen
    werkzaamheden aan uit. Dek de
    aansluiting af wanneer deze niet wordt
    gebruikt.
    Maak alleen gebruik van
    USB-massaopslagapparaten.

    Hieronder staat een lijst met veel
    voorkomende compatibele apparaten:
    • USB-geheugensticks
    • USB-draagbare harde schijven
    • Enkele MP3-spelers met
    USB-aansluiting
    • iPod mediaspelers (ga naar
    www.ford-mobile-connectivity.com
    voor de nieuwste compatibiliteitslijst).

    Zet de audio-unit altijd op een andere
    bron (bijvoorbeeld de radio) alvorens
    het USB-apparaat te ontkoppelen.
    Breng geen USB-hubs of -splitters
    aan.
    N.B.: Het systeem is alleen ontworpen
    voor het herkennen en lezen van
    geschikte audiobestanden van een
    USB-apparaat dat voldoet aan de klasse
    voor USB-massaopslagapparaten of een
    iPod. Er kan niet worden gegarandeerd
    dat alle beschikbare USB-apparaten met
    het systeem kunnen worden
    gecombineerd.

    Het systeem is USB 2.0 Full Speed
    compatibel, USB 1.1 Host Compliant en
    ondersteunt FAT 16/32
    bestandssystemen.

    Informatie over
    audiobestandsstructuren voor
    externe apparaten

    N.B.: Er kan gebruik worden gemaakt
    van compatibele apparaten met een
    USB-adapterkabel en apparaten die
    rechtstreeks kunnen worden aangesloten
    op de USB-aansluiting van de auto
    (bijvoorbeeld USB-geheugensticks en
    Pen Drives).

    USB
    Maak alleen een enkele partitie op het
    USB-apparaat.

    289



  • Page 292

    Verbinding
    Als afspeellijsten worden gemaakt, dan
    dienen deze de correcte bestandspaden
    gerefereerd aan het USB-apparaat te
    bevatten. Er wordt aanbevolen de
    afspeellijst te maken nadat de
    audiobestanden zijn overgedragen naar
    het USB-apparaat.

    Hierna kunnen aangepaste afspeellijsten
    worden geselecteerd met behulp van
    spraakregeling. Zie Commando’s
    audio-unit (bladzijde 274).

    EXTERN APPARAAT
    AANSLUITEN

    Afspeellijsten moeten worden gemaakt
    in .m3u formaat.

    WAARSCHUWING

    Audiobestanden moeten worden
    gemaakt in .mp3 formaat.

    Zorg dat het externe apparaat
    stevig in de auto is bevestigd en dat
    bijbehorende aansluitingen de
    bedieningselementen voor het rijden niet
    blokkeren.

    Houd u aan het volgende:
    • 1000 items per map (bestanden,
    mappen en afspeellijsten)
    • 5000 mappen met USB-apparaat
    (inclusief afspeellijsten)
    • 8 submapniveau's.

    Externe apparaten kunnen worden
    aangesloten met behulp van de extra
    ingangsaansluiting en de USB-poort. Zie
    Aansluiting Auxiliary ingang (AUX
    IN) (bladzijde 129). Zie USB-poort
    (bladzijde 129).

    Volg de onderstaande procedure voor
    het inschakelen van spraakregeling voor
    aangepaste afspeellijsten en mappen:
    • Maak mappen met de naam
    "Ford<*>", waar <*> een cijfer tussen
    1 en 10 is. Bijvoorbeeld "Ford3"
    zonder extensie.
    • Maak afspeellijsten met de naam
    "Ford<*>.m3u", waar <*> een cijfer
    tussen 1 en 10 is. Bijvoorbeed
    "Ford5.m3u" zonder spatie tussen
    "Ford" en het cijfer.

    Aansluiting
    Sluit het apparaat aan en bevestig het
    indien nodig om bewegen in de auto te
    voorkomen.
    Een iPod aansluiten
    Voor een optimaal gebruiksgemak en een
    optimale audiokwaliteit wordt aangeraden
    een bijpassende eenpolige kabel aan te
    schaffen bij uw dealer.

    Hierna kunnen aangepaste mappen en
    afspeellijsten worden geselecteerd met
    behulp van spraakregeling. Zie
    Commando’s audio-unit (bladzijde
    274).

    De iPod kan tevens worden aangesloten
    met behulp van de standaard iPod
    USB-kabel en een aparte 3,5 mm
    audiokabel. Wanneer gebruik wordt
    gemaakt van deze methode moet het
    volume van de iPod op maximum worden
    gezet en de equalizerinstellingen worden
    uitgeschakeld alvorens de aansluitingen
    te maken:

    iPod
    Maak afspeellijsten met de naam
    "Ford<*>", waar <*> een cijfer tussen 1
    en 10 is voor het inschakelen van
    spraakregeling voor aangepaste
    afspeellijsten. Bijvoorbeed "Ford7"
    zonder spatie tussen "Ford" en het cijfer.

    290



  • Page 293

    Verbinding



    Sluit de hoofdtelefoonuitgang van de
    iPod aan op de AUX IN aansluiting.
    Sluit de USB-kabel van de iPod aan
    op de USB-aansluiting van de auto.

    2. Druk op de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag om de gewenste
    functie te selecteren.
    3. Druk op de toets OK.
    Toegang tot nummers kan worden
    verkregen door vooruit en achteruit te
    navigeren met behulp van de knoppen
    op het stuur of rechtstreeks via de
    knoppen van de audio-unit.

    EXTERN APPARAAT
    AANSLUITEN - AUTO'S MET
    BLUETOOTH

    Bediening van de audio-installatie

    Bluetooth audio-apparaat
    aansluiten

    Druk op de toetsen opwaarts/neerwaarts
    zoeken om achteruit en vooruit door de
    nummers te gaan.

    LET OP
    Omdat er verschillende standaarden
    bestaan, kunnen fabrikanten een
    groot aantal profielen in hun
    Bluetooth apparaten implementeren.
    Hierdoor kan incompatibiliteit ontstaan
    tussen het Bluetooth apparaat en het
    systeem, wat in sommige gevallen de
    systeemfunctionaliteit kan beperken. Om
    dit te voorkomen moeten alleen
    aanbevolen apparaten worden gebruikt.

    Houd de toetsen ingedrukt om snel
    achteruit/vooruit door een nummer te
    gaan.
    Druk op de toets INFO of functietoets 4
    om het volgende weer te geven:
    • Titel.
    • Artiest.
    • Album.
    • Bestandsnaam.

    Bezoek de website
    www.ford-mobile-connectivity.com
    voor volledige gegevens.

    USB-APPARAAT
    GEBRUIKEN

    Apparaat aansluiten op
    (voertuig)systeem

    Verschillende pictogrammen worden
    gebruikt voor het herkennen van
    verschillende audiobestanden, mappen
    enz.

    Volg voor het aansluiten van het apparaat
    op het systeem dezelfde procedure als
    voor Bluetooth handsfree telefoons. Zie
    Setup Bluetooth (bladzijde 268).

    USB-apparaat is de actieve
    bron

    Het apparaat bedienen

    E100029

    Map

    N.B.: De zoektoetsen en de
    bestandsinformatie werken alleen bij
    bepaalde telefoons en apparaten.

    E100022

    Afspeellijst

    Selecteer Bluetooth audio als de actieve
    bron.
    1.

    E100023

    Selecteer AUX.

    291



  • Page 294

    Verbinding


    Album
    E100024


    Artiest

    E100025

    Bestandsnaam

    "<" voor de lijst geeft aan dat een
    niveau hoger leesbaar is.
    Pictogrammen aan de linkerzijde van
    de nummer-/maptekst geven het type
    bestand/map aan. Raadpleeg de lijst
    voor een uitleg van deze
    pictogrammen.

    Gebruik voor het navigeren door de
    inhoud van het USB-apparaat de
    pijltjestoets omhoog/omlaag om door de
    lijsten te bladeren en de pijltjestoets
    links/rechts om binnen de mapstructuur
    omhoog of omlaag te bladeren. Druk op
    de OK toets om afspelen te selecteren
    nadat het gewenste nummer of de
    gewenste afspeellijst of map is
    gemarkeerd.

    E100026

    Titel van nummer
    E100027

    Informatie niet beschikbaar
    E100028

    Bediening

    N.B.: Houd de pijltjestoets naar links
    ingedrukt als u naar het bovenste niveau
    van de inhoud van het USB-apparaat wilt
    navigeren.

    Selecteer het USB-apparaat als audiobron
    door herhaaldelijk op de toets AUX te
    drukken tot het scherm USB op het
    display verschijnt. Nadat het
    USB-apparaat is aangesloten, wordt het
    eerste nummer van de eerste map
    automatisch afgespeeld. Vervolgens
    wordt na het wijzigen van de audiobron
    de afspeelpositie op het USB-apparaat
    onthouden.

    Bediening van de audioinstallatie
    Druk op de toetsen opwaarts/neerwaarts
    zoeken om achteruit en vooruit door de
    nummers te gaan.

    Druk eenmaal op de pijltjestoets
    omhoog/omlaag of de OK toets om door
    de inhoud van het apparaat te bladeren.

    Houd de toetsen ingedrukt om snel
    achteruit/vooruit door een nummer te
    gaan.

    De display toont de nummerinformatie en
    de volgende andere belangrijke
    informatie:
    • Een verticale schuifbalk aan de
    rechterzijde van de display geeft de
    huidige positie van het mapoverzicht
    aan.
    • ">" na een ingang geeft aan dat een
    niveau lager leesbaar is (bijvoorbeeld
    een map vernoemd naar een album
    met afzonderlijke albumnummers in
    de betreffende map).

    Gebruik de functietoetsen om willekeurig
    afspelen, herhaald afspelen en scannen
    in te schakelen voor het gehele apparaat,
    mappen en afspeellijsten.
    Druk op de toets INFO of functietoets 4
    om het volgende weer te geven:
    • titel
    • artiest
    • album
    • mapnaam
    • bestandsnaam.

    292



  • Page 295

    Verbinding
    De iPod-menulijst voor het bladeren door
    de inhoud is beschikbaar via de
    radiodisplay. Bladeren door de inhoud is
    gebaseerd op hetzelfde principe als voor
    het gebruik van een stand-alone iPod
    (bijvoorbeeld zoeken op artiest, titel enz.).
    Druk eenmaal op de pijltjestoets
    omhoog/omlaag of de OK toets om door
    de inhoud van de iPod te bladeren.

    IPOD GEBRUIKEN
    Verschillende pictogrammen worden
    gebruikt voor het herkennen van
    verschillende audiobestanden, mappen
    enz.
    iPod is de actieve bron
    E100030

    De display toont de nummerinformatie en
    de volgende andere belangrijke
    informatie:
    • Een verticale schuifbalk aan de
    rechterzijde van de display geeft de
    huidige positie van het lijstoverzicht
    aan.
    • ">" na een ingang geeft aan dat een
    niveau omlaag leesbaar is
    (bijvoorbeeld alle albums van een
    bepaalde artiest).
    • "<" voor de lijst geeft aan dat een
    niveau hoger leesbaar is.
    • Een pictogram aan de linkerzijde geeft
    het type van de op dit moment
    weergegeven lijst aan (bijvoorbeeld
    een albumlijst). Raadpleeg de lijst voor
    een uitleg van deze pictogrammen.

    Afspeellijst iPod
    E100031

    Artiest iPod
    E100032

    Album iPod
    E100033

    Genre iPod
    E100034

    Nummer iPod
    E100035

    Algemene categorie iPod
    E100036

    Gebruik voor het navigeren door de
    inhoud van de iPod de pijltjestoets
    omhoog/omlaag om door de lijsten te
    bladeren en de pijltjestoets links/rechts
    om binnen de structuur omhoog of
    omlaag te bladeren. Druk op de OK toets
    om afspelen te selecteren nadat het
    gewenste nummer, album, genre of de
    gewenste afspeellijst of artiest is
    gemarkeerd.

    Algemeen mediabestand iPod
    E100037

    Bediening
    Sluit de iPod aan. Zie Extern apparaat
    aansluiten (bladzijde 290).
    Selecteer de iPod als audiobron door
    herhaaldelijk op de toets AUX te drukken
    tot het scherm iPod op de display
    verschijnt.

    N.B.: Houd de pijltjestoets naar links
    ingedrukt als u naar het bovenste niveau
    van de inhoud van de iPod wilt navigeren.

    293



  • Page 296

    Verbinding
    Bediening van de audioinstallatie
    Druk op de toetsen opwaarts/neerwaarts
    zoeken om achteruit en vooruit door de
    nummers te gaan.
    Houd de toetsen ingedrukt om snel
    achteruit/vooruit door een nummer te
    gaan.
    Gebruik de functietoetsen om willekeurig
    afspelen en herhaald afspelen in te
    schakelen voor afspeellijsten.
    Druk op functietoets 3 om het volledige
    apparaat of een afspeellijst te scannen
    wanneer dit/deze actief is.
    Druk op de toets INFO of functietoets 4
    om het volgende weer te geven:
    • titel
    • artiest
    • album.

    294



  • Page 297

    Introductie navigatie
    ALGEMENE INFORMATIE

    LET OP
    Reinig de unit niet met oplosmiddelen
    of spuitbussen. Gebruik alleen een
    vochtige doek.

    Druk op de betreffende toets op het front
    in om toegang te krijgen tot de
    systeemfuncties. Hierdoor komt u in de
    geselecteerde modus.

    Steek geen vreemde voorwerpen in
    de unit of sleuf voor de mediakaart.

    Een uur modus

    Breng niet meer dan één CD tegelijk
    aan.

    Om de accu niet te ontladen, kan het
    systeem in een één uur modus worden
    bediend. Druk bij afgezet contact op de
    ON/OFF toets om het systeem in te
    schakelen. Na een uur schakelt het
    systeem automatisch uit.

    Gebruik uitsluitend 12 cm of 8 cm
    CD's met geschikte adapter.
    Probeer niet de unit te openen.
    Raadpleeg uw dealer wanneer de
    unit defect is.

    Opmerkingen m.b.t. het
    systeem

    Incorrect gebruik van andere in deze
    handleiding beschreven instellingen
    en aansluitingen kan tot beschadiging
    leiden van de unit.

    WAARSCHUWINGEN
    Het glas van het LCD scherm kan
    breken wanneer het met een hard
    voorwerp in aanraking komt. Raak
    de vloeibare kristallen niet aan wanneer
    het glas mocht breken. Reinig de huid
    onmiddellijk met water en zeep wanneer
    deze met de kristallen in aanraking is
    gekomen.

    Zet het contact niet aan en start de
    motor niet terwijl de software wordt
    bijgwerkt.
    Gebruik het systeem wanneer de
    contactsleutel in de accessoirestand staat
    of de motor draait. Wanneer het systeem
    regelmatig bij stilstaande motor wordt
    gebruikt moet erop worden gelet dat de
    accu niet leeg raakt.

    De unit is een hoogwaardig
    laserproduct dat gebruikmaakt van
    een zichtbare laserstraal. Wanneer
    hiermee onjuist wordt omgegaan kan
    deze gevaarlijke straling veroorzaken.
    Probeer niet via openingen in de unit te
    kijken.

    RIJVEILIGHEID
    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem levert informatie
    waarmee u veilig en snel uw
    bestemming kunt bereiken.

    LET OP
    CD’s met een onregelmatige vorm
    en CD’s met krasbescherming of
    zelfklevende etiketten mogen niet
    worden gebruikt. Garantieclaims, waarbij
    dit type CD in een audio-installatie wordt
    aangetroffen die voor reparatie wordt
    aangeboden, worden niet geaccepteerd.

    Om veiligheidsredenen mag de
    bestuurder het systeem alleen bij
    stilstaande wagen programmeren.
    Het systeem biedt geen hulp met
    betrekking tot stopborden,
    verkeerslichten of
    wegwerkzaamheden en biedt evenmin
    andere belangrijke veiligheidsinformatie.

    295



  • Page 298

    Introductie navigatie
    WAARSCHUWINGEN
    Gebruik het systeem niet voordat u
    zich vertrouwd hebt gemaakt met
    de bediening ervan.
    Bekijk de systeemdisplay alleen
    wanneer de rijomstandigheden dit
    toelaten.

    Veiligheidsinformatie
    Lees de volgende veiligheidsmaatregelen
    en volg deze op. Wanneer u dit nalaat
    wordt de kans op een aanrijding en
    lichamelijk letsel verhoogd. Ford Motor
    Company is niet aansprakelijk voor
    schade die voortvloeit uit het niet
    opvolgen van deze richtlijnen.
    Wanneer de route-instructies nauwkeurig
    moeten worden bekeken, zet de wagen
    dan op een veilig moment aan de kant en
    parkeer deze.
    Gebruik het navigatiesysteem niet om
    hulpdiensten te lokaliseren.
    Maak altijd gebruik van de nieuwste
    navigatie-informatie voor een zo efficiënt
    en veilig mogelijk gebruik van het
    systeem. Uw dealer is gaarne bereid u
    hierbij behulpzaam te zijn.

    296



  • Page 299

    Introductie navigatie
    Micro SD-kaart installeren

    INTRODUCTIE NAVIGATIE
    Auto's met mobiel
    navigatiesysteem
    LET OP

    1

    Door gebruik van het systeem bij
    uitgeschakelde motor wordt de accu
    ontladen.
    N.B.: Aan het versturen en ontvangen
    van tekstberichten zijn kosten verbonden.

    2

    N.B.: Raadpleeg de handleiding bij uw
    telefoon voor alle telefoonfuncties en de
    werking van de functies.

    E114212

    N.B.: Bewaar de activeringscode
    (afgedrukt op de gebruikershandleiding)
    op een veilige plaats.

    1.

    Verwijder de micro SD-kaart uit de
    adapter.
    2. Plaats de micro SD-kaart in de
    mobiele telefoon.

    N.B.: Bewaar het tekstbericht voor
    activering in het postvak IN van uw
    mobiele telefoon.

    Navigatiesysteem mobiele telefoon
    activeren

    Compatibiliteit van
    telefoontoestellen

    N.B.: De radio moet zijn ingeschakeld
    alvorens de mobiele telefoon aan te
    sluiten op de GPS-ontvanger in de auto.

    LET OP
    Omdat er geen algemene
    overeenkomst bestaat, kunnen
    fabrikanten van mobiele telefoons
    een groot aantal profielen in hun
    Bluetooth apparaten implementeren.
    Daardoor is het mogelijk dat een telefoon
    niet compatible met een handsfree
    systeem is, waardoor in sommige
    gevallen de prestaties van het systeem
    aanzienlijk worden beperkt. Om dit te
    voorkomen moeten alleen aanbevolen
    telefoons worden gebruikt.

    N.B.: De Ford Mobile Navigation moet
    worden geïnstalleerd en geactiveerd op
    uw mobiele telefoon.
    N.B.: Er kunnen maximaal drie
    telefoons worden geactiveerd.
    N.B.: Gedetailleerde instructies vindt u
    op de micro SD-kaart en op
    www.ford-mobile-connectivity.com.
    Volg voor het aansluiten van het apparaat
    op het systeem dezelfde procedure als
    voor Bluetooth handsfree telefoons. Zie
    Setup Bluetooth (bladzijde 268).

    Bezoek de website
    www.ford-mobile-connectivity.com voor
    volledige gegevens.

    1.

    297

    Schakel de radio in.



  • Page 300

    Introductie navigatie
    Basiswerking
    1.

    Druk op de toets NAV of MENU voor
    toegang tot de menustructuur.
    2. Gebruik de pijltoetsen omhoog,
    omlaag, naar links en naar rechts en
    navigeer door de verschillende
    keuzelijsten.
    3. Druk op de OK toets om de keuze te
    activeren.

    E114213

    2. Schakel uw mobiele telefoon in en
    start de Ford Mobile Navigation.
    3. Kies Selecteer navigatie.
    4. Kies Adres.
    5. Wijzig de route-opties indien nodig en
    start de routebegeleiding.
    6. De bochtinformatie wordt
    weergegeven in de voertuigdisplay.
    De gesproken instructies zijn hoorbaar
    via de voertuigluidsprekers.

    Keuzelijsten
    Op diverse schermen wordt een lijst met
    beschikbare opties weergegeven.
    1.

    Selecteer de gewenste optie; als deze
    niet op het scherm wordt
    weergegeven, gebruik dan de
    pijltoetsen omhoog en omlaag om de
    rest van de keuzelijst te bekijken.

    2. Druk op de OK toets om uw keuze te
    bevestigen.

    N.B.: Uw mobiele telefoon geeft uw
    huidige positie weer.

    Alfanumeriek toetsenbord

    7. U kunt de applicatie verlaten en verder
    gaan met de routebegeleiding na het
    herstarten van de applicatie.

    Wanneer een adres moet worden
    opgegeven, verschijnt een toetsenbord
    en wordt u uitgenodigd een postcode,
    plaatsnaam of straat in te voeren.

    Auto's met CD-SD
    navigatiesysteem of Sony CDSD navigatiesysteem

    1.

    Het systeem beschikt over een groot
    aantal functies die makkelijk en intuïtief zijn
    te gebruiken. Routebegeleiding wordt
    weergegeven op het scherm. Het
    beeldscherm geeft alle informatie voor
    het bedienen van het systeem door
    gebruikmaking van menu's, tekstpagina's
    en displays. Schermselecties worden
    gemaakt door te navigeren door de
    menu's met behulp van de pijltoetsen
    omhoog, omlaag, naar links en naar
    rechts en op de toets OK te drukken om
    de gewenste instelling te activeren.

    Gebruik de pijltoetsen omhoog,
    omlaag, naar links en naar rechts om
    de gewenste letter of het gewenste
    nummer te selecteren.

    N.B.: Wanneer u de letters invoert,
    verschijnt het resultaat in de display.
    N.B.: Het systeem beperkt uw invoer
    doordat alleen letters kunnen worden
    ingevoerd, waarmee een geldig adres kan
    worden gevormd.
    2. Druk op de OK toets om de keuze te
    activeren.

    298



  • Page 301

    Introductie navigatie
    Voorbeeld van een route invoeren
    Hoofdscherm navigatie
    • Druk op de toets NAV om het
    navigatiesysteem te selecteren. De
    waarschuwing wordt weergegeven.
    Lees de waarschuwing en druk op de
    OK toets om het systeem te
    gebruiken.
    Scherm voor het invoeren van de
    bestemming
    • Gebruik de pijltoetsen omhoog en
    omlaag en navigeer naar Best.
    invoeren.
    • Druk op de OK toets om de keuze te
    activeren.
    N.B.: Er wordt een lijst met verschillende
    opties weergegeven.






    Begin vanaf de bovenzijde. Kies het
    land, gevolgd door de postcode als
    deze beschikbaar is of de naam van
    de plaats en de straat.
    Voer met het alfanumerieke
    toetsenbord en de keuzelijst uw
    adresgegevens in.
    Navigeer nadat voldoende informatie
    is ingevoerd naar Start
    routebegeleiding en druk op de
    toets OK om uw keuze te activeren.

    N.B.: Wanneer u bijvoorbeeld slechts
    naar het centrum van een stad wilt
    navigeren, hoeven niet de volledige
    adresgegevens te worden ingevoerd.




    De route wordt vervolgens berekend
    en het scherm keert terug naar het
    hoofdnavigatiescherm met instructies
    hoe u moet rijden.
    Volg de schermaanwijzingen en de
    aanwijzingen via gesproken tekst om
    uw reisdoel te bereiken.

    299



  • Page 302

    Overzicht navigatie-unit
    OVERZICHT NAVIGATIEEENHEID

    A

    Beschrijvingen voor
    functietoetsen 1-4

    Functietoetsen 1 tot en met 4 zijn
    contextafhankelijk en wijzigen als functie
    van de huidige audio-unitmodus.
    Beschrijvingen voor de functies worden
    aan de onderzijde van het display
    weergegeven.

    1

    E104157

    2

    3

    4

    A

    300



  • Page 303

    Overzicht navigatie-unit
    Auto's met CD-SD navigatiesysteem

    A

    B

    C

    E

    D

    F
    G

    V

    U

    H

    T
    S

    I

    R

    J

    Q
    K
    P

    N

    O

    M

    L

    E129241

    A

    CD-uitwerptoets.

    B

    Navigatiepijlen.

    C

    CD-sleuf.

    D

    OK.

    E

    Informatie.

    F

    Kaart selecteren. Zie Routeweergaven (bladzijde 309).

    G

    Menu selecteren. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 305).

    H

    Telefoontoetsenblok en stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Werking van de
    audio-installatie (bladzijde 256). Zie Menu's audio-installatie (bladzijde
    259). Zie Telefoon (bladzijde 268).

    I

    Klok. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 305).

    301



  • Page 304

    Overzicht navigatie-unit
    J

    Verkeersberichten. Zie Traffic Message Channel
    (verkeersberichtenkanaal) (bladzijde 311).

    K

    Functie 4.

    L

    Functie 3.

    M

    Opwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen
    (bladzijde 256). Zie Nummer selecteren (bladzijde 261).

    N

    Aan/uit en volumeknop. Zie Aan/uit toets (bladzijde 256).

    O

    Neerwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen
    (bladzijde 256). Zie Nummer selecteren (bladzijde 261).

    P

    Functie 2.

    Q

    Functie 1.

    R

    Telefoon selecteren. Zie Telefoon (bladzijde 268).

    S

    Extra ingang selecteren. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 266).

    T

    Radio selecteren. Zie Werking van de audio-installatie (bladzijde 256).
    Zie Menu's audio-installatie (bladzijde 259).

    U

    CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 261).

    V

    Navigatie selecteren. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 305).

    302



  • Page 305

    Overzicht navigatie-unit
    Auto's met Sony CD-SD navigatiesysteem

    A

    B

    C

    D

    E

    F
    G

    Y

    X
    H
    W
    I

    V

    J

    U

    K
    T
    L
    S

    R

    Q

    P

    O

    N

    M

    E129242

    A

    Aan/uit regeling. Zie Aan/uit toets (bladzijde 256).

    B

    Navigatie selecteren. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 305).

    C

    Telefoontoetsenblok en stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Werking van de
    audio-installatie (bladzijde 256). Zie Menu's audio-installatie (bladzijde
    259). Zie Telefoon (bladzijde 268).

    D

    CD-sleuf.

    E

    Navigatiepijlen.

    F

    Kaart selecteren. Zie Routeweergaven (bladzijde 309).

    G

    CD-uitwerptoets.

    H

    Informatie.

    I

    Klok. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 305).

    303



  • Page 306

    Overzicht navigatie-unit
    J

    Opwaarts zoeken. CD-nummer selecteren, oproep beëindigen. Zie Station
    afstemtoetsen (bladzijde 256). Zie Nummer selecteren (bladzijde 261).
    Zie Gebruik maken van de telefoon (bladzijde 270).

    K

    Home selecteren. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 305).

    L

    Verkeersberichten. Zie Traffic Message Channel
    (verkeersberichtenkanaal) (bladzijde 311).

    M

    Functie 4.

    N

    Geluid selecteren. Zie Volumeknop (bladzijde 256).

    O

    Functie 3.

    P

    OK.

    Q

    Functie 2.

    R

    Menu selecteren. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 305).

    S

    Functie 1.

    T

    Telefoon selecteren. Zie Telefoon (bladzijde 268).

    U

    Extra ingang selecteren. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 266).

    V

    Neerwaarts zoeken. CD-nummer selecteren, oproep beantwoorden. Zie
    Station afstemtoetsen (bladzijde 256). Zie Nummer selecteren (bladzijde
    261). Zie Gebruik maken van de telefoon (bladzijde 270).

    W

    Radio selecteren. Zie Werking van de audio-installatie (bladzijde 256).
    Zie Menu's audio-installatie (bladzijde 259).

    X

    CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 261).

    Y

    Volumeregeling.
    1.

    Plaats de SD-navigatiekaart in de
    opening.
    2. Druk op de NAV toets. De
    waarschuwing verkeersveiligheid
    wordt weergegeven in de display.
    3. Druk op de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag om de gewenste
    functie te selecteren.
    4. Druk op de OK toets om uw keuze te
    bevestigen.

    NAVIGATIEDATA LADEN
    Navigatiedata laden

    Raadpleeg uw dealer voor nieuwe
    uitgaven van kaarten en het opwaarderen
    van het systeem.
    E129900

    304



  • Page 307

    Systeeminstellingen
    N.B.: Druk bij auto's met een Sony
    CD-SD navigatiesysteem op de HOME
    toets, waarna het systeem de
    routebegeleiding naar het thuisadres in
    de lijst automatisch start.

    SYSTEEMINSTELLINGEN
    De meest belangrijke instellingen van uw
    navigatiesysteem zijn via de MENU of
    NAV toets bereikbaar. In de volgende
    rubriek worden de diverse opties en het
    gebruik ervan beschreven.

    Laatste best.

    Menustructuur - Informatie- en
    entertainmentdisplay - Auto's
    met navigatiesysteem

    Hiermee kunt u snel toegang krijgen tot
    eerdere reisdoelen die in het systeem zijn
    ingevoerd. Een gedetailleerde display
    toont de volledige opgeslagen informatie
    inclusief een overzichtskaart. Selecteer
    het gewenste reisdoel uit de lijst.

    Route

    Favorieten

    Via deze functie kunt u de route
    aanpassen aan uw specifieke
    reisvereisten (bijvoorbeeld verdergaan
    met routebegeleiding, blokkeren van
    specifieke delen van de route of
    selecteren van specifieke delen van een
    route).

    Via deze functie kunt u een persoonlijk
    adresboek aanleggen en bijvoorbeeld aan
    adressen en reisdoelen een door u
    gedefinieerde naam geven. Een
    gedetailleerde display toont de volledige
    opgeslagen informatie inclusief een
    overzichtskaart. Selecteer het gewenste
    reisdoel uit de lijst.

    Voor menustructuren: Zie Infodisplays
    (bladzijde 88).

    Best. invoeren

    Spec. bestemm.

    Via deze functie kunt u de
    reisdoelgegevens invoeren (bijvoorbeeld
    stadsnamen of straatnamen invoeren of
    een plaats op een kaart uitzoeken).

    Via deze functie kunt u de route
    aanpassen aan uw specifieke
    reisvereisten (bijvoorbeeld een museum
    op de route of een specifieke speciale
    bestemming in de buurt van uw reisdoel
    selecteren).

    Verkeersinformatie
    Via deze functie kunt u aanpassen hoe
    verkeersinformatie wordt ontvangen
    (bijvoorbeeld verkeersberichten bekijken
    en sorteren, uw route bekijken of delen
    van uw route blokkeren).

    Toerenplanning
    Via deze functie kunt u een aantal
    verschillende reisdoelen invoeren en
    tevens de volgorde selecteren waarin u
    de reisdoelen wilt bezoeken. U kunt
    tevens een bestaande reis wijzigen of een
    vorige reis opvragen. Het systeem
    berekent automatisch de door u gekozen
    reis en geeft deze weer.

    Eigen adres
    Via deze functie kunt u de
    routebegeleiding naar uw eigen adres
    starten of de gegevens van uw eigen
    adres wijzigen.

    Positie opslaan
    Via deze functie kunt u uw huidige positie
    opslaan en benoemen.

    305



  • Page 308

    Systeeminstellingen
    Menustructuur - Informatie- en
    entertainmentdisplay - Alle
    auto's

    Routeopties
    Via deze functie kunt u de route
    aanpassen aan uw specifieke
    reisvereisten (bijvoorbeeld de snelste of
    meest economische route selecteren of
    een route selecteren waarbij tunnels,
    seizoenswegen en tolwegen worden
    vermeden).

    Audio-instellingen
    Adaptief volume
    Via deze functie kunt u het volume
    aanpassen ter compensatie van motoren verkeersgeluiden. U kunt deze functie
    in- en uitschakelen.

    Speciale functies
    Via deze functie kunt u GPS- en
    systeeminformatie of een demonstratie
    van de systeemfunctionaliteit selecteren.

    Klank
    Via deze functie kunt u de
    volume-instellingen aanpassen
    (bijvoorbeeld bas en hoge tonen).

    Kaartweergave
    Via deze functie kunt u de weergave van
    het kaartscherm wijzigen (bijvoorbeeld
    heldere 2D- of 3D-weergave) en
    display-informatie voor uw reis aanpassen
    (bijvoorbeeld tijd tot aankomst en
    rijstrookbegeleiding).

    Nav-audio-mix
    Via deze functie kunt het volume tussen
    de gesproken begeleiding van het
    navigatiesysteem en de audiobron
    instellen.

    Hulpfuncties

    DSP-instelling

    Via deze functie kunt u display-informatie
    voor uw reis aanpassen (bijvoorbeeld
    borden, rijstroken en snelheidslimieten).

    Via deze functie kunt u de luidsprekers
    aanpassen aan de betreffende
    stoelposities.

    Pers. gegevens

    DSP-equalizer

    Via deze functie kunt u persoonlijke
    gegevens wijzigen en verwijderen
    (bijvoorbeeld uw thuisadres).

    Via deze functie kunt u de
    muziekcategorie selecteren waarnaar u
    bij voorkeur luistert. Het audiosignaal
    verandert om de weergave van de
    specifiek gekozen muziekstijl te
    verbeteren.

    Instellingen terug
    Via deze functie kunt u de
    navigatie-instellingen resetten.

    Nieuws
    Via deze functie kunt u nieuwsberichten
    ontvangen van radiostations op de FM
    band of RDS of EON geschakelde stations
    op dezelfde wijze als bij
    verkeersberichten. U kunt deze functie
    in- en uitschakelen.

    306



  • Page 309

    Systeeminstellingen
    Alternatieve frequenties

    N.B.: GPS-tijd moet zijn geselecteerd.

    Via deze functie kunt u zoeken en
    schakelen naar het sterkste zendersignaal
    tijdens navigeren van het ene
    zendergebied naar het andere.

    24-uurs
    Via deze functie kunt u het systeem
    instellen op de 12- en 24-uurs modus.

    Alt. frequentie
    Deze functie regelt het gedrag van AF
    door tussen regionale netwerken van een
    hoofdzender te schakelen.
    DAB-servicelink
    Via deze functie kunt u stations selecteren
    die worden uitgezonden op de
    DAB-kanalen.
    Bluetooth
    Via deze functie kunt u Bluetooth in- of
    uitschakelen.

    Klokinstellingen
    Tijd
    Via deze functie kunt u de tijd handmatig
    instellen.
    Datum instellen
    Via deze functie kunt u de datum, de
    maand en het jaar handmatig instellen.
    GPS-tijd
    Via deze functie kunt u in een geschikt
    dekkingsgebied automatisch de datum
    en de tijd instellen met behulp van GPS.
    Tijdzone
    Via deze functie kunt u een specifieke
    tijdzone selecteren.
    Zomertijd
    Via deze functie kunt u het systeem zo
    instellen, dat de zomer- en wintertijd
    automatisch worden ingesteld.

    307



  • Page 310

    Navigatiesysteem
    MENU ROUTE-OPTIES

    Sportief

    U kunt een aantal opties invoeren die de
    geplande route veranderen.

    Via deze optie wordt prioriteit gegeven
    aan de route voor een bestuurder met
    een sportieve rijstijl naar uw reisdoel.

    Met behulp van de pijltoetsen omhoog,
    omlaag, naar links en naar rechts kunt u
    in de lijst selecteren welke
    verkeersfuncties moeten worden
    vermeden of worden opgenomen in de
    route door de functie in of uit te
    schakelen.

    Eco instelling
    Aanhanger
    Gebruik deze functie om de
    economy-instellingen van uw reis te
    wijzigen afhankelijk van het feit of al dan
    niet een aanhanger is aangekoppeld
    (indien dit het geval is, wordt rekening
    gehouden met de aanhangergrootte).

    Route
    Eco

    Dakkoffer

    Via deze optie wordt prioriteit gegeven
    aan de meest economische route naar
    uw reisdoel.

    Gebruik deze functie om de
    economy-instellingen van uw reis te
    wijzigen met betrekking tot het gebruik
    van een dakkoffer.

    Sportief
    Via deze optie wordt prioriteit gegeven
    aan de snelste route naar uw reisdoel.

    Dynamisch
    Wanneer deze functie is ingeschakeld en
    het toestel ontvangt een geldig traffic
    message channel (TMC) signaal, wordt
    de route automatisch herzien en wordt
    rekening gehouden met
    verkeersongevallen en files.

    Kort
    Via deze optie wordt prioriteit gegeven
    aan de kortste route naar uw reisdoel.
    Altijd vragen
    Gebruik deze functie om te zorgen dat u
    altijd het routetype voor uw reis kunt
    kiezen.

    N.B.: Deze functie kan vertraging en
    oponthoud tijdens het rijden voorkomen.

    Snelweg

    Rijstijl

    Als het systeem is ingeschakeld, zoekt dit
    naar snelwegen op uw route en worden
    de totale afstand en de reistijd
    automatisch bijgewerkt.

    Rustig
    Via deze optie wordt prioriteit gegeven
    aan de route voor een bestuurder met
    een rustige rijstijl naar uw reisdoel.

    N.B.: Deze functie kan vertraging en
    oponthoud tijdens het rijden voorkomen.

    Normaal
    Via deze optie wordt prioriteit gegeven
    aan de route voor een bestuurder met
    een normale rijstijl naar uw reisdoel.

    308



  • Page 311

    Navigatiesysteem
    Veer/autotrein

    U kunt de wijze waarop de kaart wordt
    weergegeven veranderen, door in- of uit
    te zoomen en de oriëntatie-instellingen
    te wijzigen. Druk op de betreffende
    functietoetsen om de schaalverdeling van
    de kaart te wijzigen en gebruik de linker
    en rechter pijltoetsen om in of uit te
    zoomen. De actuele schaalverdeling
    wordt op de display weergegeven.

    Als het systeem is ingeschakeld, zoekt dit
    naar faciliteiten met veerboten en
    autotreinen op uw route en worden de
    totale afstand en de reistijd automatisch
    bijgewerkt.

    Tol
    Als het systeem is ingeschakeld, zoekt dit
    naar tolwegen op uw route en worden de
    totale afstand en de reistijd automatisch
    bijgewerkt.

    De schaalverdeling kan tussen 50 m en
    500 km (of tussen 0,05 mijl en 500 mijl)
    worden ingesteld, met een automatische
    instelling geheel naar links. De
    automatische instelling verandert de
    schaalverdeling voortdurend op basis van
    het type weg waarop gereden wordt.

    Seizoenswegen
    Als het systeem is ingeschakeld, zoekt dit
    naar seizoenswegen op uw route en
    worden de totale afstand en de reistijd
    automatisch bijgewerkt.

    Kruispuntzoom
    Deze functie zorgt ervoor dat automatisch
    op de kaartweergave wordt ingezoomd
    bij een afslag of het maken van
    ingewikkelde manoeuvres. Kort hierna
    wordt de normale weergave hervat.

    N.B.: Deze functie kan vertraging en
    oponthoud tijdens het rijden voorkomen.

    Vignet

    Selecteer AUTO om de kruisingszoom te
    activeren.

    Als het systeem is ingeschakeld,
    selecteert dit automatisch tolwegen en
    worden de totale afstand en de reistijd
    automatisch bijgewerkt.

    Navigatiedisplay
    Wanneer met een navigatieroute is
    begonnen, is het standaard scherm het
    hoofdnavigatiescherm:

    ROUTEWEERGAVEN
    Kaartweergave

    Zodra u via een geactiveerde route rijdt,
    worden via het scherm en d.m.v.
    gesproken tekst aanwijzingen gegeven.
    Naar welke audiobron u ook wilt luisteren,
    primair wordt iedere afslag en de
    informatie over de afstand op het scherm
    weergegeven in de vorm van een
    grafische inzet. U hoeft het toestel niet op
    het hoofdnavigatiesysteem te laten staan
    wanneer u langs een route navigeert. Zo
    nodig is wat meer gedetailleerde
    informatie over de route beschikbaar via
    het hoofdnavigatiescherm.

    Druk op de toets MAP voor een
    kaartweergave.
    Op dit scherm wordt de huidige locatie
    van uw wagen in het midden door middel
    van een pijl binnen een cirkel aangeduid.
    De pijl wijst in de rijrichting.
    De informatie op de bovenste regel omvat
    de naam van de actuele straat of van de
    volgende straat die moet worden
    genomen als er moet worden afgeslagen.

    309



  • Page 312

    Navigatiesysteem
    WAARSCHUWING
    Vertrouw tijdens het navigeren niet
    op de aanwijzingen op het scherm.
    Luister altijd naar de navigatiestem
    en houd uw aandacht bij de weg voor u.

    310



  • Page 313

    Traffic Message Channel (verkeersberichtenkanaal)
    TMC berichten gebruiken

    WERKING

    Selecteer het gewenste item om een lijst
    met TMC berichten weer te geven. Zie
    Algemene informatie (bladzijde 88).
    Dit is slechts een overzicht met
    basisinformatie. Selecteer het bericht
    waarover u meer informatie wilt en een
    ander scherm met het volledige bericht
    met details de plaats van het incident, enz.
    wordt weergegeven.

    Traffic Message Channel (TMC)
    radiostations zenden op de FM-band uit.
    TMC is een systeem dat
    verkeersberichten ontvangt, die kunnen
    worden gebruikt voor het plannen van
    alternatieve routes en het voorkomen van
    oponthoud.

    TMC GEBRUIKEN

    U kunt een scherm kiezen dat alleen
    berichten toont die betrekking hebben op
    uw geprogrammeerde route of een
    scherm dat alle ontvangen berichten
    toont. Druk op functietoets 1 om de
    weergave te veranderen.

    Druk op de TA of TRAFFIC toets om het
    Traffic menu weer te geven.

    Verkeersberichten
    Verkeersberichten (TA) kunnen via dit
    menu worden in- of uitgeschakeld.
    Wanneer het systeem is ingeschakeld
    wordt een TA indicator aan de onderzijde
    van de statusbalk weergegeven.
    Stations die programma's met
    verkeersinformatie (TP) op de FM-band
    uitzenden kunnen worden herkend aan
    de letters TP die op het display worden
    weergegeven. Wanneer TA is
    ingeschakeld beantwoordt het toestel
    deze berichten en onderbreekt het de
    muziekweergave. Nadat het bericht is
    beëindigd, wordt de muziekweergave
    weer hervat.

    Verkeersberichten beëindigen
    Aan het einde van een verkeersbericht
    hervat de installatie weer zijn normale
    werking. Om een verkeersbericht
    voortijdig af te breken, drukt u tijdens het
    verkeersbericht op deTA, TRAFFIC,
    RADIO of CD toets.

    311



  • Page 314

    Kaartupdates
    KAARTUPDATES
    Het netwerk van wegen verandert
    voortdurend door de aanleg van nieuwe
    wegen, verandering van de classificatie,
    enz. Daardoor is het mogelijk dat de
    klantgegevens in het systeem niet altijd
    exact overeenkomen met de
    werkelijkheid.
    De wegenkaartinformatie wordt
    regelmatig bijgewerkt, maar alle gebieden
    zijn niet tot op hetzelfde niveau gedekt.
    Sommige wegen, vooral privé wegen, zijn
    soms niet in de database verwerkt.
    Gebruik altijd de nieuwste DVD’s om uw
    navigatiesysteem zo nauwkeurig te laten
    werken. Uw dealer is gaarne bereid u
    hierbij behulpzaam te zijn.

    312



  • Page 315

    Bijlagen
    www.novero.com/declaration_of_conformity

    TYPEGOEDKEURINGEN

    Het woord, het merk en de logo's
    Bluetooth zijn eigendom van Bluetooth
    SIG Inc. en de Ford Motor Company mag
    dergelijke merktekens onder licentie
    gebruiken. Namen van andere producten
    en bedrijven kunnen handelsmerken of
    handelsnamen van de respectieve
    eigenaren zijn.

    FCC/INDUSTRY CANADA
    NOTICE
    Het apparaat voldoet aan Deel 15 van de
    FCC-regelgeving. Bediening is onderhevig
    aan de volgende twee voorwaarden: (1)
    dit apparaat mag geen schadelijke
    interferentie veroorzaken en (2) dit
    apparaat moet ontvangen interferentie
    accepteren (inclusief interferentie die kan
    leiden tot ongewenste bediening).

    TYPEGOEDKEURINGEN
    iPod is een handelsmerk van Apple Inc.

    FCC ID: WJLRX-42
    IC: 7847A-RX42

    TYPEGOEDKEURINGEN

    Het uitvoeren van wijzigingen of
    modificaties aan het apparaat zonder
    nadrukkelijke toestemming van de
    verantwoordelijke partij kan leiden tot
    vervallen van het recht op bediening van
    het apparaat.

    E114214

    RX-42 - Conformiteitsverklaring

    © 2008 NAVTEQ B.V. Alle rechten
    voorbehouden.

    Wij, de partij verantwoordelijk voor
    naleving, verklaren onder volledige
    verantwoordelijkheid dat het product
    Handset Integration RX-42 voldoet aan
    de vereisten van Council Directive
    1999/5/EC. Een kopie van de
    Conformiteitsverklaring kunt u vinden op:

    313



  • Page 316

    Bijlagen

    E114220

    TYPEGOEDKEURINGEN

    TYPEGOEDKEURINGEN

    Lasersensor
    E97713

    E97714

    Het SD-logo is een handelsmerk.
    E132582

    314



  • Page 317

    Bijlagen
    WAARSCHUWINGEN
    Onzichtbare laserstraal. Kijk niet
    direct met optische instrumenten
    (vergrootglazen). Klasse 1M
    laserproduct.

    WAARSCHUWINGEN
    IEC 60825-1: 1993 + A2:2001.
    Conform FDA-prestatiestandaard
    voor laserproducten m.u.v. afwijking
    in overeenstemming met
    laserkennisgeving (Laser Notice) nr. 50,
    d.d. 26 juli 2001.

    Punt

    Specificatie

    Max. gemiddeld vermogen

    45mW

    Pulsduur

    33ns

    Golflengte

    905nm

    ELEKTROMAGNETISCHE
    COMPATIBILITEIT

    TYPEGOEDKEURINGEN
    EU-verklaring

    WAARSCHUWINGEN
    Uw auto is getest en gecertificeerd
    volgens de wetgeving betreffende
    elektromagnetische comptabiliteit
    (72/245/EEC, UN ECE Regeling 10 of
    andere geldende lokale vereisten). U dient
    ervoor te zorgen dat apparatuur die u
    heeft gemonteerd voldoet aan de
    betreffende lokale wetgeving. Laat
    apparatuur door goed geschoolde
    monteurs monteren.

    Valeo verklaart hierbij dat dit korte
    bereik-apparaat voldoet aan de
    noodzakelijke vereisten en andere
    relevante bepalingen in Directive
    1999/5/EC.

    Certificaat voor Verenigde
    Arabische Emiraten

    Radiofrequentie (RF) zenders (bijv.
    mobiele telefoons, amateur
    radiozenders, enz.) mogen alleen in
    uw wagen worden gemonteerd, wanneer
    deze volledig voldoen aan de parameters
    die in de onderstaande tabel zijn
    weergegeven. Er zijn geen bijzondere
    voorzieningen of voorwaarden voor het
    monteren of gebruik.

    E125209

    Monteer geen zender/ontvangers,
    microfoons, luidsprekers en
    dergelijke in de ontvouwruimte van
    de airbags.

    315



  • Page 318

    Bijlagen
    WAARSCHUWINGEN
    Bevestig geen antennekabels aan
    de originele bedrading,
    brandstofleidingen en remleidingen
    van de wagen.

    WAARSCHUWINGEN
    Houd antennekabels en
    stroomdraden minimaal 100 mm
    weg van elektronische modules en
    airbags.

    1

    2

    3

    4

    E85998

    Frequentieband MHz

    Maximum uitgangsvermogen in
    watt (piek RMS)

    Antenneplaatsen

    1 – 30

    50 W

    3. 4

    30 – 54

    50 W

    1. 2. 3

    68 – 87,5

    50 W

    1. 2. 3

    142 – 176

    50 W

    1. 2. 3

    380 – 512

    50 W

    1. 2. 3

    806 – 940

    10 W

    1. 2. 3

    1200 – 1400

    10 W

    1. 2. 3

    1710 – 1885

    10 W

    1. 2. 3

    1885 – 2025

    10 W

    1. 2. 3

    316



  • Page 319

    Bijlagen
    N.B.: Controleer na het monteren van
    een RF zender of deze niet de overige
    elektrische uitrusting in de wagen stoort,
    zowel in de standby- als in de
    zendmodus.
    Controleer alle elektrische uitrusting:
    • met het contact AAN
    • bij draaiende motor
    • tijdens een proefrit bij verschillende
    snelheden.
    Controleer of de elektromagnetische
    velden die door de gemonteerde zender
    binnen het passagierscompartiment
    worden opgewekt niet de grenzen
    overschrijdt waaraan het menselijk
    lichaam mag worden blootgesteld.

    317



  • Page 320

    318



  • Page 321

    Index

    A

    Afneembare trekhaakkogel.................191
    Onderhoud..................................................194
    Rijden met een aanhanger.......................193
    Rijden zonder aanhanger..........................194
    Trekhaakkogel aanbrengen......................192
    Trekhaakkogel ontgrendelen...................192
    Trekhaakkogel verwijderen.......................193

    A/C
    Zie: Klimaatregeling....................................109

    Aan/uit toets..........................................256
    Aanhangers trekken..............................191
    Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN)
    ...............................................................129
    Aansluitpunten van de accu ..............225
    Aansteker................................................127
    ABS

    Afspelen CD beëindigen.....................265
    Afstandsbediening programmeren
    Zie: Programmeren van de
    afstandsbediening...................................37

    Airconditioning

    Zie: Remmen...............................................149

    Zie: Klimaatregeling....................................109

    ACC

    Akoestische waarschuwingssignalen
    en -indicaties.........................................86

    Zie: Adaptieve snelheidsregeling
    (ACC)........................................................166

    Automatische transmissie..........................87
    De gongsignalen in- en uitschakelen........86
    Herinneringssysteem
    veiligheidsgordel.......................................87
    Laag brandstofpeil.......................................87
    Portier niet goed gesloten..........................87
    Sleutel buiten auto........................................87
    Verlichting ingeschakeld..............................87
    Vorst................................................................87

    Accessoires
    Zie: Onderdelen en accessoires..................7

    ACC
    Zie: Gebruik maken van ACC...................168

    Accu van de auto.................................224
    Accu vervangen....................................225
    Achterbank.............................................125
    Rugleuningen naar voren klappen...........125
    Rugleuningen opklappen..........................126
    Zitting en rugleuning achterbank naar
    voren klappen.........................................125

    Alarm.........................................................48
    Werking..........................................................48

    Alarm inschakelen...................................49
    Alarm uitschakelen.................................49

    Achterruitwissers en -sproeiers...........55
    Intervalwissen...............................................55
    Ruitensproeier, achter.................................55
    Wissen tijdens achteruitrijden.....................55

    Uitvoeringen met keyless entry
    systeem.....................................................50
    Uitvoeringen zonder keyless entry
    systeem.....................................................49

    Achteruitkijkcamera...............................161
    Werking.........................................................161

    Algemene informatie over
    radiofrequenties....................................37
    Alternatieve frequenties......................259
    Audiobediening........................................51

    Achteruitkijkcamera gebruiken............161
    Achteruitkijkcamera activeren...................161
    Achteruitkijkcamera deactiveren.............163
    Auto's met parkeerhulp.............................163
    Display gebruiken.......................................162

    Type 1..............................................................51
    Type 2............................................................52

    Actieve parkeerhulp..............................158

    Automatisch dimmende spiegel...........78
    Automatische grootlichtregeling .........59

    Werking........................................................158

    Actieve parkeerhulp gebruiken ..........158
    Adaptieve snelheidsregeling
    (ACC)....................................................166

    De gevoeligheid van het systeem
    instellen.......................................................61
    Het systeem activeren................................60
    Het systeem handmatig
    onderbreken..............................................61

    Werking........................................................166

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    Zie: Gebruik maken van ACC...................168

    319



  • Page 322

    Index
    Automatische klimaatregeling.............112

    Banden

    Airconditioning in- en uitschakelen...........115
    Automatische airconditioning
    uitschakelen.............................................115
    Gerecirculeerde lucht.................................115
    Interieur snel afkoelen.................................114
    Luchtverdeling.............................................114
    Mono modus................................................113
    Mono modus uitschakelen........................113
    Mono modus weer inschakelen...............114
    Temperatuur instellen.................................113
    Ventilator.......................................................114
    Voorruit ontdooien en ontwasemen........114

    Zie: Velgen en banden..............................226

    Batterij van afstandsbediening
    Zie: Batterij van afstandsbediening
    vervangen.................................................37

    Batterij van afstandsbediening
    vervangen..............................................37
    Afstandsbediening met inklapbaar
    sleutelblad.................................................38
    Afstandsbediening zonder inklapbaar
    sleutelblad.................................................38

    Bedieningselementen telefoon..........270
    Afstandsbediening.....................................270

    Automatische transmissie...................146

    Bekerhouders........................................128

    Aanwijzingen voor het rijden met een
    automatische transmissie.....................148
    Keuzehandelstanden.................................146
    Sportmodus en handmatig
    schakelen.................................................147
    Voorziening voor het ontgrendelen van de
    keuzehendel...........................................148

    Armleuning achterbank.............................128

    Belangrijke audio-informatie...............248
    CD etiketten................................................248
    Labels op de audio-installatie..................248

    Bergen van de auto..............................207
    Bescherming van inzittenden...............32
    Werking..........................................................32

    Automatische volumeregeling...........259
    Automatisch in- en uitschakelende
    ruitenwissers.........................................53
    Automatisch in- en uitschakelende
    verlichting...............................................59
    Auto op vier wielen slepen..................207

    Bestuurderswaarschuwing..................174
    Werking........................................................174

    Bestuurderswaarschuwing
    gebruiken.............................................174
    Het systeem in- en uitschakelen..............174
    Systeemdisplay...........................................175
    Systeem resetten.......................................175
    Systeemwaarschuwingen.........................175

    Alle modelvarianten...................................207
    Uitvoeringen met automatische
    transmissie..............................................208

    Beveiligingscode...................................255
    Beveiliging van uw
    audio-installatie...................................255
    Bijlagen....................................................313
    Brandstof en tanken..............................141

    Autostore toets.....................................257

    B
    Bagageafdekkingen.............................186
    Bagagenetten........................................187

    Technische specificatie.............................144

    Brandstofkwaliteit - Benzine................141
    Brandstofkwaliteit - Diesel...................142

    Bagagenet...................................................187

    Bagageverankeringspunten................186
    Bandenreparatieset ............................232

    Opslaan voor de lange termijn.................142

    Brandstofkwaliteit - Flex Fuel (FF,
    ethanol).................................................141

    Algemene informatie.................................232
    Bandenspanning controleren..................235
    Band oppompen.......................................233
    Gebruik van de bandenreparatieset......232

    Opslaan voor de lange termijn..................141

    Brandstofverbruik .................................144
    Brandstofverbruik

    Bandenspanningcontrolesysteem.....237

    Zie: Technische specificatie......................144

    Systeem resetten......................................237

    Buitenspiegels..........................................77

    Bandenspanningen

    Handmatig inklapbare spiegels..................77

    Zie: Technische specificatie.....................238

    320



  • Page 323

    Index

    C

    D

    CD afspelen............................................261
    CD-nummers herhalen........................261

    De motorkap openen en sluiten.........210
    De motorkap openen................................210
    De motorkap sluiten...................................210

    Type 1............................................................261
    Type 2 en 3.................................................262

    De motor starten....................................131

    CD-nummers scannen........................262

    Algemene informatie..................................131

    Type 1...........................................................262
    Type 2 en 3.................................................262

    Dieselroetfilter (DPF).............................136

    CD-speler...............................................261
    Centrale vergrendeling..........................45

    Digitale signaalverwerking (DSP).......259

    Regeneratie.................................................136
    DSP-equalizer.............................................259
    DSP-instellingen wijzigen..........................259
    DSP voor bezette zitplaatsen..................259

    Comfortontgrendeling.................................45
    Comfortvergrendeling.................................45

    Commando’s audio-unit .....................274

    Dimmer
    instrumentenpaneelverlichting.........127
    Door water rijden...................................195

    Auxiliary ingang...........................................279
    CD-speler....................................................274
    Externe apparaten - iPod.........................280
    Externe apparaten - USB.........................279
    Radio............................................................275

    Door water rijden........................................195

    DPF
    Zie: Dieselroetfilter (DPF)...........................136

    Commando’s klimaatregeling.............287

    E

    Airconditioning............................................287

    Commando’s telefoon........................282
    Een telefoonboek aanleggen..................285
    Hoofdinstellingen.......................................286
    Telefoon.......................................................282
    Telefoonfuncties.........................................283

    Eco-modus............................................140

    Contactslot..............................................131
    Contactslot

    Een benzinemotor starten...................132

    Werking........................................................140

    Eco-modus gebruiken.........................140
    Eco-modus resetten..................................140
    Koude of warme motor.............................132
    Stationair toerental na het starten...........132
    Verzopen motor..........................................132

    Zie: Contactslot............................................131

    Controle koelvloeistofpeil

    Een benzinemotor starten - Flex Fuel
    (FF, ethanol).........................................133

    Zie: Motorkoelvloeistof controleren.........217

    Controle oliepeil
    Zie: Motorolie controleren.........................217

    Starten bij lage buitentemperaturen........133

    Controle vloeistofpeil koppeling en
    remsysteem........................................218
    Cruise control

    Een dieselmotor starten.......................133
    Koude of warme motor.............................133

    Een koplamp verwijderen......................66
    Een wiel vervangen..............................226

    Zie: Gebruik maken van snelheidsregeling
    (cruise control)........................................164

    De juiste zitpositie innemen..................121

    Boordkrik.....................................................227
    Kriksteunpunten.........................................227
    Uitvoeringen met een reservewiel..........226
    Wiel aanbrengen.........................................231
    Wieldop verwijderen..................................229
    Wielmoersleutel monteren.......................229
    Wielslotmoeren..........................................226
    Wiel verwijderen.........................................230

    Zie: De motorkap openen en sluiten.......210

    Een zekering vervangen......................198
    Eerstehulpset.........................................196

    D
    Dakrekken en bagagedragers............188
    Dakdragers aanbrengen...........................189
    Imperiaal.......................................................188

    321



  • Page 324

    Index

    G

    Elektrisch bedienbare ruiten..................75
    Antiklemfunctie.............................................76
    Geheugen van de elektrisch bedienbare
    ruiten opnieuw instellen...........................76
    Integraal openen/sluiten.............................75
    Module portier bestuurderszijde................75
    Ruiten automatisch openen en
    sluiten.........................................................75
    Veiligheidsschakelaar voor de achterste
    ruiten..........................................................75

    Gebruik maken van ACC.....................168
    Afstand tot uw voorligger instellen..........168
    Automatisch uitschakelen.........................169
    Het systeem inschakelen..........................168
    Ingestelde snelheid veranderen..............168
    Snelheid instellen........................................168
    Systeem tijdelijk deactiveren....................169
    Systeem uitschakelen................................169

    Elektrisch verstelbare
    buitenspiegels.......................................77

    Gebruik maken van de parkeerhulp Auto's met Parkeerhulp
    achteruit...............................................154
    Gebruik maken van de parkeerhulp Auto's met Parkeerhulp voor en
    achter ...................................................155

    Elektrisch inklapbare buitenspiegels.........77
    Richtingen waarin de spiegel kan worden
    gekanteld...................................................77

    Elektrisch verstelbare stoelen.............124
    Elektrisch zonnedak..............................118

    Manoeuvreren met de parkeerhulp........156
    Parkeerhulp in- en uitschakelen...............155

    Antiklemfunctie van het schuifdak............119
    Leerprocedure schuifdak..........................120
    Schuifdak automatisch openen en
    sluiten........................................................119
    Schuifdak kantelen......................................119
    Schuifdak openen en sluiten.....................119
    Veiligheidsmodus van het schuifdak.......120

    Gebruik maken van de telefoon ........270
    Actieve telefoon afmelden.......................272
    Bellen............................................................270
    Een inkomend gesprek ontvangen.........271
    Een tweede oproep ontvangen...............271
    Microfoon dempen....................................272
    Van actieve telefoon veranderen............272

    Elektromagnetische
    compatibiliteit.......................................315
    Extern apparaat aansluiten - Auto's met
    Bluetooth..............................................291

    Gebruik maken van snelheidsregeling
    (cruise control)....................................164
    Cruise control inschakelen........................164
    Cruise control opnieuw inschakelen.......165
    Cruise control uitschakelen......................165
    Ingestelde snelheid veranderen..............164
    Snelheid instellen........................................164

    Bluetooth audio-apparaat
    aansluiten.................................................291

    Extern apparaat aansluiten ................290
    Aansluiting...................................................290

    Extra verwarming...................................116

    Gebruik maken van
    stabiliteitsregeling................................151
    Gebruik van sneeuwkettingen...........236

    Extra verwarming diesel (afhankelijk van
    het land)....................................................118
    Parkeerverwarming....................................116

    Uitvoeringen met stabiliteitsregeling
    (ESP)........................................................237

    Extra voedingsaansluitingen................127

    F

    Gebruik van startkabels.......................224

    Functie voorgangerwaarschuwing
    (forward alert)......................................170

    Gebruik van veiligheidsgordels tijdens
    zwangerschap......................................35
    Gebruik van winterbanden.................236
    Gecodeerde sleutels..............................47
    Gemaksfuncties.....................................127
    Gevarendriehoek..................................196
    Glashouder ............................................128
    Gloeilampentabel....................................74

    Hulpstartkabels aansluiten.......................224
    Motor starten..............................................224

    Gevoeligheid voor de waarschuwingen
    instellen.....................................................171
    Het systeem in- en uitschakelen..............171

    322



  • Page 325

    Index
    Gloeilampen vervangen.........................66

    Hoofdsteunen........................................122

    Achterlichten - 4-deurs................................71
    Achterlichten - 5-deurs...............................70
    Bagageruimteverlichting,
    beenruimteverlichting en
    achterlicht..................................................73
    Derde remlicht..............................................73
    Interieurverlichting........................................73
    Kentekenplaatverlichting.............................73
    Koplampen....................................................67
    Naderingslicht...............................................69
    Voormistlichten.............................................70
    Zijknipperlicht................................................68

    Hoofdsteun instellen..................................122
    Hoofdsteun verwijderen............................123

    Hoogte van veiligheidsgordels
    afstellen..................................................34
    Houder satelliet-navigatie-unit............129
    Houder instellen..........................................129

    Hulpstartkabels
    Zie: Gebruik van startkabels.....................224

    I
    Immobilisatiesysteem inschakelen.......47
    Immobilisatiesysteem

    Gloeilampen vervangen
    Zie: Gloeilampen vervangen.......................66

    Zie: Motorstartblokkering............................47

    Golfband toets......................................256

    Immobilisatiesysteem uitschakelen.....47
    Infoberichten............................................96

    H

    Accu en laadsysteem..................................97
    Airbag.............................................................97
    Alarminstallatie..............................................97
    Automatische grootlichtregeling................97
    Bandenspanningcontrolesysteem..........108
    Berichtsymbolen..........................................96
    Bescherming van de inzittenden.............104
    Bestuurderswaarschuwing.......................100
    Controlefunctie blinde hoek.......................98
    Cruise control en adaptieve cruise control
    (ACC).........................................................99
    De motor inschakelen................................105
    Elektrisch bediend kinderslot.....................98
    Handrem......................................................104
    Hellingstart...................................................100
    Klimaatregeling.............................................98
    Lane keeping aid........................................102
    Low speed safety system.........................103
    Onderhoud..................................................103
    Portieren open..............................................99
    Sleutelloze toegang....................................101
    Stabiliteitsregeling (ESP)............................105
    Start/stop.....................................................106
    Startblokkeringssysteem..........................100
    Stuurbekrachtiging.....................................105
    Transmissie..................................................106
    Verlichting.....................................................102
    Vooruit- en achteruitrijbeveiliging.............104

    Handgeschakelde
    versnellingsbak....................................146
    De achteruit inschakelen...........................146

    Handmatige klimaatregeling................110
    Airconditioning..............................................111
    Gerecirculeerde lucht..................................111
    Interieur snel verwarmen............................111
    Toetsen voor luchtverdeling......................110
    Ventilatie.........................................................111
    Ventilator........................................................111

    Handmatig verstelbare stoelen...........121
    Hellingshoek van de rugleuning
    instellen....................................................122
    Hoogte van de bestuurdersstoel
    verstellen..................................................122
    Lendensteun instellen................................122
    Stoelen naar voren en achteren
    schuiven....................................................121

    Handrem
    Zie: Parkeerrem..........................................149

    Hill launch assist (HLA)
    Zie: Regeling voor bergop rijden
    gebruiken.................................................152

    HLA
    Zie: Regeling voor bergop rijden..............152

    HLA

    Infodisplays..............................................88

    Zie: Regeling voor bergop rijden
    gebruiken.................................................152

    Algemene informatie...................................88

    323



  • Page 326

    Index
    Informatiecentrum

    Kinderzitjes...............................................24

    Zie: Infodisplays............................................88

    Kinderzitjes voor verschillende
    gewichtsgroepen.....................................24

    Ingangsaansluiting (AUX IN)................266
    Inleiding audio-installatie......................248
    Inleiding........................................................7
    Inrijden.....................................................195

    Kleine lakschade repareren................223
    Klimaatregeling......................................109
    Werking........................................................109

    Banden.........................................................195
    Motor............................................................195
    Remmen en koppeling..............................195

    Klok..........................................................127
    Koplamphoogte afstellen......................62

    Instrumenten...........................................82
    Interieurverlichting...................................65

    Koplampsproeiers..................................55
    Kort overzicht...........................................10

    LED-interieurverlichting...............................65
    Sfeerverlichting.............................................65

    Automatische klimaatregeling....................20
    Elektrisch verstelbare stoelen....................22
    Handmatige klimaatregeling.......................19
    Handmatig verstelbare stoelen.................20
    Hoofdsteunen...............................................21
    Hoogte van veiligheidsgordels
    instellen.......................................................17
    Lichtschakelaar.............................................19
    Overzicht achterzijde exterieur...................16
    Overzicht instrumentenpaneel...................13
    Overzicht interieur..........................................11
    Overzicht voorzijde exterieur......................10
    Ruitenwissers en -sproeiers.......................18
    Sleutelloos starten........................................23
    Stuurwiel instellen..........................................17
    Vergrendelen en ontgrendelen..................17

    Aanbevolen regelknopstanden.................63

    Introductie navigatie ............................297
    Algemene informatie.................................295
    Auto's met CD-SD navigatiesysteem of
    Sony CD-SD navigatiesysteem...........298
    Auto's met mobiel
    navigatiesysteem...................................297

    iPod-aansluiting
    Zie: Extern apparaat aansluiten ..............290
    Zie: Extern apparaat aansluiten - Auto's met
    Bluetooth.................................................291

    iPod gebruiken .....................................293
    Bediening....................................................293
    Bediening van de audio-installatie..........294

    iPod
    Zie: iPod gebruiken ...................................293

    L

    ISOFIX verankeringspunten...................29
    Kinderzitje met een veiligheidsriem aan de
    bovenzijde bevestigen............................30
    Verankeringspunten aan de bovenzijde 4-deurs auto's..........................................29
    Verankeringspunten aan de bovenzijde alle auto's..................................................29

    Ladingsteunen
    Zie: Dakrekken en bagagedragers..........188

    Luchtroosters
    Zie: Ventilatieroosters.................................109

    M

    K

    Menu's audio-installatie.......................259
    Menu route-opties ..............................308

    Kaartupdates ........................................312
    Katalysator..............................................142

    Dynamisch..................................................308
    Eco instelling...............................................308
    Rijstijl.............................................................308
    Route...........................................................308
    Seizoenswegen.........................................309
    Snelweg.......................................................308
    Tol.................................................................309
    Veer/autotrein............................................309
    Vignet...........................................................309

    Rijden met een auto met
    katalysator...............................................142

    Kinder observatiespiegel ....................129
    Kindersloten.............................................30
    Elektrisch bediende kindersloten...............31
    Handmatig bediende kindersloten............30

    324



  • Page 327

    Index
    Meters.......................................................82

    Nooduitrusting.......................................196
    Nummer selecteren..............................261

    Brandstofpeilmeter......................................83
    Koelvloeistoftemperatuurmeter................83

    Type 2 en 3..................................................261

    Mistachterlichten.....................................62
    Mistlamp

    O

    Zie: Voorste mistlampen..............................61

    Monitor dode hoek ................................78

    Oliepeilstaaf - 1,6 l Duratec-16V Ti-VCT
    (Sigma).................................................216
    Oliepeilstaaf - 1,6 l Duratorq-TDCi (DV)
    diesel /2,0 l Duratorq-TDCi (DW) diesel
    ...............................................................217
    Oliepeilstaaf - 1,6L EcoBoost SCTi
    (Sigma).................................................216
    Onderdelen en accessoires....................7

    Gebruik van het systeem............................79
    Informatiesysteem dode hoek (BLIS).......78
    Registratiefouten..........................................80
    Systeem in- en uitschakelen......................80
    Systeemregistratie en
    -waarschuwingen....................................79

    Motorkapslot
    Zie: De motorkap openen en sluiten.......210
    Bijvullen.........................................................218
    Koelvloeistofpeil controleren....................217

    Kijk voor het Ford logo op de volgende
    onderdelen..................................................8
    Nu kunt u er zeker van zijn dat uw Ford
    onderdelen Ford onderdelen zijn.............7

    Motorolie controleren...........................217

    Onderhoud............................................209

    Bijvullen.........................................................217
    Het oliepeil controleren..............................217

    Algemene informatie.................................209
    Technische specificatie.............................220

    Motorstartblokkering..............................47

    Over deze handleiding..............................7
    Overzicht audio-installatie...................249
    Overzicht motorruimte - 1,6 l
    Duratec-16V Ti-VCT (Sigma)..............211
    Overzicht motorruimte - 1,6 l
    Duratorq-TDCi (DV) diesel ................214
    Overzicht motorruimte - 1,6L EcoBoost
    SCTi (Sigma)........................................212
    Overzicht motorruimte - 2,0 l
    Duratorq-TDCi (DW) diesel ..............215
    Overzicht navigatie-eenheid...............300

    Motorkoelvloeistof controleren...........217

    Werking..........................................................47

    Motor uitschakelen...............................136
    Auto's met turbocompressor...................136

    Motorverwarming..................................137
    MP3-aansluiting
    Zie: Extern apparaat aansluiten ..............290
    Zie: Extern apparaat aansluiten - Auto's met
    Bluetooth.................................................291

    MP3-bestand afspelen........................262
    Afspeelvolgorde van MP3
    bestanden..............................................263
    Bestandsformaten.....................................263
    Een multi session CD afspelen................263
    ID3 tag versie 2..........................................264
    ISO 9660 format........................................262
    MP3 navigatie.............................................264
    Multi session...............................................263

    Auto's met CD-SD
    navigatiesysteem...................................301
    Auto's met Sony CD-SD
    navigatiesysteem..................................303

    Overzicht navigatie-unit ......................300
    Overzicht van symbolen...........................7
    Symbolen in dit instructieboekje..................7
    Symbolen op uw auto....................................7

    MP3 weergave-opties.........................265
    Opties weergave CD tekst.......................265

    N
    Navigatiedata laden.............................304
    Navigatiedata laden...................................304

    Navigatiesysteem ................................308
    Nieuwsberichten...................................259

    325



  • Page 328

    Index

    P

    Regeling voor bergop rijden
    gebruiken.............................................152
    Alleen auto's met handgeschakelde
    versnellingsbak.......................................152
    Het systeem activeren..............................152
    Het systeem deactiveren..........................153

    Parkeerhulp
    Zie: Gebruik maken van de parkeerhulp Auto's met Parkeerhulp achteruit........154
    Zie: Gebruik maken van de parkeerhulp Auto's met Parkeerhulp voor en achter
    ...................................................................155

    Regeling voor bergop rijden................152
    Werking........................................................152

    Regionale modus (REG)......................260
    Reinigen van binnenzijde auto............223

    Parkeerhulp............................................154
    Werking........................................................154

    Achterruiten................................................223
    Instrumentenpaneelschermen,
    LCD-schermen, radioschermen.........223
    Veiligheidsgordels......................................223

    Parkeerrem............................................149
    Alle uitvoeringen..........................................149

    Passagiersairbag uitschakelen.............36
    Airbag aan passagierszijde
    inschakelen...............................................36
    Airbag aan passagierszijde
    uitschakelen..............................................36
    Schakelaar voor airbag aan
    passagierszijde monteren......................36

    Reinigen van buitenzijde auto.............222
    Achterruit reinigen.....................................222
    Chromen onderdelen reinigen................222
    Koplampen reinigen..................................222
    Onderhoud van de lak..............................222

    Persoonlijke instellingen.........................96

    Remmen.................................................149

    Gong uitschakelen.......................................96
    Maateenheden.............................................96
    Taal instellen..................................................96
    Temperatuureenheden...............................96

    Richtingaanwijzers..................................63
    Rijveiligheid ............................................295

    Plaatsen zekeringenhouders...............197

    Routeweergaven .................................309

    Zekeringenkast in motorruimte................197
    Zekeringenkast laadruimte........................197
    Zekeringkast in de passagiersruimte......197

    Kaartweergave..........................................309
    Kruispuntzoom...........................................309
    Navigatiedisplay.........................................309

    Plaatsing van kinderzitjes.......................25
    Programmeren van de
    afstandsbediening................................37

    Ruiten en spiegels...................................75
    Ruitensproeiers

    Een nieuwe afstandsbediening
    programmeren.........................................37
    Ontgrendelfunctie opnieuw
    programmeren.........................................37

    Ruitensproeiervloeistof
    controleren..........................................219
    Ruitenwisserbladen controleren..........56
    Ruitenwisserbladen vervangen............56

    Werking........................................................149

    Veiligheidsinformatie..................................296

    Zie: Ruitenwissers en ruitensproeiers.......53

    Achterruitwisserblad....................................57
    Voorruitwisserbladen...................................56

    R

    Ruitenwissers en ruitensproeiers.........53

    Regeling functie
    verkeersinformatie.............................258

    S

    Verkeersberichten beëindigen................258
    Verkeersberichten inschakelen...............258
    Volume van de verkeersberichten..........258

    Schuifdak
    Zie: Elektrisch zonnedak............................118

    Setup Bluetooth....................................268
    Eisen voor een Bluetooth
    verbinding...............................................268
    Telefoons bedienen...................................268

    326



  • Page 329

    Index
    Setup telefoon......................................269

    Snelheidsregeling

    Een andere Bluetooth telefoon
    aanmelden..............................................269
    Telefoonboek.............................................269
    Telefoonboekcategorieën........................269
    Van een telefoon een actieve telefoon
    maken.....................................................269

    Zie: Snelheidsregeling (cruise control).....164

    Specificatie-overzicht zekeringen......199
    Zekeringenkast in motorruimte................199
    Zekeringenkast laadruimte......................204
    Zekeringkast in de
    passagiersruimte...................................202

    Shuffle/random (door
    elkaar/willekeurig)...............................261

    Spiegels
    Zie: Ruiten en spiegels.................................75
    Zie: Verwarmde ruiten en spiegels...........115

    Type 1............................................................261
    Type 2 en 3..................................................261

    Sleeppunten..........................................207

    Spraakgestuurd regelsysteem
    gebruiken.............................................273

    Locatie sleepoog.......................................207
    Sleepoog aanbrengen..............................207

    Spraaklabel..................................................274
    Werking van het systeem.........................273

    Sleutelloos starten.................................134

    Spraaksturing...........................................52

    Contact aan.................................................134
    De motor afzetten bij rijdende auto.........136
    De motor afzetten bij stilstaande
    auto...........................................................135
    Een dieselmotor starten............................135
    Motor slaat niet aan....................................135
    Motor starten bij uitvoeringen met
    automatische transmissie.....................134
    Motor starten bij uitvoeringen met
    handgeschakelde
    versnellingsbak.......................................134

    Werking........................................................273

    Stabiliteits controle
    Zie: Gebruik maken van
    stabiliteitsregeling....................................151

    Stabiliteitsregeling..................................150
    Werking........................................................150

    Standverwarming
    Zie: Extra verwarming.................................116

    Start/stop knop gebruiken...................138
    Motor afzetten............................................138
    Motor starten..............................................139

    Sleutelloze toegang................................42

    Start/stop knop......................................138

    Algemene informatie...................................42
    Auto ontgrendelen.......................................44
    Auto vergrendelen.......................................43
    Passieve sleutel............................................43
    Portieren met de sleutelbaard
    vergrendelen en ontgrendelen..............45
    Uitgeschakelde sleutels..............................44

    Werking........................................................138

    Starten met hulpstartkabels
    Zie: Gebruik van startkabels.....................224

    Station afstemtoetsen.........................256
    DAB-service linking....................................256
    Handmatig afstemmen.............................256
    Scanfunctie.................................................257
    Zoeken........................................................256

    Sleutels en afstandsbediening..............37
    Sloten........................................................40
    Sneeuwkettingen

    Stoelen.....................................................121
    Storingen verhelpen
    audio-installatie...................................267
    Stuurwiel afstellen....................................51
    Stuurwielblokkering................................131

    Zie: Gebruik van sneeuwkettingen.........236

    Snelheidsbegrenzer gebruiken...........172
    Het systeem in- en uitschakelen..............172
    Ingestelde snelheidslimiet doelbewust
    overschrijden...........................................172
    Snelheidslimiet instellen.............................172
    Systeemwaarschuwingen.........................173

    Uitvoeringen met sleutelloos
    startsysteem............................................131
    Uitvoeringen zonder sleutelloos
    startsysteem............................................131

    Snelheidsbegrenzer .............................172

    Stuurwiel....................................................51

    Werking........................................................172

    Snelheidsregeling (cruise control)......164
    Werking........................................................164

    327



  • Page 330

    Index
    Systeem hulp bij blijven rijden op
    rijstrook gebruiken..............................180

    Tripcomputer...........................................95
    Actieradius tot de brandstoftank leeg
    is..................................................................95
    Buitentemperatuur.......................................95
    Gemiddeld brandstofverbruik....................95
    Gemiddelde snelheid..................................95
    Kilometerteller...............................................95
    Momentaan brandstofverbruik..................95
    Tripcomputer................................................95
    Tripcomputer resetten................................95

    Het systeem in- en uitschakelen.............180
    Systeemwaarschuwingen........................180

    Systeem hulp bij blijven rijden op
    rijstrook.................................................179
    Werking........................................................179

    Systeeminstellingen ............................305
    Audio-instellingen......................................306
    Klokinstellingen...........................................307
    Menustructuur - Informatie- en
    entertainmentdisplay - Alle
    auto's.......................................................306
    Menustructuur - Informatie- en
    entertainmentdisplay - Auto's met
    navigatiesysteem..................................305

    Typegoedkeuringen..............................313
    Certificaat voor Verenigde Arabische
    Emiraten...................................................315
    EU-verklaring...............................................315
    FCC/INDUSTRY CANADA NOTICE..........313
    Lasersensor.................................................314
    RX-42 - Conformiteitsverklaring..............313

    T

    U

    Tanken - Flex Fuel (FF, ethanol)..........144
    Tanken.....................................................144
    Tankklep..................................................142

    USB-apparaat gebruiken ....................291
    Bediening....................................................292
    Bediening van de audio-installatie..........292

    Tanken met een jerrycan..........................144

    Technische specificaties.....................243

    USB-poort..............................................129
    USB

    Technische specificatie.............................243

    Telefoon

    Zie: USB-apparaat gebruiken ..................291

    Zie: Gebruik maken van de telefoon ......270

    V

    Telefoon.................................................268
    Algemene informatie.................................268

    Tips voor het rijden met ABS

    Veiligheidsgordels vastmaken..............34
    Veiligheidsgordels

    Zie: Tips voor rijden met ABS....................149

    Tips voor het rijden................................195
    Tips voor rijden met ABS......................149
    TMC gebruiken ......................................311

    Zie: Veiligheidsgordels vastmaken............34

    Veiligheidsmaatregelen.........................141
    Veiligheidssysteem lage snelheid
    gebruiken.............................................185

    TMC berichten gebruiken..........................311
    Verkeersberichten.......................................311
    Verkeersberichten beëindigen..................311

    Het systeem in- en uitschakelen.............185

    Veiligheidssysteem lage snelheid.......184

    Traffic Message Channel
    (verkeersberichtenkanaal) ................311

    Werking........................................................184

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen......24
    Velgen en banden................................226

    Werking.........................................................311

    Transport.................................................186

    Algemene informatie.................................226
    Technische specificatie.............................238

    Algemene informatie..................................186

    Trekken van een aanhanger................191

    Ventilatie

    Steile hellingen.............................................191

    Zie: Klimaatregeling....................................109

    Ventilatieroosters...................................109
    Luchtrooster aan de zijkant.......................110
    Middelste luchtroosters.............................109

    328



  • Page 331

    Index
    Verbinding..............................................289

    Voorkeuzetoetsen................................257
    Voorruitsproeiers.....................................54
    Voorruitwissers........................................53

    Algemene informatie.................................289

    Vergrendelen en ontgrendelen............40
    Bevestiging van vergrendelen en
    ontgrendelen.............................................41
    De portieren van binnenuit vergrendelen
    en ontgrendelen.......................................41
    Dubbel vergrendelen...................................40
    Kofferdeksel/achterklep..............................41
    Ontgrendelen................................................40
    Portieren afzonderlijk met de sleutel
    vergrendelen.............................................41
    Vergrendelen................................................40

    Automatisch ruitenwissersysteem............53
    Intervalwissen...............................................53

    Voorste mistlampen................................61
    Voorzorgsmaatregelen voor koude
    weersomstandigheden.....................195

    W
    Waarschuwing rijden buiten baan
    gebruiken..............................................177

    Verkeersbordherkenning
    gebruiken.............................................182

    De gevoeligheid van het systeem
    instellen.....................................................177
    Het systeem in- en uitschakelen..............177
    Systeemwaarschuwingen.........................177
    Trillingsniveau in stuurwiel afstellen..........177

    Het systeem in- en uitschakelen.............182
    Snelheidswaarschuwing systeem
    instellen....................................................182
    Systeemdisplay...........................................182

    Waarschuwing rijden buiten baan......176

    Verkeersbordherkenning.....................182

    Werking........................................................176

    Werking........................................................182

    Verlichtingsbediening.............................58
    Grootlicht en dimlicht...................................58
    Home safe verlichting..................................59
    Lichtsignaal....................................................58
    Parkeerlichten...............................................58
    Standen van de lichtschakelaar.................58

    Verlichting.................................................58
    Versneld vooruit/achteruit....................261
    Versnellingsbak/transmissie................146
    Versnellingsbak
    Zie: Versnellingsbak/transmissie..............146

    Verwarmde ruiten en spiegels.............115
    Verwarmbare buitenspiegels....................115
    Verwarmbare ruiten....................................115

    Verwarmde stoelen..............................126
    Verwarming
    Zie: Klimaatregeling....................................109

    Verzorging van banden.......................236
    Verzorging van de auto.......................222
    Vloermatten ...........................................130
    Voertuigidentificatienummer
    (VIN)......................................................242
    Voertuig Identificatie Nummer (VIN)
    Zie: Voertuigidentificatienummer (VIN)....242

    Voertuigidentificatieplaatje...................241
    Voertuigidentificatie...............................241
    Volumeknop..........................................256

    329



  • Page 332

    Index
    Waarschuwings- en
    indicatielampen.....................................84

    Zitverhogers.............................................28
    Kinderzitje (groep 2)....................................28
    Zitverhoger (groep 3)..................................28

    Berichtsymbolen..........................................86
    Controlelamp 'Vorst'....................................85
    Controlelamp automatische
    snelheidsregeling.....................................84
    Controlelamp Elektronisch Stabiliteits
    Programma (ESP)....................................86
    Controlelamp Forward Alert.......................85
    Controlelamp grootlicht..............................85
    Controlelamp koplampen...........................85
    Controlelamp mistachterlicht.....................86
    Controlelamp mistlampen, vóór................85
    Controlelamp oliedruk.................................86
    Controlelamp voorgloeibougies................85
    Herinneringssysteem
    veiligheidsgordel......................................86
    Indicator dodehoekmonitor........................84
    Lamp remsysteem......................................84
    Richtingaanwijzers.......................................84
    Start/stop-indicatielamp.............................86
    Waarschuwingslamp ABS..........................84
    Waarschuwingslamp airbag.......................84
    Waarschuwingslamp laadstroom..............85
    Waarschuwingslamp laag
    brandstofniveau.......................................85
    Waarschuwingslamp motor.......................85
    Waarschuwing voor verlaten rijstrook (lane
    departure).................................................85

    Waarschuwingsknipperlichten..............63
    Waarschuwingssignaal
    veiligheidsgordel...................................35
    Herinneringssysteem uitschakelen...........35
    Herinneringssysteem veiligheidsgordel
    achter.........................................................35

    Wagen wassen
    Zie: Reinigen van buitenzijde auto..........222

    Wassen
    Zie: Reinigen van buitenzijde auto..........222

    Werking van de audio-installatie........256
    Winterbanden
    Zie: Gebruik van winterbanden...............236

    Z
    Zekeringen..............................................197
    Zijrichtingaanwijzers................................64

    330



  • Page 333



  • Page 334

    (CG3568nl)

    Feel the difference






Missbrauch melden von Frage und/oder Antwort

Libble nimmt den Missbrauch seiner Dienste sehr ernst. Wir setzen uns dafür ein, derartige Missbrauchsfälle gemäß den Gesetzen Ihres Heimatlandes zu behandeln. Wenn Sie eine Meldung übermitteln, überprüfen wir Ihre Informationen und ergreifen entsprechende Maßnahmen. Wir melden uns nur dann wieder bei Ihnen, wenn wir weitere Einzelheiten wissen müssen oder weitere Informationen für Sie haben.

Art des Missbrauchs:

Zum Beispiel antisemitische Inhalte, rassistische Inhalte oder Material, das zu einer Gewalttat führen könnte.

Beispielsweise eine Kreditkartennummer, persönliche Identifikationsnummer oder unveröffentlichte Privatadresse. Beachten Sie, dass E-Mail-Adressen und der vollständige Name nicht als private Informationen angesehen werden.

Forenregeln

Um zu sinnvolle Fragen zu kommen halten Sie sich bitte an folgende Spielregeln:

Neu registrieren

Registrieren auf E - Mails für Ford Focus - maart 2011 - aug 2011 wenn:


Sie erhalten eine E-Mail, um sich für eine oder beide Optionen anzumelden.


Holen Sie sich Ihr Benutzerhandbuch per E-Mail

Geben Sie Ihre E-Mail-Adresse ein, um das Handbuch zu erhalten von Ford Focus - maart 2011 - aug 2011 in der Sprache / Sprachen: Holländisch als Anhang in Ihrer E-Mail.

Das Handbuch ist 10,43 mb groß.

 

Sie erhalten das Handbuch in Ihrer E-Mail innerhalb von Minuten. Wenn Sie keine E-Mail erhalten haben, haben Sie wahrscheinlich die falsche E-Mail-Adresse eingegeben oder Ihre Mailbox ist zu voll. Darüber hinaus kann es sein, dass Ihr ISP eine maximale Größe für E-Mails empfangen kann.

Andere Handbücher von Ford Focus - maart 2011 - aug 2011

Ford Focus - maart 2011 - aug 2011 Bedienungsanleitung - Deutsch - 336 seiten

Ford Focus - maart 2011 - aug 2011 Bedienungsanleitung - Englisch - 301 seiten

Ford Focus - maart 2011 - aug 2011 Zusatzinformation - Holländisch - 2 seiten

Ford Focus - maart 2011 - aug 2011 Bedienungsanleitung - Französisch - 337 seiten


Das Handbuch wird per E-Mail gesendet. Überprüfen Sie ihre E-Mail.

Wenn Sie innerhalb von 15 Minuten keine E-Mail mit dem Handbuch erhalten haben, kann es sein, dass Sie eine falsche E-Mail-Adresse eingegeben haben oder dass Ihr ISP eine maximale Größe eingestellt hat, um E-Mails zu erhalten, die kleiner als die Größe des Handbuchs sind.

Ihre Frage wurde zu diesem Forum hinzugefügt

Möchten Sie eine E-Mail erhalten, wenn neue Antworten und Fragen veröffentlicht werden? Geben Sie bitte Ihre Email-Adresse ein.



Info