Zoom out
Zoom in
Vorherige Seite
1/186
Nächste Seite
Belangrijke gegevens bij het
tanken
07/2004 nl
Handleiding
FordFocus
FordService
FordService
Brandstof
Inhoud brandstoftank:
Benzinemotor: 55 liter
Dieselmotor: 52.7 liter
Euro ongelood
(minimum
octaangetal 95)
Dieselolie
Tank alleen dieselolie die voldoet
aan de specificatie EN590. Gebruik
geen RME (biodiesel).
Bandenspanning
Bij koude banden – in bar.
Normaal beladen met
ten hoogste drie
personen
Voor Achter
Motorolie
Vul nooit olie bij tot boven het
MAX-merkteken op de
oliepeilstaaf.
Viscositeit
Bandenmaat
Maximaal beladen met
meer dan drie
personen
Voor Achter
Motorkap openen. Draai het Ford embleem in de radiateurgrille naar boven.
Steek, om de motorkap te openen, de sleutel in het slot en draai hem eerst
linksom. Trek de motorkap iets omhoog en draai de sleutel volledig rechtsom.
Verwijder de sleutel direct na het openen van de motorkap en draai het Ford
embleem weer terug.
Klep van brandstofvulopening openen. Draai de sleutel rechtsom om de
klep te ontgrendelen. Open de klep volledig tot hij vergrendelt. Druk de tankdop
in en draai hem linksom terwijl u hem ingedrukt houdt.
Voor snelle informatie bij het tanken kunt u hieronder de specifieke gegevens
voor uw auto invullen. Deze zijn vermeld in het hoofdstuk Inhouden en
technische gegevens.
Euro ongelood
(minimum
octaangetal 91)
1

Brauchen Sie Hilfe? Stellen Sie Ihre Frage.

Forenregeln

Inhalt der Seiten


  • Page 1

    07/2004 nl

    Belangrijke gegevens bij het
    tanken
    Motorkap openen. Draai het Ford embleem in de radiateurgrille naar boven.
    Steek, om de motorkap te openen, de sleutel in het slot en draai hem eerst
    linksom. Trek de motorkap iets omhoog en draai de sleutel volledig rechtsom.
    Verwijder de sleutel direct na het openen van de motorkap en draai het Ford
    embleem weer terug.
    Klep van brandstofvulopening openen. Draai de sleutel rechtsom om de
    klep te ontgrendelen. Open de klep volledig tot hij vergrendelt. Druk de tankdop
    in en draai hem linksom terwijl u hem ingedrukt houdt.
    Voor snelle informatie bij het tanken kunt u hieronder de specifieke gegevens
    voor uw auto invullen. Deze zijn vermeld in het hoofdstuk Inhouden en
    technische gegevens.

    Brandstof

    Handleiding
    FordFocus

    Dieselolie

    Inhoud brandstoftank:
    Benzinemotor: 55 liter
    Dieselmotor: 52.7 liter

    Tank alleen dieselolie die voldoet
    aan de specificatie EN590. Gebruik
    geen RME (biodiesel).

    Euro ongelood
    (minimum
    octaangetal 95)

    Motorolie

    Euro ongelood
    (minimum
    octaangetal 91)

    Viscositeit

    Bandenspanning

    Vul nooit olie bij tot boven het
    MAX-merkteken op de
    oliepeilstaaf.

    Bandenmaat

    Bij koude banden – in bar.

    Normaal beladen met
    ten hoogste drie
    personen
    Voor

    FordService

    Achter

    Maximaal beladen met
    meer dan drie
    personen
    Voor

    Achter

    FordService



  • Page 2

    De afbeeldingen, technische informatie, gegevens en beschrijvingen in deze uitgave waren
    correct bij het ter perse gaan. Wij behouden ons het recht voor, in het kader van de
    voortdurende ontwikkelingen en technische vooruitgang, wijzigingen door te voeren.
    Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een automatisch
    gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch,
    mechanisch, door fotokopieën, opnamen, vertaling, hetzij op enig andere manier, zonder
    voorafgaande schriftelijke toestemming van Ford-Werke Aktiengesellschaft. Dit geldt ook
    voor gedeelten van deze handleiding en het gebruik ervan in andere publicaties.
    Ondanks alle aan deze uitgave bestede zorg om deze zo volledig en nauwkeurig mogelijk te
    maken, kunnen tussentijds wijzigingen worden doorgevoerd.
    In deze handleiding worden alle opties en uitrustingsniveaus behandeld die op uw Ford in
    Europa leverbaar zijn. Het kan dus voorkomen dat sommige punten niet voor uw auto van
    toepassing zijn.
    Belangrijk: Originele Ford onderdelen en accessoires zijn speciaal ontwikkeld voor Ford
    automobielen. Zij zijn derhalve perfect geschikt voor uw Ford.
    Wij wijzen erop dat niet-originele onderdelen en accessoires niet door Ford zijn onderzocht
    en goedgekeurd tenzij expliciet door Ford is aangegeven. Hoewel wij de ontwikkelingen op
    het gebied van autoproducten nauwlettend volgen, kunnen wij niet instaan voor de
    geschiktheid van deze producten. Ford is niet aansprakelijk voor eventuele schade die door
    het gebruik van dergelijke producten is veroorzaakt.
    E Copyright 2004
    Uitgegeven door Ford-Werke Aktiengesellschaft, Ford Customer Service Organisation
    Codenummer CG3321nl 07/2004



  • Page 3

    Inhoud

    Kennismaking met uw auto
    Inleiding

    2

    Instrumenten

    4

    Bedieningsorganen en uitrusting

    15

    Stoelen en veiligheidsuitrusting

    75

    Starten en rijden
    Starten

    95

    Rijden

    98

    Wat te doen bij pech

    114

    Belangrijke informatie en specificaties
    Onderhoud en verzorging

    145

    Inhouden en technische gegevens

    158

    Index

    179



  • Page 4

    Inleiding
    VOORWOORD
    Van harte gelukgewenst met uw nieuwe
    Ford. Neem alstublieft de tijd om uw
    auto goed te leren kennen door deze
    handleiding zorgvuldig te lezen. Hoe
    meer u van uw auto afweet, des te beter
    kunt u ermee omgaan. En dat komt de
    veiligheid, het rijplezier en het brandstofverbruik ten goede.
    In deze handleiding worden alle opties en uitrustingsniveaus beschreven
    die in Europa leverbaar zijn. Het kan
    dus voorkomen dat sommige punten
    niet van toepassing zijn voor uw auto.
    Bovendien is het mogelijk dat in deze
    handleiding accessoires worden beschreven die pas op een later tijdstip
    leverbaar worden of die uitsluitend in
    andere landen leverbaar zijn.

    2

    Door regelmatig onderhoud zorgt u ervoor dat uw Ford veilig blijft en zijn
    waarde behoudt. Een netwerk van meer
    dan 7 000 Ford dealers in heel Europa
    staat voor u klaar met professionele expertise op het gebied van service.
    De speciaal opgeleide monteurs van
    deze dealers kennen uw auto door en
    door en zijn vertrouwd met speciale
    testmethoden. Bovendien beschikken
    zij over alle gereedschappen en apparatuur om het onderhoud aan uw auto
    snel en vakkundig uit te voeren.
    Let erop dat u, wanneer u uw
    auto verkoopt, deze handleiding in het dashboardkastje legt. De
    handleiding vormt een onderdeel van
    de auto.



  • Page 5

    Inleiding
    VOOR UW VEILIGHEID EN TER
    BESCHERMING VAN HET MILIEU
    Waarschuwingssymbolen
    in deze handleiding
    Hoe kunt u uzelf en uw passagiers beschermen? Hoe voorkomt u schade aan
    uw auto? Aanwijzingen hiervoor zijn in
    deze handleiding gemarkeerd met een
    gevarendriehoek.
    Let op!
    Belangrijke informatie wordt ook gegeven wordt ook gegevens in de alinea’s
    die beginnen met de vetgedrukte woorden Let op!
    Waarschuwingssymbolen
    op uw auto
    Wanneer u dit symbool ziet,
    dient u de speciale instructies in het betreffende deel
    van deze handleiding te
    raadplegen alvorens iets aan te raken of
    af te stellen.

    INRIJDEN
    Vermijd te bruusk rijden tijdens de eerste 1 500 km. Wissel regelmatig van
    snelheid en schakel tijdig naar een hogere versnelling. Rijd niet met lage snelheid in een te hoge versnelling. Dit is
    noodzakelijk om het inloopproces van
    de onderdelen te bevorderen.
    Nieuwe banden hebben een afstand van
    ongeveer 500 km nodig om in te lopen.
    Tijdens deze periode kan de auto een
    wat afwijkende rijkarakteristiek vertonen. Rijd daarom gedurende de eerste
    500 km niet te bruusk.
    Vermijd - indien mogelijk - krachtig
    remmen gedurende de eerste 150 km in
    stadsverkeer en de eerste 1 500 km op
    snelwegen.
    Na de eerste 1 500 km kunt u de snelheid van uw auto geleidelijk opvoeren
    tot de toegestane waarden voor kruisen topsnelheid.
    Wij wensen u vele plezierige en schadevrije kilometers toe met uw nieuwe
    Ford.

    3



  • Page 6

    Instrumenten

    4



  • Page 7

    Instrumenten
    Plaats

    Beschrijving

    Zie blz.

    Hoogteverstelling koplamplichtbundels

    16

    Ontgrendelen bagageruimte

    16

    Richtingaanwijzers/ grootlicht

    32

    Instrumentengroep

    6

    Claxon

    32

    Ruitenwisserschakelaar
    Asbak/ aansteker
    Boordcomputer/ ST170 extra instrumentengroep

    33-34
    18
    20-22/
    13-14

    Ventilatieroosters

    23

    Waarschuwingsknipperlichten

    19

    Controlelamp immobilisatiesysteem

    69

    Digitale klok

    19

    Audio-installatie: zie de afzonderlijke handleiding

    -

    Verwarming/ ventilatie/ airconditioning

    23

    Achterruitverwarming

    20

    Voorruitverwarming

    19

    Contactslot

    31

    Automatische snelheidsregeling

    36

    Stuurwielverstelling

    31

    Afstandsbediening audio-installatie

    35

    Zekeringen
    Regelknop instrumentenverlichting
    Buitenverlichting, mistlampen, mistachterlichten

    127-132
    16
    15-16

    5



  • Page 8

    Instrumenten

    Standaard instrumentengroep

    ST170
    INSTRUMENTENGROEP
    De diverse instrumenten, waarschuwings- en controlelampen worden op de
    volgende pagina’s beschreven.

    6



  • Page 9

    Instrumenten
    Waarschuwingslamp motor
    (afhankelijk van het land en het
    motortype)

    Multifunctionele controlelamp:
    automatische transmissie/
    koelsysteem

    Deze lamp gaat branden wanneer het
    contact wordt aangezet. Direct na het
    aanslaan van de motor moet de lamp
    uitgaan.

    Bij het aanzetten van het contact
    (stand II), brandt deze controlelamp
    kort ter bevestiging dat het systeem
    operationeel is.

    Wanneer de lamp bij draaiende motor
    brandt, duidt dit op een storing. Laat
    dit zo spoedig mogelijk door een deskundige controleren.

    Gaat de lamp tijdens het rijden branden, dan duidt dit op een storing. Laat
    de auto door een deskundige controleren.

    Wanneer de lamp tijdens het rijden gaat
    knipperen, minder dan onmiddellijk
    snelheid. Wanneer de lamp blijft knipperen, trek dan niet snel op en vermijd
    hoge motortoerentallen. Laat uw auto
    onmiddellijk door een deskundige controleren.

    Raadpleeg voor meer informatie de rubrieken Automatische transmissie en
    Fail safe koelsysteem.
    Controlelamp airbag/ gordelspanner

    Bij het aanzetten van het contact
    (stand II), brandt deze controlelamp
    kort ter bevestiging dat het systeem
    operationeel is.
    Gaat de lamp tijdens het rijden branden, dan duidt dit op een storing. Laat
    dit zo spoedig mogelijk door een deskundige controleren.
    Raadpleeg voor meer informatie de rubriek Airbag.

    7



  • Page 10

    Instrumenten
    Controlelamp niet goed gesloten
    portieren

    Deze lamp brandt als één van de portieren of de bagageruimte niet goed is gesloten.

    Traction Control System (TCS)/
    Controlelamp Elektronisch
    Stabiliteits Programma (ESP)

    Controlelamp BTCS/ TCS

    Controlelamp richtingaanwijzers

    Controlelamp ESP
    Een plotselinge toename van de knipperfrequentie waarschuwt voor een defecte gloeilamp.
    Controlelamp grootlicht

    Het symbool in de controlelamp is afhankelijk van het type systeem waarmee de auto is uitgerust.
    Bij het aanzetten van het contact
    (stand II), brandt deze controlelamp
    kort ter bevestiging dat het systeem
    operationeel is.
    Tijdens het rijden knippert de lamp
    wanneer het systeem is geactiveerd
    (geldt niet voor BTCS).

    Deze controlelamp brandt wanneer het
    grootlicht is ingeschakeld of een lichtsignaal wordt gegeven.

    8

    Wanneer na het aanzetten van het contact de lamp niet gaat branden of continu tijdens het rijden brandt, duidt dit
    op een storing. Tijdens storingen wordt
    het systeem uitgeschakeld. Laat het
    systeem door een deskundige controleren.



  • Page 11

    Instrumenten
    Let op! Wanneer het systeem handmatig is uitgeschakeld door op de schakelaar van het Traction Control System
    (TCS)/ Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP) te drukken, gaat de controlelamp branden en blijft deze
    branden tot het systeem weer is ingeschakeld of het contact wordt afgezet.
    Let op! Het Brake Traction Control
    System (BTCS) kan niet worden uitgeschakeld.
    Raadpleeg voor meer informatie de rubrieken Traction Control System
    (TCS)/ Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP) en Schakelaar Traction Control System (TCS)/
    Elektronisch Stabiliteits Programma
    (ESP).
    Controlelamp laadstroom

    Deze lamp gaat branden wanneer het
    contact wordt aangezet. Direct na het
    aanslaan van de motor moet de lamp
    uitgaan.
    Wanneer dit niet het geval is of de lamp
    tijdens het rijden gaat branden, schakel
    dan alle onnodige stroomverbruikers uit
    en rijd onmiddellijk naar de dichtstbijzijnde deskundige.

    Controlelamp oliedruk

    Deze lamp gaat branden wanneer het
    contact wordt aangezet. Direct na het
    aanslaan van de motor moet de lamp
    uitgaan.
    Als deze lamp na het starten van de motor blijft branden of tijdens het rijden
    gaat branden, moet de auto onmiddellijk tot stilstand worden gebracht zodra
    dit veilig kan. Zet de motor af en controleer het oliepeil.
    Vul zo nodig meteen olie bij.
    Vervolg uw reis niet wanneer
    het oliepeil correct is, maar
    laat de motor door een deskundige
    controleren.

    Controlelamp laag brandstofpeil
    (uitvoeringen zonder boordcomputer)

    Wanneer deze lamp brandt, moet zo
    snel mogelijk brandstof worden getankt.

    9



  • Page 12

    Instrumenten
    Controlelamp remsysteem

    Controlelamp ABS

    Bij het aanzetten van het contact
    (stand II), brandt deze controlelamp
    kort ter bevestiging dat het systeem
    operationeel is.

    Bij het aanzetten van het contact
    (stand II), brandt deze controlelamp
    kort ter bevestiging dat het systeem
    operationeel is.

    Deze controlelamp blijft branden wanneer de handrem is aangetrokken.

    Gaat de lamp tijdens het rijden branden, dan duidt dit op een storing. Laat
    de auto door een deskundige controleren.

    Als de controlelamp na het
    loszetten van de handrem
    blijft branden of tijdens het rijden
    gaat branden, laat het systeem dan
    onmiddellijk door een deskundige
    controleren.

    10

    Het remsysteem (zonder ABS) blijft
    normaal functioneren.
    Belangrijke aanwijzingen voor het gebruik van het ABS kunt u vinden in het
    hoofdstuk Remmen.



  • Page 13

    Instrumenten
    Controlelampen remsysteem en
    ABS

    Controlelamp automatische
    snelheidsregeling

    Deze lamp brandt wanneer het snelheidsregelsysteem is ingeschakeld.

    Wanneer beide controlelampen tegelijkertijd branden, breng dan de auto
    tot stilstand zodra dit veilig kan. Laat
    voordat u de reis hervat het remsysteem eerst door een deskundige controleren.
    Verlaag geleidelijk uw snelheid.
    Druk het rempedaal voorzichtig in. Druk het rempedaal vooral niet
    abrupt in.

    Controlelamp voorgloeien
    (uitvoeringen met dieselmotor)

    Raadpleeg voor informatie over de bediening de rubriek Automatische snelheidsregeling.
    Controlelamp overdrive
    (automatische transmissie)

    De controlelamp brandt wanneer de
    keuzehendel in stand D staat en de
    overdrive is uitgeschakeld.
    Raadpleeg voor meer informatie de rubriek Automatische transmissie.
    Temperatuurmeter

    Deze lamp gaat branden wanneer het
    contact wordt aangezet. Schakel de
    startmotor niet in zolang deze lamp
    brandt.
    Knippert de lamp tijdens het rijden, dan
    duidt dit op een storing. Laat dit zo
    spoedig mogelijk door een deskundige
    controleren.

    Bij normale bedrijfstemperatuur bevindt de wijzer zich in het centrale gedeelte.

    Raadpleeg voor meer informatie het
    hoofdstuk Starten.

    11



  • Page 14

    Instrumenten
    Wanneer de wijzer in het rode gebied
    komt, treedt het Fail Safe systeem van
    het koelsysteem in werking. Dit systeem zorgt ervoor dat met een leeg
    koelsysteem nog enige tijd kan worden
    doorgereden.

    Snelheidsmeter

    Bovendien brandt de multifunctionele
    controlelamp: automatische transmissie/ koelsysteem.
    Raadpleeg voor meer informatie de rubriek Fail Safe koelsysteem.

    Dagteller
    Kilometerteller

    Toerenteller

    Terugstelknop
    Kilometerteller
    De kilometerteller geeft het totale aantal gereden kilometers aan.
    Dagteller
    De dagteller kan worden gebruikt om
    de lengte van een bepaald traject te registreren. Druk op de toets om de teller
    terug te stellen

    12



  • Page 15

    Instrumenten
    Brandstofmeter

    Oliedrukmeter

    Leeg

    De pijl naast het symbool van de benzinepomp duidt aan, aan welke zijde zich
    de brandstofvulklep bevindt.
    EXTRA INSTRUMENTENGROEP
    ST170

    Deze meter geeft de oliedruk tot de
    aanbevolen veilige maximum waarde
    van 5 bar aan.
    Tijdens het rijden is de oliedruk afhankelijk van het motortoerental, de druk
    stijgt wanneer het motortoerental toeneemt en daalt wanneer het toerental
    afneemt.
    Rijden terwijl de wijzer van de oliedrukmeter continu het bovenste gebied van
    de schaal aanwijst, kan beschadiging
    van de motor tot gevolg hebben.

    Oliedrukmeter
    Olietemperatuurmeter
    Waarschuwingslamp vorst
    (zie bladzijde 14)

    Wanneer de oliedruk tot onder de normale waarde afneemt, zakt de wijzer
    van de oliedrukmeter naar de onderzijde van de schaalverdeling en gaat de
    oliedrukcontrolelamp branden. Stop zodra dit veilig kan en zet de motor onmiddellijk af. Controleer het oliepeil en
    vul zo nodig olie bij.
    Raadpleeg voor meer informatie de rubriek Motoroliepeilstaaf.

    13



  • Page 16

    Instrumenten
    Olietemperatuurmeter

    Extra instrumentengroep ST170
    Bij het aanzetten van het contact
    (stand II), branden deze lampen kort.
    Geeft de temperatuur van de motorolie
    aan.

    Laag vloeistofpeil ruitensproeiers

    Wanneer de olie op bedrijfstemperatuur
    is, staat de wijzer in het gebied ’normaal’. Wanneer de wijzer in het rode
    gebied komt, is de motor oververhit.
    Stop zodra dit veilig kan, zet de motor
    onmiddellijk af en laat de motor afkoelen.

    Geeft aan dat het peil van de ruitensproeiervloeistof laag is. Vul zo snel mogelijk vloeistof bij.

    Deze meter geeft de temperatuur van
    de motorolie aan, niet het oliepeil.

    Waarschuwingslamp vorst

    EXTRA WAARSCHUWINGSLAMPEN

    Bij buitentemperaturen lager dan +5 ºC
    waarschuwt het oranje symbool voor
    mogelijk opvriezen van het wegdek.

    Boordcomputer

    Bij temperaturen lager dan +1 ºC wordt
    de waarschuwingslamp in de ST170
    rood.
    Zelfs wanneer de temperatuur
    tot boven +4 ºC is gestegen,
    betekent dit nog niet dat de weg vrij
    is van gevaren, die door snel veranderende weersomstandigheden kunnen worden veroorzaakt.

    14



  • Page 17

    Bedieningsorganen en uitrusting
    BEDIENINGSORGANEN OP HET
    INSTRUMENTENPANEEL

    Mistlampen, vóór

    Lichtschakelaar
    Wanneer bij ingeschakelde verlichting
    het contact wordt afgezet, gaat de interieurverlichting branden. Bovendien
    klinkt bij het openen van het bestuurdersportier een akoestisch signaal.

    Schakel de verlichting in en trek de
    schakelaar één stand uit.

    Verlichting uitgeschakeld
    Stads- en achterlichten

    Wanneer de mistlampen zijn ingeschakeld, brandt de controlelamp. De mistlampen mogen alleen worden gebruikt
    wanneer het zicht ernstig wordt belemmerd door mist, sneeuw of regen.

    Koplampen
    Parkeerlichten
    Indrukken en één stand naar links
    draaien.

    15



  • Page 18

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Mistlampen en
    mistachterlichten

    Bagageruimte elektrisch
    ontgrendelen

    Druk op de toets om de bagageruimte
    te openen.
    Regelknop instrumentenverlichting

    Schakel de verlichting in en trek de
    schakelaar twee standen uit.
    Bij auto’s die niet zijn voorzien van
    mistlampen kan de schakelaar slechts
    één stand worden uitgetrokken.

    Regelknop hoogteverstelling
    koplamplichtbundels

    Wanneer de mistlampen en mistachterlichten zijn ingeschakeld branden beide
    controlelampen.
    De mistachterlichten mogen
    alleen worden gebruikt wanneer het zicht minder dan 50 meter
    bedraagt en mogen niet worden ingeschakeld bij regen of sneeuwval.

    16

    De hoogte van de koplamplichtbundels
    kan worden aangepast aan de belading
    van de auto.



  • Page 19

    Bedieningsorganen en uitrusting

    Zonder hoogteverstelling van de koplamplichtbundels
    Met hoogteverstelling van de koplamplichtbundels
    Aanbevolen regelknopstanden
    Belading
    Aantal personen

    Regelknopstand
    Gewicht in de
    bagageruimte 1

    3-/5-deurs

    4-deurs

    Wagon





    0

    0

    0

    2





    0

    0

    0

    2

    3



    1,0

    1,0

    1,0

    2

    3

    max.1

    1,5

    1,5

    1,5

    1



    max.1

    2,5

    2,5

    2,5

    Voorstoelen

    Achterbank

    1

    1 Wagengewichten kunt u vinden in het hoofdstuk
    Inhouden en technische gegevens.

    Tijdens het rijden met een aanhanger kunnen hogere regelknopstanden (+1) noodzakelijk zijn.

    17



  • Page 20

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Aansteker

    Houd de aansteker nooit met
    de hand ingedrukt met het oog
    op brandgevaar. Verwijder de aansteker wanneer kinderen alleen in de
    auto achterblijven.

    De aansluiting voor de aansteker en tevens elektrisch aansluitpunt kan ook
    worden gebruikt voor het aansluiten
    van accessoires van 12 volt en maximaal
    10 ampère. Wanneer de motor niet
    draait, wordt door het gebruik hiervan
    de accu ontladen. Druk bij uitvoeringen
    zonder aansteker de beide zijkanten
    van het kapje op de elektrische aansluiting in en verwijder het.
    Gebruik voor het aansluiten van
    stroomverbruikers alleen de speciale
    stekker uit het Ford Accessoires Programma die bij elke Ford dealer verkrijgbaar is.
    Asbak, voor

    De aansteker wordt ingeschakeld door
    hem in te drukken. Bij het bereiken van
    de juiste temperatuur springt de aansteker in de uitgangspositie terug. De
    aansteker werkt ook bij afgezet contact.
    Elektrisch aansluitpunt

    Trekken om te openen.
    Druk, om de asbak te ledigen, het deksel naar beneden en verwijder de asbak.

    18



  • Page 21

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Schakelaar
    waarschuwingsknipperlichten

    Voor- en achterruitverwarming
    Voor het snel ontdooien en ontwasemen
    van de voor- en achterruit. Schakel het
    systeem alleen in wanneer het noodzakelijk is.
    Schakelaar voorruitverwarming

    Druk op de schakelaar om de het systeem in of uit te schakelen. De waarschuwingsknipperlichten werken ook
    wanneer het contact is afgezet.

    Uitvoeringen met handbediende
    airconditioning

    Digitale klok

    Uitvoeringen met elektronische
    temperatuurregeling

    Zet eerst het contact aan.
    Druk op de H (uren) of M (minuten)
    toetsen om de klok gelijk te zetten. Telkens wanneer een toets wordt ingedrukt, wordt het cijfer met één
    verhoogd. Wilt u de klok snel vooruitzetten, houd dan de betreffende toets
    ingedrukt.
    Druk voor het kiezen van de 12- of
    24-uurs cyclus beide toetsen tegelijk in
    en laat ze vervolgens weer los.

    Het systeem werkt alleen bij draaiende
    motor. Druk op de schakelaar om de het
    systeem in of uit te schakelen.
    Na korte tijd schakelt het verwarmingssysteem automatisch uit.

    19



  • Page 22

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Schakelaar achterruitverwarming

    BOORDCOMPUTER

    Uitvoeringen met handbediende
    airconditioning

    Uitvoeringen met elektronische
    temperatuurregeling

    Bij aangezet contact zijn de volgende
    functies beschikbaar:
    • Buitentemperatuur
    • Gemiddelde snelheid
    • Momentaan brandstofverbruik
    • Gemiddeld brandstofverbruik
    • Actieradius
    Toetsen
    Info-toets

    Zet eerst het contact aan.
    Druk op de schakelaar om de het systeem in of uit te schakelen.
    De elektrisch bedienbare buitenspiegels
    zijn eveneens voorzien van een verwarmingselement. Wanneer de achterruitverwarming wordt ingeschakeld,
    worden ook de buitenspiegels verwarmd.
    Na korte tijd schakelt het verwarmingssysteem automatisch uit.

    20

    Druk op deze toets om van functie te
    veranderen.
    Stel omwille van de verkeersveiligheid de functies alleen in
    wanneer de auto stilstaat.



  • Page 23

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Select-toets

    Buitentemperatuur

    Druk op deze toets om van metrische
    eenheden te veranderen naar Engelse
    eenheden.

    Geeft de buitentemperatuur weer. Onder de volgende omstandigheden klinkt
    een kort akoestisch signaal:
    +4 ºC of lager: waarschuwing voor opvriezen
    0 ºC of lager: waarschuwing voor ijsvorming.

    Reset-toets

    Zelfs wanneer de temperatuur
    boven +4 ºC is gestegen, betekent dit nog niet dat de weg vrij is
    van gevaren, die door snel veranderende weersomstandigheden kunnen
    worden veroorzaakt.

    Gemiddelde snelheid
    Indrukken om de functie op nul terug te
    stellen (indien van toepassing).
    Geeft de gemiddelde snelheid aan gemeten over de laatste 1 000 km of vanaf het
    moment dat de meter het laatst werd
    teruggesteld. Druk op de reset-toets om
    de meter op nul terug te stellen.

    21



  • Page 24

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Momentaal brandstofverbruik

    Afstand tot tank leeg is

    Momentaan brandstofverbruik. Door
    frequent te meten is de computer in
    staat onmiddellijk te reageren op veranderingen in de rijomstandigheden. Onder bepaalde omstandigheden kan dit
    echter grote verschillen op het display
    tot gevolg hebben.

    Geeft de afstand weer die bij benadering kan worden afgelegd met de nog in
    de tank aanwezige hoeveelheid brandstof. De waarde zal variëren naarmate
    de rijomstandigheden veranderen.

    Gemiddeld brandstofverbruik

    Geeft het gemiddelde brandstofverbruik aan vanaf het moment waarop de
    meter op nul werd gezet.
    Druk op elk willekeurig moment op de
    reset-toets om het gemiddelde brandstofverbruik opnieuw in te stellen.

    22

    Een kort akoestisch signaal klinkt bij de
    volgende afstanden: 80 km,
    40 km, 20 km, 0 km.



  • Page 25

    Bedieningsorganen en uitrusting
    VERWARMING, VENTILATIE EN
    AIRCONDITIONING
    Buitenlucht

    Ventilatieroosters
    Dicht

    Open
    Op

    Houd de luchtroosters onder de voorruit altijd vrij van sneeuw, bladeren,
    enz. opdat het systeem optimaal kan
    functioneren.
    Luchtrecirculatie
    Wanneer de recirculatiestand is geselecteerd, wordt de lucht die zich in het
    passagierscompartiment bevindt gerecirculeerd. Er stroomt geen buitenlucht
    de auto in.
    Let op! Het verdient geen aanbeveling
    de lucht langer dan 30 minuten te laten
    recirculeren omdat de lucht dan niet
    wordt ververst en de ruiten kunnen beslaan.
    Pollenfilter/ actief koolfilter
    Het pollenfilter verwijdert de meeste
    potentieel schadelijke deeltjes, zoals
    pollen, industriële luchtverontreiniging
    en straatvuil uit de lucht voordat deze
    het interieur binnenstroomt. Het actief
    koolfilter verwijdert onaangename
    geurtjes.
    In een automatische wasstraat verdient
    het aanbeveling de aanjager uit te schakelen om te voorkomen dat zich deeltjes was in het filter verzamelen.
    Aanjager

    Links

    Rechts

    Neer

    Verwarming
    De mate van verwarmingis afhankelijk
    van de koelvloeistoftemperatuur. Daardoor kan de verwarming alleen effectief
    werken wanneer de motor warm is.
    Airconditioning
    De lucht wordt door de warmtewisselaar geleid waar deze wordt gekoeld
    wanneer de airconditioning is ingeschakeld. Bovendien wordt vocht aan de
    lucht onttrokken om de ruiten vrij van
    condens te houden.
    Het condenswater wordt naar buiten
    afgevoerd. Daarom is het normaal dat
    wanneer u de auto parkeert zich een
    plasje water onder de auto vormt.
    Let op! De airconditioning werkt alleen
    bij temperaturen boven +4 ºC, draaiende motor en ingeschakelde aanjager.
    Het inschakelen van de airconditioning
    heeft een hoger brandstofverbruik tot
    gevolg.

    De aanjagermotor kan wat lawaai veroorzaken.

    23



  • Page 26

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Algemene opmerkingen over het
    regelen van het klimaat in de auto
    Sluit alle ruiten volledig.
    Om het interieur effectief te verwarmen
    moet de verwarmde lucht op de beenruimte worden gericht. Richt bij koud of
    vochtig weer een gedeelte van de luchtstroom op de voor- en zijruiten.

    Om de aanjager met een hogere snelheid te laten draaien moet de aanjagerschakelaar in een hogere stand worden
    geplaatst.
    Bij uitgeschakelde aanjager kan de
    voorruit beslaan.
    Luchtverdeelknop

    Richt, om het interieur effectief te koelen, de gekoelde lucht op hoofdniveau.
    TOETSEN
    Temperatuur instellen
    Temperatuur
    Met deze knop regelt u de luchtverdeling als volgt:
    Hoofdniveau
    Koud

    Warm

    Aanjager

    Hoofdniveau en beenruimte
    Beenruimte
    Beenruimte en voorruit
    Voorruit
    Een klein gedeelte van de luchtstroom
    wordt altijd naar de voorruit geleid.
    De luchtverdeelknop kan ook tussen de
    symbolen worden geplaatst.

    De aanjager draait niet in de stand 0.

    24



  • Page 27

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Luchtrecirculatie

    Snelle verwarming van het interieur

    Druk op de toets om te kiezen tussen
    toevoer van buitenlucht en het recirculeren van de in het interieur aanwezige
    lucht.

    Ventilatie

    Voorruit ontdooien/ ontwasemen

    Draai de luchtverdeelknop in de stand
    of de stand
    en de aanjagerschakelaar in een willekeurige stand. Open de
    midden- en zijroosters al naar gelang de
    behoefte.
    De recirculatiefunctie wordt automatisch uitgeschakeld. Schakel zo nodig
    de voor- en achterruitverwarming in.

    25



  • Page 28

    Bedieningsorganen en uitrusting
    HANDBEDIENDE
    AIRCONDITIONING

    Snel afkoelen van het interieur

    Airconditioning in- en uitschakelen

    Druk om te koelen op de A/C schakelaar. De lamp in de schakelaar brandt
    wanneer het systeem is ingeschakeld.

    Voorruit ontdooien/ ontwasemen

    Wanneer de aanjagerschakelaar in de
    stand 0 wordt gezet, schakelt de airconditioning uit. Wanneer de aanjager weer
    wordt aangezet, schakelt de airconditioning automatisch weer in.
    Koelen met buitenlucht
    Buitenlucht stroomt het interieur binnen. Zolang de luchtverdeelknop in de
    staat, kan de recirculatiefuncstand
    tie niet worden ingeschakeld en wordt
    de airconditioning automatisch ingeschakeld. In dit bijzondere geval gaat
    het A/C controlelampje in de schakelaar
    niet branden. Let erop dat de aanjager
    aanstaat.

    26



  • Page 29

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Luchtvochtigheid verlagen in de
    stand

    De aanbevolen systeeminstellingen voor
    alle seizoenen zijn 22 ºC en de AUTO
    modus (de airconditioning is ingeschakeld).
    Individuele voorkeuren kunnen zo nodig worden ingesteld.
    Verander de instellingen niet wanneer
    het interieur extreem warm of koud is.
    De elektronische temperatuurregeling
    past deze automatisch aan de huidige
    omstandigheden aan.

    De airconditioning onttrekt vocht aan
    de lucht en de ruiten worden sneller
    ontwasemd.

    Om het systeem correct te laten werken moeten de midden- en zijroosters
    volledig zijn geopend.

    ELEKTRONISCHE
    TEMPERATUURREGELING

    De sensor die de interieurtemperatuur
    meet is onder de temperatuurregelknop
    en de aanjagerschakelaar aangebracht
    en mag niet worden afgedekt.
    Als het systeem bij lage buitentemperaturen in de AUTO modus staat, wordt
    de lucht zolang de motor koud is naar
    de voorruit en de zijruiten geleid.

    De temperatuur, de hoeveelheid lucht
    en de luchtverdeling worden automatisch geregeld en afgesteld afhankelijk
    van de rij- en weersomstandigheden.
    Door de AUTO toets eenmaal in te
    drukken wordt de AUTO modus geactiveerd.

    27



  • Page 30

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Temperatuur instellen

    Handmatige bediening van de
    elektronische temperatuurregeling
    Aanjager

    Blauwe toets: temperatuur verlagen.
    Rode toets: temperatuur verhogen.
    De aanbevolen standaard instelling is
    22 ºC.

    Druk op de toets om het aanjagertoerental te verlagen.

    Met behulp van de schakelaar kan de
    individuele temperatuur worden ingesteld tussen 16 ºC en 28 ºC. In de stand
    LO (lager dan 16 ºC) schakelt het systeem over op continu koelen, in de
    stand HI (boven 28 ºC) op continu verwarmen en wordt de temperatuur niet
    geregeld.

    Druk op de toets om het aanjagertoerental te verhogen.

    28

    De instelling van de aanjager wordt op
    het display weergegeven.



  • Page 31

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Luchtverdeling

    Druk op de gewenste toets om de luchtverdeling in te stellen. Elke combinatie
    en
    kan tegevan de standen ,
    lijk worden gekozen.
    Hoofdniveau
    Beenruimte
    Voorruit
    Wanneer wordt gekozen, schakelen
    ,
    en
    automatisch uit en schakelt de airconditioning in. Buitenlucht
    stroomt het interieur binnen. De recirculatiestand kan niet worden gekozen.

    Voorruit ontdooien/ ontwasemen

    Draai de luchtverdeelknop in de stand
    . Buitenlucht stroomt nu het interieur
    in. De airconditioning wordt automatisch
    ingeschakeld. Zolang de luchtverdeelknop in stand staat, kan de recirculatiestand niet worden gekozen. Het
    aanjagertoerental en de temperatuurregeling werken automatisch en kunnen
    niet met de hand worden bediend. De
    aanjager gaat met het maximum toerental draaien en de temperatuur wordt in
    de stand HI gezet.
    Wanneer is gekozen, schakelen de
    voor- en achterruitverwarming automatisch in.
    Om de AUTO modus weer te activeren
    moet u op AUTO of de toets(en) drukken waarvan de controlelamp brandt.

    29



  • Page 32

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Airconditioning in- en uitschakelen

    Automatische luchtrecirculatie
    Wanneer het systeem in de AUTO modus staat en de binnen- en buitentemperaturen tamelijk hoog zijn, kiest het
    temperatuurregelsysteem automatisch
    de recirculatiestand om de lucht in het
    interieur zo snel mogelijk af te koelen.

    Druk op de A/C toets om de airconditioning in/uit te schakelen.
    Luchtrecirculatie

    Druk op de schakelaar voor luchtrecirculatie om te kiezen tussen toevoer van
    buitenlucht en luchtrecirculatie.

    Zodra de ingestelde temperatuur is bereikt, schakelt het systeem automatisch
    over naar toevoer van buitenlucht. De
    controlelamp in de toets brandt niet
    wanneer de elektronische temperatuurregeling is ingeschakeld.
    Elektronische temperatuurregeling
    uitschakelen

    Druk op OFF om de elektronische temperatuurregeling uit te schakelen.
    Als de toets voor luchtrecirculatie ook
    wordt ingedrukt, stroomt geen buitenlucht meer de auto in.
    Druk op een willekeurige toets (met uitzondering van de toets voor luchtrecirculatie en die van de voor- en
    achterruitverwarming) om de elektronische temperatuurregeling weer in te
    schakelen.

    30



  • Page 33

    Bedieningsorganen en uitrusting
    BEDIENINGSORGANEN AAN DE
    STUURKOLOM
    Stuurslot/ contactslot

    Stuurwiel verstellen
    Verstel het stuurwiel nooit wanneer de auto in beweging is.

    0 Contact af.
    Als de sleutel uit het contactslot wordt
    genomen treedt het stuurslot in werking en kan het stuurwiel niet meer
    worden gedraaid.
    Bij uitvoeringen met automatische
    transmissie kan de contactsleutel alleen
    in de stand 0 worden teruggedraaid
    wanneer de keuzehendel in de parkeerstand P staat.
    I Stuurwiel ontgrendeld. De ontsteking en alle overige elektrische circuits
    zijn uitgeschakeld.
    Om het ontladen van de accu te voorkomen mag het contactslot niet te lang in
    deze stand blijven staan.
    II Contact aan, alle elektrische circuits
    zijn ingeschakeld. De waarschuwingsen controlelampen branden. Deze stand
    is de normale rijstand die ook moet
    worden gekozen tijdens het slepen van
    de auto.

    Druk de hendel naar beneden om het
    stuurwiel in de hoogte en de lengte te
    verstellen.
    Breng de hendel weer in zijn oorspronkelijke stand om de stuurkolom te vergrendelen.
    Raadpleeg voor meer informatie over de
    juiste zitpositie de rubriek Stoelen.

    III Startmotor ingeschakeld. Laat de
    sleutel los zodra de motor aanslaat.
    Draai nooit de sleutel in de
    stand 0 zolang de auto nog in
    beweging is.

    31



  • Page 34

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Claxon

    Beweeg de hendel kort omhoog of omlaag waarna de richtingaanwijzer drie
    keer knippert.
    Grootlicht/ dimlicht

    Trek bij ingeschakelde koplampen de
    hendel naar het stuurwiel om af te wisselen tussen grootlicht en dimlicht.
    Lichtsignaal
    De claxon werkt ook bij afgezet contact.
    Multifunctionele schakelaar

    Trek de hendel iets naar het stuurwiel.
    Info-toets

    De volgende functies kunnen alleen
    worden ingeschakeld wanneer het contact aanstaat.
    Richtingaanwijzers
    Raadpleeg voor meer informatie over de
    bediening de rubriek Boordcomputer.

    32



  • Page 35

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Ruitenwisserschakelaar

    Achterruit

    De volgende functies kunnen alleen
    worden ingeschakeld wanneer het contact aanstaat.

    • Wissen met intervallen

    Voorruit
    • Standen van de hendel:
    Beweeg de schakelaarhendel naar het
    stuurwiel.
    • Wissen tijdens achteruitrijden
    Wanneer de achterruitwisser niet is ingeschakeld maar de voorruitwissers
    wissen met intervallen, normale of hoge
    wissnelheid, en de achteruit wordt ingeschakeld, volgt de achterruitwisser de
    beweging van de voorruitwissers (met
    intervallen of normale wissnelheid).
    Eenmalig wissen
    Intervalwissen
    Normale wissnelheid
    Hoge wissnelheid

    Draaischakelaar intervalfunctie:
    1 = Korte intervallen
    6 = Lange intervallen

    33



  • Page 36

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Sproeiers

    Nadat de wis/sproeicyclus is voltooid
    pauzeren de ruitenwissers kortstondig
    om daarna nog één wisbeweging te
    maken.
    Bij ingeschakelde koplampen treden
    dan ook de koplampsproeiers in werking (afhankelijk van land en uitvoering).
    Na het loslaten van de knop blijven de
    ruitenwissers nog enige tijd werken.
    Schakel de ruitensproeiers niet
    langer dan tien seconden achtereen in; schakel de ruitensproeiers
    nooit in als het reservoir leeg is.

    Wanneer de knop op het uiteinde van
    de hendel wordt ingedrukt of wanneer
    de hendel naar het stuurwiel wordt getrokken treden de ruitensproeiers in
    combinatie met de ruitenwissers in
    werking.

    34



  • Page 37

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Afstandsbediening audio-installatie
    Selecteer de radio, CD of cassettemodus op de audio-installatie.

    • In de CD modus wordt het volgende
    of vorige nummer gekozen.
    Modus

    Met de afstandsbediening kunnen de
    volgende functies worden bediend:
    Volume

    Druk de " toets op de zijkant kort in:

    Meer volume: trek de VOL + schakelaar
    naar het stuurwiel.
    Minder volume: trek de VOL - schakelaar naar het stuurwiel.
    Zoekfunctie

    • In de radio modus wordt afgestemd
    op het volgende voorgeprogrammeerde
    radiostation.
    • In de CD modus de volgende CD gekozen wanneer een CD-wisselaar is gemonteerd.
    De CD-wisselaar is onder de passagiersstoel gemonteerd.
    • In alle modi is nu de verkeersinformatie uitgeschakeld.
    Houd de " toets aan de zijkant ingedrukt:
    • Om in de radio modus van golfband
    te wisselen.

    Beweeg de SEEK schakelaar naar het
    stuurwiel of het instrumentenpaneel:
    • In de radio modus wordt afgestemd
    op het volgende radiostation dat op een
    hogere of lagere frequentie uitzendt.

    35



  • Page 38

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Automatische snelheidsregeling
    Schakel de automatische snelheidsregeling niet in onder
    drukke verkeersomstandigheden, op
    trajecten met veel bochten en op
    gladde wegen.

    De controlelamp op het instrumentenpaneel brandt.
    Snelheid wijzigen

    Inschakelen

    Druk op de
    te voeren.

    toets om de snelheid op

    Druk op de – toets om snelheid te minderen.
    De rijsnelheid verandert zonder het
    gaspedaal in te drukken.
    De ingestelde snelheid wordt de
    nieuwe, in het geheugen opgeslagen
    snelheid.

    Het systeem kan een snelheid opslaan.
    Snelheid in het geheugen opslaan

    De rijsnelheid kan licht worden gewijzigd door de betreffende schakelaar enkele malen kort achtereen in te
    drukken.
    Tijdelijk uitschakelen of opnieuw
    inschakelen

    Druk op de of – schakelaar. De automatische snelheidsregeling handhaaft
    de actuele snelheid van de auto.
    De automatische snelheidsregeling
    treedt pas in werking wanneer de rijsnelheid hoger is dan 45 km/h.

    Druk om de automatische snelheidsregeling uit te schakelen het rem- of koppelingspedaal in of druk op de =
    schakelaar. De controlelamp in de instrumentengroep gaat uit.
    Druk op de = toets om de automatische
    snelheidsregeling weer in te schakelen
    en met de laatst opgeslagen snelheid te
    gaan rijden.

    36



  • Page 39

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Uitschakelen

    Bij sommige modellen blijft de interieurverlichting na het sluiten van de
    portieren nog enige tijd branden wanneer de schakelaar in de stand "Portiercontact" staat. Bij het aanzetten van het
    contact gaat de verlichting onmiddellijk
    uit.
    Wanneer de auto voor langere tijd met
    geopende portieren wordt geparkeerd,
    gaat de verlichting na 30 minuten automatisch uit.

    De in het geheugen opgeslagen snelheid wordt gewist. De controlelamp
    gaat uit.

    Zet het contact korte tijd aan (stand II)
    om de verlichting weer in te schakelen.
    Leeslampen

    BEDIENINGSORGANEN TEGEN
    HET DAK
    Interieurverlichting
    Portiercontact
    Uit

    Aan

    Standaard

    Standaard

    Uit

    Portiercontact

    Aan
    ST170 (Optie)

    ST170 (Optie)

    37



  • Page 40

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Binnenspiegel

    Om verblinding door achteropkomend
    verkeer te voorkomen kan de spiegel
    met de hendel worden gekanteld.

    Verlichting make-up spiegels

    Aan
    Uit

    Zonnekleppen
    Schuifdak
    Het elektrisch bedienbare schuifdak
    kan alleen worden bediend bij aangezet
    contact.
    Let op! Het schuifdak kan ook bij afgezet contact worden bediend met behulp
    van de functie integraal openen/ sluiten.
    Raadpleeg de rubriek Integraal openen/ sluiten.
    De zonnekleppen kunnen aan één zijde
    uit de klem worden losgehaakt en in de
    richting van de portierruit worden gedraaid.
    Het klepje van de spiegel kan naar links
    en rechts worden geschoven.

    38

    Controleer voordat u het elektrisch bedienbare schuifdak bedient, of deze vrij is van obstructies
    en zorg ervoor dat kinderen en/of
    huisdieren zich niet in de nabijheid
    van de schuifdakopening bevinden.
    Het nalaten hiervan kan ernstig lichamelijk letsel tot gevolg hebben. Het is
    in eerste instantie de verantwoording
    van de toeziende volwassenen om
    nooit een kind zonder toezicht in een
    auto achter te laten en nooit de autosleutels onbewaakt in de auto te laten
    liggen.



  • Page 41

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Schuifdak openen en sluiten

    Druk om het schuifdak te openen op
    . Het schuifdak schuift weg onder
    het dak.
    Het schuifdak wordt bediend met een
    schakelaar die zich tussen de zonnekleppen bevindt.

    Druk om het schuifdak te sluiten
    .
    op

    Let op! Wanneer de schakelaar continu
    wordt ingedrukt, schakelt het systeem
    korte tijd uit om te voorkomen dat de
    schuifdakmotor oververhit raakt.
    Het schuifdak kan op twee manieren
    worden geopend - de achterzijde van
    het schuifdak kan omhoog worden gekanteld of het schuifdak kan horizontaal
    naar achteren worden geschoven. Wanneer de schakelaar wordt ingedrukt
    opent of sluit het schuifdak.
    Let op! Bij lage snelheden en volledig
    geopend schuifdak is soms een dreunend geluid hoorbaar. Sluit het schuifdak ongeveer 5 cm of open een van de
    zijruiten een stukje om dit geluid te verminderen.

    Druk om de achterzijde van het geslo.
    ten schuifdak te kantelen op
    Druk om het schuifdak te sluiten
    .
    op
    Schuifdak automatisch openen/
    sluiten
    Druk een willekeurige zijde van de
    schakelaar tot het tweede weerstandspunt kort in. Druk hem opnieuw in om
    te stoppen. Wanneer de gesloten stand
    is bereikt, stopt het schuifdak automatisch. De beweging kan worden onderbroken door de schakelaar in een
    willekeurig richting te bewegen.

    39



  • Page 42

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Antiklemfunctie van het schuifdak

    Geheugen opnieuw instellen

    Wanneer het schuifdak tijdens het sluiten met een obstakel in aanraking komt,
    stop het automatisch en schuift het een
    stukje terug.
    Om deze veiligheidsvoorziening uit te
    schakelen wanneer er meer weerstand
    is, bijvoorbeeld in de winter, gaat u als
    volgt te werk:
    Het onvoorzichtig sluiten van
    het schuifdak kan deze veiligheidsvoorziening te niet doen en verwondingen tot gevolg hebben.
    • Sluit het schuifdak tweemaal tot het
    weerstand ondervindt en laat het terugschuiven.
    • Sluit het schuifdak een derde maal
    tot het weerstand ondervindt. Laat de
    schakelaar kort los en druk hem onmiddellijk weer in. Het schuifdak overwint
    nu de weerstand en kan vervolgens geheel worden gesloten.
    Terwijl het schuifdak voor de
    derde keer sluit, wordt de antiklemfunctie uitgeschakeld. Let erop
    dat tijdens het sluiten van het schuifdak er geen obstakels in de weg kunnen zitten.

    40

    Wanneer het schuifdak niet goed meer
    sluit, voer dan de volgende leerprocedure uit:
    • Laat de achterzijde van het schuifdak
    zover mogelijk omhoog kantelen. Laat
    de schakelaar los.
    • Druk dezelfde schakelaar opnieuw 30
    seconden in en houd hem ingedrukt tot
    u het schuifdak ziet bewegen.
    • Laat de schakelaar los en druk hem
    onmiddellijk opnieuw in en houd hem
    ingedrukt. Het schuifdak sluit, schuift
    volledig open en schuift vervolgens
    weer dicht. Laat de schakelaar niet los
    voordat het schuifdak voor de tweede
    keer volledig is dichtgeschoven.



  • Page 43

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Wanneer de schakelaar niet continu
    wordt ingedrukt, wordt de programmeermodus afgebroken. Begin opnieuw
    met de procedure.

    BEDIENINGSORGANEN OP DE
    PORTIEREN
    Met de hand verstelbare
    buitenspiegels

    De antiklemfunctie werkt tijdens deze procedure niet. Let
    erop dat er tijdens het sluiten van het
    schuifdak geen obstakels in de weg
    kunnen zitten.
    Veiligheidsmodus
    Wanneer het systeem een storing vaststelt, treedt de veiligheidsmodus in
    werking. Het schuifdak beweegt dan
    slechts gedurende ca. 0,5 seconden per
    keer en stopt vervolgens. Sluit het
    schuifdak door opnieuw de schakelaar
    in te drukken wanneer het stopt. Wanneer de achterzijde van het schuifdak
    omhoog is gekanteld, laat het schuifdak
    dan volledig omhoogkantelen en sluit
    het vervolgens. Laat het systeem onmiddellijk door een vakman controleren.

    De beide buitenspiegels zijn van binnenuit verstelbaar.

    De antiklemfunctie werkt tijdens deze procedure niet. Let
    erop dat er tijdens het sluiten van het
    schuifdak geen obstakels in de weg
    kunnen zitten.

    41



  • Page 44

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Elektrisch verstelbare en
    verwarmde buitenspiegels

    Groothoek buitenspiegels
    Het zicht naar achteren wordt vergroot
    om de dode hoeken schuin achter de
    auto te verkleinen.
    Alles wat u in deze spiegels
    waarneemt, ziet er kleiner uit
    en lijkt verder weg te zijn dan in werkelijkheid het geval is. Daarom kunt u
    zich in de geschatte afstand vergissen. Houd daar rekening mee!

    Inklapbare buitenspiegels
    Linker spiegel
    Uit
    Rechter spiegel

    Op
    Rechts
    Neer
    Links
    Bij het inschakelen van de achterruitverwarming worden ook de buitenspiegels verwarmd.

    42

    Wanneer u bijvoorbeeld door een
    nauwe doorgang moet rijden kunnen de
    buitenspiegels met de hand tegen de
    portieren worden geklapt. Druk de spiegels met de hand in hun oorspronkelijke
    stand terug tot zij worden vergrendeld.



  • Page 45

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Elektrisch bedienbare ruiten
    De ruiten kunnen alleen worden bediend bij aangezet contact.
    Let op! Het elektrisch bedienbare ruiten kunnen ook bij afgezet contact worden bediend met behulp van de functie
    integraal openen/ sluiten. Raadpleeg de
    rubriek Integraal openen/ sluiten.
    Controleer voordat u de elektrisch bedienbare ruiten bedient, of deze vrij zijn van obstructies
    en zorg ervoor dat kinderen en/of
    huisdieren zich niet in de nabijheid
    van de ruitopeningen bevinden. Het
    nalaten hiervan kan ernstig lichamelijk letsel tot gevolg hebben. Het is in
    eerste instantie de verantwoording
    van de toeziende volwassenen om
    nooit een kind zonder toezicht in een
    auto achter te laten en nooit de autosleutels onbewaakt in de auto te laten
    liggen.

    Elektrisch bedienbare
    voorportierruiten
    • Ruit aan bestuurderszijde
    automatisch openen

    Druk de schakelaar
    kort tot het
    tweede weerstandspunt in. Druk de
    schakelaar opnieuw in om de ruit te
    stoppen.
    Elektrisch bedienbare ruiten, voor
    en achter
    Uitvoeringen met vier elektrisch bedienbare ruiten hebben extra voorzieningen.

    De ruiten kunnen worden geopend en
    gesloten met behulp van de schakelaars
    op de portieren. Wanneer de schakelaar
    wordt ingedrukt openen of sluiten de
    ruiten.
    Druk op
    Druk op

    : om te openen.
    : om te sluiten.

    43



  • Page 46

    Bedieningsorganen en uitrusting
    • Ruiten automatisch openen en
    sluiten

    De ruiten van de achterportieren kunnen altijd vanaf het portier aan bestuurderszijde worden bediend.
    • Antiklemfunctie ruiten
    Bij uitvoeringen met vier elektrisch bedienbare ruiten, stoppen de ruiten automatisch bij het sluiten wanneer ze
    met een obstakel in aanraking komen
    en schuiven ze weer een klein stukje
    terug.

    Druk de schakelaar
    kort in om de
    ruit te openen of druk de schakelaar tot
    tegen het tweede weerstandspunt in
    om de ruit te sluiten. Druk de
    schakelaar opnieuw in om de ruit te
    stoppen.
    • Veiligheidsschakelaar voor de
    achterste ruiten
    Met behulp van een schakelaar op het
    portier aan bestuurderszijde kan de
    elektrische bediening van de achterportierruiten worden geblokkeerd.

    Schakelaar
    (rood symbool):
    Schakelaars achterportierruiten ingeschakeld.
    (groen symbool):
    Schakelaar
    Schakelaars achterportierruiten uitgeschakeld.

    44

    Om deze veiligheidsvoorziening uit te
    schakelen wanneer er meer weerstand
    is, bijvoorbeeld in de winter, gaat u als
    volgt te werk:
    Het onzorgvuldig sluiten van
    de ruiten kan de veiligheidsvoorziening te niet doen en verwondingen tot gevolg hebben.
    Sluit de ruit tweemaal tot hij weerstand
    ondervindt en laat hem weer openschuiven.

    Sluit de ruit een derde maal tot hij
    weerstand ondervindt. Laat de schakekort los en druk hem onmidlaar
    dellijk weer in.



  • Page 47

    Bedieningsorganen en uitrusting
    De ruit zal sluiten tot kort voor het
    weerstandspunt en vervolgens geheel
    dichtschuiven.
    Terwijl de ruit voor de derde
    keer sluit, wordt de antiklemfunctie uitgeschakeld. Let erop tijdens
    het sluiten van de ruit dat er geen obstakels in de weg kunnen zitten.
    • Geheugen opnieuw instellen
    Nadat de accukabels zijn losgenomen
    moet het geheugen van elke ruit afzonderlijk opnieuw worden ingesteld:

    Druk op de schakelaar
    tot de ruit
    volledig is geopend. Houd de schakelaar
    nog een seconde ingedrukt.
    De ruit sluit automatisch wanneer de
    instelprocedure correct is uitgevoerd.
    kort tot het
    Druk de schakelaar
    tweede weerstandspunt in.
    Stel het geheugen opnieuw in en herhaal de procedure wanneer de ruit niet
    automatisch sluit.

    Druk op de schakelaar
    tot de ruit
    volledig is gesloten. Houd de schakelaar
    nog een seconde ingedrukt.

    De antiklemfunctie is uitgeschakeld tot het geheugen opnieuw is ingesteld. Het onzorgvuldig
    sluiten van de ruiten kan verwondingen tot gevolg hebben.

    Laat de schakelaar
    los en druk
    hem twee of drie keer opnieuw een seconde of langer in.

    45



  • Page 48

    Bedieningsorganen en uitrusting
    BEDIENINGSORGANEN OP DE
    CONSOLE

    Achteruit - 5-versnellingsbak
    (Type B)

    Handgeschakelde versnellingsbak
    Schakel de achteruit alleen in
    bij stilstaande auto.
    Voor het geruisloos inschakelen van de
    achteruit moet nadat de auto tot stilstand is gebracht en het koppelingspedaal is ingedrukt ongeveer drie
    seconden worden gewacht met het inschakelen van de achteruit.
    Oefen bij het terugschakelen
    van de vijfde naar de vierde
    versnelling geen onnodige zijwaartse
    kracht uit op de schakelhendel aangezien daardoor per ongeluk de tweede
    versnelling kan worden ingeschakeld.

    Til de vergrendelring op
    en beweeg
    vervolgens de keuzehendel naar rechts
    .
    en naar achteren
    Achteruit - 6-versnellingsbak

    Achteruit 5-versnellingsbak
    (Type A)

    Plaats de keuzehendel in de neutrale
    stand en druk hem vervolgens tegen de
    veerdruk in volledig naar links. Druk,
    nadat de hendel volledig naar links is
    bewogen, hem in de stand voor de achteruit.
    Plaats de schakelhendel in de neutrale
    stand en druk hem tegen de veerdruk in
    volledig naar rechts en vervolgens naar
    achteren.

    46



  • Page 49

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Automatische transmissie

    Vergrendeling van de keuzehendel

    De viertraps automatische transmissie
    wordt elektronisch geregeld. De vierde
    versnelling – overdrive functie – kan zo
    nodig handmatig worden in- en uitgeschakeld.

    Om de keuzehendel te verplaatsen in de
    standen R, 2 (behalve vanuit de stand 1
    naar stand 2) en P moet eerst de knop
    op de zijkant van de greep van de keuzehendel worden ingedrukt. Om de
    keuzehendel uit de stand P te kunnen
    verplaatsen, moet de contactsleutel in
    de stand II staan en het rempedaal worden ingedrukt.

    Trek altijd de handrem stevig
    aan en let erop dat de keuzehendel in stand P (parkeren) staat.
    Zet altijd het contact af wanneer u de
    auto verlaat.

    Keuzehendelstanden
    • P = Parkeren
    Kies deze stand alleen wanneer
    de auto stilstaat.

    Trek altijd de handrem stevig
    aan en let erop dat de keuzehendel in stand P (parkeren) staat.
    Zet altijd het contact af wanneer u de
    auto verlaat.
    In deze stand is de transmissie geblokkeerd.

    47



  • Page 50

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Indien de stand P niet is gekozen klinkt een waarschuwingssignaal als het bestuurdersportier
    wordt geopend.
    De accu-saver schakelt na de standaard
    ingestelde tijd van 30 minuten de gong
    uit.
    De sleutel kan alleen uit het contactslot
    worden genomen wanneer de keuzehendel in de stand P staat.
    In noodgevallen kan de keuzehendel op
    mechanische wijze uit de stand P worden gezet. Raadpleeg de rubriek Noodvoorziening voor het ontgrendelen
    van de keuzehendel (automatische
    transmissie).

    • D = Rijden
    • Met overdrive
    De stand voor normale rijomstandigheden. Alle vier voorwaartse versnellingen
    worden elektronisch gekozen.
    • Zonder overdrive

    De motor moet gestart worden met de
    keuzehendel in de stand P. De motor
    kan zo nodig ook gestart worden in de
    stand N.
    Wanneer de motor wordt gestart, moeten het rempedaal
    en knop op de keuzehendel worden
    ingedrukt voordat de keuzehendel uit
    de parkeerstand P kan worden verplaatst.

    • R = Achteruit
    Kies deze stand uitsluitend
    wanneer de auto stilstaat en de
    motor stationair draait.
    • N = Neutraal
    Stand voor het starten en stationair laten draaien van de motor. Er wordt
    geen kracht op de aangedreven wielen
    overgebracht.

    48

    Indien de transmissie voortdurend tussen de vierde en derde versnelling schakelt, moet de overdrive worden
    uitgeschakeld. Druk de toets in die zich
    aan de zijkant in de greep van de keuzehendel bevindt. De controlelamp op het
    instrumentenpaneel brandt om aan te
    duiden dat de overdrive is uitgeschakeld. De transmissie gebruikt nu alleen
    de eerste drie versnellingen.
    Druk de toets nogmaals in om de overdrive weer in te schakelen. Bij het starten van de motor wordt de
    overdrivefunctie automatisch ingeschakeld.



  • Page 51

    Bedieningsorganen en uitrusting
    • 2 = 2e versnelling

    Handschoenenkastje

    De transmissie blijft continu in de
    tweede versnelling. Kies deze stand tijdens het afdalen van hellingen om de
    remmen niet te veel te belasten en bij
    het beklimmen van lange hellingen en
    bochtige wegen. Bovendien kan deze
    versnelling op gladde wegen worden
    gebruikt om het wegrijden te vergemakkelijken.
    • 1 = 1e versnelling
    Deze stand is bedoeld voor het beklimmen of afdalen van extreem steile hellingen. De transmissie blijft in de eerste
    versnelling.
    Multifunctionele controlelamp

    In het handschoenenkastje bevindt zich
    een klem waarin de map met boorddocumentatie kan worden vastgezet. De
    map kan worden verwijderd door deze
    opzij te schuiven.
    Bekerhouders voorin en opbergvak

    Wanneer de multifunctionele controlelamp automatische transmissie/koelsysteem knippert is er sprake van een
    storing in de automatische transmissie.
    Breng in een dergelijk geval uw auto zo
    spoedig mogelijk naar een deskundige.

    Voor de schakelhendel bevinden zich
    bekerhouders, een pennenhouder en
    een opbergvak.
    Plaats tijdens het rijden geen
    hete dranken in de bekerhouders - gevaar van verbranden.

    49



  • Page 52

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Handrem
    • Druk het rempedaal krachtig in.

    Schakelaar elektrisch verwarmbare
    voorstoelen

    • Terwijl u het rempedaal indrukt, trekt
    u de handremhefboom stevig maximaal
    aan.
    • Druk de ontgrendelknop tijdens het
    aantrekken niet in.
    • Wanneer u uw auto opwaarts op een
    helling parkeert, schakel dan de eerste
    versnelling in en draai het stuurwiel van
    de stoeprand af.
    • Wanneer u uw auto neerwaarts op
    een helling parkeert, schakel dan de
    achteruit in en draai het stuurwiel naar
    de stoeprand toe.
    Bij auto’s met automatische
    transmissie moet de keuzehendel altijd in de stand P worden gezet.

    Druk, om de handrem los te zetten, het
    rempedaal krachtig in, trek de hefboom
    iets omhoog, druk de ontgrendelknop in
    en laat de hefboom zakken.

    50

    Druk op de schakelaar om het systeem
    in of uit te schakelen. De lamp in de
    schakelaar brandt wanneer het systeem
    is ingeschakeld.
    Raadpleeg voor meer informatie het
    hoofdstuk Stoelen en veiligheidsuitrusting.



  • Page 53

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Traction Control System (TCS)/
    Schakelaar Elektronisch Stabiliteits
    Programma (ESP)
    Controlelamp BTCS/TCS

    Controlelamp ESP

    Schakelaar
    TCS

    Schakelaar
    ESP

    De controlelamp van het Traction Control System (TCS)/ Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP) op het
    instrumentenpaneel brandt continu
    wanneer het systeem is uitgeschakeld.

    Het symbool op de schakelaar is afhankelijk van het systeem waarmee de auto
    is uitgerust.

    Let op! Het Brake Traction Control
    System (BTCS) kan niet worden uitgeschakeld.

    Druk op de schakelaar om het systeem
    in of uit te schakelen.

    Het systeem wordt telkens bij het aanzetten van het contact automatisch ingeschakeld.
    Raadpleeg voor meer informatie de rubriek Traction Control System (TCS)/
    Elektronisch Stabiliteits Programma
    (ESP).

    51



  • Page 54

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Multifunctioneel opbergvak

    • Elektrisch aansluitpunt achterin

    Het opbergvak bevindt zich in de middenconsole. Het kan worden gebruikt
    als:
    • Opbergvak
    • Asbak achterin

    Openen: trek het deksel omhoog. De
    asbak voor de passagiers achterin kan
    worden verwijderd en de opening kan
    dienen als bekerhouder. De asbak kan
    ook in één van de bekerhouders voorin
    worden geplaatst.
    Plaats tijdens het rijden geen
    hete dranken in de bekerhouders - gevaar van verbranden.

    Het elektrisch aansluitpunt achterin
    kan worden gebruikt voor stroomverbruikers van 12 volt met een opgenomen vermogen van maximaal
    10 ampère. Wanneer de motor niet
    draait, wordt door het gebruik hiervan
    wel de accu ontladen.
    Gebruik voor het aansluiten van
    stroomverbruikers alleen de speciale
    stekker uit het Ford Accessoires Programma die bij elke Ford dealer verkrijgbaar is.

    52



  • Page 55

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Kangaroo net/ opbergtas/
    kaartentas
    Voor het opbergen van kleine voorwerpen is op de achterzijde van de rugleuning van de rechter voorstoel een
    opbergnet of tas aangebracht. Het net/
    de tas kan worden verwijderd zodat
    wanneer de rugleuning van de voorstoel
    is neergeklapt een tafel ontstaat.

    Bovendien is aan de binnenzijde van de
    rugleuning een kaartentas aangebracht.
    Raadpleeg voor meer informatie de rubriek Passagiersstoel neerklappen in
    het hoofdstuk Stoelen en veiligheidsuitrusting.
    Middenarmsteun achterin

    Trek aan de ontgrendeling om het net/
    de tas te verwijderen.
    Druk het frame in het frame op de rugleuning om het net/ de tas te bevestigen.

    In de armsteun bevindt zich een bergvak.

    53



  • Page 56

    Bedieningsorganen en uitrusting
    BAGAGERUIMTE

    Wagon

    Bagageafdekpaneel
    Plaats geen voorwerpen op het
    bagageafdekpaneel.
    3- en 5-deurs
    • Verwijderen

    Trek de bagageafdekhoes naar achteren
    en zet hem in de haken vast.
    De hoes kan volledig worden verwijderd
    door de uiteinden van de koker naar elkaar toe te drukken.
    Maak de twee koorden los van de achterklep. Maak het paneel aan de zijkanten los en trek het horizontaal naar
    buiten zonder het te kantelen.
    • Aanbrengen
    Schuif het paneel horizontaal op de zijsteunen terug en duw het tot de aanslagen naar binnen. Haak de koorden weer
    vast aan de achterklep.

    54



  • Page 57

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Bagagenet

    Aan de vier bevestigingspunten op de
    laadvloer kan een bagagenet worden
    bevestigd.
    Dit bagagenet is bij uw Ford dealer verkrijgbaar.

    Opbergbox (5-deurs)

    Ga, om de opbergbox aan te brengen,
    als volgt te werk: schuif de voorzijde op
    zijn plaats en druk de achterzijde naar
    beneden tot hij vastklikt.
    Druk om de opbergbox te verwijderen,
    de gele drukknoppen in en trek de box
    los.
    De schotjes kunnen op willekeurige
    plaatsen in de sleuven in de opbergbox
    worden aangebracht.
    De inhoud van de box mag niet hoger
    zijn dan de schotjes.
    Het maximum laadgewicht van
    de opbergbox is 5 kg.

    Wanneer met de opbergbox
    wordt gereden, moet het bagageafdekpaneel ook zijn aangebracht
    om te voorkomen dat tijdens een aanrijding of krachtig remmen voorwerpen uit de box door de auto worden
    geslingerd.

    55



  • Page 58

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Bagageafdeknet (5-deurs)

    Hangmat (5-deurs en Wagon)

    Maak de lussen bij de hoeken los door
    ze naar de zijkant van de auto te drukken, om de voorzijde van het net te
    kunnen laten zakken.
    Maak de lussen bij de hoeken los en
    druk het draadframe naar achteren zodat het loskomt, om het net te verwijderen.
    Haak de lussen aan de gele paddestoelvormige knoppen om het net te bevestigen.
    Opbergnet zijpaneel (5-deurs)
    Het opbergnet op het zijpaneel is bestemd voor het opbergen van kleine
    voorwerpen.

    56



  • Page 59

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Scheidingsnet in bagageruimte
    (Wagon)
    Druk, om de cassette met het scheidingsnet aan te brengen, de schuiven
    naar elkaar toe en breng de telescopische stang aan in de openingen in de
    zijpanelen achter de rugleuningen van
    de achterbank.

    Tijdens het rijden met uitgetrokken scheidingsnet, moet
    de rand van het bagageafdekhoes
    180º worden omgeslagen zodat het
    zicht naar achteren niet wordt belemmerd.

    Omkeerbare vloerbedekking
    (5-deurs en Wagon)
    De vloerbedekking kan worden omgedraaid; de achterzijde is met rubber afgewerkt.

    Trek het net omhoog en breng het uittrekbare deel van de stang aan in de
    houder tegen het dak. Druk het nietuittrekbare deel naar het midden van
    de auto en steek het in de andere houder. Zorg ervoor dat de stang naar voren in het smalle deel van de houders
    wordt gedrukt.

    57



  • Page 60

    Bedieningsorganen en uitrusting
    EHBO-doos en gevarendriehoek

    Wagon

    3-, 4- en 5-deurs

    Afhankelijk van het land bevinden zich
    voor de EHBO-doos en de gevarendriehoek aan weerszijden in de bagageruimte opbergplaatsen.

    Afhankelijk van de uitvoering is aan de
    linkerzijde in de bagageruimte een bevestigingsriem voor het vastzetten van
    een EHBO-doos en is op de onderzijde
    van het achterpaneel een riem voor het
    vastzetten van de gevarendriehoek aangebracht.
    Bij ST170 uitvoeringen, die met een optionele subwoofer zijn uitgerust, kan de
    EHBO-doos worden opgeborgen in een
    net, dat zich aan de linkerzijde in de bagageruimte bevindt.

    58



  • Page 61

    Bedieningsorganen en uitrusting
    SLEUTELS

    Bij verlies zijn vervangingssleutels bij
    uw Ford dealer verkrijgbaar nadat u het
    sleutelnummer hebt opgegeven. Dit
    nummer staat op het plaatje, dat bij de
    originele sleutels werd geleverd.

    Om de houder uit de sleutelgreep te
    verwijderen moet u het Ford ovaal indrukken en de houder uit de greep
    trekken. Open de houder met behulp
    van een muntstuk en vervang de batterij en/of de gloeilamp. Sluit de houder
    door de delen tegen elkaar te drukken
    en plaats hem terug in de sleutelgreep.
    Sleutel met radiografische
    afstandsbediening

    Raadpleeg voor meer informatie het
    hoofdstuk Immobilisatiesysteem.
    Sleutel met ingebouwde verlichting
    Het lampje blijft branden zolang u de
    ronde toets ingedrukt houdt. De batterij
    en het gloeilampje die in de sleutelgreep zitten, kunnen afzonderlijk worden vervangen. De
    vervangingsonderdelen zijn bij uw dealer verkrijgbaar.

    De zender van de afstandsbediening is
    geïntegreerd in de sleutel.
    Raadpleeg voor meer informatie de rubriek Radiografische afstandsbediening.

    59



  • Page 62

    Bedieningsorganen en uitrusting
    SLOTEN

    Kinderveiligheidssloten op de
    achterportieren

    Portiersloten
    De voorportieren kunnen van buitenaf
    van buitenaf met de autosleutel worden
    vergrendeld en ontgrendeld.

    Indrukken
    (portier vergrendelen)

    Wanneer het kinderveiligheidsslot in werking is gesteld kan
    het portier alleen van buitenaf worden geopend.

    Uittrekken
    (portier openen)

    Van binnenuit kunnen de portieren
    worden vergrendeld met de vergrendelknop en ontgrendeld met de portierkruk.
    De achterportieren kunnen worden vergrendeld door bij het uitstappen de vergrendelknop in te drukken en het
    portier te sluiten. Het portier is vergrendeld wanneer het witte merkteken op
    het uiteinde van de knop zichtbaar is.
    Meer informatie over de werking van de
    alarminstallatie, de ultrasone sensoren
    en het centrale vergrendelingssysteem
    vindt u in de betreffende hoofdstukken
    op de volgende bladzijden.

    60

    Draai de sleutel in het achterportier
    naar de buitenzijde van de auto om het
    veiligheidsslot in werking te stellen.
    Draai de sleutel naar de binnenzijde van
    de auto om deze beveiliging buiten werking te stellen.



  • Page 63

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Bagageruimte

    Slot van brandstofvulklep

    Draai de sleutel rechtsom om de klep te
    ontgrendelen. Open de klep volledig tot
    hij vergrendelt. Druk de tankdop in en
    draai hem linksom terwijl u hem ingedrukt houdt.
    Draai de sleutel rechtsom om de klep te
    ontgrendelen.

    Wanneer u de tankdop losdraait is soms
    een sissend geluid hoorbaar. Dit is echter volkomen normaal.
    Tankdop sluiten: draai de dop rechtsom
    vast tot hij klikt.

    De achterklep is aan de binnenzijde
    voorzien van een uitsparing om het sluiten te vergemakkelijken.

    61



  • Page 64

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Motorkap

    CENTRAAL
    VERGRENDELINGSSYSTEEM

    Draai het Ford logo in de radiateurgrille
    opzij en draai de sleutel eerst linksom
    . Til de motorkap iets op en draai de
    om de mosleutel volledig linksom
    torkap te openen.
    Verwijder de sleutel onmiddellijk na het openen en draai het
    Ford logo terug.
    Raadpleeg voor meer informatie het
    hoofdstuk Onderhoud en verzorging.

    Het centrale vergrendelingssysteem
    kan vanaf beide voorportieren in werking worden gesteld. Het werkt alleen
    wanneer de voorportieren zijn gesloten.
    Het kan van buitenaf met de sleutel of
    van binnenuit door het indrukken van
    de vergrendelknop bij de portierkruk in
    werking worden gesteld.
    Wanneer u de auto met de sleutel vergrendeld, knipperen de richtingaanwijzers tweemaal. Bij uitvoeringen met
    dubbele vergrendeling, knipperen deze
    niet. Bij het ontgrendelen knipperen de
    richtingaanwijzers eenmaal.
    De bagageruimte blijft vergrendeld.
    Let op! Bij wagens met radiografische
    afstandsbediening kan het centraal vergrendelingssysteem kan alleen via het
    bestuurdersportier worden geactiveerd.

    62



  • Page 65

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Centraal vergrendelingssysteem
    met dubbele vergrendeling

    Inschakelen

    Linker portier
    Onmogelijk van binnenuit te openen
    De dubbele vergrendeling is een extra
    beveiliging welke voorkomt dat de portieren van binnenuit kunnen worden
    geopend.
    De dubbele vergrendeling mag
    niet worden ingeschakeld wanneer zich personen in de auto bevinden.
    De dubbele vergrendeling kan alleen
    worden ingeschakeld bij gesloten voorportieren.

    Rechter portier
    Draai, om de dubbele vergrendeling in
    werking te stellen, de sleutel in het bestuurders- of passagiersportier binnen
    en vertwee seconden in de stand
    .
    volgens in de stand

    Let op! Bij wagens met radiografische
    afstandsbediening kan het centraal vergrendelingssysteem met dubbele vergrendeling alleen via het
    bestuurdersportier worden geactiveerd.

    De richtingaanwijzers knipperen tweemaal ter bevestiging dat het systeem is
    ingeschakeld.

    63



  • Page 66

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Na het vergrendelen wordt ook de
    alarminstallatie (indien gemonteerd)
    ingeschakeld.

    Radiografische afstandsbediening

    De alarminstallatie kan ook onafhankelijk van de dubbele vergrendeling worden ingeschakeld door de sleutel in de
    te draaien.
    stand
    Raadpleeg voor meer informatie de rubriek Alarminstallatie.
    Uitschakelen
    Open één van de voorportieren met de
    sleutel om de dubbele vergrendeling uit
    te schakelen. De richtingaanwijzers
    knipperen eenmaal.
    Indien zich een storing mocht
    voordoen in de elektrische installatie van de auto, kunnen de voorportieren nog met de sleutel worden
    ontgrendeld.

    De portieren of de bagageruimte worden/wordt ontgrenof de
    toets
    deld indien u de
    per ongeluk indrukt, zonder daarbij de
    sleutel op de auto te richten (bijvoorbeeld in uw jaszak).
    Drie seconden nadat het contact is afgezet, is het systeem operationeel. Het
    ontvangstbereik van de zender wordt
    door de omgeving bepaald en varieert
    aanzienlijk.

    64



  • Page 67

    Bedieningsorganen en uitrusting
    De bagageruimte kan handmatig met de
    sleutel of met de afstandsbediening
    worden geopend.
    De radiofrequentie van de afstandsbediening kan ook worden gebruikt door bijvoorbeeld radioamateurs, medische apparatuur,
    draadloze hoofdtelefoons, afstandsbedieningen, alarmsystemen, enz. Wanneer de frequentie van de afstandsbediening wordt gestoord, kunt u geen
    gebruik meer maken van functies als
    het vergrendelen en ontgrendelen of
    de alarminstallatie inschakelen. Maar
    u kunt de auto wel met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen.
    Raadpleeg voor de typegoedkeuring van
    uw afstandsbediening de tabel achterin
    het hoofdstuk Inhouden en technische
    gegevens.
    Portieren ontgrendelen

    wordt ingedrukt,
    Let op! Wanneer
    tenzij een portier of de bagageruimte is
    geopend of het contact aanstaat, worden de centrale vergrendeling en de
    alarminstallatie automatisch na 45 seconden ingeschakeld.
    Ontgrendelfunctie opnieuw
    programmeren
    U kunt de ontgrendelfunctie wijzigen,
    toets
    zodat wanneer u eenmaal de
    wordt gedrukt, de dubbele vergrendeling en de alarminstallatie worden uitgeschakeld en het bestuurdersportier
    toets
    wordt ontgrendeld. Door de
    tweemaal binnen drie seconden in te
    drukken worden ook de overige portieren ontgrendeld.
    Om de ontgrendelfunctie opnieuw te
    programmeren moet u bij afgezet conen toetsen gelijktijdig intact de
    drukken en houd ze minimaal vier
    seconden ingedrukt terwijl het contact
    afstaat. De richtingaanwijzers knipperen tweemaal om aan te duiden dat
    de ontgrendelfunctie met succes opnieuw is geprogrammeerd.
    Wanneer beide toetsen minimaal vier
    seconden tegelijk ingedrukt worden gehouden, wordt de oorspronkelijke programmering weer hersteld.

    Druk de
    toets tweemaal in: de dubbele vergrendeling en de alarminstallatie worden uitgeschakeld. Bovendien
    worden alle portieren ontgrendeld. De
    richtingaanwijzers knipperen eenmaal.

    65



  • Page 68

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Achterklep ontgrendelen

    Wanneer bij uitvoeringen met dubbele
    toets tweemaal
    vergrendeling de
    binnen drie seconden wordt ingedrukt,
    worden de dubbele vergrendeling en
    het ultrasone alarmsysteem ingeschakeld.
    De richtingaanwijzers knipperen tweemaal ter bevestiging dat het systeem is
    ingeschakeld.

    Druk op de
    toets tweemaal binnen
    drie seconden in.
    Vergrendelen

    Druk de
    toets tweemaal in. De centrale vergrendeling en de alarminstallatie worden nu ingeschakeld.
    Bij wagens zonder dubbele vergrendeling knipperen de richtingaanwijzers
    tweemaal om aan te duiden dat het systeem correct werkt. Bij uitvoeringen
    met dubbele vergrendeling knipperen
    de richtingaanwijzers niet.

    66

    De dubbele vergrendeling mag
    niet worden ingeschakeld wanneer zich personen in de auto bevinden.



  • Page 69

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Integraal openen/ integraal sluiten
    Met dit systeem kunnen van buitenaf
    alle ruiten en het schuifdak worden geopend en gesloten.
    Controleer voordat u de elektrisch bedienbare ruiten of het
    schuifdak bedient, of deze vrij zijn/is
    van obstructies en zorg ervoor dat kinderen en/of huisdieren zich niet in de
    nabijheid van de ruitopeningen of
    schuifdakopening bevinden. Het nalaten hiervan kan ernstig lichamelijk letsel tot gevolg hebben. Het is in eerste
    instantie de verantwoording van de
    toeziende volwassenen om nooit een
    kind zonder toezicht in een auto achter te laten en nooit de autosleutels
    onbewaakt in de auto te laten liggen.

    toets te drukken
    Door op de of de
    wordt het openen gestopt. Tijdens het
    integraal openen schuift het schuifdak
    altijd horizontaal open.
    Integraal sluiten

    Integraal openen
    Sluiten: druk de toets twee seconden
    in. Door een willekeurige toets in te
    drukken wordt het sluiten gestopt. Tijdens het integraal sluiten is de antiklemfunctie geactiveerd. Raadpleeg
    voor meer informatie de rubrieken Antiklemfunctie van het schuifdak en
    Antiklemfunctie van de ruiten.
    Sla het sluiten van de ruiten
    altijd gade. Druk in noodgevallen onmiddellijk op een toets om de
    beweging te stoppen.

    Openen: druk de
    den in.

    toets drie secon-

    67



  • Page 70

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Sleutels programmeren
    Maximaal kunnen vier sleutels met radiografische afstandsbediening (inclusief de bij de auto geleverde sleutels)
    worden geprogrammeerd.

    1. Zet, om nieuwe sleutels met radiografische afstandsbediening te programmeren de contactsleutel vier keer
    binnen zes seconden in stand II.
    2. Zet het contact af. Er klinkt een signaal om aan te geven dat het nu gedurende 10 seconden mogelijk is nieuwe
    sleutels te programmeren.

    Let op! Raadpleeg voor het coderen
    van de sleutels voor het immobilisatiesysteem de rubriek Sleutels coderen.
    Batterij vervangen
    Wanneer het bereik van de zender in de
    sleutel geleidelijk begint af te nemen,
    moet de batterij worden vervangen
    (type 3V CR 2032).

    • Maak voorzichtig de zender los van
    de sleutel door een plat voorwerp (bijvoorbeeld een schroevendraaier) in de
    uitsparing aan de achterzijde te steken.

    3. Druk op een willekeurige toets op
    een nieuwe sleutel. Ter bevestiging
    klinkt een signaal. Herhaal deze laatste
    handeling bij alle sleutels met radiografische afstandsbediening, inclusief uw
    originele sleutels.
    4. Zet het contact weer aan of wacht
    tien seconden zonder een andere sleutel te programmeren om het programmeren te beëindigen. Uw auto kan nu
    uitsluitend worden vergrendeld en ontgrendeld met de sleutels met radiografische afstandsbediening die u zojuist
    hebt geprogrammeerd.

    68

    • Open vervolgens de zender door de
    klemmen aan de zijkanten met behulp
    van een plat voorwerp los te drukken.



  • Page 71

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Sleutels
    Uw auto werd afgeleverd met gecodeerde sleutels met een gekleurd merkteken.

    • Maak de batterij voorzichtig met een
    plat voorwerp los. Breng de nieuwe batterij met het (+) teken naar boven gekeerd tussen de contacten aan. Breng
    de zender in omgekeerde volgorde weer
    aan.

    Vervangingssleutels moeten samen met
    de andere sleutels worden gecodeerd.

    IMMOBILISATIESYSTEEM

    Automatisch inschakelen

    Vijf seconden nadat het contact is afgezet, schakelt het systeem automatisch
    in. De controlelamp knippert elke
    twee seconden.

    Het immobilisatiesysteem is een beveiliging tegen diefstal dat voorkomt dat de
    motor kan worden gestart met een sleutel met een onjuiste code.

    69



  • Page 72

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Automatisch uitschakelen
    Het systeem wordt uitgeschakeld zodra
    het contact wordt aangezet en het systeem de juiste code heeft herkend. De
    controlelamp brandt ongeveer drie seconden en gaat vervolgens uit.

    Als de startmotor dan nog niet kan worden ingeschakeld, is er sprake van een
    storing in het systeem. Laat het systeem onmiddellijk door een vakman
    controleren.

    Wanneer de controlelamp ongeveer een
    minuut constant brandt of knippert en
    daarna met onregelmatige intervallen
    brandt, heeft het systeem de code niet
    herkend. Neem de sleutel uit het slot en
    probeer het nogmaals.
    Wanneer een sleutel met een onjuiste
    code werd gebruikt moet twintig seconden worden gewacht voordat de motor
    kan worden gestart met een sleutel met
    de juiste code.

    Voor een storingvrije uitwisseling van signalen tussen de
    auto en de sleutel, mag de sleutel niet
    door metalen voorwerpen worden afgedekt.

    70



  • Page 73

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Sleutels coderen
    Met behulp van twee gecodeerde sleutels kunnen maximaal acht sleutels
    worden gecodeerd.
    Voer elke volgende handeling binnen
    vijf seconden uit.

    6. Neem na de coderingsprocedure de
    sleutel uit het contactslot. Wacht vijf
    seconden met het inschakelen van het
    systeem.
    Indien het inlezen van de code niet correct is verlopen, knippert de controlelamp nadat het contact met de nieuw
    gecodeerde sleutel is aangezet en kan
    de motor niet worden gestart.
    Herhaal de coderingsprocedure na een
    pauze van 20 seconden bij aangezet
    contact (stand II).

    1. Steek de eerste sleutel in het contactslot en draai hem in de stand II.
    2. Draai de sleutel terug in stand 0 en
    neem de sleutel uit het contactslot.

    Laat om veiligheidsredenen bij
    verlies van een sleutel de codes wissen en de sleutels programmeren met een nieuwe code. Raadpleeg
    uw Ford dealer indien u over nog
    slechts één gecodeerde sleutel beschikt.

    3. Steek de tweede sleutel in het contactslot en draai hem in stand II.
    4. Draai de tweede sleutel terug in
    stand 0 en neem hem uit het contactslot – de coderingsmodus is nu geactiveerd.
    5. Wanneer nu een ongecodeerde sleutel in het contactslot wordt gestoken en
    binnen twintig seconden in de stand II
    wordt gedraaid, wordt de systeemcode
    door de sleutel ingelezen.

    71



  • Page 74

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Code wissen
    Met behulp van twee voor uw auto gecodeerde sleutels kunt u alle andere gecodeerde sleutels onbruikbaar maken,
    bijvoorbeeld na verlies:
    Voer elke volgende handeling binnen
    vijf seconden uit.

    5. Wanneer het wissen van de sleutelcodes is voltooid, kunnen alle overige
    sleutels met uitzondering van de twee
    die voor het wissen zijn gebruikt, niet
    langer worden gebruikt, tenzij ze opnieuw worden gecodeerd.
    Extra sleutels kunnen nu worden gecodeerd.
    ALARMINSTALLATIE
    Het systeem wordt ingeschakeld zodra
    de auto is vergrendeld en dient als afschrikmiddel voor personen die ongeoorloofd de portieren, de motorkap of
    de bagageruimte trachten te openen of
    de radio trachten te verwijderen.

    Voer de eerste vier handelingen uit
    zoals is beschreven onder Sleutels coderen, en ga vervolgens als volgt te
    werk:
    1. Steek de tweede sleutel in het contactslot en draai hem in stand II.
    2. Neem de sleutel uit het contactslot.
    3. Steek de eerste sleutel in het contactslot en draai hem in stand II en
    houd hem in deze stand. De controlelamp knippert vijf seconden.
    4. Wanneer het contact gedurende
    deze vijf seconden wordt afgezet, wordt
    de wisprocedure afgebroken en wordt
    geen sleutelcode gewist.

    72

    Inschakelen
    Draai de sleutel zo ver mogelijk in de
    stand ’vergrendelen’ en houd hem één
    seconde in deze stand.
    Raadpleeg de rubrieken Centrale portiervergrendeling met dubbele vergrendeling en Radiografische
    afstandsbediening.



  • Page 75

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Automatische vertraging van de
    inschakeling

    ULTRASOON ALARMSYSTEEM

    Twintig seconden nadat de motorkap,
    de bagageruimte en alle portieren zijn
    afgesloten, wordt het systeem ingeschakeld.
    Alarmsignaal
    Wanneer door onbevoegden een portier,
    de bagageruimte of de motorkap wordt
    geopend, klinkt het alarmsignaal gedurende 30 seconden. De waarschuwingsknipperlichten knipperen vijf minuten.
    Bij elke hernieuwde poging de motor te
    starten met een ongeldige sleutel of om
    de radio te verwijderen treedt het
    alarmsignaal opnieuw in werking.
    Uitschakelen
    De alarminstallatie kan op elk moment
    worden uitgeschakeld - ook wanneer
    het alarmsignaal klinkt - door één van
    de voorportieren te ontgrendelen.
    De alarminstallatie van de bagageruimte
    wordt uitgeschakeld wanneer deze met
    een sleutel of de afstandsbediening
    wordt ontgrendeld. Nadat de bagageruimte is afgesloten, wordt de alarminstallatie weer ingeschakeld.

    Dit systeem beschermt uw auto tegen
    indringers door elke beweging in de
    auto met behulp van sensoren te registreren.

    Bij de ST170 zijn de sensoren in de interieurverlichting (optie) ondergebracht.

    73



  • Page 76

    Bedieningsorganen en uitrusting
    Inschakelen
    Het ultrasoon alarmsysteem kan alleen
    worden ingeschakeld in combinatie met
    de dubbele vergrendeling.
    Dit alarmsysteem kan alleen
    correct functioneren wanneer
    alle ruiten en het schuifdak volledig
    zijn gesloten. Bovendien mogen de
    sensoren, die zich aan de bovenzijden
    van de portierstijlen bevinden, niet
    worden afgedekt. Het systeem moet
    niet worden ingeschakeld wanneer er
    zich personen, dieren of andere bewegende voorwerpen in de auto bevinden.

    Vertraagde inschakeling en
    bevestiging van het inschakelen
    Deze functie werkt op dezelfde wijze als
    die van het standaard alarmsysteem.
    Alarmsignaal
    Wanneer onbevoegden zich toegang tot
    de auto verschaffen wordt het alarm op
    dezelfde wijze geactiveerd als bij de
    alarminstallatie.
    Extra verwarmingssysteem
    Schakel het ultrasoon alarmsysteem
    niet in wanneer een extra verwarmingssysteem wordt gebruikt, omdat anders
    het alarm kan worden geactiveerd.

    74



  • Page 77

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    STOELEN
    De juiste zitpositie innemen
    max.30

    Breng geen extra stoelhoezen
    aan die niet speciaal zijn ontworpen voor het gebruik op stoelen
    met zij-airbags. Laat het aanbrengen
    van deze stoelhoezen over aan het
    geschoolde personeel van uw Ford
    dealer.

    Verstel de stoelen nooit tijdens
    het rijden.

    Stoelen naar voren of naar achteren
    schuiven

    • Ga zoveel mogelijk rechtop zitten met
    de onderzijde van uw rug zover mogelijk naar achteren. Kantel de rugleuning
    niet verder dan 30 graden achterover.
    • Stel de hoofdsteunen zodanig in dat
    de bovenzijde ervan gelijkligt met de
    bovenzijde van uw hoofd.
    • Zorg voor voldoende afstand ten opzichte van het instrumentenpaneel. De
    bestuurder dient het stuurwiel in de
    stand ’tien voor twee’ met licht gebogen
    armen vast te houden. De benen dienen
    ook licht gebogen te zijn zodat de pedalen tot op de bodem kunnen worden ingedrukt.

    Trek aan de hendel. Beweeg de stoel
    heen en weer zodat hij goed vergrendelt.

    • De veiligheidsgordel moet over het
    midden van de schouder liggen; de
    heupgordel moet strak over de heupen
    liggen, niet over de maag.

    75



  • Page 78

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    Lendensteun afstellen

    • Trek de armleuning langzaam tot in
    .
    de gewenste stand omhoog
    Let op! Wanneer de armleuning te
    hoog staat, moet de procedure worden
    herhaald.
    Hoogte instellen van de met de
    hand verstelbare bestuurdersstoel

    Wanneer de bestuurdersstoel is voorzien van een armleuning, bevindt de
    knop van de lendensteun zich aan de
    zijkant van de armleuning.
    Armleuning voor de bestuurder

    Hoogte instellen van de elektrisch
    bedienbare bestuurdersstoel

    • Trek de armleuning geheel omhoog,
    .
    verder dan verticaal
    • Druk de armleuning geheel naar be.
    neden, verder dan horizontaal

    76



  • Page 79

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    Elektrisch verwarmbare voorstoelen

    De stoelverwarming wordt in- en uitgeschakeld met een schakelaar op de middenconsole. De lamp in de schakelaar
    brandt wanneer het systeem is ingeschakeld. De maximum temperatuur
    wordt bereikt na vijf tot zes minuten.
    De temperatuur wordt door een thermostaat geregeld.

    Hellingshoek van rugleuning
    instellen

    Wanneer de voorstoelen helemaal naar
    voren worden geschoven kunnen de
    rugleuningen in horizontale stand worden gekanteld.
    Rugleuning naar voren klappen

    Het verwarmingssysteem werkt wanneer de contactsleutel in stand II staat.
    De accu wordt ontladen wanneer de verwarming bij stilstaande motor wordt ingeschakeld.

    Trek de vergrendelhendel uit en kantel
    de rugleuning naar voren.
    Kantel de rugleuning terug tot hij met
    een zachte klik vergrendelt.
    Plaats geen voorwerpen achter
    de stoel die het vergrendelen
    kunnen belemmeren.

    77



  • Page 80

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    Passagiersstoel volledig
    neerklappen

    Raadpleeg voor meer informatie de rubriek Kangaroo net/ opbergtas in het
    hoofdstuk Bedieningsorganen en interieuruitrusting.
    Hoofdsteunen

    Trek, om de passagiersstoel volledig
    neer te klappen, de ontgrendelhendel
    uit en klap de rugleuning tot in horizontale stand naar voren.
    Om de achterzijde van de neergeklapte
    rugleuning als tafel te kunnen gebruiken kan het net of de tas worden verwijderd.
    Trek aan de ontgrendelhendel om de
    rugleuning weer in verticale stand te
    brengen.
    Let erop dat wanneer de rugleuning
    weer in verticale stand wordt gebracht,
    de rugleuning met een zachte klik vergrendelt.
    Wanneer de zitplaats direct
    achter de passagiersstoel
    wordt gebruikt, moet de rugleuning
    van de stoel rechtop staan.

    Leg op de tafel tijdens het rijden geen voorwerpen, omdat
    deze bij een aanrijding of krachtig
    remmen de inzittenden kunnen raken.

    78

    Omhoog: trek de hoofdsteun omhoog.
    Omlaag: druk de ontgrendelknop in en
    druk de hoofdsteun naar beneden.
    Raadpleeg a.u.b. een deskundige voor
    het verwijderen van de hoofdsteunen
    van de voorstoelen.
    De hoofdsteunen kunnen volledig worden verwijderd nadat de ontgrendelknoppen zijn ingedrukt.
    Trek altijd de hoofdsteunen op
    de achterbank omhoog wanneer daarop een kinderveiligheidszitje wordt geplaatst of een passagier
    plaatsneemt.



  • Page 81

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    Zijsteunen

    De zijsteunen aan weerszijden van de
    hoofdsteunen, voor- en achterin, kunnen naar voren worden gedraaid.
    Rugleuningen van de achterbank
    naar voren klappen
    3-, 5-deurs en Wagon

    4-deurs

    Trek één of beide ontgrendelknop(pen)
    in de bagageruimte uit en kantel de rugleuning naar voren.
    Rugleuning in oorspronkelijke stand
    terugklappen
    Beide rugleuningdelen moeten door de
    sloten aan de zijkanten worden vergrendeld.
    De veiligheidsgordels moeten zich vóór
    de rugleuning bevinden.

    Druk de ontgrendelknop op de rugleuning in en klap de rugleuning naar
    voren.

    79



  • Page 82

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    Middendeel van rugleuning
    neerklappen

    Zitting en rugleuning van
    achterbank naar voren klappen

    Trek de ontgrendelknop op de rugleuning uit en kantel het middendeel van
    de rugleuning naar voren.
    Let erop, dat de rugleuning bij het
    terugklappen goed wordt vergrendeld.

    Trek aan de lus tussen de zitting en de
    rugleuning en kantel de zitting naar
    voren.
    Verwijder de hoofdsteun(en) van de
    achterbank en klap de rugleuning naar
    voren.
    Plaats de hoofdsteun(en) in de kunststof houder(s) op de nu rechtopstaande
    onderzijde van de zitting, zoals in de inzet is weergegeven.
    Let erop, wanneer de achterbank weer
    in zijn normale stand wordt teruggeplaatst, dat de veiligheidsgordels goed
    werken en zich voor de rugleuning bevinden.

    80



  • Page 83

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    Bagage vervoeren

    Plaats bagage en andere zware
    voorwerpen zo laag mogelijk en
    zo ver mogelijk naar voren in de bagageruimte. Rijden met een geopende
    bagageruimte kan gevaarlijk zijn. De
    uitlaatgassen kunnen het interieur in
    worden gezogen.

    Wanneer voorwerpen in het
    passagierscompartiment
    moeten worden geplaatst, zet deze
    dan vast met de veiligheidsgordels.

    81



  • Page 84

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    VEILIGHEIDSGORDELS
    • Draag altijd veiligheidsgordels.
    • Een veiligheidsgordel mag nooit
    door meer dan één persoon tegelijk
    worden gedragen.
    • Draag geen dikke kleding.
    • De veiligheidsgordels moeten strak
    om het lichaam worden gedragen.

    Veiligheidsgordels vastmaken

    Let erop dat elke slottong in het correcte gordelslot wordt gestoken.
    Om ervoor te zorgen dat de
    middelste veiligheidsgordel
    goed werkt moet de rugleuning van
    de achterbank goed zijn vergrendeld.

    Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig
    uit. Als er een stevige ruk aan wordt gegeven of als de auto op een helling
    staat, kan de gordel blokkeren.
    Steek de slottong in het gordelslot tot u een ’klik’ hoort; alleen
    dan is de veiligheidsgordel goed vergrendeld.
    Druk de rode knop op het gordelslot in
    om de gordel los te maken en laat de
    gordel zich gelijkmatig en volledig
    oprollen.

    82

    De bescherming van de veiligheidsgordels is maximaal wanneer de rugleuningen zich in een zo verticaal mogelijke
    stand bevinden.



  • Page 85

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    Hoogte van de voorste
    veiligheidsgordels afstellen

    Zwangere vrouwen

    Druk, om de veiligheidsgordel in hoogte
    af te stellen, de knop op het verstelmechanisme in en schuif het mechanisme
    in een zodanige stand dat de veiligheidsgordel over het midden van de
    schouder komt te liggen.

    Zwangere vrouwen moeten een
    correct aangebrachte veiligheidsgordel dragen; dit is veiliger
    voor zowel de moeder als het ongeboren kind.

    83



  • Page 86

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    De heupgordel moet comfortabel over
    de heupen liggen, laag onder de zwangere buik. De schoudergordel moet tussen de borsten liggen, boven en aan de
    zijkant van de zwangere buik.
    Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel altijd strak en niet gedraaid zit. Voor een
    optimale veiligheid moeten de veiligheidsgordels nauwsluitend rond het lichaam liggen. De veiligheidsgordels
    bieden maximale bescherming wanneer
    de rugleuningen zich in bijna verticale
    stand bevinden.

    Gordelslotspanner
    De gordelslotspanners mogen
    niet worden verwijderd. Wanneer de gordelslotspanners bij een
    aanrijding zijn geactiveerd moeten zij
    worden vervangen. Laat de gordelslotspanners door speciaal getraind
    personeel repareren en afvoeren.

    Draag bij een driepunts veiligheidsgordel nooit alleen de
    heupgordel en ga nooit op de heupgordel zitten wanneer u alleen de
    schoudergordel gebruikt. Beide zijn
    uiterst gevaarlijk en kunnen het risico
    van ernstige verwondingen vergroten.
    Het gordelsysteem met de gordelslotspanners van de voorste zitplaatsen reduceert de kans op ernstige
    verwondingen bij frontale aanrijdingen.
    Tijdens een aanrijding worden de veiligheidsgordels zo strak gespannen, dat
    alle speling wordt opgeheven.
    De gordelslotspanner wordt alleen bij
    een zware frontale aanrijding geactiveerd nadat de airbag volledig is opgeblazen en wanneer de slottong van de
    veiligheidsgordel correct in het gordelslot is vergrendeld. Raadpleeg voor
    meer informatie de rubriek Airbag.

    84



  • Page 87

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    Onderhoud van de
    veiligheidsgordels

    Controleer de gordels regelmatig op beschadiging of slijtage.
    Zowel het oprol- als het vergrendelmechanisme mogen
    niet worden gesmeerd of gerepareerd. Ook wijzigingen aan de gordels
    zijn niet toegestaan.
    Veiligheidsgordels die – als gevolg van
    een ongeluk – aan hoge spanningen
    hebben blootgestaan, moeten worden
    vervangen en de bevestigingspunten
    moeten door een deskundige worden
    gecontroleerd.
    De montage van extra of grotere luidsprekers kan invloed hebben op de werking van het blokkeermechanisme van
    de veiligheidsgordels. Raadpleeg voor
    nadere informatie uw dealer.
    Raadpleeg voor het reinigen van de veiligheidsgordels de rubriek Veiligheidsgordels reinigen in het hoofdstuk
    Onderhoud en verzorging.

    85



  • Page 88

    Stoelen en veiligheidsuitrusting

    AIRBAG
    Het systeem
    • Twee fasen airbags met gasgeneratoren.
    • Zij-airbags.
    • Gordelslotspanners.
    • Een aantal crashsensoren.
    • Een controlelamp op het instrumentenpaneel.
    • Een elektronisch regel- en diagnosesysteem.
    Let op! Het opblazen van een airbag
    gaat gepaard met een luide knal. Het is
    normaal dat een onschadelijke, poederachtige stof achterblijft.

    86

    Front-airbags
    Voor een optimale werking van de airbag moet u de zitting en de rugleuning
    correct instellen. Raadpleeg de rubriek
    de rubriek De juiste zitpositie innemen aan het begin van dit hoofdstuk.
    Dit is de ideale zitpositie voor de bestuurder en passagiers en helpt het risico op verwonding door het te dicht op
    de airbag zitten te verkleinen.



  • Page 89

    Stoelen en veiligheidsuitrusting

    Draag altijd de veiligheidsgordel en houd voldoende afstand
    tot het stuurwiel. Alleen wanneer de
    veiligheidsgordel op de juiste wijze
    wordt gedragen, kan het lichaam op
    zijn plaats worden gehouden, waardoor de airbag volledig kan worden
    opgeblazen en maximale bescherming
    kan bieden.
    Wanneer de airbag wordt opgeblazen,
    bestaat het gevaar van verwonding.

    De front-airbags treden in werking bij
    een zware frontale aanrijding binnen een hoek van maximaal 30 graden van links of van rechts. De airbags
    worden in enkele milliseconden opgeblazen. Zodra de lichamen van de inzittenden in aanraking komen met de
    airbags, stromen deze leeg waardoor de
    voorwaartse beweging wordt opgevangen.

    Wijzig de voorzijde van de auto
    op geen enkele wijze. Dit kan
    tot gevolg hebben dat de airbag onverhoeds in werking treedt.

    Bij lichte aanrijdingen, het over de
    kop slaan van de auto en bij aanrijdingen van achteren of opzij worden de front-airbags niet
    geactiveerd.

    87



  • Page 90

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    Houd het gebied vóór de airbags altijd vrij. Breng nooit iets
    op of over deze gebieden aan.

    Zij-airbags

    Een label aan de rugleuning duidt aan
    dat zij-airbags zijn gemonteerd.
    Deze gebieden mogen uitsluitend worden gereinigd met een vochtige doek;
    nooit met een natte doek!
    Laat reparaties aan het stuurwiel, de stuurkolom en het airbagsysteem over aan gedegen getrainde monteurs.

    88

    De zij-airbags bevinden zich in de zijkant van de rugleuningen van de voorstoelen. Bij een zware aanrijding in de
    flank wordt de zij-airbag aan de betreffende zijde geactiveerd, ook wanneer
    de stoel onbezet is.



  • Page 91

    Stoelen en veiligheidsuitrusting

    In opgeblazen toestand bevindt de airbag zich tussen het portier en de persoon op de stoel. Zodra deze persoon in
    aanraking komt met de airbag, stroomt
    deze weer leeg, waardoor het lichaam
    soepel wordt opgevangen.
    Bij lichte zijdelingse aanrijdingen
    en bij aanrijdingen van voren of
    van achteren, worden de zij-airbags
    niet geactiveerd.
    De crashsensoren van de zij-airbags bevinden zich aan de buitenzijde naast de
    stoelen op de vloer. Zet het contact niet
    aan indien water op de vloer staat.
    Voorkom dat de sensoren in aanraking
    komen met water en zware of scherpe
    voorwerpen.

    Reparaties aan de bekleding
    van de voorstoelen, de sensoren die daarop zijn aangebracht en de
    sensoren tegen het dak moeten worden uitgevoerd door gedegen getraind personeel. Wanneer de zij-airbags plotseling in werking treden, kan
    dit verwonding tot gevolg hebben.
    Blokkeer, belemmer of bedek de
    airbags niet omdat deze zich dan niet
    correct kan ontvouwen.
    Steek geen scherpe voorwerpen in
    gebieden waar airbags zijn
    gemonteerd. Hierdoor kunnen de
    airbags worden beschadigd.
    Breng geen extra stoelhoezen aan die
    niet speciaal zijn ontwikkeld voor het
    gebruik op stoelen met zij-airbags.
    Laat het aanbrengen van deze
    stoelhoezen over aan het geschoolde
    personeel van uw Ford dealer.

    89



  • Page 92

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    Controlelamp airbag/
    gordelslotspanner

    Kinderveiligheidszitjes

    Babyzitje

    Wanneer de contactsleutel in stand II
    wordt gedraaid, brandt de controlelamp
    in de instrumentengroep ongeveer drie
    seconden om te bevestigen dat het systeem operationeel is.
    Brandt de controlelamp niet, of blijft hij
    branden, of brandt hij met intervallen of
    continu tijdens het rijden, dan duidt dit
    op een storing. Laat het systeem door
    een deskundige controleren.

    Rijrichting
    Bijzonder gevaarlijk!! Plaats
    geen kinderveiligheidszitje op
    een stoel waarvóór zich een airbag
    bevindt!
    Oorspronkelijke tekst volgens
    ECE R94.01:
    Extreme Hazard! Do not use a
    rearward facing child restraint on
    a seat protected by an airbag in
    front of it!
    Wanneer de airbag wordt geactiveerd,
    bestaat het gevaar van overlijden of
    ernstige verwonding.

    90



  • Page 93

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    Volg bij het aanbrengen van een kinderveiligheidszitje/ babyzitje altijd de aanwijzingen van de fabrikant op.
    Er bestaat gevaar van overlijden of ernstig lichamelijk letsel
    indien de aanwijzingen van de fabrikant niet stipt worden opgevolgd of
    wanneer het kinderveiligheidszitje op
    enige wijze wordt gewijzigd.

    Neem tijdens het rijden geen
    kinderen op schoot.

    Let op!
    • Indien de auto bij een aanrijding betrokken is geweest, laat dan het kinderveiligheidszitje door speciaal hiervoor
    opgeleide monteurs controleren, daar
    het kan zijn beschadigd.
    • Laat kinderen nooit zonder toezicht
    alleen in een kinderveiligheidszitje of in
    de auto achter.
    • Zorg er bij het vastzetten van het kinderveiligheidszitje met de veiligheidsgordel voor, dat de veiligheidsgordel
    niet gedraaid zit of loszit.

    Kinderen met een lengte van 150 cm of
    minder of van 12 jaar of jonger moeten
    worden vervoerd in een speciaal kinderveiligheidszitje zoals een babyzitje, kinderveiligheidszitje of zitverhoger op de
    achterbank. In sommige landen moeten
    deze door de overheid zijn goedgekeurd.
    Zij bieden in combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels een optimale bescherming aan kinderen.

    91



  • Page 94

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    Plaatsing van
    kinderveiligheidszitjes
    Indien uw auto is uitgerust met
    een airbag aan passagierszijde
    mogen kinderen met een lengte van
    150 cm of minder of van 12 jaar en
    jonger alleen stevig vastgegespt op de
    achterbank worden vervoerd – nooit
    op de voorstoel.
    Plaatsen voor kinderveiligheidszitjes
    Gewichtsgroepen
    0

    Zitplaatsen

    tot 10 kg
    (ca. 0-9
    maanden)

    0+

    I

    II

    III

    tot 13 kg
    (ca. 0-2
    jaar)

    9-18 kg
    (ca. 9
    maanden 4 jaar)

    15-25 kg
    (ca. 3!/2-12
    jaar)

    22-36 kg
    (ca. 6-12
    jaar)

    Kinderveiligheidszitje
    met veiligheidskussen

    Babyzitje

    Zitverhoger

    Voorpassagier

    X

    X

    X

    X

    X

    Achterpassagier
    (middelste plaats)

    U

    U

    U

    U

    U

    Achterpassagier
    (plaatsen aan zijkant)

    U

    U

    U

    U

    U

    U = Zitplaats geschikt voor universele
    kinderveiligheidszitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichts-/ leeftijdsgroep.
    X = Zitplaats niet geschikt voor kinderen in deze gewichts-/ leeftijdsgroep.

    92

    Bijzonder gevaarlijk! Plaats
    geen kinderveiligheidszitje
    achterwaarts op een stoel waarvóór
    zich een airbag bevindt!



  • Page 95

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    Kindervieligheidszitjes voor
    verschillende gewichtsgroepen

    Kinderveiligheidszitje met veiligheidskussen

    De juiste keuze van een kinderveiligheidszitje is afhankelijk van de leeftijd
    en het gewicht van het kind:
    Babyzitje

    Rijrichting
    Rijrichting
    • Baby’s jonger dan ongeveer twee
    jaar en/of een lichaamsgewicht van minder dan 13 kg worden het best beschermd wanneer ze in een
    achterwaarts gekeerd babyzitje op de
    achterbank worden vervoerd.

    • Kinderen jonger dan ongeveer vier
    jaar en een lichaamsgewicht van 13 tot
    18 kg moeten stevig vastgegespt in een
    kinderveiligheidszitje op de achterbank worden vervoerd.

    93



  • Page 96

    Stoelen en veiligheidsuitrusting
    Kinderveiligheidskussen (zitverhoger)

    Een zitverhoger mag nooit worden gebruikt met alleen een
    heupgordel.

    Leg de schoudergordel nooit
    onder de arm van het kind of
    achter de rug langs.

    Gebruik nooit kussens, boeken
    of handdoeken om het kind hoger te laten zitten.

    Rijrichting
    • Kinderen tussen drieënhalf en twaalf
    jaar en lichter dan tussen 15 en 36 kg
    moeten gebruikmaken van een zitverhoger op de achterbank. Een verstelbare extra riem die aan het kussen is
    bevestigd zorgt voor een optimale ligging van de diagonale riem over de
    schouder. Zorg ervoor dat uw kind
    rechtop zit.

    94



  • Page 97

    Starten
    ALGEMENE OPMERKINGEN OVER
    HET STARTEN

    MOTOR STARTEN

    Schakel de startmotor niet langer dan
    15 seconden achtereen in of 30 seconden voor uitvoeringen met een dieselmotor. Laat de sleutel los zodra de
    motor aanslaat.

    Uitvoeringen met benzinemotor

    Wanneer de motor niet is aangeslagen,
    draai dan de contactsleutel in de stand
    0 en herhaal de startprocedure.
    Wanneer de motor niet
    aanslaat, raadpleeg dan de
    instructies met betrekking tot de
    veiligheidsschakelaar van het
    inspuitsysteem op bladzijde 115.

    Uitvoeringen met benzinemotor
    Als de accukabels losgekoppeld zijn geweest, kan de motor een afwijkende
    draaikarakteristiek vertonen en moet
    er, nadat de accukabels weer zijn aangesloten, een afstand van ca. 8 km worden afgelegd om de computer opnieuw
    te programmeren.
    Dit wordt veroorzaakt doordat het motormanagementsysteem zich opnieuw
    moet aanpassen aan de motor. Alle onregelmatigheden tijdens deze periode
    moeten worden genegeerd.

    Koude/ warme motor
    • Druk het koppelingspedaal volledig in
    en start de motor zonder het gaspedaal
    aan te raken.
    • Indien de motor niet binnen vijftien
    seconden aanslaat, wacht dan even en
    herhaal de startprocedure.
    • Als de motor na drie startpogingen
    nog niet is aangeslagen, wacht dan 10
    seconden en volg de procedure zoals
    onder Verzopen motor is beschreven.
    • Wanneer startproblemen worden ondervonden bij temperaturen lager dan
    -25 ºC, druk dan het gaspedaal 1/4 tot
    1/2 in om het aanslaan te vergemakkelijken.
    Verzopen motor
    • Druk het koppelingspedaal volledig
    in.
    • Druk het gaspedaal langzaam volledig in, houd het in deze stand en start
    de motor.
    • Slaat de motor niet aan, herhaal dan
    de startprocedure zoals beschreven onder Koude/ warme motor.

    Toerentalbegrenzer
    De elektronische toerentalbegrenzer
    beschermt de motor tegen te hoge toerentallen.

    95



  • Page 98

    Starten
    Uitvoeringen met automatische
    transmissie

    Uitvoeringen met een dieselmotor
    Koude/ warme motor
    • Druk het koppelingspedaal in zonder
    het gaspedaal aan te raken.

    Rempedaal

    • Draai de contactsleutel in de stand II
    en controleer of de controlelamp van
    het voorgloeisysteem brandt.
    Controlelamp voorgloeien uit

    De motor kan alleen worden gestart
    wanneer de keuzehendel in de stand N
    of P staat.
    De keuzehendel van uw auto is uitgerust met een extra blokkeersysteem dat
    in werking treedt wanneer de hendel in
    de parkeerstand wordt geplaatst.
    Na het starten van de motor kan de
    keuzehendel alleen uit deze stand worden gezet als het rempedaal en de
    veerbelaste knop worden ingedrukt.
    Trek voordat de keuzehendel
    in een rijstand wordt geplaatst
    de handrem aan of druk het rempedaal in. Zo voorkomt u dat de auto in
    beweging komt wanneer u een rijstand inschakelt.
    Wanneer de motor koud is, draait hij
    direct na het aanslaan met een verhoogd stationair toerental. Dit veroorzaakt in alle vooruit standen een sterke
    neiging tot ’kruipen’.

    96

    • Wacht tot de controlelamp uitgaat en
    schakel vervolgens de startmotor zonder onderbrekingen in tot de motor
    aanslaat.
    • Herhaal de complete startprocedure
    wanneer de motor afslaat.
    • Bij temperaturen lager dan -15 ºC kan
    het noodzakelijk zijn de startmotor tot
    30 seconden in te schakelen. Wanneer
    de auto vaak onder dergelijke omstandigheden wordt gebruikt is het raadzaam een verwarmingselement in het
    motorblok te laten monteren.



  • Page 99

    Starten
    De motor afzetten
    Wacht tot de motor stationair draait ...

    ... en druk nooit het gaspedaal in.
    Wacht tot de motor stationair draait en
    zet het contact af.
    Als de motor bij een hoger toerental
    wordt afgezet, zal de turbocompressor
    nog draaien terwijl de oliedruk al tot nul
    is gedaald. Dit heeft vroegtijdige slijtage
    van de compressorlagers tot gevolg.

    97



  • Page 100

    Rijden
    RIJDEN MET EEN AUTO MET
    AUTOMATISCHE TRANSMISSIE

    Wegrijden in zand, modder of
    sneeuw

    Wegrijden

    Plaats, terwijl de motor stationair draait
    en het rempedaal ingedrukt wordt gehouden, de keuzehendel in een rijstand.
    Laat het rempedaal los. De auto zal
    langzaam in de gekozen richting wegrijden. Druk het gaspedaal in om de snelheid op te voeren.
    Indien uw auto is uitgerust met
    een automatische transmissie
    kan de motor niet worden gestart
    door aanduwen of aanslepen. Gebruik
    hulpstartkabels en een hulpaccu.

    98

    Zit de auto vast, probeer dan door wisselend voor- en achteruit te rijden los
    te komen. Plaats hiertoe de keuzehendel achtereenvolgens in de standen D
    en R en druk het gaspedaal zo min mogelijk in.
    Voor een optimaal resultaat moet de
    keuzehendel in de stand R worden geplaatst terwijl de auto nog vooruit rijdt
    en omgekeerd.
    Om overmatige belasting van de transmissie te voorkomen, moet tijdens het
    voor- en achteruitrijden (‘schommelen’)
    het motortoerental zo laag mogelijk
    worden gehouden.
    Bij uitzondering mag stand 2 worden
    gebruikt voor het wegrijden op een beijzeld of besneeuwd wegdek.



  • Page 101

    Rijden
    Geforceerd terugschakelen
    (kickdown)

    De automatische transmissie kan extra
    trekkracht leveren voor het beklimmen
    van steile hellingen of het uitvoeren van
    inhaalmanoeuvres. Druk, om de kickdown in te schakelen, het gaspedaal
    volledig in en houd het ingedrukt terwijl
    de keuzehendel in de stand D staat.
    De transmissie schakelt pas naar een
    hogere versnelling zodra het maximum
    toerental is bereikt.

    Handmatig schakelen
    Wegrijden

    Plaats de keuzehendel in de stand 1, zet
    de handrem vrij en druk het gaspedaal
    in. Naarmate de snelheid toeneemt verplaatst u de keuzehendel in de standen
    2 en D.
    Terugschakelen
    Wanneer tijdens het rijden de keuzehendel vanuit de stand D in de stand 2
    wordt geplaatst, schakelt de transmissie
    naar de tweede versnelling terug zodra
    de snelheid tot minder dan 110 km/h is
    afgenomen en blijft in deze versnelling.
    Wanneer de keuzehendel in de stand 1
    wordt geplaatst, dan blijft de transmissie in de tweede versnelling tot de snelheid tot minder dan 45 km/h is
    afgenomen. Daarna schakelt de transmissie naar de eerste versnelling terug
    en blijft in deze versnelling. Schakel terug op lange afdalingen, lange opwaartse hellingen en op bochtige
    wegen.

    99



  • Page 102

    Rijden
    Stoppen
    Laat het gaspedaal los en druk het rempedaal in. Laat de keuzehendel in de
    eerder gekozen stand staan. Om weer
    weg te rijden hoeft u alleen uw voet van
    het rempedaal te nemen.

    Onjuiste brandstofsoort
    Wanneer u uw tank hebt gevuld met de onjuiste brandstofsoort of additieven, probeer dan
    niet de motor te starten. Hierdoor
    kan de motor worden beschadigd.

    TANKEN
    Raadpleeg tevens de rubriek Brandstof
    in het hoofdstuk Inhouden en specificaties.
    Tanken
    Om overstromen te voorkomen, hetgeen gevaar kan opleveren voor andere weggebruikers,
    moet altijd met tanken worden gestopt als het vulpistool voor de
    tweede keer afslaat. Alle brandstof
    die u dan nog toevoegt vult de expansieruimte in de brandstoftank, hetgeen er toe kan leiden dat de brandstof overstroomt.

    Het brandstofsysteem staat onder druk. Er bestaat kans op
    verwonding wanneer het brandstofsysteem lekt. Vermijd open vuur of
    hitte in de omgeving van het brandstofsysteem.

    100

    Rijden met een katalysator
    • Rijd de tank nooit helemaal leeg.
    • Vermijd onnodig lange startpogingen.
    • Laat de motor niet draaien met een
    losgekoppelde bougiekabel.
    • Sleep of duw de auto niet aan wannee
    de motor op bedrijfstemperatuur is; gebruik hulpstartkabels.
    • Zet nooit het contact af zolang de
    auto nog rijdt.
    Parkeren
    Let erop dat u uw auto nooit
    parkeert of stationair laat
    draaien boven brandbare materialen
    zoals droge bladeren of verdord gras.
    Na het afzetten van de motor straalt
    het uitlaatsysteem nog gedurende
    enige tijd veel warmte uit, waardoor
    gevaar van brand kan ontstaan.



  • Page 103

    Rijden
    RIJDEN MET EEN AANHANGER

    Afneembare trekhaakkogel

    Wanneer uw auto is uitgerust
    met een trekhaak met afneembare kogel, verwijder deze dan altijd
    wanneer u zonder aanhanger rijdt.
    Het maximum toelaatbaar wagengewicht en het aanhangergewicht geven
    de technische eisen weer, die worden
    gesteld voor hellingen tot 12% en bij
    hoogten van 1 000 meter boven de zeespiegel.
    In hoger geleden gebieden worden de
    prestaties van de motor door de lagere
    luchtdruk nadelig beïnvloed. Daarom
    gelden de volgende beperkingen:
    Boven 1 000 meter moet het maximum
    toelaatbaar totaalgewicht voor iedere
    1 000 meter hoger met 10% worden
    verlaagd.

    Laat een verwijderde trekhaakkogel nooit los in de auto liggen. Bij een aanrijding neemt hierdoor de kans op verwondingen toe.

    Steile hellingen
    Schakel bij het naderen van steile afdalingen tijdig terug. Houd rekening met
    het beperkte effect van de aanhangerremmen. Gebruik om oververhitting van
    de remmen te voorkomen de voetrem
    slechts korte periodes. Plaats bij het beklimmen of afdalen van steile hellingen
    bij uitvoeringen met een automatische
    transmissie de keuzehendel in stand 1.
    Houd er rekening mee dat de
    oplooprem van een aanhanger
    geen deel uitmaakt van het antiblokkeersysteem van de auto.

    Verwijder, om de kogel aan te brengen,
    het paneel (alleen 3- en 5-deurs uitvoeringen) uit de beplating onder de achterbumper. Verwijder beide schroeven
    en neem het paneel voorzichtig los.

    101



  • Page 104

    Rijden
    Voor en na de winter moeten de schroeven van het paneel met vet worden ingesmeerd.

    Indien de trekhaak niet wordt gebruikt
    moet de kogel altijd stevig in de bagageruimte worden bevestigd.
    De trekhaakkogel mag alleen worden
    aangebracht wanneer het mechanisme
    correct is ontgrendeld.
    Het aanbrengen van de afneembare trekhaakkogel moet
    bijzonder zorgvuldig plaatsvinden
    aangezien de juiste bevestiging bepalend is voor de veiligheid van uw auto
    en de aanhanger.

    102

    Afneembare trekhaakkogel
    ontgrendelen

    • Verwijder de beschermkap. Steek de
    sleutel in het slot en draai hem linksom
    om de koppeling te ontgrendelen.
    • Trek de draaiknop naar buiten en
    draai hem rechtsom totdat hij klikt.
    • Het rode merkteken op de draaiknop
    moet in lijn liggen met het witte merkteken op de trekhaakkogel.
    • Laat de draaiknop los. De trekhaakkogel is nu ontgrendeld.
    Gebruik geen gereedschap
    voor het aanbrengen of verwijderen van de afneembare trekhaakkogel. Wijzig de aanhangerkoppeling
    niet. Demonteer of repareer de trekhaakkogel niet.



  • Page 105

    Rijden
    Afneembare trekhaakkogel
    aanbrengen
    Breng de trekhaakkogel alleen
    aan wanneer de koppeling volledig is ontgrendeld.

    • Verwijder de plug.

    Rijden met een aanhanger
    Controleer voordat u gaat rijden of de
    trekhaakkogel goed is vergrendeld.
    Controleer:

    • Of het groene vlak tegenover het
    witte merkteken staat.
    • Of de draaiknop correct op de trekhaakkogel is aangebracht.
    • Of de sleutel is verwijderd.
    • Of de trekhaakkogel stevig vastzit.
    (Moet stevig op zijn plaats blijven zitten
    als er aan getrokken wordt.)
    Wanneer aan een van deze
    voorwaarden niet wordt voldaan, gebruik dan de trekhaak niet en
    laat hem door een dealer inspecteren.

    • Breng de trekhaakkogel verticaal aan
    en druk hem naar boven tot hij aangrijpt. (Houd uw hand hierbij niet in de
    omgeving van de draaiknop.)
    • De trekhaakkogel vergrendelt automatisch. Het groene vlak moet tegenover het witte merkteken staan.
    • Vergrendelen: draai de sleutel
    rechtsom en verwijder hem.
    • Breng de beschermkap op het slot
    aan.

    103



  • Page 106

    Rijden
    Afneembare trekhaakkogel
    verwijderen

    • Koppel de aanhanger af.
    • Verwijder de beschermkap. Steek de
    sleutel in het slot en draai hem linksom.
    • Houd de trekhaakkogel vast. Trek de
    draaiknop naar buiten en draai hem
    rechtsom. Verwijder de trekhaakkogel.
    • Laat de draaiknop los.
    Wanneer de trekhaakkogel op deze
    wijze wordt ontgrendeld, kan hij te allen tijde weer worden aangebracht.

    • Breng het paneel (alleen 3- en
    5-deurs uitvoeringen) onder de achterbumper aan en zet het met twee
    schroeven vast.
    • Wordt het systeem gedurende langere tijd niet gebruikt, zet het systeem
    dan in vergrendelde stand vast: druk de
    ontgrendelknop naar voren.
    Ontgrendel, om verwondingen
    te voorkomen, de trekhaakkogel nooit wanneer de aanhanger nog
    is aangekoppeld.

    Onderhoud
    Houd het systeem schoon. Smeer de
    lagerpunten, glij-oppervlakken en vergrendelingskogels met harsvrij vet of
    olie. Smeer het slot met grafiet.
    • Breng de plug in de opening aan.

    Verwijder voordat u uw auto
    met een hogedrukreiniger reinigt de afneembare trekhaakkogel en
    sluit de opening met de plug af.
    Bewaar het sleutelnummer op een veilige plaats.

    104



  • Page 107

    Rijden
    IMPERIAAL
    3-, 4- en 5-deurs

    Draai de pluggen weer in de draadgaten
    nadat de imperiaal is verwijderd.
    De bevestigingspunten voor de Ford
    imperiaal bevinden zich midden boven
    de portieren en zijn bereikbaar nadat de
    rubber afdichtstrip van de dakrand is
    losgetrokken. (Bij driedeurs uitvoeringen bevinden de achterste bevestigingspunten zich bij de achterklep.)
    Verwijder de pluggen.

    Wagon met geïntegreerde dakrails

    De zijrails zijn ontworpen voor het bevestigen van racks (voor fietsen, ski’s,
    enz.) uit het Ford Accessoires Programma kunnen worden gemonteerd.

    105



  • Page 108

    Rijden
    De maximaal toelaatbare dakbelasting
    bedraagt 100 kg.

    REMMEN

    De lading moet gelijkmatig worden
    verdeeld over de dwarsstangen en/of
    de dakrails. Plaats nooit lading direct op
    het dakpaneel.

    Tweekrings remsysteem

    550 mm

    700 mm

    Let op! Vergrendelbare dwarsstangen
    uit het Ford Accessoires Programma
    zijn bij uw Ford dealer verkrijgbaar.
    Breng nooit dwarsstangen aan boven de
    achterzijde van het schuif/kanteldak,
    waardoor het kantelmechanisme wordt
    geblokkeerd.
    Om het windgeruis tot een minimum te
    verminderden kunt u, wanneer het bagagerek niet in gebruik is, de twee
    dwarsstangen desgewenst tot een afstand van 30 cm naar elkaar toeschuiven en vastzetten of helemaal
    verwijderen.

    Uw auto is voorzien van een diagonaal
    gescheiden tweekrings remsysteem. Bij
    een storing in één van de remcircuits
    blijft het andere circuit normaal functioneren.
    Wanneer een remcircuit uitvalt, voelt u het eerst dat het
    rempedaal zachter aanvoelt. Bovendien zult u meer kracht op het rempedaal moeten uitoefenen en moet u
    rekening houden met een langere
    remweg. Laat het remsysteem onmiddellijk door een deskundige controleren.

    Schijfremmen

    Natte remschijven hebben een lagere
    wrijvingscoëfficiënt.
    Druk na het verlaten van een wasstraat
    het rempedaal even voorzichtig in om
    de waterfilm op de remschijven te laten
    verdampen.

    106



  • Page 109

    Rijden
    Controlelamp remsysteem

    Bij aangetrokken handrem brandt de
    controlelamp.
    Als de controlelamp na het
    loszetten van de handrem
    blijft branden of tijdens het rijden
    gaat branden, laat het systeem dan
    onmiddellijk door een deskundige
    controleren.

    Hoewel het ABS een zo effectief mogelijke remwerking garandeert, blijft de remweg toch ook
    afhankelijk van de conditie van het
    wegdek en de rijomstandigheden.
    Ook het ABS kan een ongeval niet
    verhinderen indien de bestuurder onvoldoende afstand tot zijn voorligger
    bewaart, een bocht met te hoge snelheid neemt, dan wel met aquaplaning
    of een slecht wegdek wordt geconfronteerd.

    Antiblokkeersysteem (ABS)

    Het ABS treedt alleen in werking wanneer één van de wielen op het punt
    staat te blokkeren. De werking is herkenbaar aan het licht pulseren van het
    rempedaal terwijl de auto volledig bestuurbaar blijft. Laat tijdens het remmen het rempedaal niet los.

    107



  • Page 110

    Rijden
    TRACTION CONTROL SYSTEM
    (TCS)/ ELEKTRONISCH
    STABILITEITS PROGRAMMA (ESP)

    Het systeem kan worden geactiveerd
    tijdens het accelereren op een glad
    wegdek of op losse ondergrond, of tijdens het optrekken op een helling.

    Traction control system

    Dit model is leverbaar met twee verschillende typen Traction Control.

    Hoewel het Traction Control
    System een grote mate van veiligheid biedt, mag dit nooit een aansporing zijn om onnodige risico’s te
    nemen.
    Werkingsprincipe

    Brake Traction Control System
    (BTCS)
    (1,4 l Zetec-SE en dieselmotoren)
    Dit systeem minimaliseert wielslip om
    de tractie bij lagere snelheden te verbeteren.
    Traction Control System (TCS)
    (1,6 l Zetec-SE, 1,8 l Zetec-E,
    2,0 l Zetec-E motoren en
    2,0 l Duratec-ST motoren)
    Dit systeem regelt de wielslip door het
    motorkoppel te verlagen en het BTCS
    in te schakelen teneinde de stabiliteit,
    bestuurbaarheid en de tractie bij alle
    snelheden te verbeteren.

    Controlelamp BTCS/TCS
    Het Traction Control System beperkt de
    wielslip van de aangedreven wielen.

    108



  • Page 111

    Rijden
    Elektronisch Stabiliteits Programma
    (ESP)
    Hoewel het Elektronisch Stabiliteits Programma een grote
    mate van veiligheid biedt, mag het
    nooit een aansporing zijn onnodige
    risico’s te nemen.

    met ESP

    zonder ESP

    Controlelamp ESP
    Werkingsprincipe
    Het Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP) helpt de bestuurder bij
    het handhaven van de stabiliteit en de
    bestuurbaarheid van de auto. Het systeem combineert het antiblokkeersysteem (ABS) en het Traction Control
    (TCS) en onderdrukt de neiging van de
    auto om uit te breken, waardoor een
    grotere stabiliteit wordt verkregen.

    ESP controleert continu de beweging
    van de auto ten opzichte van de door de
    bestuurder gewenste koers. Dit vindt
    plaats met behulp van sensoren die de
    ingaande signalen van de stuurinrichting vergelijken met de werkelijke beweging van de auto. Wanneer het
    systeem een verschil registreert, wijzigt
    het ESP de kracht naar beide wielen om
    dit verschil te corrigeren.

    109



  • Page 112

    Rijden
    Wanneer de auto naar links of rechts
    begint te draaien, wegslipt, of zijdelings
    begint te schuiven, zal het systeem
    trachten deze beweging te corrigeren.
    Wanneer de auto niet op stuurwielbewegingen reageert, zal het systeem
    trachten de draaiende beweging van de
    auto te veranderen.
    ESP werkt niet tijdens het achteruitrijden. Bij ingeschakelde achteruit blijven
    het ABS en het TCS werken.
    Rijden met TCS/ESP

    Controlelamp BTCS/TCS

    Controlelamp ESP
    Wanneer het systeem tijdens het rijden
    wordt geactiveerd, knippert de controlelamp (behalve BTCS).

    110

    Wanneer bij het aanzetten van het contact de controlelamp niet brandt of
    wanneer hij tijdens het rijden blijft
    branden, duidt dit op een storing. Bij
    storingen schakelt het systeem automatisch uit. Laat het systeem door een
    deskundige controleren.
    Let op! Wanneer het systeem handmatig wordt uitgeschakeld door op de
    schakelaar van het Traction Control
    System (TCS)/ Elektronisch Stabiliteits
    Programma (ESP) te drukken, brandt
    de controlelamp en blijft deze branden
    tot het systeem weer wordt ingeschakeld of het contact wordt afgezet.



  • Page 113

    Rijden
    Traction Control System (TCS)/
    Elektronisch Stabiliteits Programma
    (ESP) uitschakelen

    Let op! Het Brake Traction Control
    System (BTCS) kan niet worden uitgeschakeld.

    Wanneer u met sneeuwkettingen of een
    reservewiel rijdt, of een auto uit de
    sneeuw wilt ’losschommelen’, verdient
    het aanbeveling het systeem uit te schakelen.
    Controlelamp BTCS/TCS

    Controlelamp ESP
    Wanneer het systeem is uitgeschakeld,
    brandt de controlelamp continu.
    Schakelaar
    TCS

    Schakelaar
    ESP

    Het systeem kan handmatig worden uitgeschakeld door de schakelaar van het
    Traction Control System (TCS)/ Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP)
    in te drukken.

    Het systeem wordt telkens bij het aanzetten van het contact automatisch ingeschakeld.
    Raadpleeg voor meer informatie de rubrieken Traction Control System
    (TCS)/ Schakelaar Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP), Reservewiel en Sneeuwkettingen.

    111



  • Page 114

    Rijden
    ULTRASONE PARKEERHULP

    Het systeem bestaat uit ultrasone sensoren in de achterbumper, een regelunit en een luidspreker. Het systeem
    meet tijdens het achteruitrijden de afstand tot het dichtstbijzijnde obstakel
    en helpt met geluidssignalen de bestuurder bij het correct schatten van de
    afstand.

    De parkeerhulp is een extra
    systeem dat niet bedoeld is om
    de bestuurder van zijn plicht te ontheffen om tijdens het achteruitrijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.
    Vooral obstakels die zich dicht bij de
    auto (ca. 30 cm) en boven of onder
    de sensoren bevinden, worden mogelijk niet door de ultrasone parkeerhulp ’gezien’ en kunnen schade aan
    de auto veroorzaken. Ultrasone geluidsgolven, hevige regen en/of omstandigheden die storende reflecties
    veroorzaken kunnen ertoe leiden dat
    obstakels niet door de sensoren worden opgemerkt. Bovendien worden
    voorwerpen die ultrasone geluidsgolven absorberen als gevolg van hun
    ongunstige oppervlakte-eigenschappen niet altijd opgemerkt.
    Bij aangezet contact wordt het systeem
    automatisch geactiveerd bij het inschakelen van de achteruit. Ter bevestiging
    dat het systeem gereed voor gebruik is
    klinkt een kort signaal.

    112



  • Page 115

    Rijden
    Storingen worden aangeduid door een
    ononderbroken laag signaal of door een
    laag signaal dat elke drie seconden
    wordt onderbroken. In beide gevallen is
    het systeem niet betrouwbaar. Laat het
    systeem door een deskundige controleren.

    Houd de sensoren altijd vrij van vuil,
    sneeuw en ijs om een goede werking te
    waarborgen (reinig de sensoren niet
    met een scherp voorwerp).

    De meetafstand is onderverdeeld in vijf
    waarschuwingszones. Als de afstand tot
    een obstakel afneemt, klinken waarschuwingssignalen, beginnend als langzame pieptoon die toeneemt tot een
    ononderbroken signaal.

    113



  • Page 116

    Wat te doen bij pech
    SCHAKELAAR WAARSCHUWINGSKNIPPERLICHTEN

    Indien de motortemperatuur blijft stijgen zorgt het systeem ervoor dat de cilinders afwisselend van brandstof
    worden voorzien. De cilinders die geen
    brandstof krijgen toegevoerd, werken
    als luchtpompen en zorgen ervoor dat
    de motor afkoelt.

    Druk op de schakelaar om de knipperlichten in of uit te schakelen. De waarschuwingsknipperlichten werken ook
    bij afgezet contact.
    FAIL SAFE KOELSYSTEEM
    Indien het koelsysteem is leeggelopen
    maakt dit systeem het mogelijk korte
    tijd te blijven doorrijden zonder dat de
    motor hierdoor wordt beschadigd. De
    ’Fail Safe’-afstand die nog kan worden
    afgelegd is afhankelijk van de buitentemperatuur, de belading van de auto
    en het terrein.
    Werkingsprincipe

    Wanneer dit gebeurt gaat ook de controlelamp van de motor branden.
    De wagen kan blijven rijden, maar beschikt over minder motorvermogen en
    de airconditioning (indien gemonteerd)
    wordt uitgeschakeld.
    Wordt te lang doorgereden, dan neemt
    de motortemperatuur nog verder toe en
    zal de motor volledig worden uitgeschakeld.

    Voordat de motor volledig wordt uitgeschakeld knippert de multifunctionele
    controlelamp automatische transmissie/
    koelsysteem 30 seconden.
    Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan.
    Indien de motor oververhit raakt zal de
    wijzer van de temperatuurmeter zich in
    de rode zone begeven en zal de multifunctionele controlelamp automatische
    transmissie/ koelsysteem gaan branden.

    114



  • Page 117

    Wat te doen bij pech
    Indien het ’Fail Safe’ systeem is geactiveerd:
    • Breng de auto tot stilstand zodra dit
    veilig kan.

    VEILIGHEIDSSCHAKELAAR
    BRANDSTOFSYSTEEM
    (uitvoeringen met benzinemotor)

    • Zet, om ernstige beschadiging van de
    motor te voorkomen, onmiddellijk het
    contact af.
    • Laat de motor afkoelen.
    • Controleer het koelvloeistofpeil.
    Raadpleeg hoofdstuk Onderhoud en
    verzorging.
    • Laat de auto onmiddellijk door een
    deskundige controleren.

    De branstoftoevoer kan worden onderbroken in geval van een ongeluk of plotselinge trillingen (bijvoorbeeld als u
    tijdens een parkeermanoeuvre ergens
    tegenaan rijdt).
    De schakelaar bevindt zich in het zijpaneel, voor het rechter voorportier. Als
    de schakelaar geactiveerd wordt,
    springt de knop op de schakelaar omhoog.

    115



  • Page 118

    Wat te doen bij pech
    Stel de veiligheidsschakelaar
    van het brandstofsysteem niet
    terug wanneer u brandstof ziet of
    ruikt.

    Schakelaar terugstellen
    • Draai de contactsleutel in de stand 0.
    • Controleer het brandstofsysteem op
    lekkage.
    • Als u geen lekkage hebt geconstateerd, kunt u de knop op de veiligheidsschakelaar indrukken (zie afbeelding).
    • Draai de contactsleutel in de stand II.
    Draai na een paar seconden de sleutel
    terug in de stand I.
    • Controleer het brandstofsysteem opnieuw op lekkage.

    GLOEILAMPEN VERVANGEN
    Schakel altijd de lampen uit en zet het
    contact af voordat u een gloeilamp vervangt.
    Houd de gloeilampen nooit bij het glas
    vast. Monteer uitsluitend gloeilampen
    die zijn voorzien van een UV-filter. Vervang een defecte gloeilamp altijd door
    een nieuw exemplaar van hetzelfde
    type.
    Controleer na het vervangen van een
    gloeilamp of deze correct werkt.
    Laat na het vervangen van een
    gloeilamp de koplampafstelling
    door een deskundige controleren.
    Laat bij uitvoeringen met Xenon koplampen deze gloeilampen door uw dealer vervangen. Door
    de hoge spanning bestaat het gevaar
    van verwonding.
    Xenon-koplampen afstellen
    De koplampen kunnen door een deskundige worden afgesteld voor links- of
    rechtsrijdend verkeer.

    116



  • Page 119

    Wat te doen bij pech
    Koplampen, stadslichten,
    richtingaanwijzers, voor

    Koplamp – dimlicht
    55 watt H7 halogeen gloeilamp

    Open de motorkap. Verwijder aan de
    linkerzijde de kap van de accu om de
    gloeilampen beter te kunnen bereiken.

    Maak de draadklem los en verwijder de
    kap. Let er bij het aanbrengen van de
    kap op, dat de nokken op de kap stevig
    in de uitsparingen komen te zitten en
    dat de draadklem weer goed op zijn
    plaats wordt gedrukt.

    Trek de stekker los, druk op de draadklem en draai hem terzijde. Verwijder
    de gloeilamp.
    Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.

    117



  • Page 120

    Wat te doen bij pech
    Koplamp – grootlicht

    Stadslicht

    55 watt H1 halogeen gloeilamp

    5 watt lampje met glazen voet

    Druk de klemmen aan weerszijden van
    de lamphouder in en trek hem los. Verwijder voorzichtig de gloeilamp uit de
    houder.

    Trek de stekker los, druk op de draadklem en draai hem terzijde. Aan de linkerzijde moet de gloeilamp 180º worden
    gedraaid. Verwijder de gloeilamp.
    Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.

    118

    Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan. De
    klemmen moeten in horizontale stand
    staan.



  • Page 121

    Wat te doen bij pech
    Richtingaanwijzer, voor

    Mistlamp, vóór

    21 watt kogellamp

    H11, 55 watt halogeen gloeilamp

    Werk de rand van de mistlamp los.
    Draai de kruiskopschroef los en trek de
    mistlamp uit de opening.
    Draai de lamphouder 30 graden linksom
    en trek hem los. Draai voorzichtig de
    gloeilamp linksom en verwijder hem.
    Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.

    Draai de lamphouder een kwart slag
    linksom en trek hem los.
    De gloeilamp en de lamphouder vormen
    een geheel en moeten samen worden
    vervangen.
    Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.

    119



  • Page 122

    Wat te doen bij pech
    Mistlamp, vóór (ST170)

    Zijknipperlicht

    H3, 55 watt halogeen gloeilamp

    5 watt lampje met glazen voet

    Draai de kap linksom en verwijder hem.
    Maak zo nodig de stekkers los om de
    kap volledig te kunnen verwijderen.

    Schuif het lamphuis naar beneden en
    trek hem uit de opening.
    Houd de lamphouder vast; draai het
    lamphuis linksom los en verwijder het.
    Trek de gloeilamp uit de houder.
    Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.

    Druk de klemveer naar beneden en zijwaarts. Trek hem naar boven. Verwijder
    de gloeilamp en vervang hem.
    Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.

    120



  • Page 123

    Wat te doen bij pech
    Achterlichtunits (3- en 5-deurs)
    Achterlicht, remlicht en
    richtingaanwijzer

    Draai de lamphouder zover mogelijk
    linksom en neem hem uit het lamphuis.
    Open de achterklep. Verwijder vanuit
    de bagageruimte de moer op de kap van
    de achterlichtunit. Verwijder de schroef
    en trek voorzichtig het lamphuis los.

    Druk voorzichtig de gloeilamp in en
    draai hem linksom los. Verwijder de
    gloeilamp.
    Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.

    121



  • Page 124

    Wat te doen bij pech
    Achteruitrijlamp en mistachterlicht

    Mistachterlicht 21 watt
    Achteruitrijlamp, 21 watt
    Achterlichten (4-deurs)

    Druk de klem aan de achterzijde van
    het lamphuis naar beneden en druk het
    lamphuis naar buiten. Trek de stekker
    los.
    Draai de lamphouder zover mogelijk
    linksom en trek hem los.
    Druk voorzichtig de gloeilamp in en
    draai hem linksom los. Verwijder de
    gloeilamp.
    Het aanbrengen vindt in omgekeerde
    volgorde plaats.

    122

    Verwijder vanuit de bagageruimte de
    drie vleugelmoeren waarmee het lamphuis is bevestigd. Druk voorzichtig het
    lamphuis naar buiten.
    Trek de klemmen op de lamphouder
    omhoog en maak de lamphouder los van
    het lamphuis.
    Druk voorzichtig de gloeilamp in en
    draai hem linksom los. Verwijder de
    gloeilamp.
    Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.



  • Page 125

    Wat te doen bij pech

    Rem-/ achterlicht 5/21 watt
    Richtingaanwijzer 21 watt

    Rem-/ achterlicht 5/21 watt

    Achteruitrijlamp, 21 watt

    Richtingaanwijzer 21 watt

    Mistachterlicht 21 watt

    Mistachterlicht 21 watt

    Achterlichten (Wagon)

    Achteruitrijlamp, 21 watt
    Kentekenplaatverlichting
    5 watt buislamp

    Verwijder bij geopend achterlicht de
    schroeven. Druk voorzichtig het lamphuis naar buiten.
    Druk de klemmen naar elkaar toe en
    neem de lamphouder los van het lamphuis.
    Druk voorzichtig de gloeilamp in en
    draai hem linksom los. Verwijder de
    gloeilamp.

    Steek een dun schroevendraaiertje in
    de uitsparingen en druk de complete
    lamphouder los. Trek de gloeilamp uit
    de houder.
    Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.

    Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.

    123



  • Page 126

    Wat te doen bij pech
    Derde remlicht
    3-/5-deurs en Wagon
    5 watt lampje met glazen voet (5x)

    Maak de lamphouder los. Trek de gloeilamp uit de houder.
    Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
    Interieurverlichting
    10 watt buislamp

    Verwijder de schroeven en neem het
    lampglas los.
    Maak de lamphouder los van de reflector. Trek de gloeilamp uit de houder.
    Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
    4-deurs

    Schakel de interieurverlichting uit
    (middelste stand). Maak het lamphuis
    aan de zijde tegenover de schakelaar
    voorzichtig met een dun schroevendraaiertje los.
    Verlichting, voor: vervang de gloeilamp.

    5 watt lampje met glazen voet (5x)

    Open de bagageruimte. Maak met behulp van een schroevendraaier de bevestigingen van de vloerbedekking en
    de bekleding op de achterklep los.

    124

    Verlichting, achter: verwijder de reflector en vervang de gloeilamp.
    Breng in omgekeerde volgorde een
    nieuwe gloeilamp aan.



  • Page 127

    Wat te doen bij pech
    Interieurverlichting
    (optie op de ST170)

    Leeslampen
    (optie op de ST170)

    10 watt buislamp

    6 watt lampje met glazen voet

    Deze gloeilamp kan worden vervangen
    zonder het lamphuis van het dak los te
    maken. Controleer of de schakelaar in
    de stand OFF (uit) staat.

    Steek een schroevendraaier in de opening en werk voorzichtig het lamphuis
    los uit het dak. Maak de metalen klemveer los.

    Steek een schroevendraaier in de opening tussen het lamphuis en het glas en
    werk het glas voorzichtig los. Vervang
    de gloeilamp.

    Draai de lamphouders linksom los. Vervang de gloeilamp.

    Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.

    Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.

    Leeslampen
    5 watt lampje met glazen voet

    De gloeilampen kunnen worden vervangen nadat de contactplaat is teruggeklapt.

    125



  • Page 128

    Wat te doen bij pech
    Verlichting make-up spiegels
    5 watt lampje met glazen voet

    Werk het lamphuis met een schroevendraaier los. Vervang de gloeilamp.
    Breng het lamphuis aan de zijde tegenover de schakelaar het eerst in de opening aan.
    Bagageruimteverlichting
    5 watt lampje met glazen voet

    Maak voorzichtig met een dun schroevendraaiertje de lamp uit de houder los
    en verwijder de gloeilamp.
    Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.

    126



  • Page 129

    Wat te doen bij pech
    ZEKERINGEN

    Extra zekeringenkast

    Zet het contact af en schakel
    alle elektrische verbruikers uit
    alvorens een zekering te vervangen.
    Let er bij het vervangen op dat de
    nieuwe zekering hetzelfde vermogen
    heeft als de oude zekering.

    De extra zekeringenkast bevindt zich
    aan de linkerzijde in het motorcompartiment.
    Trek de borglip op en trek het deksel
    van de zekeringenkast omhoog om een
    zekering te controleren of te vervangen.
    Een zekering vervangen

    Extra
    zekeringenkast

    Centrale
    zekeringenkast

    Ondeskundig uitgevoerde wijzigingen aan de elektrische installatie of het brandstofsysteem kunnen een nadelige invloed op de veiligheid van de auto hebben en kunnen
    brand of schade aan de motor tot gevolg hebben. Het is raadzaam werkzaamheden aan deze systemen en het
    vervangen van relais of zware zekeringen uit te laten voeren door een
    deskundige.

    In de extra zekeringenkast bevindt zich
    een zekeringentrekker.

    127



  • Page 130

    Wat te doen bij pech

    Zekeringen in de extra zekeringenkast (in het motorcompartiment)
    Zekering
    1

    1
    2
    3
    41
    51
    61
    71
    81
    91
    10
    11
    12
    13
    14
    15
    16
    17

    Ampère

    Kleur

    Beveiligde circuits

    40

    40
    50
    60
    30
    40
    30
    20
    1
    30
    15
    30
    10
    10
    15
    15

    oranje

    oranje
    rood
    blauw
    groen
    oranje
    groen
    geel
    zwart
    groen
    blauw
    groen
    rood
    rood
    blauw
    blauw

    Hoofdvoeding van de elektrische installatie
    Wordt niet gebruikt
    Gloeibougie verwarming 2
    Voorruitverwarming
    Voorgloeibougie
    Koelventilateur (airconditioning)
    Hoofdvoeding van de elektrische installatie
    Ontsteking
    Motormanagement
    Spanningsensor van accu
    ABS pomp
    Benzinepomp, brandstofpomp dieselmotor
    Koplampsproeiers
    Verlichting overdag (parkeerlichten)
    Solenoïde aircokoppeling
    Dimlicht, links
    Dimlicht, rechts

    1 Het vervangen van deze zekeringen vereist specialistische kennis.

    128



  • Page 131

    Wat te doen bij pech
    Zekeringen in de extra zekeringenkast (in het motorcompartiment)
    Zekering
    18

    Ampère
    10

    Kleur
    rood

    19
    20
    21
    22


    10
    20
    20


    rood
    geel
    geel

    23
    24

    20
    30

    geel
    groen

    25

    15

    blauw

    26
    27
    28

    10
    10
    10

    rood
    rood
    rood

    29
    64
    65

    30
    30
    30

    groen
    groen
    groen

    Beveiligde circuits
    Zender lambdasonde (H02S sensor)
    (katalysator)
    Wordt niet gebruikt
    Motormanagement
    ABS-kleppen
    Verlichting overdag (alleen HID koplampen)
    Standverwarming (dieselmotor)
    Gloeibougie 1; subwoofer
    (alleen ST170)
    Verlichting overdag
    (alleen conventionele koplampen)
    Grootlicht, links
    Grootlicht, rechts
    Voorruitverwarming; standverwarming
    (op dieselolie), dieselmotor
    Koelventilateur (airconditioning)
    Aanjagermotor
    Koelventilateur

    1 Het vervangen van deze zekeringen vereist specialistische kennis.

    129



  • Page 132

    Wat te doen bij pech
    Centrale zekeringenkast
    Deze bevindt zich aan de linkerzijde onder het instrumentenpaneel.

    130



  • Page 133

    Wat te doen bij pech
    Centrale zekeringenkast
    Zekering

    Ampère

    Kleur

    Beveiligde circuits

    30
    31
    32
    33
    34
    35

    10
    15
    15
    20
    20
    7,5

    rood
    blauw
    blauw
    geel
    geel
    bruin

    36

    7,5

    bruin

    37

    25

    wit

    38

    25

    wit

    39
    40
    41
    42
    43


    10
    7,5
    15
    15


    rood
    bruin
    blauw
    blauw

    44
    45

    20
    7,5

    geel
    bruin

    46
    47
    48
    49
    50

    7,5
    15
    10
    25
    7,5

    bruin
    blauw
    rood
    wit
    bruin

    Lichtschakelaar
    Radio
    Richtingaanwijzer (GEM)
    Claxon; elektrisch verstelbare stoel
    Elektrisch bedienbaar schuifdak
    Interieurverlichting; elektrisch
    verstelbare buitenspiegels
    Elektronische modules;
    instrumentengroep
    Elektrisch bedienbare ruiten; integraal
    sluiten (linkerzijde)
    Elektrisch bedienbare ruiten; integraal
    sluiten (rechterzijde)
    Wordt niet gebruikt
    Achteruitrijlamp
    Radio (optie)
    Remlichten
    Elektrisch bedienbare ruiten;
    achterruitwisser
    Mistlampen en mistachterlichten
    Airconditioning;
    luchtrecirculatiesysteem
    ABS-computer
    Aansteker, middelste aansluitpunt
    Data link stekker
    Achterruitverwarming
    Verwarming buitenspiegels

    131



  • Page 134

    Wat te doen bij pech
    Centrale zekeringenkast
    Zekering

    Ampère

    Kleur

    Beveiligde circuits

    51
    52
    53


    15
    10


    blauw
    rood

    54
    55
    56
    57
    58
    59
    60
    61


    25
    20
    7,5
    7,5
    10
    7,5
    7,5


    wit
    geel
    bruin
    bruin
    rood
    bruin
    bruin

    62
    63

    7,5
    20

    bruin
    geel

    Wordt niet gebruikt
    Verwarming voorstoelen
    Achteruitrijlamp; verwarming
    ruitensproeiers
    Wordt niet gebruikt
    Elektrisch bedienbare ruiten, voor
    Voorruitwissers
    Stadslicht, links
    Stadslicht, rechts
    Lichtschakelaar
    Airbag module
    Elektronische modules;
    instrumentengroep
    Kentekenplaatverlichting
    Centrale vergrendeling (op de
    achterzijde van de zekeringenkast)

    132



  • Page 135

    Wat te doen bij pech
    VERWISSELEN VAN EEN WIEL

    Gebruik de krik uitsluitend
    voor het verwisselen van wielen. Voer geen werkzaamheden uit
    onder de auto wanneer deze alleen
    door de krik wordt ondersteund.

    Wanneer uw auto is uitgerust
    met richtinggebonden banden,
    let er dan op dat de pijlen op de banden in de draairichting wijzen wanneer de auto vooruit rijdt. De pijlen
    op beide bandwangen geven de draairichting weer.
    Wanneer een reservewiel moet worden gemonteerd waarvan de pijlen
    tegen de draairichting in wijzen, laat
    de band dan zo spoedig mogelijk door
    een deskundige omkeren.

    • Parkeer uw auto zodanig aan
    de kant van de weg dat u het
    verkeer niet hindert en zelf geen hinder ondervindt van het verkeer als u
    een wiel aan het verwisselen bent.
    • Zet een gevarendriehoek neer.
    • Controleer, voordat u de auto opkrikt, of de ondergrond stevig genoeg
    is om er een krik op te kunnen plaatsen.
    • Blokkeer de auto zo nodig met geschikte wiggen.
    • Zet de voorwielen in de rechtuitstand.
    • Zet het contact af, trek de handrem
    aan en schakel de eerste versnelling
    of de achteruit in. Zet bij uitvoeringen
    met een automatische transmissie de
    keuzehendel in de stand P.

    133



  • Page 136

    Wat te doen bij pech
    Reservewiel

    Het reservewiel bevindt zich onder het
    deksel in de bagageruimte.

    Monteer alleen banden en velgen waarvan de maat is goedgekeurd. Het gebruik van andere maten kan beschadiging van de auto tot
    gevolg hebben en maakt het kentekenbewijs ongeldig.

    Indien het reservewiel afwijkend van de andere gemonteerde wielen, moeten de volgende
    regels in acht worden genomen:

    • Til de achterzijde van de
    vloerbedekking in de bagageruimte op
    en verwijder het.

    • Rijd niet sneller dan 80 km/h.
    • Leg zo kort mogelijke afstanden af.
    • Monteer nooit meer dan één reservewiel tegelijk.
    • Monteer op dit wiel geen sneeuwketting.
    • Rijd met dit wiel niet een automatische wasstraat in.
    • Uitvoeringen met Traction Control
    System (TCS)/ Elektronisch Stabiliteits
    Programma (ESP) kunnen een afwijkende draaikarakteristiek vertonen.
    Schakel het ESP uit. Raadpleeg de rubriek Traction Control System (TCS)/
    Elektronisch Stabiliteits Programma
    (ESP).

    134

    • Draai bij de Wagon-uitvoering de vergrendelhendels in de stand. Til de
    achterzijde van het paneel op, trek het
    los van de steun onder het paneel en
    zet het vast in de houder op de vloer.



  • Page 137

    Wat te doen bij pech
    Wagenkrik

    3-, 4- en 5-deurs
    De krik en de wielmoersleutel zijn in de
    reservewielkuip opgeborgen. Draai de
    bevestigingsbout linksom los en verwijder de krik met de wielmoersleutel.
    Wiggen (Wagon met verhoogde
    laadcapaciteit)
    Wagon
    • Draai de bout geheel linksom los.
    • Verwijder het reservewiel.
    • Verwijder de krik (en eventuele wiggen) die onder het reservewiel zijn opgeborgen.
    • Breng het defecte wiel in de omgekeerde volgorde in de reservewielhouder aan.
    • Zorg er voor de Wagon-uitvoering
    voor dat de beide vergrendelingen in
    het deksel in de sloten in de vloerplaat
    aangrijpen en in de stand staan.

    Trek de twee wighelften van elkaar en
    draai ze 180 graden.
    Wanneer u een wiel verwisselt, blokkeer
    dan altijd het diagonaal tegenoverliggende wiel met een blok hout en een
    wig.

    135



  • Page 138

    Wat te doen bij pech
    Kriksteunpunten
    De krik mag alleen worden geplaatst
    onder de hiernaast afgebeelde kriksteunpunten.
    • Wanneer de auto aan de voorzijde
    op een vlakke weg wordt opgekrikt,
    leg dan de wig op het wegdek bij het
    diagonaal tegenoverliggende achterwiel; de wig moet achter het wiel liggen.

    De voorste kriksteunpunten bevinden
    zich op 15 cm vanaf de voorzijde van de
    .
    dorpel
    • Wanneer de auto aan de achterzijde
    op een vlakke weg wordt opgekrikt,
    leg dan de wig op het wegdek bij het
    diagonaal tegenoverliggende voorwiel;
    de wig moet vóór het wiel liggen.

    • Wanneer parkeren op een helling onvermijdelijk is, leg dan de wig op het
    wegdek bij het diagonaal tegenoverliggende wiel, zodat de wig zich aan de
    lage zijde van het wiel bevindt.

    De achterste kriksteunpunten bevinden
    zich op 38 cm vanaf de achterzijde van
    .
    de dorpel
    Extra kriksteunpunten

    De kriksteunpunten
    kunnen
    worden gebruikt voor een garagekrik,
    een hefbrug of hefbrugkriks.
    Indien andere punten worden gebruikt
    kan dit aanzienlijke schade aan de carrosserie, de stuurinrichting, de wielophanging, de motor, het remsysteem en
    de brandstofleidingen veroorzaken.

    136



  • Page 139

    Wat te doen bij pech
    Wiel verwijderen
    • Zet de voorwielen in de rechtuitstand.
    • Zet het contact af.
    • Trek de handrem aan en schakel de
    eerste versnelling of de achteruit in. Zet
    bij uitvoeringen met een automatische
    transmissie de keuzehendel in de stand
    P.
    • Laat de inzittenden uitstappen.
    • Plaats zo nodig, om te voorkomen dat
    de auto wegrolt of wegschuift, wiggen
    voor de wielen.

    ST170
    • Gebruik bij de ST170 het speciale gereedschap om het naafdeksel op diverse
    punten langs de omtrek los te werken.

    Standaard
    • Steek het platte uiteinde van de wielmoersleutel tussen de velgrand en het
    wieldeksel en werk voorzichtig het wieldeksel los.

    137



  • Page 140

    Wat te doen bij pech
    Vervangingssloten en wielmoeren zijn
    verkrijgbaar aan de hand van de referentienummers op het certificaat (indien meegeleverd).
    Een wiel aanbrengen
    Lichtmetalen velgen mogen
    nooit worden vastgezet met
    moeren voor stalen velgen.
    • Schuif het reservewiel op de tapeinden. Draai de wielmoeren - met de conische zijde naar het wiel gekeerd rechtsom wat aan, maar zet ze nog niet
    vast.
    De wielmoeren van lichtmetalen velgen
    kunnen ook worden gebruikt voor het
    vastzetten van het reservewiel met een
    stalen velg.
    • Breng de dopsleutel op het wielslot
    aan (indien van toepassing).
    • Draai de wielmoeren een slag los.

    • Laat de wagen zakken en verwijder
    de krik.
    • Steek moersleutel op het wielslot (indien van toepassing).

    • Plaats de krikvoet op een stevige en
    vlakke ondergrond.
    Plaats de krik verticaal onder
    de uitsparing in de dorpelrand.
    • Krik de wagen zover op dat het wiel
    los van de grond is.
    • Draai de wielmoeren nu geheel los en
    verwijder het wiel.

    138

    • Draai de wielmoeren nu definitief
    vast door ze kruiselings aan te trekken.



  • Page 141

    Wat te doen bij pech
    • Druk het wieldeksel stevig aan met
    de palm van uw hand.

    ACCU

    • Bewaar de dopsleutel en krik op een
    veilige plaats.

    Onderhoud

    • Berg de krik en het defecte wiel in
    omgekeerde volgorde op.

    De accu vraagt zeer weinig onderhoud.
    Tijdens het uitvoeren van de onderhoudsbeurten wordt het vloeistofpeil in
    de accu gecontroleerd.

    Laat het aanhaalmoment van de wielmoeren en de bandenspanning zo snel
    mogelijk controleren.

    Verwijderen en aanbrengen
    Indien de accu losgekoppeld is geweest
    kan de motor over een afstand van ongeveer 8 km een afwijkende draaikarakteristiek vertonen terwijl het
    motormanagementsysteem de zelfleerprocedure doorloopt.
    Wijze van handelen bij het starten
    met hulpstartkabels
    Alleen accu’s met dezelfde nominale
    spanning (12 volt) mogen met elkaar
    worden verbonden. Gebruik hulpstartkabels met geïsoleerde klemmen en kabels met een voldoende dikke koperen
    kern. Koppel de ontladen accu niet los
    van de elektrische installatie van de
    auto.

    139



  • Page 142

    Wat te doen bij pech
    • Sluit het ene uiteinde van de tweede
    kabel aan op de minpool (–)van de hulpaccu en het andere uiteinde zover mogelijk verwijderd van de accu op het
    motorblok of een motorsteun van de te
    starten motor. Sluit de kabel niet aan
    op de minpool (–) van de ontladen
    accu.

    Kabels aansluiten

    Lege
    accu

    • Zorg ervoor dat de hulpstartkabels
    niet met draaiende onderdelen van de
    motor in aanraking kunnen komen.
    Motor starten
    • Laat de motor van de auto met de
    hulpaccu met verhoogd stationair toerental draaien.
    Hulpaccu

    • Probeer nu de motor van de auto met
    de ontladen accu te starten.
    • Laat beide motoren drie minuten
    draaien voordat u de hulpstartkabels
    loskoppelt.
    • Maak de kabels in omgekeerde volgorde los.

    • Plaats de auto’s zodanig dat ze elkaar
    niet raken.
    • Zet het contact af en schakel alle
    elektrische stroomverbruikers uit.
    • Verbind de pluspool (+) van de lege
    accu met de pluspool (+) van de hulpaccu.

    140

    Schakel de koplampen niet in
    wanneer de kabels worden losgemaakt. Door de spanningspiek kunnen de gloeilampen doorbranden.



  • Page 143

    Wat te doen bij pech
    AUTO SLEPEN
    Het sleepoog met schroefdraad is onder
    de vloerbedekking in de bagageruimte
    opgeborgen met moet altijd in de auto
    worden meegenomen.

    Het sleepoog heeft linkse
    schroefdraad. Breng het
    sleepoog aan door het linksom te
    draaien. Gebruik de wielmoersleutel
    om het sleepoog stevig vast te zetten.

    4-deurs, ST170 en 3-/5-deurs
    met ruimtebesparend reservewiel
    Werk met een dun schroevendraaiertje
    het paneel los en breng het sleepoog
    aan.

    Wagon

    3-/5-deurs

    141



  • Page 144

    Wat te doen bij pech
    Auto’s met automatische
    transmissie aanslepen of aanduwen
    Om te voorkomen dat de katalysator wordt beschadigd mag
    u de auto niet aanduwen of aanslepen wanneer de motor op bedrijfstemperatuur is. Gebruik hulpstartkabels en een hulpaccu.
    Het is mogelijk een koude motor te
    starten door de auto aan te slepen of
    aan te duwen.
    Bevestigingspunt voor sleepoog aan
    achterzijde
    Wanneer u een auto sleept, rijd dan
    langzaam en soepel weg zonder de gesleepte auto te laten schokken. Door
    overmatige belasting (rukken) kan zowel de sleepkabel als de auto worden
    beschadigd.
    Tijdens het slepen moet de
    contactsleutel in de stand II
    staan, opdat de stuurinrichting, de
    richtingaanwijzers en de remlichten
    werken. Omdat de rembekrachtiging
    en de stuurbekrachtiging bij stilstaande motor niet werken, moet u
    rekening houden dat meer kracht op
    het rempedaal moet worden uitgeoefend en dat het sturen meer krachtsinspanning vergt. Houd ook rekening
    met een langere remweg.

    142

    • Draai de contactsleutel in de stand II.
    • Druk het gaspedaal in.
    • Druk het koppelingspedaal in en
    schakel de derde versnelling in.
    • Laat de auto aanduwen of aanslepen
    en laat het koppelingspedaal langzaam
    opkomen.
    Het is mogelijk dat een koude dieselmotor slecht wil aanslaan wanneer de auto
    wordt aangeduwd of aangesleept, omdat het koudestartsysteem niet kan
    worden ingeschakeld wanneer de accu
    leeg is.



  • Page 145

    Wat te doen bij pech
    Auto’s met automatische
    transmissie slepen
    Wanneer een auto met een automatische transmissie wordt gesleept, moet
    de keuzehendel in de stand N (neutraal) worden gezet.
    Bovendien mag een auto met
    een automatische transmissie
    nooit met een snelheid hoger dan
    50 km/h worden gesleept.

    Sleep nooit een auto in achterwaartse richting met de aangedreven wielen op de grond. Wanneer
    deze richtlijn niet wordt opgevolgd,
    kan de automatische transmissie worden beschadigd.
    Bij auto’s met een automatische
    transmissie kan de motor niet
    worden gestart door aanduwen of
    aanslepen. Gebruik hulpstartkabels.

    Indien de auto over een grotere afstand
    moet worden gesleept, dan moeten de
    aangedreven wielen van de grond worden gelicht. De getrokken auto mag
    hierbij uitsluitend in voorwaartse richting worden gesleept.

    143



  • Page 146

    Wat te doen bij pech
    Voorziening voor het ontgrendelen
    van de keuzehendel
    (automatische transmissie)

    Druk met een sleutel (of iets dergelijks)
    de vergrendelhendel in de uitsparing
    onder het dopje naar beneden en verplaats tegelijkertijd de keuzehendel uit
    de stand P.
    Wanneer de keuzehendel opnieuw in de stand P wordt geplaatst, moet deze procedure worden
    herhaald.

    Om bij een lege accu of een elektrische
    storing de keuzehendel uit de stand P
    te kunnen verplaatsen, is de hendel
    voorzien van een mechanisch werkend
    ontgrendelingsmechanisme.
    Verwijder het dopje in de middenconsole naast de keuzehendel met een dun
    schroevendraaiertje (of iets dergelijks).

    144



  • Page 147

    Onderhoud en verzorging
    CONTROLES
    • Controleer regelmatig de vloeistofpeilen en vul zo nodig vloeistof bij.
    • Controleer de bandenspanning.
    • Controleer de werking van de remlichten en de verlichting.
    • Controleer de werking van de controlelampen.
    Het elektronisch ontstekingssysteem werkt met hoogspanning. Raak deze onderdelen nooit bij
    draaiende motor of ingeschakeld contact aan.

    Onderhoudstabel
    Dagelijkse controles:
    • Werking van alle gloeilampen. Zorg
    ervoor dat alle lampenglazen
    schoon zijn.
    Controles bij het tanken:
    • Motoroliepeil
    • Remvloeistofpeil
    • Peil ruitensproeiervloeistof
    • Bandenspanning en staat van de
    banden (in koude toestand)

    Voordat werkzaamheden in het
    motorcompartiment worden
    uitgevoerd moet het contact worden
    afgezet. Onder bepaalde omstandigheden kan de koelventilateur na het
    afzetten van het contact enkele minuten blijven draaien. Dit is volkomen
    normaal.
    Zorg ervoor dat geen vingers of kledingstukken zoals stropdassen en
    sjaals met de ventilateur in aanraking
    kunnen komen.

    Maandelijkse controles:
    • Koelvloeistofpeil (bij koude motor)
    • Componenten, slangen, leidingen
    en reservoirs op lekkage
    • Vloeistofpeil stuurbekrachtiging
    • Werking van de airconditioning
    • Werking van de handrem
    • Werking van de claxon
    Let op! De airconditioning moet
    minimaal 30 minuten per maand
    worden ingeschakeld.

    145



  • Page 148

    Onderhoud en verzorging
    Motorkap openen

    • Draai het Ford logo in de radiateurgrille opzij en draai de sleutel eerst
    . Til de motorkap iets op en
    linksom
    om
    draai de sleutel volledig linksom
    de motorkap te openen.
    Verwijder, om beschadiging
    aan of verlies van de sleutel te
    voorkomen, deze direct na het openen van de motorkap en draai het
    Ford logo terug.

    • Til de motorkap op en ondersteun
    Zorg ervoor
    hem met de steunstang.
    dat hij stevig vastzit.

    146

    Trek de motorkap, om hem te sluiten,
    naar beneden en laat hem vanaf een
    hoogte van minimaal 20 - 30 cm in het
    slot vallen.
    Controleer altijd of de motorkap goed is
    vergrendeld.



  • Page 149

    Onderhoud en verzorging
    Motorcompartiment
    Plaats

    Beschrijving

    Zie blz.

    Reservoir stuurbekrachtiging

    154

    Motorolievuldop 1

    152

    Reservoir remsysteem en koppeling

    152

    Extra zekeringenkast

    127

    Luchtfilter
    Reservoir ruitensproeiers
    Accu

    Geen onderhoud
    nodig
    154
    139-140

    Identificatieplaatje van de auto

    158

    Motoroliepeilstaaf 1

    151

    Expansiereservoir koelsysteem

    153

    1 Voor een gemakkelijke herkenbaarheid zijn de vuldoppen en de motoroliepeilstaaf met een kleur
    gemarkeerd.

    1,4 l/1,6 l Zetec-SE 16V

    J
    147



  • Page 150

    Onderhoud en verzorging
    1,6 l Duratec-8V

    J
    1,8 l/2,0 l Zetec-E

    J
    148



  • Page 151

    Onderhoud en verzorging
    2,0 l Duratec-ST

    J
    1,8 l Endura-TDDi Turbodiesel

    J

    149



  • Page 152

    Onderhoud en verzorging
    1,8 l DuraTorq-TDCi Turbodiesel

    J

    150



  • Page 153

    Onderhoud en verzorging
    Motoroliepeilstaaf
    Het olieverbruik van uw motor wordt
    door tal van factoren beïnvloed. Nieuwe
    motoren bereiken hun normale verbruiksniveau pas na circa 5 000 km.
    Dieselmotoren en motoren met een
    hoog specifiek vermogen verbruiken
    iets meer olie. Wanneer een motor
    zwaar wordt belast, zal ook het olieverbruik hoger zijn.
    Zorg ervoor dat uw auto horizontaal
    staat. Controleer het oliepiel alvorens
    de motor te starten. Als de motor
    draait, zet deze dan af en wacht enkele
    minuten om de olie de gelegenheid te
    geven in het carter terug te stromen.
    Trek de oliepeilstaaf uit de motor, veeg
    hem met een schone, niet-pluizende
    doek schoon en steek de peilstaaf weer
    helemaal terug en trek hem er daarna
    opnieuw uit.

    1,4 l/ 1,6 l Zetec-SE 16V motor

    1,6 l Duratec 8V/
    1,8 l/2,0 l Zetec-E/
    2,0 l Duratec-ST motor

    Indien het oliepeil zich tussen de merktekens bevindt, hoeft geen olie te worden bijgevuld. Hete olie kan door de
    thermische expansie het MAX merkteken enkele millimeters overschrijden.
    Als het peil tot het MIN merkteken is
    gedaald, moet onmiddellijk olie worden
    bijgevuld. Gebruik uitsluitend olie die
    aan de Ford-specificaties voldoet. Om
    van het MIN tot het MAX merkteken
    olie bij te vullen hebt u ongeveer 0,75 liter (dieselmotor 1,5 liter) motorolie nodig.

    Endura-TDDi turbodieselmotor

    Vul bij tot het bovenste merkteken
    (MAX).
    Raadpleeg voor meer informatie het
    hoofdstuk Inhouden en technische gegevens.
    DuraTorq-TDCi Turbo
    dieselmotor

    151



  • Page 154

    Onderhoud en verzorging
    Motorolievuldop

    Vloeistofreservoir remsysteem en
    koppeling
    Voorkom dat deze vloeistof in
    contact komt met de huid of de
    ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel
    het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem
    contact op met uw huisarts.

    (schroefdop)

    Alleen 1,8 l DuraTorq-TDCi (bajonetsluiting)
    De olievuldop is voorzien van een
    schroefsluiting of een bajonetsluiting.
    Draai de dop linksom om hem los te
    draaien. Verwijder de dop nooit bij
    draaiende motor.
    Voeg geen additieven of andere
    producten aan de motorolie
    toe. Ze zijn niet noodzakelijk en kunnen onder bepaalde omstandigheden
    zelfs beschadiging van de motor tot
    gevolg hebben, welke niet onder de
    Ford Garantie valt.
    Draai, om de dop te sluiten, deze
    rechtsom tot hij klikt.

    152

    Het remsysteem en het bedieningsmechanisme van de koppeling zijn aangesloten op één reservoir.
    Het vloeistofpeil moet zich tussen het
    MIN en MAX merkteken op de zijkant
    van het reservoir bevinden.

    Wanneer het niveau onder het MIN
    merkteken daalt, zal de controlelamp
    van het remsysteem gaan branden.
    Raadpleeg de rubriek Waarschuwingslamp remsysteem in het hoofdstuk Instrumenten.



  • Page 155

    Onderhoud en verzorging
    Koelvloeistofreservoir

    Over het algemeen moet koelvloeistof
    worden bijgevuld wanneer de motor
    koud is. Als u koelvloeistof moet bijvullen terwijl de motor heet is, wacht dan
    tien minuten om de motor te laten afkoelen. Draai de dop eerst slechts een
    kwart slag los en laat de druk ontsnappen. Na enkele seconden kunt u de dop
    dan helemaal losdraaien.
    Wees bijzonder voorzichtig tijdens het bijvullen van koelvloeistof. Voorkom dat druppels koelvloeistof op de motor worden gemorst.

    Verwijder nooit de dop van het
    koelsysteem wanneer de motor
    heet is. Gevaar van verbranding! Start
    de motor niet voordat het probleem is
    verholpen.

    Vul uitsluitend koelvloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Raadpleeg voor meer informatie het
    hoofdstuk Inhouden en technische gegevens.
    Koelvloeistof

    Het koelvloeistofniveau is van buitenaf
    zichtbaar via het transparante reservoir.
    Bij koude motor moet het koelvloeistofniveau zich tussen het MIN en het MAX
    merkteken bevinden. Aangezien koelvloeistof bij verwarming uitzet, is het
    normaal dat het niveau tot boven het
    MAX merkteken uitstijgt.

    Voorkom dat deze vloeistof in
    contact komt met de huid of de
    ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel
    het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem
    contact op met uw huisarts.

    153



  • Page 156

    Onderhoud en verzorging
    Vloeistofpeil van stuurbekrachtiging
    controleren

    Ruitensproeiersystemen

    De ruitensproeiers van de voor- en achterruit hebben een gemeenschappelijk
    reservoir.
    Bij koude motor moet het vloeistofniveau tot het MAX merkteken reiken.
    Vul de voorgeschreven vloeistof bij
    wanneer het niveau tot onder het MIN
    merkteken afneemt. Raadpleeg voor
    meer informatie de rubriek Vloeistoffen.

    154

    Druk na het bijvullen de dop van het
    reservoir stevig vast.
    Koplampsproeiers



  • Page 157

    Onderhoud en verzorging
    Schakel het systeem niet langer dan tien seconden achtereen in; schakel de pomp nooit in wanneer het reservoir leeg is.

    Ruitenwisserbladen controleren

    De koplampsproeiers treden alleen in
    werking wanneer bij ingeschakelde verlichting de ruitensproeiers worden ingeschakeld. Het systeem wordt van
    vloeistof voorzien door het reservoir
    van de voorruitsproeiers.
    Ruitensproeiers afstellen
    Controleer regelmatig met de vingertop
    de rubber randen van de ruitenwisserbladen op oneffenheden en beschadigingen. Reinig de ruitenwisserbladen
    met water en een zachte spons.
    Ruitenwisserbladen vervangen

    De ruitensproeiers kunnen worden afgesteld door een speld in de kogelvormige sproeierkoppen te steken en de
    sproeiers in de gewenste stand te
    draaien.
    De sproeier voor de achterruit bevindt
    zich op het dak boven de achterruit.
    Houd de sproeiers vrij van sneeuw en
    ijs opdat het systeem correct kan functioneren.
    Wanneer de voorruitverwarming wordt
    ingeschakeld, worden ook de ruitensproeiers verwarmd.

    Trek de ruitenwisserarm van de voorruit af en plaats het ruitenwisserblad in
    een rechte hoek ten opzichte van de
    arm. Druk de klem in de richting van de
    pijl en trek het wisserblad los van de
    arm.

    155



  • Page 158

    Onderhoud en verzorging
    BANDEN

    AUTO WASSEN

    Voor uw veiligheid

    De beste methode om de auto te laten
    wassen is in een wasserette met een
    borstelloze wasinstallatie.

    Als u een stoeprand moet oprijden, doe
    het dan zo langzaam mogelijk en rijd zo
    mogelijk haaks het trottoir op. Vermijd
    het rijden over hoge of scherpe obstakels. Laat de banden bij het parkeren
    niet langs trottoirbanden schuren.
    Controleer het loopvlak van de banden
    regelmatig op beschadigingen, steentjes
    en onregelmatige slijtage. Ongelijkmatige bandenslijtage kan duiden op een
    verkeerde wieluitlijning.
    Raadpleeg het hoofdstuk Inhouden en
    specificaties voor de goedgekeurde
    sneeuwkettingen.

    In installaties die met hoge waterdruk werken, kan water het
    interieur binnendringen of kunnen
    onderdelen beschadigd raken.

    Verwijder de dakantenne voordat de auto een wasserette met
    borstels wordt binnengereden. Schakel de aanjager uit om te voorkomen
    dat het pollenfilter verstopt raakt.
    Indien ook was werd gebruikt zorg er
    dan voor dat de was naderhand van de
    voorruit wordt verwijderd.
    Koplampen reinigen
    Gebruik geen schurende reinigingsmiddelen of agressieve chemische oplosmiddelen om blijvende beschadiging
    van de kunststof koplampglazen te
    voorkomen. Veeg de glazen niet schoon
    wanneer ze droog zijn en gebruik geen
    scherpe voorwerpen om de lenzen te
    reinigen.
    Achterruit schoonmaken
    Reinig, om de draden van de achterruitverwarming niet te beschadigen, de binnenzijde van de achterruit uitsluitend
    met een zachte doek of een vochtige
    zeem. Reinig de ruit niet met behulp
    van oplosmiddelen of scherpe voorwerpen.

    156



  • Page 159

    Onderhoud en verzorging
    Reinigen

    ONDERHOUD VAN DE LAK

    Gebruik interieurreiniger of schoon
    warm water. Laat de gordels op natuurlijke wijze drogen, gebruik geen warmtebron.

    Zet de lak van uw auto één- tot tweemaal per jaar in de was. Hierdoor behoudt de lak zijn glans en stroomt het
    water makkelijker van het plaatwerk.

    Gebruik geen chemische reinigingsmiddelen, kokend water, bleek- of verfmiddelen. Let er op dat geen vocht in het
    oprolmechanisme komt.
    STEENSLAGSCHADE REPAREREN
    Lakbeschadigingen door steenslag of
    krasjes kunnen worden gerepareerd
    met behulp van spuitlak of een lakstift.
    Aanbevolen wordt een product uit het
    Ford Accessoires Programma te kiezen.
    Volg nauwkeurig de instructies op in de
    gebruiksaanwijzing van het product.

    Voorkom dat poetsmiddelen
    (was of polish) op de kunststof
    oppervlakken terechtkomen omdat ze
    zich hiervan moeilijk laten verwijderen.
    Poets de auto niet in de felle zon.
    Breng geen was op de voor- of achterruit aan aangezien dit een lawaaiige
    werking van de ruitenwisser tot gevolg
    kan hebben.

    Om aanspraak te kunnen maken op de garantie op het lakwerk dient u onmiddellijk alle ongerechtigheden die er ogenschijnlijk onschadelijk uitzien maar in werkelijkheid de lak aantasten, zoals uitwerpselen van vogels, boomsappen, dode
    insecten, teervlekken, strooizout, resten van industriële neerslag enzovoort, te verwijderen.

    157



  • Page 160

    Inhouden en technische gegevens
    IDENTIFICATIENUMMERS

    • Zetec-E/Duratec 8V/ Duratec-ST motoren – aan uitlaatzijde van het motorblok, naast de flens van het
    versnellingsbakhuis.
    • Endura-TDDi/ DuraTorq-TDCi turbodieselmotoren – aan de linkerzijde boven de brandstofpomp
    BRANDSTOF
    Gebruik uitsluitend brandstof van hoge
    kwaliteit zonder extra additieven of andere producten voor de motor toe te
    voegen.
    Uitvoeringen met benzinemotor

    Identificatieplaatje van de auto
    Het identificatieplaatje bevindt zich in
    het motorcompartiment.
    Voertuig Identificatie Nummer
    Het nummer is ook ingeslagen in een
    kunststof plaatje dat zich aan de linkerzijde op het instrumentenpaneel bevindt. Een symbool op het plaatje geeft
    aan met welk airbagsysteem de auto is
    uitgerust.
    Motornummer
    Afhankelijk van het motortype vindt u
    het motornummer (in rijrichting gezien):
    • Zetec-SE 16V motor – rechtsvoor, onder de flens tussen motor en versnellingsbak

    158

    Gebruik ongelode benzine die voldoet
    aan de specificatie EN 228 of een equivalent of met een octaangetal van minimaal 95 RON (1,6 l Duratec-8V
    minimum octaangetal 91 RON). Loodhoudende benzine of additieven voor
    benzine die andere metallische verbindingen bevatten (bijv. op mangaan gebaseerd) kunnen tot beschadiging van
    het emissieregelsysteem leiden.
    Uitvoeringen met een dieselmotor
    Gebruik dieselolie die voldoet aan de
    specificatie EN 590 of een equivalent.
    Voeg geen olie, benzine of andere vloeistoffen toe. Dieselolie die tot 5 % RME
    (biodiesel) bevat is goedgekeurd.
    Het langdurig gebruik van extra additieven om vlokvorming te voorkomen
    wordt niet aangeraden. Voeg geen petroleum, paraffine of benzine aan de
    dieselolie toe.



  • Page 161

    Inhouden en technische gegevens
    Brandstofverbruik volgens EC-richtlijn 80/1268/EEC
    CO2
    emissie
    Stadsverkeer
    Buitenweg
    Totaal
    (g/km)
    1,4 l Zetec-SE 55 kW (75 pk) 3-/4-/5-deurs/ Wagon handgeschakelde versnellingsbak
    185/65 R 14
    4 06
    4,06
    88
    8,8
    54
    5,4
    66
    6,6
    158
    195/55 R 15
    1,6 l Zetec-SE 74 kW (100 pk) 3-/4-/5-deurs/ Wagon handgeschakelde versnellingsbak
    185/65 R 14
    195/60 R 15
    4 06
    4,06
    94
    9,4
    54
    5,4
    68
    6,8
    163
    205/50 R 16
    215/40 R 17
    1,6 l Zetec-SE 74 kW (100 pk) 3-/5-deurs automatische transmissie
    185/65 R 14
    10,9
    6,1
    7,8
    188
    4 16/4 20
    4,16/4,20
    195/60 R 15
    11,2
    6,2
    8,0
    192
    1,6 l Zetec-SE 74 kW (100 pk) 4-deurs automatische transmissie
    185/65 R 14
    10,9
    6,0
    7,8
    186
    4 16/4 20
    4,16/4,20
    195/60 R 15
    11,2
    6,2
    8,0
    192
    1,6 l Zetec-SE 74 kW (100 pk) Wagon automatische transmissie
    185/65 R 14
    11,3
    6,4
    8,2
    196
    4 16/4 20
    4,16/4,20
    195/60 R 15
    11,5
    6,6
    8,4
    200
    1,6 l Duratec-8V 72 kW (98 pk)
    185/70 R 14
    4 06
    94
    56
    70
    4,06
    9,4
    5,6
    7,0
    165
    195/70 R 15
    1,8 l Zetec-E 85 kW (115 pk) 3-/5-deurs handgeschakelde versnellingsbak
    185/65 R 14
    10,3
    60
    76
    6,0
    7,6
    181
    195/60 R 15
    10,2
    4 06
    4,06
    205/50 R 16
    10 3
    10,3
    61
    6,1
    77
    7,7
    183
    215/40 R 17
    1,8 l Zetec-E 85 kW (115 pk) 4-deurs handgeschakelde versnellingsbak
    185/65 R 14
    10,3
    5,9
    75
    7,5
    179
    195/60 R 15
    10,2
    6,0
    4,06
    205/50 R 16
    10,3
    6,1
    7,6
    181
    Brandstofverbruik in liter/100 km

    Bandenmaat

    Eindreductie

    159



  • Page 162

    Inhouden en technische gegevens
    Brandstofverbruik volgens EC-richtlijn 80/1268/EEC
    Brandstofverbruik in liter/100 km
    Bandenmaat

    Eindreductie

    Stadsverkeer

    Buitenweg

    Totaal

    CO2
    emissie
    (g/km)

    1,8 l Zetec-E 85 kW (115 pk) Wagon handgeschakelde versnellingsbak
    185/65 R 14
    6,0
    7,6
    181
    10 4
    10,4
    195/60 R 15
    6,1
    7,7
    184
    4 06
    4,06
    205/50 R 16
    10 5
    62
    78
    10,5
    6,2
    7,8
    185
    215/40 R 17
    2,0 l Zetec-E 96 kW (130 pk) 3-/5-deurs handgeschakelde versnellingsbak
    195/60 R 15
    205/50 R 16
    4,06
    11,6
    6,9
    8,7
    207
    215/40 R 17
    2,0 l Zetec-E 96 kW (130 pk) 4-deurs/ Wagon handgeschakelde versnellingsbak
    195/60 R 15
    205/50 R 16
    4,06
    11,6
    6,9
    8,6
    205
    215/40 R 17
    2,0 l Zetec-E 96 kW (130 pk) 3-/5-deurs automatische transmissie
    195/60 R 15
    4 20
    4,20
    13 1 !
    13,1
    73!
    7,3
    94!
    9,4
    222 !
    205/50 R 16
    2,0 l Zetec-E 96 kW (130 pk) 4-deurs automatische transmissie
    195/60 R 15
    4 20
    4,20
    13 0 !
    13.0
    73!
    7,3
    94!
    9,4
    222 !
    205/50 R 16
    2,0 l Zetec-E 96 kW (130 pk) Wagon automatische transmissie
    195/60 R 15
    4 20
    4,20
    13 1 !
    13,1
    73!
    7,3
    94!
    9,4
    222 !
    205/50 R 16
    2,0 l Duratec-ST 127 kW (173 pk) 3-/5-deurs/ Wagon handgeschakelde versnellingsbak
    215/45 R 17
    2,87/4,24
    12.0 !
    6,9 !
    8,8 !
    212 !
    1 Stage IV (alle overige waarden betreffen Stage III)

    160



  • Page 163

    Inhouden en technische gegevens
    Brandstofverbruik volgens EC-richtlijn 80/1268/EEC
    CO2
    emissie
    Stadsverkeer
    Buitenweg
    Totaal
    (g/km)
    1,8 l Endura-TDDi 55 kW (75 pk) 3-/5-deurs handgeschakelde versnellingsbak
    185/65 R 14
    3 56
    3,56
    68
    6,8
    41
    4,1
    51
    5,1
    135
    195/60 R 15
    1,8 l Endura-TDDi 55 kW (75 pk) 4-deurs handgeschakelde versnellingsbak
    185/65 R 14
    3 56
    3,56
    68
    6,8
    41
    4,1
    51
    5,1
    134
    195/60 R 15
    1,8 l Endura-TDDi 55 kW (75 pk) Wagon handgeschakelde versnellingsbak
    185/65 R 14
    3 56
    3,56
    68
    6,8
    41
    4,1
    51
    5,1
    134
    195/60 R 15
    1,8 l Endura-TDDi 66 kW (90 pk) 3-/5-deurs handgeschakelde versnellingsbak
    185/65 R 14
    195/60 R 15
    3 41
    3,41
    72
    7,2
    44
    4,4
    54
    5,4
    143
    205/50 R 16
    215/40 R 17
    1,8 l Endura-TDDi 66 kW (90 pk) 4-deurs handgeschakelde versnellingsbak
    185/65 R 14
    195/60 R 15
    3,41
    7,2
    4,4
    5,4
    142
    205/50 R 16
    1,8 l Endura-TDDi 66 kW (90 pk) Wagon handgeschakelde versnellingsbak
    185/65 R 14
    195/60 R 15
    3 41
    3,41
    72
    7,2
    44
    4,4
    54
    5,4
    143
    205/50 R 16
    215/40 R 17
    1,8 l DuraTorq-TDCi 74 kW (100 pk) 3-/5-deurs/ Wagon handgeschakelde
    versnellingsbak
    185/65 R 14
    195/60 R 15
    3 41
    3,41
    70
    7,0
    42
    4,2
    52
    5,2
    138
    205/50 R 16
    215/40 R 17
    Brandstofverbruik in liter/100 km

    Bandenmaat

    Eindreductie

    161



  • Page 164

    Inhouden en technische gegevens
    Brandstofverbruik volgens EC-richtlijn 80/1268/EEC
    CO2
    emissie
    Stadsverkeer
    Buitenweg
    Totaal
    (g/km)
    1,8 l DuraTorq-TDCi 74 kW (100 pk) 4-deurs handgeschakelde versnellingsbak
    185/65 R 14
    195/60 R 15
    3,41
    7,0
    4,2
    5,2
    137
    205/50 R 16
    1,8 l DuraTorq-TDCi 85 kW (115 pk) 3-/5-deurs/ Wagon handgeschakelde
    versnellingsbak
    185/65 R 14
    195/60 R 15
    3 41
    3,41
    72
    7,2
    44
    4,4
    54
    5,4
    143
    205/50 R 16
    215/40 R 17
    1,8 l DuraTorq-TDCi 85 kW (115 pk) 4-deurs handgeschakelde versnellingsbak
    185/65 R 14
    195/60 R 15
    3,41
    7,2
    4,4
    5,4
    142
    205/50 R 16
    Brandstofverbruik in liter/100 km

    Bandenmaat

    Eindreductie

    MOTOROLIE
    Motorolie verversen
    Gebruik Ford/Motorcraft Formula E
    SAE 5W-30 dieselolie.
    Als alternatief mag motorolie met de
    viscositeit SAE 5W-30 die voldoet aan
    de Ford specificatie WSS-M2C913-B
    worden gebruikt.

    162

    Motorolie bijvullen
    Indien geen motorolie verkrijgbaar is
    die aan bovenstaande specificaties voldoet, raden wij u aan, afhankelijk van de
    buitentemperatuur, olie gebruiken met
    de viscositeit SAE 5W-30, SAE 5W-40
    of SAE 10W-40, die voldoet aan de
    ACEA A1/B1 of ACEA A3/B3 specificaties. Het gebruik van deze oliesoorten
    kan tot gevolg hebben dat de motor
    minder snel aanslaat, minder vermogen
    levert, meer brandstof verbruikt en een
    hogere emissiewaarde heeft.



  • Page 165

    Inhouden en technische gegevens
    VLOEISTOFFEN
    Onderdeel

    Aanbevolen vloeistof

    Specificatie

    Stuurbekrachtiging

    Ford stuurbekrachtigingsvloeistof

    WSS-M2C 195-A,
    WSS-M2C 204-A

    Koelvloeistof

    Motorcraft SuperPlus antivries

    WSS-M97 B44-D

    Inhouden (liter)

    Motor

    Motorolie
    - incl. filter
    - excl. filter

    1,4 l
    ZetecSE
    16V

    1,6 l
    ZetecSE
    16V

    1,6 l
    Duratec8V

    1,8 l
    ZetecE

    2,0 l
    ZetecE

    1,8 l
    EnduraTDDi/ DuraTorq-TDCi

    2,0 l
    DuratecST

    3,75
    3,5

    4,25
    3,75

    4,35
    3,9

    4,25
    3,75

    4,25
    3,75

    5,6
    5,0

    4,25
    3,75

    6,5!

    5,75!

    52,7

    55

    Stuurbekrachtiging
    Koelsysteem
    incl.
    verwarming

    MAX-merkteken
    5,0!

    5,0!

    6,15

    Ruitensproeiers
    Brandstoftank

    5,75!

    5,75!

    3,6
    55

    1 Totale inhoud

    163



  • Page 166

    Inhouden en technische gegevens
    WAGENGEWICHT
    Wagengewichten (kg)

    3-deurs

    4-deurs

    5-deurs

    Wagon

    1,4 l Zetec-SE 16V 55 kW (75 pk) handgeschakelde versnellingsbak
    EC-rijklaargewicht

    1127

    1148

    1140

    1146

    Laadvermogen

    443

    442

    445

    484-539

    Max. toelaatbaar totaalgewicht

    1570

    1590

    1585

    1630-1685

    Toelaatbare dakbelasting

    75

    75

    75

    100

    1,6 l Zetec-SE 16V 74 kW (100 pk) handgeschakelde versnellingsbak
    EC-rijklaargewicht

    1131

    1152

    1144

    1150

    Laadvermogen

    439

    443

    446

    485-535

    Max. toelaatbaar totaalgewicht

    1570

    1595

    1590

    1635-1685

    Toelaatbare dakbelasting

    75

    75

    75

    100

    1,6 l Zetec-SE 16V 74 kW (100 pk) automatische transmissie
    EC-rijklaargewicht

    1161

    1183

    1166

    1197

    Laadvermogen

    434

    437

    449

    463-513

    Max. toelaatbaar totaalgewicht

    1595

    1620

    1615

    1660-1710

    Toelaatbare dakbelasting

    75

    75

    75

    100

    1,6 l Duratec-8V 72 kW (98 pk)
    EC-rijklaargewicht



    1185-1234

    1176-1228

    1198-1254

    Laadvermogen



    361-410

    362-414

    381-437

    Max. toelaatbaar totaalgewicht



    1595

    1590

    1635

    Toelaatbare dakbelasting



    75

    75

    100

    1,8 l Zetec-E 85 kW (115 pk) handgeschakelde versnellingsbak
    EC-rijklaargewicht

    1172

    1193

    1172

    1208-1211

    Laadvermogen

    448

    457

    478

    484-537

    Max. toelaatbaar totaalgewicht

    1620

    1650

    1650

    1695-1745

    Toelaatbare dakbelasting

    75

    75

    75

    100

    2,0 l Zetec-E 95 kW (130 pk) handgeschakelde versnellingsbak
    EC-rijklaargewicht

    1190

    1221

    1212

    1236

    Laadvermogen

    450

    449

    458

    479-529

    Max. toelaatbaar totaalgewicht

    1640

    1670

    1670

    1715-1765

    Toelaatbare dakbelasting

    75

    75

    75

    100

    164



  • Page 167

    Inhouden en technische gegevens
    Wagengewichten (kg)

    3-deurs

    4-deurs

    5-deurs

    Wagon

    2,0 l Zetec-E 95 kW (130 pk) automatische transmissie
    EC-rijklaargewicht

    1214

    1238

    1228

    1252

    Laadvermogen

    426

    432

    442

    463-513

    Max. toelaatbaar totaalgewicht

    1640

    1670

    1670

    1715-1765

    Toelaatbare dakbelasting

    75

    75

    75

    100

    2,0 l Duratec-ST 127 kW (173 pk) handgeschakelde versnellingsbak
    EC-rijklaargewicht

    1260



    1291

    1320

    Laadvermogen

    380



    379

    395

    Max. toelaatbaar totaalgewicht

    1640



    1670

    1715

    Toelaatbare dakbelasting

    75



    75

    100

    1,8 l Endura-TDDi 55 kW (75 pk) handgeschakelde versnellingsbak
    EC-rijklaargewicht

    1244

    1265

    1257

    1265

    Laadvermogen

    441

    450

    453

    490-540

    Max. toelaatbaar totaalgewicht

    1685

    1715

    1710

    1755-1805

    Toelaatbare dakbelasting

    75

    75

    75

    100

    1,8 l Endura-TDDi 66 kW (90 pk) handgeschakelde versnellingsbak
    EC-rijklaargewicht

    1244

    1265

    1257

    1265

    Laadvermogen

    441

    450

    453

    490-540

    Max. toelaatbaar totaalgewicht

    1685

    1715

    1710

    1755-1805

    Toelaatbare dakbelasting

    75

    75

    75

    100

    1,8 l DuraTorq-TDCi 74 kW (100 pk) handgeschakelde versnellingsbak
    EC-rijklaargewicht

    1242

    1264

    1257

    1273

    Laadvermogen

    453

    461

    463

    487-537

    Max. toelaatbaar totaalgewicht

    1695

    1725

    1720

    1760-1810

    Toelaatbare dakbelasting

    75

    75

    75

    100

    1,8 l DuraTorq-TDCi 85 kW (115 pk) handgeschakelde versnellingsbak
    EC-rijklaargewicht

    1249

    1269

    1265

    1280

    Laadvermogen

    446

    456

    455

    480-530

    Max. toelaatbaar totaalgewicht

    1695

    1725

    1720

    1760-1810

    Toelaatbare dakbelasting

    75

    75

    75

    100

    165



  • Page 168

    Inhouden en technische gegevens
    BANDEN

    Bij het gebruik van winterbanden adviseren wij u de door de fabrikant opgegeven richtlijnen betreffende de
    bandenspanning op te volgen.

    Bandenspanning
    Voor het reservewiel moet de hoogste
    bandenspanning worden aangehouden
    die is opgegeven voor de banden die op
    uw auto zijn gemonteerd.
    Bandenspanning (koude banden)

    bar
    Bandenmaat1

    Maximaal beladen met
    meer dan drie personen

    Voor

    Achter

    Voor

    Achter

    175/70 R 14

    2,2

    2,2

    2,2 (2,4)2

    3,1

    185/65 R 14

    2,2

    2,2

    2,2

    3,1

    185/70 R 14

    2,2

    2,2

    2,2

    3,1

    195/55 R 15

    2,0

    2,0

    2,2

    3,1

    165

    2,2

    2,0

    2,4

    3,1

    195/60 R 15

    2,2

    2,2

    2,2 (2,3)2

    3,1

    205/50 R 16

    195/55 R

    2,2

    2,2

    2,3

    3,1

    165

    2,2

    (2,2)4

    2,4

    3,1

    215/40 R 17

    2,2

    2,2

    2,3

    3,1

    215/45 R 17

    2,2

    (2,2)4

    2,4

    3,1 (3,3)4

    T 125/80 R 153

    4,2

    4,2

    4,2

    4,2

    205/55 R

    1
    2
    3
    4
    5

    Normaal beladen met
    ten hoogste drie personen

    2,0
    2,0

    Zomerbanden. Snelheidsclassificatie T, H, V of W afhankelijk van het motortype.
    Uitvoeringen met een dieselmotor.
    Ruimtebesparend reservewiel.
    Alleen Wagon.
    Winterbanden.

    166



  • Page 169

    Inhouden en technische gegevens
    Opmerkingen over de
    bandenspanning
    • De binnenzijde van de brandstofvulklep heeft een bandenspanningstabel.

    Bandenspanning voor continue snelheden van meer dan 160 km/h
    (koude banden)
    bar
    Bandenmaat1

    175/70 R 14

    Maximaal beladen met
    meer dan drie personen

    Voor

    Achter

    Voor

    Achter

    2,4

    2,4

    2,4 (2,5)2

    3,3

    (2,5)2

    3,3

    185/65 R 14

    2,4

    2,4

    185/70 R 14

    2,4

    2,4

    2,4

    3,3

    195/55 R 15

    2,2

    2,2

    2,4

    3,3

    164

    2,2

    2,0

    2,4

    3,1

    195/60 R 15

    2,4

    2,4

    2,4 (2,5)2

    3,3

    (2,5)2

    3,3

    195/55 R

    2,4

    205/50 R 16

    2,4

    2,4

    205/55 R 164

    2,4

    2,2 (2,4)3

    2,5

    3,3

    215/40 R 17

    2,4

    2,4

    2,5

    3,3

    2,4

    (2,4)3

    2,5

    3,3

    215/45 R 17
    1
    2
    3
    4

    Normaal beladen met
    ten hoogste drie personen

    2,2

    2,4

    Zomerbanden. Snelheidsclassificatie T, H, V of W afhankelijk van het motortype.
    Uitvoeringen met een dieselmotor.
    Alleen Wagon.
    Winterbanden.

    167



  • Page 170

    Inhouden en technische gegevens
    Sneeuwkettingen
    Gebruik uitsluitend sneeuwkettingen
    met kleine schakels. De sneeuwkettingen mogen alleen om de aangedreven
    wielen (voorwielen) worden gemonteerd.
    Sneeuwkettingen mogen alleen worden
    gemonteerd op 185/65 R 14 banden. Bij
    de ST170 mogen alleen sneeuwkettingen worden gemonteerd op 195/55 R 16
    banden.
    Rijd niet sneller dan 50 km/h. Verwijder
    de sneeuwkettingen onmiddellijk als de
    weg vrij van sneeuw is.
    Uitvoeringen met Traction Control
    (TCS) of Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP) kunnen bij gebruik van
    sneeuwkettingen ongebruikelijke rijeigenschappen vertonen. Dit kan worden
    voorkomen door het systeem uit te
    schakelen.
    Raadpleeg de rubriek Traction Control
    System (TCS)/ Elektronisch Stabiliteits Programma (ESP).
    Om beschadiging van de wieldeksels te
    voorkomen verdient het aanbeveling
    deze te verwijderen voordat sneeuwkettingen worden gemonteerd.

    168



  • Page 171

    Inhouden en technische gegevens
    AFMETINGEN
    3-/5-deurs

    Afmetingen
    A = Totale lengte
    B = Totale breedte (inclusief buitenspiegels)
    C = Totale hoogte (rijklaargewicht)
    D = Wielbasis
    E = Spoorbreedte
    voor
    achter

    mm
    4174
    1998
    1440-1481
    2615
    1484-1502 1
    1477-1495 1

    1 Afhankelijk van de band/velg combinatie.

    169



  • Page 172

    Inhouden en technische gegevens
    4-deurs

    Afmetingen

    mm

    A = Maximum lengte

    4382

    B = Totale breedte (inclusief buitenspiegels)
    C = Totale hoogte (rijklaargewicht)
    D = Wielbasis
    E = Spoorbreedte
    1 Afhankelijk van de band/velg combinatie.

    170

    1998
    1440-1481
    2615

    voor

    1484-1502 1

    achter

    1477-1495 1



  • Page 173

    Inhouden en technische gegevens
    Wagon

    Afmetingen

    mm

    A = Maximum lengte

    4454

    B = Totale breedte (inclusief buitenspiegels)

    1998

    C = Totale hoogte (rijklaargewicht)

    1461-1557

    D = Wielbasis
    E = Spoorbreedte

    2615
    voor

    1484-1502 1

    achter

    1477-1495 1

    1 Afhankelijk van de band/velg combinatie.

    171



  • Page 174

    Inhouden en technische gegevens
    BEVESTIGINGSPUNTEN VOOR
    EEN TREKHAAK

    Laat de montage van een trekhaak over aan een expert.

    3-/5-deurs

    Afstanden
    A = Bumper – einde trekhaakkogel
    B = Bevestigingspunt – hart trekhaakkogel
    C = Grondoppervlak – hart trekhaakkogel 2
    D = Hart wiel – hart trekhaakkogel
    E = Hart trekhaakkogel – langsbalk
    F = Binnenzijde langsbalk
    G = Hart trekhaakkogel – hart 1e bevestigingspunt
    G = Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigingspunt
    1 Alle maten hebben betrekking op officieel door Ford goedgekeurde trekhaken.
    2 Bij rijklaargewicht.

    172

    mm 1
    118
    33
    442-477
    794
    445
    890
    369
    503



  • Page 175

    Inhouden en technische gegevens
    4-deurs

    Afstanden
    A = Bumper – einde trekhaakkogel
    B = Bevestigingspunt – hart trekhaakkogel
    C = Grondoppervlak – hart trekhaakkogel 2
    D = Hart wiel – hart trekhaakkogel
    E = Hart trekhaakkogel – langsbalk
    F = Binnenzijde langsbalk
    G = Hart trekhaakkogel – hart 1e bevestigingspunt
    G = Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigingspunt

    mm 1
    97
    36
    449-482
    980
    442
    884
    430
    564

    1 Alle maten hebben betrekking op officieel door Ford goedgekeurde trekhaken.
    2 Bij rijklaargewicht.

    173



  • Page 176

    Inhouden en technische gegevens
    Wagon

    Afstanden
    A = Bumper – einde trekhaakkogel
    B = Bevestigingspunt – hart trekhaakkogel
    C = Grondoppervlak – hart trekhaakkogel 2
    D = Hart wiel – hart trekhaakkogel
    E = Hart trekhaakkogel – langsbalk
    F = Buitenzijde langsbalk
    G = Hart trekhaakkogel – hart 1e bevestigingspunt
    G = Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigingspunt
    1 Alle maten hebben betrekking op officieel door Ford goedgekeurde trekhaken.
    2 Bij rijklaargewicht.

    174

    mm 1
    100
    43
    457-491
    1056
    589
    1178
    442
    576



  • Page 177

    Inhouden en technische gegevens
    RADIOGRAFISCHE
    AFSTANDSBEDIENING
    Indien de typegoedkeuring van uw
    afstandsbediening wordt gecontroleerd,
    verwijs dan naar onderstaande tabel.

    Het is raadzaam de afstandsbediening
    uitsluitend te gebruiken in landen die in
    de tabel zijn opgenomen.

    Type approval of the remote control
    Country
    Official test number
    1

    433,92 MHz
    5WK4 725/8686/8071
    1

    433,92 MHz
    5WK4 725/8686/8071
    BAKOM 97.0946.K.P.
    MCW 129/95 23/1997

    1
    1
    1
    1
    1
    1

    433,92 MHz
    5WK4 725/8686/8071
    1 Hereby, Siemens, declares that this remote control is in compliance with the essential requirements
    and other relevant provisions of Directive 1999/5/EC.

    175



  • Page 178

    Inhouden en technische gegevens
    Type approval of the remote control
    Country
    Official test number
    1
    1
    1

    272/3-1998
    1
    1
    1

    433,92 MHz
    5WK4 725/8686/8071
    1
    1

    1

    542/98

    1

    433,92 MHz
    5WK4 725/8686/8071
    Ref.No.: 3K43D/3R1B9/SPLS-RX9/98
    1 Hereby, Siemens, declares that this remote control is in compliance with the essential requirements
    and other relevant provisions of Directive 1999/5/EC.

    176



  • Page 179

    Inhouden en technische gegevens
    IMMOBILISATIESYSTEEM
    Wanneer de typegoedkeuring van het immobilisatiesysteem wordt gecontroleerd,
    verwijs dan naar onderstaande tabel.
    Type approvals of the engine immobilisation system
    Country

    Official test number

    No number required

    DRQ-D-PREMIER-10-19963860-LPD2-1387 LPD2-1388
    LPD2-1389
    3043104475A

    WT/122/98 II
    F00053/1/2002
    RCPVI9801-607
    ENG 3/2/RFS29

    S.H. Nr 003/2002

    177



  • Page 180

    Inhouden en technische gegevens
    Type approvals of the engine immobilisation system

    IDA approved part
    LPREQ-0259-2002
    171
    D.O.1/130/2545
    B.61.TK.0.22.00.00/49402632
    NT8-15607CPATXCVR

    178



  • Page 181

    Index
    A

    B

    Aanduwen/aantrekken . . . . . . . 141-143

    Bagage vervoeren . . . . . . . . . . . . . . . . 81

    Aanjager . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24, 28

    Bagageafdekhoes . . . . . . . . . . . . . . . . 57

    Aansteker . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18

    Bagageafdekpaneel . . . . . . . . . . . . . . 54

    ABS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10, 107

    Bagageruimte . . . . . . . . . . 16, 54-58, 61

    Accu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9, 139-140

    Bagageruimte openen . . . . . . . . . 16, 66

    Achterlichten . . . . . . . . . . . 15, 121-123

    Bagageruimteverlichting . . . . . . . . . 126

    Achterlichtunits . . . . . . . . . . . . 121-123

    Band vervangen . . . . . . . . . . . . 133-139

    Achterruitsproeier/ −wisser . . . . . 33-34

    Banden . . . . . . . . . . . . . . . 156, 166-168

    Achteruit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46-48

    Bandenspanning . . . . . . . . 156, 166-167

    Achteruitkijkspiegels . . . . . . . 38, 41-42

    Bekerhouder . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49

    Achteruitrijlampen . . . . . . . . . . 122-123

    Bekerhouders . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 52

    Afmetingen . . . . . . . . . . . . . . . . 169-171

    Bescherming ten corrosie
    koelsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153

    Afstand . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
    Afstandsbediening . 59, 64-69, 176-177
    Afstandsbediening
    audio−installatie . . . . . . . . . . . . . . . . . 35
    Afstandsbediening, sleutel
    programmeren . . . . . . . . . . . . . . . 64-69

    Bescherming van het milieu . . . . . . . . 3
    Bevestigingspunten voor een
    trekhaak . . . . . . . . . . . . . . . . . . 173-175
    Bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 151-154
    Binnenspiegel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38

    Airbag . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7, 86-90

    Boordcomputer . . . . . . . . . . . . . . 20-22

    Airconditioning . . . . . . . . . . . 26-30, 145

    Brake Traction Control System . . . . 108

    Akoestisch waarschuwingssignaal,
    buitenverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . 15

    Brandstof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 158

    Alarminstallatie . . . . . . . . . . . . . . . 72-74
    Antivries . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153
    Armleuning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76
    Armsteun . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53
    Asbak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18

    Brandstofmeter . . . . . . . . . . . . . . . . . 13
    Brandstofpeil . . . . . . . . . . . . . . . . . 9, 22
    Brandstofverbruik . . . . . . . 22, 159-162
    Buitenspiegels . . . . . . . . . . . . . . . 41-42
    Buitentemperatuur . . . . . . . . . . . . . . 21
    Buitenverlichting . . . . . . . . . . . . . 15-17

    Auto opkrikken . . . . . . . . . . . . . 135-136
    Auto wassen . . . . . . . . . . . . . . . 156-157
    Automatische
    transmissie . 11, 47-49, 96, 98-100, 144

    179



  • Page 182

    Index
    C

    E

    CD−wisselaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35

    Elektronisch Stabilitiets
    Programma (ESP) . . . . . . . . . . . . . . . 51

    Centrale portiervergrendeling . . 62-63
    Claxon . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32
    Controlelamp laadstroom . . . . . . . . . . 9

    Elektronische
    temperatuurregeling . . . . . . . . . . 27-30
    Extra waarschuwingslampen . . . . . . 14

    Controlelamp remsysteem . . . . 10, 107
    Controlelamp voorgloeien . . . . . . . . . 11
    Controlelampen . . . . . . . . . . . . . . . 6-14
    Controles . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 145

    D
    Dagteller . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12
    Dakbelasting . . . . . . . . . . . . . . . 164-165
    Dieselmotor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
    Dieselolie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 158
    Digitale klok . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
    Dimlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . 15, 32, 117
    Dubbele vergrendeling . . . . . . 63-64, 66

    E
    EHBO-doos . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58
    Elektrisch aansluitpunt/aansteker . . 18
    Elektrisch bedienbare ruiten . . . 43-45
    Elektrisch bedienbare stoel . . . . . . . . 76
    Elektrisch verwarmbare
    voorstoelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 77
    Elektrische ramen . . . . . . . . . . . . 43-45
    Elektronisch Stabiliteits
    Programma (ESP) . . . 8, 108, 134, 168

    180

    F
    Fail Safe koelsysteem . . . . . . . 114-115
    Fail safe koelsysteem . . . . . . . . . . 11-12
    Front-airbags . . . . . . . . . . . . . . . . 86-88

    G
    Gemiddeld brandstofverbruik . . . . . . 22
    Gemiddelde snelheid . . . . . . . . . . . . . 21
    Gevarendriehoek . . . . . . . . . . . . . . . . 58
    Gloeilampen vervangen . . . . . . 116-126
    Gordelslotspanner . . . . . . . . . . . . . . . 84
    Grootlicht . . . . . . . . . . . . . . . . 8, 32, 118

    H
    Handbediende airconditioning . . 26-27
    Handgeschakelde versnellingsbak . . 46
    Handrem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
    Handschoenenkastje . . . . . . . . . . . . . 49
    Hoofdsteunen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78
    Hulpaccu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 140



  • Page 183

    Index
    I

    L

    Identificatienummer . . . . . . . . . . . . 158

    Laadvloer vergroten . . . . . . . . . . . 79-80

    Identificatieplaatje van de auto . . . . 158

    Lakbeschadigingen . . . . . . . . . . . . . . 157

    Immobilisatiesysteem . 69-72, 178-179

    Leeslampen . . . . . . . . . . . . . . . . . 37, 125

    Imperiaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105-106

    Lichtschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . 15-16

    Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2

    Lichtsignaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32

    Inrijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3

    Luchtrecirculatie . . . . . . . . . . . . . 25, 30

    Instrumentengroep . . . . . . . . . . . . 6-14
    Instrumentenpaneel . . . . . . . . . . . . . 4-5

    M

    Interieurverlichting . . . 37, 38, 124-126

    Mistachterlichten . . . . . . . . 16, 122-123
    Mistlampen . . . . . . 15-16, 119, 120, 122

    K

    Mistlampen, vóór . . . . . . . . 15, 119, 120

    Katalysator . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100

    Momentaan brandstofverbruik . . . . . 22

    Kentekenplaatverlichting . . . . . . . . 123

    Motor starten . . . . . . . . . . . . . . . . 95-97

    Keuzehendelstanden . . . . . . . . . . 47-49

    Motorcompartiment . . . . . . . . . 147-150

    Kilometerteller . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12

    Motorkap . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62, 146

    Kinderveiligheidssloten . . . . . . . . . . . 60

    Motorkap openen . . . . . . . . . . . . . . . 146

    Kinderveiligheidszitjes . . . . . . . . . 90-94

    Motornummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . 158

    Kinderzitjes, plaatsing van . . . . . 92-94

    Motorolie . . . . . . . . . . . . . . 151-152, 162

    Klok . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19

    Motoroliepeilstaaf . . . . . . . . . . . . . . . 151

    Knipperlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32

    Motorolievuldop . . . . . . . . . . . . . . . . 152

    Koelsysteem . . . . . . . . . . . . . 7, 114-115

    Multifunctionele hendel . . . . . . . . 32-34

    Koelvloeistof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153
    Koplampen . . . . . . . . . . . . . 15, 116-118

    N

    Koplampsproeiers . . . . . . . . . . 154-155

    Netten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53, 55, 57

    Koude start . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95-96

    Noodloopprogramma . . . . . . . . 114-115

    Kriksteunpunten . . . . . . . . . . . . . . . 136

    181



  • Page 184

    Index
    O

    R

    Oliedruk . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9

    Radiografische
    afstandsbediening . 59, 64-69, 176-177

    Oliesoorten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 162
    Onderhoud en verzorging . . . . . . . . 145
    Onderhoud van de
    veiligheidsgordels . . . . . . . . . . . . . . . . 85
    Onderhoudstabel . . . . . . . . . . . . . . . 145
    Ontgrendelfunctie opnieuw
    programmeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65
    Opbergbox . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 55
    Opbergtas . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53
    Openen van de bagageruimte . . . . . . 61
    Originele onderdelen . . . . . . . . . . . . . . 2
    Overdrive . . . . . . . . . . . . . . . . . 11, 48-49

    P

    Regelknop hoogteverstelling
    koplamplichtbundels . . . . . . . . . . 16-17
    Regelknop
    instrumentenverlichting . . . . . . . . . . 16
    Remlichten . . . . . . . . . . . 121, 123, 124
    Remmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106-107
    Remvloeistofreservoir . . . . . . . . . . . 152
    Reservewiel . . . . . . . . . . . . . . . . 134-135
    Richtingaanwijzer . . . . . . . . . . . 117, 119
    Richtingaanwijzers 8, 32, 120, 121, 123
    Rijden met een aanhanger . . . . 101-104
    Rijden met een auto met
    automatische transmissie . . . . . 98-100
    Rijden met een katalysator . . . . . . . 100

    Parkeerhulp . . . . . . . . . . . . . . . 112-113

    Rijden met TCS . . . . . . . . . . . . 108-111

    Parkeerlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15

    Rugleuning neerklappen . . . . . . . 77, 80

    Parkeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100

    Rugleuningen van achterbank
    neerklappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79

    Passagiersstoel volledig
    neerklappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78

    Ruiten ontdooien . . . . . . . . . . . . . 25, 26

    Pollenfilter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23

    Ruitensproeiers . . . . . . . . . . . . 154-155

    Portieren openen . . . . . . . . . . 60-61, 65

    Ruitensproeiervloeistof . . . . . . . . . . . 14
    Ruitenwisserbladen . . . . . . . . . . . . . 155
    Ruitenwissers . . . . . . . . . . . . . . . . . . 155
    Ruitenwissers, voor . . . . . . . . . . . . . . 33
    Ruitenwissers/ -sproeiers . . . . . . 33-34
    Ruitenwisserschakelaar . . . . . . . . 33-34

    182



  • Page 185

    Index
    S

    T

    Schijfremmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106

    Tanken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100

    Schuifdak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38-41

    Tankinhoud . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 163

    Sleepoog . . . . . . . . . . . . . . . . . . 141-142

    Temperatuur instellen . . . . . . . . . 24, 28

    Sleutel met ingebouwde
    verlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 59

    Temperatuurmeter . . . . . . . . . . . . 11-12

    Sleutelcode wissen . . . . . . . . . . . . . . . 72
    Sleutels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 59, 69

    Toerentalbegrenzer . . . . . . . . . . . . . . 95
    Toerenteller . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12

    Sleutels coderen . . . . . . . . . . . . . . . . . 71

    Traction Control
    System (TCS) . 8, 51, 108-111, 134, 168

    Sleutels programmeren . . . . . . . . . . . 68

    Trekhaak . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101-104

    Slot van brandstofvulklep . . . . . . . . . 61

    Trekhaakkogel, afneembaar . . 101-104

    Sloten en sleutels . . . . . . . . . . . . . . . . 59

    Turbodiesel, afzetten . . . . . . . . . . . . . 97

    Sneeuwkettingen . . . . . . . . . . . . . . . 168

    Tweekrings remsysteem . . . . . . . . . 106

    Snelheidsmeter . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12
    Snelheidsregeling . . . . . . . . . . 11, 36-37

    U

    Specificatie koelvloeistof . . . . . . . . . 163

    Ultrasone parkeerhulp . . . . . . . 112-113

    Specificatie
    stuurbekrachtigingsvloeistof . . . . . . 163

    V

    Spiegels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41-42
    Stadslicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . 117-118

    Veiligheidsgordels . . . . . . . . . . . . 82-84

    Stadslichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15

    Veiligheidsschakelaar
    brandstofsysteem . . . . . . . . . 115-116

    Starten met hulpstartkabels . . 139-140
    Stoelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 75-81

    Ventilatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25

    Stoelen verstellen . . . . . . . . . . . . . 75-78

    Vergrendeling van de
    keuzehendel . . . . . . . . . . . . . . . . 47, 144

    Stoelhoezen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 89
    Stuurkolomslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31
    Stuurwiel verstellen . . . . . . . . . . . . . . 31

    Verwarmbare voorstoelen . . . . . . . . . 50
    Verwarming en ventilatie . . . . . . . . . . 23
    Verwisselen van een wiel . . . . . 133-139
    Vloeistoffen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 163
    Vloeistofpeil stuurbekrachtiging . . . 154
    Vloeistofreservoir koppeling . . . . . . 152
    Vloerbedekking, omkeerbaar . . . . . . 57
    Voertuig Identificatie Nummer . . . . 158

    183



  • Page 186

    Index
    V
    Voor- en achterruitverwarming
    (handbediende airconditioning) . 19-20
    Voorruitsproeiers . . . . . . . . . . . . . . . . 34
    Voorruitwissers . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
    Voorwoord . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2-3
    Vulinhouden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 163

    W
    Waarschuwingsknipperlichten . 19, 114
    Waarschuwingslamp ijsvorming . . . . 14
    Waarschuwingslampen . . . . . . . . . . 6-14
    Waarschuwingssymbolen . . . . . . . . . . . 3
    Wagengewicht . . . . . . . . . . . . . . 164-165
    Wagenkrik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 135
    Wegrijden met een automatische
    transmissie . . . . . . . . . . . . . . . . . . 98-99
    Wiel vervangen . . . . . . . . . . . . . 133-139
    Wiel verwijderen . . . . . . . . . . . . 137-138
    Wiggen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 135-136
    Wissen met intervallen . . . . . . . . . . . . 33

    Z
    Zekeringen . . . . . . . . . . . . . . . . 127-132
    Zij-airbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88-89
    Zonnekleppen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
    Zwangere vrouwen . . . . . . . . . . . . 83-84

    184






Missbrauch melden von Frage und/oder Antwort

Libble nimmt den Missbrauch seiner Dienste sehr ernst. Wir setzen uns dafür ein, derartige Missbrauchsfälle gemäß den Gesetzen Ihres Heimatlandes zu behandeln. Wenn Sie eine Meldung übermitteln, überprüfen wir Ihre Informationen und ergreifen entsprechende Maßnahmen. Wir melden uns nur dann wieder bei Ihnen, wenn wir weitere Einzelheiten wissen müssen oder weitere Informationen für Sie haben.

Art des Missbrauchs:

Zum Beispiel antisemitische Inhalte, rassistische Inhalte oder Material, das zu einer Gewalttat führen könnte.

Beispielsweise eine Kreditkartennummer, persönliche Identifikationsnummer oder unveröffentlichte Privatadresse. Beachten Sie, dass E-Mail-Adressen und der vollständige Name nicht als private Informationen angesehen werden.

Forenregeln

Um zu sinnvolle Fragen zu kommen halten Sie sich bitte an folgende Spielregeln:

Neu registrieren

Registrieren auf E - Mails für Ford Focus 2003 wenn:


Sie erhalten eine E-Mail, um sich für eine oder beide Optionen anzumelden.


Holen Sie sich Ihr Benutzerhandbuch per E-Mail

Geben Sie Ihre E-Mail-Adresse ein, um das Handbuch zu erhalten von Ford Focus 2003 in der Sprache / Sprachen: Holländisch als Anhang in Ihrer E-Mail.

Das Handbuch ist 3,28 mb groß.

 

Sie erhalten das Handbuch in Ihrer E-Mail innerhalb von Minuten. Wenn Sie keine E-Mail erhalten haben, haben Sie wahrscheinlich die falsche E-Mail-Adresse eingegeben oder Ihre Mailbox ist zu voll. Darüber hinaus kann es sein, dass Ihr ISP eine maximale Größe für E-Mails empfangen kann.

Andere Handbücher von Ford Focus 2003

Ford Focus 2003 Bedienungsanleitung - Deutsch - 186 seiten

Ford Focus 2003 Bedienungsanleitung - Englisch - 186 seiten


Das Handbuch wird per E-Mail gesendet. Überprüfen Sie ihre E-Mail.

Wenn Sie innerhalb von 15 Minuten keine E-Mail mit dem Handbuch erhalten haben, kann es sein, dass Sie eine falsche E-Mail-Adresse eingegeben haben oder dass Ihr ISP eine maximale Größe eingestellt hat, um E-Mails zu erhalten, die kleiner als die Größe des Handbuchs sind.

Ihre Frage wurde zu diesem Forum hinzugefügt

Möchten Sie eine E-Mail erhalten, wenn neue Antworten und Fragen veröffentlicht werden? Geben Sie bitte Ihre Email-Adresse ein.



Info