Zoom out
Zoom in
Vorherige Seite
1/316
Nächste Seite
FORD C-MAX Instructieboekje
1

Brauchen Sie Hilfe? Stellen Sie Ihre Frage.

Forenregeln

Forum

Suche zurücksetzen

  • Gibt es eine aktuelle betriebsanleitung für Grand C-Max ? Eingereicht am 18-12-2019 18:25

    Antworten Frage melden

Inhalt der Seiten


  • Page 1

    FORD C-MAX Instructieboekje



  • Page 2

    De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue
    productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties, ontwerp en uitrusting op ieder
    moment zonder aankondiging of verplichting te wijzigen. Niets uit deze uitgave mag in enigerlei vorm en
    door enig middel gereproduceerd, verzonden of in een oproepsysteem opgeslagen of in een andere taal
    vertaald worden zonder onze schriftelijke toestemming. Fouten of omissies uitgesloten.
    © Ford Motor Company 2011
    Alle rechten voorbehouden.
    Onderdeelnummer: (CG3567nl) 08/2011 20110621091600



  • Page 3

    Inhoudsopgave
    Inleiding

    Motorstartblokkering

    Over deze handleiding ....................................7
    Overzicht van symbolen.................................7
    Onderdelen en accessoires..........................8

    Werking..............................................................48
    Gecodeerde sleutels.....................................48
    Immobilisatiesysteem inschakelen........48
    Immobilisatiesysteem uitschakelen.......48

    In één oogopslag
    In één oogopslag ............................................10

    Alarm

    Veiligheidsuitrusting voor
    kinderen

    Werking..............................................................49
    Alarm inschakelen.........................................50
    Alarm uitschakelen.......................................50

    Kinderzitjes........................................................19
    Stoelverhogers ...............................................20
    Plaatsing van kinderzitjes.............................21
    ISOFIX verankeringspunten.......................24
    Kindersloten.....................................................25

    Stuurwiel
    Stuurwiel afstellen.........................................52
    Audiobediening...............................................52
    Spraaksturing..................................................53

    Bescherming van
    inzittenden

    Ruitenwissers en ruitensproeiers

    Werking...............................................................27
    Veiligheidsgordels vastmaken..................29
    Hoogte van veiligheidsgordels
    afstellen.........................................................33
    Waarschuwingssignaal
    veiligheidsgordel.........................................33
    Gebruik van veiligheidsgordels tijdens
    zwangerschap.............................................34
    Passagiersairbag uitschakelen.................34

    Voorruitwissers...............................................54
    Automatisch in- en uitschakelende
    ruitenwissers................................................54
    Voorruitsproeiers............................................55
    Achterruitwissers en -sproeiers................56
    Koplampsproeiers.........................................56
    Ruitenwisserbladen controleren..............57
    Ruitenwisserbladen vervangen.................57
    Technische specificatie...............................58

    Sleutels en afstandsbediening

    Verlichting
    Verlichtingsbediening...................................59
    Automatisch in- en uitschakelende
    verlichting.....................................................60
    Voorste mistlampen.....................................60
    Mistachterlichten............................................61
    Koplampen afstellen - Auto's met
    Adaptieve verlichting, voor/Xenon
    koplampen....................................................61
    Koplamphoogte afstellen............................61
    Waarschuwingsknipperlichten.................62
    Richtingaanwijzers........................................62

    Algemene informatie over
    radiofrequenties.........................................36
    Programmeren van de
    afstandsbediening....................................36
    Batterij van afstandsbediening
    vervangen.....................................................36

    Sloten
    Vergrendelen en ontgrendelen.................39
    Sleutelloze toegang......................................43
    Centrale vergrendeling................................46

    1



  • Page 4

    Inhoudsopgave
    Zijrichtingaanwijzers.....................................63
    Interieurverlichting.........................................63
    Een koplamp verwijderen...........................65
    Gloeilampen vervangen..............................65
    Gloeilampentabel...........................................72

    Achterbank......................................................119
    Verwarmde stoelen.....................................128

    Gemaksfuncties
    Zonnekleppen ...............................................129
    Dimmer
    instrumentenpaneelverlichting..........130
    Klok.....................................................................131
    Aansteker..........................................................131
    Extra voedingsaansluitingen ....................131
    Bekerhouders.................................................132
    Opbergruimtes...............................................132
    Glashouder......................................................132
    Kinder observatiespiegel...........................133
    Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN)
    .........................................................................133
    USB-poort.......................................................134
    Houder satelliet-navigatie-unit...............134
    Vloermatten...................................................134

    Ruiten en spiegels
    Elektrisch bedienbare ruiten......................74
    Buitenspiegels.................................................75
    Elektrisch verstelbare
    buitenspiegels.............................................76
    Automatisch dimmende spiegel...............77
    Monitor dode hoek ........................................77

    Instrumentenpaneel
    Meters..................................................................81
    Waarschuwings- en
    indicatielampen.........................................83
    Akoestische waarschuwingssignalen en
    -indicaties.....................................................85

    Motor starten en stoppen

    Infodisplays

    Algemene informatie..................................135
    Contactslot.....................................................135
    Stuurwielblokkering.....................................135
    Een benzinemotor starten........................136
    Een dieselmotor starten.............................137
    Sleutelloos starten.......................................137
    Dieselroetfilter...............................................139
    Motor uitschakelen......................................140
    Motorblokverwarming ...............................140

    Algemene informatie...................................88
    Tripcomputer...................................................95
    Persoonlijke instellingen.............................96
    Infoberichten...................................................96

    Klimaatregeling
    Werking.............................................................107
    Ventilatieroosters.........................................107
    Handmatige klimaatregeling...................108
    Automatische klimaatregeling.................110
    Verwarmde ruiten en spiegels..................112
    Extra verwarming...........................................113

    Start/stop knop
    Werking.............................................................141
    Start/stop knop gebruiken.........................141

    Stoelen

    Eco-modus

    De juiste zitpositie innemen......................116
    Handmatig verstelbare stoelen...............116
    Hoofdsteunen.................................................117
    Elektrisch verstelbare stoelen..................118

    Werking............................................................143
    Eco-modus gebruiken................................143

    2



  • Page 5

    Inhoudsopgave
    Actieve parkeerhulp gebruiken ...............163

    Brandstof en tanken
    Veiligheidsmaatregelen.............................144
    Brandstofkwaliteit - Benzine...................144
    Brandstofkwaliteit - Diesel.......................144
    Katalysator......................................................145
    Tankklep...........................................................145
    Tanken...............................................................147
    Brandstofverbruik.........................................147
    Technische specificatie..............................147

    Achteruitkijkcamera
    Werking............................................................166
    Achteruitkijkcamera gebruiken...............166

    Snelheidsregeling (Cruise
    Control)
    Werking............................................................169
    Gebruik maken van
    snelheidsregeling.....................................169

    Versnellingsbak/transmissie

    Snelheidsbegrenzer

    Handgeschakelde versnellingsbak.......150
    Automatische transmissie........................150

    Werking..............................................................171
    Snelheidsbegrenzer gebruiken.................171

    Remmen

    Transport

    Werking............................................................154
    Tips voor rijden met ABS ..........................154
    Parkeerrem.....................................................154

    Algemene informatie...................................173
    Bagageverankeringspunten......................173
    Bagageafdekkingen.....................................175
    Opbergruimte onder vloer achterin.......175
    Bagagenetten.................................................175
    Dakrekken en bagagedragers...................177

    Stabiliteitsregeling
    Werking.............................................................155
    Gebruik maken van
    stabiliteitsregeling...................................156

    Aanhangers trekken
    Trekken van een aanhanger.....................180
    Afneembare trekhaakkogel ....................180

    Regeling voor bergop rijden
    Werking.............................................................157
    Regeling voor bergop rijden
    gebruiken.....................................................157

    Tips voor het rijden
    Inrijden..............................................................184
    Voorzorgsmaatregelen voor koude
    weersomstandigheden..........................184
    Door water rijden..........................................184

    Parkeerhulp
    Werking............................................................159
    Gebruik maken van de parkeerhulp Auto's met Parkeerhulp achteruit......159
    Gebruik maken van de parkeerhulp Auto's met Parkeerhulp voor en achter
    ........................................................................160

    Wat te doen bij pech
    Eerstehulpset.................................................185
    Gevarendriehoek..........................................185
    Nooduitgang..................................................185

    Actieve parkeerhulp
    Werking............................................................163

    3



  • Page 6

    Inhoudsopgave
    Zekeringen

    Velgen en banden

    Plaatsen zekeringenhouders...................186
    Een zekering vervangen.............................186
    Specificatie-overzicht zekeringen..........187

    Algemene informatie...................................212
    Een wiel vervangen......................................212
    Bandenreparatieset.....................................217
    Verzorging van banden...............................221
    Gebruik van winterbanden.......................222
    Gebruik van sneeuwkettingen................222
    Bandenspanningcontrolesysteem........222
    Technische specificatie.............................223

    Bergen van de auto
    Sleeppunten...................................................195
    Auto op vier wielen slepen........................195

    Onderhoud
    Voertuigidentificatie

    Algemene informatie...................................197
    De motorkap openen en sluiten.............198
    Overzicht motorruimte - 1,6 l
    Duratec-16V Ti-VCT (Sigma)..............199
    Overzicht motorruimte - 1,6 l
    Duratorq-TDCi (DV) diesel ................200
    Overzicht motorruimte - 2,0 l
    Duratorq-TDCi (DW) diesel ................201
    Oliepeilstaaf - 1,6 l Duratec-16V Ti-VCT
    (Sigma).......................................................202
    Oliepeilstaaf - 1,6 l Duratorq-TDCi (DV)
    diesel /2,0 l Duratorq-TDCi (DW)
    diesel ...........................................................202
    Motorolie controleren................................203
    Motorkoelvloeistof controleren.............203
    Controle vloeistofpeil koppeling en
    remsysteem..............................................204
    Ruitensproeiervloeistof controleren.....204
    Technische specificatie.............................205

    Voertuigidentificatieplaatje.....................228
    Voertuigidentificatienummer..................229

    Inhouden en specificaties
    Technische specificatie.............................230

    Inleiding audio-installatie
    Belangrijke audio-informatie...................233

    Overzicht audio-installatie
    Overzicht audio-installatie......................234

    Beveiliging van uw audioinstallatie
    Beveiligingscode..........................................240

    Werking van de audioinstallatie

    Verzorging van de auto

    Aan/uit toets...................................................241
    Volumeknop...................................................241
    Golfband toets..............................................241
    Station afstemtoetsen...............................241
    Voorkeuzetoetsen.......................................242
    Autostore toets.............................................242
    Regeling functie verkeersinformatie......242

    Reinigen van buitenzijde auto................208
    Reinigen van binnenzijde auto...............209
    Kleine lakschade repareren.....................209

    Accu van de auto
    Starten met hulpstartkabels ..................210
    Accu vervangen..............................................211
    Aansluitpunten van de accu .....................211

    Menu's audio-installatie
    Automatische volumeregeling...............244

    4



  • Page 7

    Inhoudsopgave
    Digitale signaalverwerking (DSP).........244
    Nieuwsberichten..........................................244
    Alternatieve frequenties...........................244
    Regionale modus (REG)...........................245

    Verbinding
    Algemene informatie..................................272
    Extern apparaat aansluiten .....................273
    Extern apparaat aansluiten - Auto's met
    Bluetooth....................................................274
    USB-apparaat gebruiken .........................274
    iPod gebruiken ..............................................275

    CD-speler
    CD afspelen...................................................246
    Nummer selecteren....................................246
    Versneld vooruit/achteruit.......................246
    Shuffle/random (door
    elkaar/willekeurig)..................................246
    CD-nummers herhalen.............................246
    CD-nummers scannen...............................247
    MP3-bestand afspelen..............................247
    MP3 weergave-opties...............................248
    Afspelen CD beëindigen...........................248

    Introductie navigatie
    Algemene informatie..................................278
    Rijveiligheid ...................................................278

    Introductie navigatie
    Introductie navigatie .................................280

    Overzicht navigatie-unit
    Overzicht navigatie-eenheid...................283
    Navigatiedata laden...................................287

    Ingangsaansluiting (AUX
    IN)
    Ingangsaansluiting (AUX IN)..................249

    Systeeminstellingen
    Systeeminstellingen ..................................288

    Storingen verhelpen audioinstallatie

    Navigatiesysteem

    Storingen verhelpen
    audio-installatie......................................250

    Menu route-opties ......................................291
    Routeweergaven .........................................292

    Telefoon

    Traffic Message Channel
    (verkeersberichtenkanaal)

    Algemene informatie...................................251
    Setup Bluetooth............................................251
    Setup telefoon..............................................252
    Bedieningselementen telefoon..............253
    Gebruik maken van de telefoon ............253

    Werking...........................................................294
    TMC gebruiken ............................................294

    Kaartupdates

    Spraaksturing

    Kaartupdates ...............................................295

    Werking...........................................................256
    Spraakgestuurd regelsysteem
    gebruiken....................................................256
    Commando’s audio-unit ..........................257
    Commando’s telefoon...............................265
    Commando’s klimaatregeling................270

    Bijlagen
    Typegoedkeuringen....................................296
    Typegoedkeuringen....................................296
    Typegoedkeuringen....................................296
    Typegoedkeuringen.....................................297

    5



  • Page 8

    Inhoudsopgave
    Typegoedkeuringen.....................................297
    Elektromagnetische compatibiliteit.....298

    6



  • Page 9

    Inleiding
    Bovendien beschermt een extra pollenfilter
    de passagiers tegen allergie opwekkende
    deeltjes in de buitenlucht.

    OVER DEZE HANDLEIDING
    Hartelijk dank voor het kiezen van een Ford.
    We adviseren u, enige tijd te nemen om
    met uw auto kennis te maken door deze
    handleiding te lezen. Hoe meer u van uw
    auto afweet, des te beter kunt u ermee
    omgaan en dat komt de veiligheid en het
    rijplezier ten goede.

    Neem voor meer informatie contact op
    met TÜV via www.tuv.com.

    OVERZICHT VAN SYMBOLEN
    Symbolen in dit instructieboekje

    WAARSCHUWING

    WAARSCHUWING

    Rijd altijd voorzichtig en oplettend bij
    het gebruiken en bedienen van de
    bedieningselementen en functies van
    uw auto.

    U riskeert de dood of ernstige
    verwonding van uzelf en anderen
    wanneer u niet de instructies opvolgt
    waarop u door dit waarschuwingssymbool
    wordt geattendeerd.

    N.B.: Deze handleiding beschrijft
    productkenmerken en opties die voor het
    programma leverbaar zijn, soms nog voordat
    deze algemeen verkrijgbaar zijn. Soms
    worden opties beschreven waarmee uw
    auto niet is uitgerust.

    LET OP
    U riskeert beschadiging van uw auto
    wanneer u niet de instructies opvolgt
    waarop u door dit
    waarschuwingssymbool wordt
    geattendeerd.

    N.B.: Sommige van de afbeeldingen in deze
    handleiding worden voor verschillende
    modellen gebruikt, waardoor ze er anders
    kunnen uitzien dan in uw auto. De essentiële
    informatie in de afbeeldingen is echter altijd
    correct.

    Symbolen op uw auto

    N.B.: Gebruik uw auto altijd volgens de
    geldende regels en voorschriften.
    N.B.: Deze handleiding dient bij de auto te
    blijven wanneer deze wordt verkocht. Het
    vormt een integraal onderdeel van de auto.
    Wanneer u deze symbolen ziet, lees dan
    eerst de betreffende instructies in dit
    instructieboekje en volg deze op voordat
    u iets aanraakt of probeert af te stellen.

    Deze auto is goedgekeurd door de
    internationaal erkende testorganisatie TÜV
    voor wat betreft de allergievriendelijke
    eigenschappen ervan.
    Alle materialen die bij de fabricage van het
    interieur van deze auto zijn gebruikt,
    voldoen aan de strikte eisen van de TÜV
    TOXPROOF Criteria Catalogus voor Auto
    Interieurs van TÜV Produkt und Umwelt
    GmbH en zijn erop gericht het risico van
    allergische reacties tot een minimum te
    beperken.

    7



  • Page 10

    Inleiding



    ONDERDELEN EN
    ACCESSOIRES

    Portieren
    Kofferdeksel of achterklep

    Nu kunt u er zeker van zijn dat uw
    Ford onderdelen Ford onderdelen
    zijn.
    U Ford is volgens de hoogste normen
    gebouwd met gebruik van Originele Ford
    onderdelen van hoge kwaliteit. Met als
    resultaat dat u er vele jaren met plezier in
    kunt rijden.
    Mocht het onverwachte plaatsvinden en
    een belangrijk onderdeel moet worden
    vervangen, dan raden wij u aan met niets
    minder dan Originele Ford Onderdelen
    genoegen te nemen.
    Het gebruik van Originele Ford Onderdelen
    verzekert dat uw auto in de oorspronkelijke
    staat wordt teruggebracht en zijn
    maximale restwaarde behoudt.
    Originele Ford Onderdelen voldoen aan de
    strenge veiligheidseisen en hoge eisen ten
    aanzien van pasvorm, afwerking en
    betrouwbaarheid. Eenvoudig gezegd: zij
    staan in voor de laagst mogelijke
    reparatiekosten, inclusief onderdelen en
    arbeidsloon.

    E130165

    Bumper en radiateurgrille



    Radiateurgrille
    Voor- en achterbumper

    Het is nu eenvoudiger te bewijzen dat
    werkelijk Originele Ford Onderdelen zijn
    gebruikt. Het Ford logo is duidelijk op de
    volgende onderdelen zichtbaar wanneer
    Originele Ford Onderdelen zijn gebruikt.
    Wanneer uw auto moet worden
    gerepareerd, kijk dan of het duidelijk
    zichtbare Ford beeldmerk te zien is en
    controleer of uitsluitend Originele Ford
    Onderdelen zijn gebruikt.

    Kijk voor het Ford logo op de
    volgende onderdelen
    Plaatwerk



    Motorkap
    Spatschermen

    E130166

    8



  • Page 11

    Inleiding
    Buitenspiegel

    E130167
    E130168

    Ruit




    Verlichting

    Achterruit
    Zijruiten
    Voorruit




    Achterlichtunits
    Koplampen

    E130169

    9



  • Page 12

    In één oogopslag

    Overzicht instrumentenpaneel
    Stuur links

    A B

    X

    C

    W V

    D

    U

    E

    T

    F

    S

    R

    E130098

    10

    G

    Q P O N

    H

    I

    M L

    K

    J



  • Page 13

    In één oogopslag
    Stuur rechts

    I

    J

    P

    O

    H

    N

    G

    B

    C

    M L K Q R

    D

    W V

    U

    E

    T

    F

    A

    S

    X

    E130099

    A

    Luchtroosters. Zie Ventilatieroosters (bladzijde 107).

    B

    Richtingaanwijzers. Zie Richtingaanwijzers (bladzijde 62). Grootlicht. Zie
    Verlichtingsbediening (bladzijde 59).

    C

    Auto's met stuur links en spraakbesturing - Bediening informatiedisplay. Zie
    Infodisplays (bladzijde 88).

    C

    Auto's met stuur links zonder spraakbesturing - Bediening informatiedisplay.
    Zie Infodisplays (bladzijde 88).

    C

    Auto's met stuur rechts en spraakbesturing - Bediening informatie- en
    entertainment-display.

    C

    Auto's met stuur rechts zonder spraakbesturing - Bediening informatiedisplay.
    Zie Infodisplays (bladzijde 88).

    11



  • Page 14

    In één oogopslag
    D

    Instrumentengroep. Zie Meters (bladzijde 81). Zie Waarschuwings- en
    indicatielampen (bladzijde 83).

    E

    Auto's met links en spraakbesturing - Bediening informatie- en
    entertainment-display.

    E

    Auto's met stuur links zonder spraakbesturing - Bediening audiosysteem. Zie
    Audiobediening (bladzijde 52).

    E

    Auto's met stuur rechts met spraakbesturing - Bediening informatiedisplay.
    Zie Infodisplays (bladzijde 88).

    E

    Auto's met stuur rechts zonder spraakbesturing - Bediening audiosysteem. Zie
    Audiobediening (bladzijde 52).

    F

    Ruitenwisserschakelaar. Zie Ruitenwissers en ruitensproeiers (bladzijde
    54).

    G

    Informatie- en entertainmentdisplay.

    H

    Audiosysteem. Zie Overzicht audio-installatie (bladzijde 234).

    I

    Portiervergrendelingsknop. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde
    39).

    J

    Schakelaar waarschuwingsknipperlichten. Zie Waarschuwingsknipperlichten
    (bladzijde 62).

    K

    Schakelaar elektrisch bediende achterklep. Zie Vergrendelen en ontgrendelen
    (bladzijde 39).

    L

    Schakelaar parkeerhulp. Zie Parkeerhulp (bladzijde 159).

    M

    Schakelaar actieve parkeerhulp. Zie Actieve parkeerhulp (bladzijde 163).

    N

    Start/stop-schakelaar. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 141).

    O

    Schakelaar achterruitverwarming. Zie Verwarmde ruiten en spiegels
    (bladzijde 112).

    P

    Schakelaar voorruitverwarming. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde
    112).

    Q

    Toetsen van klimaatregeling. Zie Klimaatregeling (bladzijde 107).

    R

    Startknop. Zie Sleutelloos starten (bladzijde 137).

    S

    Contactslot. Zie Contactslot (bladzijde 135).

    T

    Bediening audiosysteem. Zie Audiobediening (bladzijde 52). Spraakbesturing.
    Zie Spraaksturing (bladzijde 53). Bediening telefoon. Zie
    Bedieningselementen telefoon (bladzijde 253).

    U

    Stuurwielverstelling. Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 52).

    V

    Claxon.

    12



  • Page 15

    In één oogopslag
    W

    Schakelaars snelheidsregeling (cruise control). Zie Snelheidsregeling (Cruise
    Control) (bladzijde 169). Schakelaars snelheidsbegrenzer. Zie
    Snelheidsbegrenzer (bladzijde 171).

    X

    Bediening verlichting. Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 59). Mistlampen,
    vóór. Zie Voorste mistlampen (bladzijde 60). Mistachterlicht. Zie
    Mistachterlichten (bladzijde 61). Bediening koplampafstelling. Zie
    Koplamphoogte afstellen (bladzijde 61). Regelknop instrumentenverlichting.
    Zie Dimmer instrumentenpaneelverlichting (bladzijde 130).
    Voor het passief vergrendelen en
    ontgrendelen is een geldige passieve
    sleutel nodig die zich in de omgeving van
    een van de drie externe detectiezones
    bevindt.

    Elektrisch bediende achterklep
    WAARSCHUWINGEN
    Bedien het kofferdeksel niet tenzij
    het vrij is van obstructies.

    Auto ontgrendelen

    Het onzorgvuldig openen en sluiten
    van het kofferdeksel kan deze
    beschermingsfunctie opheffen en
    verwonding tot gevolg hebben.
    Het kofferdeksel kan worden geopend met
    behulp van de afstandsbediening, de
    schakelaar op de middenconsole, de
    kofferdekselschakelaar of de
    ontgrendelhendel van het kofferdeksel.
    Zie Vergrendelen en ontgrendelen
    (bladzijde 39).

    E87384

    Open een willekeurig portier.

    Sleutelloze toegang

    N.B.: De passieve sleutel moet zich binnen
    het detectiegebied van dat portier bevinden.
    Een lang lichtsignaal van de
    richtingaanwijzers geeft aan dat alle
    portieren en het kofferdeksel/de
    achterklep zijn ontgrendeld en dat de
    alarminstallatie is uitgeschakeld.

    E78276

    13



  • Page 16

    In één oogopslag
    Auto vergrendelen

    3

    E87384

    Raak een vergrendelsensor van de
    voorportierhandgreep aan om de auto te
    vergrendelen.

    E95179

    Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 52).

    Automatisch wissen

    Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 43).

    Stuurwiel instellen

    A

    B

    WAARSCHUWING
    Verstel het stuurwiel nooit wanneer
    de auto in beweging is.

    C

    2
    E128445

    2

    1
    E95178

    14

    A

    Hoge gevoeligheid

    B

    Aan

    C

    Lage gevoeligheid



  • Page 17

    In één oogopslag
    Automatische inschakeling van de
    verlichting

    Elektrisch inklapbare
    buitenspiegels

    E70719

    Afhankelijk van de lichtsituatie worden de
    koplampen automatisch in- en
    uitgeschakeld.

    E72623

    Zie Elektrisch verstelbare
    buitenspiegels (bladzijde 76).

    Zie Automatisch in- en uitschakelende
    verlichting (bladzijde 60).

    Informatiedisplays

    Elektrisch bedienbare ruiten
    N.B.: Open de tegenovergestelde ruit
    enigszins om windgeluiden of schudden
    door windstoten te voorkomen wanneer één
    ruit open staat.
    Zie Elektrisch bedienbare ruiten
    (bladzijde 74).

    E130248

    Navigeer met de pijltjestoetsen door de
    menu's en druk op OK om een keuze te
    maken.
    Zie Algemene informatie (bladzijde 88).

    15



  • Page 18

    In één oogopslag
    Handmatige klimaatregeling

    Sleutelloos starten

    Interieur snel verwarmen

    E85766

    E129884

    Druk de startknop in.

    Interieur snel afkoelen

    De motor afzetten bij rijdende auto
    WAARSCHUWING
    Afzetten van de motor terwijl nog
    met de auto wordt gereden, leidt tot
    verlies van rem- en
    stuurbekrachtiging. De stuurinrichting
    wordt niet geblokkeerd, maar er is meer
    moeite nodig. Als het contact is
    uitgeschakeld, kunnen sommige
    elektrische circuits en waarschuwings- en
    controlelampen worden uitgeschakeld
    (OFF).

    E129887

    Voorruit ontdooien en ontwasemen

    Houd de startknop twee seconden
    ingedrukt of druk er driemaal binnen drie
    seconden op.
    E129888

    Druk de startknop in.

    Zie Handmatige klimaatregeling
    (bladzijde 108).

    Zie Sleutelloos starten (bladzijde 137).

    Automatische klimaatregeling

    E91391

    Zie Automatische klimaatregeling
    (bladzijde 110).

    16



  • Page 19

    In één oogopslag
    Roetfilter (DPF) dieselmotor
    WAARSCHUWING
    Laat de motor niet stationair draaien
    of parkeer de wagen niet op droge
    bladeren, droog gras of ander
    brandbaar materiaal. Het
    DPF-regeneratieproces werkt met
    bijzonder hoge uitlaatgastemperaturen en
    na het afzetten van de motor en tijdens en
    na DPF-regeneratie blijft de uitlaat een
    aanzienlijke hoeveelheid hitte uitstralen.
    Dit is een potentieel gevaar van brand.

    A

    A

    Zie Dieselroetfilter (bladzijde 139).

    Klep van brandstofvulopening

    E139202

    Breng het vulpistool tot en met de eerste
    nok op het vulpistool A in. Laat het rusten
    op de afdekking van de vulbuis.
    WAARSCHUWING
    Wij raden aan het vulpistool
    langzaam uit de vulbuis te halen,
    zodat alle achtergebleven brandstof
    in de brandstoftank kan stromen. Er kan
    ook 10 seconden worden gewacht alvorens
    het vulpistool uit de vulbuis te halen.

    E86613

    Druk op de klep om deze te openen. Open
    de klep volledig tot hij vergrendelt.

    E119081

    17



  • Page 20

    In één oogopslag
    Til het vulpistool licht op om het te
    verwijderen.
    Zie Tankklep (bladzijde 145).

    Handgeschakelde versnellingsbak

    S

    De achteruit inschakelen

    E80836
    P

    Parkeren

    R

    Achteruit

    E99067

    N

    Neutraal

    Bij sommige auto's moet de kraag omhoog
    worden gebracht tijdens inschakelen van
    de achteruit.

    D

    Rijden

    S

    Sportmodus en handmatig
    schakelen

    Zie Handgeschakelde versnellingsbak
    (bladzijde 150).

    Zie Automatische transmissie
    (bladzijde 150).

    Automatische transmissie

    Snelheidsbegrenzer

    WAARSCHUWING

    Met behulp van dit systeem kunt u een
    snelheid instellen waarop het voertuig
    wordt begrensd.

    Druk het rempedaal in voordat u de
    keuzehendel verplaatst en houd het
    ingedrukt tot u wegrijdt.

    Zie Snelheidsbegrenzer (bladzijde 171).

    Auto op vier wielen slepen
    LET OP
    Voor bepaalde combinaties van motor
    en versnellingsbak wordt aanbevolen
    het voertuig niet te slepen met de
    aandrijfwielen op het wegdek.
    Zie Auto op vier wielen slepen
    (bladzijde 195).

    18



  • Page 21

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    KINDERZITJES

    WAARSCHUWINGEN
    Laat kinderen niet zonder toezicht in
    uw auto achter.
    Wanneer uw auto bij een aanrijding
    betrokken is geweest, dient u het
    kinderzitje door een hiertoe opgeleide
    monteur te laten controleren.
    N.B.: De wettelijke voorschriften t.a.v. het
    gebruik van kinderzitjes zijn per land
    verschillend.

    E133140

    Alleen kinderzitjes die volgens ECE-R44.03
    (of later) gecertificeerd zijn, zijn getest en
    goedgekeurd voor gebruik in uw auto. Een
    aantal zijn leverbaar via uw dealer.

    Kinderzitjes voor verschillende
    gewichtsgroepen
    Gebruik het correcte kinderzitje als volgt:
    Babyzitje

    E68916

    WAARSCHUWINGEN
    Laat kinderen met een lengte van
    minder dan 150 centimeter
    plaatsnemen in een geschikt
    goedgekeurd kinderzitje dat op de
    achterbank is bevestigd.
    Bijzonder gevaarlijk! Plaats geen
    kinderveiligheidszitje achterwaarts
    op een stoel waarvóór zich een
    airbag bevindt!

    E68918

    Lees de instructies van de fabrikant
    en volg deze op wanneer u een
    kinderzitje aanbrengt.

    Plaats kinderen met een lichaamsgewicht
    van minder dan 13 kilogram in een
    achterwaarts gericht babyzitje (Groep 0+)
    dat op de achterbank is bevestigd.

    Verander op geen enkele wijze het
    kinderzitje.
    Neem tijdens het rijden geen
    kinderen op schoot.

    19



  • Page 22

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    Kinderveiligheidszitje

    WAARSCHUWINGEN
    Laat kinderen met een
    lichaamsgewicht van meer dan 15
    kilogram, maar met een lengte van
    minder dan 150 centimeter in een
    kinderzitje of op een zitverhoger
    plaatsnemen.
    LET OP
    Wanneer u een kinderzitje op de
    achterbank gebruikt, zorg dan dat het
    kinderzitje stevig tegen de stoel rust.
    De hoofdsteun moet wellicht worden
    opgetild of verwijderd. Zie Hoofdsteunen
    (bladzijde 117).

    E68920

    Vervoer kinderen met een lichaamsgewicht
    van 13 tot 18 kilogram in een
    kinderveiligheidszitje (Groep 1), dat op de
    achterbank is bevestigd.

    Kinderzitje (Groep 2)

    STOELVERHOGERS
    WAARSCHUWINGEN
    Bevestig een kinderzitje of een
    zitverhoger nooit alleen met de
    heupgordel.
    Bevestig een kinderzitje of een
    zitverhoger niet met een
    veiligheidsgordel die niet gespannen
    is of gedraaid zit.
    E70710

    Leg de schoudergordel niet onder de
    arm of achter de rug van het kind
    langs.

    Wij raden het gebruik van een kinderzitje
    aan, dat uit een zitverhoger met een
    rugleuning bestaat in plaats van alleen een
    zitverhoger. De hogere zitpositie zorgt
    ervoor dat de standaard veiligheidsgordel
    correct over het midden van de schouder
    van het kind en de heupgordel over de
    heupen komt te liggen.

    Gebruik geen kussens, boeken of
    handdoeken om het kind hoger te
    laten zitten.
    Zorg ervoor dat uw kinderen rechtop
    zitten.

    20



  • Page 23

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    Zitverhoger (Groep 3)

    WAARSCHUWINGEN
    Wanneer u een kinderzitje op de
    tweede stoelenrij met een steun
    gebruikt, let er dan op dat de steun
    stevig op het paneel van de opbergruimte
    onder de vloer steunt. Zorg ervoor dat u
    het schuimrubber vulstuk correct binnen
    het opbergvak aanbrengt en dat u de steun
    correct monteert.
    Wanneer een kinderzitje met een
    gordel wordt gebruikt, dan mag de
    gordel niet slap hangt of is gedraaid.
    LET OP
    Het kinderzitje moet stevig tegen de
    stoel aan rusten. De hoofdsteun moet
    wellicht worden opgetild of
    verwijderd. Zie Hoofdsteunen (bladzijde
    117).

    E68924

    PLAATSING VAN
    KINDERZITJES

    N.B.: Bij gebruik van een kinderzitje op de
    voorstoel, dient u de voorste passagiersstoel
    altijd zo ver mogelijk naar achteren te
    verschuiven. Als het heupgedeelte van de
    veiligheidsgordel moeilijk vast te zetten is
    zonder dat er speling overblijft, zet de
    rugleuning dan recht omhoog en zet de stoel
    in een hogere stand. Zie Stoelen (bladzijde
    116).

    WAARSCHUWINGEN
    Neem contact op met uw dealer voor
    de laatste informatie betreffende
    door Ford aanbevolen kinderzitjes.
    Bijzonder gevaarlijk! Plaats geen
    kinderveiligheidszitje achterwaarts
    op een stoel waarvóór zich een
    airbag bevindt!
    Plaatsen voor kinderzitjes

    Gewichtsgroepen

    Plaats

    0

    0+

    Tot 10 kg

    Tot 13 kg

    X

    2

    3

    9 - 18 kg

    15 - 25 kg

    22 - 36 kg

    Kinderveiligheidszitje

    Babyzitje

    Voorstoel aan passagierszijde, met airbag
    AAN

    1

    X

    21

    UF¹

    Zitverhoger of kussen

    UF¹

    UF¹



  • Page 24

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    Gewichtsgroepen

    Plaats

    0

    0+

    1

    2

    3

    Tot 10 kg

    Tot 13 kg

    9 - 18 kg

    15 - 25 kg

    22 - 36 kg

    Kinderveiligheidszitje

    Babyzitje

    Zitverhoger of kussen

    Voorstoel aan passagierszijde met airbag
    UIT











    Tweede stoelenrij Grand C-MAX

    U

    U

    U

    U

    U

    Tweede stoelenrij - CMAX

    U

    U

    U

    U

    U

    Derde stoelenrij - Grand
    C-MAX

    U

    U

    U

    U

    U

    X Niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsgroep.
    U Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
    U¹ Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
    Wij raden u echter aan een door de overheid goedgekeurd kinderzitje te gebruiken dat op
    de achterbank is geplaatst.
    UF¹ Geschikt voor universele, voorwaarts gekeerde kinderzitjes, die zijn goedgekeurd voor
    gebruik in deze gewichtsgroep. Wij raden u echter aan een door de overheid goedgekeurd
    kinderzitje te gebruiken dat op de achterbank is geplaatst.
    ISOFIX-kinderzitjes
    Gewichtsgroepen

    Plaats

    Voorstoel

    Maatklasse

    1

    Naar achteren
    gericht

    Naar voren gericht

    Tot 13 kg

    9 - 18 kg

    Stoelpositie auto niet uitgerust met ISOFIX

    Stoeltype
    Buitenste stoel tweede
    stoelenrij - Grand C-MAX

    0+

    1

    Maatklasse

    C, D, E

    22

    A, B, B1, C, D

    1



  • Page 25

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    Gewichtsgroepen

    Plaats

    ISOFIX buitenste stoel
    tweede stoelenrij - C-MAX

    0+

    1

    Naar achteren
    gericht

    Naar voren gericht

    Tot 13 kg

    9 - 18 kg

    2

    Stoeltype

    IL

    Maatklasse

    D, E

    Stoeltype

    IL

    Middelste stoel tweede
    stoelenrij

    Maatklasse

    Stoel derde rij ISOFIX Grand C-MAX

    Maatklasse

    2

    2

    3

    IL , IUF
    1

    1

    A, B, B1, D
    2

    3

    IL , IUF

    Stoelpositie auto niet uitgerust met ISOFIX

    Stoeltype

    Stoelpositie auto niet uitgerust met ISOFIX

    Stoeltype

    IL Geschikt voor bepaalde ISOFIX kinderzitjes van de categorie semi-universeel.
    Raadpleeg de voertuigaanbevelingslijst van de fabrikant van de kinderzitjes.
    IUF Geschikt voor ISOFIX naar voren gerichte kinderzitjes van de categorie universeel
    goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep en ISOFIX maatklasse.
    *

    De ISOFIX maatklasse voor universele en semi-universele kinderzitjes is gedefinieerd
    door de hoofdletters A t/m G. Deze letters staan vermeld op ISOFIX kinderzitjes.
    **

    Ten tijde van publicatie is de aanbevolen groep O+ ISOFIX kinderzitjes de Britax Romer
    Baby Safe. Neem contact op met uw dealer voor de laatste informatie betreffende door
    Ford aanbevolen kinderzitjes.
    ***

    Ten tijde van publicatie is de aanbevolen groep 1 ISOFIX kinderzitjes de Britax Romer
    Duo. Neem contact op met uw dealer voor de laatste informatie betreffende door Ford
    aanbevolen kinderzitjes.

    23



  • Page 26

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    Bovenste verankeringspunten Alle auto's

    ISOFIX
    VERANKERINGSPUNTEN
    WAARSCHUWING
    Gebruik bij toepassing van het ISOFIX
    systeem een voorziening dat
    voorkomt dat de veiligheidsgordel
    kan draaien. Wij raden het gebruik van een
    veiligheidsgordel aan de bovenzijde of met
    een voet aan.
    N.B.: Wanneer u een ISOFIX kinderzitje
    aanschaft, let er dan op dat dit geschikt is
    voor de gewichtsgroep van uw kind en dat
    de ISOFIX maatklasse geschikt is voor de
    plaats waar het zitje wordt aangebracht.
    Zie Plaatsing van kinderzitjes (bladzijde
    21).
    Uw auto is uitgerust met ISOFIX
    verankeringspunten die geschikt zijn voor
    het gebruik van goedgekeurde ISOFIX
    kinderzitjes.
    Het ISOFIX systeem bestaat uit twee
    stevige bevestigingsarmen aan het
    kinderzitje, die op de verankeringspunten
    op de buitenste zitplaatsen van de tweede
    stoelenrij tussen de rugleuning en de zitting
    worden bevestigd. Verankeringspunten
    voor de veiligheidsgordels aan de
    bovenzijde zitten achter de zitplaatsen
    links- en rechtsachter.

    E133892

    Bovenste verankeringspunten - CMAX
    WAARSCHUWING
    Als uw auto is uitgerust met het
    comfort-stoelensysteem, schuif de
    tweede stoelenrij dan naar voren om
    toegang tot de verankeringspunten te
    krijgen. Na het aanbrengen van de ISOFIX
    stoel mag de stoel niet naar de
    comfortstand worden bewogen, omdat dit
    van nadelige invloed kan zijn op de ligging
    van de veiligheidsgordel.

    24



  • Page 27

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    WAARSCHUWINGEN
    Zorg ervoor dat de gordel aan de
    bovenzijde niet doorhangt of
    gedraaid is en goed op het
    verankeringspunt is bevestigd.
    N.B.: Verwijder zo nodig het
    bagageafdekpaneel om de montage te
    vergemakkelijken. Zie Bagageafdekkingen
    (bladzijde 175).
    1.

    Geleid de gordel naar het
    verankeringspunt.

    E132100

    Bovenste verankeringspunten Grand C-MAX

    E75531

    2. Druk het kinderzitje stevig naar
    achteren zodat de onderste ISOFIX
    verankeringspunten goed aangrijpen.
    3. Bevestig de veiligheidsgordel volgens
    de instructies van de fabrikant van het
    kinderzitje.
    E130125

    KINDERSLOTEN

    Kinderzitje met een
    veiligheidsriem aan de bovenzijde
    bevestigen

    WAARSCHUWING
    Wanneer de kindersloten in werking
    zijn gesteld, kunnen de portieren niet
    van binnenuit worden geopend.

    WAARSCHUWINGEN
    Bevestig de veiligheidsgordel aan de
    bovenzijde aan geen ander punt dan
    aan het verankeringspunt dat
    hiervoor is bestemd.

    25



  • Page 28

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    N.B.: Door op de schakelaar te drukken
    worden tevens de schakelaars voor de
    elektrisch bediende achterruit
    gedeactiveerd.

    E124779

    26



  • Page 29

    Bescherming van inzittenden
    Voorairbags

    WERKING
    Airbags
    WAARSCHUWINGEN
    Wijzig de voorzijde van de auto op
    geen enkele wijze. Dit zou nadelige
    gevolgen voor het ontvouwen van de
    airbags kunnen hebben.
    Bijzonder gevaarlijk! Plaats nooit een
    kinderzitje achterwaarts op een stoel
    waarvóór zich een airbag bevindt!
    Draag een veiligheidsgordel en houd
    voldoende afstand tussen uzelf en
    het stuurwiel. Alleen wanneer de
    veiligheidsgordel correct wordt gedragen,
    kan deze u in een zodanige positie houden
    dat de airbag optimaal kan functioneren.
    Zie De juiste zitpositie innemen
    (bladzijde 116).

    E74302
    De frontairbags en de gordelspanners
    treden in werking bij zware frontale
    aanrijdingen of bij aanrijdingen binnen een
    hoek van maximaal 30 graden van links of
    van rechts. De airbags worden in enkele
    milliseconden opgeblazen en stromen
    weer leeg zodra zij in contact komen met
    de lichamen van de inzittenden, waardoor
    de voorwaartse beweging wordt
    opgevangen. Bij lichte aanrijdingen, het
    over de kop slaan van de auto of bij
    aanrijdingen van opzij of van achteren
    worden de frontairbags niet geactiveerd.

    Laat reparaties aan het stuurwiel, de
    stuurkolom, stoelen, airbags en
    veiligheidsgordel uitvoeren door een
    goed opgeleide monteur.
    Houd de gebieden voor de airbags
    vrij. Breng niets aan op of over de
    panelen van de airbags.

    Zij- en gordijnairbag

    Steek geen scherpe voorwerpen in
    gebieden waar airbags zijn
    gemonteerd. Hierdoor zou de airbags
    kunnen beschadigen en nadelige gevolgen
    kunnen hebben voor het ontvouwen.

    Bij aanzienlijke aanrijdingen van opzij
    treden alleen de airbags aan de
    betreffende zijde en de gordelspanners in
    werking. De airbags worden in enkele
    milliseconden opgeblazen en stromen
    weer leeg zodra zij in contact komen met
    de lichamen van de inzittenden, waardoor
    zij bescherming bieden aan het lichaam.
    De zijairbags en gordijnairbags worden niet
    geactiveerd bij lichte aanrijdingen van opzij,
    aanrijdingen van voren of van achteren, of
    het over de kop slaan van de auto.

    Gebruik stoelhoezen die zijn
    ontworpen voor stoelen met
    zij-airbags. Laat deze aanbrengen
    door een goed opgeleide monteur.
    N.B.: Het opblazen van een airbag gaat
    gepaard met een luide knal en u ziet een
    onschadelijke, poederachtige stofwolk. Dit
    is normaal.
    N.B.: Reinig de panelen van de airbags met
    een vochtige doek.

    27



  • Page 30

    Bescherming van inzittenden
    Veiligheidsgordels

    Zijairbags

    WAARSCHUWINGEN
    Draag een veiligheidsgordel en houd
    voldoende afstand tussen uzelf en
    het stuurwiel. Alleen wanneer u de
    veiligheidsgordel op de juiste wijze draagt,
    kan deze u op uw plaats houden en zijn
    maximale bescherming bieden. Zie De
    juiste zitpositie innemen (bladzijde 116).
    Gebruik een veiligheidsgordel nooit
    voor meer dan een persoon.

    E72658

    Gebruik voor iedere stoel het juiste
    gordelslot.

    De zijairbags bevinden zich in de zijkant van
    de rugleuningen van de voorstoelen. Een
    label op de rugleuning geeft aan dat uw
    auto is uitgerust met zijairbags.

    Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel
    niet slap of gedraaid zit.
    Draag geen dikke kleding. De
    veiligheidsgordels bieden optimaal
    bescherming wanneer ze
    nauwsluitend worden gedragen.

    Side curtains

    Leg de schoudergordel over het
    midden van de schouder en leg de
    heupgordel strak over uw heupen.
    De gordelspanners hebben een lagere
    activeringsdrempel dan de airbags. Bij
    lichte aanrijdingen is het mogelijk dat
    alleen de gordelspanners worden
    geactiveerd.

    E75004

    Alle modelvarianten

    Achter de bekledingspanelen boven de
    voorste en achterste zijruiten zijn side
    curtains aangebracht. Opschriften in reliëf
    op de B-stijlen geven aan dat de auto is
    uitgerust met side curtains.

    De veiligheidsgordelsystemen van de
    bestuurdersstoel en de passagiersstoel zijn
    uitgerust met een gordelspanner.
    Grand C-MAX
    Het middelste veiligheidsgordelsysteem
    van de tweede stoelenrij is tevens uitgerust
    met een gordelspanner.

    28



  • Page 31

    Bescherming van inzittenden
    Status na aanrijding
    WAARSCHUWINGEN
    Veiligheidsgordels die zijn belast ten
    gevolge van een aanrijding moeten
    worden vervangen en de
    verankeringen worden gecontroleerd. Deze
    werkzaamheden moeten door een correct
    hiertoe opgeleide monteur worden
    uitgevoerd.
    Als een gordelspanner is geactiveerd,
    dan moet de veiligheidsgordel
    worden vervangen.
    E74124

    VEILIGHEIDSGORDELS
    VASTMAKEN
    WAARSCHUWINGEN
    Steek de slottong in het gordelslot
    tot een zachte klik hoorbaar is.
    Wanneer de veiligheidsgordel niet
    correct is bevestigd, hoort u geen klik.
    Om er zeker van kunnen zijn dat de
    veiligheidsgordel van de middelste
    zitplaats correct werkt, moet de
    rugleuning van de achterbank goed zijn
    vergrendeld.
    N.B.: De slottongen zijn zodanig ontworpen
    dat u ze alleen in het juiste gordelslot kunt
    steken.

    E129521

    Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig uit.
    De veiligheidsgordel kan blokkeren
    wanneer deze te snel wordt uitgetrokken
    of wanneer de auto op een helling staat.
    Druk op de rode knop om de
    veiligheidsgordel te ontgrendelen. Laat
    hem volledig en geheel oprollen.
    Bij gebruik moeten de achterste
    veiligheidsgordels zich in de
    gordelgeleiders aan de buitenste
    rugleuningen bevinden.

    29



  • Page 32

    Bescherming van inzittenden
    C-MAX

    Het oprolmechanisme van de
    veiligheidsgordel van de middelste
    achterstoel bevindt zich in het dak.

    Buitenste veiligheidsgordel tweede
    stoelenrij

    Veiligheidsgordel vastmaken:
    1.

    Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig
    uit. De veiligheidsgordel kan blokkeren
    wanneer deze te snel wordt
    uitgetrokken of wanneer de auto op
    een helling staat.
    2. Steek de kleinere slottong in het zwarte
    gordelslot aan de linkerzijde van de
    middelste stoel.
    3. Trek vervolgens de grotere slottong
    over de heup en steek hem in het
    gordelslot rechts van de middelste
    stoel.
    N.B.: Wanneer de veiligheidsgordel continu
    wordt gebruikt, kunt u de slottong in het
    zwarte gordelslot laten zitten. Wanneer hij
    niet wordt gebruikt of wanneer u de
    achterstoelen neerklapt of verschuift, moet
    u de veiligheidsgordel van het zwarte
    gordelslot losmaken.

    E130033

    Bij gebruik moeten de achterste
    veiligheidsgordels zich in de
    gordelgeleiders aan de buitenste
    rugleuningen bevinden.
    Middelste veiligheidsgordel tweede
    stoelenrij

    1

    3

    2
    E129523

    Druk op de rode knop om de rechter
    veiligheidsgordel te ontgrendelen. Laat de
    gordel oprollen.
    E129522

    30



  • Page 33

    Bescherming van inzittenden
    Druk op de knop aan de zijkant van het
    zwarte gordelslot om de gordel los te
    maken. Laat de gordel helemaal en
    geleidelijk terugglijden in de oprolautomaat
    in het dak.

    Middelste veiligheidsgordel tweede
    stoelenrij

    1

    Druk de grotere tong plat tegen de
    dakbekleding.

    Grand C-MAX
    Verankeringspunt veiligheidsgordel
    middelste stoel tweede stoelenrij

    3

    2

    E129522

    Het oprolmechanisme van de
    veiligheidsgordel van de middelste
    achterstoel bevindt zich in het dak.
    Veiligheidsgordel vastmaken:
    1.

    Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig
    uit. De veiligheidsgordel kan blokkeren
    wanneer deze te snel wordt
    uitgetrokken of wanneer de auto op
    een helling staat.
    2. Bevestig de veerhaak stevig op het
    verankeringspunt.
    3. Trek vervolgens de slottong over de
    heup en steek hem in het gordelslot
    rechts van de middelste stoel.

    E130029

    N.B.: Wanneer de veiligheidsgordel continu
    wordt gebruikt, kunt u deze op het ankerpunt
    laten zitten. Wanneer hij niet wordt gebruikt
    of wanneer u de achterstoelen neerklapt of
    verschuift, moet u de veerhaak losmaken
    van het ankerpunt.

    31



  • Page 34

    Bescherming van inzittenden

    E129524

    E135424

    Druk op de rode knop om de rechter
    veiligheidsgordel te ontgrendelen. Laat de
    gordel oprollen.
    Haal de veerhaak uit de klem om de gordel
    los te maken. Laat de gordel helemaal en
    geleidelijk terugglijden in de oprolautomaat
    in het dak.
    Druk de tong stevig en plat tegen de
    dakbekleding.
    WAARSCHUWING
    Vervang de rubberen afdekking altijd
    bij het wegwerken van de gordel.
    E135425

    Veiligheidsgordels derde stoelenrij
    N.B.: Indien de veiligheidsgordels niet in
    gebruik zijn, maak ze dan in de klemmen op
    het bekledingspaneel aan de buitenzijde
    vast. Zorg dat de tong van de
    veiligheidsgordel boven de klem wordt
    gepositioneerd.

    32



  • Page 35

    Bescherming van inzittenden
    De lamp van het
    herinneringssysteem gaat
    branden en er klinkt een
    akoestisch signaal wanneer de
    veiligheidsgordel van de voorstoel aan
    bestuurders- of passagierszijde niet is
    omgedaan en de auto sneller rijdt dan een
    relatief lage snelheid. De lamp gaat tevens
    branden wanneer de veiligheidsgordel van
    de voorstoel aan bestuurders- of
    passagierszijde niet is omgedaan als met
    de auto wordt gereden. Het akoestisch
    signaal wordt na enkele minuten
    uitgeschakeld, maar de lamp van het
    herinneringssysteem blijft branden tot de
    veiligheidsgordel van de voorstoel aan
    bestuurders- of passagierszijde is
    omgedaan.

    HOOGTE VAN
    VEILIGHEIDSGORDELS
    AFSTELLEN

    Herinneringssysteem uitschakelen

    E87511

    N.B.: Door het stelmechanisme iets in te
    drukken terwijl u de knop indrukt komt het
    verstelmechanisme makkelijker los.

    Neem contact op met uw Ford dealer.

    Druk voor het hoger of lager stellen de
    vergrendelknop op het verstelmechanisme
    in en beweeg deze zonodig.

    Herinneringssysteem veiligheidsgordel
    achter

    WAARSCHUWINGSSIGNAAL
    VEILIGHEIDSGORDEL

    Als meerdere gordels binnen enkele
    seconden na elkaar worden
    losgemaakt, is slechts één
    akoestisch signaal hoorbaar.

    alleen Grand C-MAX

    WAARSCHUWING

    WAARSCHUWING
    Het veiligheidssysteem voor
    inzittenden biedt alleen optimale
    veiligheid wanneer u de
    veiligheidsgordel correct gebruikt.

    N.B.: Druk op de OK knop van de
    bedieningselementen op het stuur om het
    bericht te bevestigen.
    Er wordt een visuele herinnering van de
    gordelstatus weergegeven in de display
    van het instrumentepaneel nadat de motor
    is gestart en nogmaals wanneer een gordel
    wordt losgemaakt tijdens het rijden.
    Vastgemaakte gordels worden
    aangegeven door een afvinksymbool.

    33



  • Page 36

    Bescherming van inzittenden
    Als een gordel wordt losgemaakt tijdens
    het rijden, dan wordt het scherm voor de
    gordelstatus weergegeven en worden de
    betreffende stoelen gemarkeerd met een
    uitroepteken. Er is tevens een akoestisch
    signaal hoorbaar.

    PASSAGIERSAIRBAG
    UITSCHAKELEN
    WAARSCHUWING
    Zorg ervoor dat de airbag aan
    passagierszijde is uitgeschakeld
    wanneer u een kinderzitje
    achterwaarts op de passagiersstoel voorin
    plaatst.

    GEBRUIK VAN
    VEILIGHEIDSGORDELS
    TIJDENS ZWANGERSCHAP

    E68587

    E71313

    WAARSCHUWING

    Schakelaar voor airbag aan
    passagierszijde monteren

    Breng de veiligheidsgordel voor uw
    eigen veiligheid, maar ook voor dat
    van uw ongeboren kind op correcte
    wijze aan. Draag niet alleen de heupgordel
    of de schoudergordel.

    WAARSCHUWING
    Wanneer u een kinderzitje op een
    stoel moet plaatsen, waarvoor zich
    een operationele airbag bevindt, laat
    dan een schakelaar monteren waarmee
    de airbag aan passagierszijde kan worden
    uitgeschakeld. Raadpleeg uw dealer voor
    meer informatie.

    De heupgordel moet comfortabel over de
    heupen liggen aan de onderzijde van uw
    zwangere buik. Leg de schoudergordel
    tussen uw borsten, boven en aan de zijkant
    van uw zwangere buik.

    N.B.: De sleutelschakelaar is aangebracht
    aan het eind van het instrumentenpaneel
    aan de zijkant van het dashboardkastje. De
    lamp deactivering airbag is aangebracht
    tussen de zonnekleppen.

    34



  • Page 37

    Bescherming van inzittenden
    Airbag aan passagierszijde
    inschakelen
    WAARSCHUWING
    Zorg ervoor dat de airbag aan de
    passagierszijde is ingeschakeld
    wanneer zich geen kinderzitje op de
    passagiersstoel voorin bevindt.
    Zet de schakelaar in stand B.

    E130110

    Wanneer de controlelamp van de airbag
    tijdens het rijden gaat branden of
    knipperen, duidt dit op een storing. Zie
    Waarschuwings- en indicatielampen
    (bladzijde 83). Verwijder het kinderzitje en
    laat het systeem onmiddellijk controleren.

    Airbag aan passagierszijde
    uitschakelen

    A

    B

    E71312

    A

    Uitgeschakeld

    B

    Ingeschakeld

    Zet de schakelaar in stand A.
    Controleer bij het aanzetten van het
    contact, of de controlelamp airbag aan
    passagierszijde uitgeschakeld gaat
    branden.

    35



  • Page 38

    Sleutels en afstandsbediening
    3. Houd de sleutel in stand 0 en druk
    binnen 10 seconden op een willekeurige
    toets van de afstandsbediening. Via
    een signaal of LED ontvangt u
    bevestiging dat het programmeren is
    voltooid.
    N.B.: Tijdens deze fase kunnen meerdere
    afstandsbedieningen worden
    geprogrammeerd.

    ALGEMENE INFORMATIE
    OVER RADIOFREQUENTIES
    LET OP
    De radiofrequentie van de
    afstandsbediening kan ook worden
    gebruikt door andere zenders met een
    klein bereik (bijvoorbeeld zendamateurs,
    medische apparatuur, draadloze
    hoofdtelefoons, afstandsbedieningen en
    alarmsystemen). Wanneer de frequenties
    worden gestoord, kunt u geen gebruik meer
    maken van uw afstandsbediening. De
    portieren kunt u met de sleutel
    vergrendelen en ontgrendelen.

    4. Druk binnen 10 seconden op een
    willekeurige toets van iedere extra
    afstandsbediening.

    Ontgrendelfunctie opnieuw
    programmeren
    N.B.: Wanneer u de ontgrendeltoets op de
    afstandsbediening indrukt, worden alle
    portieren ontgrendeld of wordt alleen het
    bestuurdersportier ontgrendeld. Door
    opnieuw op de ontgrendeltoets te drukken
    worden alle portieren ontgrendeld.

    Controleer of uw auto vergrendeld is
    voordat u deze onbeheerd achterlaat.
    Hierdoor worden eventuele
    frequentieblokkeringen voorkomen.
    N.B.: U kunt de portieren ontgrendelen
    wanneer u de toetsen op de
    afstandsbediening per ongeluk indrukt.

    Houd de ontgrendel- en vergrendeltoets
    op de afstandsbediening minimaal vier
    seconden tegelijkertijd ingedrukt bij
    uitgeschakeld contact. De
    richtingaanwijzers knipperen tweemaal
    om de wijziging te bevestigen.

    Het bereik tussen uw afstandsbediening
    en uw auto is afhankelijk van de omgeving.

    PROGRAMMEREN VAN DE
    AFSTANDSBEDIENING

    Herhaal de procedure om de
    oorspronkelijke ontgrendelfunctie in te
    schakelen.

    U kunt maximaal acht
    afstandsbedieningen voor uw auto
    programmeren (inclusief die met uw auto
    werd meegeleverd).

    BATTERIJ VAN
    AFSTANDSBEDIENING
    VERVANGEN

    Een nieuwe afstandsbediening
    programmeren

    Zorg dat u oude batterijen op
    milieuvriendelijke wijze weggooit.
    E107998
    Zoek advies m.b.t. de plaatselijke
    regels m.b.t. recycling.

    1. Steek de sleutel in het contactslot.
    2. Draai de sleutel van stand 0 naar II en
    vervolgens terug naar 0. Doe dit vier
    keer binnen zes seconden.

    36



  • Page 39

    Sleutels en afstandsbediening
    Afstandsbediening met inklapbaar
    sleutelblad

    4. Draai de afstandsbediening om om de
    batterij te verwijderen.
    5. Breng een nieuwe batterij (3V CR
    2032) aan met de + naar boven
    gekeerd.
    6. Vervang het batterijkapje.

    Afstandsbediening zonder
    inklapbaar sleutelblad

    1
    2
    E128809

    2

    1.

    Plaats een schroevendraaier op de
    afgebeelde positie en druk de klem
    voorzichtig in.
    2. Druk de klem naar beneden om het
    batterijkapje te ontgrendelen.

    1

    1

    E87964

    1.

    Houd de drukknoppen in de randen
    ingedrukt om de afdekking te
    ontgrendelen. Verwijder voorzichtig de
    kapje.
    2. Verwijder de sleutelbaard.
    E128810

    3. Verwijder voorzichtig de kapje.

    3

    E105362

    3. Draai de platte schroevendraaier in de
    afgebeelde richting om de twee
    huishelften van de afstandsbediening
    van elkaar te scheiden.

    E128811

    37



  • Page 40

    Sleutels en afstandsbediening

    4

    E119190

    4. Steek de schroevendraaier voorzichtig
    in de afgebeelde positie om de
    afstandsbediening te openen.

    5

    E125860

    LET OP
    Raak de batterijcontacten of de
    printplaat niet met de
    schroevendraaier aan.
    5. Maak de batterij voorzichtig met de
    schroevendraaier los.
    6. Breng een nieuwe batterij (3V CR
    2032) aan met de + naar beneden
    gekeerd.
    7. Zet de twee huishelften van de
    afstandsbediening op elkaar vast.
    8. Breng het sleutelblad aan.

    38



  • Page 41

    Sloten
    N.B.: De auto kan dubbel worden
    vergrendeld met een geopend achterportier.
    Het portier wordt dubbel vergrendeld als
    deze wordt gesloten.

    VERGRENDELEN EN
    ONTGRENDELEN
    LET OP

    Dubbele vergrendeling is een voorziening
    tegen diefstal die voorkomt dat personen
    de portieren van binnenuit kunnen
    ontgrendelen.

    Controleer of uw auto vergrendeld is
    voordat u deze onbeheerd achterlaat.
    N.B.: Laat uw sleutels niet in de auto liggen.

    Met sleutel dubbel vergrendelen

    Vergrendelen
    Met sleutel vergrendelen

    Draai de sleutel tweemaal binnen drie
    seconden in de vergrendelstand.

    Draai de bovenzijde van de sleutel in de
    richting van de voorzijde van de auto.

    Met afstandsbediening dubbel
    vergrendelen
    Druk de toets tweemaal binnen
    drie seconden in.

    Met afstandsbediening vergrendelen
    N.B.: Het bestuurdersportier kan met de
    sleutel worden vergrendeld. Hiervan moet
    gebruik worden gemaakt wanneer de
    afstandsbediening niet werkt.

    Ontgrendelen

    N.B.: De auto kan worden vergrendeld met
    een geopend achterportier. Het portier wordt
    vergrendeld als deze wordt gesloten.

    Draai de bovenzijde van de sleutel in de
    richting van de achterzijde van de auto.

    Met sleutel ontgrendelen

    Druk de toets.

    Met afstandsbediening ontgrendelen
    N.B.: Het bestuurdersportier kan met de
    sleutel worden ontgrendeld. Hiervan moet
    gebruik worden gemaakt wanneer de
    afstandsbediening niet werkt.

    Dubbel vergrendelen
    WAARSCHUWING

    N.B.: Als de auto meerdere weken
    vergrendeld blijft, wordt de
    afstandsbediening uitgeschakeld. De auto
    moet met de sleutel ontgrendeld en de
    motor met de sleutel gestart worden. Door
    de auto op deze manier te ontgrendelen en
    te starten, wordt de afstandsbediening weer
    ingeschakeld.

    Schakel de dubbele vergrendeling
    niet in wanneer zich personen of
    dieren in de auto bevinden. Wanneer
    de dubbele vergrendeling is ingeschakeld
    kunnen de portieren niet van binnenuit
    worden ontgrendeld.
    N.B.: Als u de auto dubbel vergrendelt vanaf
    de binnenzijde, schakel dan het contact in
    om de portieren in de stand voor enkele
    vergrendeling te zetten.

    Druk de toets.

    39



  • Page 42

    Sloten
    Automatisch opnieuw vergrendelen

    Schuifdeur openen

    De portieren worden automatisch opnieuw
    vergrendeld wanneer u niet binnen 45
    seconden na het ontgrendelen met de
    afstandsbediening een portier opent. De
    portieren worden vergrendeld en de
    alarminstallatie keert terug in de vorige
    stand.

    Trek aan de buitenhandgreep of druk op
    de knop aan de binnenzijde en open de
    deur. Als de deur volledig is geopend, dan
    klikt deze vast.
    Schuifdeur sluiten
    Trek aan de buitenhandgreep of druk op
    de knop aan de binnenzijde en sluit de deur.

    Ontgrendelfunctie opnieuw
    programmeren

    Kofferdeksel/achterklep

    De ontgrendelfunctie kan zodanig worden
    geprogrammeerd dat alleen het
    bestuurdersportier wordt ontgrendeld (
    Zie Programmeren van de
    afstandsbediening (bladzijde 36). ).

    Elektrisch bediende achterklep
    WAARSCHUWINGEN
    Bedien het kofferdeksel niet tenzij
    het vrij is van obstructies.

    Bevestiging van het vergrendelen
    en ontgrendelen

    Het onzorgvuldig openen en sluiten
    van het kofferdeksel kan deze
    beschermingsfunctie opheffen en
    verwonding tot gevolg hebben.

    N.B.: Wanneer uw auto is uitgerust met
    dubbele vergrendeling, knipperen de
    richtingaanwijzers slechts tweemaal
    wanneer u de dubbele vergrendeling
    inschakelt.

    Plaats geen voorwerpen op het
    kofferdeksel.
    Zorg dat het kofferdeksel na de
    bediening volledig is gesloten.

    Wanneer u de portieren vergrendelt,
    knipperen de richtingaanwijzers eenmaal.
    Wanneer u de portieren dubbel
    vergrendelt, knipperen de
    richtingaanwijzers driemaal.

    LET OP
    Bedien het kofferdeksel alleen
    wanneer de auto stilstaat.

    Wanneer u de portieren ontgrendelt,
    knipperen de richtingaanwijzers eenmaal.

    Zorg voor voldoende hoofdruimte om
    het kofferdeksel te openen.

    De portieren van binnenuit
    vergrendelen en ontgrendelen
    E102566

    Zorg bij auto's met automatische
    transmissie dat de keuzehendel in
    stand P staat.

    Druk de toets. Voor locatie: Zie
    In één oogopslag (bladzijde
    10).

    Onder extreme
    weersomstandigheden werkt
    automatisch openen en sluiten niet
    als het kofferdeksel is vastgevroren op de
    afdichting.

    Schuifdeur
    N.B.: De schuifdeur kan niet volledig worden
    geopend wanneer de brandstofvulklep
    geopend is.

    N.B.: Het kofferdeksel stopt automatisch
    tijdens het openen en gaat een stukje terug
    wanneer het een obstakel tegenkomt.

    40



  • Page 43

    Sloten
    N.B.: Het kofferdeksel stopt automatisch
    tijdens het sluiten en gaat volledig open
    wanneer het een obstakel tegenkomt.

    Om een gedeeltelijk geopend kofferdeksel
    volledig te openen, kunt u het volgende
    doen:
    • Druk de toets van de
    afstandsbediening tweemaal binnen
    drie seconden in.
    • Houd de knop op de afstandsbediening
    minimaal 3 seconden ingedrukt.
    • Druk op de schakelaar op de
    middenconsole, de
    kofferdekselschakelaar of de
    ontgrendelhendel van het kofferdeksel.

    N.B.: U kunt het kofferdeksel handmatig
    bedienen.
    Het kofferdeksel kan worden geopend met
    behulp van de afstandsbediening, de
    schakelaar op de middenconsole, de
    kofferdekselschakelaar of de
    ontgrendelhendel van het kofferdeksel.
    Schakelaar kofferdeksel

    Om het kofferdeksel te stoppen, kunt u het
    volgende doen:
    • Op de toets van de afstandsbediening
    drukken. Bediening van de
    afstandsbediening wordt gedurende
    ongeveer 3 seconden vertraagd.
    • Druk op de schakelaar op de
    middenconsole, de
    kofferdekselschakelaar of de
    ontgrendelhendel van het kofferdeksel.

    E129838

    Stoppositie kofferdeksel programmeren
    1. Open het kofferdeksel.
    2. Stop het kofferdeksel op de gewenste
    hoogte.
    3. Houd de kofferdekselschakelaar
    minimaal 3 seconden ingedrukt. Het
    geluid van een akoestisch signaal
    klinkt.

    Afstandsbediening en schakelaar op
    de middenconsole

    N.B.: Door opnieuw op een willekeurige
    knop te drukken tijdens de bediening wordt
    het kofferdeksel gestopt. De richting wordt
    omgedraaid door nogmaals te drukken.

    Nieuwe stoppositie kofferdeksel
    programmeren
    1. Open het kofferdeksel.
    2. Zet het kofferdeksel in de nieuwe
    gewenste positie.
    3. Houd de kofferdekselschakelaar
    minimaal 3 seconden ingedrukt. Het
    geluid van een akoestisch signaal
    klinkt.

    N.B.: Het contact moet zijn ingeschakeld
    om de schakelaar op de middenconsole te
    bedienen.
    Om een volledig gesloten kofferdeksel te
    openen, kunt u het volgende doen:
    • Druk de toets van de
    afstandsbediening tweemaal binnen
    drie seconden in.
    • Druk op de schakelaar op de
    middenconsole of de ontgrendelhendel
    van het kofferdeksel.

    41



  • Page 44

    Sloten
    Kofferdeksel/achterklep sluiten
    WAARSCHUWINGEN
    De antiklemfunctie wordt
    gedeactiveerd als het kofferdeksel
    in contact komt met de carrosserie
    van de auto.
    Het kofferdeksel registreert geen
    obstakels als dit in contact komt met
    de carrosserie van de auto.
    N.B.: Laat geen passieve sleutel in de auto
    achter tijdens het sluiten van de
    bagageruimte. Op het display wordt een
    bericht weergegeven. Zie Infoberichten
    (bladzijde 96).

    E130232

    Het kofferdeksel sluit automatisch als dit
    in contact komt met de carrosserie van de
    auto.

    N.B.: Het kofferdeksel is aan de binnenzijde
    voorzien van een uitsparing om handmatig
    sluiten te vergemakkelijken.

    Portieren afzonderlijk met de
    sleutel vergrendelen

    Om het kofferdeksel te sluiten, kunt u het
    volgende doen:
    • Druk de toets van de
    afstandsbediening tweemaal binnen
    drie seconden in.
    • Houd de knop op de afstandsbediening
    minimaal 3 seconden ingedrukt.
    • Druk op de schakelaar op de
    middenconsole, de
    kofferdekselschakelaar of de
    ontgrendelhendel van het kofferdeksel.

    N.B.: Als de centrale vergrendeling niet
    werkt, dan kunnen de portieren afzonderlijk
    met de sleutel in de afgebeelde positie
    worden vergrendeld.
    C-MAX

    E112203

    42



  • Page 45

    Sloten
    Linkerzijde

    SLEUTELLOZE TOEGANG

    Draai rechtsom om te vergrendelen.

    Algemene informatie

    Rechterzijde

    WAARSCHUWING

    Draai linksom om te vergrendelen.

    De sleutelloze toegang werkt
    misschien niet wanneer de sleutel
    zich dicht bij metalen voorwerpen of
    elektronische apparaten, zoals mobiele
    telefoons, bevindt.

    Grand C-MAX

    Het passive entry systeem werkt niet
    indien:
    • De accu van de auto leeg is.
    • De frequenties van de passieve sleutel
    worden verstoord.
    • De batterij in de passieve sleutel leeg
    is.
    N.B.: Wanneer het passive entry systeem
    niet werkt, moet u voor het vergrendelen en
    ontgrendelen van uw auto de sleutelbaard
    gebruiken.

    E130123

    Indrukken om te vergrendelen.

    De sleutelloze toegang maakt het gebruik
    van een sleutel of afstandsbediening
    overbodig.

    Ontgrendelen
    N.B.: Als de kindersloten ook geactiveerd
    zijn, wordt door het omhoog trekken van de
    interne pal alleen de noodvergrendeling
    gedeactiveerd en niet de kindersloten. De
    portieren kunnen alleen worden geopend
    door vanaf de buitenzijde de portierkruk uit
    te trekken.
    N.B.: Als de portieren met deze methode
    ontgrendeld zijn, dan moeten de portieren
    afzonderlijk vergrendeld worden tot de
    centrale vergrendeling is gerepareed.

    E78276

    Ontgrendel het bestuurdersportier met de
    sleutel. De overige portieren kunnen
    afzonderlijk worden ontgrendeld door
    vanuit het interieur de portierkruk van het
    betreffende portier uit te trekken.

    43



  • Page 46

    Sloten
    Voor het passief vergrendelen en
    ontgrendelen is een geldige passieve
    sleutel nodig die zich in de omgeving van
    een van de drie externe detectiezones
    bevindt. Deze zones bevinden zich op
    ongeveer anderhalve meter afstand van
    de portierhandgrepen aan bestuurders- en
    passagierszijde en het kofferdeksel/de
    achterklep.

    Raak een vergrendelsensor van de
    voorportierhandgreep aan om de auto te
    vergrendelen.
    Activeren van centraal
    vergrendelingssysteem en alarminstallatie:
    • Raak eenmaal een vergrendelsensor
    van de voorportierhandgreep aan.
    Activeren van dubbele vergrendeling en
    alarminstallatie:
    • Raak een vergrendelsensor van de
    voorportierhandgreep tweemaal
    binnen drie seconden aan.

    Passieve sleutel
    De auto kan met de passieve sleutel
    worden ontgrendeld en vergrendeld. De
    passieve sleutel kan tevens als
    afstandsbediening worden gebruikt. Zie
    Vergrendelen en ontgrendelen
    (bladzijde 39).

    N.B.: Er moet even worden gewacht tussen
    iedere aanraking van de portierhandgreep.
    N.B.: Eenmaal geactiveerd, blijft de auto
    gedurende drie seconden vergrendeld. Na
    de vertragingsperiode kunnen de portieren
    weer worden ontgrendeld, op voorwaarde
    dat de passieve sleutel zich binnen het
    detectiegebied bevindt.

    Auto vergrendelen
    WAARSCHUWING
    De auto wordt niet automatisch
    vergrendeld. Als de vergrendelfunctie
    niet is geactiveerd, blijft de auto
    ontgrendeld.

    Twee korte knippersignalen van de
    richtingaanwijzers geeft aan dat alle
    portieren en het kofferdeksel/de
    achterklep zijn vergrendeld en dat de
    alarminstallatie is ingeschakeld.

    N.B.: Het contact wordt automatisch
    afgezet wanneer de auto vanaf de
    buitenzijde wordt vergrendeld. Dit om te
    voorkomen dat de voertuigaccu wordt
    ontladen.

    Kofferdeksel/achterklep
    N.B.: Als de passieve sleutel zich bij
    gesloten portieren in de auto bevindt, kan
    het kofferdeksel/de achterklep niet worden
    gesloten en komt deze weer omhoog.

    N.B.: Kom niet aan de portierhandgreep.

    N.B.: Indien zich een tweede geldige
    passieve sleutel binnen het detectiegebied
    van de achterzijde bevindt, kan het
    kofferdeksel/de achterklep niet worden
    afgesloten.

    E87384

    44



  • Page 47

    Sloten
    Auto ontgrendelen

    Alleen bestuurdersportier
    ontgrendelen

    N.B.: Indien de auto langer dan drie dagen
    niet wordt ontgrendeld, schakelt de
    sleutelloze toegang over op een
    energiebesparende modus. Hierdoor wordt
    voorkomen dat de accu leegraakt. Wanneer
    de auto in deze modus wordt ontgrendeld
    kan de reactietijd enigszins langer zijn dan
    normaal. Nadat de auto na eenmaal is
    ontgrendeld, wordt de energiebesparende
    modus uitgeschakeld.

    Indien de ontgrendelfunctie opnieuw is
    geprogrammeerd zodat alleen het
    bestuurdersportier en het kofferdeksel/de
    achterklep worden ontgrendeld ( Zie
    Programmeren van de
    afstandsbediening (bladzijde 36). ), let
    dan op het volgende:
    Als het bestuurdersportier als eerste wordt
    geopend blijven de andere portieren
    vergrendeld. Alle andere portieren kunnen
    vanuit het interieur worden ontgrendeld
    door de ontgrendeltoets op het
    instrumentenpaneel in te drukken. Voor
    locatie: Zie In één oogopslag (bladzijde
    10). De portieren kunnen afzonderlijk
    worden ontgrendeld door vanuit het
    interieur de portierhandgreep van het
    betreffende portier uit te trekken.

    N.B.: Als de auto meerdere weken
    vergrendeld blijft, wordt het sleutelloze
    systeem uitgeschakeld. De auto moet
    worden ontgrendel met behulp van de
    sleutelbaard. Door de auto eenmaal te
    ontgrendelen, wordt het sleutelloze systeem
    ingeschakeld.
    N.B.: Raak de vergrendelsensor van de
    voorportierhandgreep niet aan bij het
    openen van een portier.

    Uitgeschakelde sleutels
    In de auto achtergebleven sleutels worden
    uitgeschakeld bij het vergrendelen van de
    auto.
    Een uitgeschakelde sleutel kan niet meer
    worden gebruikt voor het aanzetten van
    het contact of het starten van de motor.
    Om deze passieve sleutels opnieuw te
    kunnen gebruiken moeten ze opnieuw
    worden geactiveerd.
    Ontgrendel de auto met behulp van een
    passieve sleutel of de afstandsbediening
    om al uw passieve sleutel te activeren.

    E78278

    Bij het aanzetten van het contact of
    wanneer de motor met een geldige sleutel
    wordt gestart worden alle passieve
    sleutels worden geactiveerd.

    Open een willekeurig portier.
    N.B.: De passieve sleutel moet zich binnen
    het detectiegebied van dat portier bevinden.
    Een lang lichtsignaal van de
    richtingaanwijzers geeft aan dat alle
    portieren en het kofferdeksel/de
    achterklep zijn ontgrendeld en dat de
    alarminstallatie is uitgeschakeld.

    45



  • Page 48

    Sloten
    Portieren met de sleutelbaard
    vergrendelen en ontgrendelen

    Comfortontgrendeling

    2
    1

    E87964

    E71955

    1

    Druk, om alle ruiten te openen, op de
    ontgrendeltoets van de
    afstandsbediening en houd deze minstens
    drie seconden ingedrukt. Druk op de
    vergrendel- of ontgrendeltoets om de
    openingsfunctie te stoppen.

    1. Verwijder voorzichtig de kapje.
    2. Verwijder de sleutelbaard en steek hem
    in het slot.
    N.B.: Alleen de handgreep van het
    bestuurdersportier is uitgerust met een
    slotcilinder.

    Comfortvergrendeling
    Uitvoeringen zonder sleutelloze
    toegang

    CENTRALE VERGRENDELING
    U kunt ook bij afgezet contact de elektrisch
    bedienbare ruiten bedienen met behulp
    van de functie integraal openen en sluiten.

    WAARSCHUWING
    Let altijd op bij het integraal sluiten.
    Druk in een noodgeval onmiddellijk
    op de vergrendel- of ontgrendeltoets
    om te stoppen.

    N.B.: Het integraal sluiten werkt alleen als
    het geheugen voor elke ruit afzonderlijk
    correct is ingesteld. Zie Elektrisch
    bedienbare ruiten (bladzijde 74).

    46



  • Page 49

    Sloten
    N.B.: Het integraal sluiten kan worden
    geactiveerd met behulp van de
    bestuurdersportierhandgreep. Integraal
    openen en sluiten kan ook worden
    geactiveerd met de toetsen op de passieve
    sleutel.
    Houd om alle ruiten te sluiten de
    bestuurdersportierhandgreep minstens
    twee seconden ingedrukt. Tijdens het
    integraal sluiten is de antiklemfunctie
    geactiveerd.

    E71956

    Druk, om alle ruiten te sluiten, op de
    vergrendeltoets van de
    afstandsbediening en houd deze minstens
    drie seconden ingedrukt. Druk op de
    vergrendel- of ontgrendeltoets om de
    sluitfunctie te stoppen. Tijdens het
    integraal sluiten is de antiklemfunctie
    geactiveerd.
    Uitvoeringen met sleutelloze toegang

    E87384

    WAARSCHUWING
    Let altijd op bij het integraal sluiten.
    Raak in een noodgeval de
    vergrendelsensor van een
    portierhandgreep aan om te stoppen.

    47



  • Page 50

    Motorstartblokkering
    WERKING
    Het immobilisatiesysteem is een
    diefstalbeveiligingssysteem dat voorkomt
    dat iemand de motor van uw auto met een
    onjuist gecodeerde sleutel kan starten.

    GECODEERDE SLEUTELS
    N.B.: Dek uw sleutels niet met metalen
    voorwerpen af. Hierdoor kan de ontvanger
    uw sleutel niet herkennen als geldige sleutel.
    N.B.: Wanneer u een sleutel bent verloren,
    laat dan de code bij al uw overige sleutels
    wissen. Raadpleeg uw dealer voor meer
    informatie. Laat de vervangingssleutels
    samen met uw overige sleutels opnieuw
    coderen.
    Wanneer u een sleutel verliest, kunt u bij
    uw Ford dealer een vervangingssleutel
    verkrijgen. Geef, indien mogelijk, uw dealer
    het sleutelnummer door, dat op het plaatje
    staat dat met de originele sleutels is
    geleverd. U kunt ook extra sleutels bij uw
    Ford dealer verkrijgen.

    IMMOBILISATIESYSTEEM
    INSCHAKELEN
    Korte tijd nadat u het contact hebt afgezet
    wordt het immobilisatiesysteem
    automatisch ingeschakeld.

    IMMOBILISATIESYSTEEM
    UITSCHAKELEN
    Het immobilisatiesysteem wordt
    automatisch uitgeschakeld bij het met een
    correct gecodeerde sleutel aanzetten van
    het contact.

    48



  • Page 51

    Alarm
    Sirene met afzonderlijke accu

    WERKING

    De sirene met afzonderlijke accu is een
    extra alarmsysteem dat de sirene
    inschakelt wanneer het alarm wordt
    geactiveerd. Deze wordt direct
    ingeschakeld bij het afsluiten van de
    wagen. De sirene heeft zijn eigen accu en
    wordt ingeschakeld zodra iemand de
    accukabels of de accu van de sirene zelf
    loskoppelt.

    Alarmsysteem
    Uw wagen kan zijn uitgerust met één van
    de volgende alarminstallaties:




    Perimeter alarminstallatie.
    Perimeter alarminstallatie met
    interieursensoren.
    Categorie 1 alarm met
    interieursensoren en sirene met
    afzonderlijke accu.

    Alarm activeren
    Wanneer het alarm is ingeschakeld, kan
    het op een van de volgende manieren
    worden geactiveerd:

    Perimeter alarminstallatie
    Het perimeter alarm is een afschrikmiddel
    voor personen die ongeoorloofd de
    portieren en de motorkap proberen te
    openen. Het beveiligt ook de
    audio-installatie.





    Interieursensoren






    Wanneer iemand een portier, de
    achterklep of de motorkap opent
    zonder geldige sleutel of
    afstandsbediening.
    Wanneer iemand de audio-installatie
    of het navigatiesysteem verwijdert.
    Wanneer het contactslot zonder
    geldige sleutel in stand I, II of III wordt
    gezet.
    Wanneer de interieursensoren
    bewegingen in de wagen registreren.
    Bij wagens met een sirene met
    afzonderlijke accu, wanneer iemand de
    accukabels of de accu van de sirene
    zelf loskoppelt.

    Wanneer het alarm is geactiveerd, klinkt
    het alarmsignaal gedurende 30 seconden
    en knipperen de
    waarschuwingsknipperlichten vijf minuten.

    E129005

    WAARSCHUWING
    De sensoren in de interieurverlichting
    mogen niet worden afgedekt.
    Schakel het alarm niet in indien zich
    personen, dieren of andere bewegende
    voorwerpen in de auto bevinden.

    Iedere verdere poging om een van
    bovenstaande handelingen uit te voeren
    activeert het alarm opnieuw.

    Volledige en gereduceerde
    beveiliging

    Dit sensoren zijn een afschrikmiddel voor
    indringers door elke beweging in de auto
    met behulp van sensoren te registreren.

    Volledige beveiliging
    Volledige beveiliging is de standaard
    instelling.

    49



  • Page 52

    Alarm
    Bij volledige beveiliging worden de
    interieursensoren geactiveerd bij het
    inschakelen van het alarm.

    Volledige of gereduceerde beveiliging
    selecteren
    N.B.: Door Reduced te selecteren wordt de
    alarminstallatie niet permanent in de
    gereduceerde beveiligingsmodus gezet. De
    installatie wordt slechts één contactcyclus
    in de gereduceerde modus geschakeld.
    Wanneer u regelmatig de alarminstallatie
    in de gereduceerde beveiligingsmodus zet,
    selecteer dan Ask on Exit.

    N.B.: Dit kan resulteren in een vals alarm
    wanneer dieren of bewegende voorwerpen
    in de auto aanwezig zijn.
    N.B.: Een valse alarm kan ook worden
    geactiveerd door de hulpverwarming Zie
    Extra verwarming (bladzijde 113). Als u de
    hulpverwarming gebruikt, leid de
    luchtstroom dan naar de beenruimte.

    U kunt volledige of gereduceerde
    beveiliging selecteren m.b.v. het
    informatie-display. Zie Algemene
    informatie (bladzijde 88).

    Gereduceerde beveiliging
    Bij verminderde beveiliging worden de
    interieursensoren gedeactiveerd bij het
    inschakelen van het alarm.

    Informatiemededelingen
    Zie Infoberichten (bladzijde 96).

    N.B.: U kunt de gereduceerde beveiliging
    slechts gedurende één contactcyclus
    inschakelen. De volgende keer dat u het
    contact aanzet, zal het alarm worden
    teruggesteld naar volledige beveiliging.

    ALARM INSCHAKELEN
    Alarminstallatie inschakelen, wagen
    vergrendelen. Zie Sloten (bladzijde 39).

    Vragen bij het verlaten van de wagen
    U kunt de informatiedisplay zodanig
    instellen, dat telkens wordt gevraagd welk
    beveiligingsniveau u wilt instellen.

    ALARM UITSCHAKELEN
    Uitvoeringen zonder keyless entry
    systeem

    Wanneer u Ask on Exit selecteert,
    verschijnt telkens wanneer u het contact
    afzet het bericht Reduced guard? op de
    display in de instrumentengroep.

    Perimeter alarminstallatie
    Schakel de alarminstallatie en het
    alarmsignaal uit door de portieren met de
    sleutel te ontgrendelen, zet het contact
    met een correct gecodeerde sleutel aan of
    ontgrendel de portieren of de achterklep
    met de afstandsbediening.

    Wanneer u de gereduceerde beveiliging
    wilt instellen, drukt u op de OK toets
    wanneer dit bericht verschijnt.
    Wanneer u de volledige beveiliging wilt
    instellen, verlaat dan de auto zonder op de
    OK te drukken.

    Categorie 1 alarm
    Schakel de alarminstallatie en het
    alarmsignaal uit door de portieren met de
    sleutel te ontgrendelen, zet het contact
    met een correct gecodeerde sleutel binnen
    12 seconden aan of ontgrendel de portieren
    of de achterklep met de
    afstandsbediening.

    50



  • Page 53

    Alarm
    Uitvoeringen met keyless entry
    systeem
    N.B.: Voor keyless entry moet zich binnen
    het detectiegebied van dat portier een
    geldige passive key bevinden. Zie
    Sleutelloze toegang (bladzijde 43).
    Perimeter alarminstallatie
    Schakel de alarminstallatie en het
    alarmsignaal uit door de portieren te
    ontgrendelen en zet het contact aan, of
    ontgrendel de portieren of de achterklep
    met de afstandsbediening.
    Categorie 1 alarm
    Schakel de alarminstallatie en het
    alarmsignaal uit door de portieren te
    ontgrendelen en zet het contact binnen 12
    seconden aan, of ontgrendel de portieren
    of de achterklep met de
    afstandsbediening.

    51



  • Page 54

    Stuurwiel
    STUURWIEL AFSTELLEN

    AUDIOBEDIENING
    Selecteer de gewenste bron op de
    audio-unit.

    WAARSCHUWING
    Verstel nooit het stuurwiel als de
    auto in beweging is.

    De volgende functies kunnen met de
    afstandsbediening worden bediend:

    N.B.: Controleer of u in de juiste positie zit.
    Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde
    116).

    Type 1

    A
    E

    2
    2

    B

    D

    1

    C

    E129462

    E95178

    A

    Volume hoger

    B

    Opwaarts zoeken of volgende

    C

    Volume lager

    D

    Neerwaarts zoeken of vorige

    E

    Modus

    Druk de modus toets in om de audiobron
    te kiezen.

    3
    E95179

    WAARSCHUWING
    Duw de ontgrendelingshendel
    helemaal op zijn plaats wanneer u
    deze weer in de oude stand zet.

    52



  • Page 55

    Stuurwiel
    Type 2

    SPRAAKSTURING

    A
    D
    C

    B
    E129463
    E129464

    A

    Volume hoger

    B

    Opwaarts zoeken of volgende

    C

    Volume lager

    D

    Neerwaarts zoeken of vorige

    Trek aan de toets om de spraakbesturing
    in of uit te schakelen. Zie Spraaksturing
    (bladzijde 256).

    Zoeken, volgende of vorige
    Druk de seek toets in om:
    • op het volgende of vorige radiostation
    af te stemmen
    • het volgende of vorige nummer af te
    spelen
    Druk de seek toets in en houd deze
    ingedrukt om:
    • af te stemmen op het volgende
    radiostation op een hogere of lagere
    frequentie
    • door een nummer te zoeken

    53



  • Page 56

    Ruitenwissers en ruitensproeiers
    Automatisch ruitenwissersysteem

    VOORRUITWISSERS

    Sommige uitvoeringen zonder een
    automatisch ruitenwissersysteem zijn
    uitgerust met een snelheidsafhankelijk
    ruitenwissersysteem voor de voorruit.

    D
    C

    Wanneer de auto tot loopsnelheid of tot
    stilstand wordt gebracht, wordt de
    ruitenwissersnelheid automatisch naar de
    volgende lagere snelheid teruggebracht.

    B

    Wanneer de auto in snelheid toeneemt,
    keert de ruitenwissersnelheid terug naar
    de met de hand gekozen instelling.
    Wanneer de ruitenwisserhendel wordt
    bediend terwijl het systeem is ingeschakel,
    wordt het systeem uitgeschakeld.

    A
    E128444

    A

    Enkele wisslag

    B

    Wissen met intervallen of
    automatisch wissen

    C

    Normale wissnelheid

    D

    Wissen met hoge snelheid

    Indien de auto opnieuw in snelheid mindert
    of tot stilstand wordt gebracht, wordt het
    systeem opnieuw geactiveerd.

    AUTOMATISCH IN- EN
    UITSCHAKELENDE
    RUITENWISSERS

    Intervalwissen

    A

    LET OP
    Schakel de automatische wisfunctie
    niet bij droog weer in. De regensensor
    is bijzonder gevoelig en de
    ruitenwissers kunnen in werking treden
    indien de voorruit met vuil, mist of vliegen
    in aanraking komt.

    B

    Vervang de ruitenwisserbladen zodra
    deze strepen water en vuil op de
    voorruit achterlaten. Als de
    ruitenwisserbladen niet worden vervangen,
    blijft de regensensor continu water op de
    voorruit waarnemen. Dit heeft tot gevolg
    dat de ruitenwissers in werking treden
    terwijl het grootste deel van de voorruit
    droog is.

    C
    E128445

    A

    Wissen met korte intervallen

    B

    Intervalwissen

    C

    Wissen met lange intervallen

    Zorg bij vorst dat de voorruit volledig
    is ontdooit voordat u de automatische
    wisfunctie selecteert.

    De intervalwerking kan met de
    draaischakelaar worden ingesteld.

    54



  • Page 57

    Ruitenwissers en ruitensproeiers
    VOORRUITSPROEIERS

    LET OP
    Schakel de automatische wisfunctie
    uit voordat u een wasstraat
    binnenrijdt.
    N.B.: Als de automatische verlichting is
    ingeschakeld in combinatie met de
    automatische wisfunctie, dan wordt het
    dimlicht automatisch ingeschakeld wanneer
    de regensensor de continue wisfunctie van
    de ruitenwissers activeert.

    A

    B

    E129188

    WAARSCHUWING
    Schakel de ruitensproeiers niet
    langer dan tien seconden achtereen
    in; schakel de ruitensproeiers nooit
    in als het reservoir leeg is.

    C
    Wanneer de hendel naar het stuurwiel
    wordt getrokken treden zowel de sproeier
    als de ruitenwissers in werking.

    E128445

    A

    Hoge gevoeligheid

    B

    Aan

    C

    Lage gevoeligheid

    Na het loslaten van de hendel blijven de
    ruitenwissers nog kortstondig in werking.

    Wanneer u de automatische wisfunctie
    inschakelt, maken de ruitenwissers pas een
    wisbeweging nadat water op de voorruit
    is geregistreerd. De regensensor meet
    daarna continu de hoeveelheid water op
    de voorruit en zal de snelheid van de
    ruitenwissers automatisch instellen.
    Stel de gevoeligheid van de regensensor
    met de draaiknop in. Bij een lage
    gevoeligheid zullen de ruitenwissers in
    werking treden wanneer de sensor een
    grote hoeveelheid water op de voorruit
    registreert. Bij een hoge gevoeligheid zullen
    de ruitenwissers in werking treden wanneer
    de sensor een kleine hoeveelheid water op
    de voorruit registreert.

    55



  • Page 58

    Ruitenwissers en ruitensproeiers
    Ruitensproeier, achter

    ACHTERRUITWISSERS EN SPROEIERS
    Intervalwissen

    E129194

    WAARSCHUWING
    Schakel de ruitensproeiers niet
    langer dan tien seconden achtereen
    in; schakel de ruitensproeiers nooit
    in als het reservoir leeg is.

    A B

    Wanneer de hendel van het stuurwiel
    wordt geduwd, treden zowel de sproeier
    als de ruitenwissers in werking.
    Na het loslaten van de hendel blijven de
    ruitenwissers nog kortstondig in werking.

    E129193

    A

    Intervalwissen

    B

    Wissen met lage snelheid

    KOPLAMPSPROEIERS
    Bij ingeschakelde koplampen werken de
    koplampsproeiers in combinatie met de
    voorruitsproeiers.

    Druk op de toets op het uiteinde van de
    hendel om te navigeren tussen
    uitschakelen, intervalwissen en wissen met
    lage snelheid.

    N.B.: Om ervoor te zorgen de het
    ruitensproeierreservoir te snel leegraakt,
    werken de koplampsproeiers niet telkens
    wanneer de voorruitsproeiers in werking
    worden gesteld.

    Wissen tijdens achteruitrijden
    De achterruitwisser wordt automatisch
    geactiveerd als de achteruitversnelling
    wordt ingeschakeld, mits de
    achterruitwisser niet reeds is ingeschakeld
    en de voorruitwisser werkt.

    56



  • Page 59

    Ruitenwissers en ruitensproeiers
    N.B.: De bladen van voorruitwissers zijn
    verschillend qua lengte. Zie Technische
    specificatie (bladzijde 58). Wanneer u
    ruitenwisserbladen met een onjuiste lengte
    aanbrengt, is het mogelijk dat de
    regensensor niet correct meer werkt.

    RUITENWISSERBLADEN
    CONTROLEREN

    Onderhoudsstand

    E66644
    E129989

    Controleer met uw vingertoppen de rubber
    randen van de ruitenwisserbladen op
    oneffenheden.
    Reinig de ruitenwisserbladen met een in
    water gedrenkte, zachte spons.

    RUITENWISSERBLADEN
    VERVANGEN
    Voorruitwisserbladen
    E129986

    LET OP
    Zet om de ruitenwisserbladen te
    vervangen de voorruitwissers in de
    onderhoudsstand.

    A

    Zet het contact af en zet binnen drie
    seconden de ruitenwisserhendel in de
    stand A. Laat de hendel los wanneer de
    ruitenwissers in de onderhoudsstand
    staan.

    U kunt de onderhoudsstand in de
    winter gebruiken om de
    ruitenwisserbladen eenvoudiger te
    kunnen bereiken om deze vrij te maken van
    sneeuw en ijs. De voorruitwissers keren in
    hun normale stand terug zodra u het
    contact aanzet, u moet er dus voor zorgen
    dat de buitenzijde van de voorruit geheel
    vrij is van sneeuw en ijs voordat u het
    contact aanzet.

    Ruitenwisserbladen vervangen
    Zet de ruitenwissers in de
    onderhoudsstand en trek de wisserarmen
    omhoog.

    57



  • Page 60

    Ruitenwissers en ruitensproeiers

    1
    3
    1
    2

    E129990

    1. Druk de vergrendelknoppen samen.
    2. Draai en verwijder het ruitenwisserblad.
    N.B.: Zorg ervoor dat het ruitenwisserblad
    goed op zijn plaats komt te zitten.

    E130060

    2. Draai het ruitenwisserblad enigszins
    los van de wisserarm.
    3. Maak het ruitenwisserblad los van de
    wisserarm.
    4. Verwijder het ruitenwisserblad.
    N.B.: Zorg ervoor dat het ruitenwisserblad
    goed op zijn plaats komt te zitten.

    3. Breng de eerder verwijderde
    onderdelen in omgekeerde volgorde
    aan.

    Achterruitwisserblad
    1.

    2

    Til de ruitenwisserarm op.

    5. Breng de eerder verwijderde
    onderdelen in omgekeerde volgorde
    aan.

    TECHNISCHE SPECIFICATIE
    Lengte van de ruitenwisserbladen van de voorruit
    Afmeting in mm (inches)
    Bestuurderszijde

    Passagierszijde

    730 (28,7)

    630 (24,8)

    58



  • Page 61

    Verlichting
    Een zijde

    VERLICHTINGSBEDIENING

    A

    Standen van de lichtschakelaar

    A

    B

    C

    B
    E130139

    A

    Rechterzijde

    B

    Linkerzijde

    Grootlicht en dimlicht

    E70718

    A

    Off (uit)

    B

    Stads- en achterlichten

    C

    Koplampen

    Parkeerlichten
    LET OP
    Door langdurig gebruik van de
    parkeerlichten wordt de accu
    ontladen.

    E130140

    Druk de hendel naar voren om te schakelen
    tussen grootlicht en dimlicht.

    Schakel het contact uit.

    Lichtsignaal

    Beide zijden

    Trek de schakelaarhendel naar het
    stuurwiel toe.

    Zet de schakelaar in stand B.

    59



  • Page 62

    Verlichting
    Home safe verlichting
    Schakel de verlichting uit en trek de
    richtingaanwijzer naar het stuurwiel toe
    om de koplampen in te schakelen. Er klinkt
    kort een signaal. Bij een geopende deur
    gaan de koplampen automatisch na drie
    minuten uit, of 30 seconden nadat de
    laatste deur is gesloten.
    De home safe functie kan worden
    uitgeschakeld door hetzij de
    richtingaanwijzerhendel opnieuw naar het
    stuurwiel te trekken of door het contact
    AAN te zetten.
    E70719

    AUTOMATISCH IN- EN
    UITSCHAKELENDE
    VERLICHTING

    Afhankelijk van de lichtsituatie worden de
    koplampen automatisch in- en
    uitgeschakeld.
    De koplampen blijven branden gedurende
    een bepaalde periode nadat het contact
    is afgezet. De tijdvertraging kan worden
    afgesteld met behulp van het
    informatiedisplay. Zie Infodisplays
    (bladzijde 88).

    WAARSCHUWING
    Onder slechte
    weersomstandigheden kan het nodig
    zijn uw koplampen handmatig in te
    schakelen.

    VOORSTE MISTLAMPEN

    N.B.: Wanneer u de automatisch
    in-/uitschakelende verlichting hebt
    ingeschakeld, kunt u alleen het groot licht
    inschakelen wanneer de functie de
    koplampen heeft ingeschakeld.
    N.B.: Als de automatische verlichting is
    ingeschakeld in combinatie met de
    automatische wisfunctie, dan wordt het
    dimlicht automatisch ingeschakeld wanneer
    de regensensor de continue wisfunctie van
    de ruitenwissers activeert.

    E70721

    WAARSCHUWING
    Gebruik de mislampen alleen
    wanneer het zicht ernstig wordt
    belemmerd door mist, sneeuw of
    regen.

    60



  • Page 63

    Verlichting
    MISTACHTERLICHTEN

    KOPLAMPHOOGTE
    AFSTELLEN
    N.B.: Uitvoeringen met Xenon koplampen
    zijn uitgerust met automatische regeling van
    de koplamplichtbundels.

    E70720

    WAARSCHUWINGEN
    Gebruik de mistachterlichten alleen
    wanneer het zicht minder dan 50
    meter bedraagt.
    Schakel de mistachterlichten niet in
    bij regen of sneeuwval en wanneer
    het zicht meer dan 50 meter
    bedraagt.

    A

    B

    E70722

    KOPLAMPEN AFSTELLEN AUTO'S MET ADAPTIEVE
    VERLICHTING, VOOR/XENON
    KOPLAMPEN

    A

    Hoge stand van de
    koplamplichtbundels

    B

    Lage stand van de
    koplamplichtbundels

    U kunt de hoogte van de
    koplamplichtbundels aanpassen aan de
    belading van de wagen.

    Ga naar uw dealer voor het instellen van
    de koplampen voor rechts- of linksrijdend
    verkeer.

    Aanbevolen regelknopstanden
    Belading
    Voorstoelen

    Stoelen, tweede
    zitrij

    Stoelen, derde
    zitrij

    Lading in bagagecompartiment

    Schakelaarstand

    1-2

    -

    -

    -

    0

    1-2

    -

    2

    -

    0 (0.5)

    1-2

    3

    -

    -

    1 (0.5)

    1-2

    3

    -

    Max

    61

    **

    **

    *

    **

    3 (0.5)



  • Page 64

    Verlichting
    Belading
    Voorstoelen

    Stoelen, tweede
    zitrij

    Stoelen, derde
    zitrij

    Lading in bagagecompartiment

    1

    -

    -

    Max

    *

    Zie Voertuigidentificatieplaatje (bladzijde 228).

    2

    Uitvoeringen met actieve schokdemperregeling.

    *

    Schakelaarstand

    4 (1.5)

    **

    RICHTINGAANWIJZERS

    WAARSCHUWINGSKNIPPERLICHTEN

    E71943

    Voor locatie: Zie In één oogopslag
    (bladzijde 10).

    E130141

    N.B.: Beweeg de
    richtingaanwijzerschakelaar kort omhoog
    of omlaag om de richtingaanwijzers
    driemaal te laten knipperen.

    62



  • Page 65

    Verlichting
    ZIJRICHTINGAANWIJZERS

    A

    A

    B

    B

    E72898
    A

    Lichtbundel van koplamp

    B

    Lichtbundel van bochtverlichting
    De lampen gaan branden wanneer u een
    portier of de achterklep/het kofferdeksel
    ontgrendelt of opent. Wanneer u het
    contact afzet, gaan alle lampen korte tijd
    later automatisch uit om te voorkomen dat
    de accu leegraakt. Zet het contact korte
    tijd aan om de verlichting weer in te
    schakelen.

    Bij het nemen van een bocht verlicht de
    bochtverlichting de binnenzijde van de
    bocht.

    INTERIEURVERLICHTING
    Binnenverlichting
    N.B.: Lampen kunnen afzonderlijk van
    elkaar worden ingeschakeld, maar niet
    afzonderlijk worden uitgeschakeld als de
    bestuurder alle lampen heeft ingeschakeld.
    N.B.: Alle andere lampen kunnen niet
    worden geschakeld of alleen met
    afzonderlijke leeslamp- of
    interieurverlichtingsfunctie.

    63



  • Page 66

    Verlichting
    Zijdelings gemonteerde lamp

    Centraal gemonteerde lamp

    E139419

    C

    B

    A

    A

    B

    A

    Aan/uit-schakelaar leeslamp

    B

    Portierfunctieschakelaar

    C

    Aan/uit-schakelaar alle lampen

    E139420

    Als u op B drukt blijven alle lampen
    uitgeschakeld wanneer het portier
    geopend wordt. Druk nogmaals op de
    schakelaar om dit ongedaan te maken.

    D

    C

    A

    Aan/uit-schakelaar leeslamp
    rechterzijde

    B

    Aan/uit-schakelaar leeslamp
    linkerzijde

    C

    Portierfunctieschakelaar

    D

    Aan/uit-schakelaar alle lampen

    Als u op C drukt blijven alle lampen
    uitgeschakeld wanneer het portier
    geopend wordt. Druk nogmaals op de
    schakelaar om dit ongedaan te maken.

    U kunt alle lampen bedienen m.b.v.
    schakelaar C.

    U kunt alle lampen bedienen m.b.v.
    schakelaar D.

    Sfeerverlichting
    Wanneer u het contact afzet, gaan de
    sfeerverlichtingslampen korte tijd later
    automatisch uit om te voorkomen dat de
    accu leegraakt.
    Wanneer het donker is, zijn de
    sfeerverlichtingslampen actief als het
    contact en de koplampen ingeschakeld
    zijn.

    64



  • Page 67

    Verlichting
    De sfeerverlichting verlicht diverse
    plaatsen, bijv. beenruimtes, bekerhouders
    en portieren met een bepaalde kleur. Deze
    verlichting kan in- en uitgeschakeld worden
    via het menu in de informatiedisplay. Zie
    Algemene informatie (bladzijde 88).

    3. Trek de koplamp zover mogelijk naar
    het midden van de auto om deze los te
    maken van het onderste
    bevestigingspunt.
    4. Trek de buitenzijde van de koplamp
    omhoog en verwijder hem.

    Gebruik de dimschakelaars van de
    instrumentenverlichting om de gewenste
    helderheid af te stellen. Zie Dimmer
    instrumentenpaneelverlichting
    (bladzijde 130).

    EEN KOPLAMP VERWIJDEREN
    WAARSCHUWING
    Laat Xenon gloeilampen door een
    geschoolde monteur vervangen. Er
    bestaat kans op een elektrische
    schok.
    E88875

    1.

    Open de motorkap. Zie De motorkap
    openen en sluiten (bladzijde 198).

    5. Trek de stekker los.
    N.B.: Wanneer de koplamp wordt
    gemonteerd, let er dan op dat de stekker
    correct wordt aangesloten.

    2

    N.B.: Wanneer de koplamp wordt
    gemonteerd, let er dan op dat het onderste
    bevestigingspunt van de koplamp goed op
    zijn plaats komt te zitten.

    4
    2

    N.B.: Bij het monteren van de koplamp
    moet de schroef in de koplamprand zitten
    alvorens u deze aanbrengt.

    3

    GLOEILAMPEN VERVANGEN
    WAARSCHUWINGEN
    Schakel de verlichting uit en zet het
    contact af.
    Laat de gloeilamp afkoelen voordat
    u deze verwijdert.

    E130143

    2. Verwijder de schroeven.

    65



  • Page 68

    Verlichting
    WAARSCHUWINGEN
    Laat Xenon gloeilampen door een
    goed opgeleide monteur vervangen.
    Er bestaat kans op een elektrische
    schok.

    2
    LET OP
    Raak het glas van de gloeilamp niet
    aan.

    3

    Breng alleen gloeilampen met het
    juiste vermogen aan. Zie
    Gloeilampentabel (bladzijde 72).
    E130174

    N.B.: De volgende instructies beschrijven
    hoe de gloeilampen moeten worden
    verwijderd. Breng de nieuwe gloeilampen in
    omgekeerde volgorde van verwijderen aan,
    tenzij anders is voorgeschreven.

    2. Draai de lamphouder linksom en
    verwijder deze.
    3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de
    lamphouder en draai de gloeilamp
    linksom. Verwijder de gloeilamp.

    Koplampen

    Grootlicht

    N.B.: Verwijder de kappen om de
    gloeilampen te kunnen bereiken.

    A

    B

    LET OP
    Raak het glas van de gloeilamp niet
    aan.

    C
    1.

    Verwijder de koplamp. Zie Een
    koplamp verwijderen (bladzijde 65).

    2
    E130173

    A

    Richtingaanwijzer

    B

    Grootlicht

    C

    Koplamp, dimlicht

    4

    Richtingaanwijzer
    1.

    Verwijder de koplamp. Zie Een
    koplamp verwijderen (bladzijde 65).

    E130175

    66



  • Page 69

    Verlichting
    2. Verwijder het paneel.
    3. Trek de stekker los.
    4. Maak de klemveer los en verwijder de
    gloeilamp.
    Koplamp, dimlicht
    LET OP

    4

    Raak het glas van de gloeilamp niet
    aan.
    1.

    2

    Verwijder de koplamp. Zie Een
    koplamp verwijderen (bladzijde 65).

    E130177

    2. Verwijder het paneel.
    3. Trek de stekker los.
    4. Maak de klemveer los en verwijder de
    gloeilamp.

    3

    2

    Stadslicht

    4

    1.

    Verwijder de koplamp. Zie Een
    koplamp verwijderen (bladzijde 65).

    E130176

    2. Verwijder het paneel.
    3. Draai de lamphouder linksom en
    verwijder deze.
    4. Verwijder de gloeilamp.

    4

    Bochtverlichting

    3

    1.

    Verwijder de koplamp. Zie Een
    koplamp verwijderen (bladzijde 65).

    2
    E130181

    2. Verwijder het paneel.
    3. Verwijder de lamphouder.
    4. Verwijder de gloeilamp.

    67



  • Page 70

    Verlichting
    Zijknipperlicht

    1
    E72264

    1.

    E72263

    1.

    Verwijder voorzichtig het zijknipperlicht.

    Steek een schroevendraaier in de
    spleet tussen het spiegelhuis en het
    spiegelglas maak de metalen klem los.

    3
    E72291

    2

    2. Verwijder de lamphouder.
    3. Verwijder de gloeilamp.
    E72265

    Instapverlichting

    2. Verwijder het lamphuis.
    3. Verwijder de gloeilamp.

    N.B.: Draai het spiegelglas zover mogelijk
    naar binnen.

    68



  • Page 71

    Verlichting
    Voormistlichten

    5. Draai de lamphouder linksom en
    verwijder deze.

    Achterlichtunits
    Richtingaanwijzer en rem-/achterlicht

    1

    2

    3

    E99405

    N.B.: De gloeilamp van de mistlamp kan
    niet uit de lamphouder worden verwijderd.
    1.

    Verwijder de afdekking m.b.v. een
    geschikt werktuig.
    2. Verwijder de schroeven.
    3. Verwijder het lamphuis.

    E130196

    1.

    Verwijder het bekledingspaneel.

    2
    3
    5

    E130197

    2. Trek de stekker los.
    3. Verwijder de vleugelmoer.
    4. Verwijder het lamphuis.

    4
    E99406

    4. Trek de stekker los.

    69



  • Page 72

    Verlichting

    2
    B

    A
    E130198

    E130200

    5. Verwijder de lamphouder.
    6. Druk voorzichtig de gloeilamp in de
    lamphouder en draai de gloeilamp
    linksom. Verwijder de gloeilamp.
    A. Achterlicht en remlicht
    B. Richtingaanwijzer

    2. Verwijder de vleugelmoer.
    3. Verwijder het lamphuis.

    5

    Achteruitrijlamp, achterlicht en
    mistachterlicht

    A

    2

    4

    B
    E130201

    4. Trek de stekker los.
    5. Verwijder de lamphouder.
    6. Druk voorzichtig de gloeilamp in de
    lamphouder en draai de gloeilamp
    linksom. Verwijder de gloeilamp.
    A. Achteruitrijlamp
    B. Achterlicht en mistachterlicht

    E130199

    1.

    Verwijder het bekledingspaneel.

    70



  • Page 73

    Verlichting
    Derde remlicht

    4

    E87619

    1.

    Maak de klemmen los.

    E130236

    4. Verwijder het lamphuis.

    6

    3
    2

    2

    5

    E130235

    2. Breng een geschikt voorwerp in de
    openingen aan.
    3. Trek voorzichtig de lamp naar de
    voorzijde van de wagen om de
    klemveren los te maken.

    E130205

    5. Verwijder de lamphouder.
    6. Verwijder de gloeilamp.

    71



  • Page 74

    Verlichting
    Kentekenplaatverlichting

    2
    1

    3

    E72789

    1. Maak voorzichtig de klemveer los.
    2. Verwijder het lamphuis.
    3. Draai de lamp linksom en verwijder
    deze.

    E125092

    Bagageruimteverlichting,
    beenruimteverlichting en
    achterlicht

    Interieurverlichting
    Auto's met LED-lampen
    N.B.: De LED verlichting kan niet worden
    gerepareerd, raadpleeg bij defecten uw
    dealer.

    E72784
    1. Werk de lamp voorzichtig los.
    2. Verwijder de gloeilamp.

    GLOEILAMPENTABEL
    Lampje

    Specificatie

    Richtingaanwijzer, voor
    Grootlicht

    72

    Vermogen (watt)

    PY21W

    21

    H1

    55



  • Page 75

    Verlichting
    Lampje

    Specificatie

    Vermogen (watt)

    Koplamp, dimlicht

    H7

    55

    Bochtverlichting

    H1

    55

    Mistlamp, vóór

    H11

    55

    Stadslicht

    1

    W5W

    5

    WY5W

    5

    W5W

    5

    Richtingaanwijzer, achter

    PY21W

    21

    Remlicht en achterlicht

    Zijknipperlicht
    Instapverlichting

    P21/5W

    21/5

    Achterlicht

    W5W

    5

    Mistachterlicht

    P21W

    21

    Achteruitrijlamp

    P21W

    21

    Kentekenplaatverlichting

    W5W

    5

    Derde remlicht

    W5W

    5

    Verlichting bagagecompartiment

    W5W

    5

    1

    Vervang een doorgeslagen zekering door een exemplaar met hetzelfde vermogen.

    73



  • Page 76

    Ruiten en spiegels
    Ruiten automatisch openen en
    sluiten

    ELEKTRISCH BEDIENBARE
    RUITEN

    Druk de schakelaar tot het tweede
    schakelpunt in of trek hem tot het tweede
    schakelpunt omhoog en laat hem los. Druk
    de schakelaar opnieuw in of trek hem
    opnieuw omhoog om de beweging te
    stoppen.

    WAARSCHUWING
    Schakel de elektrisch bedienbare
    ruiten niet in tenzij deze vrij zijn van
    obstructies.
    N.B.: Wanneer de ruiten gedurende korte
    tijd vaak worden bediend kan het systeem
    een bepaalde tijd buiten werking treden om
    schade door oververhitting te voorkomen.

    Veiligheidsschakelaar voor de
    achterste ruiten

    Zet het contact aan om de elektrisch
    bedienbare ruiten te openen of te sluiten.

    Bij sommige auto's worden door
    drukken op de schakelaar tevens de
    achterportieren van binnenuit
    vergrendeld. Zie Kindersloten (bladzijde
    25).

    WAARSCHUWING

    Integraal openen/sluiten
    Met behulp van de functie integraal
    openen en sluiten kunt u ook de elektrisch
    bedienbare ruiten bij afgezet contact
    bedienen. Zie Sloten (bladzijde 39).

    N.B.: U kunt altijd de ruiten achterin vanaf
    het bestuurdersportier bedienen.

    Module portier bestuurderszijde
    Met behulp van de schakelaars op het
    bestuurdersportier kunt u alle ruiten
    bedienen.

    E70850

    Met een schakelaar op het
    bestuurdersportier kan de elektrische
    bediening van de achterste ruiten worden
    geblokkeerd.
    Het lampje in de schakelaar gaat branden
    en de lampjes in de schakelaars van de
    achterste ruiten gaan uit wanneer de
    blokkering is ingeschakeld.

    E70848

    74



  • Page 77

    Ruiten en spiegels
    Antiklemfunctie

    Nadat de accukabels zijn losgenomen
    moet het geheugen van elke ruit
    afzonderlijk opnieuw worden ingesteld:

    WAARSCHUWING
    Het onzorgvuldig sluiten van de
    ruiten kan deze beschermingsfunctie
    opheffen en verwonding tot gevolg
    hebben.

    N.B.: Bij uitvoeringen met een convertible
    kap, moeten de kap en de portieren volledig
    worden gesloten voordat de volgende
    procedure kan worden uitgevoerd.
    1.

    De ruit stopt automatisch tijdens het
    sluiten en gaat een stukje terug wanneer
    de ruit een obstakel tegenkomt.

    2.
    3.

    Antiklemfunctie uitschakelen
    WAARSCHUWING

    4.

    Wanneer u de ruit voor de derde keer
    sluit, wordt de antiklemfunctie
    uitgeschakeld. Controleer of er geen
    obstakels in de weg zitten.

    5.
    6.

    Om deze veiligheidsvoorziening uit te
    schakelen wanneer er meer weerstand is,
    bijvoorbeeld in de winter, gaat u als volgt
    te werk:

    7.

    1.

    8.

    Sluit de ruiten tweemaal tot aan de
    weerstand en laat deze terugschuiven.
    2. Sluit de ruit voor een derde keer tot
    deze weerstand ondervindt. De
    antiklemfunctie wordt uitgeschakeld
    en u kunt de ruit niet meer automatisch
    sluiten. De ruit zal de weerstand
    overbruggen en u kunt de ruit volledig
    sluiten.
    3. Laat de ruit door een deskundige
    controleren indien deze na de derde
    poging niet sluit.

    Trek de schakelaar omhoog en houd
    hem in deze stand tot de ruit volledig
    is gesloten.
    Laat de schakelaar los.
    Trek de schakelaar opnieuw langer dan
    een seconde omhoog.
    Druk de schakelaar in en houd hem
    ingedrukt tot de ruit volledig is
    geopend.
    Laat de schakelaar los.
    Trek de schakelaar omhoog en houd
    hem in deze stand tot de ruit volledig
    is gesloten.
    Open de ruit en probeer hem
    automatisch te sluiten.
    Herhaal de procedure wanneer de ruit
    niet automatisch sluit.

    BUITENSPIEGELS
    WAARSCHUWING
    Vergis u niet in de afstand van
    voorwerpen die u in deze
    groothoekspiegel ziet. Voorwerpen
    die u in deze spiegels ziet, zien er kleiner uit
    en lijken verder weg te zijn dan in
    werkelijkheid het geval is.

    Geheugen van de elektrisch
    bedienbare ruiten opnieuw
    instellen

    Handmatig inklapbare spiegels
    Inklappen

    WAARSCHUWING

    Druk de spiegel in de richting van de
    portierruit.

    De antiklemfunctie wordt buiten
    werking gesteld tot het geheugen
    opnieuw is ingesteld.

    75



  • Page 78

    Ruiten en spiegels
    Richtingen waarin de spiegel kan
    worden gekanteld

    Uitklappen
    Zorg ervoor dat de spiegel weer volledig
    wordt vergrendeld wanneer u deze weer
    in zijn oorspronkelijke stand terugzet.

    ELEKTRISCH VERSTELBARE
    BUITENSPIEGELS

    E70847

    A

    De elektrisch bedienbare buitenspiegels
    zijn voorzien van een verwarmingselement
    dat het spiegelglas ontdooit en
    ontwasemt. Zie Verwarmde ruiten en
    spiegels (bladzijde 112).

    C
    B

    E70846

    Elektrisch inklapbare
    buitenspiegels

    A

    Linker spiegel

    B

    Off (uit)

    Automatisch inklappen en uitklappen

    C

    Rechter spiegel

    N.B.: Als de spiegels zijn ingeklapt met
    behulp van de toets handmatig inklappen,
    dan kunnen deze alleen worden uitgeklapt
    met behulp van de toets handmatig
    inklappen.
    De spiegels klappen automatisch uit
    wanneer u de auto vergrendelt met behulp
    van de sleutel, de afstandsbediening of
    een verzoek van de sleutelloze toegang.
    De spiegels klappen uit wanneer u de auto
    ontgrendelt met behulp van de sleutel, de
    afstandsbediening, een verzoek van de
    sleutelloze toegang, de binnenhandgreep
    van het bestuurdersportier of door de
    motor te starten.

    76



  • Page 79

    Ruiten en spiegels
    Handmatig inklappen en uitklappen

    AUTOMATISCH DIMMENDE
    SPIEGEL

    De elektrisch inklapbare spiegels werken
    bij aangezet contact.
    N.B.: U kunt de spiegels nog gedurende
    enkele minuten na het afzetten van het
    contact bedienen (kantelen en inklappen).
    Zodra een portier wordt geopend wordt het
    mechanisme uitgeschakeld.

    E71028
    De automatisch dimmende
    achteruitkijkspiegel voorkomt verblinding
    door achteropkomend verkeer. Bij
    ingeschakelde achteruitversnelling werkt
    hij niet.

    MONITOR DODE HOEK
    Informatiesysteem dode hoek
    (BLIS)
    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem is niet ontworpen om
    contact met andere auto's of
    voorwerpen te voorkomen. Het
    systeem dient alleen als een
    waarschuwing om te helpen bij het
    registreren van auto's in blinde hoeken. Het
    systeem registreert geen voorwerpen,
    voetgangers, motorrijders of fietsers.

    E72623

    Druk op de toets om de spiegels in of uit te
    klappen.
    Wanneer nogmaals op de schakelaar
    wordt gedrukt terwijl de spiegels in
    beweging zijn, stoppen deze en keren in de
    oorspronkelijke stand terug.

    Gebruik het systeem niet als
    vervanging van de zijspiegels en de
    achteruitkijkspiegels en het over de
    schouder kijken alvorens van rijstrook te
    veranderen. Het systeem is geen
    vervanging voor voorzichtig rijden en mag
    alleen worden gebruikt als hulpmiddel.

    N.B.: Wanneer de spiegels gedurende korte
    tijd vaak worden bediend, kan het systeem
    tijdelijk buiten bedrijf zijn om schade door
    oververhitting te voorkomen.

    77



  • Page 80

    Ruiten en spiegels
    Het systeem is een comfortfunctie die de
    bestuurder helpt bij het registreren van
    auto's die de blinde hoek zijn
    binnengereden (A). Het registratiegebied
    bevindt zich aan beide zijden van de auto
    en loopt vanaf de buitenspiegels tot
    ongeveer 3 meter achter de bumper. Het
    systeem geeft tijdens het rijden een
    waarschuwing af wanneer bepaalde auto's
    de blinde hoek binnenrijden.

    N.B.: Nadat het contact is aangezet
    branden beide indicatoren kort ter
    bevestiging dat het systeem operationeel
    is.
    N.B.: Bij auto's met automatische
    transmissie is het systeem alleen actief in
    stand S, D en N.
    Het systeem is alleen actief vanaf
    rijsnelheden van 10 km/u. Het systeem
    wordt tijdelijke gedeactiveerd wanneer de
    achteruitrijversnelling wordt gekozen.

    A

    Systeemregistratie en waarschuwingen
    Het systeem activeert de waarschuwing
    voor auto's die de blinde hoek binnenrijden
    vanaf de achterzijde of de zijkant. Voor
    auto's die worden ingehaald of auto's die
    de blinde hoek vanaf de voorzijde
    binnenrijden wordt de waarschuwing
    alleen geactiveerd wanneer de auto een
    korte periode in de blinde hoek blijft rijden.

    A

    N.B.: Voor auto's die snel door de blinde
    hoek rijden (meestal minder dan 2
    seconden) wordt de waarschuwing niet
    geactiveerd.

    E124788

    Gebruik van het systeem
    Het systeem geeft een gele indicator weer
    die is aangebracht in de buitenspiegels.

    Het systeem bestaat uit twee
    radarsensoren die zijn aangebracht achter
    de achterwielen (weggewerkt achter de
    bumpers).
    LET OP
    Breng geen voorwerpen zoals
    bumperstickers aan in dit gebied.
    Reparaties aan deze gebieden met
    behulp van carrosserievulmiddel
    hebben een nadelige invloed op de
    prestaties van het systeem.

    E124736

    78



  • Page 81

    Ruiten en spiegels



    Fietsers en motorrijders.
    Stoppen met een auto erachter en erg
    dichtbij.

    Systeem in- en uitschakelen
    N.B.: De stand aan of uit blijft behouden
    tot deze handmatig wordt gewijzigd.
    Het systeem kan worden in- en
    uitgeschakeld met behulp van de
    informatiedisplay. Zie Infodisplays
    (bladzijde 88).

    E124741

    Er worden geen meldingen ontvangen
    nadat het systeem is uitgeschakeld. De
    BLIS-controlelamp gaat branden. Zie
    Waarschuwings- en indicatielampen
    (bladzijde 83).

    Situaties waarin het naderingsalarm
    niet werkt
    Het kan voorkomen dat auto's die de
    blinde hoek binnenrijden en uitrijden niet
    worden geregistreerd.

    Registratiefouten

    Gevallen waar dit kan voorkomen:
    • Vuilophoping op de
    achterbumperpanelen in het gebied
    van de sensoren.
    • Bepaalde manoeuvres van auto's die
    de blinde hoek binnenrijden en uitrijden.
    • Auto's die met hoge snelheid door de
    blinde hoek rijden.
    • Slechte weersomstandigheden.
    • Verschillende auto's die kort na elkaar
    door de blinde hoek rijden.

    N.B.: De waarschuwingsindicator in de
    spiegel brandt niet.
    Als het systeem een storing bij een sensor
    heeft geregistreerd, gaat het
    waarschuwingssymbool van het systeem
    branden en dooft niet. De
    informatiedisplay bevestigt de storing en
    geeft aan of de linker- of rechterzijde is
    betroffen.
    Geblokkeerde sensor
    WAARSCHUWING

    Valse waarschuwingen

    Voordat het systeem een blokkering
    heeft geregistreerd en een
    waarschuwing afgeeft, neemt het
    aantal gemiste voorwerpen toe.

    N.B.: Valse waarschuwingen zijn tijdelijk en
    worden automatisch gecorrigeerd.
    Het kan voorkomen dat het systeem een
    waarschuwing afgeeft wanneer er geen
    auto in de blinde hoek aanwezig is.

    LET OP

    Gevallen waar dit kan voorkomen:
    • Vangrails.
    • Betonmuren bij de snelweg.
    • Gebieden in aanleg.
    • Scherpe bochten rond een gebouw.
    • Struiken en bomen.

    Bij zware regenval of andere
    omstandigheden waardoor
    verstorende reflecties ontstaan is het
    mogelijk dat de sensoren bepaalde auto's
    niet 'zien'.

    79



  • Page 82

    Ruiten en spiegels
    N.B.: Houd de achterbumper in het gebied
    van de sensoren vrij van vuil, ijs en sneeuw.
    Als een sensor geblokkeerd raakt, kunnen
    de prestaties van het systeem afnemen.
    Een bericht m.b.t. een geblokkeerde sensor
    kan worden weergegeven.
    Het systeem keert automatisch terug naar
    de normale werking nadat twee andere
    voertuigen aan beide zijden zijn
    geregistreerd.
    Valse waarschuwing trekhaak
    LET OP
    Auto's met een trekhaakmodule die
    niet door ons is goedgekeurd kunnen
    wellicht niet correct worden
    geregistreerd. Schakel het systeem uit om
    valse waarschuwingen te voorkomen. Zie
    Infodisplays (bladzijde 88).
    Als de auto is uitgerust met een
    trekhaakmodule die door ons is
    goedgekeurd, registreert het systeem een
    aangesloten aanhangwagen en wordt
    gedeactiveerd. Op de informatiedisplay
    verschijnt ter bevestiging een mededeling.
    Zie Infoberichten (bladzijde 96). De
    BLIS-controlelamp gaat branden. Zie
    Waarschuwings- en indicatielampen
    (bladzijde 83).

    80



  • Page 83

    Instrumentenpaneel
    METERS
    Type 1

    A

    E

    D

    C

    E130149

    A

    Informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 88).

    B

    Snelheidsmeter

    C

    Koelvloeistoftemperatuurmeter

    D

    Brandstofpeilmeter

    E

    Toerenteller

    81

    B



  • Page 84

    Instrumentenpaneel
    Type 2

    A

    E

    D

    C

    B

    E130150

    A

    Informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 88).

    B

    Snelheidsmeter

    C

    Koelvloeistoftemperatuurmeter

    D

    Brandstofpeilmeter

    E

    Toerenteller
    Wanneer de wijzer in het rode gebied komt,
    is de motor oververhit. Zet de motor af, zet
    het contact af en stel de oorzaak vast
    zodra de motor is afgekoeld. Zie
    Motorkoelvloeistof controleren
    (bladzijde 203).

    Koelvloeistoftemperatuurmeter
    Alle modelvarianten
    Geeft de temperatuur van de koelvloeistof
    aan. Bij normale bedrijfstemperatuur blijft
    de naald in het centrale gedeelte.

    Brandstofpeilmeter

    LET OP

    De pijl naast het symbool van de
    benzinepomp duidt aan, aan welke zijde
    zich de brandstofvulklep bevindt.

    Start de motor niet voordat de
    oorzaak voor de oververhitting is
    verholpen.

    82



  • Page 85

    Instrumentenpaneel
    Lamp remsysteem

    WAARSCHUWINGS- EN
    INDICATIELAMPEN

    De lamp gaat branden wanneer
    de parkeerrem wordt
    ingeschakeld.

    De volgende waarschuwings- en
    controlelampen gaan branden wanneer
    het contact wordt aangezet:








    WAARSCHUWING
    Verlaag geleidelijk uw snelheid en
    breng de auto tot stilstand zodra dit
    veilig kan. Gebruik de remmen
    voorzichtig.

    ABS
    Airbag
    Remsysteem
    ESP uit
    Vorst
    Laag brandstofpeil
    Stabiliteitsregeling (ESP)

    Als de lamp tijdens het rijden gaat branden,
    controleer dan of de parkeerrem niet is
    ingeschakeld. Als de parkeerrem niet is
    ingeschakeld, dan is er een storing
    aanwezig. Laat het systeem onmiddellijk
    door een goed opgeleide monteur
    controleren.

    Indien een van deze waarschuwings- of
    controlelampen niet gaat branden
    wanneer het contact wordt aangezet, duidt
    dit op een storing. Laat het systeem
    onmiddellijk door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    Controlelamp automatische
    snelheidsregeling
    De controlelamp gaat branden
    wanneer u een snelheid heeft
    E71340
    ingesteld met behulp van de
    snelheidsregeling. Zie Gebruik maken
    van snelheidsregeling (bladzijde 169).

    Controlelamp ABS
    Als de controlelamp brandt
    onder het rijden, dan duidt dit op
    een storing. De normale
    remwerking blijft gehandhaafd (zonder
    ABS). Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en vakkundige
    monteur controleren.

    Richtingaanwijzers
    Knippert bij ingeschakelde
    richtingaanwijzers. Een
    plotselinge toename van de
    knipperfrequentie duidt op een defecte
    gloeilamp. Zie Gloeilampen vervangen
    (bladzijde 65).

    Controlelamp airbag
    Als de controlelamp brandt
    onder het rijden, dan duidt dit op
    een storing. Laat het systeem
    onmiddellijk door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    Indicator dodehoekmonitor
    Deze brandt wanneer deze
    functie wordt gedeactiveerd of
    E124823
    in combinatie met een bericht.
    Zie Monitor dode hoek (bladzijde 77).
    Zie Infoberichten (bladzijde 96).

    83



  • Page 86

    Instrumentenpaneel
    Controlelamp motor

    Controlelamp koplampen

    Wanneer de lamp bij draaiende
    motor brandt, duidt dit op een
    storing. Wanneer deze tijdens
    het rijden knippert, minder dan
    onmiddellijk snelheid. Blijft de lamp
    knipperen, vermijd dan snel optrekken en
    krachtig afremmen. Laat het systeem
    onmiddellijk door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    De controlelamp gaat branden
    wanneer u het dimlicht van de
    koplamp, de zijlichten of de
    achterlichten inschakelt.

    Controlelamp laadstroom
    Als de controlelamp brandt
    onder het rijden, dan duidt dit op
    een storing. Schakel alle
    onnodige stroomverbruikers uit. Laat het
    systeem onmiddellijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    LET OP
    Als de controlelamp motor brandt in
    combinatie met een bericht, laat het
    systeem dan zo snel mogelijk
    controleren.

    Controlelamp laag brandstofpeil
    Wanneer deze lamp brandt, ga
    dan zo spoedig mogelijk tanken.

    Controlelamp mistlampen, vóór
    De controlelamp gaat branden
    wanneer u de mistlampen, vóór
    inschakelt.

    Waarschuwingslamp lage
    bandenspanning

    Controlelamp 'Vorst'

    Zie

    WAARSCHUWING
    Bandenspanningcontrolesysteem
    (bladzijde 222).

    Ook wanneer de temperatuur tot
    boven 4 °C stijgt, is dit nog geen
    garantie dat de weg vrij is van
    gevaren die door plotselinge
    weersveranderingen kunnen ontstaan.

    Controlelamp grootlicht
    De controlelamp gaat branden
    wanneer u het grootlicht
    inschakelt. De lamp knippert
    wanneer u een lichtsignaal geeft.

    Deze lamp brandt oranje bij een
    buitenluchttemperatuur tussen
    4 °C en 0 °C. Het brandt en
    kleurt rood wanneer de temperatuur lager
    dan 0 °C is.

    Berichtenindicator
    De controlelamp gaat branden
    wanneer een nieuw bericht is
    opgeslagen in de
    informatiedisplay. Zie Infoberichten
    (bladzijde 96).

    Controlelamp voorgloeien
    Zie Een dieselmotor starten
    (bladzijde 137).

    84



  • Page 87

    Instrumentenpaneel
    Controlelamp oliedruk

    Wanneer u het
    aandrijfregelsysteem (traction
    control) uitschakelt, gaat de
    waarschuwingslamp branden. De lamp
    gaat uit wanneer u het systeem weer
    inschakelt of wanneer u het contact afzet.

    LET OP
    Hervat uw reis niet wanneer de
    controlelamp gaat branden terwijl het
    peil correct is. Laat het systeem
    onmiddellijk door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    Start/stop-indicatielamp
    Deze lamp brandt om u te
    informeren over wanneer de
    motor wordt uitgeschakeld of in
    combinatie met een bericht. Zie
    Start/stop knop gebruiken (bladzijde
    141). Zie Infoberichten (bladzijde 96).

    Wanneer de lamp na het starten
    blijft branden of oplicht tijdens
    het rijden, dan duidt dit op een
    storing. Breng de auto tot stilstand zodra
    dit veilig kan en zet de motor af. Controleer
    het motoroliepeil. Zie Motorolie
    controleren (bladzijde 203).

    AKOESTISCHE
    WAARSCHUWINGSSIGNALEN
    EN -INDICATIES

    Controlelamp mistachterlicht
    De controlelamp gaat branden
    wanneer u de mistachterlichten
    inschakelt.

    De gongsignalen in- en
    uitschakelen

    Herinneringssysteem
    veiligheidsgordel

    U kunt bepaalde gongsignalen deactiveren
    met behulp van de bedieningstoetsen
    informatiedisplay. Voor locatie: Zie In één
    oogopslag (bladzijde 10).

    Zie Waarschuwingssignaal
    veiligheidsgordel (bladzijde
    33).

    Type gong instellen:
    1.

    Controlelamp Elektronisch
    Stabiliteits Programma (ESP)
    Wanneer het systeem tijdens het
    rijden wordt geactiveerd,
    knippert de lamp. Als na het
    aanzetten van het contact de lamp niet
    brandt of continu tijdens het rijden brandt,
    duidt dit op een storing. Bij storingen
    schakelt het systeem uit. Laat het systeem
    zo snel mogelijk door een goed opgeleide
    en vakkundige monteur controleren.

    2.

    3.
    4.

    5.

    85

    Druk op de linker pijltjestoets op het
    stuurwiel om het hoofdmenu binnen
    te gaan.
    Selecteer Settings met de op en neer
    pijltjestoetsen en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    Selecteer Chimes en druk op de
    rechter pijltoets.
    Selecteer Information of Warning en
    druk op de toets OK om het
    gongsignaal in en uit te schakelen.
    Druk op de linker pijltoets om het menu
    te verlaten. Houd de linker pijltoets
    ingedrukt om terug te keren naar de
    weergave van het hoofdmenu.



  • Page 88

    Instrumentenpaneel
    Automatische transmissie

    Laag brandstofpeil

    Indien de keuzehendel niet in de stand P
    staat klinkt een akoestisch
    waarschuwingssignaal wanneer het
    bestuurdersportier wordt geopend.

    Er klinkt een waarschuwingssignaal
    wanneer er minder dan 8 liter brandstof in
    de tank zit.

    Kofferdeksel - Elektrisch bediende
    achterklep

    Vorst

    Een waarschuwingssignaal klinkt onder de
    volgende weersomstandigheden:
    • +4 °C of lager: waarschuwing voor
    bevriezing
    • 0°C (32°F) of lager: gevaar voor ijzel.

    Tijdens bedienen en programmeren kan
    het systeem verschillende signalen
    afgeven:
    • Een kort signaal geeft aan dat de
    achterklep wordt geopend of gesloten.
    • Twee korte signalen tijdens openen of
    sluiten geven aan dat een obstakel is
    geregsitreerd.
    • Drie korte signalen geven aan dat de
    achterklep niet werkt.
    • Een lang signaal bevestigt succesvol
    programmeren van een eindaanslag.

    sleutel buiten auto

    Zie Vergrendelen en ontgrendelen
    (bladzijde 39).

    WAARSCHUWING
    Ook wanneer de temperatuur tot
    boven +4ºC (39°F) stijgt, is dit nog
    geen garantie dat de weg vrij is van
    gevaren die door plotselinge
    weersveranderingen kunnen ontstaan.

    Uitvoeringen met sleutelloze toegang

    Herinneringssysteem
    veiligheidsgordel

    Indien de motor draait en er niet langer een
    passive key in het interieur wordt
    waargenomen, klinkt een akoestisch
    signaal.

    WAARSCHUWINGEN
    Het herinneringssysteem
    veiligheidsgordel blijft in de
    standby-modus wanneer de
    veiligheidsgordels voor zijn vastgemaakt.
    Het systeem wordt geactiveerd wanneer
    de gordel wordt losgemaakt.

    Sleutel in contactslot
    Er klinkt een waarschuwingssignaal
    wanneer een portier is geopend als met
    een relatief lage snelheid wordt gereden.

    Ga niet op een in het gordelslot
    gestoken veiligheidsgordel zitten om
    te voorkomen dat het
    herinneringssysteem wordt geactiveerd.
    Het veiligheidssysteem voor inzittenden
    biedt alleen optimale veiligheid wanneer
    u de veiligheidsgordel correct gebruikt.

    Verlichting ingeschakeld
    Wanneer bij afgezet contact het
    bestuurdersportier wordt geopend terwijl
    de buitenverlichting niet is uitgeschakeld,
    klinkt een akoestisch
    waarschuwingssignaal.

    86



  • Page 89

    Instrumentenpaneel
    Wanneer de voertuigsnelheid de vooraf
    bepaalde grens overschrijdt, klinkt een
    waarschuwingssignaal als een van de
    voorste veiligheidsgordels niet is
    vastgemaakt. Het signaal stopt na vier
    minuten.
    Herinneringssysteem veiligheidsgordel
    achter Grand C-MAX
    WAARSCHUWING
    Als meerdere gordels binnen enkele
    seconden na elkaar worden
    losgemaakt, is slechts één
    akoestisch signaal hoorbaar.
    Wanneer de voertuigsnelheid de vooraf
    bepaalde grens overschrijdt, klinkt een
    waarschuwingssignaal als een
    veiligheidsgordel achter niet is
    vastgemaakt.
    Zie Waarschuwingssignaal
    veiligheidsgordel (bladzijde 33).

    87



  • Page 90

    Infodisplays
    ALGEMENE INFORMATIE

    Telefoon

    N.B.: Het informatiedisplay blijft nadat u
    het contact hebt afgezet gedurende enkele
    minuten aan.

    Instellingen

    Verschillende systemen van uw auto
    kunnen worden aangestuurd met behulp
    van de bedieningstoetsen
    informatiedisplay op de stuurkolom. De
    bijbehorende informatie verschijnt op het
    informatiedisplay.

    Bedieningstoetsen
    Druk op de pijltoetsen omhoog en omlaag
    om door de opties in het menu te scrollen
    en deze te selecteren.

    Raadpleeg voor gedetailleerde instructies
    de betreffende handleiding.

    Druk op de rechter pijltoets om een
    submenu op te vragen.

    Lijst met componenten

    Druk op de linker pijltoets om een menu
    te verlaten.

    Het pictogram verandert om de gebruikte
    functie aan te duiden.

    Houd telkens de linker pijltoets ingedrukt
    wanneer u naar het hoofdmenu wilt
    terugkeren (escape toets).

    CD-speler

    Druk op de OK toets om een keuze te
    maken en een instelling te bevestigen.

    Radio

    Menustructuur informatiedisplay
    Alle modelvarianten

    Auxiliary ingang

    U verkrijgt toegang tot het menu met
    behulp van de bedieningstoetsen
    informatiedisplay. Voor locatie: Zie In één
    oogopslag (bladzijde 10).

    88



  • Page 91

    Infodisplays
    Boordcomputer

    Dagteller
    Actieradius
    Huidig verbruik
    Ø-verbruik

    Ford EcoMode

    Ø-snelheid
    Buitentemp.
    Fabrieksinstelling
    Stoelriemen
    Auto StartStop
    Driver assist

    Informatie
    Instellingen

    Gear shifting
    Anticiperen
    Speed
    Ford EcoMode

    Traction ctrl.
    BLIS
    Hellingstart
    Bandenspann. contr.

    Verlichting

    Auto regenverl.
    Interieurverl.
    Dimmen

    Uitstapverlicht.

    Display

    Navigatie-info

    Automatisch
    Handmatig
    Instellen
    Handmatig
    20 seconden
    40 seconden
    60 seconden
    Altijd aan
    On demand
    Altijd uit

    Taal

    English
    Deutsch
    Italiano
    Français
    Español
    Türkçe
    Pyccкий
    Nederlands
    Polski
    Svenska
    Português

    A

    B

    C

    E130509

    89



  • Page 92

    Infodisplays

    A

    B

    C

    Maateenheid

    l/100km
    Mijl/gallon

    Temp.eenh.

    °Celsius
    °Fahrenheit

    Attentiegel.

    Parkeerhulp
    Informatie
    Waarschuwing

    Attentiegel.

    Extra verw.
    Standverwarm.

    Alarminstall.

    Systeemcontr.
    E130510

    Menustructuur informatie- en
    entertainmentdisplay
    U heeft toegang tot het menu met behulp
    van de toetsen op het audio- of
    navigatiesysteem.

    90

    Tijd 1
    Tijd 2
    Eén keer
    Nu verwarmen
    Voll. beveiligd
    Bep. beveil.
    Vragen



  • Page 93

    Infodisplays
    Alle modelvarianten
    cd
    Radio

    FMFM AST
    DAB1
    DAB2
    AM
    AM AST

    Aux

    iPOD
    USB
    Bluetooth audio
    Audio-ingang

    Telefoon

    Nummer kiezen
    Telefoonboek
    Bellijsten
    Bluetooth
    Nr. herhalen
    Telefoon kiezen
    Alles weigeren

    Menu

    Audio

    Adaptief volume
    Klank
    Nav-audio-mix
    DSP-instelling
    DSP-equalizer
    Nieuws
    Alt. frequentie
    RDS regional
    DAB-servicelink
    Bluetooth

    Klok

    Tijd
    Datum
    GPS-tijd
    Tijdzone
    Zomertijd
    24-uurs

    E130532

    91



  • Page 94

    Infodisplays
    Menustructuur informatie- en
    entertainmentdisplay

    U verkrijgt toegang tot het menu met
    behulp van de bedieningstoetsen
    informatie- en entertainmentdisplay. Voor
    locatie: Zie In één oogopslag (bladzijde
    10).

    92



  • Page 95

    Infodisplays
    Auto's met navigatiesysteem
    Navigatie

    Actieve routegel
    Routelijst

    Route

    Omleiding
    Gedeelte vrijgev
    Land
    Stad/PC

    Best. invoeren

    Straat
    Stadsdeel
    Start routegeleiding
    TA
    TMC-berichten

    Verkeersinformatie

    Omleiding
    Routelijst
    Gedeelte vrijgev
    Start routegeleiding
    Adres wijzigen

    Eigen adres
    Laatste best
    Favorieten

    Favorieten (a-z)

    Spec. bestemm

    In de buurt
    In omgeving best
    Langs snelweg
    Adres
    Naam zoeken
    Nieuwe tocht
    Bewaarde tochten

    Toerenplanning
    Positie opslaan

    Route

    Routeopties

    Eco
    Snel
    Kort

    Rijstijl

    Altijd vragen
    Rustig
    Normaal
    Snel

    A

    B

    C

    E130534

    93



  • Page 96

    Infodisplays

    A

    B

    C
    Eco instelling

    Aanhanger
    Dakkoffer

    Dynamisch
    Snelweg
    Tunnel
    Veer/autotrein
    Tol
    Seizoenswegen
    Vignet
    Speciale functies

    GPS-informatie
    Systeeminfo
    Positie invoeren
    Demo-modus

    CD

    Zie de afzonderlijke menustructuur

    de radio

    Zie de afzonderlijke menustructuur

    Aux

    Zie de afzonderlijke menustructuur

    Telefoon

    Zie de afzonderlijke menustructuur

    Menu

    Navigatie

    Routeopties

    Kaartweergave

    B

    C

    E130535

    94

    Route
    Rijstijl
    Eco instelling
    Dynamisch
    Snelweg
    Tunnel
    Veer/autotrein
    Tol
    Seizoenswegen
    Vignet
    Kaartinhoud
    Pijlen op kaart
    Weerg. reistijd
    In rijrichting
    Altern. kleuren



  • Page 97

    Infodisplays

    B

    C
    Hulpfuncties

    Borden/rijstrook
    Max. snelheden
    Nav-pijl in lijsten

    Pers. gegevens

    Laatste best. wissen
    Favorieten wissen
    Eigen adres wissen
    Alles wissen

    Instellingen terug
    Audio
    Klok

    Zie de afzonderlijke menustructuur
    Zie de afzonderlijke menustructuur

    E130536

    Gemiddelde snelheid

    TRIPCOMPUTER
    Tripcomputer

    Geeft de berekende gemiddelde snelheid
    aan vanaf het moment dat de functie op
    nul werd teruggesteld.

    De dagteller registreert het aantal
    kilometers van een bepaald traject.

    Buitentemperatuur
    Geeft de buitentemperatuur weer.

    Actieradius tot de brandstoftank
    leeg is

    Kilometerteller

    Duidt bij benadering de afstand aan die
    nog kan worden afgelegd voordat de tank
    leeg is. De waarde zal variëren naarmate
    de rijomstandigheden veranderen.

    De kilometerteller geeft het totale aantal
    gereden kilometers weer.

    Momentaan brandstofverbruik

    Een bepaald display terugstellen:

    Duidt het momentane gemiddelde
    brandstofverbruik aan.

    1.

    Tripcomputer resetten
    Selecteer Boordcomputer met de op
    en neer pijltjestoetsen en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    2. Selecteer de functie die moet worden
    teruggesteld.
    3. Houd de OK toets ingedrukt.

    Gemiddeld brandstofverbruik
    Geeft het gemiddelde brandstofverbruik
    aan vanaf het moment dat de functie op
    nul werd teruggesteld.

    95



  • Page 98

    Infodisplays
    PERSOONLIJKE
    INSTELLINGEN

    INFOBERICHTEN
    N.B.: Afhankelijk van het type
    instrumentenpaneel kunnen bepaalde
    berichten worden afgekort of ingekort.

    Taal instellen
    Er kan uit elf talen worden gekozen:
    Engels, Duits, Italiaans, Frans, Spaans,
    Turks, Russisch, Nederlands, Pools,
    Zweeds en Portugees.

    Maateenheden
    Blader naar dit display en druk op de
    OK-toets om te wisselen tussen metrische
    en Engelse eenheden.
    Het wisselen tussen de maateenheden
    met dit dispaly heeft invloed op de
    volgende displays:
    • Resterende afstand tot tank leeg is
    • Gemiddeld brandstofverbruik
    • Momentaan brandstofverbruik
    • Gemiddelde snelheid

    E130248

    Druk op de toets OK om te bevestigen en
    om enkele berichten van het
    informatiedisplay te verwijderen. Andere
    berichten worden korte tijd later
    automatisch verwijderd.

    Temperatuureenheden
    Blader naar dit display en druk op de
    OK-toets om te wisselen tussen metrische
    en Engelse eenheden.

    Bepaalde berichten moeten worden
    bevestigd voordat toegang tot de menu's
    wordt verkregen.

    Het wisselen naar andere
    temperatuureenheden via dit display heeft
    invloed op de volgende displays:
    • Omgevingstemperatuur
    • Het temperatuurdisplay in de
    automatische klimaatregeling.

    Berichtenindicator
    De berichtenindicator licht op
    om bepaalde berichten aan te
    vullen. Afhankelijk van de ernst
    van het bericht is de indicator rood of
    oranje en blijft deze branden tot de oorzaak
    van het bericht is verholpen.

    Gong uitschakelen
    De volgende geluidssignalen kunnen
    worden uitgeschakeld:
    • Waarschuwingsmeldingen.
    • Informatiemeldingen.

    96



  • Page 99

    Infodisplays
    Airbag
    Mededeling

    airbag storing service nu

    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    Alarminstallatie
    Mededeling

    alarm afgegaan check voertuig

    oranje

    Zie Alarm (bladzijde 49).

    Alarmsysteem, Storing, Onderhoud zsm

    -

    Laat het systeem onmiddellijk
    door een goed opgeleide monteur
    controleren.

    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    rood

    Breng de auto tot stilstand zodra
    dit veilig kan en zet het contact uit.
    Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    Accu en laadsysteem
    Mededeling

    Elektrisch systeem, Te hoge
    spanning, Veilig stoppen

    Accu, Spanning laag, Zie handboek

    97



  • Page 100

    Infodisplays
    Controlefunctie blinde hoek
    Mededeling

    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    BLIS, Sensor vervuild, Zie handboek

    oranje

    Zie Monitor dode hoek (bladzijde 77).

    BLIS: storing rechter sensor,
    Onderhoud zsm

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    BLIS: storing linker sensor, Onderhoud zsm

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    BLIS, Niet beschikbaar wegens
    aanhanger

    oranje

    Zie Monitor dode hoek (bladzijde 77).

    Elektrisch bediend kinderslot
    Mededeling

    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    Elektrisch kinderslot, Storing,
    Onderhoud zsm

    Niet goed gesloten portier(en)
    Mededeling

    Bestuurderspo. open

    rood

    Stop de auto zo snel en veilig
    mogelijk en sluit de kofferbak.

    Achterportier bestuurdersz. open

    rood

    Stop de auto zo snel en veilig
    mogelijk en sluit de kofferbak.

    Passag.portier open

    rood

    Stop de auto zo snel en veilig
    mogelijk en sluit de kofferbak.

    Achterportier passagierszijde open

    rood

    Stop de auto zo snel en veilig
    mogelijk en sluit de kofferbak.

    Kofferbak open

    rood

    Stop de auto zo snel en veilig
    mogelijk en sluit de kofferbak.

    98



  • Page 101

    Infodisplays
    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    rood

    Stop de auto zo snel en veilig
    mogelijk en sluit de kofferbak. Zie
    De motorkap openen en sluiten
    (bladzijde 198).

    -

    Laat het systeem onmiddellijk
    door een goed opgeleide monteur
    controleren.

    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    Startonderbreking actief, Zie
    handboek

    oranje

    Uw sleutel is niet herkend. Neem
    de sleutel uit het slot en probeer
    het nogmaals.

    Startonderbreking, Storing,
    Onderhoud zsm

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    oranje

    Laat het systeem onmiddellijk
    door een goed opgeleide monteur
    controleren.

    Mededeling

    Motorkap open

    Elektr. achterklep, Storing, Onderhoud zsm

    Immobilisatiesysteem
    Mededeling

    Hellingstart
    Mededeling

    Hellingstart niet beschikbaar

    Keyless entry (sleutelloze toegang)
    Mededeling

    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    Ford KeyFree, Sleutel niet in auto

    rood

    Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 43).

    oranje

    Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 43).

    Ford KeyFree, Sleutel in auto

    99



  • Page 102

    Infodisplays
    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    Ford KeyFree Steek sleutel in
    sleutelhouder

    -

    Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 43).

    Ford KeyFree, Sleutel niet herkend

    -

    Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 43).

    Sleutel, Batterij leeg, Vervangen

    -

    Zie Batterij van afstandsbediening vervangen (bladzijde 36).

    Stuurslot geactiveerd, Stuur
    draaien

    -

    Zie Stuurwielblokkering (bladzijde 135).

    Mededeling

    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    Koplamp, Storing, Onderhoud zsm

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    -

    Een of beide gloeilampen van de
    remlichten is of zijn defect.
    Controleer de gloeilampen van de
    remlichten. Zie Gloeilampen
    vervangen (bladzijde 65).

    -

    Een of meer gloeilampen van de
    stadslichten of achterlichten is of
    zijn defect. Controleer de gloeilampen van de stadslichten en
    achterlichten. Zie Gloeilampen
    vervangen (bladzijde 65).

    -

    Een of beide gloeilampen van de
    mistachterlichten is of zijn defect.
    Controleer de gloeilampen van de
    mistachterlichten. Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde
    65).

    Mededeling

    Verlichting

    Remlicht, Lamp defect

    Parkeerlicht, Lamp defect

    Mistachterlicht, Lamp defect

    100



  • Page 103

    Infodisplays
    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    -

    Een of beide gloeilampen van het
    dimlicht is of zijn defect. Controleer de gloeilampen van het
    dimlicht. Zie Gloeilampen
    vervangen (bladzijde 65).

    -

    Een of beide gloeilampen van de
    remlichten van uw aanhanger is
    of zijn defect. Controleer de gloeilampen van de remlichten van uw
    aanhanger.

    -

    Een of beide gloeilampen van de
    richtingaanwijzers van uw
    aanhanger is of zijn defect.
    Controleer de gloeilampen van de
    richtingaanwijzers van uw
    aanhanger.

    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    Motortemperatuur te hoog, Veilig
    stoppen!

    rood

    Breng de auto tot stilstand zodra
    dit veilig kan en zet het contact uit.
    Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    Laag niveau, Remvloeistof,
    Onderhoud nu

    rood

    Controleer het remvloeistofniveau.
    Zie Controle vloeistofpeil
    koppeling en remsysteem
    (bladzijde 204).

    rood

    Breng de auto tot stilstand zodra
    dit veilig kan. Laat het systeem
    onmiddellijk door een goed opgeleide monteur controleren.

    rood

    Stop zodra dit veilig kan en zet de
    motor onmiddellijk af. Laat het
    systeem onmiddellijk door een
    goed opgeleide monteur controleren.

    Mededeling

    Dimlicht, Lamp defect

    Remlicht aanhanger, Lamp defect

    Knipperl. aanhang., Lamp defect

    Onderhoud
    Mededeling

    Remsysteem, Storing, Veilig
    stoppen

    Motor, Storing, Onderhoud nu!

    101



  • Page 104

    Infodisplays

    Mededeling

    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    Motorolie laag peil, Controleren

    oranje

    Zie Motorolie controleren
    (bladzijde 203).

    Water geregistreerd in brandstof,
    onderhoud nodig

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    Motor, Storing, Onderhoud nu!

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    Motorolie verversen

    -

    Laat het systeem onmiddellijk
    door een goed opgeleide monteur
    controleren.

    Vloeistofpeil ruitensproeier laag

    -

    Controleer het peil van de ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren
    (bladzijde 204).

    102



  • Page 105

    Infodisplays
    Stuurbekrachtiging
    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    rood

    Breng de auto tot stilstand zodra
    dit veilig kan en zet het contact uit.
    Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    rood

    Breng de auto tot stilstand zodra
    dit veilig kan en zet het contact uit.
    Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    Stuurbekrachtiging Storing
    Onderhoud zsm

    oranje

    Stuurbekrachtiging. De auto blijft
    bestuurbaar, maar hiervoor is meer
    kracht vereist. Laat het systeem
    zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur
    controleren.

    Besturing, Storing, Onderhoud nu

    oranje

    Laat het systeem onmiddellijk
    door een goed opgeleide monteur
    controleren.

    Mededeling

    Stuurslot Storing Veilig stoppen

    Besturing uitgevallen Veilig
    stoppen!

    Stabiliteitsregeling (ESP)
    Mededeling

    Controlelamp

    Traction control uit

    oranje

    Te verrichten handeling

    Zie Algemene informatie (bladzijde 88).

    De motor inschakelen
    Mededeling

    Berichtenindicator

    Ford KeyFree, contact
    afzetten, op POWER
    drukken

    rood

    Rijden reinigt uitlaatfilter Zie handboek

    oranje

    Te verrichten handeling

    Zie Sleutelloos starten (bladzijde 137).

    Zie Dieselroetfilter (bladzijde 139).

    103



  • Page 106

    Infodisplays

    Mededeling

    Berichtenindicator

    Motor, Storing, Onderhoud nu!

    oranje

    Rem indrukken om te
    starten

    -

    Zie Sleutelloos starten (bladzijde 137).

    Koppeling indrukken
    om te starten

    -

    Zie Sleutelloos starten (bladzijde 137).

    Rem en koppeling
    indrukken om te
    starten

    -

    Zie Sleutelloos starten (bladzijde 137).

    motor voorgloeien

    -

    Zie Dieselroetfilter (bladzijde 139).

    Uitlaatfilter wordt
    gereinigd

    -

    Zie Dieselroetfilter (bladzijde 139).

    Reinigen filter voltooid

    -

    Zie Dieselroetfilter (bladzijde 139).

    Te verrichten handeling

    Zie Dieselroetfilter (bladzijde 139).

    Start/stop
    Mededeling

    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    Auto StartStop Ontsteking uitschakelen

    rood

    Schakel het contact uit voordat u uit het voertuig
    stapt als het systeem de motor uitgeschakeld
    heeft. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde
    141).

    Auto StartStop Om te
    starten Kopp. indrukken

    -

    De motor moet weer worden gestart; trap het
    koppelingspedaal in om te starten. Zie
    Start/stop knop gebruiken (bladzijde 141).

    Auto StartStop
    Versnelling in vrij zetten

    -

    Selecteer neutraal om het systeem de motor weer
    te laten starten. Zie Start/stop knop gebruiken
    (bladzijde 141).

    Auto StartStop Handmatig starten vereist

    -

    Het systeem werkt niet. Er moet handmatig
    worden gestart.

    104



  • Page 107

    Infodisplays
    Transmissie
    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    rood

    Onder bepaalde rijomstandigheden kunnen de koppelingen in
    de transmissie oververhit raken.
    Onder dergelijke omstandigheden
    moet het rempedaal worden
    ingetrapt en de auto worden stilgezet om verdere oververhitting.
    Selecteer N (NEUTRAL) of P
    (PARK) en bedien het rempedaal
    en de parkeerrem tot de transmissie is afgekoeld en het bericht
    uit de display is verdwenen. Als
    met de auto wordt gereden met
    dit actieve bericht, dan kan als
    oververhittingswaarschuwing
    schokken van de auto voorkomen.

    Transmissie te heet, Veilig
    stoppen!

    rood

    De transmissie is oververhit. Onder
    deze extreme omstandigheden
    schakelt de transmissie de
    aandrijving uit om beschadiging
    als gevolg van oververhitting te
    voorkomen. U kunt pas weer met
    de auto rijden wanneer de transmissie is afgekoeld. Selecteer N
    (NEUTRAL) of P (PARK) en
    bedien het rempedaal en de
    parkeerrem tot de transmissie is
    afgekoeld en het bericht uit de
    display is verdwenen.

    Transmissie, Storing, Onderhoud
    nu

    rood

    Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    oranje

    Onder bepaalde rijomstandigheden kunnen de koppelingen in
    de transmissie oververhit raken.
    Onder dergelijke omstandigheden
    moet het rempedaal worden
    ingetrapt en de auto worden stil-

    Mededeling

    Transmissie te heet, Remped.
    indrukken

    Transmissie te heet, Remped.
    indrukken

    105



  • Page 108

    Infodisplays

    Mededeling

    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    gezet om verdere oververhitting.
    Selecteer N (NEUTRAL) of P
    (PARK) en bedien het rempedaal
    en de parkeerrem tot de transmissie is afgekoeld en het bericht
    uit de display is verdwenen.
    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    Transmissie warmt op, Even
    wachten

    -

    Bij lage buitentemperaturen kan
    het na het starten van de motor
    enkele seconden duren voordat de
    transmissie R (REVERSE) of D
    (DRIVE) inschakelt. Houd het
    rempedaal ingetrapt tot deze
    berichten uit de display zijn
    verdwenen.

    Automaat niet in parkeerstand,
    Selecteer P

    -

    Zie Automatische transmissie
    (bladzijde 150). Zie Motor starten
    en stoppen (bladzijde 135).

    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    Controleer bandenspanning!

    oranje

    De spanning in een van de banden
    is gedaald. Controleer de spanning
    zo snel mogelijk.

    Bandenspann.sys., Storing,
    Onderhoud zsm

    oranje

    Permanente storing. Laat uw auto
    door een goed opgeleide en
    vakkundige monteur controleren.

    Transmissie beperkte functie, Zie
    handboek

    Bandenspanningcontrolesysteem
    Mededeling

    106



  • Page 109

    Klimaatregeling
    Het interieur verwarmen

    WERKING

    Laat de lucht naar de beenruimten
    stromen. Laat, bij koud of vochtig weer,
    een geringe hoeveelheid lucht naar de
    voorruit en de portierruiten stromen.

    Buitenlucht
    Houd de luchtinlaten voor de voorruit vrij
    van belemmeringen (sneeuw, bladeren,
    enz.) zodat het klimaatregelsysteem
    effectief kan werken.

    Het interieur afkoelen
    Laat de lucht naar het hoofdniveau
    stromen.

    Gerecirculeerde lucht
    LET OP

    VENTILATIEROOSTERS

    Wanneer de luchtrecirculatiestand
    langdurig wordt ingeschakeld, kunnen
    de ruiten beslaan. Wanneer de ruiten
    beslaan, stel dan de standen in om de
    voorruit te ontdooien en te ontwasemen.

    Middelste luchtroosters

    De lucht die zich in het
    passagierscompartiment bevindt, wordt
    gerecirculeerd. Er stroomt geen buitenlucht
    de auto in.

    Verwarming
    De verwarmingscapaciteit is afhankelijk
    van de koelvloeistoftemperatuur.

    Airconditioning
    N.B.: De airconditioning werkt alleen
    wanneer de temperatuur hoger is dan 4 °C.
    N.B.: Wanneer de airconditioning is
    ingeschakeld, zal het brandstofverbruik
    hoger zijn.

    E129788

    De lucht wordt door de warmtewisselaar
    gevoerd, waar deze wordt gekoeld. Om de
    ruiten wasemvrij te houden wordt vocht
    aan de lucht onttrokken. Het condens
    wordt naar buiten afgevoerd en daarom is
    het normaal dat zich een klein plasje water
    onder de auto vormt.

    Algemene informatie over de
    klimaatregeling in het interieur

    E129789

    Sluit alle ruiten.

    107



  • Page 110

    Klimaatregeling
    Luchtrooster aan de zijkant

    HANDMATIGE
    KLIMAATREGELING
    Toetsen voor luchtverdeling

    B

    C

    D

    E129787

    Luchtroosters tweede zitrij

    E

    A
    E74660

    E129790

    A

    Hoofdniveau

    B

    Hoofdniveau en beenruimte

    C

    Beenruimte

    D

    Beenruimte en voorruit

    E

    Voorruit

    De luchtverdeelknop kan in elke gewenste
    stand tussen de symbolen worden gezet.

    108



  • Page 111

    Klimaatregeling
    Ventilator

    Ventilatie

    A
    E129885

    Stel de regelknoppen van de luchtstroom,
    de aanjager en luchtroosters naar wens in.

    Airconditioning
    Airconditioning in- en uitschakelen
    E75470

    A

    Off (uit)

    N.B.: Wanneer u de aanjager uitschakelt
    kan de voorruit beslaan.

    Wanneer u de aanjager uitschakelt, wordt
    ook de airconditioning uitgeschakeld.
    Wanneer u de aanjager weer inschakelt,
    schakelt de airconditioning automatisch
    in.

    Gerecirculeerde lucht

    Koelen met buitenlucht

    E73059

    Druk op de toets om te kiezen tussen
    toevoer van buitenlucht en het recirculeren
    van de in het interieur aanwezige lucht.

    Interieur snel verwarmen
    E129886

    Interieur snel afkoelen

    E129884

    E129887

    109



  • Page 112

    Klimaatregeling
    Met de verwarmingsregeling in deze stand
    worden de airconditioning en de
    gerecirculeerde lucht automatisch
    ingeschakeld.

    AUTOMATISCHE
    KLIMAATREGELING

    De airconditioning en gerecirculeerde lucht
    kunnen worden in- en uitgeschakeld.
    Voorruit ontdooien en ontwasemen
    E140019

    Het systeem regelt automatisch de
    temperatuur, de hoeveelheid en verdeling
    van de lucht en past deze aan de rij- en
    weersomstandigheden aan. Door eenmaal
    op de AUTO toets te drukken wordt de
    auto modus ingeschakeld.

    E129888

    Uw auto is uitgerust met een automatisch
    klimaatregelsysteem met twee zones.
    Wanneer het systeem in de mono modus
    staat, worden alle temperatuurzones
    gekoppeld aan de zone aan
    bestuurderszijde. Wanneer u de mono
    modus uitschakelt, kunt u met het twee
    zone systeem verschillende temperaturen
    instellen voor de bestuurder en passagier
    voorin.

    Wanneer de temperatuur hoger is dan 4
    °C, schakelt de airconditioning
    automatisch in. Let erop dat de aanjager
    aanstaat. De controlelamp in de
    schakelaar brandt tijdens het ontdooien
    en ontwasemen.
    Wanneer u de luchtverdeelknop in een
    andere stand dan voorruit zet, blijft de A/C
    ingeschakeld.
    U kunt de airconditioning en
    luchtrecirculatie in- en uitschakelen terwijl
    de luchtverdeelknop in de stand voorruit
    staat.

    N.B.: Vermijd het wijzigen van de
    instellingen wanneer het in de auto extreem
    warm of koud is. De automatische
    klimaatregeling past zich automatisch aan
    de actuele omstandigheden aan. Voor een
    correcte werking van het systeem moeten
    de midden- en zijroosters volledig zijn
    geopend.

    Schakel zo nodig de ruitverwarming in. Zie
    Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde
    112).
    Luchtvochtigheid in het interieur
    verlagen

    N.B.: De zonnesensor bevindt zich bovenop
    het instrumentenpaneel. Bedek de
    zonnesensor niet.
    N.B.: Als het systeem bij lage
    buitentemperaturen in de auto modus staat,
    wordt de lucht zolang de motor koud is naar
    de voorruit en de zijruiten geleid.

    E129889

    110



  • Page 113

    Klimaatregeling
    Temperatuur instellen

    N.B.: Wanneer het temperatuurverschil
    groter is dan 4 °C, wordt de temperatuur
    aan de andere zijde bijgesteld zodat het
    verschil 4 °C blijft.
    N.B.: Wanneer voor één zijde de stand HI
    of LO wordt geselecteerd, wordt voor beide
    zijden de stand HI of LO ingesteld.

    E91391

    U kunt de temperatuur tussen 15,5 °C en
    29,5 °C in stappen van 0,5 °C instellen. In
    de stand LO, 15 °C, schakelt het systeem
    over op permanente koeling. In de stand
    HI, 30 °C, schakelt het systeem over op
    permanente verwarming.

    Mono modus weer inschakelen
    Om de mono modus weer in te
    schakelen drukt u op de MONO
    toets. MONO verschijnt in het
    display en de temperatuur aan
    passagierszijde wordt aangepast aan de
    temperatuur aan bestuurderszijde.
    E70306

    N.B.: Als stand LO of HI wordt
    geselecteerd, dan regelt het systeem geen
    stabiele temperatuur.

    Ventilator

    Mono modus

    Stel het aanjagertoerental met
    de toetsen in.

    In de mono modus zijn de
    temperatuurinstellingen voor de
    bestuurder en de passagier aan elkaar
    gekoppeld. Wanneer u de temperatuur met
    de draaiknop aan bestuurderszijde
    verandert, wordt dezelfde instelling voor
    de passagierszijde doorgevoerd. In de
    mono modus, verschijnt MONO op het
    display van de airconditioning.

    De ventilatorinstelling wordt in
    het display weergegeven.
    Druk om terug te keren naar de auto modus
    op de AUTO toets.

    Luchtverdeling
    Druk op de gewenste toets om de
    luchtverdeling in te stellen. Iedere
    combinatie van instellingen kan
    tegelijkertijd worden geselecteerd.

    Mono modus uitschakelen
    Selecteer met de draaiknop aan
    passagierszijde een temperatuur voor de
    passagierszijde. De mono modus wordt
    uitgeschakeld en MONO verdwijnt van het
    display. De temperatuur voor de
    bestuurderszijde blijft ongewijzigd. U kunt
    nu de temperatuur voor de
    bestuurderszijde en de passagierszijde
    onafhankelijk van elkaar instellen. De
    temperatuurinstellingen voor beide zijden
    worden in het display weergegeven. U kunt
    een temperatuurverschil van maximaal 4
    °C instellen.

    A

    B

    E70308

    111

    A

    Beenruimte

    B

    Hoofdniveau

    C

    Voorruit

    C



  • Page 114

    Klimaatregeling
    Wanneer u voorruit ontdooien en
    ontwasemen kiest schakelen A, B en C
    automatisch uit en wordt de
    airconditioning ingeschakeld. Buitenlucht
    stroomt nu het interieur in. U kunt de
    recirculatiestand niet selecteren.

    N.B.: In de auto modus wordt bij hoge
    binnen- en buitentemperaturen voor een
    maximale koeling van het interieur
    automatisch de recirculatiestand
    ingeschakeld. Wanneer de ingestelde
    temperatuur eenmaal is bereikt, selecteert
    het systeem automatisch toevoer van
    buitenlucht.

    Voorruit ontdooien en
    ontwasemen

    Automatische airconditioning
    uitschakelen

    Druk de knop voorruit ontdooien
    en ontwasemen in. Buitenlucht
    E91392
    stroomt nu het interieur in. De
    airconditioning wordt automatisch
    ingeschakeld. Zolang de luchtverdeling in
    deze stand blijft staan, kunt u de
    recirculatiestand niet selecteren.

    Druk op de OFF toets.
    Het verwarmings-, ventilatieen airconditioningsysteem
    wordt uitgeschakeld en de
    recirculatiestand ingeschakeld.
    E91394

    Het ventilatortoerental en de
    temperatuurregeling werken automatisch
    en kunnen niet met de hand worden
    bediend. De aanjager draait met een hoog
    toerental en de temperatuur wordt op HI
    ingesteld.

    VERWARMDE RUITEN EN
    SPIEGELS

    Wanneer u voorruit ontdooien en
    ontwasemen selecteert, schakelt de
    voorruitverwarming automatisch in en na
    korte tijd weer uit.

    Schakel de ruitverwarming in om de voorof achterruit te ontdooien of ontwasemen.

    Verwarmbare ruiten

    N.B.: De ruitverwarming werkt alleen bij een
    draaiende motor.

    Druk om terug te keren naar de auto modus
    op de AUTO toets.

    Verwarmde voorruit

    Airconditioning in- en uitschakelen
    Druk op de A/C toets om de
    airconditioning in of uit te
    schakelen. A/C OFF verschijnt
    in het display wanneer de airconditioning
    is uitgeschakeld.

    E72506

    Verwarmde achterruit

    A/C ON verschijnt in het display wanneer
    de airconditioning wordt ingeschakeld.

    E72507

    Auto's zonder extra verwarming

    Gerecirculeerde lucht

    Als de omgevingstemperatuur lager is dan
    5 °C en de temperatuur van de
    motorkoelvloeistof lager is dan 65 °C, dan
    worden de verwarmde voorruit en
    achterruit automatisch ingeschakeld. Het
    systeem wordt automatisch uitgeschakeld.

    Druk op de recirculatietoets om
    de lucht te laten recirculeren.

    112



  • Page 115

    Klimaatregeling
    Verwarmbare buitenspiegels

    De parkeerverwarming werkt onafhankelijk
    van de verwarming van de auto door het
    koelvloeistofcircuit van de motor te
    verwarmen. Hij wordt door de
    brandstoftank van energie voorzien. U kunt
    het systeem ook tijdens het rijden
    gebruiken om het interieur sneller te laten
    opwarmen.

    In de elektrisch bedienbare buitenspiegels
    is een verwarmingselement gemonteerd
    dat het spiegelglas ontdooit of ontwasemt.
    Wanneer u de achterruitverwarming
    inschakelt, worden deze elementen
    automatisch ingeschakeld.

    Wanneer de parkeerverwarming correct
    wordt gebruikt, biedt deze de volgende
    voordelen:

    EXTRA VERWARMING
    Parkeerverwarming




    WAARSCHUWINGEN
    Schakel de parkeerverwarming uit
    tijdens het tanken, wanneer u zich in
    een omgeving bevindt met
    brandbare dampen of stoffen en in
    gesloten ruimten.



    Het interieur wordt voorverwarmd.
    De ruiten blijven bij vorst vrij van ijs en
    condensatie wordt voorkomen.
    De koude start wordt vermeden
    waardoor de motor eerder op
    bedrijfstemperatuur is.

    Om te voorkomen dat de accu wordt
    ontladen:

    De parkeerverwarming moet het
    gehele jaar minimaal eenmaal per
    maand ongeveer tien minuten
    worden ingeschakeld. Hierdoor wordt
    voorkomen dat de vloeistofpomp en de
    aanjagermotor gaan vastzitten.



    N.B.: De parkeerverwarming werkt alleen
    wanneer er zich minimaal 7,5 liter brandstof
    in de tank bevindt en de buitentemperatuur
    lager is dan 15 °C. De parkeerverwarming
    werkt niet wanneer de accu slecht geladen
    is.



    Nadat de parkeerverwarming een
    verwarmingscyclus heeft doorlopen,
    zal de volgende geprogrammeerde
    verwarmingscyclus alleen worden
    uitgevoerd indien de motor tussentijds
    is gestart.
    Rijd met de auto na een
    verwarmingscyclus minimaal een
    verwarmingscyclus.

    Programmeerbare parkeerverwarming
    N.B.: De geprogrammeerde tijd is de tijd
    waarop u wilt dat de auto warm is en klaar
    is om weg te rijden, niet de tijd waarop de
    verwarming inschakelt.

    N.B.: De verwarming werkt afhankelijk van
    de buitentemperatuur.
    N.B.: Wanneer de parkeerverwarming is
    ingeschakeld, kunnen wat uitlaatgassen
    onder de zijkanten van de wagen uitkomen.
    Dit is normaal.

    N.B.: U moet de tijden minimaal 70 minuten
    ten opzichte van de tijd die u wilt instellen
    vooruit programmeren.

    N.B.: Bij auto's met hanbediende
    klimaatregeling is de verwarming van het
    interieur afhankelijk van de instelling van de
    temperatuur, luchtverdeling en aanjager.

    N.B.: U moet de tijd en de datum correct
    invoeren. Zie Klok (bladzijde 131).
    Verwarmingstijden programmeren:
    1.

    113

    Gebruik de pijltoetsen op het stuurwiel
    voor toegang tot het hoofdmenu. Zie
    Infodisplays (bladzijde 88).



  • Page 116

    Klimaatregeling
    2. Selecteer de optie standverwarming.

    De functies Tijd 1 en Tijd 2
    programmeren

    Parkeerverw
    Tijd 1

    Tijd 1
    [07:55]
    Maandag
    Dinsdag
    Woensdag
    Donderdag
    Vrijdag

    Tijd 2
    Eén keer
    Nu verwarmen

    E136301







    E74468

    Met de twee tijdfuncties kunt u tot
    twee verwarmingscycli voor elke dag
    van de week programmeren. Deze
    tijden blijven in het geheugen
    opgeslagen en de verwarming schakelt
    elke dag van de week op deze tijden in.
    Met de functie once (eenmaal) kunt u
    een verwarmingscyclus voor één
    specifieke dag programmeren.
    Met de functie Heat now (nu
    verwarmen) wordt de verwarming
    automatisch ingeschakeld.

    1.
    2.
    3.
    4.
    5.

    6.

    7.

    Gebruik de pijltoetsen op het stuurwiel
    voor toegang tot het hoofdmenu.
    Selecteer de eerste programmatijdlijst.
    Selecteer de dag waarop de
    verwarming de auto moet verwarmen.
    Druk op de toets OK.
    Ga op dezelfde wijze te werk om alle
    dagen te selecteren waarop de
    verwarming de auto moet verwarmen.
    Selecteer, om de tijd in te stellen
    waarop de auto moet zijn verwarmd,
    de tijd aan de bovenzijde van het
    display en druk op de toets OK. De uren
    beginnen te knipperen.
    Pas zo nodig de uren en minuten aan.

    U kunt de tweede programmatijdlijst
    gebruiken om een tweede cyclus in te
    stellen, bijvoorbeeld verschillende tijden
    op verschillende dagen of tweemaal op
    dezelfde dag. De programmeerprocedure
    is hetzelfde als voor de eerste
    programma-timer.

    114



  • Page 117

    Klimaatregeling
    Geprogrammeerde verwarming
    deactiveren

    1.

    1.

    Gebruik de pijltoetsen op het stuurwiel
    voor toegang tot het hoofdmenu.
    2. Actieve programmasessie
    deselecteren.

    Markeer Extra verwarming en druk
    op de toets OK. Wanneer de
    verwarming is ingeschakeld verschijnt
    in het vak ernaast een kruis.

    Extra verwarming diesel
    (afhankelijk van het land)
    Deze extra verwarming (PTC elektrische
    verwarming) helpt bij het verwarmen van
    de motor en het interieur bij auto's met
    dieselmotor. Het systeem wordt
    afhankelijk van de buitenluchttemperatuur,
    de koelvloeistoftemperatuur en de
    belasting van de dynamo automatisch inof uitgeschakeld.

    Verwarming voor enkele cyclus
    programmeren
    1.

    Selecteer Eenmaal en druk op de
    rechter pijltoets.
    2. Druk op de toets OK en stel de
    gewenste tijd en datum in.
    3. Druk op OK om de ingestelde tijd en
    datum te bevestigen.
    Verwarming handmatig activeren
    Markeer Nu verwarmen en druk op de
    toets OK. Wanneer de verwarming is
    ingeschakeld verschijnt in het vak ernaast
    een kruis.
    Deselecteer de functie Nu verwarmen om
    de verwarming te deactiveren.

    Extra verwarming diesel
    (afhankelijk van het land)
    WAARSCHUWING
    Schakel de verwarming op brandstof
    uit tijdens het tanken, wanneer u zich
    in een omgeving bevindt met
    brandbare dampen of stoffen en in
    gesloten ruimten.
    De standverwarming helpt bij het
    verwarmen van de motor en het interieur
    bij auto's met een dieselmotor. Het
    systeem wordt afhankelijk van de
    buitenluchttemperatuur, de
    koelvloeistoftemperatuur en de belasting
    van de dynamo automatisch in- of
    uitgeschakeld, tenzij u het hebt
    uitgeschakeld.
    Parkeerverwarming uitschakelen:

    115



  • Page 118

    Stoelen


    DE JUISTE ZITPOSITIE
    INNEMEN




    het stuurwiel met licht gebogen armen
    vasthoudt.
    uw benen licht buigt zodat u de
    pedalen volledig kunt indrukken.
    de schoudergordel over het midden
    van uw schouder en de heupgordel
    strak over uw heupen legt.

    Zorg ervoor dat uw zitpositie comfortabel
    is en dat u de volledige controle over de
    auto hebt.

    HANDMATIG VERSTELBARE
    STOELEN
    Stoelen naar voren en achteren
    schuiven

    E68595

    WAARSCHUWINGEN
    Verstel de stoelen nooit tijdens het
    rijden.
    Alleen wanneer de veiligheidsgordel
    correct wordt gedragen, kan deze u
    in een zodanige positie houden dat
    de airbag optimaal kan functioneren.
    Wanneer u de veiligheidsgordel correct
    draagt kunnen de stoel, hoofdsteun,
    veiligheidsgordel en airbags bij een
    eventuele aanrijding optimaal bescherming
    bieden. Wij raden aan dat u:







    zoveel mogelijk rechtop gaat zitten met
    de onderzijde van uw rug zover mogelijk
    naar achteren.
    de rugleuning van de stoel niet meer
    dan 30 graden achterover kantelt.
    de hoofdsteun zodanig instelt, dat de
    bovenzijde gelijkligt met de bovenzijde
    van uw hoofd. Stel de hoofdsteun zover
    mogelijk naar voren in, maar u moet
    comfortabel kunnen zitten.
    voldoende afstand houdt tussen uzelf
    en het stuurwiel. minimaal 250 mm (10
    inch) tussen uw borstbeen en de kap
    van de airbag aanhoudt.

    E130249

    WAARSCHUWING
    Schuif de stoel naar voren en naar
    achteren nadat u de hendel hebt
    losgelaten om ervoor te zorgen dat
    de stoel weer goed wordt vergrendeld.

    116



  • Page 119

    Stoelen
    Lendensteun instellen

    Hellingshoek van de rugleuning
    instellen

    E78058
    E130250

    Hoogte van de bestuurdersstoel
    verstellen

    HOOFDSTEUNEN
    Hoofdsteun instellen
    WAARSCHUWINGEN
    Trek de achterste hoofdsteun
    omhoog wanneer iemand achterin
    plaatsneemt.
    Wanneer een voorwaarts gericht
    kinderzitje op een stoel van de
    tweede of derde zitrij wordt
    geplaatst, verwijder dan altijd de
    hoofdsteun van die stoel.

    E70730

    E66539

    117



  • Page 120

    Stoelen
    Hoofdsteun verwijderen

    Stel de hoofdsteun zo in, dat de bovenzijde
    ervan gelijkligt met de bovenzijde van uw
    hoofd.

    Druk de knoppen in en verwijder de
    hoofdsteun.

    ELEKTRISCH VERSTELBARE STOELEN

    E78060

    118



  • Page 121

    Stoelen
    De middelste stoel kan worden opgeklapt
    en de twee buitenste stoelen kunnen naar
    achteren en iets naar binnen worden
    verplaatst waardoor er meer been- en
    schouderruimte voor de achterpassagiers
    ontstaat.

    ACHTERBANK
    WAARSCHUWINGEN
    Wanneer u de stoelen inklapt of
    uitklapt, let er dan op dat uw vingers
    niet tussen de rugleuning en het
    stoelframe komen.

    1.

    Beweeg de stoel na het verplaatsen
    naar voren en naar achteren om
    ervoor te zorgen dat de stoel weer
    goed wordt vergrendeld.

    Verwijder de bagageafdekhoes. Zie
    Bagageafdekkingen (bladzijde 175).

    Zorg dat de achterzijde van de stoel
    vrij is van obstructies wanneer deze
    naar achteren wordt verplaatst.
    Zorg er bij het opklappen van de
    rugleuningen voor dat de gordels
    zichtbaar zijn voor de inzittende en
    niet achter de bank bekneld raken.
    N.B.: Breng de hoofdsteun volledig omlaag
    wanneer de stoelen worden gekanteld. Zie
    Hoofdsteunen (bladzijde 117).

    Tweede stoelenrij - C-MAX
    Comfort stoelsysteem
    WAARSCHUWING
    Schuif de buitenste stoelen niet naar
    achteren in de comfortstand als de
    middelste stoel naar voren wordt
    gekanteld. Bij een eventuele aanrijding of
    wanneer de middelste stoel naar beneden
    valt bestaat het gevaar van verwonding.

    E78062

    2. Trek aan de ontgrendelhendel aan de
    onderzijde van de stoel.

    LET OP
    Klap de rugleuning niet naar voren
    wanneer de stoel helemaal in de
    achterste comfortstand staat. Schuif
    de stoel helemaal naar voren.

    119



  • Page 122

    Stoelen
    Trek, om de middelste stoel in zijn
    oorspronkelijke stand terug te brengen, aan
    de hendel aan de onderzijde van de stoel.
    Klap de middelste stoel naar voren en druk
    hem stevig aan tot hij wordt vergrendeld.
    Breng de bagageafdekking aan. Zie
    Bagageafdekkingen (bladzijde 175).
    Rugleuningen neerklappen
    WAARSCHUWING
    Plaats tijdens het rijden geen hete
    dranken in de bekerhouders.
    E78063

    N.B.: Alle drie de rugleuningen kunnen
    onafhankelijk van elkaar naar voren worden
    geklapt.

    N.B.: De gehele stoel wordt naar achteren
    verplaatst wanneer het zitkussen wordt
    opgeklapt.

    N.B.: Er bevindt zich een tafeltje met
    bekerhouders op de achterzijde van de
    middelste rugleuning.

    3. Klap de stoel weer terug tot deze wordt
    vergrendeld.

    E78066

    E78064

    Neem de veiligheidsgordels uit de
    gordelgeleiders op de buitenste
    rugleuningen. De slottongen moeten in de
    houders worden gestoken. Zie
    Veiligheidsgordels vastmaken
    (bladzijde 29).

    N.B.: De stoelen schuiven naar achteren en
    tegelijk iets naar het midden.
    4. Trek aan de hendel aan de voorzijde
    van de buitenste stoelen en schuif de
    stoelen naar achteren.
    Trek, om de stoelen weer naar voren de
    schuiven, aan de hendel en duw ze naar
    voren.

    120



  • Page 123

    Stoelen

    E135808

    Trek aan de hendel op de rugleuning en
    klap de rugleuning op.

    E135599

    Trek aan de hendel aan de zijkant van de
    rugleuning en klap de rugleuning naar
    voren. Duw deze omlaag tot hij wordt
    vergrendeld.

    Stoelen naar voren kantelen

    Rugleuningen opklappen

    N.B.: Alle drie de stoelen kunnen
    onafhankelijk van elkaar naar voren worden
    gekanteld.

    N.B.: Om de bagageruimte te vergroten
    kunnen de achtersterste stoelen naar voren
    worden gekanteld.

    WAARSCHUWING
    Zorg dat de rugleuning volledig wordt
    vergrendeld.

    N.B.: Indien echter een van de buitenste
    stoelen tezamen met de middenstoel naar
    voren wordt gekanteld, moet eerst de
    middelste stoel naar voren gekanteld
    worden.

    N.B.: Bij gebruik moeten de achterste
    veiligheidsgordels zich in de gordelgeleiders
    aan de buitenste rugleuningen bevinden.
    Zie Veiligheidsgordels vastmaken
    (bladzijde 29).

    N.B.: Indien alleen een buitenste stoel naar
    voren wordt gekanteld, moet de middelste
    rugleuning omhoog blijven.
    Klap de rugleuning neer. Zie
    Rugleuningen neerklappen.

    121



  • Page 124

    Stoelen

    E135956

    E78071

    Trek de bevestigingskoorden naar buiten
    en maak deze aan de hoofdsteunen van
    de voorstoelen vast om de naar voren
    geklapte stoelen rechtop te houden.

    2
    1

    2

    Stoelen terugkantelen in zitstand
    WAARSCHUWINGEN
    Ga voorzichtig te werk bij het
    terugkantelen van de stoelen om
    verwondingen te voorkomen.
    Let erop dat de vergrendelopeningen
    in de vloer vrij zijn van zand, stenen
    of andere voorwerpen die kunnen
    verhinderen dat de stoel wordt
    vergrendeld.

    E135957

    Trek aan de onderste stang aan de
    achterzijde van de stoelen om ze van de
    vloer te ontgrendelen en kantel de stoelen
    naar voren.

    Wanneer het bevestigingskoord
    wordt losgemaakt van de
    hoofdsteun, dan wordt dit weer in de
    stoel opgerold.

    WAARSCHUWING
    Wanneer een achterstoel naar voren
    is gekanteld, maak dan altijd het
    bevestigingskoord aan de
    hoofdsteun van de voorstoel vast.

    N.B.: Indien een van de buitenste stoelen
    of beide buitenste stoelen tezamen met de
    middelste stoel naar voren was/waren
    gekanteld, moeten eerst de buitenste
    stoelen worden teruggekanteld.

    122



  • Page 125

    Stoelen
    1

    2

    1

    X
    E78074

    Kantel de stoelen terug tot ze
    vergrendelen.

    E78073

    Trek, voordat u de stoelen weer in de
    oorspronkelijk stand terugkantelt, aan de
    onderste stang aan de achterzijde van de
    elke stoel en controleer of de
    vergrendelpallen in de uitgetrokken stand
    staan.

    Klap de rugleuningen op. Zie
    Rugleuningen opklappen.

    Maak de bevestigingskoorden los.

    Stoelen verwijderen

    Breng de achterste veiligheidsgordels in
    de gordelgeleiders op de buitenste
    rugleuningen aan.

    WAARSCHUWING

    WAARSCHUWING

    Controleer of de stoel goed is
    vergrendeld door deze aan de
    bovenzijde van de rugleuning naar
    voren en naar achteren te bewegen of door
    deze aan de rand van het zitkussen op te
    tillen.

    De achterstoelen zijn zwaar. Ga
    voorzichtig te werk bij het optillen
    van de stoelen om verwondingen te
    voorkomen.
    N.B.: Om de bagageruimte te vergroten,
    kunnen de achterstoelen compleet worden
    verwijderd.
    1.

    123

    Kantel de stoel naar voren. Zie Stoelen
    naar voren kantelen.



  • Page 126

    Stoelen
    Stoelen aanbrengen
    WAARSCHUWINGEN
    Ga voorzichtig bij het terugkantelen
    van de stoelen om verwondingen te
    voorkomen.
    Let erop dat de vergrendelopeningen
    in de vloer vrij zijn van zand, stenen
    of andere voorwerpen die kunnen
    verhinderen dat de stoel wordt
    vergrendeld.
    N.B.: Controleer of het
    vergrendelmechanisme volledig geopend
    is.

    E78076

    2. Kantel de stoel naar voren tot een hoek
    van ca. 45 graden ten opzichte van de
    vloer.

    E78077

    Houd de stoel in een hoek van ca. 45
    graden ten opzichte van de vloer en laat
    de stoel op de bevestigingsstang zakken.

    E78075

    3. Duw beide rode hendels omlaag om
    het vergrendelechanisme te openen.
    4. Verwijder de stoel.

    124



  • Page 127

    Stoelen
    Til de hendel op en duw tegen de
    rugleuning. Deze beweegt in stappen.
    Middelste stoel opbergen
    WAARSCHUWING
    Zorg dat de middelste rugleuning
    rechtop staat wanneer de auto rijdt.
    N.B.: Wanneer de middelste stoel
    opgeborgen is, kunt u de ruimte tussen de
    buitenste stoelen gebruiken om toegang tot
    de derde stoelenrij te krijgen.

    X

    E78073

    Trek, voordat u de stoelen weer in de
    oorspronkelijk stand terugkantelt, aan de
    onderste stang aan de achterzijde van de
    elke stoel en controleer of de
    vergrendelpallen in de uitgetrokken stand
    staan.
    Druk de rugleuning aan tot hij wordt
    vergrendeld.
    E129302

    Tweede stoelenrij - Grand C-MAX

    1.

    Rugleuning naar voren of achteren
    klappen

    E135422

    125

    Trek aan de hendel aan de achterzijde
    van de middelste stoel op en duw de
    rugleuning omlaag tot deze wordt
    vergrendeld.



  • Page 128

    Stoelen
    Stoelen naar voren en achteren
    schuiven
    N.B.: Als de middelste stoel niet is
    opgeborgen, dan beweegt deze met de
    rechterstoel mee.

    E129298

    E129300

    2. Trek aan het koord en til het rechter
    zitkussen op.

    Stoelen naar voren kantelen
    WAARSCHUWING
    Gebruik de stoelen van de derde
    stoelenrij niet als de stoelen van de
    tweede stoelenrij naar voren zijn
    gekanteld.
    LET OP
    De middelste stoel moet in het
    stoelframe van de rechterstoel
    worden opgeborgen voordat de
    rechterstoel wordt ingeklapt.

    E135801

    3. Trek aan het koord om de middelste
    stoel in het rechter stoelframe te
    klappen.
    4. Klap het rechter zitkussen omlaag.

    126



  • Page 129

    Stoelen

    E129298
    E129296

    1.

    Trek aan het koord en til het zitkussen
    op.
    2. Til de hendel op en duw de rugleuning
    omlaag tot deze wordt vergrendeld.

    1.

    Trek aan de hendel aan de zijkant van
    het zitkussen of trek aan het koord aan
    de achterzijde van de stoel. De stoel
    wordt naar voren verplaatst.
    2. Klap de rugleuning naar voren.

    Stand voor makkelijk instappen

    Derde stoelenrij - Grand C-MAX

    WAARSCHUWING
    Gebruik de stoel niet wanneer deze
    in de stand voor makkelijk instappen
    staat.

    N.B.: Verwijder de bagageafdekhoes. Zie
    Bagageafdekkingen (bladzijde 175).
    N.B.: Indien de veiligheidsgordels niet in
    gebruik zijn, dienen ze in de klemmen op het
    bekledingspaneel aan de buitenzijde
    vastgemaakt te worden. Zie
    Veiligheidsgordels vastmaken (bladzijde
    29).

    N.B.: U kunt de buitenste stoelen naar voren
    bewegen zodat de stoelen op de derde
    stoelenrij makkelijker toegankelijk worden.

    Stoelen plat neerklappen
    LET OP
    Klap, bij het vervoeren van ladingen
    met neergeklapte stoelen, altijd de
    betreffende vloerbedekking naar
    voren over de neergeklapte rugleuning.

    127



  • Page 130

    Stoelen
    LET OP
    Plaats geen zware voorwerpen op de
    gemarkeerde plaats op de
    vloerbedekking.

    E130471

    De maximum temperatuur wordt bereikt
    na vijf tot zes minuten. De temperatuur
    wordt door een thermostaat geregeld.
    De stoelverwarming werk alleen met
    ingeschakeld contact.

    E129301

    Trek aan het koord aan de bovenzijde van
    de rugleuning en klap de rugleuning naar
    voren.

    VERWARMDE STOELEN
    LET OP
    Wanneer deze functie bij stilstaande
    motor wordt ingeschakeld, wordt
    hierdoor de accu ontladen.

    128



  • Page 131

    Gemaksfuncties
    ZONNEKLEPPEN
    Zijruiten

    A

    A

    E125025

    Het zonnescherm wordt bediend via een
    schakelaar tussen de zonnekleppen.
    Zonnescherm openen en sluiten

    E74809
    Trek het zonnescherm omhoog en bevestig
    het aan de haken (A).

    Dak

    A

    WAARSCHUWING
    Bedien het zonnescherm niet tenzij
    het vrij is van obstructies.

    B

    N.B.: Wanneer de schakelaar gedurende
    korte tijd vaak worden bediend kan het
    systeem een bepaalde tijd buiten werking
    treden om schade door oververhitting te
    voorkomen.

    E125146

    N.B.: Het zonnescherm kan alleen worden
    bediend wanneer de auto op contact staat.

    A

    Drukken om te sluiten

    B

    Drukken om te openen

    Zonnescherm handmatig openen en
    sluiten
    Houd de schakelaar ingedrukt tot de eerste
    aanslag. Laat de schakelaar los om het
    zonnescherm te stoppen.

    129



  • Page 132

    Gemaksfuncties
    Zonnescherm automatisch openen en
    sluiten

    Volg de volgende procedure voor opnieuw
    leren als het scherm niet correct opent of
    sluit:
    1. Druk tweemaal op schakelaar B tot de
    eerste aanslag en laat deze binnen
    twee seconden los.
    2. Druk tweemaal op schakelaar A tot de
    eerste aanslag en laat deze binnen
    twee seconden los.
    3. Houd schakelaar B ingedrukt tot de
    eerste aanslag en tot het scherm
    volledig is geopend.
    4. Houd schakelaar A ingedrukt tot de
    eerste aanslag en tot het scherm
    volledig is gesloten.

    Druk de schakelaar tot de tweede aanslag
    in of til hem tot de tweede aanslag op en
    laat hem los. Druk hem opnieuw in om het
    zonnescherm te stoppen.
    N.B.: Als dit niet correct werkt, volg dan de
    onderstaande procedure voor opnieuw
    leren.
    Antiklemfunctie
    WAARSCHUWINGEN
    De antiklemfunctie wordt
    gedeactiveerd tot het geheugen is
    gereset via de procedure voor
    opnieuw leren.
    Het onzorgvuldig sluiten van het
    scherm kan deze antiklemfunctie
    opheffen en verwonding tot gevolg
    hebben.

    Als stap 2 niet wordt voltooid binnen 15
    seconden van stap 1, dan wordt de functie
    voor opnieuw leren onderbroken. Zet de
    auto van contact, wacht nog eens 30
    seconden en zet de auto weer op contact.
    Begin van voren af aan opnieuw met de
    procedure.

    Het zonnescherm stopt automatisch
    tijdens het openen of sluiten en gaat een
    stukje terug wanneer het scherm een
    obstakel tegenkomt.

    Bevestig dat de procedure voor opnieuw
    leren is voltooid door de functie voor
    automatisch openen en sluiten te
    gebruiken.

    Procedure voor opnieuw leren
    zonnescherm

    DIMMER INSTRUMENTENPANEELVERLICHTING

    WAARSCHUWING
    De antiklemfunctie werkt tijdens
    deze procedure niet. Let erop dat er
    geen obstakels in de weg van het
    zonnescherm zitten.
    N.B.: De procedure voor opnieuw leren
    moet maximaal 30 seconden na het
    inschakelen van het contact worden gestart.

    E70723

    130



  • Page 133

    Gemaksfuncties
    N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt
    gebruiken voor 12 volt accessoires met een
    maximum vermogen van 10 ampère. Gebruik
    alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt
    zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde
    aansluitingen.

    KLOK
    Zie Infodisplays (bladzijde 88).

    AANSTEKER
    LET OP
    Wanneer u het aansluitpunt gebruikt
    terwijl de motor niet draait, wordt
    hierdoor de accu ontladen.
    Houd het verwarmingselement van
    de aansteker niet ingedrukt.

    E78056

    N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt
    gebruiken voor 12 volt accessoires met een
    maximum vermogen van 15 ampère. Gebruik
    alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt
    zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde
    aansluitingen.

    De extra elektrische aansluitpunten
    bevinden zich in de middenconsole en de
    bagageruimte.

    Omvormer
    LET OP
    Wanneer u het aansluitpunt gebruikt
    terwijl de motor niet draait, wordt
    hierdoor de accu ontladen.
    Wanneer de LED voortdurend
    knippert, plaats dan de plug of
    schakel het contact uit en weer in.
    De omvormer wordt uitgeschakeld
    wanneer de temperatuur hoger is dan
    85 °C. De LED knippert eenmaal.
    Wanneer de omvormer is afgekoeld, dan
    wordt deze automatisch ingeschakeld.

    E103382

    Druk het verwarmingselement in om de
    aansteker te laten gloeien. Hij springt
    automatisch in de oorspronkelijke stand
    terug.

    Overschrijd het maximale
    motorvermogen niet. Gebeurt dit wel,
    dan knippert de LED twee maal.
    Verwijder de plug en plaats deze opnieuw.
    Wanneer de LED drie of vier maal
    knippert, moet het systeem worden
    gecontroleerd door een geschoolde
    monteur.

    EXTRA VOEDINGSAANSLUITINGEN
    LET OP
    Wanneer u het aansluitpunt gebruikt
    terwijl de motor niet draait, wordt
    hierdoor de accu ontladen.

    N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt
    gebruiken voor 230 volt accessoires met een
    maximum vermogen van 150 watt.

    131



  • Page 134

    Gemaksfuncties
    OPBERGRUIMTES
    Opbergvak achterin

    E98199

    BEKERHOUDERS
    WAARSCHUWING
    Plaats tijdens het rijden geen hete
    dranken in de bekerhouders.

    E72982

    GLASHOUDER

    Tafeltjes op de rugleuningen
    WAARSCHUWING
    Gebruik de tafeltjes niet tijdens het
    rijden. Controleer voordat u wegrijdt
    of de tafeltjes in de onderste stand
    zijn vergrendeld.

    E75193

    E72630

    132



  • Page 135

    Gemaksfuncties
    AANSLUITING AUXILIARY
    INGANG (AUX IN)

    E91508

    KINDER OBSERVATIESPIEGEL

    E91511

    E75192

    E130068

    Zie Ingangsaansluiting (AUX IN)
    (bladzijde 249).

    133



  • Page 136

    Gemaksfuncties
    USB-POORT

    HOUDER SATELLIETNAVIGATIE-UNIT
    Houder instellen

    1

    3

    E91511

    2

    E112711

    1. Ontgrendelen
    2. Stel de gewenste positie van de houder
    in.
    3. Vergrendelen
    N.B.: Zorg dat de houder van de
    navigatie-unit in de juiste positie wordt
    vergrendeld.

    VLOERMATTEN

    E130070

    Zie Verbinding (bladzijde 272).

    WAARSCHUWING
    Wanneer de vloermatten worden
    gebruikt, zorg dan dat de
    vloermatten correct worden
    vastgemaakt met de correcte
    bevestigingselementen, zodat de matten
    geen invleod hebben op de bediening van
    de pedalen.

    134



  • Page 137

    Motor starten en stoppen
    N.B.: Laat, om te voorkomen dat de accu
    leegraakt, de contactsleutel niet te lang in
    deze stand staan.

    ALGEMENE INFORMATIE
    Algemene opmerkingen over het
    starten

    II Het contact staat aan. Alle elektrische
    circuits zijn ingeschakeld. Waarschuwingsen controlelampen branden. Dit is de stand
    waarin de sleutel moet staan tijdens het
    rijden. U moet deze stand ook kiezen
    wanneer de auto wordt gesleept.

    Als de accu losgekoppeld is geweest kan
    de motor, nadat de accukabels weer zijn
    aangesloten, een afwijkende
    draaikarakteristiek vertonen gedurende ca.
    8 kilometer.

    III Startmotor ingeschakeld. Laat de
    sleutel los zodra de motor aanslaat.

    De oorzaak is, dat het motormanagement
    zich weer aan de motor moet aanpassen.
    Ongebruikelijke rijkarakteristieken tijdens
    deze periode moeten worden genegeerd.

    STUURWIELBLOKKERING

    Motor starten door middel van
    slepen of duwen

    WAARSCHUWING
    Controleer altijd voordat u probeert
    uw auto in beweging te brengen of
    het stuurslot is uitgeschakeld.

    WAARSCHUWING
    Om beschadiging te voorkomen
    moet u uw auto niet aanduwen of
    aanslepen. Gebruik hulpstartkabels
    en een hulpaccu. Zie Starten met
    hulpstartkabels (bladzijde 210).

    Uitvoeringen zonder sleutelloos
    startsysteem

    CONTACTSLOT

    1. Neem de sleutel uit het contactslot.
    2. Draai het stuurwiel.

    Stuurslot activeren:

    WAARSCHUWING

    Uitvoeringen met sleutelloos
    startsysteem

    Draai nooit de sleutel in de stand 0
    of I terug zolang de auto nog in
    beweging is.

    N.B.: Het stuurslot wordt niet geactiveerd
    bij ingeschakeld contact of wanneer met de
    auto wordt gereden.
    Uw auto is uitgerust met een elektronisch
    bediend stuurslot. Deze werkt
    automatisch.

    E72128

    Korte tijd nadat u de auto heeft geparkeerd
    en de passieve sleutel zich buiten de auto
    bevindt, of nadat u de auto vergrendelt,
    wordt het stuurslot geactiveerd. Zie
    Sleutelloze toegang (bladzijde 43).

    0 Contact uitgeschakeld.

    Stuurslot deactiveren

    I De ontsteking en alle hoofdcircuits zijn
    uitgeschakeld.

    Schakel het contact in of:

    135



  • Page 138

    Motor starten en stoppen
    Uitvoeringen met automatische
    transmissie
    • Trap het rempedaal in.

    Is de motor na drie startpogingen nog niet
    aangeslagen, wacht dan tien seconden en
    ga te werk zoals is beschreven onder
    Verzopen motor.

    Auto's met handgeschakelde
    versnellingsbak
    • Trap het koppelingspedaal in.

    Levert het starten bij temperaturen lager
    dan -25°C problemen op, druk het
    gaspedaal dan ¼ tot ½ van de pedaalslag
    in en probeer het opnieuw.

    EEN BENZINEMOTOR
    STARTEN

    Verzopen motor
    Auto's met handgeschakelde
    versnellingsbak

    N.B.: U kunt de startmotor per startpoging
    slechts maximaal 30 seconden inschakelen.

    1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
    2. Druk het gaspedaal volledig in en houd
    het ingedrukt.
    3. Start de motor.

    Koude of warme motor
    Alle auto's
    LET OP

    Auto's met automatische transmissie

    Zet bij temperaturen lager dan -20°C
    het contact tenminste één seconde
    aan alvorens de motor te starten.
    Hierdoor zorgt u ervoor dat de maximale
    benzinedruk wordt opgebouwd voordat de
    motor wordt gestart.

    1. Schakel park of neutral in.
    2. Druk het gaspedaal volledig in en houd
    het ingedrukt.
    3. Druk het rempedaal volledig in.
    4. Start de motor.

    Auto's met handgeschakelde
    versnellingsbak

    Alle auto's

    N.B.: Raak het gaspedaal niet aan.

    Slaat de motor niet aan, herhaal dan de
    startprocedure zoals beschreven onder
    Koude of warme motor.

    1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
    2. Start de motor.

    Stationair toerental na het starten

    Auto's met automatische transmissie

    Het stationaire toerental waarmee de
    motor direct na het aanslaan draait, is
    afhankelijk van de motortemperatuur.

    N.B.: Raak het gaspedaal niet aan.
    1. Schakel park of neutral in.
    2. Druk het rempedaal volledig in.
    3. Start de motor.

    Wanneer de motor koud is, wordt het
    stationaire toerental automatisch
    verhoogd om de katalysator zo snel
    mogelijk op temperatuur te brengen.
    Hierdoor wordt de uitlaatgasemissie van
    de auto tot een absoluut minimum
    beperkt.

    Alle auto's
    Wacht even wanneer de motor niet binnen
    15 seconden aanslaat, en probeer het
    opnieuw.

    136



  • Page 139

    Motor starten en stoppen
    Het stationaire toerental neemt langzaam
    tot normaal af zodra de katalysator
    opwarmt.

    WAARSCHUWINGEN
    Controleer altijd voordat u probeert
    uw auto in beweging te brengen of
    het stuurslot is uitgeschakeld. Zie
    Stuurwielblokkering (bladzijde 135).

    EEN DIESELMOTOR STARTEN
    Koude of warme motor

    N.B.: Het contact wordt na bepaalde tijd
    automatisch uitgeschakeld als de auto met
    ingeschakeld contact is achtergelaten. Dit
    is om te voorkomen dat de accu van de auto
    leegraakt.

    Alle auto's
    N.B.: Wanneer de temperatuur lager is dan
    -15°C, mag u de startmotor 25 seconden
    achtereen inschakelen.

    N.B.: Om het contact aan te zetten en de
    motor te starten moet zich een geldige
    passieve sleutel in de auto bevinden.

    N.B.: Schakel de startmotor in totdat de
    motor aanslaat.

    N.B.: Druk het rempedaal of
    koppelingspedaal, afhankelijk van het type
    versnellingsbak, volledig in om de motor te
    starten.

    N.B.: U kunt de startmotor per startpoging
    slechts maximaal 30 seconden inschakelen.
    Zet het contact aan en wacht tot
    de controlelamp van het
    voorgloeisysteem uitgaat.
    Auto's met handgeschakelde
    versnellingsbak
    N.B.: Raak het gaspedaal niet aan.
    1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
    2. Start de motor.

    E85766

    Auto's met automatische transmissie

    Contact aan

    1. Schakel park of neutral in.
    2. Druk het rempedaal volledig in.
    3. Start de motor.

    Druk eenmaal de startknop in. Alle
    elektrische circuits zijn operationeel, de
    waarschuwings- en controlelampen
    branden.

    SLEUTELLOOS STARTEN

    Motor starten bij uitvoeringen met
    automatische transmissie

    WAARSCHUWINGEN
    Het is mogelijk dat het keyless
    startsysteem niet werkt wanneer de
    sleutel zich te dicht bij metalen
    voorwerpen of elektronische apparaten,
    zoals een mobiele telefoon, bevindt.

    N.B.: Door tijdens het starten het
    rempedaal op te laten komen, kan de
    startmotor uitgeschakeld maar blijft het
    contact aan.
    1.

    Controleer of de transmissie in stand
    P of N staat.
    2. Druk het rempedaal volledig in.
    3. Druk de startknop in.

    137



  • Page 140

    Motor starten en stoppen
    Motor starten bij uitvoeringen met
    handgeschakelde versnellingsbak
    N.B.: Door tijdens het starten het
    koppelingspedaal op te laten komen, wordt
    de startmotor uitgeschakeld maar blijft het
    contact aan.
    1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
    2. Druk de startknop in.

    Een dieselmotor starten
    N.B.: De startmotor kan pas worden
    ingeschakeld wanneer het voorgloeien is
    voltooid. Onder extreem koude
    omstandigheden kan dit enkele seconden
    duren.

    E85767

    2. Steek de sleutel in de sleutelhouder.
    3. Met de passieve sleutel in deze stand
    kunt u de startknop gebruiken om het
    contact aan te zetten en de motor te
    starten.

    N.B.: Houd het koppelings- of rempedaal
    ingetrapt tot de motor wordt gestart.

    Motor slaat niet aan.

    De motor afzetten bij stilstaande
    auto

    Het startsysteem met passieve sleutel
    werkt niet indien:
    • De frequenties van de passieve sleutel
    worden verstoord.
    • De batterij in de passieve sleutel leeg
    is.

    N.B.: Het contact, alle elektrische circuits,
    waarschuwings- en controlelampen worden
    uitgeschakeld.
    Handgeschakelde versnellingsbak

    Volg de volgende procedure wanneer de
    motor niet kan worden gestart.

    Druk de startknop in.
    Automatische transmissie
    1. Zet de keuzehendel in de stand P.
    2. Druk de startknop in.

    E87381

    1.

    Werk voorzichtig de kap los.

    138



  • Page 141

    Motor starten en stoppen
    De motor afzetten bij rijdende auto

    N.B.: Tijdens regeneratie bij een laag
    toerental of stationaire motor kan een hete
    metaalachtige lucht worden geroken en is
    wellicht een klikkend metaalachtig geluid
    hoorbaar. Dit wordt veroorzaakt door de
    tijdens de regeneratie bereikte hoge
    temperaturen en dit is normaal.

    WAARSCHUWING
    Afzetten van de motor terwijl nog
    met de auto wordt gereden, leidt tot
    verlies van rem- en
    stuurbekrachtiging. De stuurinrichting
    wordt niet geblokkeerd, maar er is meer
    moeite nodig. Als het contact is
    uitgeschakeld, kunnen sommige
    elektrische circuits en waarschuwings- en
    controlelampen worden uitgeschakeld
    (OFF).

    N.B.: Nadat de motor is afgezet draaien de
    ventilatoren wellicht nog een korte periode
    door.
    In tegenstelling tot een gewoon filter, dat
    regelmatig vervangen moet worden, is het
    DPF zodanig ontworpen dat het
    regenereert (zichzelf reinigt) om
    doeltreffend te blijven. Het
    regeneratieproces vindt automatisch
    plaats. Onder sommige rijomstandigheden
    moet u echter het regeneratieproces
    ondersteunen.

    Houd de startknop twee seconden
    ingedrukt of druk hier tweemaal binnen
    twee seconden op.

    DIESELROETFILTER
    Het DPF is een onderdeel van het
    uitlaatgasemissiesysteem van uw auto.
    Het zuivert de uitlaatgassen van
    schadelijke roetdeeltjes bij auto's met
    dieselmotor.

    Als u alleen korte afstanden aflegt of uw
    tijdens het rijden regelmatig stopt en start
    (met verhoogd accelereren en
    decelereren), dan zal een enkele keer rijden
    onder de volgende omstandigheden het
    regeneratieproces ondersteunen:

    Regeneratie



    WAARSCHUWING


    Laat de motor niet stationair draaien
    of parkeer de auto niet op droge
    bladeren, droog gras of ander
    brandbaar materiaal. Het
    DPF-regeneratieproces werkt met
    bijzonder hoge uitlaatgastemperaturen en
    na het afzetten van de motor en tijdens en
    na DPF-regeneratie blijft de uitlaat een
    aanzienlijke hoeveelheid hitte uitstralen.
    Hierdoor ontstaat het gevaar van brand.




    LET OP
    U dient te voorkomen dat de
    brandstof opraakt.

    139

    Rijd tot 20 minuten met een constante
    snelheid, bij voorkeur op een hoofdweg
    of snelweg.
    Voorkom langdurig stationair draaien
    en neem altijd snelheidslimieten en het
    type wegdek in acht.
    Zet de auto niet van contact.
    Kies zo nodig een lagere versnelling dan
    normaal om tijdens deze rit een hoger
    motortoerental te verkrijgen.



  • Page 142

    Motor starten en stoppen
    MOTOR UITSCHAKELEN
    Auto's met turbocompressor
    LET OP
    Zet de motor niet af wanneer deze
    met een hoog toerental draait. Als de
    motor bij een hoog toerental wordt
    afgezet, zal de turbocompressor nog
    draaien nadat de oliedruk al tot nul is
    gedaald. Dit heeft vroegtijdige slijtage van
    de compressorlagers tot gevolg.
    Laat het gaspedaal los. Wacht tot de
    motor stationair draait en zet de motor af.

    MOTORBLOKVERWARMING
    LET OP
    Onkoppel de voedingskabel van de
    aansluiting van de motorverwarming
    alvorens weg te rijden.
    N.B.: De aansluiting van de
    motorverwarming is aangebracht in de
    voorbumper.

    E135813

    Sluit de motorverwarming twee tot drie
    uur aan, voordat u de motor start.

    140



  • Page 143

    Start/stop knop
    N.B.: Het systeem werkt alleen wanneer de
    motor de normale bedrijfstemperatuur heeft
    bereikt en de buitentemperatuur tussen 0
    °C en 30 °C ligt.

    WERKING
    LET OP
    Voor auto's met
    start/stop-schakelaar verschillen de
    accuvereisten. De accu moet worden
    vervangen door een accu met exact
    dezelfde specificatie als de originele.

    N.B.: Als u de motor laat afslaan en
    vervolgens binnen een paar seconden het
    koppelingspedaal intrapt, dan wordt de
    motor automatisch opnieuw gestart.
    N.B.: De start/stop-indicatielamp brandt
    groen wanneer de motor wordt
    uitgeschakeld. Zie Waarschuwings- en
    indicatielampen (bladzijde 83).

    Het systeem verlaagt het
    brandstofverbruik en de CO2-emissies
    door de motor uit te schakelen wanneer
    de auto stationair draait, bijvoorbeeld bij
    verkeerslichten. De motor wordt
    automatisch opnieuw gestart wanneer de
    bestuurder het koppelingspedaal intrapt
    of wanneer een voertuigsysteem dit
    aanvraagt, bijvoorbeeld voor het laden van
    de accu.

    N.B.: De start/stop-indicatielamp knippert
    oranje, wat aanduidt dat u neutraal moet
    selecteren of het koppelingspedaal moet
    intrappen. Hierbij wordt een bericht op de
    display weergegeven.
    N.B.: Als het systeem een storing heeft
    geregistreerd wordt dit uitgeschakeld. Laat
    het systeem onmiddellijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    Om maximaal voordeel uit het systeem te
    halen, moet de keuzehendel in de neutrale
    stand worden gezet en het
    koppelingspedaal bij een stop van langer
    dan drie seconden worden losgelaten.

    N.B.: Wanneer u het systeem heeft
    uitgeschakeld, is de schakelaar verlicht.
    N.B.: Het systeem is standaard
    ingeschakeld. Druk op de schakelaar in het
    instrumentenpaneel om het systeem uit te
    schakelen. Het systeem wordt alleen
    gedeactiveerd gedurende de huidige
    contactcyclus. Druk nogmaals op de
    schakelaar om het systeem in te schakelen.
    Voor locatie. Zie In één oogopslag
    (bladzijde 10).

    START/STOP KNOP
    GEBRUIKEN
    WAARSCHUWINGEN
    Indien het systeem dit vereist, kan de
    motor automatisch opnieuw worden
    gestart. Zie Werking (bladzijde 141).
    Schakel het contact uit voordat de
    motorkap wordt geopend of
    onderhoudswerkzaamheden worden
    uitgevoerd.

    Motor afzetten

    Schakel altijd het contact uit voordat
    u uit de auto stapt, want het systeem
    kan de motor wel uitgeschakeld
    hebben, maar het contact is nog steeds
    ingeschakeld.

    1. Stop de auto.
    2. Zet de keuzehendel in de
    neutraalstand.
    3. Laat het koppelingspedaal los.
    4. Laat het gaspedaal los.

    141



  • Page 144

    Start/stop knop
    Het systeem zet de motor wellicht niet af
    onder bepaalde omstandigheden,
    bijvoorbeeld:








    Om het interieurklimaat te behouden.
    Lage accuspanning.
    De buitentemperatuur is te laag of te
    hoog.
    Het bestuurdersportier is geopend.
    Lage bedrijfstemperatuur motor.
    Weinig vacuüm in remsysteem.
    Als een snelheid van 5 km/u niet is
    overschreden.

    Motor starten
    N.B.: De keuzehendel moet in de
    neutraalstand staan.
    Druk het koppelingspedaal in.
    Het systeem kan de motor onder bepaalde
    omstandigheden weer starten,
    bijvoorbeeld:



    Lage accuspanning.
    Om het interieurklimaat te behouden.

    142



  • Page 145

    Eco-modus
    Anticipatie

    WERKING

    Door uw rijsnelheid aan te passen en de
    afstand tot voertuigen voor u aan te
    passen zodat hard remmen of versnellen
    niet nodig is, verbetert het
    brandstofverbruik.

    Het systeem assisteert de bestuurder bij
    het efficiënter rijden door voortdurend de
    karakteristieken van het schakelen, het
    anticiperen op verkeersomstandigheden
    en de snelheid op autosnelwegen en
    buitenwegen te controleren.

    Efficiënte snelheid

    N.B.: Deze rendementswaarden resulteren
    niet in een vaste brandstofverbruikswaarde.
    Deze kan namelijk variëren aangezien deze
    niet alleen samenhangt met de
    rijgewoonten, maar ook wordt beïnvloed
    door veel andere factoren zoals korte ritten
    en een koude start.

    Bij een hogere snelheid wordt meer
    brandstof verbruikt. Door uw kruissnelheid
    op buitenwegen te verlagen, verbetert het
    brandstofverbruik.

    ECO-MODUS GEBRUIKEN

    De waarde van deze karakteristieken wordt
    aangeduid door de bloemblaadjes in het
    display, waarbij vijf bloemblaadjes het
    efficiëntste is. Hoe efficiënter u rijdt, hoe
    beter deze waarde en hoe lager het totale
    brandstofverbruik.

    Toegang tot het systeem wordt verkregen
    m.b.v. het tripcomputermenu. Zie
    Tripcomputer (bladzijde 95).
    Druk op de SET/RESET toets om de
    Eco-modus in te schakelen. Gebruik de
    draaiknop om afzonderlijke schermen en
    extra tips te bekijken m.b.t. het verbeteren
    van uw brandstofverbruik.

    Eco-modus resetten
    Reset het gemiddelde brandstofverbruik.
    E121813

    A

    B

    N.B.: Het berekenen van nieuwe waarden
    kan even duren.

    C

    A: Schakelen
    B: Anticipatie
    C: Efficiënte snelheid

    Schakelen
    Door de hoogst mogelijke versnelling voor
    de betreffende rijomstandigheden te
    gebruiken, verbetert het brandstofverbruik.

    143



  • Page 146

    Brandstof en tanken
    VEILIGHEIDSMAATREGELEN

    BRANDSTOFKWALITEIT DIESEL

    WAARSCHUWINGEN
    Stop met tanken nadat het
    vulpistool voor de tweede keer is
    afgeslagen. Alle brandstof die u dan
    nog toevoegt vult de expansieruimte in de
    brandstoftank, hetgeen er toe kan leiden
    dat de brandstof overstroomt. Het morsen
    van brandstof kan gevaarlijk zijn voor
    andere weggebruikers.

    WAARSCHUWING
    Meng de dieselolie niet met olie,
    benzine of andere vloeistoffen. Deze
    kunnen een chemische reactie
    veroorzaken.
    LET OP
    Voeg geen kerosine, paraffine of
    petroleum aan de dieselolie toe. Deze
    kunnen het brandstofsysteem
    beschadigen.

    Vermijd open vuur of hittebronnen in
    de nabijheid van het
    brandstofsysteem. Het
    brandstofsysteem staat onder druk.
    Wanneer het brandstofsysteem lekt,
    bestaat het gevaar van verwonding.

    Gebruik dieselolie die voldoet aan de
    specificatie EN 590, of de
    betreffende nationale specificatie.

    BRANDSTOFKWALITEIT BENZINE

    N.B.: We adviseren alleen brandstof van
    hoge kwaliteit te gebruiken.

    LET OP

    N.B.: Het gebruik van niet door Ford
    goedgekeurde additieven of andere
    motorbehandelingen worden door Ford
    afgeraden.

    Gebruik geen gelode benzine of
    benzine met additieven die andere
    metallische bestanddelen (bijv. op
    mangaan gebaseerd) bevat. Deze kunnen
    het emissiesysteem beschadigen.

    N.B.: Wij raden het langdurig gebruik van
    additieven af die vlokvorming moeten
    voorkomen.

    N.B.: Gebruik uitsluitend brandstof van
    hoge kwaliteit zonder additieven of andere
    toevoegingen.

    Opslaan voor de lange termijn
    De meeste dieselbrandstoffen bevatten
    biodiesel; wanneer uw voertuig lange tijd
    niet wordt gebruikt (meer dan twee
    maanden), dan wordt aanbevolen de tank
    enkel met diesel op aardoliebasis (indien
    beschikbaar) te vullen of een antioxidant
    aan de biodiesel toe te voegen. Uw dealer
    kan u helpen met een geschikte
    antioxidant.

    Gebruik ongelode benzine met een
    minimum octaangetal van 95 die
    voldoet aan de specificatie EN 228, of een
    equivalent.

    144



  • Page 147

    Brandstof en tanken
    KATALYSATOR

    LET OP
    Wanneer u een hogedrukspuit
    gebruikt om uw auto te wassen, spuit
    dan kort op de brandstofvulklep vanaf
    een afstand van niet minder dan 200
    millimeter.

    WAARSCHUWING
    Laat de motor niet stationair draaien
    of parkeer de wagen niet op droge
    bladeren, droog gras of ander
    brandbaar materiaal. Tijdens het gebruik
    van de motor en na het afzetten van de
    motor straalt het uitlaatsysteem veel
    warmte uit. Hierdoor ontstaat het gevaar
    van brand.

    N.B.: De schuifdeur kan niet volledig worden
    geopend wanneer de brandstofvulklep
    geopend is.

    Rijden met een auto met
    katalysator
    LET OP
    Zorg ervoor dat u de tank niet leeg
    rijdt.
    Schakel de startmotor niet langdurig
    achtereen in.
    Laat de motor niet met een
    losgekoppelde bougiekabel draaien.

    E86613

    1.

    Sleep of duw de auto niet aan.
    Gebruik hulpstartkabels. Zie Starten
    met hulpstartkabels (bladzijde 210).
    Zet het contact tijdens het rijden niet
    af.

    TANKKLEP
    WAARSCHUWINGEN
    Voorkom dat tijdens het tanken
    brandstof wordt gemorst, die zich in
    het vulpistool bevindt.
    Vermijd open vuur of hittebronnen in
    de nabijheid van het
    brandstofsysteem. Het
    brandstofsysteem staat onder druk.
    Wanneer het brandstofsysteem lekt,
    bestaat het gevaar van verwonding.

    145

    Druk op de klep om deze te openen.
    Open de klep volledig tot hij
    vergrendelt.



  • Page 148

    Brandstof en tanken
    A

    A

    A
    B
    E139203

    A

    Incorrecte positie

    B

    Correcte positie

    3. Til tijdens het tanken het vulpistool niet
    op. Dit kan de brandstofstroom
    beïnvloeden en het vulpistool afsluiten
    voordat de brandstoftank vol is.

    E139202

    N.B.: Wanneer u het vulpistool plaatst,
    opent een veerbelaste klep wanneer de
    correcte vulpistooldiameter wordt
    geregistreerd. Hierdoor wordt voorkomen
    dat onjuiste brandstof wordt getankt.
    2. Breng het vulpistool tot en met de
    eerste nok op het vulpistool A in. Laat
    het rusten op de afdekking van de
    vulbuis.
    WAARSCHUWING
    Stop met tanken nadat het
    vulpistool voor de tweede keer is
    afgeslagen. Alle brandstof die u dan
    nog toevoegt vult de expansieruimte in de
    brandstoftank, hetgeen er toe kan leiden
    dat de brandstof overstroomt. Het morsen
    van brandstof kan gevaarlijk zijn voor
    andere weggebruikers.

    E139924

    4. Bedien het vulpistool binnen de
    getoonde gebieden.
    WAARSCHUWINGEN
    Wij raden aan het vulpistool
    langzaam uit de vulbuis te halen,
    zodat alle achtergebleven brandstof
    in de brandstoftank kan stromen. Er kan
    ook 10 seconden worden gewacht alvorens
    het vulpistool uit de vulbuis te halen.

    146



  • Page 149

    Brandstof en tanken
    TANKEN

    WAARSCHUWINGEN
    Verwijder tijdens de gehele
    tankprocedure het vulpistool niet uit
    de volledig geplaatste positie.

    LET OP
    Probeer niet de motor te starten
    wanneer u de tank met de onjuiste
    brandstofsoort hebt gevuld. Hierdoor
    kan de motor worden beschadigd. Laat het
    systeem onmiddellijk door een geschoolde
    monteur controleren.

    BRANDSTOFVERBRUIK
    De CO2 waarden en de
    brandstofverbruikcijfers zijn afgeleid van
    laboratoriumtests volgens EEC richtlijn
    80/1268/EEC en aanvullingen daarop.
    Deze richtlijnen worden door alle
    automobielfabrikanten aangehouden.

    E119081

    5. Til het vulpistool licht op om het te
    verwijderen.

    Deze gegevens zijn bedoeld voor het
    vergelijken van merken en modellen. Ze
    zijn niet bedoeld als weergave van het
    werkelijke brandstofverbruik van uw
    wagen. Het werkelijke brandstofverbruik
    wordt door vele factoren bepaald,
    waaronder de rijstijl, rijden met hoge
    snelheden, starten/stoppen, gebruik van
    de airconditioning, de gemonteerde
    accessoires, rijden met een aanhanger, enz.

    Tanken met een jerrycan
    Gebruik de trechter in het
    handschoenenkastje.

    Uw Ford dealer dient u gaarne van advies
    hoe u het brandstofverbruik kunt verlagen.

    TECHNISCHE SPECIFICATIE

    147



  • Page 150

    Brandstof en tanken
    C-MAX
    Brandstofverbruikscijfers
    Stadsverkeer

    Buitenweg

    Gecombineerd

    CO2-emissie

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    g/km

    1.6L Duratec-16V Ti-VCT Sigma fase V

    8,7 (32,5)

    5,3 (53,3)

    6,6 (42,8)

    154

    1.6L EcoBoost - Sigma fase
    V, auto's zonder start/stopsysteem

    8,8 (32,1)

    5,3 (53,3)

    6,6 (42,8)

    154

    1.6L EcoBoost - Sigma fase
    V, auto's met start/stopsysteem

    8 (35,3)

    5,3 (53,3)

    6,4 (44,1)

    149

    1.6L Duratorq-TDCi - DV
    fase V, auto's zonder
    start/stop-systeem

    5,4 (52,3)

    4,1 (68,9)

    4,6 (61,4)

    119

    1.6L Duratorq-TDCi - DV
    fase V, auto's met
    start/stop-systeem

    5 (56,5)

    4 (70,6)

    4,4 (64,2)

    114

    2.0L Duratorq-TDCi - DW
    fase V, auto's met handgeschakelde versnellingsbak

    6,4 (44,1)

    4,4 (64,2)

    5,1 (55,4)

    134

    2.0L Duratorq-TDCi - DW
    fase V, auto's met automatische transmissie

    7,1 (39,8)

    4,8 (58,9)

    5,6 (50,4)

    149

    Stadsverkeer

    Buitenweg

    Gecombineerd

    CO2-emissie

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    g/km

    8,9 (31,7)

    5,7 (49,6)

    6,9 (40,9)

    159

    Variant

    Grand C-MAX
    Brandstofverbruikscijfers

    Variant

    1.6L Duratec-16V Ti-VCT Sigma fase V

    148



  • Page 151

    Brandstof en tanken

    Stadsverkeer

    Buitenweg

    Gecombineerd

    CO2-emissie

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    g/km

    1.6L EcoBoost - Sigma fase
    V, auto's zonder start/stopsysteem

    9,2 (30,7)

    5,5 (51,4)

    6,9 (40,9)

    159

    1.6L EcoBoost - Sigma fase
    V, auto's met start/stopsysteem

    8,2 (34,5)

    5,5 (51,4)

    6,6 (42,8)

    154

    1.6L Duratorq-TDCi - DV
    fase V, auto's zonder
    start/stop-systeem

    5,8 (48,7)

    4,4 (64,2)

    4,9 (57,7)

    129

    1.6L Duratorq-TDCi - DV
    fase V, auto's met
    start/stop-systeem

    5,5 (51,4)

    4,3 (65,7)

    4,7 (60,1)

    124

    2.0L Duratorq-TDCi - DW
    fase V, auto's met handgeschakelde versnellingsbak

    6,6 (42,8)

    4,5 (62,8)

    5,3 (53,3)

    139

    2.0L Duratorq-TDCi - DW
    fase V, auto's met automatische transmissie

    7,4 (38,2)

    5 (56,5)

    5,8 (48,7)

    154

    Variant

    149



  • Page 152

    Versnellingsbak/transmissie
    HANDGESCHAKELDE
    VERSNELLINGSBAK

    AUTOMATISCHE
    TRANSMISSIE
    Standen van transmissiehendel

    LET OP

    S

    Schakel de achteruit niet in wanneer
    de wagen in beweging is. Dit kan
    inwendige schade aan de
    versnellingsbak veroorzaken.

    E80836
    E99067

    P

    Parkeren

    Bij sommige auto's moet de kraag omhoog
    worden gebracht tijdens inschakelen van
    de achteruit.

    R

    Achteruit

    N

    Neutraal

    D

    Rijden

    S

    Sportmodus en handmatig
    schakelen
    WAARSCHUWING
    Druk het rempedaal in voordat u de
    keuzehendel verplaatst en houd het
    ingedrukt tot u wegrijdt.

    N.B.: Een koude motor heeft een hoger
    stationair toerental. Daarom heeft de auto
    meer de neiging te gaan kruipen wanneer
    u een rijstand hebt ingeschakeld.
    Druk de knop op de keuzehendel in om de
    achteruit of de parkeerstand in te
    schakelen.
    De stand van de keuzehendel wordt op het
    informatiedisplay weergegeven.

    150



  • Page 153

    Versnellingsbak/transmissie
    Handmatig schakelen - Auto's met
    5-traps transmissie

    Parkeren
    WAARSCHUWINGEN
    Schakel de parkeerstand alleen in
    wanneer de auto stilstaat.

    WAARSCHUWING
    Houd de keuzehendel niet
    permanent in – of +.

    Trek voordat u de auto verlaat de
    parkeerrem aan en schakel de
    parkeerstand in. Controleer of de
    keuzehendel is vergrendeld.

    LET OP
    De transmissie schakelt automatisch
    terug wanneer het motortoerental te
    laag is en schakelt automatisch op
    wanneer het motortoerental te hoog is.

    N.B.: Wanneer het bestuurdersportier wordt
    geopend en u de parkeerstand niet hebt
    ingeschakeld, klinkt een akoestisch signaal.
    In deze stand wordt geen kracht op de
    aangedreven wielen overgebracht en de
    transmissie is geblokkeerd. Wanneer de
    keuzehendel in deze stand staat kunt u de
    motor starten.

    N.B.: Het schakelen vindt alleen plaats bij
    bepaalde rijsnelheden en motortoerentallen.
    N.B.: In de modus Select wordt de huidige
    versnelling (1, 2, 3, 4 of 5) weergegeven in
    het instrumentenpaneel.

    Achteruit

    Zet de keuzehendel in de stand S.
    WAARSCHUWING

    Druk de keuzehendel naar voren om terug
    te schakelen en trek hem naar achteren
    om op te schakelen.

    Schakel de achteruit alleen in
    wanneer de auto stilstaat en de
    motor stationair draait.

    U kunt versnelling overslaan door de
    keuzehendel met korte intervallen
    herhaaldelijk te bewegen.

    Neutraal
    In deze stand wordt geen kracht op de
    aangedreven wielen overgebracht, maar
    de transmissie is niet geblokkeerd.
    Wanneer de keuzehendel in deze stand
    staat kunt u de motor starten.

    De handmatige modus beschikt ook over
    een kickdown functie. Zie Kickdown.

    Rijden

    N.B.: Het schakelen vindt alleen plaats bij
    bepaalde rijsnelheden en motortoerentallen.

    Sportmodus en handmatig
    schakelen - Auto's met 6-traps
    transmissie

    Schakel de rijstand in om automatisch
    gebruik te maken van alle voorwaartse
    versnellingen.

    Sportmodus
    N.B.: In de modus Sport werkt de
    transmissie normaal, maar worden
    versnellingen sneller gekozen bij hogere
    motortoerentallen.

    De transmissie schakelt de juiste
    versnelling in voor optimale prestaties
    gebaseerd op de omgevingstemperatuur,
    de hellingshoek van het wegdek, de
    belading van de auto en de inbreng van de
    bestuurder.

    N.B.: In de modus Sport wordt S
    weergegeven in het instrumentenpaneel.

    151



  • Page 154

    Versnellingsbak/transmissie
    Activeer de modus Sport door de
    keuzehendel in de stand S te plaatsen. De
    modus Sport blijft actief tot handmatig
    wordt op- of teruggeschakeld of de
    keuzehendel in de stand D wordt geplaatst.

    3. Selecteer neutraal of park.
    Kickdown
    Druk het gaspedaal volledig in terwijl het
    keuzehendel in de rijstand staat om voor
    optimale prestaties de eerstvolgende
    lagere versnelling in te schakelen. Laat het
    gaspedaal los wanneer kickdown niet
    langer gewenst is.

    Handmatig schakelen
    WAARSCHUWING
    Houd de keuzehendel niet
    permanent in – of +.

    Voorziening voor het ontgrendelen
    van de keuzehendel

    LET OP

    Gebruik de hefboom om bij een elektrische
    storing of bij een lege accu de keuzehendel
    uit de parkeerstand te zetten.

    De transmissie schakelt automatisch
    terug wanneer het motortoerental te
    laag is.

    3

    Druk de keuzehendel naar voren om terug
    te schakelen en trek hem naar achteren
    om op te schakelen.

    4

    U kunt versnelling overslaan door de
    keuzehendel met korte intervallen
    herhaaldelijk te bewegen.

    2

    De handmatige modus beschikt ook over
    een kickdown functie. Zie Kickdown.

    1

    Aanwijzingen voor het rijden met
    een automatische transmissie
    LET OP
    Laat de motor niet langdurig
    achtereen stationair draaien met een
    ingetrapt rempedaal in de stand D.
    S

    Wegrijden
    1. Zet de parkeerrem los.
    2. Laat het rempedaal opkomen en druk
    het gaspedaal in.

    E125156

    1.

    Steek een dun gereedschap in de
    opening.
    2. Draai het gereedschap 90 graden rond.

    Stoppen
    1.

    Laat het gaspedaal opkomen en druk
    het rempedaal in.
    2. Schakel de parkeerrem in.

    152



  • Page 155

    Versnellingsbak/transmissie
    3. Druk het gereedschap naar beneden
    om het frame los te drukken van het
    bekledingspaneel.
    4. Druk het frame naar beneden zodat de
    hendel loskomt en beweeg de
    keuzehendel uit de parkeerstand.
    5. Trek de kap omhoog tot het frame in
    het bekledingspaneel aangrijpt.
    N.B.: Wanneer de keuzehendel opnieuw in
    de stand P wordt geplaatst, moet deze
    procedure worden herhaald.

    153



  • Page 156

    Remmen
    Het ABS voorkomt geen gevaren die
    ontstaan wanneer:
    • u te weinig afstand ten opzichte van
    voor u rijdend verkeer houdt.
    • de auto te maken krijgt met
    aquaplaning.
    • u bochten te snel neemt.
    • het wegdek slecht is.

    WERKING
    N.B.: Afhankelijk van de verkeerswetgeving
    van het land waarin uw auto oorspronkelijk
    is gebouwd, knipperen de remlichten
    wanneer u krachtig remt.
    N.B.: Zo nu en dan kunnen remgeluiden
    hoorbaar zijn. Dit is normaal en duidt niet
    op een storing. Bij de normale werking
    kunnen er zo nu en dan piep- of
    kraakgeluiden vanaf het systeem hoorbaar
    zijn wanneer de remmen worden bediend.
    Dergelijke geluiden worden meestal
    veroorzaakt door externe invloeden, zoals
    kou, warmte, vocht, stof op de weg, zout of
    modder.

    PARKEERREM
    WAARSCHUWING
    Bij auto's met automatische
    transmissie moet de keuzehendel
    altijd in de stand P (Park) staan.

    Schijfremmen
    Natte remschijven hebben een lagere
    wrijvingscoëfficiënt. Druk na het verlaten
    van een wasstraat het rempedaal even
    voorzichtig in om de waterfilm op de
    remschijven te laten verdampen.




    ABS





    WAARSCHUWING
    ABS is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.



    Het ABS voorkomt dat de wielen
    blokkeren, zelfs tijdens krachtig remmen,
    waardoor de auto in noodsituaties volledig
    bestuurbaar en stabiel blijft.

    Druk het rempedaal krachtig in.
    Trek de handremhendel krachtig en
    zover mogelijk aan.
    Druk de ontgrendelknop tijdens het
    aantrekken niet in.
    Wanneer uw auto op een helling
    geparkeerd staat met de voorzijde in
    opwaartse richting, schakel dan de
    eerste versnelling of P (Park) in en
    draai het stuurwiel van de trottoirband
    af.
    Wanneer uw auto op een helling
    geparkeerd staat met de voorzijde in
    neerwaartse richting, schakel dan de
    achteruit of P (Park) in en draai het
    stuurwiel naar de trottoirband toe.

    Druk, om de handrem los te zetten, het
    rempedaal krachtig in, trek de hefboom
    iets omhoog, druk de ontgrendelknop in en
    laat de hefboom zakken.

    TIPS VOOR RIJDEN MET ABS
    Wanneer het ABS in werking is, pulseert
    het rempedaal. Dit is normaal. Blijf het
    rempedaal indrukken.

    154



  • Page 157

    Stabiliteitsregeling
    Het systeem zorgt ook voor een betere
    aandrijfregeling (traction control) door het
    motorkoppel te verlagen en afzonderlijke
    wielen af te remmen wanneer de wielen
    bij het accelereren beginnen door te
    draaien. Het verbetert de mogelijkheden
    om op gladde of losse oppervlakken te
    kunnen optrekken en het verbetert het
    comfort door wielspin in haarspeldbochten
    te beperken.

    WERKING
    Elektronisch
    stabiliteitsprogramma (ESP)
    WAARSCHUWING
    ESP houdt niet in dat u niet langer
    voorzichtig en aandachtig hoeft te
    rijden.

    Waarschuwingslamp
    stabiliteitsregeling (ESP)
    De waarschuwingslamp van het ESP
    knippert wanneer het systeem is
    geactiveerd. Zie Waarschuwings- en
    indicatielampen (bladzijde 83).

    B

    Noodremassistent

    B

    WAARSCHUWING
    De noodremassistent is niet bedoeld
    om de bestuurder te ontheffen van
    zijn plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.

    B
    A
    A

    B

    A

    De noodremassistent kan een
    noodstopsituatie herkennen aan de
    snelheid waarmee u het rempedaal
    indrukt. Hij zorgt voor een maximale
    remdruk zolang het rempedaal wordt
    ingedrukt. De noodremassistent kan de
    remweg in kritieke situaties reduceren.

    E72903

    A

    zonder ESP

    B

    met ESP

    Het ESP ondersteunt de stabiliteit van de
    auto wanneer deze dreigt uit te breken. Dit
    wordt bewerkstelligd door de wielen
    afzonderlijk af te remmen en door het
    motorkoppel zo nodig te verlagen.

    Aanhangerstabiliteitsregeling
    WAARSCHUWING
    De aanhangerstabiliteitsregeling is
    niet bedoeld om de bestuurder te
    ontheffen van zijn plicht om tijdens
    het rijden met een aanhanger voorzichtig
    en oplettend te zijn.

    155



  • Page 158

    Stabiliteitsregeling
    Aanhangerstabiliteitsregeling is een
    uitbreidingsfunctie van ESP die
    automatisch registreert wanneer een
    gekoppelde aanhanger begint te slingeren.
    Als dit het geval is, dan remt het systeem
    automatisch de afzonderlijke wielen af om
    de stabiliteit van de aanhanger en het
    voertuig te herstellen. Als er overmatig
    slingeren wordt geregistreerd, dan wordt
    het motorkoppel verlaagd en neemt de
    snelheid van het voertuig automatisch af.

    GEBRUIK MAKEN VAN
    STABILITEITSREGELING
    N.B.: Telkens wanneer u het contact aan
    zet wordt het systeem automatisch
    ingeschakeld.
    Het systeem uit- en inschakelen. Zie
    Infodisplays (bladzijde 88).

    156



  • Page 159

    Regeling voor bergop rijden
    Alleen auto's met
    handgeschakelde versnellingsbak

    WERKING
    Het systeem maakt het eenvoudiger op te
    trekken wanneer de auto op een helling
    staat zonder dat het noodzakelijk is gebruik
    te maken van de parkeerrem.

    Het systeem kan worden in- en
    uitgeschakeld met behulp van de
    informatiedisplay. Zie Algemene
    informatie (bladzijde 88).

    Wanneer het systeem actief is, dan blijft
    de auto korte tijd op de helling stil staan
    nadat u het rempedaal loslaat. Gedurende
    deze tijd heeft u de tijd om uw voet van het
    rempedaal te halen, het gaspedaal in te
    drukken en op te trekken. De remmen
    worden automatisch gelost zodra de motor
    voldoende vermogen heeft opgebouwd
    om weg te rijden. Zo wordt voorkomen dat
    de auto op een helling kan terugrollen. Dit
    is een voordeel wanneer u op een helling
    moet optrekken, bijvoorbeeld vanaf een
    helling van een parkeerplaats, bij
    verkeerslichten of tijdens het achteruit
    tegen een helling inparkeren.

    Het systeem activeren
    WAARSCHUWINGEN
    U dient in de auto te blijven zitten
    nadat het systeem is geactiveerd.
    U blijft te allen tijde verantwoordelijk
    voor het besturen van de auto en het
    zo nodig in en uitschakelen van het
    systeem.
    Als een storing is geregistreerd
    wanneer het systeem actief is, dan
    wordt het systeem gedeactiveerd en
    wordt een bericht weergegeven op de
    display. Zie Infoberichten (bladzijde 96).

    WAARSCHUWING
    Het systeem vervangt niet de
    parkeerrem. Trek altijd de handrem
    aan en schakel de eerste versnelling
    of de achteruit in wanneer u de auto
    verlaat.

    U kunt het systeem alleen activeren als
    aan de volgende voorwaarden is voldaan:
    • De motor loopt.
    • Het systeem is ingeschakeld.
    • Bij wagens met een handgeschakelde
    versnellingsbak, het koppelingspedaal
    is ingedrukt.
    • Er geen sprake is van storingen.

    REGELING VOOR BERGOP
    RIJDEN GEBRUIKEN
    Het systeem wordt automatisch
    geactiveerd als de auto op een helling van
    meer dan 3% wordt stilgezet. Het systeem
    werkt als de auto met de neus bergaf staat
    gericht met ingeschakelde
    achteruitversnelling en als de auto bergop
    staat gericht met ingeschakelde
    vooruitversnelling.

    Activeren van het systeem:
    1.

    Druk het rempedaal in om de wagen
    volledig tot stilstand te brengen. Houd
    het rempedaal ingedrukt.
    2. Als de sensoren registreren dat de auto
    op een helling staat, dan wordt het
    systeem automatisch geactiveerd.
    3. Wanneer u uw voet van het rempedaal
    neemt, blijft de auto een korte periode
    op de helling staan zonder achteruit te
    rollen. Deze periode wordt automatisch
    verlengd als u bezig bent weg te rijden.

    157



  • Page 160

    Regeling voor bergop rijden
    4. Rijd op de normale manier weg. De
    remmen worden automatisch gelost.

    Het systeem deactiveren
    Voer voor het activeren van het systeem
    één van de volgende stappen uit:





    Wacht even tot het systeem
    automatisch gedeactiveerd wordt.
    Wanneer een vooruitversnelling was
    ingeschakeld toen het systeem actief
    werd, schakel dan de achteruit in.
    Wanneer de achteruitversnelling was
    ingeschakeld toen het systeem actief
    werd, schakel dan een
    vooruitversnelling in.

    158



  • Page 161

    Parkeerhulp
    N.B.: Houd de sensoren vrij van vuil, ijs en
    sneeuw. Reinig de sensoren niet met
    scherpe voorwerpen.

    WERKING
    WAARSCHUWING

    N.B.: Wanneer de parkeerhulp een signaal
    registreert dat op dezelfde frequentie wordt
    uitgezonden als de sensoren gebruiken, of
    wanneer de auto maximaal is beladen, kan
    een vals signaal worden gegeven.

    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.

    N.B.: De buitenste sensoren kunnen de
    zijmuren van een garage detecteren.
    Wanneer de afstand tussen de buitenste
    sensor en de muur gedurende drie seconden
    constant blijft, wordt het akoestisch signaal
    uitgeschakeld. Wanneer u doorrijdt, kunnen
    de binnenste sensoren objecten achter de
    auto detecteren.

    LET OP
    Uitvoeringen met een trekhaakmodule
    die niet door ons is goedgekeurd,
    kunnen obstakels niet correct
    detecteren.
    Bij zware regenval of andere
    omstandigheden waardoor
    verstorende reflecties ontstaan is het
    mogelijk dat de sensoren bepaalde
    voorwerpen niet 'zien'.

    GEBRUIK MAKEN VAN DE
    PARKEERHULP - AUTO'S MET
    PARKEERHULP ACHTERUIT

    De sensoren kunnen voorwerpen met
    een oppervlak de ultrasone
    geluidsgolven absorberen niet 'zien'.

    WAARSCHUWING

    De parkeerhulp detecteert geen
    obstakels die van de auto af bewegen.
    Deze worden alleen kort nadat zij
    opnieuw naar de auto toe bewegen
    gedetecteerd.

    Ondanks de parkeerhulp bent u
    verplicht voorzichtig en aandachtig
    te rijden.

    Wanneer u een hogedrukspuit
    gebruikt om uw auto te wassen, spuit
    dan kort op de sensoren vanaf een
    afstand van niet minder dan 20 centimeter
    (8 inches).
    De parkeerhulp stuurt signalen via het
    door Ford aangebrachte en
    goedgekeurde audiosysteem. Werkt
    dit niet, dan werkt het parkeerhulpsysteem
    niet naar behoren.

    E77927

    N.B.: Bij auto's met een afneembare
    trekhaakkoppeling wordt de parkeerhulp
    achter automatisch uitgeschakeld wanneer
    een van de aanhangerlampen (of
    verlichting) wordt aangesloten op de 13 pins
    stekkerdoos via een door Ford goedgekeurde
    trekhaakmodule.

    U hoort een onderbroken signaal wanneer
    de afstand tussen de achterbumper en een
    obstakel ca. 150 cm bedraagt of ca. 50 cm
    aan de zijkanten. Wanneer de afstand
    kleiner wordt, volgen de signalen elkaar
    sneller op.

    De parkeerhulp wordt automatisch
    geactiveerd wanneer u bij aangezet
    contact de achteruit inschakelt.

    159



  • Page 162

    Parkeerhulp

    A
    E130180
    E130178

    A

    Een aanhangersymbool geeft aan dat een
    aanhanger is aangekopppeld, waarna het
    systeem wordt uitgeschakeld.

    Indicator afgelegde weg.

    Als de afgelegde weg korter wordt, dan
    beweegt de indicator richting de auto.

    GEBRUIK MAKEN VAN DE
    PARKEERHULP - AUTO'S MET
    PARKEERHULP VOOR EN
    ACHTER

    Een voortdurend signaal weerklinkt op een
    afstand van minder dan 30 centimeter tot
    de achterbumper.
    N.B.: Bij auto's met een trekhaak die door
    Ford is goedgekeurd, klinkt het continue
    signaal op een afstand van 45 centimeter
    vanaf de achterbumper.

    WAARSCHUWING
    Ondanks de parkeerhulp bent u
    verplicht voorzichtig en aandachtig
    te rijden.

    Parkeerhulp in- en uitschakelen
    De parkeerhulp is standaard uitgeschakeld.
    Schakel de achteruitversnelling in of druk
    de schakelaar op het instrumentenpaneel
    in, om de parkeerhulp in te schakelen.
    Positie van onderdeel: Zie In één
    oogopslag (bladzijde 10).

    A

    E130179

    A

    Wanneer de parkeerhulp is ingeschakeld,
    brandt het lampje in de schakelaar.

    Storingsindicatielamp.

    Druk nogmaals op de schakelaar om de
    functie uit te schakelen.

    N.B.: Als een storing wordt aangegeven,
    wordt het systeem uitgeschakeld. Laat het
    systeem onmiddellijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    160



  • Page 163

    Parkeerhulp
    Manoeuvreren met de parkeerhulp

    A

    U hoort een wisselend signaal wanneer de
    obstakels aan de voor- en achterzijde
    minder dan 30 centimeter van de voor- of
    achterbumper zijn verwijderd.

    B
    1

    A
    D

    C

    2
    E130382

    A

    E130381

    1

    Achteruitversnelling
    geselecteerd

    2

    Neutraal of vooruitversnelling
    geselecteerd

    A

    Display en toon

    B

    Display en toon

    C

    Alleen display

    D

    Display en toon

    Indicator afgelegde weg.

    Als de afgelegde weg korter wordt, dan
    beweegt de indicator richting de auto.

    A

    U hoort een onderbroken signaal wanneer
    de afstand tussen de achterbumper en een
    obstakel ca. 150 cm bedraagt, 80 cm
    tussen een obstakel en de voorbumper of
    50 cm aan de zijkanten. Wanneer de
    afstand kleiner wordt, volgen de signalen
    elkaar sneller op. Een voortdurend signaal
    weerklinkt op een afstand van minder dan
    30 centimeter tot de voor- of
    achterbumper.

    E130383

    A

    Storingsindicatielamp.

    N.B.: Als een storing wordt aangegeven,
    wordt het systeem uitgeschakeld. Laat het
    systeem onmiddellijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    N.B.: Bij auto's met een trekhaak die door
    Ford is goedgekeurd, klinkt het continue
    signaal op een afstand van 45 centimeter
    vanaf de achterbumper.

    161



  • Page 164

    Parkeerhulp

    E130180

    Een aanhangersymbool geeft aan dat een
    aanhanger is aangekopppeld, waarna de
    achterste sensoren worden uitgeschakeld.

    162



  • Page 165

    Actieve parkeerhulp
    Het systeem detecteert een geschikte
    ruimte voor fileparkeren en parkeert de
    auto. Het systeem regelt de besturing
    terwijl de bestuurder het gaspedaal, de
    transmissie en de remmen bedient. De
    manoeuvre kan op elk willekeurig moment
    gestopt worden door het stuurwiel vast te
    houden of op de schakelaar van de actieve
    parkeerhulp te drukken. Zie In één
    oogopslag (bladzijde 10).

    WERKING
    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.
    U blijft te allen tijde verantwoordelijk
    voor het besturen van de auto en het
    zo nodig in- en uitschakelen van het
    systeem.

    Het systeem geeft de bestuurder tijdens
    de hele procedure audiovisuele instructies
    om de auto veilig te parkeren.

    U dient er op te letten dat de gekozen
    ruimte te allen tijde tijdens de
    manoeuvre vrij blijft van obstakels.

    ACTIEVE PARKEERHULP
    GEBRUIKEN

    Auto's met overhangende lading,
    voorwerpen op straat en andere
    voorwerpen mogen niet door het
    systeem herkend worden. U dient te
    controleren of de gekozen ruimte geschikt
    is voor parkeren.

    LET OP
    Bij zware regenval of andere
    omstandigheden waardoor
    verstorende reflecties ontstaan is het
    mogelijk dat de sensoren bepaalde
    voorwerpen niet 'zien'.

    Gebruik het systeem niet als er een
    aanhanger aan de auto is bevestigd.
    Gebruik het systeem niet als er een
    fietsenrek achterop de auto is
    bevestigd.

    De sensoren kunnen voorwerpen met
    een oppervlak de ultrasone
    geluidsgolven absorberen niet 'zien'.

    Gebruik het systeem niet als er een
    overhangend voorwerp op het dak is
    bevestigd.

    De sensoren registreren wellicht geen
    stoeprand.

    Als de manoeuvre onderbroken
    wordt voordat deze voltooid is, dan
    wordt het systeem uitgeschakeld. De
    stuurpositie geeft niet de werkelijke positie
    van het stuur aan en u dient de besturing
    van de auto over te nemen.

    N.B.: Als het aandrijfregelsysteem wordt
    uitgeschakeld, dan is de actieve parkeerhulp
    niet beschikbaar. Zie Algemene informatie
    (bladzijde 88).
    Het systeem lijnt de auto niet correct uit
    als:
    • Een reserveband of een band die meer
    is versleten dan de andere banden
    wordt gebruikt;

    Zorg dat loszittende kleding, uw
    handen of uw armen het draaiende
    stuurwiel niet belemmeren.




    163

    De in de fabriek aangebrachte banden
    niet bij de auto zijn gebruikt;
    De banden doorslippen;



  • Page 166

    Actieve parkeerhulp



    U de auto laat rollen;
    De weersomstandigheden slecht zijn
    (zware regenval, sneeuw, mist enz.).

    N.B.: Als geen selectie wordt gemaakt met
    behulp van de richtingaanwijzerhendel, dan
    gebruikt het systeem standaard de
    passagierszijde van de auto.

    Rijd naar voren met een maximale snelheid
    van 30 km/u. Druk op de schakelaar van
    de actieve parkeerhulp. Zie In één
    oogopslag (bladzijde 10). Gebruik de
    richtingaanwijzerhendel om zoeken aan
    de linker- of rechterzijde van de auto te
    selecteren.

    A

    E130107

    N.B.: Uitschakelen van de akoestische
    signalen: Zie Persoonlijke instellingen
    (bladzijde 96).

    N.B.: De pijlsymbolen of afbeeldingen op
    de display laten zien aan welke zijde van het
    voertuig het systeem parkeert. De display
    geeft ook aan wanneer u de
    achteruitversnelling dient te selecteren.

    De informatie- en entertainmentdisplay
    informeert u en een akoestisch signaal is
    hoorbaar wanneer een geschikte
    parkeerplaats is gevonden. Volg om het
    voertuig te parkeren de instructies op de
    informatie- en entertainmentdisplay.

    Rem af, stop ongeveer op positie A en volg
    hierna de instructies van het systeem.

    E130108

    164



  • Page 167

    Actieve parkeerhulp
    Rijd voorzichtig met de auto achteruit met
    behulp van het gaspedaal en het
    rempedaal om de auto te besturen. Er zijn
    waarschuwingssignalen voor de
    parkeerhulp hoorbaar. Stop de auto
    wanneer u een continu signaal hoort.

    WAARSCHUWING
    Als een snelheid van 10 km/u wordt
    overschreden, dan wordt het
    systeem uitgeschakeld en dient u de
    volledige besturing van de auto over te
    nemen.

    U kunt de manoeuvre overnemen door het
    stuur vast te nemen. Er kan een bericht
    worden weergegeven dat het systeem kan
    worden hervat. Druk op de schakelaar voor
    de actieve parkeerhulp om dit bericht te
    accepteren. Zie In één oogopslag
    (bladzijde 10).

    E130109

    Rijd met de auto vooruit. Stop de auto
    wanneer u een continu signaal hoort.
    Herhaal de bovenstaande stappen tot de
    auto naar tevredenheid is geparkeerd. De
    display geeft aan wanneer het systeem de
    manoeuvre heeft voltooid.

    165



  • Page 168

    Achteruitkijkcamera
    De camera is aangebracht op de
    achterklep (bij de handgreep).

    WERKING
    De camera is een visueel hulpmiddel bij
    achteruitrijden.
    WAARSCHUWING
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.
    LET OP
    Wanneer u een hogedrukspuit
    gebruikt om uw wagen te wassen,
    spuit dan kort op de camera vanaf een
    afstand van niet minder dan 20 centimeter.

    E99105

    Oefen geen druk op de camera uit.

    Achteruitkijkcamera activeren
    LET OP

    N.B.: Houd de camera vrij van vuil, ijs en
    sneeuw. Reinig de camera niet met scherpe
    voorwerpen, ontvetter, was of organische
    producten. Gebruik alleen een zachte doek.

    Het kan voorkomen dat de camera
    voorwerpen die zich te dicht bij de
    auto bevinden niet kan registreren.

    Tijdens de bediening worden in de display
    hulplijnen weergegeven die de route van
    de wagen en de geschatte afstand vanaf
    voorwerpen aan de achterzijde voorstellen.

    Met het contact en het audiosysteem
    ingeschakeld:
    1. Druk op de parkeerhulpschakelaar op
    het instrumentenpaneel. Voor locatie:
    Zie In één oogopslag (bladzijde 10).
    Of,
    2. Schakel de achteruitversnelling in.

    ACHTERUITKIJKCAMERA
    GEBRUIKEN

    De afbeelding wordt op het scherm
    weergegeven.

    WAARSCHUWINGEN
    De bediening van de camera varieert
    afhankelijk van de
    buitentemperatuur, de
    rij-omstandigheden van de auto en het
    type weg.

    De lamp in de schakelaar gaat branden
    wanneer het systeem wordt geactiveerd.
    De camera werkt wellicht niet correct
    onder de volgende omstandigheden:
    • Donkere gebieden.
    • Fel licht.
    • Als de buitentemperatuur snel toe- of
    afneemt.

    De in de display weergegeven
    afstanden kunnen verschillen van de
    werkelijke afstand.
    Plaats geen voorwerpen voor de
    camera.

    166



  • Page 169

    Achteruitkijkcamera



    Als de camera nat is (bijvoorbeeld
    tijdens regen of een hoge vochtigheid).
    Als het zicht van de camera is
    geblokkeerd (bijvoorbeeld door
    modder).

    D

    Display gebruiken
    LET OP
    Voorwerpen boven de camera worden
    niet weergegeven. Controleer indien
    nodig het gebied achter de auto.

    E

    D

    C

    C

    B

    B

    A

    A

    Markeringen worden alleen gebruikt
    als algemene richtlijn en worden
    berekend voor auto's met een
    maximale belading op een egaal wegdek.
    De lijnen geven een geprojecteerde route
    van de auto (gebaseerd op de huidige
    stuurwielhoek) en de afstand vanaf de
    buitenspiegels en de achterbumper aan.

    E99458

    167

    A

    Speling buitenspiegel - 0,1 meter

    B

    Rood - tot 0,3 meter

    C

    Oranje - 0,3 tot 0,6 meter



  • Page 170

    Achteruitkijkcamera
    D

    Groen - 0,6 tot 0,9 meter

    A

    Oranje - middenlijn van de
    geprojecteerde route van de
    auto

    N.B.: De groene lijn wordt verlengd van 0,9
    meter tot een afstand van 3,2 meter.
    N.B.: Wanneer er met een aanhanger
    achteruit wordt gereden, dan worden de
    lijnen niet op het scherm getoond. De
    camera geeft de voertuigrichting en niet de
    aanhanger weer.

    Achteruitkijkcamera deactiveren
    N.B.: Schakel een vooruitversnelling in. De
    display blijft een korte periode aan alvorens
    deze wordt uitgeschakeld.
    N.B.: Het systeem wordt automatisch
    uitgeschakeld wanneer de voertuigsnelheid
    ongeveer 15 km/u is.
    Druk op de parkeerhulpschakelaar op het
    instrumentenpaneel. Voor locatie: Zie In
    één oogopslag (bladzijde 10).

    Auto's met parkeerhulp
    In de display wordt tevens een gekleurde
    afstandsbalk getoond. Deze geeft de
    afstand van de achterbumper naar het
    geregistreerde object aan.
    De volgende kleurcodes zijn van
    toepassing:
    • Groen - 0,6 tot 1,8 meter
    • Oranje - 0,3 tot 0,6 meter
    • Rood - 0,3 meter of minder.

    168



  • Page 171

    Snelheidsregeling (Cruise Control)
    Snelheid instellen

    WERKING

    Druk op de SET+ of de SET- schakelaar
    om de snelheid in het geheugen op te slaan
    en met de actuele snelheid te blijven rijden.
    De waarschuwingslamp van de cruise
    control gaat branden. Zie
    Waarschuwings- en indicatielampen
    (bladzijde 83).

    WAARSCHUWING
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.
    Met cruise control (automatische
    snelheidsregeling) kunt u met behulp van
    de schakelaars op het stuurwiel de
    rijsnelheid instellen. U kunt cruise control
    gebruiken bij snelheden hoger dan
    ongeveer 30 km/u.

    Ingestelde snelheid veranderen
    WAARSCHUWING
    Wanneer u een heuvel afrijdt, kan de
    snelheid hoger worden dan de
    ingestelde snelheid. Het systeem
    stelt niet de remmen in werking. Schakel
    terug en druk op de SET- schakelaar om
    het systeem te helpen de ingestelde
    snelheid te handhaven.

    GEBRUIK MAKEN VAN
    SNELHEIDSREGELING
    WAARSCHUWING

    N.B.: Wanneer u het gaspedaal indrukt,
    verandert de ingestelde snelheid niet.
    Wanneer u het gaspedaal loslaat, gaat de
    auto weer met de eerder ingestelde snelheid
    rijden.

    Schakel onder drukke
    verkeersomstandigheden, op
    trajecten met veel bochten en op
    gladde wegen cruise control niet in.

    Cruise control inschakelen

    A

    B

    E130073

    E130072

    N.B.: Het systeem is gereed op de snelheid
    in te stellen.

    169

    A

    Accelereren (versnellen)

    B

    Decelereren (vertragen)



  • Page 172

    Snelheidsregeling (Cruise Control)
    Cruise control uitschakelen
    Druk het rempedaal in of bedien de CAN
    schakelaar.
    N.B.: Het systeem regelt niet langer de
    rijsnelheid. De waarschuwingslamp van de
    cruise control gaat niet branden, maar de
    laatst ingestelde rijsnelheid blijft in het
    geheugen opgeslagen.

    Cruise control opnieuw
    inschakelen
    Bedien de RES schakelaar.
    De waarschuwingslamp van de cruise
    control gaat branden en het systeem zal
    proberen de auto met de eerder door u
    ingestelde snelheid te laten rijden.

    Cruise control uitschakelen

    E130072

    De eerder door u ingestelde snelheid blijft
    niet in het geheugen opgeslagen. De
    waarschuwingslamp van de cruise control
    gaat niet branden.

    170



  • Page 173

    Snelheidsbegrenzer
    WERKING
    WAARSCHUWING
    Wanneer u een heuvel afrijdt, kan de
    snelheid hoger worden dan de
    ingestelde snelheid. Het systeem
    bedient de remmen niet, maar geeft een
    waarschuwing af.

    C

    Snelheidsafname instellen

    D

    Snelheidsbegrenzer
    annuleren/hervatten

    Het systeem in- en uitschakelen
    Druk op schakelaar B. De informatiedisplay
    vraagt een snelheid in te stellen.

    Snelheidslimiet instellen

    Via het systeem kan een snelheid worden
    ingesteld waar de auto vervolgens op
    wordt begrensd. De ingestelde snelheid
    wordt de effectieve maximumsnelheid van
    de auto, maar met als optie deze snelheid
    indien nodig tijdelijk te overschrijden.

    Gebruik de cruise control schakelaars om
    de instelling van de maximumsnelheid te
    wijzigen.
    Druk op schakelaar A of schakelaar C om
    de gewenste snelheidslimiet te selecteren.
    De snelheid wordt op de informatiedisplay
    weergegeven en opgeslagen als de
    ingestelde snelheid.

    SNELHEIDSBEGRENZER
    GEBRUIKEN

    Bedien schakelaar D om de werking van
    de begrenzer te annuleren en deze in de
    standby-modus te zetten. De
    informatiedisplay bevestigt deactivering
    door de ingestelde snelheid doorgekruist
    weer te geven.

    N.B.: De ingestelde snelheidslimiet kan
    gedurende een korte periode doelbewust
    worden overschreven (bijvoorbeeld tijdens
    inhalen).
    Het systeem wordt bediend met de
    toetsen op het stuurwiel.

    Bedien schakelaar D om de werking van
    de begrenzer te hervatten. De
    informatiedisplay bevestigt dat het
    systeem actief is door de ingestelde
    snelheid opnieuw weer te geven.

    A

    Ingestelde snelheidslimiet
    doelbewust overschrijden

    D
    B

    Trap het gaspedaal volledig in om het
    systeem tijdelijk te deactiveren. Het
    systeem wordt opnieuw geactiveerd nadat
    de voertuigsnelheid onder de ingestelde
    snelheid is gedaald.

    C

    Systeemwaarschuwingen
    E133198

    A

    Snelheidstoename instellen

    B

    Snelheidsbegrenzer aan/uit

    Als de ingestelde limiet per ongeluk wordt
    overschreden (bijvoorbeeld bergafwaarts
    rijden), dan knippert de ingestelde snelheid
    in de informatiedisplay en wordt een
    hoorbare waarschuwing afgegeven.

    171



  • Page 174

    Snelheidsbegrenzer
    Als de ingestelde snelheidslimiet
    doelbewust wordt overschreden, dan geeft
    de informatiedisplay de ingestelde
    snelheid doorgekruist weer.

    172



  • Page 175

    Transport
    C-Max

    ALGEMENE INFORMATIE
    WAARSCHUWINGEN
    Gebruik bevestigingsriemen die
    voldoen aan een norm, bijv. DIN.
    Zorg ervoor dat alle losse
    voorwerpen goed zijn vastgezet.
    Plaats bagage en ander voorwerpen
    zo laag mogelijk en zo ver mogelijk
    naar voren in de bagageruimte of de
    laadruimte.
    Rijd niet met geopende achterklep
    of achterdeur. Uitlaatgassen kunnen
    de auto worden binnengezogen.

    E98627

    Overschrijd niet de maximum vooren achterasbelasting voor uw auto.
    Zie Voertuigidentificatieplaatje
    (bladzijde 228).

    Grand C-Max

    Zware ladingen bestemd voor de
    passagiersruimte moeten worden
    geplaatst op of achter een
    neergeklapte achterbank (zie de
    afbeelding). Zie Achterbank (bladzijde
    119).
    LET OP
    Laat geen items in contact komen
    met de achterruiten.
    E97377

    BAGAGEVERANKERINGSPUNTEN
    N.B.: Item D is alleen beschikbaar bij auto's
    met een bandenreparatieset.

    173



  • Page 176

    Transport

    A

    B

    D
    C

    E130146

    A

    C-MAX

    B

    C-MAX en Grand C-MAX

    C

    Grand C-MAX

    D

    C-MAX

    174



  • Page 177

    Transport
    BAGAGEAFDEKKINGEN

    OPBERGRUIMTE ONDER
    VLOER ACHTERIN

    WAARSCHUWING

    WAARSCHUWING

    Leg geen voorwerpen op de
    afdekking van de bagageruimte.

    Wanneer u een kinderzitje op de
    tweede zitrij met een steun gebruikt,
    let er dan op dat de steun stevig op
    het paneel van de opbergruimte onder de
    vloer steunt. Zorg ervoor dat u het
    schuimrubber vulstuk correct binnen het
    opbergvak aanbrengt en dat u de steun
    correct monteert.

    E72969

    Trek het afdekpaneel uit en zet het in de
    bevestigingspunten vast.
    Maak hem uit de bevestigingspunten los
    en laat hem in de houder oprollen. Zet de
    haak op de houder vast.
    E78097

    BAGAGENETTEN
    C-MAX
    WAARSCHUWING
    Er zijn geen verankeringspunten voor
    het bagagenet achter de eerste of
    tweede stoelrij aangebracht.
    E72970

    Druk een van de uiteinden van de behuizing
    naar binnen om de afdekking te
    verwijderen of aan te brengen.

    175



  • Page 178

    Transport
    Grand C-MAX
    WAARSCHUWING
    Er zijn geen verankeringspunten voor
    het bagagenet achter de eerste
    stoelrij aangebracht, maar wel achter
    de tweede stoelrij.

    Bagagenet
    Net aanbrengen
    LET OP
    Verplaats de achterstoelen niet
    wanneer het bagagenet wordt
    aangebracht.

    E130320

    N.B.: Zorg dat de middelste stoel rechtop
    staat.

    Gebruik het bagagenet niet wanneer
    de derde stoelenrij in gebruik is.

    N.B.: Breng het bagagenet alleen aan
    achter de achterstoelen.
    2. Bevestig het net aan de
    bevestigingspunten voor de bagage.
    Zie Bagageverankeringspunten
    (bladzijde 173).

    E87052

    1.

    Druk de uiteinden van de bovenste
    stang naar elkaar toe en breng ze aan
    in de houders tegen het dak. Druk de
    stang naar voren in het smalle deel van
    de houders.

    E130321

    3. Zet de riemen vast.

    176



  • Page 179

    Transport
    Net verwijderen





    voordat u vertrekt
    na 50 kilometer (30 mijl) te hebben
    gereden
    met intervallen van 1000 kilometer.

    Als de rails in dwarsrichting niet worden
    gebruikt, moeten ze worden verwijderd om
    het brandstofverbruik te verlagen.

    Dakdragers aanbrengen
    WAARSCHUWING
    Verdeel de lading gelijkmatig over de
    laadvloer en houd het zwaartepunt
    zo laag mogelijk. Zet de lading goed
    vast om te voorkomen dat deze gaat
    glijden. Plaats nooit de lading direct op het
    dakpaneel.

    E130322

    1. Maak de riemen los.
    2. Maak het net los van de
    bevestigingspunten voor de bagage.
    3. Verwijder de bovenste stangen.

    LET OP
    Verwijder de dakdragers voordat u een
    automatische wasstraat binnenrijdt.

    DAKREKKEN EN
    BAGAGEDRAGERS

    N.B.: De zijrails zijn zodanig ontworpen dat
    dakdragers (voor fietssteunen, skiklemmen,
    enz.) uit het Ford Accessoires Programma
    kunnen worden aangebracht.

    Imperiaal

    N.B.: Reinig, voordat de dakdragers worden
    aangebracht, de zijrails met een in water
    gedrenkte spons.

    WAARSCHUWINGEN
    Wanneer u een imperiaal gebruikt,
    kan het brandstofverbruik van uw
    auto hoger zijn en kan de
    rijkarakteristiek anders zijn.

    N.B.: Positioneer de dakdragers zoals
    afgebeeld.

    Wanneer u een imperiaal aanbrengt,
    lees dan de instructies van de
    fabrikant en volg deze op.

    A

    LET OP
    Overschrijd de maximum toelaatbare
    dakbelasting van 75 kg (inclusief de
    imperiaal) niet.

    E98206

    Controleer of de imperiaal goed vastzit en
    zet de bevestigingen als volgt vast:

    177

    A

    120 mm

    B

    800 mm

    B



  • Page 180

    Transport

    A

    4
    E130001

    E130067

    N.B.: Er is zelfklevend schuimrubber
    meegeleverd om schudden door windstoten
    te voorkomen.

    N.B.: Zorg dat er zich geen opening tussen
    de dakdrager en de rail bevindt (A).
    4. Draai de hendel minimaal 3,5
    omwentelingen.

    N.B.: Zorg dat het oppervlak van de
    dwarsdragers schoon is alvorens het
    zelfklevende schuimrubber te bevestigen.
    1.

    Verwijder de achterzijde en bevestig
    het zelfklevende schuimrubber op de
    dwarsdragers op de aangegeven
    posities.

    E98208

    E130066

    2

    5. Druk de hendel naar binnen. Draai de
    sleutel rechtsom om te vergrendelen.
    6. Verwijder de sleutel.

    4 Nm
    3

    2. Trek de hendel naar buiten.
    3. Draai de hendel rechtsom om de
    dakdrager tegen de rail te laten komen.

    178



  • Page 181

    Transport
    Toegang verkrijgen tot de T-nok

    3

    1
    2
    E98209

    1. Trek de hendel naar buiten.
    2. Laat de afdekking zakken.
    3. Verwijder de schuifbalk.
    Dakbox aanbrengen

    E130002

    Zorg dat het zelfklevende schuimrubber
    niet in contact komt met de
    bevestigingsbout.

    179



  • Page 182

    Aanhangers trekken
    Steile hellingen

    TREKKEN VAN EEN
    AANHANGER

    WAARSCHUWING
    Houd er rekening mee dat de
    oplooprem van een aanhanger niet
    door het ABS wordt geregeld.

    WAARSCHUWINGEN
    Rijd niet harder dan 100 km/u (62
    mph).
    De bandenspanningen achter
    moeten worden vermeerderd met
    0,2 bar (3 psi) boven de specificatie.
    Zie Technische specificatie (bladzijde
    223).

    Schakel terug voordat u een steile afdaling
    bereikt.

    AFNEEMBARE
    TREKHAAKKOGEL

    Overschrijd het maximaal
    toelaatbaar treingewicht dat op het
    identificatieplaatje van de auto staat
    niet. Zie Voertuigidentificatie (bladzijde
    228).

    LET OP
    Beweeg de trekhaakkogel alleen met
    uw hand. Gebruik nooit uw voet of
    gereedschap omdat dan het
    mechanisme kan worden beschadigd.

    LET OP
    Overschrijd nooit het maxiamale
    toegestane kogeldruk, d.w.z. het
    verticale gewicht op de trekhaakkogel,
    van 75 kilogram.
    N.B.: Niet alle auto's zijn geschikt of
    goedgekeurd voor het aanbrengen van een
    trekhaak. Vraag dit eerst bij uw dealer na.

    A

    Plaats de lading zo laag mogelijk en
    midden op de as(sen) van de aanhanger.
    Wanneer u met een onbeladen auto rijdt,
    moet de lading in de aanhanger zover
    mogelijk naar de aanhangerkoppeling
    worden geschoven, omdat dit voor de
    beste stabiliteit zorgt. Overschrijd de
    maximum toelaatbare kogeldruk niet.

    E130344

    U kunt de inklapbare trekhaakkogel 90
    graden verdraaien met het kartelwiel A.

    De stabiliteit van de auto-aanhanger
    combinatie is vooral afhankelijk van de
    kwaliteit van de aanhanger.
    In streken op grotere hoogte boven 1000
    meter moet het opgegeven maximaal
    toelaatbaar treingewicht met 10% worden
    verminderd voor elke extra 1000 meter.

    180



  • Page 183

    Aanhangers trekken

    C
    B

    E75174

    Een 13-pins stekkerdoos B bevindt zich
    naast de trekhaakkogel onder de
    achterbumper C.

    E130345

    1.

    Trekhaakkogel inklappen
    WAARSCHUWINGEN
    Houd uw handen weg van het
    kartelwiel, omdat deze tijdens het
    vergrendelen draait.

    Steek de sleutel in het kartelwiel en
    draai deze rechtsom om hem te
    ontgrendelen.

    U hoort een waarschuwingssignaal
    wanneer de trekhaakkogel niet in een
    van de vergrendelstanden staat.
    Indien u geen waarschuwingssignaal hoort
    wanneer u de trekhaakkogel beweegt,
    gebruik dan de trekhaak niet voordat deze
    door een deskundige is gecontroleerd.
    LET OP
    Voordat de trekhaakkogel in de
    opslagstand wordt gebracht moet
    altijd eerst de aanhanger worden
    losgekoppeld of fietssteunen e.d. eerst
    worden losgemaakt en verwijderd. Maak
    bevestigingen voor stabilisatiesystemen
    los. Verwijder de stekker voor de voeding
    van de aanhanger en de adapter uit de
    stekkerdoos. Doet u dit niet, dan kan de
    bumper worden beschadigd.

    E130346

    2. Trek het kartelwiel uit en draai het
    linksom tot tegen de aanslag. De
    trekhaakkogel draait automatisch in
    de middelste stand.

    181



  • Page 184

    Aanhangers trekken
    Trekhaakkogel uitklappen
    WAARSCHUWING
    U hoort een waarschuwingssignaal
    wanneer de trekhaakkogel niet in een
    van de vergrendelstanden staat.
    Indien u geen waarschuwingssignaal hoort
    wanneer u de trekhaakkogel beweegt,
    gebruik dan de trekhaak niet voordat deze
    door een deskundige is gecontroleerd.
    E75176

    1.

    Steek de sleutel in het kartelwiel en
    draai deze rechtsom om hem te
    ontgrendelen.
    2. Trek het kartelwiel uit en draai het
    linksom tot tegen de aanslag. De
    trekhaakkogel draait automatisch in
    de middelste stand.

    3. Laat het kartelwiel los. De
    trekhaakkogel is niet vergrendeld. Dit
    wordt aangeduid door een
    waarschuwingssignaal en het
    kartelwiel steekt ongeveer vijf
    millimeter uit het huis.

    E75179
    E75177

    3. Laat het kartelwiel los. De
    trekhaakkogel is niet vergrendeld. Dit
    wordt aangeduid door een
    waarschuwingssignaal en het
    kartelwiel steekt ongeveer vijf
    millimeter uit het huis.

    4. Draai de trekhaakkogel met de hand
    vanuit de middelste stand tot tegen de
    aanslag in de opslagstand. De
    trekhaakkogel wordt automatisch in
    de eindstand vergrendeld. Het
    vergrendelingsproces is duidelijk
    hoorbaar wanneer er niet teveel
    achtergrondgeluid is. Wanneer het
    vergrendelingsproces is voltooid, stopt
    het waarschuwingssignaal en het
    kartelwiel keert in zijn oorspronkelijke
    stand terug.
    5. Draai de sleutel linksom en verwijder
    deze.

    182



  • Page 185

    Aanhangers trekken



    u het kartelwiel hebt geblokkeerd
    (linksom) en de sleutel hebt verwijderd
    de trekhaakkogel is vergrendeld. Deze
    moet stevig op zijn plaats blijven als er
    aan getrokken wordt.

    Onderhoud
    LET OP
    De trekhaak en het mechanisme zijn
    onderhoudsvrij. Smeer ze niet met olie
    of vet.

    E75178

    4. Draai de trekhaakkogel met de hand
    vanuit de middelste stand tot tegen de
    aanslag in de werkstand. De
    trekhaakkogel wordt automatisch in
    de eindstand vergrendeld. Het
    vergrendelingsproces is duidelijk
    hoorbaar wanneer er niet teveel
    achtergrondgeluid is. Wanneer het
    vergrendelingsproces is voltooid, stopt
    het waarschuwingssignaal en het
    kartelwiel keert in zijn oorspronkelijke
    stand terug.
    5. Draai de sleutel linksom en verwijder
    deze.

    Alleen de fabrikant mag aan de
    trekhaak reparaties uitvoeren of hem
    demonteren.
    Als u een hogedrukreiniger gebruikt
    om uw auto te wassen, richt de
    waterstraal dan niet op het
    zwenkmechanisme van de trekhaakkogel.

    Rijden met een aanhanger
    WAARSCHUWING
    Wanneer aan één van de
    onderstaande voorwaarden niet kan
    worden voldaan, gebruik dan de
    trekhaak niet en laat deze door een goed
    opgeleide monteur controleren.
    Controleer voordat u gaat rijden of de
    trekhaakkogel goed is vergrendeld.
    Controleer of:




    er geen waarschuwingssignaal klinkt
    nadat de vergrendelingsprocedure is
    voltooid
    het kartelwiel in het huis zit en dat er
    geen spleet bestaat

    183



  • Page 186

    Tips voor het rijden
    INRIJDEN

    LET OP
    De motor kan beschadigd raken als
    water het luchtfilter binnendringt.

    Banden
    WAARSCHUWING

    In noodsituaties kan de auto met een
    maximumsnelheid van 10 km/u (6 mph)
    door water met een maximale diepte van
    200 mm (8") rijden. Tijdens rijden door
    stromend water moet extra worden
    opgelet.

    Nieuwe banden hebben een
    inlooptijd van ongeveer 500
    kilometer. Gedurende deze periode
    kan de auto een andere rijkarakteristiek
    vertonen.

    Houd tijdens rijden in water een lage
    snelheid aan en zet de auto niet stil. Voer
    na het rijden door water de volgende
    procedures uit als de situatie dit toelaat:
    • Trap het rempedaal licht in en
    controleer of volledige remwerking
    wordt verkregen.
    • Controleer of de claxon werkt.
    • Controleer of de verlichting van de auto
    volledig werkt.
    • Controleer de stuurbekrachtiging.

    Remmen en koppeling
    WAARSCHUWING
    Vermijd indien mogelijk intensief
    gebruik van de remmen en de
    koppeling gedurende de eerste 150
    kilometer in de stad en gedurende de
    eerste 1500 kilometer op snelwegen.

    Motor
    LET OP
    Rijd niet te snel gedurende de eerste
    1500 kilometer. Varieer uw snelheid
    regelmatig en schakel tijdig op. Laat
    de motor niet zwoegen.

    VOORZORGSMAATREGELEN
    VOOR KOUDE
    WEERSOMSTANDIGHEDEN
    De werking van sommige componenten
    en systemen kan worden beïnvloed bij
    temperaturen lager dan -30 °C.

    DOOR WATER RIJDEN
    Door water rijden
    LET OP
    Rijd alleen door water in noodgevallen
    en niet als normaal wordt gereden.

    184



  • Page 187

    Wat te doen bij pech
    Trek aan de rode hendel en klap de
    rugleuning neer.

    EERSTEHULPSET
    In de opbergruimte onder de vloer bevindt
    zich een ruimte om een EHBO doos op te
    bergen. Zie Opbergruimte onder vloer
    achterin (bladzijde 175).

    GEVARENDRIEHOEK

    E130151

    Schuif de voorstoel volledig naar achteren.
    Zie Stoelen (bladzijde 116).

    NOODUITGANG
    Als uw auto betrokken is bij een ongeluk,
    dienen de inzittenden op de derde
    stoelenrij de auto via de middelste stoel
    van de tweede stoelenrij te verlaten.

    E129302

    185



  • Page 188

    Zekeringen
    Zekeringenkast laadruimte

    PLAATSEN
    ZEKERINGENHOUDERS
    Zekeringenkast in de
    motorcompartiment
    Deze zekeringenkast is aangebracht in de
    motorruimte. Zie Onderhoud (bladzijde
    197).

    Zekeringkast in de
    passagiersruimte

    E130147

    EEN ZEKERING VERVANGEN
    WAARSCHUWINGEN
    Wijzig de elektrische installatie van
    de wagen op geen enkele wijze. Laat
    reparaties aan de elektrische
    installatie en het vervangen van relais en
    zekeringen voor hoge stroomsterktes door
    een goed opgeleide monteur uitvoeren.

    E130170

    Zet het contact af en schakel alle
    stroomverbruikers uit voordat u een
    zekering aanraakt of probeert te
    vervangen.
    LET OP
    Breng een vervangingszekering met
    hetzelfde vermogen aan als van de
    verwijderde zekering.

    E130171

    1.

    Knijp in de klemmen om de afdekking
    los te maken.
    2. Laat de zekeringenkastafdekking
    zakken en trek deze naar u toe.

    N.B.: U kunt een doorgeslagen zekering
    herkennen aan de gebroken smeltdraad.
    N.B.: Alle zekeringen, behalve zekeringen
    voor hoge stroomsterkten, zijn
    steekzekeringen.

    Breng de eerder verwijderde onderdelen in
    omgekeerde volgorde aan.

    N.B.: Er zit een zekeringentrekker in de
    zekeringenkast van de motorruimte.

    186



  • Page 189

    Zekeringen
    SPECIFICATIE-OVERZICHT ZEKERINGEN
    Zekeringenkast in de motorcompartiment

    E129925

    Zekering

    Ampère

    Beveiligde circuits

    7

    40

    Pomp van ABS

    8

    30

    ABS-klep

    9

    20

    Koplampsproeiers

    10

    40

    Verwarmingsaanjager

    11

    -

    12

    30

    Niet in gebruik
    Relais motorregeling

    13

    30

    Relais startmotor

    14

    40

    Voorruitverwarming (rechterzijde)

    15

    -

    Niet in gebruik

    187



  • Page 190

    Zekeringen
    Zekering

    Ampère

    Beveiligde circuits

    16

    40

    Voorruitverwarming (linkerzijde)

    17

    20

    Standverwarming

    18

    20

    Ruitenwissers

    19

    5

    ABS/ESP-module

    20

    15

    Claxon

    21

    5

    Remlichtschakelaar

    22

    15

    Accubewakingssysteem
    Relaisspoelen, module verlichtingsschakelaar

    23

    5

    24

    20

    Voedingsuitgang achter

    25

    10

    Elektrisch verstelbare buitenspiegels

    26

    15

    Computer motorregeling (PCM)

    27

    15

    Koppeling van compressor airconditioning

    28

    -

    Niet in gebruik

    29

    25

    Verwarmde achterruit

    30

    5

    Regeleenheid motor

    31

    -

    Niet in gebruik

    32

    10

    EGR-klep, wervelregelkleppen, lambdasonde (motorregeling)

    33

    10

    Bobines

    34

    10

    Verstuivers

    35

    15

    Verwarming dieselfilter, actieve afsluitkleppen radiateurgrille

    36

    10

    Regeleenheid motor

    37

    5

    ABS

    38

    15

    Regeleenheid motor, regeleenheid transmissie

    39

    5

    Regeleenheid koplamp

    40

    5

    Elektronische stuurbekrachtiging

    41

    20

    Carrosserieregeleenheid

    188



  • Page 191

    Zekeringen
    Zekering

    Ampère

    Beveiligde circuits

    42

    15

    Achterruitwisser

    43

    15

    Hoogteverstelling koplamplichtbundels

    44

    -

    Niet in gebruik

    45

    10

    Verwarmde spuitmonden

    46

    25

    Elektrisch bediende ruiten (voor)

    47

    7,5

    Verwarmbare buitenspiegels

    48

    15

    Verdamper

    189



  • Page 192

    Zekeringen
    Zekeringkast in de passagiersruimte

    E129926

    Zekering

    Ampère

    56

    20

    Beveiligde circuits

    Brandstofpomp

    190



  • Page 193

    Zekeringen
    Zekering

    Ampère

    Beveiligde circuits

    57

    -

    Niet in gebruik

    58

    -

    Niet in gebruik

    59

    5

    Passief anti-diefstalsysteem (PATS)

    60

    10

    Interieurlamp, schakelaarset bestuurdersportier, handschoenenkastje

    61

    20

    Aansteker, voedingsaansluiting tweede stoelenrij

    62

    5

    Regensensormodule, binnenspiegel

    63

    -

    Niet in gebruik

    64

    -

    Niet in gebruik

    65

    10

    Achterklepontgrendeling

    66

    20

    Bestuurdersportierslot, dubbele vergrendeling

    67

    7,5

    Informatie- en entertainmentdisplay

    68

    15

    Stuurkolomslot

    69

    5

    Instrumentengroep

    70

    20

    Centrale vergrendeling

    71

    10

    Airconditioning

    72

    7,5

    Regeleenheid stuurwiel

    73

    5

    Alarm, boorddiagnose II

    74

    15

    Grootlicht

    75

    15

    Voormistlichten

    76

    10

    Achteruitrijlamp
    Sproeierpomp

    77

    20

    78

    5

    Contactslot of startknop

    79

    15

    Module spraakbesturing, radio, navigatiesysteem, DVDspeler, CD-wisselaar, portierslottoets

    80

    -

    Niet in gebruik

    81

    5

    Bewegingssensor interieur, RF-ontvanger, zonnekleppen

    82

    20

    Massa sproeierpomp

    191



  • Page 194

    Zekeringen
    Zekering

    Ampère

    Beveiligde circuits

    83

    20

    Massa centrale vergrendeling

    84

    20

    Massa bestuurdersportierslot en dubbele vergrendeling

    85

    7,5

    Radio, navigatiesysteem, deactiveringsschakelaar
    passagiersairbag, schakelaar voorstoelverwarming,
    standverwarming, verwarmingsmodule handmatig
    bediende airconditioning

    86

    10

    Veiligheidssysteem

    87

    -

    Niet in gebruik

    88

    -

    Niet in gebruik

    89

    -

    Niet in gebruik

    Zekeringenkast laadruimte

    E129927

    Zekering

    Ampère

    1

    -

    Beveiligde circuits

    Niet in gebruik

    2

    10

    Module sleutelloos sluit- en startsysteem

    3

    5

    Portierhandgrepen sleutelloos voertuigsysteem

    4

    25

    Portiermodule (linksvoor) (elektrisch bediende ruiten,
    centrale vergrendeling, inklapbare buitenspiegel, buitenspiegelverwarming)

    192



  • Page 195

    Zekeringen
    Zekering

    Ampère

    Beveiligde circuits

    5

    25

    Portiermodule (rechtsvoor) (ruit op/neer, centrale
    vergrendeling, inklapbare spiegel, spiegelverwarming)

    6

    25

    Portiermodule (linksachter) (ruit op/neer)

    7

    25

    Portiermodule (rechtsachter) (ruit op/neer)

    8

    10

    Alarmclaxon

    9

    25

    Elektrisch verstelbare bestuurdersstoel

    10

    -

    Niet in gebruik

    11

    -

    Niet in gebruik

    12

    -

    Niet in gebruik

    13

    -

    Niet in gebruik

    14

    -

    Niet in gebruik

    15

    -

    Niet in gebruik

    16

    -

    Niet in gebruik

    17

    -

    Niet in gebruik

    18

    -

    Niet in gebruik

    19

    -

    Niet in gebruik

    20

    -

    Niet in gebruik

    21

    -

    Niet in gebruik

    22

    -

    Niet in gebruik

    23

    -

    Niet in gebruik

    24

    30

    Omvormer

    25

    25

    Elektrisch bediende achterklep

    26

    40

    Accessoires, trekhaakmodule

    27

    -

    Niet in gebruik

    28

    -

    Niet in gebruik

    29

    5

    Informatiesysteem dode hoek

    30

    5

    Parkeerhulpmodule

    193



  • Page 196

    Zekeringen
    Zekering

    Ampère

    Beveiligde circuits

    31

    5

    Achteruitkijkcamera

    32

    5

    Omvormer

    33

    -

    Niet in gebruik

    34

    15

    Verwarming bestuurdersstoel

    35

    15

    Verwarming passagiersstoel, voor

    36

    -

    Niet in gebruik

    37

    20

    38

    -

    Niet in gebruik

    39

    -

    Niet in gebruik

    40

    -

    Niet in gebruik

    41

    -

    Niet in gebruik

    Zonneschermsysteem

    42

    -

    Niet in gebruik

    43

    -

    Niet in gebruik

    44

    -

    Niet in gebruik

    45

    -

    Niet in gebruik

    46

    -

    Niet in gebruik

    194



  • Page 197

    Bergen van de auto
    Sleepoog, achter

    SLEEPPUNTEN
    Locatie sleepoog
    Het afneembare sleepoog bevindt zich in
    het bagagecompartiment.
    Het sleepoog moet altijd in de wagen
    worden meegenomen.

    Sleepoog aanbrengen
    LET OP
    Het afneembare sleepoog heeft
    linkse schroefdraad. Draai het
    linksom om het vast te zetten. Zorg
    ervoor dat het sleepoog volledig wordt
    vastgezet.
    N.B.: Bij wagens met een trekhaak kan het
    sleepoog aan de achterzijde niet worden
    aangebracht. Gebruik de trekhaak voor het
    slepen van een auto.

    E78368

    Sleepoog, voor

    Breng het sleepoog aan.

    Steek een geschikt voorwerp in het gat aan
    de onderzijde van het paneel en trek het
    paneel los.

    AUTO OP VIER WIELEN
    SLEPEN
    Alle modelvarianten
    WAARSCHUWINGEN
    Zet het contact aan wanneer uw
    auto wordt gesleept. Bij afgezet
    contact treedt het stuurslot in
    werking en werken de richtingaanwijzers
    en de remlichten niet.
    De rem- en stuurbekrachtiging
    werken niet, tenzij de motor draait.
    Druk het rempedaal harder in en
    houd rekening met langere remafstanden
    en een zwaarder draaiend stuurwiel.

    E78367

    195



  • Page 198

    Bergen van de auto
    LET OP
    Te veel spanning op de sleepkabel
    kan schade toebrengen aan uw en
    aan de trekkende auto.
    Zet de versnellingsbak in neutraal
    wanneer uw auto wordt gesleept.
    In geval van pech of een mechanische
    storing mag niet gebruik worden
    gemaakt van afzonderlijke asdragers.
    De auto moet worden gesleept met ALLE
    wielen op het wegdek of worden vervoerd
    met ALLE wielen van het wegdek op een
    vlakke ondergrond.
    Trek rustig en soepel zonder rukken op.

    Uitvoeringen met automatische
    transmissie
    LET OP
    Wanneer uw auto met snelheden
    boven 20 km/u en over afstanden van
    meer dan 20 kilometer moet worden
    gesleept, moet deze worden
    getransporteerd terwijl ALLE wielen vrij
    zijn van het wegdek.
    Het wordt aanbevolen de auto niet te
    slepen met de aandrijfwielen op het
    wegdek. Als het echter nodig is om de
    auto van een gevaarlijk plaats te
    verwijderen, sleep uw auto dan niet sneller
    dan 20 km/u of over een afstand van meer
    dan 20 kilometer.
    Sleep uw auto niet achterwaarts.
    In geval van een mechanische storing
    bij de transmissie mag niet gebruik
    worden gemaakt van afzonderlijke
    asdragers. ALLE wielen moeten vrij zijn
    van het wegdek op een vlakke ondergrond.
    Sleep uw auto niet als de
    omgevingstemperatuur lager is dan
    0 °C.

    196



  • Page 199

    Onderhoud
    Dagelijkse controles

    ALGEMENE INFORMATIE





    Wanneer u uw auto regelmatig laat
    onderhouden zal dit de betrouwbaarheid
    en de inruilwaarde ten goede komen. Er
    staat een groot netwerk van Ford Erkende
    Reparateurs ter beschikking die u met hun
    professionele expertise ter zijde kunnen
    staan. De speciaal opgeleide monteurs zijn
    het best gekwalificeerd om het onderhoud
    aan uw auto snel en vakkundig uit te
    voeren. Bovendien beschikken zij over
    gereedschappen en apparatuur die
    speciaal zijn ontwikkeld om het onderhoud
    aan uw auto uit te voeren.

    Buitenverlichting.
    Binnenverlichting
    Waarschuwings- en controlelampen.

    Controles bij het tanken





    Naast het normale onderhoud raden wij
    aan de volgende extra controles uit te
    voeren.



    WAARSCHUWINGEN
    Zet het contact af voordat u
    onderdelen aanraakt of probeert af
    te stellen.



    Motoroliepeil. Zie Motorolie
    controleren (bladzijde 203).
    Remvloeistofpeil. Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en
    remsysteem (bladzijde 204).
    Peil van de ruitensproeiervloeistof. Zie
    Ruitensproeiervloeistof
    controleren (bladzijde 204).
    Bandenspanning (in koude toestand).
    Zie Technische specificatie
    (bladzijde 223).
    Staat van de banden. Zie Velgen en
    banden (bladzijde 212).

    Maandelijkse controles

    Raak onderdelen van het
    elektronisch ontstekingssysteem bij
    aangezet contact of draaiende motor
    niet aan. Het systeem werkt met
    hoogspanning.





    Zorg dat uw handen en
    kledingstukken niet met de
    koelventilateur in aanraking kunnen
    komen. Onder bepaalde omstandigheden
    kan de koelventilateur na het afzetten van
    de motor nog enkele minuten blijven
    doordraaien.






    LET OP
    Zorg tijdens het uitvoeren van
    onderhoudscontroles dat de
    vuldoppen stevig zijn aangebracht.

    197

    Koelvloeistofpeil (bij koude motor).
    Zie Motorkoelvloeistof controleren
    (bladzijde 203).
    Slangen, leidingen en reservoirs op
    lekkage.
    Werking van de airconditioning.
    Werking van de parkeerrem.
    Werking van de claxon.
    Vastzitten van de wielmoeren. Zie
    Technische specificatie (bladzijde
    223).



  • Page 200

    Onderhoud
    Verplaats de vergrendelnok naar links.

    DE MOTORKAP OPENEN EN
    SLUITEN
    De motorkap openen

    E87786
    E73698

    Open de motorkap en ondersteun deze
    met de steunstang.

    De motorkap sluiten
    WAARSCHUWING
    Zorg dat de motorkap goed wordt
    gesloten.
    Laat de motorkap zakken en vanaf een
    hoogte van 20 – 30 cm dichtvallen.

    E135852

    198



  • Page 201

    Onderhoud
    OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,6 L DURATEC-16V TI-VCT
    (SIGMA)

    A

    B

    C

    I

    D

    E

    F

    H

    G

    E130030

    *

    A

    Expansiereservoir : Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 203).

    B

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts) : Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 204).

    C

    Motorolievuldop : Zie Motorolie controleren (bladzijde 203).

    D

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur links) : Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 204).

    E

    Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 210).

    F

    Zekeringenkast in motorcompartiment: Zie Zekeringen (bladzijde 186).

    G

    Luchtfilter: geen onderhoud vereist.

    *

    1

    *

    199



  • Page 202

    Onderhoud
    1

    H

    Motoroliepeilstaaf : Zie Motorolie controleren (bladzijde 203).

    I

    Vloeistofreservoir ruitensproeiers : Zie Ruitensproeiervloeistof controleren
    (bladzijde 204).

    *

    1

    Voor een gemakkelijke herkenbaarheid zijn alle vuldoppen en de motoroliepeilstaaf
    met een kleur gemarkeerd.

    OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,6 L DURATORQ-TDCI (DV) DIESEL

    A

    I

    B

    C

    D

    F

    E

    H

    G

    E130031

    *

    A

    Expansiereservoir : Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 203).

    B

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts) : Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 204).

    C

    Motorolievuldop : Zie Motorolie controleren (bladzijde 203).

    *

    1

    200



  • Page 203

    Onderhoud
    *

    D

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur links) : Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 204).

    E

    Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 210).

    F

    Zekeringenkast in motorcompartiment: Zie Zekeringen (bladzijde 186).

    G

    Luchtfilter: geen onderhoud vereist.

    H

    Motoroliepeilstaaf : Zie Motorolie controleren (bladzijde 203).

    I

    Vloeistofreservoir ruitensproeiers : Zie Ruitensproeiervloeistof controleren
    (bladzijde 204).

    1

    *

    1

    Voor een gemakkelijke herkenbaarheid zijn alle vuldoppen en de motoroliepeilstaaf
    met een kleur gemarkeerd.

    OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,0 L DURATORQ-TDCI (DW)
    DIESEL

    A

    I

    B

    C

    D

    H

    E

    F

    G

    E130032

    201



  • Page 204

    Onderhoud
    *

    A

    Expansiereservoir : Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 203).

    B

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts) : Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 204).

    C

    Motoroliepeilstaaf : Zie Motorolie controleren (bladzijde 203).

    D

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur links) : Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 204).

    E

    Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 210).

    *

    1

    *

    F

    Zekeringenkast in motorcompartiment: Zie Zekeringen (bladzijde 186).

    G

    Luchtfilter: geen onderhoud vereist.

    H

    Motorolievuldop : Zie Motorolie controleren (bladzijde 203).

    I

    Vloeistofreservoir ruitensproeiers : Zie Ruitensproeiervloeistof controleren
    (bladzijde 204).

    1

    *

    1

    Voor een gemakkelijke herkenbaarheid zijn alle vuldoppen en de motoroliepeilstaaf
    met een kleur gemarkeerd.

    OLIEPEILSTAAF - 1,6 L
    DURATEC-16V TI-VCT (SIGMA)

    A

    OLIEPEILSTAAF - 1,6 L
    DURATORQ-TDCI (DV) DIESEL
    /2,0 L DURATORQ-TDCI (DW)
    DIESEL

    B

    A

    E95540

    A

    MIN

    B

    MAX

    E95543

    202

    A

    MIN

    B

    MAX

    B



  • Page 205

    Onderhoud
    Verwijder de vuldop.

    MOTOROLIE CONTROLEREN

    LET OP

    LET OP

    Het oliepeil mag niet boven het MAX
    merkteken komen te staan.

    Gebruik geen additieven of andere
    smeermiddelen. Onder bepaalde
    omstandigheden kunnen deze de
    motor beschadigen.

    Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford
    specificatie. Zie Technische specificatie
    (bladzijde 205).

    N.B.: Het olieverbruik van nieuwe motoren
    bereikt zijn normale waarden na ongeveer
    5000 kilometer.

    Draai de vuldop er weer op. Draai hem tot
    u sterke weerstand voelt.

    Het oliepeil controleren

    MOTORKOELVLOEISTOF
    CONTROLEREN

    LET OP
    Controleer of het peil tussen de MIN
    en de MAX merktekens staat.

    Koelvloeistofpeil controleren
    WAARSCHUWING

    N.B.: Controleer het peil voordat de motor
    wordt gestart.

    Voorkom dat de vloeistof in contact
    komt met de huid of de ogen. Mocht
    dit toch gebeuren, spoel het
    betreffende lichaamsdeel dan direct met
    veel water schoon en neem contact op
    met uw huisarts.

    N.B.: De auto moet op een vlakke
    ondergrond staan.
    N.B.: Bij verwarming zet olie uit. Daardoor
    kan het oliepeil enkele millimeters boven
    het MAX merkteken staan.

    LET OP

    Verwijder de oliepeilstaaf en veeg deze
    met een schone, niet pluizende doek
    schoon. Breng de oliepeilstaaf weer aan
    en verwijder hem opnieuw om het oliepeil
    te controleren.

    Controleer of het peil tussen de MIN
    en MAX merktekens staat.
    N.B.: Koelvloeistof zet bij verwarming uit.
    Daardoor kan het koelvloeistofpeil enkele
    millimeters boven het MAX merkteken
    staan.

    Wanneer het peil bij het MIN merkteken
    staat, vul dan direct bij.

    Bijvullen

    Wanneer het peil bij het MIN merkteken
    staat, vul dan direct bij.

    WAARSCHUWINGEN
    Vul alleen bij wanneer de motor koud
    is. Wacht wanneer de motor heet is
    tien minuten om de motor te laten
    afkoelen.

    Bijvullen
    WAARSCHUWINGEN
    Vul alleen bij wanneer de motor koud
    is. Wacht wanneer de motor heet is
    tien minuten om de motor te laten
    afkoelen.

    Verwijder de vuldop niet bij
    draaiende motor.

    203



  • Page 206

    Onderhoud
    WAARSCHUWINGEN
    Verwijder de vuldop niet bij
    draaiende motor.

    CONTROLE VLOEISTOFPEIL
    KOPPELING EN REMSYSTEEM

    Verwijder de vuldop niet wanneer de
    motor heet is. Laat de motor eerst
    afkoelen.

    WAARSCHUWINGEN
    Het gebruik van een andere vloeistof
    dan de aanbevolen remvloeistof kan
    de werking van het remsysteem
    reduceren en voldoet niet aan de
    prestatiestandaard van Ford.

    Onverdunde koelvloeistof is
    brandbaar en kan ontbranden
    wanneer deze wordt gemorst op een
    hete uitlaat.

    Voorkom dat de vloeistof in contact
    komt met de huid of de ogen. Mocht
    dit toch gebeuren, spoel het
    betreffende lichaamsdeel dan direct met
    veel water schoon en neem contact op
    met uw huisarts.

    LET OP
    In een noodgeval kan water in het
    koelsysteem worden bijgevuld om een
    tankstation te bereiken. Laat het
    systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur
    controleren.

    Als het vloeistofpeil is gezakt tot de
    markering MIN, laat het systeem dan
    zo snel mogelijk controleren door een
    goed opgeleide monteur.

    Langdurig gebruik van koelvloeistof
    met een incorrecte mengverhouding
    kan leiden tot motorschade door
    corrosie, oververhitting of bevriezing.

    N.B.: Bewaar remvloeistof schoon en droog.
    Vervuiling door vuil, water,
    petroleumproducten of andere materialen
    kunnen leiden tot beschadiging en mogelijk
    het defect raken van het remsysteem.

    Draai de dop langzaam los. Laat de druk
    langzaam ontsnappen terwijl u de dop
    losdraait.

    N.B.: Het remsysteem en het
    bedieningsmechanisme van de koppeling
    zijn aangesloten op één reservoir.

    LET OP
    Het oliepeil mag niet boven het MAX
    merkteken komen te staan.

    Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford
    specificatie. Zie Technische specificatie
    (bladzijde 205).

    Vul bij met een mengsel van koelvloeistof
    en water (50/50) op basis van vloeistof
    die voldoet aan de Ford specificatie. Zie
    Technische specificatie (bladzijde 205).

    RUITENSPROEIERVLOEISTOF
    CONTROLEREN
    N.B.: De ruitensproeiers van de voor- en
    achterruit hebben een gemeenschappelijk
    reservoir.

    204



  • Page 207

    Onderhoud
    Gebruik voor het bijvullen een mengsel van
    sproeiervloeistof en water om bevriezing
    bij koude weersomstandigheden te
    voorkomen en het reinigende effect te
    verbeteren. We adviseren alleen
    sproeiervloeistof van hoge kwaliteit te
    gebruiken.

    Raadpleeg de productinstructies voor
    informatie over vloeistofverdunning.

    TECHNISCHE SPECIFICATIE
    Vloeistoffen
    LET OP
    Gebruik geen vloeistoffen die niet aan de gedefinieerde specificaties of eisen voldoen.
    Gebruik van een ongeschikte vloeistof kan beschadiging tot gevolg hebben, hetgeen
    niet onder de Garantie valt.
    Punt

    Specificatie

    Motoroliesoorten - Benzineen dieselmotoren

    WSS-M2C913-C

    Castrol of Ford motorolie

    Alternatieve motorolie alleen benzinemotoren

    WSS-M2C925-B

    Castrol motorolie

    Antivries

    WSS-M97B44-D

    Motorcraft SuperPlus antivries

    WSS-M6C65-A2 of ISO
    4925 klasse 6

    Motorcraft of Ford DOT 4 LV
    High Performance remvloeistof

    Remvloeistof

    Aanbevolen vloeistof

    Uw auto is ontworpen voor gebruik van Castrol en Ford motorolie voor een gunstig
    brandstofverbruik met behoud van de duurzaamheid van de motor.
    Alleen voor benzinemotoren hebben Ford en Castrol een lage wrijvingsolie SAE-5W-20
    ontwikkeld voor een gunstiger brandstofverbruik dan de standaard SAE-5W-30 olie. Als
    deze olie niet beschikbaar is, wordt aanbevolen tijdens onderhoud olie met specificatie
    WSS-M2C913-C bij te vullen.
    Olie bijvullen: Als u geen olie kunt vinden die voldoet aan de specificatie gedefinieerd
    door WSS-M2C913-C of WSS-M2C925-B (alleen benzinemotoren), dan dient u SAE
    5W-30 te gebruiken die voldoet aan de specificatie gedefinieerd door ACEA A5/B5.
    Het gebruik van olie voor bijvullen in plaats van de gespecificeerde olie kan tot gevolg
    hebben dat de motor minder snel aanslaat, minder vermogen levert, meer brandstof
    verbruikt en een hogere emissiewaarde heeft.
    Castrol motorolie wordt aanbevolen.

    205



  • Page 208

    Onderhoud

    E115472

    Inhouden
    Variant

    Nr.

    Inhoud in liter (gallons)

    Alle - Grand C-MAX

    Brandstoftank

    60 (13,2)

    Auto's met benzinemotor C-MAX

    Brandstoftank

    55 (12,1)

    1.6L Duratorq-TDCi - DV, CMAX

    Brandstoftank

    53 (11,7)

    2.0L Duratorq-TDCi - DW,
    C-MAX

    Brandstoftank

    60 (13,2)

    Alle

    Ruitensproeiersysteem met koplampsproeiers

    4,5 (1)

    Alle

    Ruitensproeiersysteem zonder koplampsproeiers

    3 (0,7)

    1.6L Duratec-16V Ti-VCT Sigma

    Motorolie - inclusief filter

    4,1 (0,9)

    1.6L Duratec-16V Ti-VCT Sigma

    Motorolie - exclusief filter

    3,75 (0,8)

    1.6L Duratec-16V Ti-VCT Sigma

    Koelsysteem

    1.6L EcoBoost - Sigma

    Motorolie - inclusief filter

    4,1 (0,9)

    1.6L EcoBoost - Sigma

    Motorolie - exclusief filter

    3,75 (0,8)

    1.6L EcoBoost - Sigma

    Koelsysteem

    1.6L Duratorq-TDCi - DV

    Motorolie - inclusief filter

    3,8 (0,8)

    1.6L Duratorq-TDCi - DV

    Motorolie - exclusief filter

    3,5 (0,8)

    1.6L Duratorq-TDCi - DV

    Koelsysteem

    2.0L Duratorq-TDCi - DW

    Motorolie - inclusief filter

    5,7 (1,3)

    2.0L Duratorq-TDCi - DW

    Motorolie - exclusief filter

    5,4 (1,2)

    2.0L Duratorq-TDCi - DW

    Koelsysteem

    206

    ongeveer 5,8 (1,3)

    ca. 6,3 (1,4)

    ongeveer 7,3 (1,6)

    ca. 8,5 (1,9)



  • Page 209

    Onderhoud

    Vulhoeveelheden motorolie
    Vulhoeveelheid in liter
    (gallons)

    Motor

    1.6L Duratec-16V Ti-VCT - Sigma

    0,7 (0,2)

    1.6L EcoBoost - Sigma

    0,8 (0,2)

    1.6L Duratorq-TDCi - DV

    1,6 (0,4)

    2.0L Duratorq-TDCi - DW

    1,8 (0,4)

    207



  • Page 210

    Verzorging van de auto
    Achterruit reinigen

    REINIGEN VAN BUITENZIJDE
    AUTO

    LET OP
    Gebruik geen scherpe voorwerpen,
    schurende reinigingsmiddelen of
    chemische oplossingen op de
    binnenzijde van de achterruit te reinigen.

    WAARSCHUWING
    Wanneer de auto tijdens het wassen
    in een autowasserette in de was
    wordt gezet, verwijder dan de was
    van de voorruit.

    Gebruik een schone, niet pluizende doek
    of een vochtige zeem om de binnenzijde
    van de achterruit te reinigen.

    LET OP
    Controleer eerst de geschiktheid van
    de autowasserette voor uw auto,
    voordat u van de autowasserette
    gebruik maakt.

    Chromen onderdelen reinigen
    LET OP
    Gebruik geen schuurmiddelen of
    chemische oplosmiddelen. Gebruik
    een zeepoplossing.

    Sommige wasinstallaties maken
    gebruik van water onder hoge druk.
    Hierdoor kunnen sommige onderdelen
    van uw auto worden beschadigd.

    Onderhoud van de lak

    Verwijder de antenne voordat u een
    automatische wasstraat inrijdt.

    LET OP
    Poets de auto niet in de felle zon.

    Schakel de aanjager uit om te
    voorkomen dat deeltjes was zich in
    het luchtfilter vastzetten.

    Voorkom dat polish op kunststof
    oppervlakken komt. Dit laat zich
    moeilijk verwijderen.

    Wij raden aan uw auto met een spons en
    handwarm water en autoshampoo te
    wassen.

    Breng geen polish op de voor- en
    achterruit aan. Dit heeft een lawaaiige
    werking van de ruitenwissers tot
    gevolg; bovendien kunnen de ruiten dan
    niet goed worden drooggeveegd.

    Koplampen reinigen
    LET OP
    Gebruik geen scherpe voorwerpen,
    schurende reinigingsmiddelen of
    oplossingen op alcoholische of
    chemische basis om de koplampglazen te
    reinigen.

    Wij raden u aan de lak één- of tweemaal
    per jaar in de was te zetten.

    Veeg de koplampglazen niet schoon
    wanneer ze droog zijn.

    208



  • Page 211

    Verzorging van de auto
    REINIGEN VAN BINNENZIJDE
    AUTO

    KLEINE LAKSCHADE
    REPAREREN

    Veiligheidsgordels

    LET OP
    Verwijder onmiddellijk ogenschijnlijk
    onschadelijke substanties van het
    lakwerk (bijvoorbeeld uitwerpselen
    van vogels, boomsappen, dode insecten,
    teervlekken, wegenzout en industriële
    neerslag).

    WAARSCHUWINGEN
    Gebruik voor het reinigen geen
    schurende middelen of chemische
    oplosmiddelen.
    Let er op dat geen vocht in het
    oprolmechanisme komt.

    Lakbeschadigingen door steenslag of
    kleine krasjes moeten zo spoedig mogelijk
    worden hersteld. Uw Ford dealer heeft een
    grote keuze aan producten. Lees en volg
    nauwkeurig de instructies van de fabrikant
    op.

    Reinig de veiligheidsgordels met een
    interieurreiniger of water met een zachte
    spons. Laat de veiligheidsgordels op een
    natuurlijke manier drogen. Gebruik geen
    haardroger o.i.d.

    Instrumentenpaneelschermen,
    LCD-schermen, radioschermen
    WAARSCHUWING
    Gebruik voor het reinigen geen
    schurende middelen, oplosmiddelen
    op basis van alcohol of chemische
    oplosmiddelen.

    Achterruiten
    LET OP
    Gebruik geen schurende materialen
    voor het reinigen van de binnenzijde
    van de achterruiten.
    Breng geen stickers of labels aan op
    de binnenzijde van de achterruiten.

    209



  • Page 212

    Accu van de auto
    Hulpstartkabels aansluiten

    STARTEN MET
    HULPSTARTKABELS
    WAARSCHUWING
    Gebruik brandstofleidingen,
    motorafdekkingen of inlaatspruitstuk
    nooit als massapunten.

    A

    LET OP
    Verbind alleen accu's met dezelfde
    nominale spanning met elkaar.

    C

    Gebruik altijd hulpstartkabels met
    geïsoleerde klemmen en een
    voldoende dikke kern.

    D

    Koppel de ontladen accu niet los van
    de elektrische installatie van de auto.

    B

    E102925

    1.

    A

    Auto met de lege accu

    B

    Auto met de hulpaccu

    C

    Positieve hulpstartkabel

    D

    Negatieve hulpstartkabel

    Plaats de auto's zodanig dat ze elkaar
    niet raken.
    2. Zet het contact van beide auto's af en
    schakel alle stroomverbruikers uit.
    3. Verbind de plus (+) pool van auto B
    met de plus (+) pool van auto A (kabel
    C).
    4. Verbind de min (-) pool van auto B met
    de massa-aansluiting van auto A
    (kabel D). Zie Aansluitpunten van
    de accu (bladzijde 211).

    210



  • Page 213

    Accu van de auto
    AANSLUITPUNTEN VAN DE
    ACCU

    LET OP
    Sluit de kabel niet aan op de
    minpool (–) van de ontladen accu.

    LET OP

    Zorg ervoor dat de kabels niet met
    draaiende onderdelen en onderdelen
    van het brandstoftoevoersysteem in
    aanraking kunnen komen.

    Sluit de kabel niet aan op de
    minpool (–) van de ontladen accu.

    Motor starten
    1.

    Start de motor van auto B en laat deze
    met een matig hoog toerental draaien.
    2. Start de motor van auto A.
    3. Laat beide motoren minimaal drie
    minuten draaien alvorens de kabels los
    te koppelen.
    LET OP
    Schakel niet de koplampen tijdens het
    loskoppelen van de hulpstartkabels
    in. Door de spanningspiek kunnen de
    gloeilampen doorbranden.

    E130431

    Het massaverbindingspunt bevindt zich
    rechts van de accu bij de zekeringenkast
    in de motorruimte.

    Koppel de kabels in omgekeerde volgorde
    los.

    ACCU VERVANGEN
    LET OP
    Voor auto's met
    start/stop-schakelaar verschillen de
    accuvereisten. De accu moet worden
    vervangen door een accu met exact
    dezelfde specificatie als de originele.
    N.B.: Indien nodig moet de Keycode van de
    audio-installatie opnieuw worden
    geprogrammeerd.
    De accu is aangebracht in de motorruimte.
    Zie Onderhoud (bladzijde 197).

    211



  • Page 214

    Velgen en banden
    Uitvoeringen met een reservewiel

    ALGEMENE INFORMATIE

    Als het reservewiel exact hetzelfde type is
    en dezelfde afmeting heeft als de andere
    aangebrachte wielen, dan kan het
    bestaande wiel worden vervangen door
    het reservewiel en kan worden verder
    gereden op de normale wijze.

    LET OP
    Gebruik uitsluitend banden en velgen
    met de goedgekeurde maat. Het
    gebruik van andere maten kan schade
    aan de auto tot gevolg hebben en kan de
    typegoedkeuring ongeldig maken.

    Als het reservewiel verschilt van de andere
    wielen, dan is er een geel label
    aangebracht met de betreffende
    snelheidslimiet.

    Wanneer u banden met een andere
    diameter laat monteren dan die van
    de in de fabriek gemonteerde banden,
    geeft de snelheidsmeter niet meer de juiste
    snelheid aan. Breng uw wagen naar uw
    dealer en laat het motor
    managementsysteem opnieuw
    programmeren.

    Raadpleeg de volgende informatie
    alvorens het wiel te verwisselen.
    WAARSCHUWINGEN
    Leg zo kort mogelijke afstanden af.

    Wanneer u banden met een andere
    diameter dan de in de fabriek
    gemonteerde banden wilt
    aanbrengen, controleer dan bij uw dealer
    of deze geschikt zijn.

    Monteer nooit meer dan één
    reservewiel tegelijk.

    N.B.: Controleer de bandenspanningen
    regelmatig voor een optimaal
    brandstofverbruik.

    Rijd met dit wiel niet een
    automatische wasstraat in.

    Op de B-stijl bij het bestuurdersportier
    bevindt zich een plaatje met de
    bandenspanning.

    Als u niet zeker bent van het type
    reservewiel, rijd dan niet sneller dan
    80 km/u.

    Controleer de bandenspanning bij een
    temperatuur waarin u gaat rijden en
    wanneer de banden koud zijn.

    Breng alleen sneeuwkettingen aan
    op gespecificeerde banden. Zie
    Technische specificatie (bladzijde

    Voer geen bandenreparaties uit aan
    een reservewiel.

    223).

    EEN WIEL VERVANGEN

    LET OP

    Wielslotmoeren

    De bodemvrijheid van de auto wordt
    wellicht verminderd. Wees voorzichtig
    tijdens het parkeren naast een
    stoeprand.

    Na het overleggen van het certificaat met
    het referentienummer kunt u bij uw dealer
    een vervangings dopsleutel en vervangings
    slotmoeren verkrijgen.

    N.B.: De auto kan enige ongewone
    rij-eigenschappen vertonen.

    212



  • Page 215

    Velgen en banden
    Boordkrik

    N.B.: Gebruik een krik met een minimum
    hefvermogen van 1,5 ton en een krikkop met
    een diameter van minimaal 80 mm (3,1
    inch).

    WAARSCHUWINGEN
    De boordkrik waarmee uw auto
    wordt geleverd mag alleen worden
    gebruikt voor het wisselen van een
    wiel in noodsituaties.

    Uitvoeringen zonder
    bandenreparatieset
    De krik, de wielmoersleutel, het
    afneembare sleepoog en de
    wieldopverwijderaar zijn aangebracht in
    de reservewielkuip.

    Controleer, voordat u de boordkrik
    gebruikt, of deze niet is beschadigd
    of vervormd en dat de schroefdraad
    is gesmeerd en vrij is van verontreinigingen.
    U mag nooit iets tussen de krik en de
    grond of de krik en de auto plaatsen.

    Kriksteunpunten
    LET OP

    N.B.: Auto's met een bandenreparatieset
    zijn niet uitgerust met een boordkrik en een
    wielmoersleutel.

    Gebruik uitsluitend de aangegeven
    kriksteunpunten. Wanneer u andere
    punten gebruikt kan dit de carrosserie,
    de stuurinrichting, de wielophanging, de
    motor, het remsysteem of de
    brandstofleidingen beschadigen.

    Het verdient aanbeveling een hydraulische
    garagekrik te gebruiken wanneer u bijv. de
    zomerbanden door winterbanden vervangt.

    213



  • Page 216

    Velgen en banden

    A
    B

    E92658

    A

    Alleen voor gebruik in noodsituaties

    B

    Onderhoud

    A

    E93302

    Kleine pijlvormige markeringen op de
    dorpels A duiden de kriksteunpunten aan.
    E92932

    214



  • Page 217

    Velgen en banden

    E122502

    Steek het afneembare sleepoog in de
    wielmoersleutel.
    E93020

    Wieldop verwijderen

    Wielmoersleutel monteren

    Type 1

    Type 1

    Steek het platte einde van de
    wielmoersleutel tussen de velg en de
    wieldop en verwijder de wieldop
    voorzichtig.

    WAARSCHUWING
    Let erop dat uw vingers niet vast
    komen te zitten wanneer de
    verlenging van de wielmoersleutel in
    de originele positie wordt teruggebracht.

    Type 2

    N.B.: Zorg dat de wielmoersleutel volledig
    is verlengd.

    1

    2
    E122546

    Verleng de wielmoersleutel.
    Type 2
    LET OP
    Het afneembare sleepoog heeft
    linkse schroefdraad. Draai het
    linksom om het vast te zetten. Zorg
    ervoor dat het sleepoog volledig wordt
    vastgezet.

    E122314

    1. Breng de wieldopverwijderaar aan.
    2. Verwijder de wieldop.

    215



  • Page 218

    Velgen en banden
    N.B.: Zorg dat de wieldopverwijderaar
    onder een rechte hoek ten opzichte van de
    wieldop wordt aangetrokken.

    WAARSCHUWINGEN
    Zorg ervoor dat de krik verticaal ten
    opzichte van het kriksteunpunt staat
    en dat de voet vlak op de grond
    staat.

    Wiel verwijderen
    WAARSCHUWINGEN
    Parkeer uw auto dusdanig dat u,
    noch het verkeer hinder ondervindt
    of gevaar loopt.

    LET OP
    Leg lichtmetalen velgen niet met de
    buitenzijde op de grond, hierdoor
    wordt de lak beschadigd.

    Zet een gevarendriehoek neer.

    N.B.: Het reservewiel bevindt zich onder het
    paneel in het bagagecompartiment.

    Zorg ervoor dat de auto met de
    wielen in de rechtuitstand op een
    stevige, vlakke ondergrond staat.

    1.

    Zet het contact af en schakel de
    parkeerrem in.

    Breng de dopsleutel voor de slotmoer
    aan.

    Schakel de eerste versnelling of de
    achteruit in wanneer uw auto is
    uitgerust met een handgeschakelde
    versnellingsbak. Selecteer stand 'P'
    wanneer deze met een automatische
    transmissie is uitgerust.
    Laat de inzittenden uitstappen.

    1

    Blokkeer het diagonaal
    tegenoverliggende wiel met een
    geschikt blok hout of een wielkeg.
    Let erop dat bij richting gebonden
    banden de pijlen in de draairichting
    wijzen wanneer de auto vooruit rijdt.
    Wanneer een reservewiel moet worden
    gemonteerd waarvan de pijlen
    tegengesteld aan de draairichting wijzen,
    laat dan de band zo spoedig mogelijk door
    een goed opgeleide monteur in de juiste
    richting monteren.

    2

    Voer geen werkzaamheden uit onder
    een auto die alleen wordt
    ondersteund door een krik.

    E121887

    2. Draai de wielmoeren een slag los.
    3. Krik de auto op tot de band vrij is van
    de grond.
    4. Verwijder de wielmoeren en het wiel.

    216



  • Page 219

    Velgen en banden
    Wiel aanbrengen
    WAARSCHUWINGEN
    Gebruik uitsluitend banden en velgen
    met de goedgekeurde maat. Het
    gebruik van andere maten kan
    beschadiging van de auto tot gevolg
    hebben en maakt de typegoedkeuring
    ongeldig. Zie Technische specificatie
    (bladzijde 223).

    1
    4

    3

    Laat geen run flat banden monteren
    als de auto hiermee oorspronkelijk
    niet was uitgerust. Raadpleeg uw
    dealer voor meer informatie over de
    geschiktheid van banden.

    5

    2

    E75442
    4. Zet de wielmoeren in de aangegeven
    volgorde voorlopig vast.
    5. Laat de auto zakken en verwijder de
    krik.
    6. Draai de wielmoeren in de aangegeven
    volgorde definitief vast. Zie
    Technische specificatie (bladzijde
    223).
    7. Breng de wieldop aan met de bal van
    uw hand.

    LET OP
    Bevestig lichtmetalen velgen niet met
    moeren die voor stalen velgen zijn
    bestemd.
    N.B.: De wielmoeren voor lichtmetalen
    velgen en stalen spaakvelgen kunnen
    gedurende korte tijd worden gebruikt voor
    het vastzetten van de stalen velg van het
    reservewiel (maximaal twee weken).

    WAARSCHUWING

    N.B.: Zorg ervoor dat de contactvlakken
    tussen de velg en de naaf vrij zijn van
    vreemde voorwerpen.

    Laat het aanhaalmoment van de
    wielmoeren en de bandenspanning
    zo spoedig mogelijk controleren.

    N.B.: Zorg ervoor dat de conische zijde van
    de wielmoeren naar de velg is gekeerd.

    BANDENREPARATIESET

    1. Breng het wiel aan.
    2. Draai de wielmoeren handvast aan.
    3. Breng de dopsleutel voor de slotmoer
    aan.

    Uw wagen heeft eventueel geen
    reservewiel. In dat geval is er een
    bandenreparatieset aan boord, waarmee
    u één lekke band kunt repareren.
    De bandenreparatieset bevindt zich in de
    reservewielkuip.

    217



  • Page 220

    Velgen en banden
    Algemene informatie



    WAARSCHUWINGEN
    Afhankelijk van het type en de
    omvang van de beschadiging kunnen
    sommige banden slechts gedeeltelijk
    of soms geheel niet worden gedicht. Een
    te lage bandenspanning kan het
    weggedrag van de wagen beïnvloeden,
    waardoor u de macht over het stuur kunt
    verliezen.



    Gebruik van de bandenreparatieset
    WAARSCHUWINGEN
    Samengeperste lucht kan zich
    gedragen als een explosief of
    drijfmiddel.

    Gebruik de bandenreparatieset niet
    wanneer de band al beschadigd is
    door het rijden met een te lage
    bandenspanning.

    Laat de bandenreparatieset tijdens
    het gebruik nooit onbeheerd achter.

    Gebruik de bandenreparatieset niet
    bij run flat banden.

    LET OP
    Laat de compressor niet langer dan
    10 minuten draaien.

    Probeer geen andere lekken te
    dichten dan zichtbare lekken in het
    loopvlak van de band.

    N.B.: Gebruik de bandenreparatieset alleen
    bij wagens die ermee zijn uitgerust.

    Probeer geen lekken te dichten in de
    bandwang.



    Met de bandenreparatieset kunt u de
    meeste gaatjes dichten [tot een diameter
    van zes millimeter], waarna u tijdelijk
    verder kunt rijden.



    Let op het volgende bij het gebruik van de
    set:






    Houd de set buiten het bereik van
    kinderen.
    Gebruik de set bij
    omgevingstemperaturen van –30 °C
    tot +70 °C.

    Rijd voorzichtig en maak geen
    plotselinge stuurbewegingen, vooral
    wanneer de wagen zwaar is beladen
    of tijdens het rijden met een aanhanger.
    De set zorgt voor een tijdelijke
    reparatie, waardoor u uw reis tot de
    volgende dealer of bandenspecialist
    kunt voortzetten, of een afstand van
    maximaal 200 km (125 mijl) kunt
    afleggen.
    Rijd niet sneller dan maximaal
    80 km/h (50 mph).





    218

    Parkeer uw wagen zodanig langs de
    kant van de weg dat u het verkeer niet
    belemmert en dat u in staat bent de
    set te gebruiken zonder in gevaar te
    komen.
    Trek, zelfs wanneer u op een vlakke
    ondergrond geparkeerd staat, de
    handrem aan om te waarborgen dat
    de auto niet in beweging kan komen.
    Probeer geen vreemde voorwerpen,
    zoals spijkers of schroeven, uit de band
    te verwijderen.
    Laat, wanneer u de set gebruikt, de
    motor draaien, maar niet wanneer de
    wagen in een gesloten of slecht
    geventileerde ruimte staat (bijv. in een
    gebouw). Zet in dergelijke gevallen de
    compressor aan zonder de motor te
    starten.



  • Page 221

    Velgen en banden




    Vervang de fles met het afdichtmiddel
    door een nieuwe voordat de
    houdbaarheidsdatum (zie de
    bovenzijde van de fles) is bereikt.
    Informeer andere gebruikers van de
    wagen dat de band tijdelijk is
    gerepareerd met de
    bandenreparatieset en stel hen op de
    hoogte van de speciale rijvoorschriften.

    LET OP
    Wanneer de fles op de houder wordt
    gedraaid, wordt de afdichting van de
    fles verbroken. Draai de fles niet uit de
    houder omdat dan het afdichtmiddel
    ontsnapt.

    A

    Band oppompen

    K

    WAARSCHUWINGEN
    Controleer de bandwang voordat u
    het afdichtmiddel in de band pompt.
    Wanneer u scheuren, knobbels of
    dergelijke ziet, probeer dan niet de band
    op te pompen.

    J

    B

    Ga niet vlak naast de band staan
    wanneer de compressor draait.
    Sla de bandwang gade. Wanneer u
    scheuren, knobbels en dergelijke ziet
    verschijnen, schakel dan de
    compressor uit en laat de lucht met de
    aflaatklep B ontsnappen. Rijd niet verder
    met deze band.

    I

    Het afdichtmiddel bevat natuurlijk
    latex. Voorkom contact met huid,
    ogen of kleding. Mocht dit toch
    gebeuren, spoel het betreffende
    lichaamsdeel dan direct met veel water
    schoon en neem contact op met uw
    huisarts.

    H
    C
    D

    Wanneer de bandenspanning binnen
    zeven minuten lager wordt dan 1,8
    bar (26 psi), kan de band ernstig zijn
    beschadigd, waardoor een tijdelijke
    reparatie onmogelijk is. Vervolg in een
    dergelijk geval uw reis niet met deze band.

    E94973

    219

    G

    A

    Beschermkap

    B

    Aflaatklep

    C

    Slang

    D

    Oranje dop

    E

    Flessenhouder

    F

    E



  • Page 222

    Velgen en banden

    1.
    2.

    3.
    4.
    5.
    6.
    7.

    8.
    9.

    10.
    11.

    F

    Drukmeter

    G

    Stekker met kabel

    H

    Compressorschakelaar

    I

    Label

    J

    Flessendop

    K

    Fles afdichtmiddel

    12.

    Pomp de band niet langer dan zeven
    minuten op voor een minimale druk
    van 1,8 bar (26 psi) en een maximum
    druk van 2,5 bar (51 psi). Zet de
    compressorschakelaar H in de stand
    0 en controleer de huidige
    bandenspanning met de drukmeter
    F.
    13. Neem de stekker G uit de aansluiting
    van de aansteker of het extra
    elektrisch aansluitpunt.
    14. Draai de slang C snel van het ventiel
    los en breng de beschermdop A aan.
    Draai het ventieldopje vast.
    15. Laat de fles afdichtmiddel K in de
    flessenhouder E zitten.
    16. Zorg ervoor dat de set, de flessendop
    en de oranje dop veilig worden
    opgeborgen, maar makkelijk
    bereikbaar zijn. De set kan weer nodig
    zijn wanneer u de bandenspanning
    controleert.
    17. Ga onmiddellijk ongeveer drie
    kilometer (twee mijl) rijden, zodat het
    afdichtmiddel het lek kan afdichten.
    N.B.: Wanneer het afdichtmiddel in de band
    wordt gepompt, kan de druk toenemen tot
    6 bar (87 psi) maar deze neemt na ca. 30
    seconden weer af.

    Open het deksel van de
    bandenreparatieset.
    Trek het label I waarop de maximaal
    toelaatbare snelheid van 80 km/h
    (50 mph) vermeld staat van het huis
    en maak het binnen het gezichtsveld
    van de bestuurder vast op het
    instrumentenpaneel. Het label mag
    niets belangrijks aan het oog
    onttrekken.
    Haal de slang C en de stekker met
    kabel G uit de set.
    Draai de oranje dop D en de flessendop
    J los.
    Draai de fles afdichtmiddel K stevig
    rechtsom in de flessenhouder E.
    Draai het ventieldopje van de
    beschadigde band eraf.
    Verwijder de beschermdop A van de
    slang C en draai de slang C stevig op
    het ventiel van de lekke band.
    De compressorschakelaar H moet in
    de stand 0 staan.
    Sluit de stekker G aan op de aansluiting
    van de aansteker of het extra elektrisch
    aansluitpunt. Zie Aansteker (bladzijde
    131). Zie Extra
    voedingsaansluitingen (bladzijde
    131).
    Start de motor.
    Zet de compressorschakelaar H in de
    stand 1.

    WAARSCHUWING
    Wanneer u heftige trillingen,
    onbalans in het stuurwiel of lawaai
    tijdens het rijden waarneemt, minder
    dan snelheid en rijd voorzichtig naar een
    plaats waar u veilig kunt stoppen.
    Controleer de band en de bandenspanning
    opnieuw. Wanneer de bandenspanning
    lager is dan 1,3 bar (19 psi) of wanneer er
    scheuren, knobbels of dergelijke zichtbaar
    zijn, hervat dan uw reis niet met deze band.

    220



  • Page 223

    Velgen en banden
    Bandenspanning controleren

    WAARSCHUWING
    Voordat u wegrijdt moet de band de
    voorgeschreven bandenspanning
    hebben. Zie Technische
    specificatie (bladzijde 223). Controleer
    voortdurend de bandenspanning tot de
    band is vervangen.

    1.

    Stop na ongeveer drie kilometer (twee
    mijl) te hebben gereden. Controleer en
    corrigeer zo nodig de spanning van de
    beschadigde band.
    2. Sluit de set aan en lees de
    bandenspanning af op de drukmeter
    F.
    3. Wanneer de spanning 1,3 bar (19 psi)
    of hoger is, breng de band dan op de
    voorgeschreven spanning. Zie
    Technische specificatie (bladzijde
    223).
    4. Herhaal de procedure om de band weer
    op spanning te brengen.
    5. Controleer de bandenspanning
    nogmaals met de drukmeter F.
    Wanneer de spanning te hoog is, laat
    dan de spanning afnemen met behulp
    van de aflaatklep B.
    6. Zodra u de band op de juiste spanning
    hebt gebracht: zet de
    compressorschakelaar H in de stand
    0, trek de stekker G uit de contactdoos,
    draai de slang C los, draai het
    ventieldopje vast en breng de
    beschermdop A weer aan.
    7. Laat de fles afdichtmiddel K in de
    flessenhouder E zitten en bewaar de
    set veilig op zijn oorspronkelijke plaats.
    8. Rijd naar de dichtstbijzijnde
    bandenspecialist om de beschadigde
    band te laten vervangen. Vertel,
    voordat de band van de velg wordt
    afgenomen, de bandenspecialist dat
    de band een afdichtmiddel bevat.
    Vervang de set zo snel mogelijk na
    eenmalig gebruik.
    N.B.: Bedenk dat een bandenreparatieset
    slechts voor tijdelijke mobiliteit zorgt.
    Voorschriften aangaande bandreparatie na
    gebruik van de bandenreparatieset kunnen
    per land verschillen. Raadpleeg een
    bandenspecialist voor advies.

    Lege flessen afdichtmiddel mogen samen
    met het huishoudelijk afval worden
    afgevoerd. Breng resten afdichtmiddel
    naar uw dealer of voer ze af volgens de
    lokale richtlijnen.

    VERZORGING VAN BANDEN

    E70415

    Om ervoor te zorgen dat de banden van de
    voor- en achterwielen van uw auto
    gelijkmatig slijten en een langere
    levensduur hebben, adviseren we de wielen
    met regelmatige intervallen tussen 5000
    en 10000 kilometer van voor naar achter
    en vice versa te wisselen.
    LET OP
    Laat tijdens het parkeren de
    bandwangen niet langs stoepbanden
    schuren.
    Als u een stoeprand moet oprijden, doe het
    dan zo langzaam mogelijk en rijd zo
    mogelijk haaks met de wielen het trottoir
    op.

    221



  • Page 224

    Velgen en banden
    Controleer de banden regelmatig op
    scheuren, vreemde voorwerpen of
    onregelmatige slijtage van het loopvlak.
    Ongelijkmatige slijtage kan betekenen dat
    de wieluitlijning niet meer aan de
    specificaties voldoet.

    N.B.: Het ABS blijft normaal werken.

    Controleer iedere twee weken de
    bandenspanning (inclusief het reservewiel)
    wanneer de banden koud zijn.

    Uitvoeringen met
    stabiliteitsregeling (ESP)

    Gebruik enkel sneeuwkettingen van 10 mm
    of kleiner.
    Monteer alleen sneeuwkettingen op de
    voorwielen.

    Uitvoeringen met stabiliteitsregeling (ESP)
    kunnen een wat ongebruikelijke
    rijkarakteristiek vertonen, hetgeen kan
    worden verminderd door het
    aandrijfregelsysteem (traction control) uit
    te schakelen. Zie Gebruik maken van
    stabiliteitsregeling (bladzijde 156).

    GEBRUIK VAN
    WINTERBANDEN
    LET OP
    Controleer of u de velgen met de
    winterbanden met het correcte type
    wielmoeren hebt bevestigd.

    BANDENSPANNINGCONTROLESYSTEEM

    Indien winterbanden zijn gemonteerd,
    controleer dan of de bandenspanning
    correct is. Zie Technische specificatie
    (bladzijde 223).

    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem ontheft u niet van de
    verantwoording om regelmatig de
    bandenspanning te controleren.

    GEBRUIK VAN
    SNEEUWKETTINGEN

    Het systeem waarschuwt u alleen
    voor een lage bandenspanning. Het
    pompt de banden niet op.

    WAARSCHUWINGEN
    Rijd niet harder dan 50 km/h (30
    mhp).

    Rijd niet met een aanzienlijk te lage
    bandenspanning. Hierdoor kunnen
    de banden oververhit raken en
    worden beschadigd. Een te lage
    bandenspanning verhoogt het
    brandstofverbruik, verkort de levensduur
    van de banden en heeft een nadelige
    invloed op de rijeigenschappen.

    Rijd niet met sneeuwkettingen op
    een sneeuwvrij wegdek.
    Breng alleen sneeuwkettingen aan
    op gespecificeerde banden. Zie
    Technische specificatie (bladzijde
    223).

    LET OP
    Buig of beschadig de ventielen niet
    wanneer u de banden oppompt.

    LET OP

    Laat banden door goed opgeleide
    monteurs monteren.

    Wanneer uw wagen is uitgerust met
    wieldeksels, verwijder deze dan
    voordat u sneeuwkettingen monteert.

    222



  • Page 225

    Velgen en banden
    Het detectiesysteem
    bandenspanningsverlies waarschuwt
    ingeval van een luchtdrukwijziging in een
    van de banden. Dit vindt plaats via de
    ABS-sensoren die de rollende omtrek van
    de wielen registreren. Wanneer de rollende
    omtrek verandert, dan geeft dit een lage
    spanning aan in een band. Er wordt een
    waarschuwingsbericht weergegeven in de
    informatiedisplay en de
    berichtencontrolelamp gaat branden. Zie
    Infoberichten (bladzijde 96).




    Gebruik van sneeuwkettingen.
    Rijden op zachte ondergrond zoals
    sneeuw of modder.

    N.B.: Het systeem functioneert naar
    behoren, maar de detectietijd kan wellicht
    toenemen.

    Systeem resetten
    N.B.: Reset het systeem niet wanneer met
    de auto wordt gereden.
    N.B.: Het systeem moet worden gereset na
    een afstelling van de bandenspanning of
    een bandenwissel.

    Wanneer een waarschuwingsbericht voor
    een lage bandenspanning op de
    informatiedisplay wordt weergegeven,
    controleer dan de bandenspanning zo
    spoedig mogelijk en breng deze op de
    voorgeschreven waarde. Zie Technische
    specificatie (bladzijde 223).

    N.B.: Zet het contact aan.
    1.

    Navigeer m.b.v. de
    informatiedisplaybediening naar
    Instelingen > Bestuurd. ass. >
    Band.sp. contr.
    2. Houd de knop OK ingedrukt tot er een
    bevestiging verschijnt.

    Wanneer dit regelmatig voorkomt, laat dan
    zo snel mogelijk de oorzaak vaststellen en
    verhelp de storing.
    Naast een te lage bandenspanning of een
    beschadigde band kunnen de volgende
    situaties van invloed zijn op de rollende
    omtrek:
    • Ongelijke belading.
    • Gebruik van een aanhanger of een
    heuvel op en af rijden.

    TECHNISCHE SPECIFICATIE
    Aanhaalmoment wielmoeren
    Velgtype

    Nm (Ib-ft)

    Alle

    130 (96)

    223



  • Page 226

    Velgen en banden
    Bandenspanning (koude banden)
    Tot 80 km/h
    Normale belasting
    Uitvoering

    Bandenmaat

    Maximaal beladen

    Voor

    Achter

    Voor

    Achter

    bar (lbf/
    in²)

    bar (lbf/
    in²)

    bar (lbf/
    in²)

    bar (lbf/
    in²)

    Alle

    T125/80 R 16

    4,2 (61)

    4,2 (61)

    4,2 (61)

    4,2 (61)

    Alle

    T125/90 R 16

    4,2 (61)

    4,2 (61)

    4,2 (61)

    4,2 (61)

    C-MAX
    Tot 160 km/h
    Normale belasting
    Uitvoering

    Bandenmaat

    Maximaal beladen

    Voor

    Achter

    Voor

    Achter

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    *

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,5 (36)

    2,8 (41)

    *

    2,3 (33)

    2,1 (31)

    2,5 (36)

    2,8 (41)

    Auto's met benzinemotor

    205/55 R 16

    Auto’s met dieselmotor

    205/55 R 16

    Auto's met benzinemotor

    215/55 R 16

    *

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,5 (36)

    2,8 (41)

    Auto’s met dieselmotor

    215/55 R 16

    *

    2,3 (33)

    2,1 (31)

    2,5 (36)

    2,8 (41)

    Auto's met benzinemotor

    215/50 R 17

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,5 (36)

    2,8 (41)

    1.6L Duratorq-TDCi
    - DV

    215/50 R 17

    2,3 (33)

    2,1 (31)

    2,5 (36)

    2,8 (41)

    2.0L Duratorq-TDCi
    - DW

    215/50 R 17

    2,4 (35)

    2,1 (31)

    2,5 (36)

    2,8 (41)

    Auto's met benzinemotor

    235/40 R 18

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,6 (38)

    2,9 (42)

    1.6L Duratorq-TDCi
    - DV

    235/40 R 18

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,6 (38)

    2,9 (42)

    224



  • Page 227

    Velgen en banden
    Normale belasting
    Uitvoering

    2.0L Duratorq-TDCi
    - DW

    Bandenmaat

    Maximaal beladen

    Voor

    Achter

    Voor

    Achter

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    2,4 (35)

    2,1 (31)

    2,6 (38)

    2,9 (42)

    235/40 R 18

    *

    Breng alleen sneeuwkettingen aan op gespecificeerde banden.

    Snelheid continu hoger dan 160 km/h
    Normale belasting
    Uitvoering

    Bandenmaat

    Maximaal beladen

    Voor

    Achter

    Voor

    Achter

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    1.6L Duratec-16V TiVCT - Sigma

    205/55 R 16

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,5 (36)

    2,8 (41)

    1.6L EcoBoost Sigma

    205/55 R 16

    2,3 (33)

    2,1 (31)

    2,5 (36)

    2,8 (41)

    1.6L Duratorq-TDCi
    - DV

    205/55 R 16

    2,3 (33)

    2,1 (31)

    2,5 (36)

    2,8 (41)

    Auto's met benzinemotor

    215/55 R 16

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,5 (36)

    2,8 (41)

    Auto’s met dieselmotor

    215/55 R 16

    2,4 (35)

    2,1 (31)

    2,5 (36)

    2,8 (41)

    Auto's met benzinemotor

    215/50 R 17

    2,2 (32)

    2,1 (31)

    2,6 (38)

    2,8 (41)

    1.6L Duratorq-TDCi
    - DV

    215/50 R 17

    2,3 (33)

    2,1 (31)

    2,6 (38)

    2,8 (41)

    2.0L Duratorq-TDCi
    - DW

    215/50 R 17

    2,4 (35)

    2,1 (31)

    2,6 (38)

    2,8 (41)

    Auto's met benzinemotor

    235/40 R 18

    2,2 (32)

    2,1 (31)

    2,6 (38)

    2,9 (42)

    1.6L Duratorq-TDCi
    - DV

    235/40 R 18

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,6 (38)

    2,9 (42)

    2.0L Duratorq-TDCi
    - DW

    235/40 R 18

    2,4 (35)

    2,1 (31)

    2,6 (38)

    2,9 (42)

    225



  • Page 228

    Velgen en banden
    Grand C-MAX
    Tot 160 km/h
    Normale belasting
    Uitvoering

    Bandenmaat

    Maximaal beladen

    Voor

    Achter

    Voor

    Achter

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    *

    2,1 (31)

    2,3 (33)

    2,5 (36)

    2,8 (41)

    *

    2,3 (33)

    2,3 (33)

    2,5 (36)

    2,8 (41)

    Auto's met benzinemotor

    205/55 R 16

    Auto’s met dieselmotor

    205/55 R 16

    Auto's met benzinemotor

    215/55 R 16

    *

    2,1 (31)

    2,3 (33)

    2,5 (36)

    2,8 (41)

    Auto’s met dieselmotor

    215/55 R 16

    *

    2,3 (33)

    2,3 (33)

    2,5 (36)

    2,8 (41)

    Auto's met benzinemotor

    215/50 R 17

    2,1 (31)

    2,3 (33)

    2,5 (36)

    2,9 (42)

    1.6L Duratorq-TDCi
    - DV

    215/50 R 17

    2,3 (33)

    2,3 (33)

    2,5 (36)

    2,9 (42)

    2.0L Duratorq-TDCi
    - DW

    215/50 R 17

    2,4 (35)

    2,3 (33)

    2,5 (36)

    2,9 (42)

    Auto's met benzinemotor

    235/40 R 18

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,6 (38)

    2,9 (42)

    1.6L Duratorq-TDCi
    - DV

    235/40 R 18

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,6 (38)

    2,9 (42)

    2.0L Duratorq-TDCi
    - DW

    235/40 R 18

    2,4 (35)

    2,1 (31)

    2,6 (38)

    2,9 (42)

    *

    Breng alleen sneeuwkettingen aan op gespecificeerde banden.

    Snelheid continu hoger dan 160 km/h
    Normale belasting
    Uitvoering

    1.6L Duratec-16V TiVCT - Sigma

    Bandenmaat

    205/55 R 16

    Maximaal beladen

    Voor

    Achter

    Voor

    Achter

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    2,2 (32)

    2,3 (33)

    2,6 (38)

    3 (44)

    226



  • Page 229

    Velgen en banden
    Normale belasting
    Uitvoering

    Bandenmaat

    Maximaal beladen

    Voor

    Achter

    Voor

    Achter

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    bar (psi)

    1.6L EcoBoost Sigma

    205/55 R 16

    2,4 (35)

    2,3 (33)

    2,6 (38)

    3,2 (46)

    1.6L Duratorq-TDCi
    - DV

    205/55 R 16

    2,3 (33)

    2,3 (33)

    2,6 (38)

    2,9 (42)

    Auto's met benzinemotor

    215/55 R 16

    2,2 (32)

    2,3 (33)

    2,6 (38)

    3 (44)

    Auto’s met dieselmotor

    215/55 R 16

    2,4 (35)

    2,3 (33)

    2,6 (38)

    3 (44)

    Auto's met benzinemotor

    215/50 R 17

    2,3 (33)

    2,3 (33)

    2,7 (39)

    3,1 (45)

    1.6L Duratorq-TDCi
    - DV

    215/50 R 17

    2,3 (33)

    2,3 (33)

    2,7 (39)

    3,1 (45)

    2.0L Duratorq-TDCi
    - DW

    215/50 R 17

    2,5 (36)

    2,3 (33)

    2,7 (39)

    3,1 (45)

    Auto's met benzinemotor

    235/40 R 18

    2,3 (33)

    2,1 (31)

    2,7 (39)

    3,2 (46)

    1.6L Duratorq-TDCi
    - DV

    235/40 R 18

    2,1 (31)

    2,1 (31)

    2,7 (39)

    3,2 (46)

    2.0L Duratorq-TDCi
    - DW

    235/40 R 18

    2,5 (36)

    2,1 (31)

    2,7 (39)

    3,2 (46)

    227



  • Page 230

    Voertuigidentificatie
    N.B.: Het ontwerp van het
    identificatieplaatje kan afwijken van het
    getoonde plaatje.

    VOERTUIGIDENTIFICATIEPLAATJE

    N.B.: De informatie op het
    identificatieplaatje is afhankelijk van de
    vereisten per land.

    B

    C

    D

    E
    F
    G

    A

    H
    I
    E135662

    A

    Model

    B

    Uitvoering

    C

    Motorbenaming

    D

    Emissieniveau

    A

    Voertuigidentificatienummer

    F

    Maximaal toelaatbare totaalgewicht

    G

    Maximaal toelaatbaar treingewicht

    H

    Maximale voorasbelasting

    I

    Maximale achterasbelasting

    Het voertuigidentificatienummer (VIN) en
    de maximum toelaatbare gewichten zijn
    vermeld op een plaatje aan slotzijde
    onderin de opening van het rechter portier.

    228



  • Page 231

    Voertuigidentificatie
    VOERTUIGIDENTIFICATIENUMMER

    E87496

    Het Voertuig Identificatie Nummer
    (chassisnummer) is rechtsvoor naast de
    voorstoel in de bodemplaat ingeslagen.
    Het is ook op de linkerzijde van het
    instrumentenpaneel vermeld.

    229



  • Page 232

    Inhouden en specificaties
    TECHNISCHE SPECIFICATIE
    Afmetingen van de auto
    C-MAX
    Beschrijving van afmeting

    Afmeting in mm (inches)

    Totale lengte

    4380 (172,4)

    Totale breedte inclusief buitenspiegels

    2067 (81,4)

    Totale hoogte - EC rijklaargewicht

    1595 - 1626 (62,8 - 64)

    Wielbasis

    2648 (104,2)

    Spoorbreedte, voor

    1544 - 1559 (60,8 - 61,4)

    Spoorbreedte, achter

    1554 - 1569 (61,2 - 61,8)

    Grand C-MAX
    Beschrijving van afmeting

    Afmeting in mm (inches)

    Totale lengte

    4520 (177,9)

    Totale breedte inclusief buitenspiegels

    2067 (81,4)

    Totale hoogte - EC rijklaargewicht zonder dwarsprofielen dakrails

    1653 - 1684 (65 - 66,3)

    Totale hoogte - EC rijklaargewicht met dwarsprofielen
    dakrails

    1667 - 1698 (65,6 - 66,8)

    Wielbasis

    2788 (109,8)

    Spoorbreedte, voor

    1544 - 1559 (60,8 - 61,4)

    Spoorbreedte, achter

    1554 - 1569 (61,2 - 61,8)

    230



  • Page 233

    Inhouden en specificaties
    Afmetingen trekhaak

    A

    B

    C

    E
    D

    F
    G
    E130084

    231



  • Page 234

    Inhouden en specificaties

    Punt

    Beschrijving van afmeting

    Afmeting in mm (inches)

    A

    Bumper – achterzijde trekhaakkogel

    111 (4,4)

    B

    Bevestigingspunt - hart trekhaakkogel (CMAX)

    4 (0,1)

    B

    Bevestigingspunt - hart trekhaakkogel
    (Grand C-MAX)

    5 (0,2)

    C

    Hart wiel – hart trekhaakkogel

    D

    Hart trekhaakkogel – langsbalk

    518 (20,4)

    E

    Afstand tussen de langsbalken

    1036 (40,8)

    F

    Hart trekhaakkogel – hart 1e bevestigingspunt

    426 (16,8)

    G

    Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigingspunt

    726 (28,6)

    925 (36,4)

    232



  • Page 235

    Inleiding audio-installatie
    Labels op de audio-installatie

    BELANGRIJKE AUDIOINFORMATIE
    WAARSCHUWINGEN
    Door technische verschillen kunnen
    opneembare CD’s (CD-R's) en
    opnieuw beschrijfbare CD’s
    (CD-RW's) mogelijk niet correct
    functioneren.

    E66256

    Deze radio / CD-spelers spelen CD's
    af die voldoen aan de standaard
    audiospecificaties van het
    International Red Book. CD’s met een
    kopieerbeveiliging van sommige
    fabrikanten voldoen niet aan deze
    standaard en het afspelen ervan kan niet
    worden gegarandeerd.

    E66257

    CD etiketten
    Audio CD

    Dual format, dubbelzijdige CD's
    (DVD Plus, CD-DVD format), die door
    de muziekindustrie worden gebruikt,
    zijn dikker dan normale CD's en het
    afspelen ervan kan daardoor niet worden
    gegarandeerd en ze kunnen klemraken.
    CD’s met een onregelmatige vorm en CD’s
    met krasbescherming of zelfklevende
    etiketten mogen niet worden gebruikt.
    Garantieclaims, waarbij dit type CD in een
    audio-installatie wordt aangetroffen die
    voor reparatie wordt aangeboden, worden
    niet geaccepteerd.

    E66254

    MP3

    Alle CD-spelers zijn alleen bedoeld
    om commercieel geperste 12 cm
    audio CD's af te spelen.
    Uw audio-installatie kan worden
    beschadigd wanneer voorwerpen als
    creditcards of munten door de
    opening van de CD-speler naar binnen
    worden geduwd.

    E66255

    233



  • Page 236

    Overzicht audio-installatie
    N.B.: Audio-units zijn voorzien van een
    geïntegreerd multifunctioneel display boven
    de CD-sleuf. Hierop wordt belangrijke
    informatie weergegeven over de bediening
    van de audio-unit. Daarnaast bevinden zich
    rondom het display diverse pictogrammen
    die oplichten wanneer een functie actief is
    (bijvoorbeeld CD, Radio of Aux.)
    Type 1

    A

    B

    C

    D

    E

    O

    F

    N

    M
    L
    G
    K
    J

    I

    H

    E130324

    A

    CD-uitwerptoets. Zie CD-speler (bladzijde 246).

    B

    Navigatiepijlen.

    C

    CD-sleuf. Zie CD-speler (bladzijde 246).

    D

    OK.

    E

    Informatie.

    F

    Verkeersberichten. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde 242).

    G

    Stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 242).

    234



  • Page 237

    Overzicht audio-installatie
    H

    Opwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde
    241). Zie Nummer selecteren (bladzijde 246).

    I

    Aan/uit en volumeknop.

    J

    Neerwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde
    241). Zie Nummer selecteren (bladzijde 246).

    K

    Menu selecteren.

    L

    Klanktoets. Zie Volumeknop (bladzijde 241).

    M

    Extra ingang selecteren. Zie Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN)
    (bladzijde 133). Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 249).

    N

    Radio en golfband selecteren. Zie Werking van de audio-installatie (bladzijde
    241).

    O

    CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 246).

    Type 2

    1

    E104157

    A

    2

    3

    4

    A
    Beschrijvingen voor
    functietoetsen 1-4

    235



  • Page 238

    Overzicht audio-installatie

    A

    B

    C

    D

    E
    F

    T

    S
    G
    R
    Q

    H

    P

    O

    N

    M

    L

    K

    J

    I

    E130142

    A

    CD-uitwerptoets. Zie CD-speler (bladzijde 246).

    B

    Navigatiepijlen.

    C

    CD-sleuf. Zie CD-speler (bladzijde 246).

    D

    OK.

    E

    Informatie.

    F

    Verkeersberichten. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde 242).

    G

    Klanktoets. Zie Volumeknop (bladzijde 241).

    H

    Telefoontoetsenblok en stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Gebruik maken van
    de telefoon (bladzijde 253). Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 242).

    I

    Functie 4.

    J

    Functie 3.

    K

    Opwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde
    241). Zie Nummer selecteren (bladzijde 246).

    236



  • Page 239

    Overzicht audio-installatie
    L

    Aan/uit en volumeknop.

    M

    Neerwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde
    241). Zie Nummer selecteren (bladzijde 246).

    N

    Functie 2.

    O

    Functie 1.

    P

    Menu selecteren.

    Q

    Telefoonmenu. Zie Telefoon (bladzijde 251).

    R

    Extra ingang, USB en iPod selecteren. Zie Aansluiting Auxiliary ingang (AUX
    IN) (bladzijde 133). Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 249). Zie
    Verbinding (bladzijde 272).

    S

    Radio en golfband selecteren. Zie Werking van de audio-installatie (bladzijde
    241).

    T

    CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 246).
    Type 3

    Functietoetsen 1 tot en met 4 zijn
    contextafhankelijk en wijzigen als functie
    van de huidige audio-unitmodus.
    Beschrijvingen voor de functies worden
    aan de onderzijde van het display
    weergegeven.

    1

    E104157

    A

    237

    2

    3

    A
    Beschrijvingen voor
    functietoetsen 1-4

    4



  • Page 240

    Overzicht audio-installatie
    A

    B

    C

    D

    E

    F
    G

    Y

    X
    H
    W
    I

    V

    J

    U

    K
    T
    L
    S

    R

    Q

    P

    O

    N

    M

    E129074

    A

    Aan/uit regeling.

    B

    Display selecteren.

    C

    Telefoontoetsenblok en stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Gebruik maken van
    de telefoon (bladzijde 253). Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 242).

    D

    CD-sleuf. Zie CD-speler (bladzijde 246).

    E

    Navigatiepijlen.

    F

    DSP selecteren. Zie Digitale signaalverwerking (DSP) (bladzijde 244).

    G

    CD-uitwerptoets. Zie CD-speler (bladzijde 246).

    H

    Informatie.

    I

    Klok.

    J

    Opwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Oproep beëindigen. Zie Station
    afstemtoetsen (bladzijde 241). Zie Nummer selecteren (bladzijde 246). Zie
    Gebruik maken van de telefoon (bladzijde 253).

    K

    Geluid uitschakelen.

    238



  • Page 241

    Overzicht audio-installatie
    L

    Verkeersberichten. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde 242).

    M

    Functie 4.

    N

    Klanktoets. Zie Volumeknop (bladzijde 241).

    O

    Functie 3.

    P

    OK.

    Q

    Functie 2.

    R

    Menu selecteren.

    S

    Functie 1.

    T

    Telefoonmenu. Zie Telefoon (bladzijde 251).

    U

    Extra ingang selecteren. Zie Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN)
    (bladzijde 133). Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 249).

    V

    Neerwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Oproep beantwoorden. Zie Station
    afstemtoetsen (bladzijde 241). Zie Nummer selecteren (bladzijde 246). Zie
    Gebruik maken van de telefoon (bladzijde 253).

    W

    Radio en golfband selecteren. Zie Werking van de audio-installatie (bladzijde
    241).

    X

    CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 246).

    Y

    Volumeregeling.

    Functietoetsen 1 tot en met 4 zijn
    contextafhankelijk en wijzigen als functie
    van de huidige audio-unitmodus.
    Beschrijvingen voor de functies worden
    aan de onderzijde van het display
    weergegeven.

    239



  • Page 242

    Beveiliging van uw audio-installatie
    BEVEILIGINGSCODE
    Elke installatie heeft een unieke code die
    gekoppeld is aan het chassisnummer
    (VIN). Het systeem controleert
    automatisch of de audio-installatie en de
    auto overeenkomen, voordat het gebruik
    wordt toegestaan.
    Als een veiligheidscodemelding verschijnt,
    neem dan contact op met uw dealer.

    240



  • Page 243

    Werking van de audio-installatie
    AAN/UIT TOETS

    STATION AFSTEMTOETSEN

    Druk op de aan/uit knop. Hierdoor kan het
    toestel nog een uur nadat het contact is
    afgezet worden gebruikt.

    DAB-service linking
    N.B.: De DAB service linking is standaard
    uitgeschakeld.

    Na een uur schakelt het radiotoestel
    automatisch uit.

    N.B.: Via service linking zijn kruisreferenties
    mogelijk naar andere betreffende
    frequenties van hetzelfde radiostation
    (bijvoorbeed FM en andere
    DAB-ensembles).

    VOLUMEKNOP
    Zo kunt u de volume-instellingen
    aanpassen (bijvoorbeeld bas en hoge
    tonen).

    N.B.: Het systeem schakelt automatisch
    naar een ander betreffend radiostation als
    het huidige radiostation niet beschikbaar is
    (bijvoorbeeld tijdens het verlaten van het
    dekkingsgebied).

    1. Druk de klanktoets in.
    2. Druk op de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag om de gewenste
    instelling te selecteren.
    3. Gebruik de pijltjestoetsen links/rechts
    om de vereiste aanpassing uit te
    voeren. Het display geeft de gekozen
    instelling weer.
    4. Druk op de OK toets om de nieuwe
    instelling te bevestigen.

    DAB service linking in- en uitschakelen. Zie
    Algemene informatie (bladzijde 88).

    Zoeken
    Selecteer een frequentieband en druk kort
    op een van de zoektoetsen. Het toestel
    stopt bij het eerste radiostation dat in de
    door u gekozen richting wordt gevonden.

    Handmatig afstemmen

    GOLFBAND TOETS

    Type 1
    Druk op de toets RADIO om een van de
    beschikbare frequentiebanden te
    selecteren.

    1. Druk op de MENU toets.
    2. Selecteer de modus RADIO en
    vervolgens MANUAL TUNE.
    3. Druk op de linker en rechter
    pijltjestoetsen om de frequentieband
    in kleine stappen omlaag of omhoog
    af te zoeken of houd de toets ingedrukt
    om snel te zoeken tot u een
    radiostation vindt waarnaar u wilt
    luisteren.
    4. Druk op OK om naar een radiostation
    te blijven luisteren.

    Wanneer een andere geluidsbron is
    ingeschakeld kan deze keuzetoets ook
    worden gebruikt om weer over te
    schakelen naar de radio.
    Of druk op de linker pijltjestoets om de
    beschikbare frequentiebanden weer te
    geven. Blader naar de gewenste
    frequentieband en druk op OK.

    Type 2 en 3
    1.

    241

    Druk op functietoets 2.



  • Page 244

    Werking van de audio-installatie
    2. Druk op de linker en rechter
    pijltjestoetsen om de frequentieband
    in kleine stappen omlaag of omhoog
    af te zoeken of houd de toets ingedrukt
    om snel te zoeken tot u een
    radiostation vindt waarnaar u wilt
    luisteren.
    3. Druk op OK om naar een radiostation
    te blijven luisteren.

    3. Houd een van de voorkeuzetoetsen
    ingedrukt. Er verschijnen een
    voortgangsbalk en een melding.
    Wanneer de voortgangsbalk vol is, is
    het radiostation opgeslagen. Tevens
    wordt ter bevestiging de
    geluidsweergave kort onderbroken.

    Scanfunctie

    N.B.: Wanneer u naar een ander deel van
    het land rijdt, wordt de informatie van FM
    en DAB radiostations die op een andere
    frequentie uitzenden en onder een
    voorkeuzetoets zijn opgeslagen,
    automatisch geactualiseerd met de correcte
    frequentie en stationsnaam voor dat gebied.

    Dit kan op elke golfband en voor iedere
    voorkeuzetoets worden herhaald.

    SCAN laat u elk gevonden radiostation
    enkele seconden horen.
    Type 1
    1. Druk op de MENU toets.
    2. Selecteer de modus RADIO en
    vervolgens SCAN.
    3. Gebruik de zoektoetsen om de
    geselecteerde frequentieband op- of
    neerwaarts af te zoeken.
    4. Druk op OK om naar een radiostation
    te blijven luisteren.

    AUTOSTORE TOETS
    N.B.: Autostore slaat maximaal de 10
    sterkste beschikbare signalen op (AM- of
    FM-golfband) en overschrijft daarbij de
    eerder opgeslagen radiostations. Autostore
    kan, net als bij de andere golfbanden, ook
    worden gebruikt om radiostations
    handmatig op te slaan.

    Type 2 en 3
    1. Druk op functietoets 3.
    2. Gebruik de zoektoetsen om de
    geselecteerde frequentieband op- of
    neerwaarts af te zoeken.
    3. Druk opnieuw op functietoets 3 of OK
    om naar een radiostation te blijven
    luisteren.

    N.B.: Bij type 3 moet u FM AST of AM AST
    selecteren om deze functie te gebruiken.



    VOORKEUZETOETSEN

    Houd functietoets 1 of de toets RADIO
    ingedrukt.
    Wanneer het zoeken is voltooid, wordt
    het geluid weer ingeschakeld en de
    sterkste signalen worden onder de
    voorkeuzetoetsen van Autostore
    opgeslagen.

    REGELING FUNCTIE
    VERKEERSINFORMATIE

    Met deze voorziening kunt u uw favoriete
    radiostations opslaan, zodat u later hierop
    direct kunt afstemmen door de juiste
    golfband te selecteren en de betreffende
    voorkeuzetoets in te drukken.

    Veel radiostations die op de FM-band
    uitzenden hebben een TP-code die
    aanduidt dat deze verkeersinformatie
    uitzenden.

    1. Selecteer een golfband.
    2. Stem af op het gewenste radiostation.

    242



  • Page 245

    Werking van de audio-installatie
    Verkeersberichten inschakelen



    Voordat u verkeersberichten kunt
    ontvangen, moet u op de TA of TRAFFIC
    toets drukken. ‘TA’ verschijnt op de display
    om aan te duiden dat de functie is
    ingeschakeld.

    Verkeersberichten beëindigen

    Wanneer u reeds op een radiostation had
    afgestemd dat verkeersinformatie uitzendt,
    verschijnt ook 'TP' op de display. Anders
    gaat de unit zoeken naar een station dat
    verkeersinformatie uitzendt.

    Aan het einde van een verkeersbericht gaat
    de audio-installatie weer door met zijn
    normale werking. Om een verkeersbericht
    voortijdig af te breken, drukt u tijdens het
    verkeersbericht op TA of TRAFFIC.

    Wanneer verkeersinformatie wordt
    uitgezonden, wordt de normale weergave
    van radio of CD automatisch onderbroken
    en verschijnt 'TA - Traffic mededeling' op
    de display.

    N.B.: Indien op een ander tijdstip op TA of
    TRAFFIC wordt gedrukt, wordt de functie
    uitgeschakeld.

    Wanneer met behulp van de
    voorkeuzetoetsen een radiostation wordt
    gekozen dat geen verkeersinformatie
    uitzendt, dan blijft het radiotoestel op dit
    station afgestemd, tenzij TA of TRAFFIC
    wordt uitgeschakeld en vervolgens weer
    wordt ingeschakeld.
    N.B.: Als TA ingeschakeld is en u een
    voorkeuzetoets selecteert voor (of
    handmatig afstemt op) een radiostation
    dat geen verkeersinformatie (TA) uitzendt,
    dan hoort u geen verkeersinformatie.
    N.B.: Wanneer u naar een radiostation
    luistert dat geen verkeersinformatie (TA)
    uitzendt en u TA uitschakelt en weer
    inschakelt, dan wordt er gezocht naar TP.

    Volume van de verkeersberichten
    Verkeersberichten onderbreken de normale
    geluidsweergave met een
    voorgeprogrammeerd volume dat
    gewoonlijk hoger is dan het gebruikelijke
    luistervolume.
    Instellen van het voorgeprogrammeerde
    volume:

    243

    Gebruik de volumeknop om het
    gewenste volume in te stellen tijdens
    een inkomende TA-uitzending. De
    display geeft het geselecteerde niveau
    weer.



  • Page 246

    Menu's audio-installatie
    5. Druk op de OK toets om uw keuze te
    bevestigen.
    6. Druk op de toets MENU om terug te
    keren.

    AUTOMATISCHE
    VOLUMEREGELING
    Indien van toepassing, past de
    automatische volumeregeling (AVC) het
    geluidsvolume aan, om geluiden van de
    motor en het wegdek te compenseren.

    NIEUWSBERICHTEN
    Sommige radiotoestellen onderbreken de
    normale ontvangst voor nieuwsberichten
    van radiostations op de FM band of RDS
    of EON geschakelde stations op dezelfde
    wijze als bij verkeersberichten.

    1. Druk op de MENU toets en kies AUDIO.
    2. Kies AVC LEVEL of ADAPTIVE VOL.
    3. Druk op de linker of rechter pijltjestoets
    om de instelling bij te stellen.
    4. Druk op de OK toets om uw keuze te
    bevestigen.
    5. Druk op de MENU toets om terug te
    gaan.

    Tijdens nieuwsuitzendingen zal het display
    aangeven dat er een binnenkomend bericht
    is. Het nieuwsbericht onderbreekt de
    geluidsweergave met hetzelfde
    voorgeprogrammeerde volume als bij
    verkeersberichten.

    DIGITALE
    SIGNAALVERWERKING (DSP)

    1. Druk op de MENU toets.
    2. Selecteer AUDIO of AUDIO SETTINGS.
    3. Scroll naar NEWS, in- of uitschakelen
    met de OK toets.
    4. Druk op de MENU toets om terug te
    gaan.

    DSP voor bezette zitplaatsen
    Deze functie houdt rekening met de
    verschillen in afstand tot de diverse
    luidsprekers in de auto ten opzichte van de
    zitplaatsen. Selecteer de zitplaats
    waarvoor het audiosignaal moet worden
    gecorrigeerd.

    ALTERNATIEVE FREQUENTIES
    Veel programma's die op de FM-band
    worden uitgezonden hebben een
    programma-identificatie (PI) code, die
    door de audio-installatie kan worden
    herkend.

    DSP-equalizer
    Selecteer de muziekcategorie waarnaar u
    bij voorkeur luistert. Het audiosignaal
    verandert om de weergave van de specifiek
    gekozen muziekstijl te verbeteren.

    Als bij uw radio AF is ingeschakeld en u rijdt
    vanuit het ene ontvangstgebied naar een
    ander, zoekt deze functie naar een
    krachtiger radiosignaal en stemt daarop
    af wanneer het wordt gevonden.

    DSP-instellingen wijzigen
    1.
    2.
    3.
    4.

    Druk op de MENU toets.
    Selecteer AUDIO of AUDIO SETTINGS.
    Blader naar de gewenste DSP-functie.
    Druk op de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag om de gewenste
    instelling te selecteren.

    Onder bepaalde omstandigheden kan door
    het afstemmen op alternatieve frequenties
    (AF) de normale ontvangst tijdelijk worden
    onderbroken.

    244



  • Page 247

    Menu's audio-installatie
    De installatie evalueert continu de
    signaalsterkte en, indien een beter signaal
    beschikbaar komt, schakelt de installatie
    over naar dat alternatief. De
    geluidsweergave wordt onderbroken terwijl
    het toestel de lijst met alternatieve
    frequenties controleert en, zo nodig, de
    golfband eenmaal afzoekt naar een
    alternatieve frequentie.

    Regionale modus OFF (uit): Hiermee kan
    een groter gebied worden ontvangen
    wanneer naburige regionale netwerken
    hetzelfde programma uitzenden, maar kan
    leiden tot overschakelen wanneer dit niet
    het geval is.
    1. Druk op de MENU toets.
    2. Selecteer AUDIO of AUDIO SETTINGS.
    3. Blader naar RDS REGIONAL en schakel
    dit in of uit met de toets OK.
    4. Druk op de toets MENU om terug te
    keren.

    Wanneer een radiostation wordt gevonden
    wordt de weergave van het geluid hervat;
    wanneer er geen radiostation wordt
    gevonden, stemt het systeemautomatisch
    af op de oorspronkelijke frequentie.
    Indien geselecteerd wordt 'AF' op het
    display weergegeven.
    1. Druk op de MENU toets.
    2. Selecteer AUDIO of AUDIO MENU.
    3. Blader naar ALTERNAT FREQ. of
    ALTERNATIVE FREQ. en schakel dit in
    of uit met de OK toets.
    4. Druk op de toets MENU om terug te
    keren.

    REGIONALE MODUS (REG)
    De regionale modus (REG) regelt het
    gedrag van AF door tussen regionale
    netwerken van een hoofdzender te
    schakelen. Een zender kan over een groot
    netwerk beschikken dat in een groot
    gedeelte van het land te ontvangen is. Op
    verschillende tijden van de dag kan dit
    grote netwerk worden onderverdeeld in
    een aantal kleinere regionale netwerken,
    die bijvoorbeeld in grotere plaatsen of
    steden zijn gevestigd. Wanneer het
    netwerk niet in regionale zenders wordt
    opgesplitst, zendt het complete netwerk
    hetzelfde programma uit.
    Regionale modus AAN: Dit voorkomt het
    schakelen naar andere regionale
    netwerken, die niet hetzelfde programma
    uitzenden.

    245



  • Page 248

    CD-speler
    CD AFSPELEN

    VERSNELD
    VOORUIT/ACHTERUIT

    N.B.: Tijdens het afspelen wordt de CD, het
    nummer en de verstreken tijd van het
    nummer op het display weergegeven.

    Houd de zoeken omlaag of omhoog toets
    ingedrukt om achteruit of vooruit binnen
    de nummers op de CD te gaan.

    Druk tijdens radio-ontvangst eenmaal op
    de toets CD om de CD-weergave te
    starten.

    SHUFFLE/RANDOM (DOOR
    ELKAAR/WILLEKEURIG)

    Het afspelen start onmiddellijk wanneer
    een CD wordt geladen.

    Door het willekeurig afspelen van
    nummers, ook wel bekend als “shuffle”,
    worden alle opnames op de CD in
    willekeurige volgorde afgespeeld.

    NUMMER SELECTEREN








    Druk eenmaal op de toets opwaarts
    zoeken om naar het volgende nummer
    te gaan of druk meerdere keren om
    naar de daaropvolgende nummers te
    gaan.
    Druk eenmaal op de toets neerwaarts
    zoeken om het huidige nummer te
    herhalen. Wanneer deze toets binnen
    twee seconden vanaf het begin van
    een nummer wordt ingedrukt, dan
    wordt het vorige nummer geselecteerd.
    Druk meerdere keren op de toets
    neerwaarts zoeken om voorafgaande
    nummers te selecteren.

    Type 1
    1.

    Druk op de toets MENU en selecteer
    CD MODE.
    2. Selecteer SHUFFLE waarna de functie
    kan worden in- of uitgeschakeld.
    Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld,
    bestaan de opties uit SHUFFLE voor de
    hele CD of voor alle nummers in de map.

    Type 2 en 3
    Druk op functietoets 2.

    Druk op de pijltjestoetsen omhoog of
    omlaag en selecteer het gewenste
    nummer met de OK toets.

    N.B.: Wanneer een MP3-CD wordt
    afgespeeld, bestaan de opties uit SHUFFLE
    voor de hele CD of voor alle nummers in de
    map. Door meerdere keren op functietoets
    2 te drukken wordt tussen deze opties
    gewisseld.

    Type 2 en 3
    Het gewenste nummer kan worden
    ingevoerd met de cijfertoetsen. Kies het
    gewenste nummer volledig (bijvoorbeeld
    1 gevolgd door 2 voor nummer 12) of kies
    het nummer en druk direct op OK.

    Gebruik de zoektoetsen omhoog/omlaag
    om desgewenst het volgende willekeurige
    nummer te selecteren.

    CD-NUMMERS HERHALEN
    Type 1
    1.

    246

    Druk op de toets MENU en selecteer
    CD MODE.



  • Page 249

    CD-speler
    2. Selecteer REPEAT waarna de functie
    kan worden in- of uitgeschakeld. Het
    nummer wordt na afloop herhaald.
    Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld,
    bestaan de opties uit HERHALEN van het
    nummer of van alle nummers in de map.

    N.B.: Wanneer een MP3-CD wordt
    afgespeeld, bestaan de opties uit SCANNEN
    van de hele CD of van alleen de nummers
    in de map. Door meerdere keren op
    functietoets 3 te drukken wordt tussen deze
    opties gewisseld.

    Type 2 en 3

    2. Druk op functietoets 3 om de
    scanmodus te stoppen.

    Druk op functietoets 1.

    MP3-BESTAND AFSPELEN

    Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld,
    bestaan de opties uit HERHALEN van het
    nummer of van alle nummers in de map.
    Door meerdere keren op functietoets 1 te
    drukken wordt tussen deze opties
    gewisseld.

    N.B.: Sommige audiobestanden met een
    kopieerbeveiliging kunnen wellicht niet
    worden gelezen door de CD-speler.
    De CD-speler ondersteunt tevens
    audiobestanden van het formaat MP3 en
    WMA.

    CD-NUMMERS SCANNEN

    Wanneer een CD met audio in de CD-speler
    wordt geplaatst, wordt de mapstructuur
    van de CD ingelezen. Het kan even duren
    voordat wordt begonnen met afspelen
    (afspelen is afhankelijk van de kwaliteit
    van de CD).

    Met de functie SCAN kunt u van elk
    nummer circa 5 seconden laten afspelen.

    Type 1
    Er zijn verschillende scanmodi mogelijk,
    afhankelijk van het type CD dat wordt
    afgespeeld.

    MP3 nummers kunnen op verschillende
    manieren op een CD worden opgenomen.
    Ze kunnen allemaal in de hoofdmap
    worden geplaatst, net als bij een normale
    audio-CD, of ze kunnen in een bepaalde
    map worden geplaatst, die bijvoorbeeld
    bedoeld is voor een album, een artiest of
    een bepaald genre.

    1.

    Druk op de toets MENU en selecteer
    CD MODE.
    2. Selecteer SCAN waarna de functie kan
    worden in- of uitgeschakeld.
    N.B.: Wanneer een MP3-CD wordt
    afgespeeld, bestaan de opties uit SCANNEN
    van de hele CD of van alleen de nummers
    in de map.

    Een multi session CD afspelen
    De normale afspeelvolgorde bij CD’s met
    meerdere mappen is eerst de nummers in
    de bovenliggende map, dan de nummers
    in de eerste onderliggende map, vervolgens
    de nummers in de tweede onderliggende
    map, etc. Wanneer bijvoorbeeld folder 1 de
    folders 1a en 1b bevat, en folder 2 bevat
    folder 2a, is de afspeelvolgorde folder 1, 1a,
    1b, 2, 2a.

    3. Druk op de toets OK om de scanmodus
    te stoppen.

    Type 2 en 3
    1.

    Druk op functietoets 3.

    247



  • Page 250

    CD-speler
    Wanneer het afspelen van een bestand is
    voltooid, wordt verder gegaan met het
    afspelen van de andere bestanden in
    dezelfde map. De map wordt automatisch
    gewijzigd wanneer alle bestanden in de
    huidige map zijn afgespeeld.

    AFSPELEN CD BEËINDIGEN
    Om de radioweergave bij alle typen te
    hervatten:


    MP3 WEERGAVE-OPTIES
    Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld,
    kan bepaalde informatie die gecodeerd in
    elke opname is opgenomen, worden
    weergegeven. Deze informatie omvat
    meestal:




    Druk nogmaals op de CD toets om het
    afspelen van de CD te hervatten.

    De bestandsnaam
    De naam van de map
    ID3 informatie die op het album kan
    staan of de naam van de artiest.

    Gewoonlijk wordt de naam van het
    bestand dat wordt afgespeeld
    weergegeven. Druk om een van de andere
    informatie-items te selecteren
    herhaaldelijk op de INFO toets tot het
    benodigde item wordt weergegeven in de
    display.
    N.B.: Wanneer de gekozen ID3 informatie
    niet beschikbaar is, verschijnt NO MP3 TAG
    op het display.

    Opties weergave CD tekst
    Wanneer een audio CD met CD tekst wordt
    afgespeeld, kan een beperkte hoeveelheid
    informatie, die aan elk nummer is
    toegevoegd, worden weergegeven. Deze
    informatie omvat meestal:




    Druk de RADIO toets in.

    N.B.: Hierdoor wordt niet de CD
    uitgeworpen; het weergeven van de CD
    wordt alleen onderbroken op de plaats waar
    de weergave van de radio werd hervat.

    De naam van de CD
    De naam van de artiest
    De naam van het nummer.

    N.B.: Deze display-opties kunnen op
    dezelfde wijze worden gekozen als bij MP3
    CD’s. NO DISC NAME of NO TRACK NAME
    wordt weergegeven in de display als geen
    informatie is gecodeerd.

    248



  • Page 251

    Ingangsaansluiting (AUX IN)
    N.B.: Stel voor optimale prestaties bij het
    afspelen van een extra apparaat het volume
    daarvan hoog. Hierdoor worden storingen
    gereduceerd wanneer het apparaat wordt
    aangesloten op de aansluiting voor de
    sigarenaansteker in de auto.
    Via de extra ingang (AUX IN), indien
    aanwezig, kan een extra apparaat zoals
    een MP3-speler op de audio-installatie van
    de auto worden aangesloten. Het geluid
    kan via de luidsprekers in de auto worden
    weergegeven.
    Sluit het extra apparaat met conventionele
    3,5 mm audiostekkers aan op de AUX IN
    aansluiting.
    Selecteer de extra ingang met de toets
    AUX en het geluid wordt weergegeven via
    de luidsprekers in de auto. Op het display
    van de audiounit verschijnt LINE IN of LINE
    IN ACTIVE. Volume, hoge en lage tonen
    kunnen zoals gewoonlijk via de
    audio-installatie worden ingesteld.
    De toetsen van de audio-installatie kunnen
    tevens worden gebruikt om de weergave
    van de audio-installatie te hervatten terwijl
    het extra apparaat aangesloten blijft.

    249



  • Page 252

    Storingen verhelpen audio-installatie

    Display van de audio-installatie

    Rectificatie

    CONTROLEER CD

    Algemeen bericht voor storingen tijdens het afspelen
    van een CD, zoals 'cannot read the CD' (kan CD niet
    lezen), 'data-CD inserted' (data-CD aangebracht), enz.
    Controleer of de CD is aangebracht met de juiste zijde
    naar boven is gekeerd. Reinig de CD of reinig deze
    opnieuw of vervang de CD door een exemplaar met
    voor u bekende muziek. Neem contact op met uw dealer
    wanneer de storing blijft bestaan.

    STORING CD-LOOPWERK

    Algemeen bericht voor storingen tijdens het afspelen
    van een CD, zoals een mogelijke storing in het mechanisme.

    CD-DRIVE TE WARM

    Omgevingstemperatuur te hoog – CD-speler werkt niet
    tot deze is afgekoeld.

    IPOD FOUT BIJ LEZEN APPARAAT

    Algemeen bericht voor storingen tijdens het afspelen
    van een iPod, zoals het niet kunnen lezen van de data.
    Zorg dat de iPod correct is geplaatst. Neem contact op
    met uw dealer wanneer de storing blijft bestaan.

    250



  • Page 253

    Telefoon
    ALGEMENE INFORMATIE

    SETUP BLUETOOTH
    Voordat u uw telefoon kunt gebruiken
    moet deze worden gekoppeld aan het
    telefoonsysteem in de auto.

    LET OP
    Door gebruik van het systeem bij
    uitgeschakelde motor wordt de accu
    ontladen.

    Telefoons bedienen
    Er kunnen maximaal zes Bluetooth
    apparaten aan het systeem in de auto
    worden gekoppeld.

    In dit hoofdstuk worden de functies en
    eigenschappen van het handsfree systeem
    voor de Bluetooth mobiele telefoon
    beschreven.

    N.B.: Wanneer met de telefoon die als de
    nieuwe actieve telefoon wordt geselecteerd
    een gesprek wordt gevoerd, wordt het
    gesprek doorgeschakeld naar het
    audiosysteem in de auto.

    Het Bluetooth mobiele telefoongedeelte
    van het systeem zorgt voor de interactie
    tussen de audio-installatie of het
    navigatiesysteem en uw mobiele telefoon.
    Het zorgt ervoor dat u uw audio-installatie
    of het navigatiesysteem kunt gebruiken
    voor het ontvangen van
    telefoongesprekken zonder daarbij uw
    mobiele telefoon vast te houden.

    N.B.: Zelfs wanneer uw telefoon aan een
    systeem in de auto is gebonden, kan deze
    nog op de gebruikelijke wijze worden
    gebruikt.

    Eisen voor een Bluetooth
    verbinding

    Compatibiliteit van
    telefoontoestellen

    Het volgende is vereist voordat met een
    Bluetooth telefoon een verbinding tot
    stand kan worden gebracht.

    LET OP
    Omdat er geen algemene
    overeenkomst bestaat, kunnen
    fabrikanten van mobiele telefoons
    een groot aantal profielen in hun Bluetooth
    apparaten implementeren. Daardoor is het
    mogelijk dat een telefoon niet compatible
    met een handsfree systeem is, waardoor
    in sommige gevallen de prestaties van het
    systeem aanzienlijk worden beperkt. Om
    dit te voorkomen moeten alleen
    aanbevolen telefoons worden gebruikt.

    1.

    De Bluetooth functie moet op de
    telefoon en op het audiosysteem zijn
    ingeschakeld. Zorg ervoor dat de
    menu-optie Bluetooth in de audiounit
    op AAN is ingesteld. Raadpleeg voor
    meer informatie over
    telefooninstellingen de handleiding van
    uw mobiele telefoon.
    2. Zoek in het Bluetooth menu van uw
    telefoon naar Ford Audio en selecteer
    deze optie.

    Bezoek de website
    www.ford-mobile-connectivity.com
    voor volledige gegevens.

    251



  • Page 254

    Telefoon
    Van een telefoon een actieve
    telefoon maken

    3. Voer het op de voertuigdisplay
    weergegeven codenummer in met
    behulp van de toetsen van de telefoon.
    Wanneer geen codenummer wordt
    weergegeven op de display, voer dan
    het Bluetooth PIN nummer 0000 in
    met behulp van de toetsen van de
    telefoon. Voer nu het op de
    voertuigdisplay weergegeven
    Bluetooth PIN-nummer in.
    4. Als de mobiele telefoon om
    goedkeuring van de automatische
    verbinding vraagt, selecteer dan JA.

    N.B.: Wanneer met de telefoon die als de
    nieuwe actieve telefoon wordt geselecteerd
    een gesprek wordt gevoerd, wordt het
    gesprek doorgeschakeld naar het
    audiosysteem in de auto.
    Wanneer het systeem voor het eerst wordt
    gebruikt, zijn er nog geen telefoons
    gekoppeld met het systeem.
    Na het inschakelen van het contact en de
    audiounit moet de Bluetooth telefoon aan
    het systeem worden gekoppeld. Zie Setup
    Bluetooth (bladzijde 251).

    N.B.: Als de audiounit wordt uitgeschakeld,
    wordt een telefoongesprek verbroken.
    Wanneer de contactsleutel in de stand '0'
    wordt gezet, blijft de telefoonverbinding
    behouden.

    Nadat een Bluetooth telefoon bij het
    systeem is aangemeld, wordt deze de
    actieve telefoon. Raadpleeg voor meer
    informatie het menu van de telefoon.

    SETUP TELEFOON

    Selecteer de telefoon in het menu van de
    actieve telefoon.

    Telefoonboek
    N.B.: Wellicht moet toegang tot het
    telefoonboek via het Bluetooth systeem
    worden bevestigd via de mobiele telefoon.

    Wanneer het contact en de radio weer
    wordt aangezet, wordt de verbinding met
    de laatst actieve telefoon door het
    systeem hersteld.

    Na het opstarten kan het al naar gelang de
    grootte enkele minuten duren voordat u
    toegang tot de telefoonboeklijst krijgt.

    N.B.: In sommige gevallen moet de
    Bluetooth verbinding ook op de telefoon
    worden bevestigd.

    Telefoonboekcategorieën

    Een andere Bluetooth telefoon
    aanmelden

    De categorie wordt als pictogram
    weergegeven:

    Koppel een nieuwe Bluetooth telefoon
    zoals is beschreven onder 'Eisen voor een
    Bluetooth verbinding'.

    Telefoon

    Telefoons die in het systeem zijn
    opgeslagen zijn met behulp van de
    telefoonlijst op de audiounit toegankelijk.

    E87990

    Mobiel
    E87991

    N.B.: Er kunnen maximaal zes apparaten
    worden gekoppeld. Als er al zes Bluetooth
    apparaten zijn gekoppeld, moet er één
    worden ontkoppeld om een nieuw apparaat
    te kunnen koppelen.

    Thuis
    E87992

    Kantoor
    E87993

    252



  • Page 255

    Telefoon
    BEDIENINGSELEMENTEN
    TELEFOON

    In dit hoofdstuk worden de
    telefoonfuncties van de audio-unit
    beschreven.

    Afstandsbediening

    Er moet een actieve telefoon aanwezig zijn.
    Zelfs wanneer uw telefoon op de
    audio-unit is aangesloten, kan de telefoon
    op de gebruikelijke wijze worden gebruikt.

    A

    Bellen

    E

    Een nummer kiezen m.b.v.
    spraakbesturing

    D

    Telefoonnummers kunnen m.b.v.
    spraakbesturing worden gekozen. Zie
    Commando’s telefoon (bladzijde 265).

    B

    Een nummer kiezen m.b.v. het
    adresboek

    C

    1. Druk op de toets PHONE.
    2. Druk op de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag tot PHONEBOOK
    wordt weergegeven.
    3. Druk op de toets OK.
    N.B.: U kunt tevens het telefoontoetsenblok
    gebruiken om de eerste letter van de
    gewenste invoer te selecteren. Druk
    herhaaldelijk op het betreffende nummer
    dat overeenkomt met de letter tot de
    gewenste letter wordt weergegeven.

    E129649

    A

    Volume hoger

    B

    Voice toets

    C

    Oproep beëindigen

    D

    Volume lager

    E

    Oproep ontvangen

    GEBRUIK MAKEN VAN DE
    TELEFOON

    4. Druk op de
    omhoog/omlaag-pijltjestoetsen om
    het gewenste telefoonnummer te
    selecteren.
    N.B.: Houd de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag ingedrukt om voor- of
    achterwaarts te gaan in het telefoonboek.

    N.B.: Raadpleeg de handleiding van de
    audio-unit voor meer informatie over de
    bedieningsorganen. Zie Overzicht
    audio-installatie (bladzijde 234).
    N.B.: U kunt het telefoonmenu verlaten
    door te drukken op de toets CD, RADIO of
    AUX.

    5. Druk op de toets OK om het
    geselecteerde telefoonnummer te
    kiezen.

    N.B.: Indien er naar wordt verwezen kunnen
    de pijltjestoetsen omhoog/omlaag, de
    toetsen omhoog/omlaag zoeken en de OK
    toets worden gebruikt op het stuur of de
    audio-unit.

    Een nummer kiezen m.b.v. het
    telefoontoetsenblok
    1.

    253

    Druk op de toets PHONE.



  • Page 256

    Telefoon
    2. Kies het nummer met het toetsenbord
    op de audio-unit.
    3. Druk op de toets OK.
    N.B.: Als u bij het kiezen van een
    telefoonnummer een onjuist cijfer intoetst,
    druk dan op functietoets 3 om het laatste
    cijfer te wissen. Wanneer de toets lang
    wordt ingedrukt, wordt de complete serie
    cijfers gewist.

    3. Druk op de toets OK.

    Een gesprek beëindigen

    Inkomende oproepen kunnen worden
    geweigerd door:
    • te drukken op de toets omhoog zoeken,
    of
    • te drukken op de pijltjestoets omlaag
    om REJECT te markeren en vervolgens
    te drukken op de OK toets.

    Een inkomend gesprek ontvangen
    Een inkomend gesprek beantwoorden
    Inkomende gesprekken kunnen worden
    beantwoord door op de toets omlaag
    zoeken of de OK toets te drukken.
    Een inkomend gesprek weigeren

    Geprekken kunnen worden beëindigd door:
    • te drukken op de toets omhoog zoeken.
    • te drukken op de OK toets.
    • te drukken op functietoets 4.
    Een nummer herhalen

    Een tweede oproep ontvangen

    1. Druk op de toets PHONE.
    2. Druk op de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag tot CALL LISTS
    wordt weergegeven.
    3. Druk op de toets OK.
    N.B.: Indien de actieve telefoon niet over
    een lijst met eerder gekozen nummers
    beschikt, kan het laatst gekozen nummer
    opnieuw worden gekozen.

    N.B.: De functie tweede inkomend gesprek
    op uw telefoon moet zijn geactiveerd.
    Wanneer er tijdens een gesprek een
    inkomend gesprek binnenkomt, klinkt er
    een 'piep' en kunt u het actieve gesprek in
    de wachtstand plaatsen en het tweede
    inkomende gesprek beantwoorden.
    Een tweede inkomend gesprek
    beantwoorden

    4. Druk op de toetsen omhoog/omlaag
    om de gewenste lijst met gekozen
    nummers te selecteren.
    5. Druk op de toets OK.
    6. Druk op de
    omhoog/omlaag-pijltjestoetsen om
    het gewenste telefoonnummer te
    selecteren.
    7. Druk op de toets OK.

    N.B.: Het eerste inkomende gesprek wordt
    verbroken en vervangen door het tweede
    inkomende gesprek.
    Tweede inkomende gesprekken kunnen
    worden beantwoord door op de toets
    omlaag zoeken op het stuur of de
    audio-unit of de OK toets op de audio-unit
    te drukken.

    Laatst gekozen nummer opnieuw
    opbellen
    1. Druk op de toets PHONE.
    2. Druk op de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag tot REDIAL wordt
    weergegeven.

    254



  • Page 257

    Telefoon
    Actieve telefoon afmelden

    Een tweede inkomend gesprek
    weigeren

    Een actieve telefoon kan op elk gewenst
    moment uit het systeem worden gewist,
    behalve wanneer met deze telefoon een
    gesprek wordt gevoerd.

    Tweede inkomende gesprekken kunnen
    worden geweigerd door:
    • te drukken op de toets omhoog zoeken,
    of
    • te drukken op de pijltjestoets omlaag
    om REJECT te markeren en vervolgens
    te drukken op de OK toets.

    1. Druk op de toets PHONE.
    2. Druk op de toetsen omhoog/omlaag
    tot SELECT PHONE wordt
    weergegeven.
    3. Druk op de toets OK.
    4. Druk op de toetsen omhoog/omlaag
    om de gewenste telefoon te markeren.
    5. Druk op functietoets 1.

    Tweede inkomende gesprekken kunnen
    worden geweigerd door te drukken op
    functietoets 4.

    Microfoon dempen
    N.B.: Het is mogelijk om tijdens een gesprek
    de microfoon te dempen. Tijdens het
    dempen verschijnt er een bevestiging op het
    display.
    Druk op functietoets 1. Druk nogmaals op
    de toets om deze functie uit te schakelen.

    Van actieve telefoon veranderen
    N.B.: Voordat telefoons kunnen worden
    geactiveerd moeten ze bij het systeem
    worden aangemeld.
    N.B.: Nadat een telefoon aan het systeem
    is gekoppeld, wordt deze de actieve
    telefoon.
    1. Druk op de toets PHONE.
    2. Druk op de toetsen omhoog/omlaag
    tot SELECT PHONE wordt
    weergegeven.
    3. Druk op de toets OK.
    4. Blader met de toetsen
    omhoog/omlaag door de verschillende
    opgeslagen telefoons om de
    gekoppelde telefoons weer te geven.
    5. Druk op de toets OK om de telefoon te
    selecteren die de actieve telefoon moet
    worden.

    255



  • Page 258

    Spraaksturing
    Probeer geen nieuwe commando's te
    geven voordat u de piep hebt gehoord. Het
    spraakbesturingssysteem herhaalt elk
    gesproken commando.

    WERKING
    LET OP
    Door gebruik van het systeem bij
    uitgeschakelde motor wordt de accu
    ontladen.

    Wanneer u niet precies weet hoe u moet
    doorgaan, zeg dan "HELP" voor hulp of
    "CANCEL" wanneer u niet wilt doorgaan.

    Met spraakbesturing kunt u het systeem
    bedienen zonder dat uw aandacht van de
    weg wordt afgeleid om bijvoorbeeld
    instellingen te veranderen of om reacties
    van het systeem te lezen.

    De "HELP" functie biedt u alleen een
    verzameling van de beschikbare
    commando's. Een gedetailleerde uitleg
    over alle mogelijke gesproken commando's
    kunt u op de volgende bladzijden vinden.

    Wanneer u bij geactiveerd systeem één
    van de gedefinieerde spraaklabels gebruikt,
    zet het spraakbesturingssysteem uw
    spraaklabel om in een bedieningssignaal
    voor het systeem. Uw spraaklabels nemen
    de vorm aan van dialogen of commando's.
    U wordt door mededelingen of vragen door
    deze dialogen geleid.

    Gesproken commando's
    Alle commando's moeten op natuurlijke
    wijze worden uitgesproken, alsof u tot een
    passagier spreekt of een telefoongesprek
    voert. Uw stemvolume moet afhankelijk
    zijn van omgevingsgeluiden in of buiten de
    auto, maar schreeuw niet.

    Maak uzelf vertrouwd met de functies van
    het systeem voordat u het
    spraakherkenningsysteem gaat gebruiken.

    SPRAAKGESTUURD
    REGELSYSTEEM GEBRUIKEN

    Ondersteunde commando's

    Werking van het systeem

    Met het spraakbesturingssysteem kunt u
    de volgende systemen in de wagen
    bedienen:

    De volgorde en de inhoud van de
    spraaklabels zijn in de volgende lijst
    weergegeven. De tabel toont de volgorde
    van de spraaklabels van de gebruiker en
    de reacties van het systeem die voor iedere
    functie beschikbaar zijn.



    Bluetooth telefoon



    radio



    CD-speler



    extern apparaat (USB)



    extern apparaat (iPod)

    <> duidt een nummer of opgeslagen
    spraaklabel aan, die door de gebruiker
    moet worden opgeslagen.



    automatische klimaatregeling

    Short cuts
    Er zijn een aantal gesproken woorden
    (short cuts) mogelijk, waarmee u enkele
    functies van de auto kunt regelen zonder
    het complete commandomenu te hoeven
    volgen. Dit zijn:

    Reactie van het systeem
    Wanneer u een gesproken commando
    geeft, antwoordt het systeem telkens met
    een piep wanneer het gereed is om door
    te gaan.

    256



  • Page 259

    Spraaksturing







    Spraaklabel

    telefoon: "MOBILE NAME", "DIAL
    NUMBER", "DIAL NAME" en "REDIAL"
    automatische klimaatregeling:
    "TEMPERATURE", "AUTO MODE",
    "DEFROSTING/DEMISTING ON" en
    "DEFROSTING/DEMISTING OFF"
    radio: "TUNE NAME"
    extern apparaat (USB): "TRACK"
    extern apparaat (iPod): "TRACK"

    Het spraaklabel kan de telefoon, de
    audio-installatie en het navigatiesysteem
    ondersteunen door gebruik te maken van
    de "STORE NAME" functie (naam
    opslaan). U kunt spraaklabels toewijzen
    aan items zoals favoriete radiozenders en
    persoonlijke telefooncontacten. Zie
    Commando’s audio-unit (bladzijde 257).
    Zie Commando’s telefoon (bladzijde 265).

    Communicatie met het systeem
    starten



    Sla maximaal 20 actieve spraaklabels
    per functie op.

    Voordat u kunt beginnen met het systeem
    toe te spreken moet u voor iedere
    handeling eerst op de VOICE toets
    drukken en wachten tot het systeem met
    een piep antwoordt. Zie Spraaksturing
    (bladzijde 53).



    De gemiddelde opnametijd per
    spraaklabel bedraagt ongeveer 2 tot 3
    seconden.

    Druk de toets opnieuw in om de
    spraakbesturing uit te schakelen.

    CD-speler

    COMMANDO’S AUDIO-UNIT
    U kunt het afspelen direct met
    spraakbesturing bedienen.
    Overzicht
    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu aan de hand van gekozen
    voorbeelden.

    "CD PLAYER"

    "HELP"
    "PLAY"
    *

    "TRACK"

    "SHUFFLE ALL"
    "SHUFFLE FOLDER"
    "SHUFFLE OFF"

    257

    **



  • Page 260

    Spraaksturing
    "CD PLAYER"

    "REPEAT FOLDER"

    **

    "REPEAT TRACK"
    "REPEAT OFF"
    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Alleen beschikbaar als de CD audiogegevensbestanden bevat, zoals MP3.
    Muzieknummer
    U kunt direct een muzieknummer op de CD
    kiezen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    1

    "CD PLAYER"

    Systeem antwoordt

    "CD PLAYER"

    2

    "TRACK NUMBER PLEASE"

    "TRACK"

    3

    "<een getal tussen 1 en 99>"

    *
    **

    "TRACK <nummer>"

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "2", "4", "5"
    voor muzieknummer 245)
    Shuffle alles
    Random afspelen instellen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CD PLAYER"

    "CD PLAYER"

    2

    "SHUFFLE ALL"
    Overzicht

    Radio

    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu.

    De gesproken commando's ondersteunen
    de radiofuncties en u kunt met Voice
    Control op radiostations afstemmen.

    258



  • Page 261

    Spraaksturing

    "RADIO"

    "HELP"
    "AM"
    "FM"
    "TUNE NAME"

    *

    "DELETE NAME"
    "DELETE DIRECTORY"
    "PLAY DIRECTORY"
    "STORE NAME"
    "PLAY"
    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Afstemfrequentie
    Met deze functie kunt u met gesproken
    commando's afstemmen op radiostations.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "AM"

    "AM FREQUENCY PLEASE"

    "FM"

    "FM FREQUENCY PLEASE"

    3

    "<frequentie>"

    "TUNE <frequentie>"

    *

    * De frequentie kan op verschillende manieren worden ingevoerd. Raadpleeg onderstaande
    voor representatieve voorbeelden.
    FM-golflente: 87,5 - 108,0 in stappen van
    0,1

    AM/MW-golflengte: 531 - 1602 in stappen
    van 9







    AM/LW-golflengte: 153 - 281 in stappen
    van 1

    "Eighty nine point nine" (89,9)
    "Ninety" (90,0)
    "One hundred point five" (100,5)
    "One zero one point one" (101,1)
    "One zero eight" (108,0)





    259

    "Five thirty one" (531)
    "Nine hundred" (900)
    "Fourteen forty" (1440)



  • Page 262

    Spraaksturing



    "Fifteen zero three" (1503)
    "Ten eighty" (1080)

    Naam opslaan
    Wanneer u op een radiostation hebt
    afgestemd, kunt u deze met een naam in
    het bestand opslaan.

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "STORE NAME"

    "STORE NAME"
    "NAME PLEASE"

    3

    "<naam>"

    "REPEAT NAME PLEASE"

    4

    "<naam>"

    "STORING NAME"
    "<naam> STORED"

    Afstemmen op naam
    Met deze functie kunt u op een opgeslagen
    radiostation afstemmen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    1

    "RADIO"

    Systeem antwoordt

    "RADIO"

    2

    "TUNE NAME"

    "NAME PLEASE"

    3

    "<naam>"

    "TUNE <naam>"

    *

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Naam wissen
    Met deze functie kunt u een opgeslagen
    radiostation wissen
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "DELETE NAME"

    "NAME PLEASE"

    3

    "<naam>"

    "DELETE <naam>"
    "CONFIRM YES OR NO"

    4

    "YES"

    "DELETED"

    260



  • Page 263

    Spraaksturing
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    Bestand afspelen
    Met deze functie kunt u het systeem alle
    opgeslagen radiostations laten opnoemen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "PLAY DIRECTORY"

    "PLAY <DIRECTORY>"

    Bestand wissen
    Met deze functie kunt u alle opgeslagen
    radiostations wissen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "DELETE DIRECTORY"

    "DELETE DIRECTORY"
    "CONFIRM YES OR NO"

    3

    "YES"

    "RADIO DIRECTORY DELETED"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    Afspelen
    Met deze functie schakelt de audiobron
    over op de radiomodus.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "PLAY"

    261



  • Page 264

    Spraaksturing
    Auxiliary ingang

    Met deze functie laat u de audiobron
    overschakelen op het aangesloten
    apparaat met auxiliary ingang.

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "EXTERNAL DEVICE"

    "EXTERNAL DEVICE"

    2

    "LINE IN"

    "LINE IN"
    Overzicht

    Externe apparaten - USB

    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu aan de hand van gekozen
    voorbeelden.

    Deze gesproken commando's
    ondersteunen de functionaliteit van een
    extern USB-apparaat dat op de audiounit
    kan worden aangesloten.

    "EXTERNAL DEVICE", "USB"

    "HELP"
    "PLAY"
    *

    "TRACK"

    **

    "PLAYLIST"
    "FOLDER"

    **

    "SHUFFLE ALL"
    "SHUFFLE FOLDER"
    "SHUFFLE PLAYLIST"
    "SHUFFLE OFF"
    "REPEAT TRACK"
    "REPEAT FOLDER"
    "REPEAT OFF"
    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten en mappen moeten specifieke
    bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 272).

    262



  • Page 265

    Spraaksturing
    Afspelen USB

    Met deze functie laat u de audiobron
    overschakelen op het aangesloten
    USB-apparaat.

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "EXTERNAL DEVICE"

    "EXTERNAL DEVICE"

    2

    "USB"

    "USB"

    3

    "PLAY"

    USB-muzieknummer
    U kunt direct een muzieknummer op het
    USB-apparaat kiezen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "EXTERNAL DEVICE"

    "EXTERNAL DEVICE"

    2

    "USB"

    "USB"

    3

    "TRACK"

    "TRACK NUMBER PLEASE"

    4

    "TRACK <nummer>"

    **

    "<een getal tussen 1 en 99>"

    * Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "2", "4", "5"
    voor muzieknummer 245)
    Overzicht

    Externe apparaten - iPod

    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu aan de hand van gekozen
    voorbeelden.

    Deze gesproken commando's
    ondersteunen de functionaliteit van een
    iPod die op de audiounit kan worden
    aangesloten.

    "EXTERNAL DEVICE", "IPOD"

    "HELP"
    "PLAY"
    *

    "TRACK"

    **

    "PLAYLIST"

    263



  • Page 266

    Spraaksturing
    "EXTERNAL DEVICE", "IPOD"

    "SHUFFLE ALL"
    "SHUFFLE PLAYLIST"
    "SHUFFLE OFF"
    "REPEAT TRACK"
    "REPEAT OFF"
    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten moeten specifieke
    bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 272).
    iPod-muzieknummer
    U kunt direct een muzieknummer op de
    iPod kiezen in de lijst met alle titels.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "EXTERNAL DEVICE"

    "EXTERNAL DEVICE"

    2

    "IPOD"

    "IPOD"

    3

    "TRACK"

    4

    "<een getal tussen 1 en 99>"

    "TRACK NUMBER PLEASE"

    *
    **

    "TRACK <nummer>"

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Getallen kunnen ook als max. vijf losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "5", "2", "4",
    "5", "3" voor muzieknummer 52453) tot een grenswaarde van 65535.
    Afspeellijst iPod
    U kunt direct een afspeellijst in de iPod
    kiezen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "EXTERNAL DEVICE"

    "EXTERNAL DEVICE"

    2

    "IPOD"

    "IPOD"

    3

    "PLAYLIST"

    "PLAYLIST NUMBER PLEASE"

    *

    264



  • Page 267

    Spraaksturing
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    4

    "<een getal tussen 1 en 10>"

    "PLAYLIST <nummer>"

    * Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten moeten specifieke bestandsnamen
    worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 272).
    Overzicht

    COMMANDO’S TELEFOON

    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu aan de hand van gekozen
    voorbeelden.

    Telefoon
    Met uw telefoonsysteem kunt u een extra
    telefoonboek aanleggen. De opgeslagen
    nummers kunnen met behulp van Voice
    Control worden gekozen.
    Telefoonnummers, die met behulp van
    Voice Control zijn opgeslagen, worden in
    het systeem van de auto opgeslagen en
    niet in dat van uw telefoon.

    "TELEFOON"

    "HELP"
    *

    "MOBILE NAME"
    "DIAL NUMBER"
    "DIAL NAME"

    *

    *

    "DELETE NAME"
    "DELETE DIRECTORY"
    "PLAY DIRECTORY"
    "STORE NAME"
    "REDIAL"

    *

    "ACCEPT CALLS"
    "REJECT CALLS"
    * Kan als short cut worden gebruikt.

    265



  • Page 268

    Spraaksturing
    Telefoonfuncties

    Nadat het spraaklabel is uitgesproken
    kunnen telefoonnummers worden gekozen.

    Nummer kiezen
    Stappen

    Gebruiker zegt

    1

    "TELEFOON"

    Systeem antwoordt

    "TELEFOON"

    2

    "DIAL NUMBER"

    "NUMBER PLEASE"

    3

    "<telefoonnummer>"

    "<telefoonnummer>
    CONTINUE?"

    4

    "DIAL"

    "DIALLING"

    "CORRECTION"

    "<laatste deel van nummer
    herhalen>
    CONTINUE?"

    *

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Naam kiezen
    Nadat het spraaklabel is uitgesproken
    kunnen telefoonnummers worden gekozen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "DIAL NAME"

    "NAME PLEASE"

    3

    "<naam>"

    "DIAL <naam>"
    "CONFIRM YES OR NO"

    4

    "YES"

    "DIALLING"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    *

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Nummer herhalen
    Deze functie maakt het mogelijk het laatst
    gekozen nummer te herhalen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    266



  • Page 269

    Spraaksturing
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    2

    "REDIAL"

    "REDIAL"
    "CONFIRM YES OR NO"

    3

    "YES"

    "DIALLING"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    *

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Naam mobiele telefoon
    Met deze functie kunt u met een
    spraaklabel toegang krijgen tot de in uw
    mobiele telefoon opgeslagen
    telefoonnummers.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "MOBILE NAME"

    "MOBILE NAME" "<telefoonafhankelijke dialoog>"

    *

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    N.B.: DTMF kan alleen worden gebruikt
    tijdens een telefoongesprek. Bedien de toets
    VOICE en wacht op de systeemprompt.

    DTMF ('Tone' instelling)
    Met deze functie worden gesproken
    getallen in DTMF-tonen omgezet. Voor
    bijvoorbeeld het op afstand bedienen van
    het antwoordapparaat bij u thuis of voor
    het invoeren van PIN-nummer, enz.
    Stappen

    Kan alleen worden gebruikt op auto's met
    een aparte toets VOICE.

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1
    2

    "NUMBER PLEASE"
    "<cijfers 1 tot en met 9, nul, hekje,
    sterretje>"

    267



  • Page 270

    Spraaksturing
    Een telefoonboek aanleggen

    Nieuwe spraaklabels kunnen worden
    opgeslagen met het commando "STORE
    NAME". Deze functie kan worden gebruikt
    voor het kiezen van een nummer door de
    naam in plaats van het complete
    telefoonnummer uit te spreken.

    Naam opslaan

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "STORE NAME"

    "STORE NAME"
    "NAME PLEASE"

    3

    "<naam>"

    "REPEAT NAME PLEASE"

    4

    "<naam>"

    "STORING NAME"
    "<naam> STORED"
    "NUMBER PLEASE"

    5

    "<telefoonnummer>"

    "<telefoonnummer>"

    6

    "STORE"

    "STORING NUMBER"
    "<telefoonnummer>"
    "NUMBER STORED"

    Naam wissen
    Opgeslagen namen kunnen ook uit het
    bestand worden gewist.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "DELETE NAME"

    "NAME PLEASE"

    3

    "<naam>"

    "DELETE <naam>"
    "CONFIRM YES OR NO"

    4

    "YES"

    "<naam> DELETED"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    Bestand afspelen
    Gebruik deze functie om het systeem alle
    opgeslagen namen en nummers te laten
    opnoemen.

    268



  • Page 271

    Spraaksturing

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "PLAY DIRECTORY"

    "PLAY DIRECTORY"

    Bestand wissen
    Met deze functie kunt u alle ingevoerde
    gegevens in één keer wissen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "DELETE DIRECTORY"

    "DELETE DIRECTORY"
    "CONFIRM YES OR NO"

    3

    "YES"

    "DIRECTORY DELETED"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    Hoofdinstellingen
    Oproepen weigeren
    Oproepen kunnen zo worden ingesteld dat
    ze met spraakbesturing automatisch
    worden geweigerd.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "REJECT CALLS"

    "REJECT CALLS"

    "ACCEPT CALLS"

    *

    * schakel met dit commando de modus 'weigeren' uit

    269

    "ACCEPT CALLS"



  • Page 272

    Spraaksturing
    Overzicht

    COMMANDO’S
    KLIMAATREGELING

    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu aan de hand van gekozen
    voorbeelden.

    Airconditioning
    Met gesproken commando's voor de
    klimaatregeling kunnen het
    aanjagertoerental, de temperatuur en de
    modus worden ingesteld. Niet alle functies
    zijn in alle autotypen beschikbaar.

    "CLIMATE"

    "HELP"
    "FAN"

    *

    "DEFROSTING/DEMISTING ON"

    *
    *

    "DEFROSTING/DEMISTING OFF"
    "TEMPERATURE"

    *

    *

    "AUTO MODE"

    * Kan als short cut worden gebruikt. Bij auto's met een Engelse taalmodule is de short
    cut "FAN" niet beschikbaar.
    Aanjager
    Met deze functie kunt u het
    aanjagertoerental instellen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CLIMATE"

    "CLIMATE"

    2

    3

    "FAN"

    a

    "FAN SPEED PLEASE"

    "MINIMUM"

    "FAN MINIMUM"

    "<een getal tussen 1 en 7>"

    "FAN <getal>"

    "MAXIMUM"

    "FAN MAXIMUM"

    * Kan als short cut worden gebruikt. Bij auto's met een Engelse taalmodule is de short
    cut "FAN" niet beschikbaar.

    270



  • Page 273

    Spraaksturing
    Ontdooien/ontwasemen
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CLIMATE"

    "CLIMATE"

    "DEFROSTING ON/DEMISTING
    *

    2

    ON"

    "DEFROSTING OFF/DEMISTING
    *

    OFF"

    "DEFROSTING ON/DEMISTING ON"
    "DEFROSTING OFF/DEMISTING
    OFF"

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Temperatuur
    Met deze functie kunt u de temperatuur
    instellen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CLIMATE"

    "CLIMATE"

    2

    "TEMPERATURE"

    3

    *

    "TEMPERATURE PLEASE"

    "MINIMUM"

    "TEMPERATURE MINIMUM"

    "<een getal tussen 15 en 29 °C met
    stappen van 0,5>" of "<een getal
    tussen 59 en 84 °F>"

    "TEMPERATURE <getal>"

    "MAXIMUM"

    "TEMPERATURE MAXIMUM"

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Automatische functie
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CLIMATE"

    "CLIMATE"

    2

    "AUTO MODE"

    *

    "AUTO MODE"

    * Kan als short cut worden gebruikt. Kan worden uitgeschakeld door een andere
    temperatuur of een ander aanjagertoerental in te stellen.

    271



  • Page 274

    Verbinding
    N.B.: De toegangstijd voor het lezen van de
    bestanden van het externe apparaat
    variëren afhankelijk van factoren zoals de
    bestandsstructuur, de grootte van het
    bestand en de inhoud van het apparaat.

    ALGEMENE INFORMATIE
    LET OP
    Ga voorzichtig te werk bij het omgaan
    met externe apparaten met
    blootliggende stekkers (zoals de
    USB-plug). Vervang altijd de
    beschermkap/beschermplaat (indien
    mogelijk). Er bestaat kans op
    elektrostatische ontlading, wat tot schade
    aan het apparaat kan leiden.

    Het systeem ondersteunt een aantal
    externe apparaten voor een volledige
    integratie met de audio-unit via de
    USB-aansluitingen en extra aansluitingen.
    Eenmaal aangesloten kan het externe
    apparaat worden aangestuurd via de
    audio-unit.

    Raak de USB-aansluiting in de auto
    niet aan of voer er geen
    werkzaamheden aan uit. Dek de
    aansluiting af wanneer deze niet wordt
    gebruikt.

    Hieronder staat een lijst met veel
    voorkomende compatibele apparaten:
    • USB-geheugensticks
    • USB-draagbare harde schijven
    • Enkele MP3-spelers met
    USB-aansluiting
    • iPod mediaspelers (ga naar
    www.ford-mobile-connectivity.com
    voor de nieuwste compatibiliteitslijst).

    Maak alleen gebruik van
    USB-massaopslagapparaten.
    Zet de audio-unit altijd op een andere
    bron (bijvoorbeeld de radio) alvorens
    het USB-apparaat te ontkoppelen.
    Breng geen USB-hubs of -splitters
    aan.

    Het systeem is USB 2.0 Full Speed
    compatibel, USB 1.1 Host Compliant en
    ondersteunt FAT 16/32 bestandssystemen.

    N.B.: Het systeem is alleen ontworpen voor
    het herkennen en lezen van geschikte
    audiobestanden van een USB-apparaat dat
    voldoet aan de klasse voor
    USB-massaopslagapparaten of een iPod.
    Er kan niet worden gegarandeerd dat alle
    beschikbare USB-apparaten met het
    systeem kunnen worden gecombineerd.

    Informatie over audiobestandsstructuren voor externe apparaten
    USB
    Maak alleen een enkele partitie op het
    USB-apparaat.
    Als afspeellijsten worden gemaakt, dan
    dienen deze de correcte bestandspaden
    gerefereerd aan het USB-apparaat te
    bevatten. Er wordt aanbevolen de
    afspeellijst te maken nadat de
    audiobestanden zijn overgedragen naar
    het USB-apparaat.

    N.B.: Er kan gebruik worden gemaakt van
    compatibele apparaten met een
    USB-adapterkabel en apparaten die
    rechtstreeks kunnen worden aangesloten
    op de USB-aansluiting van de auto
    (bijvoorbeeld USB-geheugensticks en Pen
    Drives).

    Afspeellijsten moeten worden gemaakt in
    .m3u formaat.

    N.B.: Het kan voorkomen dat sommige
    USB-apparaten met een hoger
    stroomverbruik incompatibel zijn
    (bijvoorbeeld sommige grotere harde
    schijven).

    Audiobestanden moeten worden gemaakt
    in .mp3 formaat.

    272



  • Page 275

    Verbinding
    Houd u aan het volgende:
    • 1000 items per map (bestanden,
    mappen en afspeellijsten)
    • 5000 mappen met USB-apparaat
    (inclusief afspeellijsten)
    • 8 submapniveau's.

    EXTERN APPARAAT
    AANSLUITEN
    WAARSCHUWING
    Zorg dat het externe apparaat stevig
    in de auto is bevestigd en dat
    bijbehorende aansluitingen de
    bedieningselementen voor het rijden niet
    blokkeren.

    Volg de onderstaande procedure voor het
    inschakelen van spraakregeling voor
    aangepaste afspeellijsten en mappen:
    • Maak mappen met de naam
    "Ford<*>", waar <*> een cijfer tussen
    1 en 10 is. Bijvoorbeeld "Ford3" zonder
    extensie.
    • Maak afspeellijsten met de naam
    "Ford<*>.m3u", waar <*> een cijfer
    tussen 1 en 10 is. Bijvoorbeed
    "Ford5.m3u" zonder spatie tussen
    "Ford" en het cijfer.

    Externe apparaten kunnen worden
    aangesloten met behulp van de extra
    ingangsaansluiting en de USB-poort. Zie
    Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN)
    (bladzijde 133). Zie USB-poort (bladzijde
    134).

    Aansluiting

    Hierna kunnen aangepaste mappen en
    afspeellijsten worden geselecteerd met
    behulp van spraakregeling. Zie
    Commando’s audio-unit (bladzijde 257).

    Sluit het apparaat aan en bevestig het
    indien nodig om bewegen in de auto te
    voorkomen.

    iPod

    Voor een optimaal gebruiksgemak en een
    optimale audiokwaliteit wordt aangeraden
    een bijpassende eenpolige kabel aan te
    schaffen bij uw dealer.

    Een iPod aansluiten

    Maak afspeellijsten met de naam
    "Ford<*>", waar <*> een cijfer tussen 1
    en 10 is voor het inschakelen van
    spraakregeling voor aangepaste
    afspeellijsten. Bijvoorbeed "Ford7" zonder
    spatie tussen "Ford" en het cijfer.

    De iPod kan tevens worden aangesloten
    met behulp van de standaard iPod
    USB-kabel en een aparte 3,5 mm
    audiokabel. Wanneer gebruik wordt
    gemaakt van deze methode moet het
    volume van de iPod op maximum worden
    gezet en de equalizerinstellingen worden
    uitgeschakeld alvorens de aansluitingen
    te maken:

    Hierna kunnen aangepaste afspeellijsten
    worden geselecteerd met behulp van
    spraakregeling. Zie Commando’s
    audio-unit (bladzijde 257).




    273

    Sluit de hoofdtelefoonuitgang van de
    iPod aan op de AUX IN aansluiting.
    Sluit de USB-kabel van de iPod aan op
    de USB-aansluiting van de auto.



  • Page 276

    Verbinding
    EXTERN APPARAAT
    AANSLUITEN - AUTO'S MET
    BLUETOOTH

    Toegang tot nummers kan worden
    verkregen door vooruit en achteruit te
    navigeren met behulp van de knoppen op
    het stuur of rechtstreeks via de knoppen
    van de audio-unit.

    Bluetooth audio-apparaat
    aansluiten

    Bediening van de audio-installatie
    Druk op de toetsen opwaarts/neerwaarts
    zoeken om achteruit en vooruit door de
    nummers te gaan.

    LET OP
    Omdat er verschillende standaarden
    bestaan, kunnen fabrikanten een
    groot aantal profielen in hun
    Bluetooth apparaten implementeren.
    Hierdoor kan incompatibiliteit ontstaan
    tussen het Bluetooth apparaat en het
    systeem, wat in sommige gevallen de
    systeemfunctionaliteit kan beperken. Om
    dit te voorkomen moeten alleen
    aanbevolen apparaten worden gebruikt.

    Houd de toetsen ingedrukt om snel
    achteruit/vooruit door een nummer te
    gaan.
    Druk op de toets INFO of functietoets 4
    om het volgende weer te geven:
    • Titel.
    • Artiest.
    • Album.
    • Bestandsnaam.

    Bezoek de website
    www.ford-mobile-connectivity.com
    voor volledige gegevens.

    USB-APPARAAT GEBRUIKEN

    Apparaat aansluiten op
    (voertuig)systeem

    Verschillende pictogrammen worden
    gebruikt voor het herkennen van
    verschillende audiobestanden, mappen
    enz.

    Volg voor het aansluiten van het apparaat
    op het systeem dezelfde procedure als
    voor Bluetooth handsfree telefoons. Zie
    Setup Bluetooth (bladzijde 251).

    USB-apparaat is de actieve bron
    E100029

    Het apparaat bedienen

    Map

    N.B.: De zoektoetsen en de
    bestandsinformatie werken alleen bij
    bepaalde telefoons en apparaten.

    E100022

    Afspeellijst

    Selecteer Bluetooth audio als de actieve
    bron.

    E100023

    Album

    1. Selecteer AUX.
    2. Druk op de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag om de gewenste
    functie te selecteren.
    3. Druk op de toets OK.

    E100024

    Artiest
    E100025

    274



  • Page 277

    Verbinding
    Bestandsnaam

    Gebruik voor het navigeren door de inhoud
    van het USB-apparaat de pijltjestoets
    omhoog/omlaag om door de lijsten te
    bladeren en de pijltjestoets links/rechts
    om binnen de mapstructuur omhoog of
    omlaag te bladeren. Druk op de OK toets
    om afspelen te selecteren nadat het
    gewenste nummer of de gewenste
    afspeellijst of map is gemarkeerd.

    E100026

    Titel van nummer
    E100027

    Informatie niet beschikbaar
    E100028

    N.B.: Houd de pijltjestoets naar links
    ingedrukt als u naar het bovenste niveau
    van de inhoud van het USB-apparaat wilt
    navigeren.

    Bediening
    Selecteer het USB-apparaat als audiobron
    door herhaaldelijk op de toets AUX te
    drukken tot het scherm USB op het display
    verschijnt. Nadat het USB-apparaat is
    aangesloten, wordt het eerste nummer van
    de eerste map automatisch afgespeeld.
    Vervolgens wordt na het wijzigen van de
    audiobron de afspeelpositie op het
    USB-apparaat onthouden.

    Bediening van de audio-installatie
    Druk op de toetsen opwaarts/neerwaarts
    zoeken om achteruit en vooruit door de
    nummers te gaan.
    Houd de toetsen ingedrukt om snel
    achteruit/vooruit door een nummer te
    gaan.

    Druk eenmaal op de pijltjestoets
    omhoog/omlaag of de OK toets om door
    de inhoud van het apparaat te bladeren.

    Gebruik de functietoetsen om willekeurig
    afspelen, herhaald afspelen en scannen in
    te schakelen voor het gehele apparaat,
    mappen en afspeellijsten.

    De display toont de nummerinformatie en
    de volgende andere belangrijke informatie:
    • Een verticale schuifbalk aan de
    rechterzijde van de display geeft de
    huidige positie van het mapoverzicht
    aan.
    • ">" na een ingang geeft aan dat een
    niveau lager leesbaar is (bijvoorbeeld
    een map vernoemd naar een album
    met afzonderlijke albumnummers in
    de betreffende map).
    • "<" voor de lijst geeft aan dat een
    niveau hoger leesbaar is.
    • Pictogrammen aan de linkerzijde van
    de nummer-/maptekst geven het type
    bestand/map aan. Raadpleeg de lijst
    voor een uitleg van deze
    pictogrammen.

    Druk op de toets INFO of functietoets 4
    om het volgende weer te geven:
    • titel
    • artiest
    • album
    • mapnaam
    • bestandsnaam.

    IPOD GEBRUIKEN
    Verschillende pictogrammen worden
    gebruikt voor het herkennen van
    verschillende audiobestanden, mappen
    enz.
    iPod is de actieve bron
    E100030

    275



  • Page 278

    Verbinding
    Afspeellijst iPod

    De display toont de nummerinformatie en
    de volgende andere belangrijke informatie:
    • Een verticale schuifbalk aan de
    rechterzijde van de display geeft de
    huidige positie van het lijstoverzicht
    aan.
    • ">" na een ingang geeft aan dat een
    niveau omlaag leesbaar is
    (bijvoorbeeld alle albums van een
    bepaalde artiest).
    • "<" voor de lijst geeft aan dat een
    niveau hoger leesbaar is.
    • Een pictogram aan de linkerzijde geeft
    het type van de op dit moment
    weergegeven lijst aan (bijvoorbeeld
    een albumlijst). Raadpleeg de lijst voor
    een uitleg van deze pictogrammen.

    E100031

    Artiest iPod
    E100032

    Album iPod
    E100033

    Genre iPod
    E100034

    Nummer iPod
    E100035

    Algemene categorie iPod
    E100036

    Gebruik voor het navigeren door de inhoud
    van de iPod de pijltjestoets
    omhoog/omlaag om door de lijsten te
    bladeren en de pijltjestoets links/rechts
    om binnen de structuur omhoog of omlaag
    te bladeren. Druk op de OK toets om
    afspelen te selecteren nadat het gewenste
    nummer, album, genre of de gewenste
    afspeellijst of artiest is gemarkeerd.

    Algemeen mediabestand iPod
    E100037

    Bediening
    Sluit de iPod aan. Zie Extern apparaat
    aansluiten (bladzijde 273).
    Selecteer de iPod als audiobron door
    herhaaldelijk op de toets AUX te drukken
    tot het scherm iPod op de display
    verschijnt.

    N.B.: Houd de pijltjestoets naar links
    ingedrukt als u naar het bovenste niveau
    van de inhoud van de iPod wilt navigeren.

    De iPod-menulijst voor het bladeren door
    de inhoud is beschikbaar via de
    radiodisplay. Bladeren door de inhoud is
    gebaseerd op hetzelfde principe als voor
    het gebruik van een stand-alone iPod
    (bijvoorbeeld zoeken op artiest, titel enz.).
    Druk eenmaal op de pijltjestoets
    omhoog/omlaag of de OK toets om door
    de inhoud van de iPod te bladeren.

    Bediening van de audio-installatie
    Druk op de toetsen opwaarts/neerwaarts
    zoeken om achteruit en vooruit door de
    nummers te gaan.
    Houd de toetsen ingedrukt om snel
    achteruit/vooruit door een nummer te
    gaan.
    Gebruik de functietoetsen om willekeurig
    afspelen en herhaald afspelen in te
    schakelen voor afspeellijsten.
    Druk op functietoets 3 om het volledige
    apparaat of een afspeellijst te scannen
    wanneer dit/deze actief is.

    276



  • Page 279

    Verbinding
    Druk op de toets INFO of functietoets 4
    om het volgende weer te geven:
    • titel
    • artiest
    • album.

    277



  • Page 280

    Introductie navigatie
    ALGEMENE INFORMATIE

    LET OP
    Steek geen vreemde voorwerpen in
    de unit of sleuf voor de mediakaart.

    Druk op de betreffende toets op het front
    in om toegang te krijgen tot de
    systeemfuncties. Hierdoor komt u in de
    geselecteerde modus.

    Breng niet meer dan één CD tegelijk
    aan.
    Gebruik uitsluitend 12 cm of 8 cm CD's
    met geschikte adapter.

    Een uur modus
    Om de accu niet te ontladen, kan het
    systeem in een één uur modus worden
    bediend. Druk bij afgezet contact op de
    ON/OFF toets om het systeem in te
    schakelen. Na een uur schakelt het
    systeem automatisch uit.

    Probeer niet de unit te openen.
    Raadpleeg uw dealer wanneer de unit
    defect is.
    Incorrect gebruik van andere in deze
    handleiding beschreven instellingen
    en aansluitingen kan tot beschadiging
    leiden van de unit.

    Opmerkingen m.b.t. het systeem

    Zet het contact niet aan en start de
    motor niet terwijl de software wordt
    bijgwerkt.

    WAARSCHUWINGEN
    Het glas van het LCD scherm kan
    breken wanneer het met een hard
    voorwerp in aanraking komt. Raak
    de vloeibare kristallen niet aan wanneer
    het glas mocht breken. Reinig de huid
    onmiddellijk met water en zeep wanneer
    deze met de kristallen in aanraking is
    gekomen.

    Gebruik het systeem wanneer de
    contactsleutel in de accessoirestand staat
    of de motor draait. Wanneer het systeem
    regelmatig bij stilstaande motor wordt
    gebruikt moet erop worden gelet dat de
    accu niet leeg raakt.

    De unit is een hoogwaardig
    laserproduct dat gebruikmaakt van
    een zichtbare laserstraal. Wanneer
    hiermee onjuist wordt omgegaan kan deze
    gevaarlijke straling veroorzaken. Probeer
    niet via openingen in de unit te kijken.

    RIJVEILIGHEID
    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem levert informatie
    waarmee u veilig en snel uw
    bestemming kunt bereiken.

    LET OP
    CD’s met een onregelmatige vorm en
    CD’s met krasbescherming of
    zelfklevende etiketten mogen niet
    worden gebruikt. Garantieclaims, waarbij
    dit type CD in een audio-installatie wordt
    aangetroffen die voor reparatie wordt
    aangeboden, worden niet geaccepteerd.

    Om veiligheidsredenen mag de
    bestuurder het systeem alleen bij
    stilstaande wagen programmeren.
    Het systeem biedt geen hulp met
    betrekking tot stopborden,
    verkeerslichten of
    wegwerkzaamheden en biedt evenmin
    andere belangrijke veiligheidsinformatie.

    Reinig de unit niet met oplosmiddelen
    of spuitbussen. Gebruik alleen een
    vochtige doek.

    Gebruik het systeem niet voordat u
    zich vertrouwd hebt gemaakt met de
    bediening ervan.

    278



  • Page 281

    Introductie navigatie
    WAARSCHUWINGEN
    Bekijk de systeemdisplay alleen
    wanneer de rijomstandigheden dit
    toelaten.

    Veiligheidsinformatie
    Lees de volgende veiligheidsmaatregelen
    en volg deze op. Wanneer u dit nalaat
    wordt de kans op een aanrijding en
    lichamelijk letsel verhoogd. Ford Motor
    Company is niet aansprakelijk voor schade
    die voortvloeit uit het niet opvolgen van
    deze richtlijnen.
    Wanneer de route-instructies nauwkeurig
    moeten worden bekeken, zet de wagen
    dan op een veilig moment aan de kant en
    parkeer deze.
    Gebruik het navigatiesysteem niet om
    hulpdiensten te lokaliseren.
    Maak altijd gebruik van de nieuwste
    navigatie-informatie voor een zo efficiënt
    en veilig mogelijk gebruik van het systeem.
    Uw dealer is gaarne bereid u hierbij
    behulpzaam te zijn.

    279



  • Page 282

    Introductie navigatie
    Auto's met mobiel
    navigatiesysteem

    Micro SD-kaart installeren

    LET OP
    Door gebruik van het systeem bij
    uitgeschakelde motor wordt de accu
    ontladen.

    1

    N.B.: Aan het versturen en ontvangen van
    tekstberichten zijn kosten verbonden.
    N.B.: Raadpleeg de handleiding bij uw
    telefoon voor alle telefoonfuncties en de
    werking van de functies.

    2

    N.B.: Bewaar de activeringscode (afgedrukt
    op de gebruikershandleiding) op een veilige
    plaats.

    E114212

    1.

    Verwijder de micro SD-kaart uit de
    adapter.
    2. Plaats de micro SD-kaart in de mobiele
    telefoon.

    N.B.: Bewaar het tekstbericht voor
    activering in het postvak IN van uw mobiele
    telefoon.
    Compatibiliteit van telefoontoestellen

    Navigatiesysteem mobiele telefoon
    activeren

    LET OP
    Omdat er geen algemene
    overeenkomst bestaat, kunnen
    fabrikanten van mobiele telefoons
    een groot aantal profielen in hun Bluetooth
    apparaten implementeren. Daardoor is het
    mogelijk dat een telefoon niet compatible
    met een handsfree systeem is, waardoor
    in sommige gevallen de prestaties van het
    systeem aanzienlijk worden beperkt. Om
    dit te voorkomen moeten alleen
    aanbevolen telefoons worden gebruikt.

    N.B.: De radio moet zijn ingeschakeld
    alvorens de mobiele telefoon aan te sluiten
    op de GPS-ontvanger in de auto.
    N.B.: De Ford Mobile Navigation moet
    worden geïnstalleerd en geactiveerd op uw
    mobiele telefoon.
    N.B.: Er kunnen maximaal drie telefoons
    worden geactiveerd.
    N.B.: Gedetailleerde instructies vindt u op
    de micro SD-kaart en op
    www.ford-mobile-connectivity.com.

    Bezoek de website
    www.ford-mobile-connectivity.com voor
    volledige gegevens.

    Volg voor het aansluiten van het apparaat
    op het systeem dezelfde procedure als
    voor Bluetooth handsfree telefoons. Zie
    Setup Bluetooth (bladzijde 251).
    1.

    280

    Schakel de radio in.



  • Page 283

    Introductie navigatie
    Basiswerking
    1.

    Druk op de toets NAV of MENU voor
    toegang tot de menustructuur.
    2. Gebruik de pijltoetsen omhoog,
    omlaag, naar links en naar rechts en
    navigeer door de verschillende
    keuzelijsten.
    3. Druk op de OK toets om de keuze te
    activeren.

    E114213

    2. Schakel uw mobiele telefoon in en start
    de Ford Mobile Navigation.
    3. Kies Selecteer navigatie.
    4. Kies Adres.
    5. Wijzig de route-opties indien nodig en
    start de routebegeleiding.
    6. De bochtinformatie wordt
    weergegeven in de voertuigdisplay. De
    gesproken instructies zijn hoorbaar via
    de voertuigluidsprekers.
    N.B.: Uw mobiele telefoon geeft uw huidige
    positie weer.
    7.

    Keuzelijsten
    Op diverse schermen wordt een lijst met
    beschikbare opties weergegeven.
    1.

    Selecteer de gewenste optie; als deze
    niet op het scherm wordt weergegeven,
    gebruik dan de pijltoetsen omhoog en
    omlaag om de rest van de keuzelijst te
    bekijken.
    2. Druk op de OK toets om uw keuze te
    bevestigen.
    Alfanumeriek toetsenbord

    U kunt de applicatie verlaten en verder
    gaan met de routebegeleiding na het
    herstarten van de applicatie.

    Wanneer een adres moet worden
    opgegeven, verschijnt een toetsenbord en
    wordt u uitgenodigd een postcode,
    plaatsnaam of straat in te voeren.

    Auto's met CD-SD
    navigatiesysteem of Sony CD-SD
    navigatiesysteem

    1.

    Gebruik de pijltoetsen omhoog,
    omlaag, naar links en naar rechts om
    de gewenste letter of het gewenste
    nummer te selecteren.
    N.B.: Wanneer u de letters invoert,
    verschijnt het resultaat in de display.

    Het systeem beschikt over een groot
    aantal functies die makkelijk en intuïtief
    zijn te gebruiken. Routebegeleiding wordt
    weergegeven op het scherm. Het
    beeldscherm geeft alle informatie voor het
    bedienen van het systeem door
    gebruikmaking van menu's, tekstpagina's
    en displays. Schermselecties worden
    gemaakt door te navigeren door de menu's
    met behulp van de pijltoetsen omhoog,
    omlaag, naar links en naar rechts en op de
    toets OK te drukken om de gewenste
    instelling te activeren.

    N.B.: Het systeem beperkt uw invoer
    doordat alleen letters kunnen worden
    ingevoerd, waarmee een geldig adres kan
    worden gevormd.
    2. Druk op de OK toets om de keuze te
    activeren.

    281



  • Page 284

    Introductie navigatie
    Voorbeeld van een route invoeren
    Hoofdscherm navigatie
    • Druk op de toets NAV om het
    navigatiesysteem te selecteren. De
    waarschuwing wordt weergegeven.
    Lees de waarschuwing en druk op de
    OK toets om het systeem te gebruiken.
    Scherm voor het invoeren van de
    bestemming
    • Gebruik de pijltoetsen omhoog en
    omlaag en navigeer naar Best.
    invoeren.
    • Druk op de OK toets om de keuze te
    activeren.
    N.B.: Er wordt een lijst met verschillende
    opties weergegeven.






    Begin vanaf de bovenzijde. Kies het
    land, gevolgd door de postcode als
    deze beschikbaar is of de naam van de
    plaats en de straat.
    Voer met het alfanumerieke
    toetsenbord en de keuzelijst uw
    adresgegevens in.
    Navigeer nadat voldoende informatie
    is ingevoerd naar Start
    routebegeleiding en druk op de toets
    OK om uw keuze te activeren.

    N.B.: Wanneer u bijvoorbeeld slechts naar
    het centrum van een stad wilt navigeren,
    hoeven niet de volledige adresgegevens te
    worden ingevoerd.




    De route wordt vervolgens berekend
    en het scherm keert terug naar het
    hoofdnavigatiescherm met instructies
    hoe u moet rijden.
    Volg de schermaanwijzingen en de
    aanwijzingen via gesproken tekst om
    uw reisdoel te bereiken.

    282



  • Page 285

    Overzicht navigatie-unit
    OVERZICHT NAVIGATIEEENHEID

    A

    Beschrijvingen voor
    functietoetsen 1-4

    Functietoetsen 1 tot en met 4 zijn
    contextafhankelijk en wijzigen als functie
    van de huidige audio-unitmodus.
    Beschrijvingen voor de functies worden
    aan de onderzijde van het display
    weergegeven.

    1

    E104157

    2

    3

    4

    A

    283



  • Page 286

    Overzicht navigatie-unit
    Auto's met CD-SD navigatiesysteem

    A

    B

    C

    E

    D

    F
    G

    V

    U

    H

    T
    S

    I

    R

    J

    Q
    K
    P

    N

    O

    M

    L

    E129241

    A

    CD-uitwerptoets.

    B

    Navigatiepijlen.

    C

    CD-sleuf.

    D

    OK.

    E

    Informatie.

    F

    Kaart selecteren. Zie Routeweergaven (bladzijde 292).

    G

    Menu selecteren. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 288).

    H

    Telefoontoetsenblok en stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Werking van de
    audio-installatie (bladzijde 241). Zie Menu's audio-installatie (bladzijde
    244). Zie Telefoon (bladzijde 251).

    I

    Klok. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 288).

    284



  • Page 287

    Overzicht navigatie-unit
    J

    Verkeersberichten. Zie Traffic Message Channel (verkeersberichtenkanaal)
    (bladzijde 294).

    K

    Functie 4.

    L

    Functie 3.

    M

    Opwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde
    241). Zie Nummer selecteren (bladzijde 246).

    N

    Aan/uit en volumeknop. Zie Aan/uit toets (bladzijde 241).

    O

    Neerwaarts zoeken. CD-nummerkeuze. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde
    241). Zie Nummer selecteren (bladzijde 246).

    P

    Functie 2.

    Q

    Functie 1.

    R

    Telefoon selecteren. Zie Telefoon (bladzijde 251).

    S

    Extra ingang selecteren. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 249).

    T

    Radio selecteren. Zie Werking van de audio-installatie (bladzijde 241). Zie
    Menu's audio-installatie (bladzijde 244).

    U

    CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 246).

    V

    Navigatie selecteren. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 288).

    285



  • Page 288

    Overzicht navigatie-unit
    Auto's met Sony CD-SD navigatiesysteem

    A

    B

    C

    D

    E

    F
    G

    Y

    X
    H
    W
    I

    V

    J

    U

    K
    T
    L
    S

    R

    Q

    P

    O

    N

    M

    E129242

    A

    Aan/uit regeling. Zie Aan/uit toets (bladzijde 241).

    B

    Navigatie selecteren. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 288).

    C

    Telefoontoetsenblok en stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Werking van de
    audio-installatie (bladzijde 241). Zie Menu's audio-installatie (bladzijde
    244). Zie Telefoon (bladzijde 251).

    D

    CD-sleuf.

    E

    Navigatiepijlen.

    F

    Kaart selecteren. Zie Routeweergaven (bladzijde 292).

    G

    CD-uitwerptoets.

    H

    Informatie.

    I

    Klok. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 288).

    286



  • Page 289

    Overzicht navigatie-unit
    J

    Opwaarts zoeken. CD-nummer selecteren, oproep beëindigen. Zie Station
    afstemtoetsen (bladzijde 241). Zie Nummer selecteren (bladzijde 246). Zie
    Gebruik maken van de telefoon (bladzijde 253).

    K

    Home selecteren. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 288).

    L

    Verkeersberichten. Zie Traffic Message Channel (verkeersberichtenkanaal)
    (bladzijde 294).

    M

    Functie 4.

    N

    Geluid selecteren. Zie Volumeknop (bladzijde 241).

    O

    Functie 3.

    P

    OK.

    Q

    Functie 2.

    R

    Menu selecteren. Zie Systeeminstellingen (bladzijde 288).

    S

    Functie 1.

    T

    Telefoon selecteren. Zie Telefoon (bladzijde 251).

    U

    Extra ingang selecteren. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 249).

    V

    Neerwaarts zoeken. CD-nummer selecteren, oproep beantwoorden. Zie Station
    afstemtoetsen (bladzijde 241). Zie Nummer selecteren (bladzijde 246). Zie
    Gebruik maken van de telefoon (bladzijde 253).

    W

    Radio selecteren. Zie Werking van de audio-installatie (bladzijde 241). Zie
    Menu's audio-installatie (bladzijde 244).

    X

    CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 246).

    Y

    Volumeregeling.
    1.

    Plaats de SD-navigatiekaart in de
    opening.
    2. Druk op de NAV toets. De
    waarschuwing verkeersveiligheid wordt
    weergegeven in de display.
    3. Druk op de pijltjestoetsen
    omhoog/omlaag om de gewenste
    functie te selecteren.
    4. Druk op de OK toets om uw keuze te
    bevestigen.

    NAVIGATIEDATA LADEN
    Navigatiedata laden

    Raadpleeg uw dealer voor nieuwe uitgaven
    van kaarten en het opwaarderen van het
    systeem.
    E129900

    287



  • Page 290

    Systeeminstellingen
    De meest belangrijke instellingen van uw
    navigatiesysteem zijn via de MENU of NAV
    toets bereikbaar. In de volgende rubriek
    worden de diverse opties en het gebruik
    ervan beschreven.

    Laatste best.
    Hiermee kunt u snel toegang krijgen tot
    eerdere reisdoelen die in het systeem zijn
    ingevoerd. Een gedetailleerde display toont
    de volledige opgeslagen informatie
    inclusief een overzichtskaart. Selecteer het
    gewenste reisdoel uit de lijst.

    Voor menustructuren: Zie Infodisplays
    (bladzijde 88).

    Menustructuur - Informatie- en
    entertainmentdisplay - Auto's met
    navigatiesysteem

    Favorieten
    Via deze functie kunt u een persoonlijk
    adresboek aanleggen en bijvoorbeeld aan
    adressen en reisdoelen een door u
    gedefinieerde naam geven. Een
    gedetailleerde display toont de volledige
    opgeslagen informatie inclusief een
    overzichtskaart. Selecteer het gewenste
    reisdoel uit de lijst.

    Route
    Via deze functie kunt u de route aanpassen
    aan uw specifieke reisvereisten
    (bijvoorbeeld verdergaan met
    routebegeleiding, blokkeren van specifieke
    delen van de route of selecteren van
    specifieke delen van een route).

    Spec. bestemm.
    Via deze functie kunt u de route aanpassen
    aan uw specifieke reisvereisten
    (bijvoorbeeld een museum op de route of
    een specifieke speciale bestemming in de
    buurt van uw reisdoel selecteren).

    Best. invoeren
    Via deze functie kunt u de
    reisdoelgegevens invoeren (bijvoorbeeld
    stadsnamen of straatnamen invoeren of
    een plaats op een kaart uitzoeken).

    Toerenplanning

    Verkeersinformatie

    Via deze functie kunt u een aantal
    verschillende reisdoelen invoeren en tevens
    de volgorde selecteren waarin u de
    reisdoelen wilt bezoeken. U kunt tevens
    een bestaande reis wijzigen of een vorige
    reis opvragen. Het systeem berekent
    automatisch de door u gekozen reis en
    geeft deze weer.

    Via deze functie kunt u aanpassen hoe
    verkeersinformatie wordt ontvangen
    (bijvoorbeeld verkeersberichten bekijken
    en sorteren, uw route bekijken of delen van
    uw route blokkeren).
    Eigen adres
    Via deze functie kunt u de routebegeleiding
    naar uw eigen adres starten of de gegevens
    van uw eigen adres wijzigen.

    Positie opslaan
    Via deze functie kunt u uw huidige positie
    opslaan en benoemen.

    N.B.: Druk bij auto's met een Sony CD-SD
    navigatiesysteem op de HOME toets,
    waarna het systeem de routebegeleiding
    naar het thuisadres in de lijst automatisch
    start.

    288



  • Page 291

    Systeeminstellingen
    Routeopties

    Klank

    Via deze functie kunt u de route aanpassen
    aan uw specifieke reisvereisten
    (bijvoorbeeld de snelste of meest
    economische route selecteren of een route
    selecteren waarbij tunnels, seizoenswegen
    en tolwegen worden vermeden).

    Via deze functie kunt u de
    volume-instellingen aanpassen
    (bijvoorbeeld bas en hoge tonen).
    Nav-audio-mix
    Via deze functie kunt het volume tussen
    de gesproken begeleiding van het
    navigatiesysteem en de audiobron
    instellen.

    Speciale functies
    Via deze functie kunt u GPS- en
    systeeminformatie of een demonstratie
    van de systeemfunctionaliteit selecteren.

    DSP-instelling
    Via deze functie kunt u de luidsprekers
    aanpassen aan de betreffende
    stoelposities.

    Kaartweergave
    Via deze functie kunt u de weergave van
    het kaartscherm wijzigen (bijvoorbeeld
    heldere 2D- of 3D-weergave) en
    display-informatie voor uw reis aanpassen
    (bijvoorbeeld tijd tot aankomst en
    rijstrookbegeleiding).

    DSP-equalizer
    Via deze functie kunt u de muziekcategorie
    selecteren waarnaar u bij voorkeur luistert.
    Het audiosignaal verandert om de
    weergave van de specifiek gekozen
    muziekstijl te verbeteren.

    Hulpfuncties
    Via deze functie kunt u display-informatie
    voor uw reis aanpassen (bijvoorbeeld
    borden, rijstroken en snelheidslimieten).

    Nieuws
    Via deze functie kunt u nieuwsberichten
    ontvangen van radiostations op de FM
    band of RDS of EON geschakelde stations
    op dezelfde wijze als bij verkeersberichten.
    U kunt deze functie in- en uitschakelen.

    Pers. gegevens
    Via deze functie kunt u persoonlijke
    gegevens wijzigen en verwijderen
    (bijvoorbeeld uw thuisadres).

    Alternatieve frequenties

    Instellingen terug

    Via deze functie kunt u zoeken en
    schakelen naar het sterkste zendersignaal
    tijdens navigeren van het ene zendergebied
    naar het andere.

    Via deze functie kunt u de
    navigatie-instellingen resetten.

    Menustructuur - Informatie- en
    entertainmentdisplay - Alle auto's

    Alt. frequentie
    Deze functie regelt het gedrag van AF door
    tussen regionale netwerken van een
    hoofdzender te schakelen.

    Audio-instellingen
    Adaptief volume
    Via deze functie kunt u het volume
    aanpassen ter compensatie van motoren verkeersgeluiden. U kunt deze functie
    in- en uitschakelen.

    289



  • Page 292

    Systeeminstellingen
    DAB-servicelink
    Via deze functie kunt u stations selecteren
    die worden uitgezonden op de
    DAB-kanalen.
    Bluetooth
    Via deze functie kunt u Bluetooth in- of
    uitschakelen.

    Klokinstellingen
    Tijd
    Via deze functie kunt u de tijd handmatig
    instellen.
    Datum instellen
    Via deze functie kunt u de datum, de
    maand en het jaar handmatig instellen.
    GPS-tijd
    Via deze functie kunt u in een geschikt
    dekkingsgebied automatisch de datum en
    de tijd instellen met behulp van GPS.
    Tijdzone
    Via deze functie kunt u een specifieke
    tijdzone selecteren.
    Zomertijd
    Via deze functie kunt u het systeem zo
    instellen, dat de zomer- en wintertijd
    automatisch worden ingesteld.
    N.B.: GPS-tijd moet zijn geselecteerd.
    24-uurs
    Via deze functie kunt u het systeem
    instellen op de 12- en 24-uurs modus.

    290



  • Page 293

    Navigatiesysteem
    MENU ROUTE-OPTIES

    Sportief

    U kunt een aantal opties invoeren die de
    geplande route veranderen.

    Via deze optie wordt prioriteit gegeven aan
    de route voor een bestuurder met een
    sportieve rijstijl naar uw reisdoel.

    Met behulp van de pijltoetsen omhoog,
    omlaag, naar links en naar rechts kunt u in
    de lijst selecteren welke verkeersfuncties
    moeten worden vermeden of worden
    opgenomen in de route door de functie in
    of uit te schakelen.

    Eco instelling
    Aanhanger
    Gebruik deze functie om de
    economy-instellingen van uw reis te
    wijzigen afhankelijk van het feit of al dan
    niet een aanhanger is aangekoppeld
    (indien dit het geval is, wordt rekening
    gehouden met de aanhangergrootte).

    Route
    Eco
    Via deze optie wordt prioriteit gegeven aan
    de meest economische route naar uw
    reisdoel.

    Dakkoffer
    Gebruik deze functie om de
    economy-instellingen van uw reis te
    wijzigen met betrekking tot het gebruik van
    een dakkoffer.

    Sportief
    Via deze optie wordt prioriteit gegeven aan
    de snelste route naar uw reisdoel.

    Dynamisch

    Kort

    Wanneer deze functie is ingeschakeld en
    het toestel ontvangt een geldig traffic
    message channel (TMC) signaal, wordt de
    route automatisch herzien en wordt
    rekening gehouden met
    verkeersongevallen en files.

    Via deze optie wordt prioriteit gegeven aan
    de kortste route naar uw reisdoel.
    Altijd vragen
    Gebruik deze functie om te zorgen dat u
    altijd het routetype voor uw reis kunt
    kiezen.

    N.B.: Deze functie kan vertraging en
    oponthoud tijdens het rijden voorkomen.

    Rijstijl

    Snelweg

    Rustig

    Als het systeem is ingeschakeld, zoekt dit
    naar snelwegen op uw route en worden de
    totale afstand en de reistijd automatisch
    bijgewerkt.

    Via deze optie wordt prioriteit gegeven aan
    de route voor een bestuurder met een
    rustige rijstijl naar uw reisdoel.

    N.B.: Deze functie kan vertraging en
    oponthoud tijdens het rijden voorkomen.

    Normaal
    Via deze optie wordt prioriteit gegeven aan
    de route voor een bestuurder met een
    normale rijstijl naar uw reisdoel.

    291



  • Page 294

    Navigatiesysteem
    Veer/autotrein

    U kunt de wijze waarop de kaart wordt
    weergegeven veranderen, door in- of uit te
    zoomen en de oriëntatie-instellingen te
    wijzigen. Druk op de betreffende
    functietoetsen om de schaalverdeling van
    de kaart te wijzigen en gebruik de linker en
    rechter pijltoetsen om in of uit te zoomen.
    De actuele schaalverdeling wordt op de
    display weergegeven.

    Als het systeem is ingeschakeld, zoekt dit
    naar faciliteiten met veerboten en
    autotreinen op uw route en worden de
    totale afstand en de reistijd automatisch
    bijgewerkt.

    Tol
    Als het systeem is ingeschakeld, zoekt dit
    naar tolwegen op uw route en worden de
    totale afstand en de reistijd automatisch
    bijgewerkt.

    De schaalverdeling kan tussen 50 meter
    en 500 kilometer (of tussen 0,05 mijl en
    500 mijl) worden ingesteld, met een
    automatische instelling geheel naar links.
    De automatische instelling verandert de
    schaalverdeling voortdurend op basis van
    het type weg waarop gereden wordt.

    Seizoenswegen
    Als het systeem is ingeschakeld, zoekt dit
    naar seizoenswegen op uw route en
    worden de totale afstand en de reistijd
    automatisch bijgewerkt.

    Kruispuntzoom
    Deze functie zorgt ervoor dat automatisch
    op de kaartweergave wordt ingezoomd bij
    een afslag of het maken van ingewikkelde
    manoeuvres. Kort hierna wordt de normale
    weergave hervat.

    N.B.: Deze functie kan vertraging en
    oponthoud tijdens het rijden voorkomen.

    Vignet

    Selecteer AUTO om de kruisingszoom te
    activeren.

    Als het systeem is ingeschakeld, selecteert
    dit automatisch tolwegen en worden de
    totale afstand en de reistijd automatisch
    bijgewerkt.

    Navigatiedisplay
    Wanneer met een navigatieroute is
    begonnen, is het standaard scherm het
    hoofdnavigatiescherm:

    ROUTEWEERGAVEN
    Kaartweergave

    Zodra u via een geactiveerde route rijdt,
    worden via het scherm en d.m.v. gesproken
    tekst aanwijzingen gegeven. Naar welke
    audiobron u ook wilt luisteren, primair
    wordt iedere afslag en de informatie over
    de afstand op het scherm weergegeven in
    de vorm van een grafische inzet. U hoeft
    het toestel niet op het
    hoofdnavigatiesysteem te laten staan
    wanneer u langs een route navigeert. Zo
    nodig is wat meer gedetailleerde
    informatie over de route beschikbaar via
    het hoofdnavigatiescherm.

    Druk op de toets MAP voor een
    kaartweergave.
    Op dit scherm wordt de huidige locatie van
    uw auto in het midden door middel van
    een pijl binnen een cirkel aangeduid. De pijl
    wijst in de rijrichting.
    De informatie op de bovenste regel omvat
    de naam van de actuele straat of van de
    volgende straat die moet worden genomen
    als er moet worden afgeslagen.

    292



  • Page 295

    Navigatiesysteem
    WAARSCHUWING
    Vertrouw tijdens het navigeren niet
    op de aanwijzingen op het scherm.
    Luister altijd naar de navigatiestem
    en houd uw aandacht bij de weg voor u.

    293



  • Page 296

    Traffic Message Channel (verkeersberichtenkanaal)
    TMC berichten gebruiken

    WERKING

    Selecteer het gewenste item om een lijst
    met TMC berichten weer te geven. Zie
    Algemene informatie (bladzijde 88). Dit
    is slechts een overzicht met
    basisinformatie. Selecteer het bericht
    waarover u meer informatie wilt en een
    ander scherm met het volledige bericht
    met details de plaats van het incident, enz.
    wordt weergegeven.

    Traffic Message Channel (TMC)
    radiostations zenden op de FM-band uit.
    TMC is een systeem dat verkeersberichten
    ontvangt, die kunnen worden gebruikt voor
    het plannen van alternatieve routes en het
    voorkomen van oponthoud.

    TMC GEBRUIKEN

    U kunt een scherm kiezen dat alleen
    berichten toont die betrekking hebben op
    uw geprogrammeerde route of een scherm
    dat alle ontvangen berichten toont. Druk
    op functietoets 1 om de weergave te
    veranderen.

    Druk op de TA of TRAFFIC toets om het
    Traffic menu weer te geven.

    Verkeersberichten
    Verkeersberichten (TA) kunnen via dit
    menu worden in- of uitgeschakeld.
    Wanneer het systeem is ingeschakeld
    wordt een TA indicator aan de onderzijde
    van de statusbalk weergegeven.
    Stations die programma's met
    verkeersinformatie (TP) op de FM-band
    uitzenden kunnen worden herkend aan de
    letters TP die op het display worden
    weergegeven. Wanneer TA is ingeschakeld
    beantwoordt het toestel deze berichten
    en onderbreekt het de muziekweergave.
    Nadat het bericht is beëindigd, wordt de
    muziekweergave weer hervat.

    Verkeersberichten beëindigen
    Aan het einde van een verkeersbericht
    hervat de installatie weer zijn normale
    werking. Om een verkeersbericht voortijdig
    af te breken, drukt u tijdens het
    verkeersbericht op deTA, TRAFFIC,
    RADIO of CD toets.

    294



  • Page 297

    Kaartupdates
    Het netwerk van wegen verandert
    voortdurend door de aanleg van nieuwe
    wegen, verandering van de classificatie,
    enz. Daardoor is het mogelijk dat de
    klantgegevens in het systeem niet altijd
    exact overeenkomen met de werkelijkheid.
    De wegenkaartinformatie wordt regelmatig
    bijgewerkt, maar alle gebieden zijn niet tot
    op hetzelfde niveau gedekt. Sommige
    wegen, vooral privé wegen, zijn soms niet
    in de database verwerkt. Gebruik altijd de
    nieuwste DVD’s om uw navigatiesysteem
    zo nauwkeurig te laten werken. Uw dealer
    is gaarne bereid u hierbij behulpzaam te
    zijn.

    295



  • Page 298

    Bijlagen
    www.novero.com/declaration_of_conformity

    TYPEGOEDKEURINGEN

    Het woord, het merk en de logo's
    Bluetooth zijn eigendom van Bluetooth SIG
    Inc. en de Ford Motor Company mag
    dergelijke merktekens onder licentie
    gebruiken. Namen van andere producten
    en bedrijven kunnen handelsmerken of
    handelsnamen van de respectieve
    eigenaren zijn.

    FCC/INDUSTRY CANADA NOTICE
    Het apparaat voldoet aan Deel 15 van de
    FCC-regelgeving. Bediening is onderhevig
    aan de volgende twee voorwaarden: (1)
    dit apparaat mag geen schadelijke
    interferentie veroorzaken en (2) dit
    apparaat moet ontvangen interferentie
    accepteren (inclusief interferentie die kan
    leiden tot ongewenste bediening).

    TYPEGOEDKEURINGEN

    FCC ID: WJLRX-42

    iPod is een handelsmerk van Apple Inc.

    IC: 7847A-RX42
    Het uitvoeren van wijzigingen of
    modificaties aan het apparaat zonder
    nadrukkelijke toestemming van de
    verantwoordelijke partij kan leiden tot
    vervallen van het recht op bediening van
    het apparaat.

    TYPEGOEDKEURINGEN

    RX-42 - Conformiteitsverklaring

    E114214

    Wij, de partij verantwoordelijk voor
    naleving, verklaren onder volledige
    verantwoordelijkheid dat het product
    Handset Integration RX-42 voldoet aan de
    vereisten van Council Directive 1999/5/EC.
    Een kopie van de Conformiteitsverklaring
    kunt u vinden op:

    © 2008 NAVTEQ B.V. Alle rechten
    voorbehouden.

    296



  • Page 299

    Bijlagen

    E114220

    TYPEGOEDKEURINGEN

    TYPEGOEDKEURINGEN

    EU-verklaring
    Valeo verklaart hierbij dat dit korte
    bereik-apparaat voldoet aan de
    noodzakelijke vereisten en andere
    relevante bepalingen in Directive
    1999/5/EC.

    E97713

    E97714

    Het SD-logo is een handelsmerk.

    297



  • Page 300

    Bijlagen
    Certificaat voor Verenigde
    Arabische Emiraten

    WAARSCHUWINGEN
    Radiofrequentie (RF) zenders (bijv.
    mobiele telefoons, amateur
    radiozenders, enz.) mogen alleen in
    uw auto worden gemonteerd wanneer
    deze voldoen aan de in onderstaande tabel
    vermelde parameters. Er zijn geen
    bijzondere voorzieningen of voorwaarden
    voor het monteren of gebruiken ervan.
    Monteer geen zender/ontvangers,
    microfoons, luidsprekers en
    dergelijke in het ontvouwbereik van
    de airbags.

    E125209

    ELEKTROMAGNETISCHE
    COMPATIBILITEIT

    Bevestig geen antennekabels aan de
    originele bedrading,
    brandstofleidingen en remleidingen
    van de auto.

    WAARSCHUWINGEN
    Uw auto is getest en gecertificeerd
    volgens de wetgeving betreffende
    elektromagnetische comptabiliteit
    (72/245/EEC, UN ECE Regeling 10 of
    andere geldende lokale vereisten). U dient
    ervoor te zorgen dat apparatuur die u heeft
    gemonteerd voldoet aan de betreffende
    lokale wetgeving. Laat apparatuur door
    goed geschoolde monteurs monteren.

    Houd antenne- en voedingskabels
    op een afstand van tenminste 10
    centimeter van elektronische
    modules en airbags.

    1

    2

    E85998

    298

    3

    4



  • Page 301

    Bijlagen

    Frequentieband
    MHz

    Maximum uitgangsvermogen in
    watt (piek RMS)

    Antenneplaatsen

    1 – 30

    50 W

    3, 4

    30 – 54

    50 W

    1, 2, 3

    68 – 87,5

    50 W

    1, 2, 3

    142 – 176

    50 W

    1, 2, 3

    380 – 512

    50 W

    1, 2, 3

    806 – 940

    10 W

    1, 2, 3

    1200 – 1400

    10 W

    1, 2, 3

    1710 – 1885

    10 W

    1, 2, 3

    1885 – 2025

    10 W

    1, 2, 3

    N.B.: Controleer na het aanbrengen van een
    RF zender of deze niet de overige elektrische
    uitrusting in de wagen stoort, zowel in de
    standby- als in de zendmodus.
    Controleer alle elektrische uitrusting:
    • met het contact AAN
    • bij draaiende motor
    • tijdens een proefrit bij verschillende
    snelheden.
    Controleer of de elektromagnetische
    velden die door de gemonteerde zender in
    het interieur van de auto worden opgewekt
    niet de grenzen overschrijden waaraan het
    menselijk lichaam mag worden
    blootgesteld.

    299



  • Page 302

    300



  • Page 303

    Index

    A

    Airconditioning

    A/C

    Akoestische waarschuwingssignalen en
    -indicaties......................................................85

    Zie: Klimaatregeling...........................................107

    Zie: Klimaatregeling...........................................107

    Automatische transmissie...............................86
    De gongsignalen in- en uitschakelen...........85
    Herinneringssysteem
    veiligheidsgordel.............................................86
    Kofferdeksel - Elektrisch bediende
    achterklep..........................................................86
    Laag brandstofpeil..............................................86
    sleutel buiten auto..............................................86
    Sleutel in contactslot.........................................86
    Verlichting ingeschakeld...................................86
    Vorst..........................................................................86

    Aan/uit toets...................................................241
    Aanhangers trekken....................................180
    Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN)
    ..........................................................................133
    Aansluitpunten van de accu .....................211
    Aansteker..........................................................131
    ABS
    Zie: Remmen........................................................154

    Accessoires
    Zie: Onderdelen en accessoires........................8

    Accu van de auto..........................................210
    Accu vervangen..............................................211
    Achterbank......................................................119

    Alarm..................................................................49
    Werking....................................................................49

    Alarm inschakelen.........................................50
    Alarm uitschakelen.......................................50

    Derde stoelenrij - Grand C-MAX....................127
    Tweede stoelenrij - C-MAX..............................119
    Tweede stoelenrij - Grand C-MAX................125

    Uitvoeringen met keyless entry
    systeem................................................................51
    Uitvoeringen zonder keyless entry
    systeem..............................................................50

    Achterruitwissers en -sproeiers................56
    Intervalwissen.......................................................56
    Ruitensproeier, achter........................................56
    Wissen tijdens achteruitrijden........................56

    Algemene informatie over
    radiofrequenties..........................................36
    Alternatieve frequenties...........................244
    Audiobediening...............................................52

    Achteruitkijkcamera....................................166
    Werking..................................................................166

    Achteruitkijkcamera gebruiken...............166

    Type 1........................................................................52
    Type 2.......................................................................53

    Achteruitkijkcamera activeren......................166
    Achteruitkijkcamera deactiveren.................168
    Auto's met parkeerhulp...................................168
    Display gebruiken................................................167

    Automatisch dimmende spiegel...............77
    Automatische klimaatregeling.................110
    Airconditioning in- en uitschakelen...............112
    Automatische airconditioning
    uitschakelen......................................................112
    Gerecirculeerde lucht.........................................112
    Luchtverdeling.......................................................111
    Mono modus..........................................................111
    Mono modus uitschakelen................................111
    Mono modus weer inschakelen......................111
    Temperatuur instellen.........................................111
    Ventilator..................................................................111
    Voorruit ontdooien en ontwasemen............112

    Actieve parkeerhulp.....................................163
    Werking...................................................................163

    Actieve parkeerhulp gebruiken ...............163
    Afneembare trekhaakkogel ....................180
    Onderhoud............................................................183
    Rijden met een aanhanger..............................183
    Trekhaakkogel inklappen.................................181
    Trekhaakkogel uitklappen...............................182

    Afspelen CD beëindigen...........................248
    Afstandsbediening programmeren
    Zie: Programmeren van de
    afstandsbediening..........................................36

    Afstelling koplampen
    Zie: Koplampen afstellen - Auto's met
    Adaptieve verlichting, voor/Xenon
    koplampen..........................................................61

    301



  • Page 304

    Index
    Automatische transmissie........................150

    Batterij van afstandsbediening
    vervangen.......................................................36

    Aanwijzingen voor het rijden met een
    automatische transmissie..........................152
    Handmatig schakelen - Auto's met 5-traps
    transmissie........................................................151
    Sportmodus en handmatig schakelen Auto's met 6-traps transmissie................151
    Standen van transmissiehendel..................150
    Voorziening voor het ontgrendelen van de
    keuzehendel.....................................................152

    Afstandsbediening met inklapbaar
    sleutelblad..........................................................37
    Afstandsbediening zonder inklapbaar
    sleutelblad..........................................................37

    Bedieningselementen telefoon..............253
    Afstandsbediening............................................253

    Bekerhouders.................................................132
    Tafeltjes op de rugleuningen..........................132

    Automatische volumeregeling...............244
    Automatisch in- en uitschakelende
    ruitenwissers.................................................54
    Automatisch in- en uitschakelende
    verlichting......................................................60
    Auto op vier wielen slepen........................195

    Belangrijke audio-informatie...................233

    Alle modelvarianten..........................................195
    Uitvoeringen met automatische
    transmissie......................................................196

    Beveiligingscode..........................................240
    Beveiliging van uw
    audio-installatie.......................................240
    Bijlagen............................................................296
    Brandstof en tanken....................................144

    CD etiketten.........................................................233
    Labels op de audio-installatie......................233

    Bergen van de auto......................................195
    Bescherming van inzittenden....................27
    Werking.....................................................................27

    Autostore toets.............................................242

    B

    Technische specificatie.....................................147

    Brandstofkwaliteit - Benzine...................144
    Brandstofkwaliteit - Diesel.......................144

    Bagageafdekkingen......................................175
    Bagagenetten.................................................175

    Opslaan voor de lange termijn......................144

    Bagagenet.............................................................176
    C-MAX.....................................................................175
    Grand C-MAX.......................................................176

    Brandstofverbruik.........................................147
    Brandstofverbruik

    Bagageverankeringspunten......................173
    Bandenreparatieset.....................................217

    Buitenspiegels.................................................75

    Zie: Technische specificatie............................147
    Handmatig inklapbare spiegels......................75

    Algemene informatie........................................218
    Bandenspanning controleren.........................221
    Band oppompen.................................................219
    Gebruik van de bandenreparatieset............218

    C
    CD afspelen...................................................246
    CD-nummers herhalen.............................246

    Bandenspanningcontrolesysteem........222
    Systeem resetten...............................................223

    Type 1......................................................................246
    Type 2 en 3............................................................247

    Bandenspanningen

    CD-nummers scannen...............................247

    Zie: Technische specificatie...........................223

    Banden

    Type 1......................................................................247
    Type 2 en 3............................................................247

    Zie: Velgen en banden.......................................212

    Batterij van afstandsbediening

    CD-speler.......................................................246
    Centrale vergrendeling................................46

    Zie: Batterij van afstandsbediening
    vervangen...........................................................36

    Comfortontgrendeling.......................................46
    Comfortvergrendeling........................................46

    302



  • Page 305

    Index

    E

    Commando’s audio-unit ..........................257
    Auxiliary ingang..................................................262
    CD-speler..............................................................257
    Externe apparaten - iPod................................263
    Externe apparaten - USB................................262
    Radio......................................................................258

    Eco-modus.....................................................143
    Werking...................................................................143

    Eco-modus gebruiken.................................143
    Eco-modus resetten..........................................143

    Commando’s klimaatregeling................270

    Een benzinemotor starten........................136

    Airconditioning....................................................270

    Koude of warme motor....................................136
    Stationair toerental na het starten..............136
    Verzopen motor..................................................136

    Commando’s telefoon...............................265
    Een telefoonboek aanleggen........................268
    Hoofdinstellingen..............................................269
    Telefoon................................................................265
    Telefoonfuncties................................................266

    Een dieselmotor starten.............................137
    Koude of warme motor.....................................137

    Een koplamp verwijderen...........................65
    Een wiel vervangen......................................212

    Contactslot.....................................................135
    Contactslot

    Boordkrik................................................................213
    Kriksteunpunten..................................................213
    Uitvoeringen met een reservewiel................212
    Wiel aanbrengen.................................................217
    Wieldop verwijderen..........................................215
    Wielmoersleutel monteren.............................215
    Wielslotmoeren...................................................212
    Wiel verwijderen..................................................216

    Zie: Contactslot...................................................135

    Controle koelvloeistofpeil
    Zie: Motorkoelvloeistof controleren...........203

    Controle oliepeil
    Zie: Motorolie controleren..............................203

    Controle vloeistofpeil koppeling en
    remsysteem................................................204
    Cruise Control

    Een zekering vervangen.............................186
    Eerstehulpset.................................................185
    Elektrisch bedienbare ruiten.......................74

    Zie: Snelheidsregeling (Cruise Control)......169

    D

    Antiklemfunctie.....................................................75
    Geheugen van de elektrisch bedienbare
    ruiten opnieuw instellen................................75
    Integraal openen/sluiten...................................74
    Module portier bestuurderszijde.....................74
    Ruiten automatisch openen en sluiten........74
    Veiligheidsschakelaar voor de achterste
    ruiten.....................................................................74

    Dakrekken en bagagedragers...................177
    Dakdragers aanbrengen....................................177
    Imperiaal.................................................................177

    De juiste zitpositie innemen......................116
    De motorkap openen en sluiten.............198
    De motorkap openen........................................198
    De motorkap sluiten..........................................198

    Elektrische portiersloten

    Dieselroetfilter...............................................139

    Zie: Vergrendelen en ontgrendelen...............39

    Regeneratie...........................................................139

    Digitale signaalverwerking (DSP).........244

    Elektrisch verstelbare
    buitenspiegels..............................................76

    DSP-equalizer.....................................................244
    DSP-instellingen wijzigen...............................244
    DSP voor bezette zitplaatsen.......................244

    Elektrisch inklapbare buitenspiegels............76
    Richtingen waarin de spiegel kan worden
    gekanteld............................................................76

    Dimmer
    instrumentenpaneelverlichting...........130
    Door water rijden..........................................184

    Elektrisch verstelbare stoelen..................118
    Elektromagnetische
    compatibiliteit...........................................298
    Extern apparaat aansluiten - Auto's met
    Bluetooth.....................................................274

    Door water rijden................................................184

    DPF
    Zie: Dieselroetfilter.............................................139

    Bluetooth audio-apparaat
    aansluiten.........................................................274

    303



  • Page 306

    Index
    Extern apparaat aansluiten .....................273

    Gloeilampen vervangen..............................65

    Aansluiting............................................................273

    Achterlichtunits....................................................69
    Bagageruimteverlichting,
    beenruimteverlichting en
    achterlicht..........................................................72
    Derde remlicht........................................................71
    Instapverlichting..................................................68
    Interieurverlichting...............................................72
    Kentekenplaatverlichting...................................72
    Koplampen.............................................................66
    Stadslicht................................................................67
    Voormistlichten....................................................69
    Zijknipperlicht.......................................................68

    Extra verwarming...........................................113
    Extra verwarming diesel (afhankelijk van
    het land).............................................................115
    Parkeerverwarming.............................................113

    Extra voedingsaansluitingen ....................131
    Omvormer..............................................................131

    G
    Gebruik maken van de parkeerhulp Auto's met Parkeerhulp
    achteruit........................................................159
    Gebruik maken van de parkeerhulp Auto's met Parkeerhulp voor en achter
    ..........................................................................160

    Gloeilampen vervangen
    Zie: Gloeilampen vervangen............................65

    Golfband toets...............................................241

    H

    Manoeuvreren met de parkeerhulp..............161
    Parkeerhulp in- en uitschakelen...................160

    Gebruik maken van de telefoon ............253

    Handgeschakelde versnellingsbak.......150
    Handmatige klimaatregeling...................108

    Actieve telefoon afmelden.............................255
    Bellen......................................................................253
    Een inkomend gesprek ontvangen.............254
    Een tweede oproep ontvangen....................254
    Microfoon dempen............................................255
    Van actieve telefoon veranderen.................255

    Airconditioning....................................................109
    Gerecirculeerde lucht.......................................109
    Interieur snel verwarmen................................109
    Toetsen voor luchtverdeling..........................108
    Ventilatie...............................................................109
    Ventilator...............................................................109

    Gebruik maken van
    snelheidsregeling......................................169

    Handmatig verstelbare stoelen...............116

    Cruise control inschakelen..............................169
    Cruise control opnieuw inschakelen...........170
    Cruise control uitschakelen............................170
    Ingestelde snelheid veranderen....................169
    Snelheid instellen...............................................169

    Hellingshoek van de rugleuning
    instellen...............................................................117
    Hoogte van de bestuurdersstoel
    verstellen............................................................117
    Lendensteun instellen........................................117
    Stoelen naar voren en achteren
    schuiven.............................................................116

    Gebruik maken van
    stabiliteitsregeling.....................................156
    Gebruik van sneeuwkettingen................222

    Handrem

    Uitvoeringen met stabiliteitsregeling
    (ESP).................................................................222

    Zie: Parkeerrem...................................................154

    Hill launch assist (HLA)

    Gebruik van veiligheidsgordels tijdens
    zwangerschap..............................................34
    Gebruik van winterbanden.......................222
    Gecodeerde sleutels.....................................48
    Gemaksfuncties............................................129
    Gevarendriehoek..........................................185
    Glashouder......................................................132
    Gloeilampentabel...........................................72

    Zie: Regeling voor bergop rijden
    gebruiken...........................................................157

    HLA
    Zie: Regeling voor bergop rijden....................157

    HLA
    Zie: Regeling voor bergop rijden
    gebruiken...........................................................157

    Hoofdsteunen.................................................117
    Hoofdsteun instellen..........................................117
    Hoofdsteun verwijderen...................................118

    304



  • Page 307

    Index
    Hoogte van veiligheidsgordels
    afstellen..........................................................33
    Houder satelliet-navigatie-unit...............134

    Infoberichten...................................................96
    Accu en laadsysteem..........................................97
    Airbag........................................................................97
    Alarminstallatie.....................................................97
    Bandenspanningcontrolesysteem..............106
    Berichtenindicator...............................................96
    Controlefunctie blinde hoek............................98
    De motor inschakelen.......................................103
    Elektrisch bediend kinderslot..........................98
    Hellingstart............................................................99
    Immobilisatiesysteem.......................................99
    Keyless entry (sleutelloze toegang).............99
    Niet goed gesloten portier(en).......................98
    Onderhoud.............................................................101
    Stabiliteitsregeling (ESP)...............................103
    Start/stop.............................................................104
    Stuurbekrachtiging............................................103
    Transmissie...........................................................105
    Verlichting.............................................................100

    Houder instellen..................................................134

    Hulpstartkabels
    Zie: Starten met hulpstartkabels ................210

    I
    Immobilisatiesysteem inschakelen........48
    Immobilisatiesysteem
    Zie: Motorstartblokkering.................................48

    Immobilisatiesysteem
    uitschakelen..................................................48
    In één oogopslag ............................................10
    ......................................................................................16
    Automatische inschakeling van de
    verlichting............................................................15
    Automatische klimaatregeling........................16
    Automatische transmissie................................18
    Automatisch wissen............................................14
    Auto ontgrendelen................................................13
    Auto op vier wielen slepen................................18
    Auto vergrendelen.................................................14
    Elektrisch bedienbare ruiten.............................15
    Elektrisch bediende achterklep.......................13
    Elektrisch inklapbare buitenspiegels.............15
    Handgeschakelde versnellingsbak................18
    Handmatige klimaatregeling............................16
    Informatiedisplays................................................15
    Klep van brandstofvulopening.........................17
    Overzicht instrumentenpaneel........................10
    Roetfilter (DPF) dieselmotor............................17
    Sleutelloos starten...............................................16
    Sleutelloze toegang..............................................13
    Snelheidsbegrenzer.............................................18
    Stuurwiel instellen................................................14

    Infodisplays......................................................88
    Algemene informatie.........................................88

    Informatiecentrum
    Zie: Infodisplays....................................................88

    Ingangsaansluiting (AUX IN)..................249
    Inhouden en specificaties .......................230
    Technische specificatie...................................230

    Inleiding audio-installatie.........................233
    Inleiding.................................................................7
    Inrijden..............................................................184
    Banden...................................................................184
    Motor.......................................................................184
    Remmen en koppeling.....................................184

    Instrumentenpaneel......................................81
    Interieurverlichting.........................................63
    Binnenverlichting.................................................63
    Sfeerverlichting.....................................................64

    Introductie navigatie .................................280
    Algemene informatie........................................278
    Auto's met CD-SD navigatiesysteem of
    Sony CD-SD navigatiesysteem................281
    Auto's met mobiel
    navigatiesysteem.........................................280

    iPod-aansluiting
    Zie: Extern apparaat aansluiten ..................273
    Zie: Extern apparaat aansluiten - Auto's met
    Bluetooth..........................................................274

    305



  • Page 308

    Index
    iPod gebruiken ..............................................275

    Menu route-opties ......................................291

    Bediening..............................................................276
    Bediening van de audio-installatie.............276

    Dynamisch............................................................291
    Eco instelling........................................................291
    Rijstijl.......................................................................291
    Route.......................................................................291
    Seizoenswegen...................................................292
    Snelweg..................................................................291
    Tol............................................................................292
    Veer/autotrein.....................................................292
    Vignet.....................................................................292

    iPod
    Zie: iPod gebruiken ...........................................275

    ISOFIX verankeringspunten........................24
    Bovenste verankeringspunten - Alle
    auto's...................................................................24
    Bovenste verankeringspunten C-MAX.................................................................24
    Bovenste verankeringspunten - Grand
    C-MAX.................................................................25
    Kinderzitje met een veiligheidsriem aan de
    bovenzijde bevestigen...................................25

    Meters..................................................................81
    Brandstofpeilmeter.............................................82
    Koelvloeistoftemperatuurmeter....................82

    Mistachterlichten............................................61
    Mistlampen - Achter

    K

    Zie: Mistachterlichten..........................................61

    Mistlampen - Voor

    Kaartupdates ...............................................295
    Katalysator......................................................145

    Zie: Voorste mistlampen..................................60

    Monitor dode hoek ........................................77

    Rijden met een auto met katalysator.........145

    Kinderzitjes voor verschillende
    gewichtsgroepen..............................................19

    Gebruik van het systeem...................................78
    Informatiesysteem dode hoek (BLIS)..........77
    Registratiefouten..................................................79
    Systeem in- en uitschakelen............................79
    Systeemregistratie en
    -waarschuwingen...........................................78

    Kleine lakschade repareren.....................209
    Klimaatregeling.............................................107

    Motorblokverwarming ...............................140
    Motorkapslot

    Kinder observatiespiegel...........................133
    Kindersloten.....................................................25
    Kinderzitjes........................................................19

    Werking...................................................................107

    Zie: De motorkap openen en sluiten...........198

    Klok.....................................................................131
    Koplampen afstellen - Auto's met
    Adaptieve verlichting, voor/Xenon
    koplampen.....................................................61
    Koplamphoogte afstellen............................61

    Motorkoelvloeistof controleren.............203
    Bijvullen.................................................................203
    Koelvloeistofpeil controleren........................203

    Motorolie controleren................................203

    Aanbevolen regelknopstanden.......................61

    Bijvullen.................................................................203
    Het oliepeil controleren...................................203

    Koplampsproeiers.........................................56

    Motorstartblokkering....................................48

    L

    Motor starten en stoppen ........................135

    Ladingsteunen

    Motor uitschakelen......................................140

    Werking....................................................................48
    Algemene informatie.........................................135

    Zie: Dakrekken en bagagedragers.................177

    Auto's met turbocompressor........................140

    Luchtroosters

    MP3-aansluiting

    Zie: Ventilatieroosters.......................................107

    Zie: Extern apparaat aansluiten ..................273
    Zie: Extern apparaat aansluiten - Auto's met
    Bluetooth..........................................................274

    M

    MP3-bestand afspelen..............................247

    Menu's audio-installatie...........................244

    Een multi session CD afspelen......................247

    MP3 weergave-opties...............................248
    Opties weergave CD tekst..............................248

    306



  • Page 309

    Index

    N

    P

    Navigatiedata laden...................................287

    Parkeerhulp ...................................................159

    Navigatiedata laden..........................................287

    Werking..................................................................159

    Navigatiesysteem ........................................291
    Nieuwsberichten..........................................244
    Nooduitgang..................................................185
    Nummer selecteren....................................246

    Parkeerrem.....................................................154
    Passagiersairbag uitschakelen.................34
    Airbag aan passagierszijde
    inschakelen........................................................35
    Airbag aan passagierszijde
    uitschakelen......................................................35
    Schakelaar voor airbag aan passagierszijde
    monteren............................................................34

    Type 2 en 3...........................................................246

    O
    Oliepeilstaaf - 1,6 l Duratec-16V Ti-VCT
    (Sigma)........................................................202
    Oliepeilstaaf - 1,6 l Duratorq-TDCi (DV)
    diesel /2,0 l Duratorq-TDCi (DW) diesel
    .........................................................................202
    Onderdelen en accessoires..........................8

    Persoonlijke instellingen.............................96

    Kijk voor het Ford logo op de volgende
    onderdelen...........................................................8
    Nu kunt u er zeker van zijn dat uw Ford
    onderdelen Ford onderdelen zijn.................8

    Zekeringenkast in de
    motorcompartiment....................................186
    Zekeringenkast laadruimte.............................186
    Zekeringkast in de passagiersruimte..........186

    Onderhoud......................................................197

    Plaatsing van kinderzitjes.............................21
    Programmeren van de
    afstandsbediening......................................36

    Gong uitschakelen...............................................96
    Maateenheden.....................................................96
    Taal instellen.........................................................96
    Temperatuureenheden......................................96

    Plaatsen zekeringenhouders...................186

    Algemene informatie.........................................197
    Technische specificatie...................................205

    Opbergruimte onder vloer achterin.......175
    Opbergruimtes...............................................132

    Een nieuwe afstandsbediening
    programmeren.................................................36
    Ontgrendelfunctie opnieuw
    programmeren.................................................36

    Opbergvak achterin............................................132

    Over deze handleiding ....................................7
    Overzicht audio-installatie......................234
    Overzicht motorruimte - 1,6 l
    Duratec-16V Ti-VCT (Sigma)...............199
    Overzicht motorruimte - 1,6 l
    Duratorq-TDCi (DV) diesel ..................200
    Overzicht motorruimte - 2,0 l
    Duratorq-TDCi (DW) diesel .................201
    Overzicht navigatie-eenheid...................283

    R
    Regeling functie
    verkeersinformatie...................................242
    Verkeersberichten beëindigen......................243
    Verkeersberichten inschakelen.....................243
    Volume van de verkeersberichten...............243

    Regeling voor bergop rijden
    gebruiken.......................................................157

    Auto's met CD-SD
    navigatiesysteem.........................................284
    Auto's met Sony CD-SD
    navigatiesysteem.........................................286

    Alleen auto's met handgeschakelde
    versnellingsbak...............................................157
    Het systeem activeren......................................157
    Het systeem deactiveren.................................158

    Overzicht navigatie-unit ...........................283
    Overzicht van symbolen.................................7

    Regeling voor bergop rijden.......................157

    Symbolen in dit instructieboekje.......................7
    Symbolen op uw auto...........................................7

    Werking...................................................................157

    Regionale modus (REG)...........................245

    307



  • Page 310

    Index
    Reinigen van binnenzijde auto...............209

    Sleeppunten...................................................195

    Achterruiten.........................................................209
    Instrumentenpaneelschermen,
    LCD-schermen, radioschermen..............209
    Veiligheidsgordels.............................................209

    Locatie sleepoog................................................195
    Sleepoog aanbrengen......................................195

    Sleutelloos starten.......................................137

    Richtingaanwijzers........................................62
    Rijveiligheid ...................................................278

    Contact aan...........................................................137
    De motor afzetten bij rijdende auto.............139
    De motor afzetten bij stilstaande
    auto.....................................................................138
    Een dieselmotor starten..................................138
    Motor slaat niet aan..........................................138
    Motor starten bij uitvoeringen met
    automatische transmissie..........................137
    Motor starten bij uitvoeringen met
    handgeschakelde versnellingsbak..........138

    Veiligheidsinformatie........................................279

    Sleutelloze toegang......................................43

    Routeweergaven .........................................292

    Algemene informatie..........................................43
    Auto ontgrendelen...............................................45
    Auto vergrendelen...............................................44
    Passieve sleutel....................................................44
    Portieren met de sleutelbaard vergrendelen
    en ontgrendelen..............................................46
    Uitgeschakelde sleutels.....................................45

    Reinigen van buitenzijde auto................208
    Achterruit reinigen............................................208
    Chromen onderdelen reinigen......................208
    Koplampen reinigen.........................................208
    Onderhoud van de lak.....................................208

    Remmen..........................................................154
    Werking..................................................................154

    Kaartweergave....................................................292
    Kruispuntzoom...................................................292
    Navigatiedisplay.................................................292

    Ruiten en spiegels..........................................74
    Ruitensproeiers
    Zie: Ruitenwissers en ruitensproeiers...........54

    Ruitensproeiervloeistof
    controleren.................................................204
    Ruitenwisserbladen controleren..............57
    Ruitenwisserbladen vervangen.................57

    Sleutels en afstandsbediening.................36
    Sloten.................................................................39
    Sneeuwkettingen

    Achterruitwisserblad..........................................58
    Voorruitwisserbladen..........................................57

    Snelheidsbegrenzer gebruiken.................171

    Zie: Gebruik van sneeuwkettingen..............222
    Het systeem in- en uitschakelen....................171
    Ingestelde snelheidslimiet doelbewust
    overschrijden.....................................................171
    Snelheidslimiet instellen...................................171
    Systeemwaarschuwingen................................171

    Ruitenwissers en ruitensproeiers.............54
    Technische specificatie.....................................58

    S

    Snelheidsbegrenzer......................................171

    Setup Bluetooth............................................251

    Werking....................................................................171

    Snelheidsregeling (Cruise Control)

    Eisen voor een Bluetooth verbinding...........251
    Telefoons bedienen...........................................251

    Zie: Gebruik maken van
    snelheidsregeling..........................................169

    Setup telefoon..............................................252

    Snelheidsregeling (Cruise Control).......169

    Een andere Bluetooth telefoon
    aanmelden......................................................252
    Telefoonboek.......................................................252
    Telefoonboekcategorieën...............................252
    Van een telefoon een actieve telefoon
    maken................................................................252

    Werking..................................................................169

    Specificatie-overzicht zekeringen..........187
    Zekeringenkast in de
    motorcompartiment.....................................187
    Zekeringenkast laadruimte.............................192
    Zekeringkast in de passagiersruimte..........190

    Shuffle/random (door
    elkaar/willekeurig)...................................246

    Spiegels

    Type 1......................................................................246
    Type 2 en 3...........................................................246

    Zie: Ruiten en spiegels........................................74
    Zie: Verwarmde ruiten en spiegels................112

    308



  • Page 311

    Index

    T

    Spraakgestuurd regelsysteem
    gebruiken.....................................................256
    Spraaklabel..........................................................257
    Werking van het systeem...............................256

    Tanken...............................................................147
    Tankklep...........................................................145

    Spraaksturing..................................................53

    Tanken met een jerrycan..................................147

    Werking.................................................................256

    Technische specificaties

    Stabiliteitsregeling.......................................155

    Zie: Inhouden en specificaties .....................230

    Werking...................................................................155

    Telefoon

    Standverwarming

    Zie: Gebruik maken van de telefoon ..........253

    Zie: Extra verwarming........................................113

    Telefoon............................................................251

    Start/stop knop gebruiken.........................141

    Algemene informatie.........................................251

    Motor afzetten......................................................141
    Motor starten........................................................142

    Tips voor het rijden met ABS
    Zie: Tips voor rijden met ABS ........................154

    Start/stop knop..............................................141

    Tips voor het rijden......................................184
    Tips voor rijden met ABS ..........................154
    TMC gebruiken ............................................294

    Werking....................................................................141

    Starten met hulpstartkabels
    Zie: Starten met hulpstartkabels ................210

    TMC berichten gebruiken...............................294
    Verkeersberichten.............................................294
    Verkeersberichten beëindigen......................294

    Starten met hulpstartkabels ..................210
    Hulpstartkabels aansluiten............................210
    Motor starten.........................................................211

    Traffic Message Channel
    (verkeersberichtenkanaal) ..................294

    Station afstemtoetsen...............................241
    DAB-service linking............................................241
    Handmatig afstemmen....................................241
    Scanfunctie..........................................................242
    Zoeken....................................................................241

    Werking.................................................................294

    Transport..........................................................173
    Algemene informatie.........................................173

    Trekken van een aanhanger.....................180

    Stoelen..............................................................116
    Stoelverhogers ...............................................20

    Steile hellingen...................................................180

    Tripcomputer...................................................95

    Kinderzitje (Groep 2)..........................................20
    Zitverhoger (Groep 3)..........................................21

    Actieradius tot de brandstoftank leeg
    is............................................................................95
    Buitentemperatuur..............................................95
    Gemiddeld brandstofverbruik.........................95
    Gemiddelde snelheid.........................................95
    Kilometerteller......................................................95
    Momentaan brandstofverbruik......................95
    Tripcomputer.........................................................95
    Tripcomputer resetten.......................................95

    Storingen verhelpen
    audio-installatie.......................................250
    Stuurwiel afstellen.........................................52
    Stuurwielblokkering.....................................135
    Uitvoeringen met sleutelloos
    startsysteem....................................................135
    Uitvoeringen zonder sleutelloos
    startsysteem....................................................135

    Typegoedkeuringen....................................296

    Stuurwiel...........................................................52
    Systeeminstellingen ..................................288

    Certificaat voor Verenigde Arabische
    Emiraten...........................................................298
    EU-verklaring.......................................................297
    FCC/INDUSTRY CANADA NOTICE.............296
    RX-42 - Conformiteitsverklaring.................296

    Audio-instellingen.............................................289
    Klokinstellingen.................................................290
    Menustructuur - Informatie- en
    entertainmentdisplay - Alle
    auto's................................................................289
    Menustructuur - Informatie- en
    entertainmentdisplay - Auto's met
    navigatiesysteem.........................................288

    U
    USB-apparaat gebruiken .........................274
    Bediening...............................................................275
    Bediening van de audio-installatie..............275

    309



  • Page 312

    Index
    USB-poort.......................................................134
    USB

    Verwarmde ruiten en spiegels..................112
    Verwarmbare buitenspiegels..........................113
    Verwarmbare ruiten............................................112

    Zie: USB-apparaat gebruiken .......................274

    V

    Verwarmde stoelen.....................................128
    Verwarming

    Veiligheidsgordels vastmaken..................29

    Verzorging van banden...............................221
    Verzorging van de auto.............................208
    VIN

    Zie: Klimaatregeling...........................................107

    C-MAX......................................................................30
    Grand C-MAX..........................................................31

    Veiligheidsgordels

    Zie: Voertuigidentificatienummer...............229

    Vloermatten...................................................134
    Voertuigidentificatienummer..................229
    Voertuigidentificatieplaatje.....................228
    Voertuigidentificatie...................................228
    Volumeknop...................................................241
    Voorkeuzetoetsen........................................242
    Voorruitsproeiers............................................55
    Voorruitwissers...............................................54

    Zie: Veiligheidsgordels vastmaken................29

    Veiligheidsmaatregelen.............................144
    Veiligheidsuitrusting voor kinderen..........19
    Velgen en banden.........................................212
    Algemene informatie.........................................212
    Technische specificatie...................................223

    Ventilatie
    Zie: Klimaatregeling...........................................107

    Ventilatieroosters.........................................107

    Automatisch ruitenwissersysteem................54
    Intervalwissen.......................................................54

    Luchtrooster aan de zijkant...........................108
    Luchtroosters tweede zitrij.............................108
    Middelste luchtroosters...................................107

    Voorste mistlampen.....................................60
    Voorzorgsmaatregelen voor koude
    weersomstandigheden...........................184

    Verbinding.......................................................272
    Algemene informatie........................................272

    Vergrendelen en ontgrendelen.................39
    Bevestiging van het vergrendelen en
    ontgrendelen....................................................40
    De portieren van binnenuit vergrendelen en
    ontgrendelen....................................................40
    Dubbel vergrendelen..........................................39
    Kofferdeksel/achterklep...................................40
    Ontgrendelen.........................................................39
    Portieren afzonderlijk met de sleutel
    vergrendelen.....................................................42
    Schuifdeur..............................................................40
    Vergrendelen..........................................................39

    Verlichtingsbediening...................................59
    Grootlicht en dimlicht........................................59
    Home safe verlichting........................................60
    Lichtsignaal............................................................59
    Parkeerlichten.......................................................59
    Standen van de lichtschakelaar.....................59

    Verlichting.........................................................59
    Versneld vooruit/achteruit.......................246
    Versnellingsbak/transmissie...................150
    Versnellingsbak
    Zie: Versnellingsbak/transmissie.................150

    310



  • Page 313

    Index

    W

    Zonnekleppen ...............................................129
    Dak...........................................................................129
    Zijruiten...................................................................129

    Waarschuwings- en
    indicatielampen...........................................83
    Berichtenindicator...............................................84
    Controlelamp 'Vorst'..........................................84
    Controlelamp ABS...............................................83
    Controlelamp airbag...........................................83
    Controlelamp automatische
    snelheidsregeling............................................83
    Controlelamp Elektronisch Stabiliteits
    Programma (ESP)..........................................85
    Controlelamp grootlicht....................................84
    Controlelamp koplampen................................84
    Controlelamp laadstroom................................84
    Controlelamp laag brandstofpeil..................84
    Controlelamp mistachterlicht........................85
    Controlelamp mistlampen, vóór....................84
    Controlelamp motor...........................................84
    Controlelamp oliedruk.......................................85
    Controlelamp voorgloeien................................84
    Herinneringssysteem
    veiligheidsgordel.............................................85
    Indicator dodehoekmonitor.............................83
    Lamp remsysteem...............................................83
    Richtingaanwijzers..............................................83
    Start/stop-indicatielamp..................................85
    Waarschuwingslamp lage
    bandenspanning.............................................84

    Waarschuwingsknipperlichten.................62
    Waarschuwingssignaal
    veiligheidsgordel..........................................33
    alleen Grand C-MAX...........................................33
    Herinneringssysteem uitschakelen...............33

    Wagen wassen
    Zie: Reinigen van buitenzijde auto..............208

    Wassen
    Zie: Reinigen van buitenzijde auto..............208

    Wat te doen bij pech ..................................185
    Werking van de audio-installatie............241
    Winterbanden
    Zie: Gebruik van winterbanden.....................222

    Z
    Zekeringen......................................................186
    Zijrichtingaanwijzers.....................................63

    311



  • Page 314

    312



  • Page 315



  • Page 316

    (CG3567nl)






Missbrauch melden von Frage und/oder Antwort

Libble nimmt den Missbrauch seiner Dienste sehr ernst. Wir setzen uns dafür ein, derartige Missbrauchsfälle gemäß den Gesetzen Ihres Heimatlandes zu behandeln. Wenn Sie eine Meldung übermitteln, überprüfen wir Ihre Informationen und ergreifen entsprechende Maßnahmen. Wir melden uns nur dann wieder bei Ihnen, wenn wir weitere Einzelheiten wissen müssen oder weitere Informationen für Sie haben.

Art des Missbrauchs:

Zum Beispiel antisemitische Inhalte, rassistische Inhalte oder Material, das zu einer Gewalttat führen könnte.

Beispielsweise eine Kreditkartennummer, persönliche Identifikationsnummer oder unveröffentlichte Privatadresse. Beachten Sie, dass E-Mail-Adressen und der vollständige Name nicht als private Informationen angesehen werden.

Forenregeln

Um zu sinnvolle Fragen zu kommen halten Sie sich bitte an folgende Spielregeln:

Neu registrieren

Registrieren auf E - Mails für Ford Grand C-max wenn:


Sie erhalten eine E-Mail, um sich für eine oder beide Optionen anzumelden.


Holen Sie sich Ihr Benutzerhandbuch per E-Mail

Geben Sie Ihre E-Mail-Adresse ein, um das Handbuch zu erhalten von Ford Grand C-max in der Sprache / Sprachen: Holländisch als Anhang in Ihrer E-Mail.

Das Handbuch ist 43,08 mb groß.

 

Sie erhalten das Handbuch in Ihrer E-Mail innerhalb von Minuten. Wenn Sie keine E-Mail erhalten haben, haben Sie wahrscheinlich die falsche E-Mail-Adresse eingegeben oder Ihre Mailbox ist zu voll. Darüber hinaus kann es sein, dass Ihr ISP eine maximale Größe für E-Mails empfangen kann.

Das Handbuch wird per E-Mail gesendet. Überprüfen Sie ihre E-Mail.

Wenn Sie innerhalb von 15 Minuten keine E-Mail mit dem Handbuch erhalten haben, kann es sein, dass Sie eine falsche E-Mail-Adresse eingegeben haben oder dass Ihr ISP eine maximale Größe eingestellt hat, um E-Mails zu erhalten, die kleiner als die Größe des Handbuchs sind.

Ihre Frage wurde zu diesem Forum hinzugefügt

Möchten Sie eine E-Mail erhalten, wenn neue Antworten und Fragen veröffentlicht werden? Geben Sie bitte Ihre Email-Adresse ein.



Info