Zoom out
Zoom in
Vorherige Seite
1/370
Nächste Seite
FORD GALAXY / S-MAX Instructieboekje
1

Brauchen Sie Hilfe? Stellen Sie Ihre Frage.

Forenregeln

Inhalt der Seiten


  • Page 1

    FORD GALAXY / S-MAX Instructieboekje



  • Page 2

    De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue
    productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties, ontwerp en uitrusting op ieder
    moment zonder aankondiging of verplichting te wijzigen. Niets uit deze uitgave mag in enigerlei vorm en
    door enig middel gereproduceerd, verzonden of in een oproepsysteem opgeslagen of in een andere taal
    vertaald worden zonder onze schriftelijke toestemming. Fouten of omissies uitgesloten.
    © Ford Motor Company 2012
    Alle rechten voorbehouden.
    Onderdeelnummer: CG3533nl 04/2012 20120208090229



  • Page 3

    Inhoudsopgave
    Inleiding

    Motorstartblokkering

    Over deze handleiding ....................................7
    Overzicht van symbolen.................................7
    Aanbeveling nieuwe onderdelen.................7

    Werking..............................................................49
    Gecodeerde sleutels.....................................49
    Immobilisatiesysteem inschakelen........49
    Immobilisatiesysteem uitschakelen.......49

    In één oogopslag
    In één oogopslag .............................................11

    Alarm

    Veiligheidsuitrusting voor
    kinderen

    Werking..............................................................50
    Alarm inschakelen.........................................52
    Alarm uitschakelen........................................52

    Kinderzitjes.......................................................23
    Stoelverhogers ...............................................24
    Plaatsing van kinderzitjes...........................25
    ISOFIX verankeringspunten.......................29
    Kindersloten.....................................................30

    Stuurwiel
    Stuurwiel afstellen........................................54
    Audiobediening...............................................54

    Ruitenwissers en ruitensproeiers

    Bescherming van
    inzittenden
    Werking..............................................................32
    Veiligheidsgordels vastmaken..................34
    Hoogte van veiligheidsgordels
    afstellen.........................................................36
    Waarschuwingssignaal
    veiligheidsgordel........................................36
    Gebruik van veiligheidsgordels tijdens
    zwangerschap.............................................37
    Passagiersairbag uitschakelen..................37

    Voorruitwissers...............................................56
    Automatisch in- en uitschakelende
    ruitenwissers...............................................56
    Voorruitsproeiers............................................57
    Voorruitsproeiers afstellen..........................57
    Achterruitwissers en -sproeiers................57
    Koplampsproeiers.........................................58
    Ruitenwisserbladen controleren..............58
    Ruitenwisserbladen vervangen................58
    Technische specificatie...............................60

    Sleutels en afstandsbediening

    Verlichting
    Verlichtingsbediening....................................61
    Dagrijlicht..........................................................62
    Automatisch in- en uitschakelende
    verlichting.....................................................62
    Automatische grootlichtregeling.............62
    Voorste mistlampen.....................................64
    Mistachterlichten...........................................64
    Koplampen afstellen - Auto's met:
    Adaptieve verlichting, voor/Xenon
    koplampen...................................................64
    Koplamphoogte afstellen...........................64

    Algemene informatie over
    radiofrequenties.........................................39
    Programmeren van de
    afstandsbediening....................................39
    Batterij van afstandsbediening
    vervangen.....................................................39

    Sloten
    Vergrendelen en ontgrendelen.................42
    Centrale vergrendeling.................................44
    Sleutelloze toegang......................................45

    1



  • Page 4

    Inhoudsopgave
    Adaptieve koplampen .................................65
    Waarschuwingsknipperlichten.................67
    Richtingaanwijzers.........................................67
    Interieurverlichting.........................................67
    Een koplamp verwijderen...........................69
    Gloeilampen vervangen...............................70
    Gloeilampentabel..........................................79

    Handmatig verstelbare stoelen..............134
    Elektrisch verstelbare stoelen..................135
    Hoofdsteunen................................................137
    Achterbank......................................................137
    Verwarmde stoelen.....................................142
    Geventileerde stoelen.................................142
    Armleuning, voor...........................................143

    Ruiten en spiegels

    Gemaksfuncties

    Elektrisch bedienbare ruiten.......................81
    Buitenspiegels.................................................83
    Elektrisch verstelbare
    buitenspiegels.............................................83
    Automatisch dimmende spiegel.............85
    Achterste zijruiten..........................................85
    Monitor dode hoek .......................................86

    Zonnekleppen ...............................................144
    Dimmer
    instrumentenpaneelverlichting..........145
    Klok....................................................................146
    Aansteker........................................................146
    Asbak................................................................146
    Extra voedingsaansluitingen ...................147
    Bekerhouders.................................................147
    Dashboardkastje..........................................148
    Opbergruimtes..............................................148
    Wegenkaartopbergvakken.......................150
    Rugleuningtafeltjes.....................................150
    Glashouder.....................................................150
    Geheugenfunctie..........................................150
    Kinder observatiespiegel...........................152
    CD-wisselaar..................................................152
    Aansluiting Auxiliary ingang.....................152
    USB-poort.......................................................152
    Vloermatten....................................................152

    Instrumentenpaneel
    Meters................................................................90
    Waarschuwings- en
    indicatielampen..........................................92
    Akoestische waarschuwingssignalen en
    -indicaties.....................................................95

    Infodisplays
    Algemene informatie...................................96
    Tripcomputer.................................................105
    Persoonlijke instellingen............................107
    Infoberichten.................................................109

    Motor starten en stoppen

    Klimaatregeling

    Algemene informatie..................................153
    Contactslot.....................................................153
    Sleutelloos starten.......................................153
    Stuurwielblokkering.....................................155
    Een benzinemotor starten........................156
    Een benzinemotor starten - Flex Fuel (FF,
    ethanol)........................................................157
    Een dieselmotor starten............................158
    Dieselroetfilter...............................................158
    Motor uitschakelen......................................159

    Werking............................................................120
    Ventilatieroosters.........................................120
    Handmatige klimaatregeling.....................121
    Automatische klimaatregeling................123
    Verwarmde ruiten en spiegels.................128
    Extra verwarming.........................................128

    Stoelen
    De juiste zitpositie innemen.....................134

    2



  • Page 5

    Inhoudsopgave
    Motorblokverwarming ...............................159

    Regeling voor bergop rijden

    Start/stop knop

    Werking............................................................180
    Regeling voor bergop rijden
    gebruiken....................................................180

    Werking............................................................160
    Start/stop knop gebruiken.......................160

    Actieve schokdemperregeling
    Eco-modus
    Werking............................................................183
    Gebruik van de actieve
    schokdemperregeling ............................183

    Werking............................................................162
    Eco-modus gebruiken................................162

    Brandstof en tanken

    Parkeerhulp

    Veiligheidsmaatregelen.............................163
    Brandstofkwaliteit - Benzine...................163
    Brandstofkwaliteit - Flex Fuel (FF,
    ethanol).......................................................163
    Brandstofkwaliteit - Diesel.......................164
    Katalysator.....................................................164
    Tankklep...........................................................165
    Tanken..............................................................166
    Tanken - Flex Fuel (FF, ethanol).............166
    Brandstofverbruik.........................................167
    Technische specificatie..............................167

    Werking............................................................184
    Parkeerhulp....................................................184

    Achteruitkijkcamera
    Werking............................................................186
    Achteruitkijkcamera....................................186

    Snelheidsregeling (Cruise
    Control)
    Werking............................................................189
    Gebruik maken van
    snelheidsregeling.....................................189

    Versnellingsbak/transmissie

    Adaptieve snelheidsregeling
    (ACC)

    Handgeschakelde versnellingsbak.........171
    Automatische transmissie.........................171

    Werking.............................................................191
    Adaptieve cruise control gebruiken ......192
    Functie voorgangerwaarschuwing
    (forward alert)..........................................196

    Remmen
    Werking.............................................................174
    Tips voor rijden met ABS ..........................174
    Parkeerrem......................................................174
    Elektronische parkeerrem..........................175

    Snelheidsbegrenzer
    Werking............................................................198
    Snelheidsbegrenzer gebruiken...............198

    Stabiliteitsregeling

    Bestuurderswaarschuwing

    Werking.............................................................178
    Gebruik maken van
    stabiliteitsregeling....................................178

    Werking...........................................................200
    Bestuurderswaarschuwing
    gebruiken...................................................200

    3



  • Page 6

    Inhoudsopgave
    Waarschuwing rijden buiten
    baan

    Onderhoud
    Algemene informatie.................................244
    De motorkap openen en sluiten............245
    Overzicht motorruimte - 1,6L EcoBoost
    SCTi (Sigma)............................................246
    Overzicht motorruimte - 2,0 l Duratec-HE
    (MI4).............................................................247
    Overzicht motorruimte - 2,0 l EcoBoost
    SCTi (MI4).................................................248
    Overzicht motorruimte - 2,3 l Duratec-HE
    (MI4)............................................................249
    Overzicht motorruimte - 1,6 l
    Duratorq-TDCi (DV) diesel .................250
    Overzicht motorruimte - 2,0 l
    Duratorq-TDCi (DW) diesel .................251
    Overzicht motorruimte - 2,2 l
    Duratorq-TDCi (DW) diesel ................253
    Oliepeilstaaf - 1,6L EcoBoost SCTi
    (Sigma).......................................................254
    Oliepeilstaaf - 2,0 l Duratec-HE
    (MI4)/2,3 l Duratec-HE (MI4)............254
    Oliepeilstaaf - 2,0 l EcoBoost SCTi
    (MI4)............................................................254
    Oliepeilstaaf - 1,6 l Duratorq-TDCi (DV)
    diesel /2,0 l Duratorq-TDCi (DW)
    diesel /2,2 l Duratorq-TDCi (DW)
    diesel ...........................................................254
    Motorolie controleren................................255
    Motorkoelvloeistof controleren..............255
    Controle vloeistofpeil koppeling en
    remsysteem...............................................256
    Stuurbekrachtigingsvloeistof
    controleren................................................256
    Ruitensproeiervloeistof controleren......257
    Technische specificatie.............................257

    Werking...........................................................202
    Waarschuwing rijden buiten baan
    gebruiken....................................................203

    Transport
    Algemene informatie.................................205
    Bagageverankeringspunten....................206
    Schuifbare laadvloer.................................208
    Opbergruimte onder vloer achterin......209
    Bagagenetten................................................210
    Bagageafdekkingen.....................................213
    Dakrekken en bagagedragers...................213
    Bevestigingspunten voor lading..............215
    Hondenrek.......................................................219

    Aanhangers trekken
    Trekken van een aanhanger.....................222
    Trekhaak .........................................................222
    Afneembare trekhaakkogel ....................225

    Tips voor het rijden
    Inrijden.............................................................229
    Voorzorgsmaatregelen voor koude
    weersomstandigheden.........................229
    Door water rijden.........................................229

    Wat te doen bij pech
    Eerstehulpset................................................230
    Gevarendriehoek.........................................230

    Zekeringen

    Verzorging van de auto

    Plaatsen zekeringenhouders....................231
    Een zekering vervangen.............................232
    Specificatie-overzicht zekeringen.........233

    Reinigen van buitenzijde auto................260
    Reinigen van binnenzijde auto.................261
    Kleine lakschade repareren.....................262

    Bergen van de auto

    Accu van de auto

    Sleeppunten..................................................242
    Auto op vier wielen slepen.......................243

    Starten met hulpstartkabels .................263

    4



  • Page 7

    Inhoudsopgave
    Accu vervangen............................................264
    Aansluitpunten van de accu ..................264

    Werking van de audioinstallatie
    Aan/uit toets.................................................290
    Bass/treble (lage/hoge tonen)
    regeling.......................................................290
    Balance/fade (balans links/rechts,
    voor/achter) regeling.............................290
    Bediening van de audio-installatie........291
    Voorkeuzetoetsen.......................................292
    Golfband toets.............................................293
    Autostore toets............................................293
    Regeling functie verkeersinformatie.....293
    Station afstemtoetsen..............................295

    Velgen en banden
    Algemene informatie.................................265
    Een wiel vervangen.....................................265
    Bandenreparatieset...................................268
    Verzorging van banden..............................272
    Gebruik van winterbanden.......................273
    Gebruik van sneeuwkettingen.................273
    Bandenspanningcontrolesysteem........273
    Technische specificatie.............................275

    Voertuigidentificatie

    Menu's audio-installatie

    Voertuigidentificatieplaatje......................277
    Voertuigidentificatienummer..................278

    Automatische volumeregeling...............297
    Digitale signaalverwerking (DSP).........297
    Reductie geluidsvervorming (CLIP)......297
    Alternatieve frequenties...........................298
    Regionale modus (REG)...........................299
    Nieuwsberichten.........................................299

    Inhouden en specificaties
    Technische specificatie.............................279

    Inleiding audio-installatie
    Belangrijke audio-informatie..................283

    CD-speler
    CD's aanbrengen..........................................301
    Nummer selecteren.....................................301
    CD's in CD-wisselaar aanbrengen.........301
    CD's uit CD-wisselaar verwijderen ......302
    CD afspelen...................................................302
    Versneld vooruit/achteruit.......................302
    Shuffle/random (door
    elkaar/willekeurig)..................................303
    CD-nummers comprimeren....................303
    CD-nummers scannen..............................304
    CD's uitwerpen.............................................304
    CD-nummers herhalen.............................304
    MP3-bestand afspelen.............................305
    MP3 weergave-opties...............................305
    Afspelen CD beëindigen...........................306

    Overzicht audio-installatie
    Overzicht audio-installatie......................284

    Beveiliging van uw audioinstallatie
    Beveiligingscode..........................................287
    Beveiligingscode vergeten........................287
    Beveiligingscode invoeren........................287
    Onjuiste beveiligingscode.........................287

    Audiodisplays met tijd- en
    datumaanduiding
    Tijd en datum van de audio-installatie
    instellen......................................................288

    5



  • Page 8

    Inhoudsopgave
    Ingangsaansluiting (AUX
    IN)

    Bijlagen
    Typegoedkeuringen....................................349
    Typegoedkeuringen....................................349
    Typegoedkeuringen....................................349
    Typegoedkeuringen....................................350
    Elektromagnetische compatibiliteit......351

    Ingangsaansluiting (AUX IN)..................307

    Storingen verhelpen audioinstallatie
    Storingen verhelpen
    audio-installatie......................................308

    Telefoon
    Algemene informatie..................................310
    Setup Bluetooth...........................................310
    Setup telefoon................................................311
    Bedieningselementen telefoon...............312
    Gebruik maken van de telefoon - Auto's
    zonder: Navigatiesysteem ....................312
    Gebruik maken van de telefoon - Auto's
    met: Navigatiesysteem .........................315

    Spraaksturing
    Werking............................................................318
    Spraakgestuurd regelsysteem
    gebruiken.....................................................318
    Commando’s audio-unit ..........................319
    Commando’s telefoon...............................329
    Commando’s navigatiesysteem............334
    Commando’s klimaatregeling................334

    Verbinding
    Algemene informatie..................................337
    Extern apparaat aansluiten ....................338
    Extern apparaat aansluiten - Auto's met:
    Bluetooth....................................................339
    USB-apparaat gebruiken ........................339
    iPod gebruiken .............................................342

    Introductie navigatie
    Rijveiligheid ...................................................346

    Navigatiesysteem
    Introductie .....................................................347

    6



  • Page 9

    Inleiding
    OVER DEZE HANDLEIDING

    LET OP
    U riskeert beschadiging van uw auto
    wanneer u niet de instructies opvolgt
    waarop u door dit
    waarschuwingssymbool wordt
    geattendeerd.

    Hartelijk dank voor het kiezen van een Ford.
    We adviseren u, enige tijd te nemen om
    met uw auto kennis te maken door deze
    handleiding te lezen. Hoe meer u van uw
    auto afweet, des te beter kunt u ermee
    omgaan en dat komt de veiligheid en het
    rijplezier ten goede.

    Symbolen op uw auto

    WAARSCHUWING
    Rijd altijd voorzichtig en oplettend
    wanneer u de bedieningselementen
    en functies van uw auto bedient.
    N.B.: Deze handleiding beschrijft
    productkenmerken en opties die voor het
    programma leverbaar zijn, soms nog voordat
    deze algemeen verkrijgbaar zijn. Soms
    worden opties beschreven waarmee uw
    auto niet is uitgerust.

    Wanneer u deze symbolen ziet, lees dan
    eerst de betreffende instructies in dit
    instructieboekje en volg deze op voordat
    u iets aanraakt of probeert af te stellen.

    AANBEVELING NIEUWE
    ONDERDELEN

    N.B.: Sommige van de afbeeldingen in deze
    handleiding worden voor verschillende
    modellen gebruikt, waardoor ze er anders
    kunnen uitzien dan in uw auto. De essentiële
    informatie in de afbeeldingen is echter altijd
    correct.

    Nu kunt u er zeker van zijn dat uw
    Ford onderdelen Ford onderdelen
    zijn.

    N.B.: Gebruik uw auto altijd volgens de
    geldende regels en wetgeving.

    U Ford is volgens de hoogste normen
    gebouwd met gebruik van Originele Ford
    onderdelen van hoge kwaliteit. Met als
    resultaat dat u er vele jaren met plezier in
    kunt rijden.

    N.B.: Deze handleiding dient bij de auto te
    blijven wanneer deze wordt verkocht. Het
    instructieboekje is een onderdeel van de
    auto.

    Mocht het onverwachte plaatsvinden en
    een belangrijk onderdeel moet worden
    vervangen, dan raden wij u aan met niets
    minder dan Originele Ford Onderdelen
    genoegen te nemen.

    OVERZICHT VAN SYMBOLEN
    Symbolen in dit instructieboekje

    Het gebruik van Originele Ford Onderdelen
    verzekert dat uw auto in de oorspronkelijke
    staat wordt teruggebracht en zijn
    maximale restwaarde behoudt.

    WAARSCHUWING
    U riskeert de dood of ernstige
    verwonding van uzelf en anderen
    wanneer u niet de instructies opvolgt
    waarop u door dit waarschuwingssymbool
    wordt geattendeerd.

    7



  • Page 10

    Inleiding
    Originele Ford Onderdelen voldoen aan de
    strenge veiligheidseisen en hoge eisen ten
    aanzien van pasvorm, afwerking en
    betrouwbaarheid. Eenvoudig gezegd: zij
    staan in voor de laagst mogelijke
    reparatiekosten, inclusief onderdelen en
    arbeidsloon.
    Het is nu eenvoudiger te bewijzen dat
    werkelijk Originele Ford Onderdelen zijn
    gebruikt. Het Ford logo is duidelijk op de
    volgende onderdelen zichtbaar wanneer
    Originele Ford Onderdelen zijn gebruikt.
    Wanneer uw auto moet worden
    gerepareerd, kijk dan of het duidelijk
    zichtbare Ford beeldmerk te zien is en
    controleer of uitsluitend Originele Ford
    Onderdelen zijn gebruikt.

    Kijk voor het Ford logo op de
    volgende onderdelen
    Plaatwerk





    E94714

    Spatscherm
    Motorkap
    Portieren
    Kofferdeksel of achterklep

    Bumper en radiateurgrille



    8

    Radiateurgrille
    Voor- en achterbumper



  • Page 11

    Inleiding
    Buitenspiegel

    E94717
    E94716

    Verlichting

    Ruit








    Achterruit
    Glazen dak
    Zijruiten
    Voorruit

    9

    Achterlichtunits
    Koplampen



  • Page 12

    Inleiding

    E94718

    10



  • Page 13

    In één oogopslag

    Overzicht instrumentenpaneel - stuur links

    A

    E74123

    B

    C

    D

    E

    W

    V

    U

    F

    T

    G

    S

    11

    H

    R

    I

    Q

    J

    K

    P

    L

    M

    O

    N



  • Page 14

    In één oogopslag
    Overzicht instrumentenpaneel - stuur rechts

    N

    E75798

    M

    P

    K

    L

    I

    O

    J

    Q

    H

    W

    C

    D

    V

    U

    E

    T

    F

    S

    G

    B

    A

    R

    A

    Lichtschakelaars. Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 61).

    B

    Luchtroosters. Zie Ventilatieroosters (bladzijde 120).

    C

    Richtingaanwijzers. Zie Richtingaanwijzers (bladzijde 67). Toetsen van
    telefoon. Zie Bedieningselementen telefoon (bladzijde 312). Toetsen van
    spraakbediening. Zie Spraakgestuurd regelsysteem gebruiken (bladzijde
    318). Bedieningstoetsen waarschuwingssysteem verlaten rijstrook. Zie
    Waarschuwing rijden buiten baan (bladzijde 202).

    D

    Bedieningselementen audiosysteem. Zie Audiobediening (bladzijde 54).

    E

    Instrumentengroep. Zie Meters (bladzijde 90).

    F

    Toetsen van het informatiedisplay. Zie Infodisplays (bladzijde 96).

    12



  • Page 15

    In één oogopslag
    G

    Ruitenwisserschakelaar. Zie Voorruitwissers (bladzijde 56).

    H

    Audiosysteem. Zie Overzicht audio-installatie (bladzijde 284).

    H

    Navigatiecomputer. Zie afzonderlijke handleiding.

    I

    Schakelaar stabiliteitsregeling (ESP). Zie Gebruik maken van
    stabiliteitsregeling (bladzijde 178). Start/stop-schakelaar. Zie Start/stop
    knop gebruiken (bladzijde 160).

    J

    Schakelaar parkeerhulp. Zie Parkeerhulp (bladzijde 184).

    K

    Schakelaar waarschuwingsknipperlichten. Zie Waarschuwingsknipperlichten
    (bladzijde 67).

    L

    Controlelampje airbag aan passagierszijde uitgeschakeld. Zie
    Passagiersairbag uitschakelen (bladzijde 37).

    M

    Opbergvak. Zie Opbergruimtes (bladzijde 148).

    N

    Schakelaars voor- en achterruitverwarming. Zie Verwarmde ruiten en spiegels
    (bladzijde 128).

    O

    Bedieningselementen klimaatregeling. Zie Handmatige klimaatregeling
    (bladzijde 121). Zie Automatische klimaatregeling (bladzijde 123).

    P

    Aansteker. Zie Aansteker (bladzijde 146).

    Q

    Startknop. Zie Sleutelloos starten (bladzijde 153).

    R

    Contactslot.

    S

    Schakelaars cruise control en snelheidsbegrenzer. Zie Gebruik maken van
    snelheidsregeling (bladzijde 189). Schakelaars adaptieve snelheidsregeling
    (ACC). Zie Adaptieve cruise control gebruiken (bladzijde 192). Schakelaars
    snelheidsbegrenzer. Zie Snelheidsbegrenzer gebruiken (bladzijde 198).

    T

    Verstelhendel stuurkolom. Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 54).

    U

    Knieairbag voor bestuurder. Zie Werking (bladzijde 32).

    V

    Claxon.

    W

    Schakelaars cruise control en snelheidsbegrenzer. Zie Gebruik maken van
    snelheidsregeling (bladzijde 189). Schakelaars adaptieve snelheidsregeling
    (ACC). Zie Adaptieve cruise control gebruiken (bladzijde 192). Schakelaars
    snelheidsbegrenzer. Zie Snelheidsbegrenzer gebruiken (bladzijde 198).

    13



  • Page 16

    In één oogopslag
    Elektrische kinderveiligheidssloten

    Auto ontgrendelen

    E78278

    Trek een portierkruk uit om alle portieren
    en de achterklep te ontgrendelen en het
    alarmsysteem uit te schakelen.
    Auto vergrendelen
    E124779

    Zie Kindersloten (bladzijde 30).

    Keyless entry (sleutelloze
    toegang)

    E87384

    E78276

    Voor het passief vergrendelen en
    ontgrendelen is een geldige passive key
    nodig die zich in de omgeving van een van
    de drie externe detectiezones bevindt.

    E87435

    Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 45).

    14



  • Page 17

    In één oogopslag
    Stuurwiel instellen

    Automatisch wissen

    A

    WAARSCHUWING
    Verstel nooit het stuurwiel als de
    auto in beweging is.

    2

    C

    E70315

    2

    B

    A

    Hoge gevoeligheid

    B

    Aan

    C

    Lage gevoeligheid

    Stel de gevoeligheid van de regensensor
    met de draaiknop in.

    1

    Zie Automatisch in- en uitschakelende
    ruitenwissers (bladzijde 56).

    E95178

    Ruitenwisserbladen vervangen
    LET OP
    U kunt de onderhoudsstand in de
    winter gebruiken om de
    ruitenwisserbladen eenvoudiger te
    kunnen bereiken om deze vrij te maken van
    sneeuw en ijs. De voorruitwissers keren in
    hun normale stand terug zodra u het
    contact inschakelt, u moet er dus voor
    zorgen dat de buitenzijde van de voorruit
    geheel vrij is van sneeuw en ijs voordat u
    het contact inschakelt.

    3
    E95179

    Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 54).

    E75184

    15



  • Page 18

    In één oogopslag
    Het systeem schakelt automatisch
    grootlicht in indien het voldoende donker
    is en er geen ander verkeer is. Indien het
    system de koplampen of achterlichten van
    een naderend voertuig waarneemt, of de
    straatverlichting vóór de auto, schakelt het
    systeem het grootlicht uit voordat het
    andere weggebruikers kan verblinden.
    Dimlicht blijft ingeschakeld.

    A
    E75188

    Zet het contact af en zet binnen drie
    seconden de ruitenwisserhendel in de
    stand A. Laat de hendel los wanneer de
    ruitenwissers in de onderhoudsstand
    staan.

    Zie Automatische grootlichtregeling
    (bladzijde 62).

    Richtingaanwijzers

    Zie Ruitenwisserbladen vervangen
    (bladzijde 58).

    Automatisch in-/uitschakelde
    verlichting

    E70727

    N.B.: Beweeg de
    richtingaanwijzerschakelaar kort omhoog
    of omlaag om de richtingaanwijzers
    driemaal te laten knipperen.

    E70719

    Afhankelijk van het omgevingslicht gaan
    de koplampen automatisch aan en uit.

    Elektrisch bedienbare ruiten
    N.B.: Open de tegenovergestelde ruit
    enigszins om windgeluiden of schudden
    door windstoten te voorkomen wanneer één
    ruit open staat.

    Zie Verlichtingsbediening (bladzijde
    61).

    Automatische grootlichtregeling

    Zie Elektrisch bedienbare ruiten
    (bladzijde 81).

    WAARSCHUWING
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn. Een
    handmatige deactivering kan nodig zijn
    indien het systeem het grootlicht niet inof uitschakelt.

    16



  • Page 19

    In één oogopslag
    Elektrisch inklapbare
    buitenspiegels

    Informatiesysteem dode hoek
    (BLIS)
    WAARSCHUWING
    Gebruik het systeem niet als een
    vervanging voor de buiten- en
    binnenspiegels en het over de
    schouder kijken bij het veranderen van
    rijstrook. Het systeem is geen vervanging
    voor voorzichtig rijden en mag alleen
    worden gebruikt als hulpmiddel.
    Het systeem is voorzien van een geel
    controlelampje in de buitenspiegels.

    E72623

    Zie Elektrisch verstelbare
    buitenspiegels (bladzijde 83).

    E124736

    Buitenspiegels naar beneden
    kantelen bij achteruitrijden

    Zie Monitor dode hoek (bladzijde 86).

    Informatiedisplays

    Afhankelijk van de ingestelde spiegelstand,
    zal de betreffende buitenspiegel kantelen
    wanneer u de achteruit inschakelt, zodat
    u de trottoirband kunt zien.
    Wanneer u deze voorziening voor de eerste
    keer gebuikt, kantelen de spiegels in een
    standaard ingestelde stand. U kunt de
    hoek waarmeer de spiegels kantelen
    instellen.
    Zie Elektrisch verstelbare
    buitenspiegels (bladzijde 83).

    E70499

    Navigeer met de pijltjestoetsen door de
    menu's en druk op OK om een keuze te
    maken.
    Zie Infodisplays (bladzijde 96).

    17



  • Page 20

    In één oogopslag
    Handbediende klimaatregeling

    Sluit de middelste luchtroosters en open
    de luchtroosters aan de zijkant.

    Interieur snel afkoelen

    Richt de luchtroosters aan de zijkant op de
    zijruiten
    Voorruit ontdooien en ontwasemen

    E71381

    Interieur snel verwarmen
    E71382

    Zie Handmatige klimaatregeling
    (bladzijde 121).

    Automatische klimaatregeling
    E71377

    Aanbevolen instellingen voor koeling

    E70304

    Zie Automatische klimaatregeling
    (bladzijde 123).
    E131534

    Stationair toerental na het starten

    Open de luchtroosters in het midden en
    aan de zijkant.

    Na het starten van een koude motor is het
    stationaire toerental hoger dan normaal.

    Richt de middelste luchtroosters naar
    boven en de luchtroosters aan de zijkant
    op de zijruiten.

    Zie Motor starten en stoppen
    (bladzijde 153).

    Aanbevolen instellingen voor
    verwarming

    Keyless starten

    E85766

    Druk de startknop in.
    E131535

    18



  • Page 21

    In één oogopslag
    Klep van brandstofvulopening

    Motor uitschakelen bij rijdende auto
    WAARSCHUWING
    Het uitschakelen van de motor terwijl
    de auto nog rijdt, resulteert in het
    verlies van de rem- en
    stuurbekrachtiging. De stuurinrichting
    wordt niet geblokkeerd, maar er is meer
    stuurkracht vereist. Wanneer het contact
    wordt uitgeschakeld, kunnen ook sommige
    elektrische circuits, waarschuwings- en
    controlelampjes uitgeschakeld worden.

    E86613

    Houd de startknop twee seconden
    ingedrukt of druk er driemaal binnen drie
    seconden op.

    Druk op de klep om deze te openen. Open
    de klep volledig tot hij vergrendelt.

    Zie Sleutelloos starten (bladzijde 153).

    Dieselroetfilter (DPF)

    A

    WAARSCHUWING
    Laat de motor niet stationair draaien
    of parkeer de auto niet op droge
    bladeren, droog gras of ander
    brandbaar materiaal. Het
    DPF-regeneratieproces werkt met
    bijzonder hoge uitlaatgastemperaturen en
    na het uitschakelen van de motor en
    tijdens en na DPF-regeneratie blijft de
    uitlaat een aanzienlijke hoeveelheid hitte
    uitstralen. Hierdoor ontstaat het gevaar
    van brand.

    E139202

    Breng het vulpistool tot en met de eerste
    nok op het vulpistool A in. Laat het rusten
    op de afdekking van de vulbuis.

    Zie Dieselroetfilter (bladzijde 158).

    WAARSCHUWING
    Wij raden aan het vulpistool
    langzaam uit de vulbuis te halen,
    zodat alle achtergebleven brandstof
    in de brandstoftank kan stromen. Er kan
    ook 10 seconden worden gewacht alvorens
    het vulpistool uit de vulbuis te halen.

    19



  • Page 22

    In één oogopslag
    Keuzehandelstanden
    WAARSCHUWING
    Druk het rempedaal in voordat u de
    keuzehendel verplaatst en houd het
    pedaal ingedrukt totdat u gereed
    bent om weg te rijden.
    E119081

    Til het vulpistool licht op om het te
    verwijderen.
    Zie Tankklep (bladzijde 165).

    Handgeschakelde versnellingsbak

    S

    Achteruitversnelling inschakelen

    E80836

    E99067

    Bij sommige auto's moet de kraag omhoog
    worden gebracht tijdens inschakelen van
    de achteruit.

    P

    Parkeren

    R

    Achteruit

    N

    Neutraal

    D

    Rijden

    S

    Handmatig schakelen en
    sportmodus

    Zie Automatische transmissie
    (bladzijde 171).

    Zie Handgeschakelde versnellingsbak
    (bladzijde 171).

    Automatische transmissie

    Elektrische parkeerrem (EPB)

    N.B.: Trap het rempedaal niet in wanneer
    de sleutel uit het contactslot wordt
    verwijderd.

    EPB handmatig uitschakelen
    N.B.: Om de EPB uit te schakelen moet de
    contactsleutel in de stand II staan.

    20



  • Page 23

    In één oogopslag
    S-MAX

    E70529

    Houd het rempedaal ingedrukt en druk de
    schakelaar in.
    Automatisch loszetten - loszetten bij
    het wegrijden (DAR)
    N.B.: Bij auto's met een automatische
    transmissie moet het bestuurdersportier
    worden gesloten en de veiligheidsgordel van
    de bestuurder worden vastgemaakt voordat
    het DAR werkt.

    E99105

    Galaxy

    Schakel de eerste versnelling of de
    achteruit in, rijd normaal weg en de EPB
    wordt automatisch losgezet.
    Zie Elektronische parkeerrem
    (bladzijde 175).

    Achteruitkijkcamera
    WAARSCHUWING
    De camera is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.

    E124349

    Zie Achteruitkijkcamera (bladzijde 186).

    Snelheidsbegrenzer

    De camera is een visueel hulpmiddel bij
    achteruitrijden.

    M.b.v. dit systeem kunt u een snelheid
    instellen waarop de auto vervolgens wordt
    begrensd.
    Zie Snelheidsbegrenzer (bladzijde 198).

    21



  • Page 24

    In één oogopslag
    Driver alert

    De auto op vier wielen slepen

    WAARSCHUWING

    LET OP

    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.

    Voor bepaalde motor- en
    transmissiecombinaties wordt
    aangeraden de auto niet te slepen
    met de aandrijfwielen op de grond.

    Het systeem berekent een alertheidsscore
    die kan worden weergegeven in het
    informatiedisplay. Indien het systeem
    ontdekt dat u slaperig wordt of dat uw
    rijstijl verslechtert, geeft het systeem
    waarschuwingen.

    Zie Auto op vier wielen slepen
    (bladzijde 243).

    Zie Bestuurderswaarschuwing
    (bladzijde 200).

    Waarschuwing voor verlaten
    rijstrook (lane departure)
    WAARSCHUWING
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.
    Activeer het systeem m.b.v. de schakelaars
    op de richtingaanwijzerhendel.

    A

    B

    E131360

    A

    Systeem aan

    B

    Systeem uit

    Zie Waarschuwing rijden buiten baan
    (bladzijde 202).

    22



  • Page 25

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    KINDERZITJES

    WAARSCHUWINGEN
    Laat kinderen niet zonder toezicht in
    uw auto achter.
    Wanneer uw auto bij een aanrijding
    betrokken is geweest, dient u het
    kinderzitje door een hiertoe opgeleide
    monteur te laten controleren.
    N.B.: De wettelijke voorschriften t.a.v. het
    gebruik van kinderzitjes zijn per land
    verschillend.

    E133140

    Alleen kinderzitjes die volgens ECE-R44.03
    (of later) gecertificeerd zijn, zijn getest en
    goedgekeurd voor gebruik in uw auto. Een
    aantal zijn leverbaar via uw dealer.

    Kinderzitjes voor verschillende
    gewichtsgroepen
    Gebruik het correcte kinderzitje als volgt:
    Babyzitje

    E68916

    WAARSCHUWINGEN
    Laat kinderen met een lengte van
    minder dan 150 centimeter
    plaatsnemen in een geschikt
    goedgekeurd kinderzitje dat op de
    achterbank is bevestigd.
    Bijzonder gevaarlijk! Plaats geen
    kinderveiligheidszitje achterwaarts
    op een stoel waarvóór zich een
    airbag bevindt!

    E68918

    Lees de instructies van de fabrikant
    en volg deze op wanneer u een
    kinderzitje aanbrengt.

    Plaats kinderen met een lichaamsgewicht
    van minder dan 13 kilogram in een
    achterwaarts gericht babyzitje (Groep 0+)
    dat op de achterbank is bevestigd.

    Verander op geen enkele wijze het
    kinderzitje.
    Neem tijdens het rijden geen
    kinderen op schoot.

    23



  • Page 26

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    Kinderveiligheidszitje

    WAARSCHUWINGEN
    Laat kinderen met een
    lichaamsgewicht van meer dan 15
    kilogram, maar met een lengte van
    minder dan 150 centimeter in een
    kinderzitje of op een zitverhoger
    plaatsnemen.
    LET OP
    Wanneer u een kinderzitje op de
    achterbank gebruikt, zorg dan dat het
    kinderzitje stevig tegen de stoel rust.
    De hoofdsteun moet wellicht worden
    opgetild of verwijderd. Zie Hoofdsteunen
    (bladzijde 137).

    E68920

    Vervoer kinderen met een lichaamsgewicht
    van 13 tot 18 kilogram in een
    kinderveiligheidszitje (Groep 1), dat op de
    achterbank is bevestigd.

    Kinderzitje (Groep 2)

    STOELVERHOGERS
    WAARSCHUWINGEN
    Bevestig een kinderzitje of een
    zitverhoger nooit alleen met de
    heupgordel.
    Bevestig een kinderzitje of een
    zitverhoger niet met een
    veiligheidsgordel die niet gespannen
    is of gedraaid zit.
    E70710

    Leg de schoudergordel niet onder de
    arm of achter de rug van het kind
    langs.

    Wij raden het gebruik van een kinderzitje
    aan, dat uit een zitverhoger met een
    rugleuning bestaat in plaats van alleen een
    zitverhoger. De hogere zitpositie zorgt
    ervoor dat de standaard veiligheidsgordel
    correct over het midden van de schouder
    van het kind en de heupgordel over de
    heupen komt te liggen.

    Gebruik geen kussens, boeken of
    handdoeken om het kind hoger te
    laten zitten.
    Zorg ervoor dat uw kinderen rechtop
    zitten.

    24



  • Page 27

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    Zitverhoger (Groep 3)

    WAARSCHUWINGEN
    kan worden gepositioneerd op de vloer van
    de opbergruimte (bijvoorbeeld vanwege
    de vorm of de lengte van de steunpoot),
    vervang dan het schuimrubberen vulstuk
    en de afdekking van de opbergruimte of
    kies een andere stoelpositie in de auto.
    Als u een kinderzitje van groep 1 met
    een steunpoot wilt gebruiken,
    raadpleeg dan de website of de
    montage-instructies van de fabrikant van
    het kinderzitje om de compatibiliteit met
    de auto te waarborgen en in verband met
    speciale montage-instructies betreffende
    het verwijderen van de afdekking van de
    opbergruimte.

    E68924

    Bij bepaalde auto's kan de linker
    afdekking van de opbergruimte niet
    worden geopend of verwijderd. Zie
    Opbergruimtes (bladzijde 148). Voor
    kinderzitjes van groep 0 of 0+ betekent dit
    niet dat de steunpoot niet kan worden
    gepositioneerd op de afdekking. Als echter
    bij gebruik van een groter kinderzitje de
    afdekking moet worden verwijderd en de
    steunpoot moet worden uitgeschoven tot
    de vloer van de opbergruimte, kies dan een
    andere stoelpositie in de auto of een ander
    kinderzitje.

    PLAATSING VAN
    KINDERZITJES
    WAARSCHUWINGEN
    Neem contact op met uw dealer voor
    de laatste informatie betreffende
    door Ford aanbevolen kinderzitjes.
    Wanneer u een kinderzitje van groep
    0 of 0+ op de tweede zitrij met een
    steun gebruikt, let er dan op dat de
    steun stevig op de afdekking van de
    opbergruimte onder de vloer steunt. Zorg
    ervoor dat u het schuimrubber vulstuk
    correct binnen de opbergruimte aanbrengt
    met behulp van meegeleverde schroeven
    of bevestigingselementen en dat u de
    afdekking correct monteert.

    Wanneer een voorwaarts gericht
    kinderzitje op een stoel op de tweede
    of derde zitrij wordt geplaatst,
    verwijder dan de hoofdsteun van die stoel.
    Zie Hoofdsteunen (bladzijde 137).
    Wanneer een kinderzitje met een
    gordel wordt gebruikt, dan mag de
    gordel niet slap hangt of is gedraaid.

    Als het schuimrubberen vulstuk van
    de opbergruimte onder de vloer
    beschadigd is of ontbreekt, verwijder
    dan de afdekking van de opbergruimte en
    schuif de steunpoot uit tot de vloer van de
    opbergruimte. Als de steunpoot niet stevig

    25



  • Page 28

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    N.B.: Bij gebruik van een kinderzitje op de
    voorstoel, dient u de voorste passagiersstoel
    altijd zo ver mogelijk naar achteren te
    verschuiven. Als het heupgedeelte van de
    veiligheidsgordel moeilijk vast te zetten is
    zonder dat er speling overblijft, zet de
    rugleuning dan recht omhoog en zet de stoel
    in een hogere stand. Zie Handmatig
    verstelbare stoelen (bladzijde 134). Zie
    Elektrisch verstelbare stoelen (bladzijde
    135).

    N.B.: Wanneer een kinderzitje op een stoel
    op de tweede zitrij wordt geplaatst, breng
    dan de stoel in de meest praktische stand
    voor de bestuurder. Zie Achterbank
    (bladzijde 137).

    Plaatsen voor kinderzitjes
    Gewichtsgroepen

    Zitplaatsen

    0

    0+

    1

    2

    3

    Tot 10 kg

    Tot 13 kg

    9 - 18 kg

    15 - 25 kg

    22 - 36 kg

    Kinderveiligheidszitje

    Babyzitje

    Zitverhoger of kussen

    Voorstoel aan passagierszijde, met airbag
    AAN

    X

    X

    UF¹

    UF¹

    UF¹

    Voorstoel aan passagierszijde, met airbag
    UIT











    Stoelen op de tweede
    zitrij

    U

    U

    U

    U

    U

    26



  • Page 29

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    Gewichtsgroepen

    Zitplaatsen

    0

    0+

    1

    2

    3

    Tot 10 kg

    Tot 13 kg

    9 - 18 kg

    15 - 25 kg

    22 - 36 kg

    Kinderveiligheidszitje

    Babyzitje

    Zitverhoger of kussen

    Derde zitrij Galaxy

    U

    U

    U

    U

    U

    Derde zitrij S-MAX

    L, UF

    L, UF

    UF

    UF

    UF

    X Niet geschikt voor kinderen van deze gewichtsgroep.
    U Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
    U¹ Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
    Wij raden u echter aan een door de overheid goedgekeurd kinderzitje te gebruiken dat op
    de achterbank is geplaatst.
    L Alleen geschikt voor de volgende achterwaarts geplaatste kinderzitjes: Roemer
    Baby-Safe (E1-04301146), Roemer Baby-Safe Plus (E1-04301146), Britax Cosy Tot
    (E1-04301146), Britax Cosy Tot Premium (E1-04301146), Maxi-Cosi Cabrio
    (E4-44R-043517).
    UF Geschikt voor universele, voorwaarts gekeerde kinderzitjes, die zijn goedgekeurd voor
    gebruik in deze gewichtsgroep.
    UF¹ Geschikt voor universele, voorwaarts gekeerde kinderzitjes, die zijn goedgekeurd voor
    gebruik in deze gewichtsgroep. Wij raden u echter aan een door de overheid goedgekeurd
    kinderzitje te gebruiken dat op de achterbank is geplaatst.
    ISOFIX-kinderzitjes
    Gewichtsgroepen

    Zitplaatsen

    Voorstoel

    Maatklasse

    1

    Naar achteren
    gericht

    Naar voren gericht

    Tot 13 kg

    9 - 18 kg

    Niet uitgerust met ISOFIX

    Stoeltype
    Stoelen op de tweede zitrij

    0+

    Maatklasse

    C, D, E

    Stoeltype

    IL

    27

    **

    *

    *

    A, B, B1, C, D
    ***

    IL, IUF



  • Page 30

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    Gewichtsgroepen

    Zitplaatsen

    Zitplaatsen, derde zitrij

    Maatklasse
    Stoeltype

    0+

    1

    Naar achteren
    gericht

    Naar voren gericht

    Tot 13 kg

    9 - 18 kg

    Niet uitgerust met ISOFIX

    IL Geschikt voor bepaalde ISOFIX kinderzitjes van de categorie semi-universeel.
    Raadpleeg de voertuigaanbevelingslijst van de fabrikant van de kinderzitjes.
    IUF Geschikt voor ISOFIX naar voren gerichte kinderzitjes van de categorie universeel
    goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep en ISOFIX maatklasse.
    *

    De ISOFIX maatklasse voor universele en semi-universele kinderzitjes is gedefinieerd
    door de hoofdletters A t/m G. Deze letters staan vermeld op ISOFIX kinderzitjes.
    **

    Ten tijde van publicatie is de aanbevolen groep O+ ISOFIX kinderzitjes de Britax Romer
    Baby Safe. Neem contact op met uw dealer voor de laatste informatie betreffende door
    Ford aanbevolen kinderzitjes.
    ***

    Ten tijde van publicatie is de aanbevolen groep 1 ISOFIX kinderzitjes de Britax Romer
    Duo. Neem contact op met uw dealer voor de laatste informatie betreffende door Ford
    aanbevolen kinderzitjes.

    28



  • Page 31

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen
    Verankeringspunten bovenste
    gordel

    ISOFIX
    VERANKERINGSPUNTEN
    WAARSCHUWING
    Gebruik bij toepassing van het ISOFIX
    systeem een voorziening dat
    voorkomt dat de veiligheidsgordel
    kan draaien. Wij raden het gebruik van een
    veiligheidsgordel aan de bovenzijde of een
    steun aan.
    N.B.: Wanneer u een ISOFIX kinderzitje
    aanschaft, let er dan op dat dit geschikt is
    voor de gewichtsgroep van uw kind en dat
    de ISOFIX maatklasse geschikt is voor de
    plaats waar het zitje wordt aangebracht.
    Zie Plaatsing van kinderzitjes (bladzijde
    25).

    E75532

    Een kinderzitje met een
    veiligheidsgordel aan de
    bovenzijde bevestigen

    Uw auto is uitgerust met ISOFIX
    verankeringspunten die geschikt zijn voor
    het gebruik van goedgekeurde ISOFIX
    kinderzitjes.

    WAARSCHUWING

    Het ISOFIX systeem bestaat uit twee
    stevige bevestigingsarmen aan het
    kinderzitje, die op de verankeringspunten
    op de buitenste zitplaatsen van de tweede
    zitrij tussen de rugleuning en de zitting
    worden bevestigd. Verankeringspunten
    voor de veiligheidsgordels aan de
    bovenzijde zitten achter de zitplaatsen
    links- en rechtsachter.

    Bevestig de veiligheidsgordel aan de
    bovenzijde aan geen ander punt dan
    aan het verankeringspunt dat
    hiervoor is bestemd.
    N.B.: Verwijder zo nodig het
    bagageafdekpaneel om de montage te
    vergemakkelijken. Zie Bagageafdekkingen
    (bladzijde 213).
    1.

    Verwijder de hoofdsteun. Zie
    Hoofdsteunen (bladzijde 137).
    WAARSCHUWING

    Zorg ervoor dat de gordel aan de
    bovenzijde niet doorhangt of
    gedraaid is en goed op het
    verankeringspunt is bevestigd.
    2. Geleid de gordel naar het
    verankeringspunt.

    29



  • Page 32

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen

    E75531

    3. Druk het kinderzitje stevig naar
    achteren zodat de onderste ISOFIX
    verankeringspunten goed aangrijpen.
    4. Bevestig de veiligheidsgordel volgens
    de instructies van de fabrikant van het
    kinderzitje.

    E78298

    Linkerzijde
    Draai linksom om te vergrendelen en
    rechtsom om te ontgrendelen.

    KINDERSLOTEN

    Rechterzijde
    Draai rechtsom om te vergrendelen en
    linksom om te ontgrendelen.

    WAARSCHUWING
    Wanneer de kindersloten in werking
    zijn gesteld, kunnen de portieren niet
    van binnenuit worden geopend.

    Elektrisch bediende kindersloten
    N.B.: Door op de schakelaar te drukken
    worden tevens de schakelaars voor de
    elektrisch bediende achterruit
    gedeactiveerd.

    Handmatig bediende kindersloten
    N.B.: Gebruik bij auto's met sleutelloze
    toegang de reservesleutel. Zie Sleutelloze
    toegang (bladzijde 45).

    30



  • Page 33

    Veiligheidsuitrusting voor kinderen

    E124779

    31



  • Page 34

    Bescherming van inzittenden
    N.B.: Reinig de panelen van de airbags met
    een vochtige doek.

    WERKING
    Airbags

    Airbags voor de bestuurder en
    passagier, voorin

    WAARSCHUWINGEN
    Wijzig de voorzijde van de wagen op
    geen enkele wijze. Dit zou nadelige
    gevolgen voor het ontvouwen van de
    airbags kunnen hebben.
    Oorspronkelijke tekst volgens ECE
    R94.01: Extreme Hazard! Do not use
    a rearward facing child restraint on
    a seat protected by an airbag in front of it!
    Draag een veiligheidsgordel en houd
    voldoende afstand tussen uzelf en
    het stuurwiel. Alleen wanneer de
    veiligheidsgordel correct wordt gedragen,
    kan deze u in een zodanige positie houden
    dat de airbag optimaal zijn werk kan doen.
    Zie De juiste zitpositie innemen
    (bladzijde 134).

    E74302
    De frontairbags treden in werking bij zware
    frontale aanrijdingen of bij aanrijdingen
    binnen een hoek van maximaal 30 graden
    van links of van rechts. De airbags worden
    in enkele milliseconden opgeblazen en
    stromen weer leeg zodra zij in contact
    komen met de lichamen van de
    inzittenden, waardoor de voorwaartse
    beweging wordt opgevangen. Bij lichte
    aanrijdingen, het over de kop slaan van de
    auto of bij aanrijdingen van opzij of van
    achteren worden de frontairbags niet
    geactiveerd.

    Laat reparaties aan het stuurwiel, de
    stuurkolom, stoelen, airbags en
    veiligheidsgordel uitvoeren door een
    goed opgeleide monteur.
    Houd de gebieden voor de airbags
    vrij. Breng niets aan op of over de
    panelen van de airbags.
    Steek geen scherpe voorwerpen in
    gebieden waar airbags zijn
    gemonteerd. Dit zou nadelige
    gevolgen voor het ontvouwen van de
    airbags kunnen hebben en de airbags
    kunnen beschadigen.

    Knieairbag voor de bestuurder
    LET OP
    Probeer het paneel van de knieairbag
    voor de bestuurder niet te openen.

    Gebruik stoelhoezen die zijn
    ontworpen voor stoelen met
    zij-airbags. Laat deze aanbrengen
    door een goed opgeleide monteur.
    N.B.: Het opblazen van een airbag gaat
    gepaard met een luide knal en u ziet een
    onschadelijke, poederachtige stofwolk. Dit
    is normaal.

    32



  • Page 35

    Bescherming van inzittenden
    De knieairbag voor de bestuurder treedt in
    werking bij zware frontale aanrijdingen of
    bij aanrijdingen binnen een hoek van
    maximaal 30 graden van links of van
    rechts. De airbag wordt in enkele
    milliseconden opgeblazen en stroomt weer
    leeg zodra hij in contact komt met het
    lichaam van de inzittende, waardoor hij
    een kussen vormt tussen de knieën van de
    bestuurder en de stuurkolom. Tijdens het
    over de kop slaan van de auto, aanrijdingen
    van achteren en opzij wordt de knieairbag
    niet geactiveerd.

    De zijairbags worden geactiveerd bij zware
    zijdelingse aanrijdingen. De airbags worden
    in enkele milliseconden opgeblazen en
    stromen weer leeg zodra zij in contact
    komen met de lichamen van de
    inzittenden, waardoor zij bescherming
    bieden aan de omgeving van borst en
    schouder. Bij lichte aanrijdingen van opzij,
    het over de kop slaan van de auto,
    aanrijdingen van voren of van achteren
    worden de zijairbags niet geactiveerd.
    Side curtains

    Positie van onderdeel: Zie In één
    oogopslag (bladzijde 11).
    N.B.: De knieairbag heeft een lagere
    activeringsdrempel dan de frontairbags.
    Tijdens een lichte aanrijding is het mogelijk
    dat alleen de knieairbag wordt geactiveerd.
    Zijairbags

    E75004

    Achter de bekledingspanelen boven de
    voorste en achterste zijruiten zijn side
    curtains aangebracht. Opschriften in reliëf
    op de B-stijlen geven aan dat de wagen is
    uitgerust met side curtains.
    De side curtains worden geactiveerd bij
    zware zijdelingse aanrijdingen. De airbag
    wordt in enkele milliseconden opgeblazen
    en stroomt weer leeg zodra hij in contact
    komt met het lichaam van de inzittende,
    waardoor hij bescherming biedt aan het
    hoofd. Bij lichte zijdelingse aanrijdingen,
    frontale aanrijdingen, aanrijdingen van
    achteren of het over de kop slaan van de
    auto worden de side curtains niet
    geactiveerd.

    E72658
    De zijairbags bevinden zich in de zijkant van
    de rugleuningen van de voorstoelen. Een
    label op de rugleuning geeft aan dat uw
    auto is uitgerust met zijairbags.

    33



  • Page 36

    Bescherming van inzittenden
    Veiligheidsgordels

    VEILIGHEIDSGORDELS
    VASTMAKEN

    WAARSCHUWINGEN
    Draag een veiligheidsgordel en houd
    voldoende afstand tussen uzelf en
    het stuurwiel. Alleen wanneer u de
    veiligheidsgordel op de juiste wijze draagt,
    kan deze u op uw plaats houden, waardoor
    de airbag zijn maximale bescherming kan
    bieden. Zie De juiste zitpositie innemen
    (bladzijde 134).

    WAARSCHUWING
    Steek de slottong in het gordelslot
    tot een zachte klik hoorbaar is.
    Wanneer de veiligheidsgordel niet
    correct is bevestigd, hoort u geen klik.
    N.B.: De slottongen zijn zodanig ontworpen
    dat u ze alleen in het juiste gordelslot kunt
    steken.

    Gebruik een veiligheidsgordel nooit
    voor meer dan een persoon.
    Gebruik voor iedere stoel het juiste
    gordelslot.
    Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel
    niet slap of gedraaid zit.
    Draag geen dikke kleding. De
    veiligheidsgordels bieden optimale
    bescherming wanneer ze
    nauwsluitend worden gedragen.
    Leg de schoudergordel over het
    midden van de schouder en leg de
    heupgordel strak over uw heupen.
    De oprolmechanismen van de
    veiligheidsgordels voor de bestuurder en
    de passagier voorin zijn voorzien van een
    gordelspanner. De gordelspanners hebben
    een lagere activeringsdrempel dan de
    airbags. Bij lichte aanrijdingen is het
    mogelijk dat alleen de gordelspanners
    worden geactiveerd.

    E74124

    Status na aanrijding
    WAARSCHUWING
    Veiligheidsgordels die zijn belast ten
    gevolge van een aanrijding moeten
    worden vervangen en de
    verankeringen worden gecontroleerd. Deze
    werkzaamheden moeten door een correct
    hiertoe opgeleide monteur worden
    uitgevoerd.

    34



  • Page 37

    Bescherming van inzittenden
    Veiligheidsgordel op tweede zitrij

    1

    2

    3

    E74125
    E74127

    Het oprolmechanisme van de
    veiligheidsgordel van de middelste
    achterstoel bevindt zich in het dak.

    Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig uit.
    De veiligheidsgordel kan blokkeren
    wanneer deze te snel wordt uitgetrokken
    of wanneer de wagen op een helling staat.

    Veiligheidsgordel vastmaken:
    1.

    Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig
    uit. De veiligheidsgordel kan blokkeren
    wanneer deze te snel wordt
    uitgetrokken of wanneer de wagen op
    een helling staat.
    2. Steek de kleinere slottong in het zwarte
    gordelslot aan de rechterzijde van de
    middelste stoel.
    3. Trek vervolgens de grotere slottong
    over de heup en steek hem in het
    gordelslot links van de middelste stoel.

    Druk op de rode knop om de
    veiligheidsgordel te ontgrendelen. Laat
    hem volledig en geheel oprollen.

    N.B.: Wanneer de veiligheidsgordel continu
    wordt gebruikt, kunt u de slottong in het
    zwarte gordelslot laten zitten. Wanneer hij
    niet wordt gebruikt of wanneer u de
    achterstoelen neerklapt of verschuift, moet
    u de veiligheidsgordel van het zwarte
    gordelslot losmaken.

    35



  • Page 38

    Bescherming van inzittenden
    Trek de D-vormige ring uit om het
    bevestigingspunt te laten zakken, houd de
    ontgrendelknop ingedrukt en schuif het
    bevestigingspunt naar beneden.
    N.B.: Door het stelmechanisme iets in te
    drukken terwijl u de knop indrukt komt het
    verstelmechanisme makkelijker los.

    WAARSCHUWINGSSIGNAAL
    VEILIGHEIDSGORDEL

    E74128

    WAARSCHUWING

    Druk de rode toets op het linker gordelslot
    in om de veiligheidsgordel los te maken.
    Laat de gordel oprollen.

    Het veiligheidssysteem voor
    inzittenden biedt alleen optimale
    veiligheid wanneer u de
    veiligheidsgordel correct gebruikt.

    Druk op de knop aan de zijkant van het
    zwarte gordelslot om de gordel los te
    maken. Laat de gordel helemaal en
    geleidelijk terugglijden in de oprolautomaat
    in het dak.

    De lamp van het
    herinneringssysteem gaat
    branden en er klinkt een
    akoestisch signaal wanneer de
    veiligheidsgordel van de voorstoel aan
    bestuurders- of passagierszijde niet is
    omgedaan en de auto sneller rijdt dan een
    relatief lage snelheid. De lamp gaat tevens
    branden wanneer de veiligheidsgordel van
    de voorstoel aan bestuurders- of
    passagierszijde niet is omgedaan als met
    de auto wordt gereden. Het akoestische
    signaal en de waarschuwingslamp worden
    na zeven minuten uitgeschakeld.

    HOOGTE VAN
    VEILIGHEIDSGORDELS
    AFSTELLEN

    Herinneringssysteem uitschakelen
    Neem contact op met uw Ford dealer.

    E73135

    Trek om de hoogte in te stellen de
    D-vormige ring uit en schuif het
    bevestigingspunt omhoog.

    36



  • Page 39

    Bescherming van inzittenden
    GEBRUIK VAN
    VEILIGHEIDSGORDELS
    TIJDENS ZWANGERSCHAP

    E71313

    Schakelaar voor airbag aan
    passagierszijde monteren
    E68587

    WAARSCHUWING
    WAARSCHUWING

    Wanneer u een kinderzitje op een
    stoel moet plaatsen, waarvoor zich
    een operationele airbag bevindt, laat
    dan een schakelaar monteren waarmee
    de airbag aan passagierszijde kan worden
    uitgeschakeld. Raadpleeg uw dealer voor
    meer informatie.

    Breng de veiligheidsgordel voor uw
    eigen veiligheid, maar ook voor dat
    van uw ongeboren kind op correcte
    wijze aan. Draag niet alleen de heupgordel
    of de schoudergordel.
    De heupgordel moet comfortabel over de
    heupen liggen aan de onderzijde van uw
    zwangere buik. Leg de schoudergordel
    tussen uw borsten, boven en aan de zijkant
    van uw zwangere buik.

    N.B.: De sleutelschakelaar wordt in het
    handschoenenkastje gemonteerd en op het
    instrumentenpaneel wordt een
    controlelamp aangebracht.
    Wanneer de controlelamp van de airbag
    tijdens het rijden gaat branden of
    knipperen, duidt dit op een storing. Zie
    Waarschuwings- en indicatielampen
    (bladzijde 92). Verwijder het kinderzitje en
    laat het systeem onmiddellijk controleren.

    PASSAGIERSAIRBAG
    UITSCHAKELEN
    WAARSCHUWING
    Zorg ervoor dat de airbag aan
    passagierszijde is uitgeschakeld
    wanneer u een kinderzitje
    achterwaarts op de passagiersstoel voorin
    plaatst.

    37



  • Page 40

    Bescherming van inzittenden
    Airbag aan passagierszijde
    uitschakelen

    A

    B

    E71312

    A

    Uitgeschakeld

    B

    Ingeschakeld

    Zet de schakelaar in stand A.
    Controleer bij het aanzetten van het
    contact, of de controlelamp airbag aan
    passagierszijde uitgeschakeld gaat
    branden.

    Airbag aan passagierszijde
    inschakelen
    WAARSCHUWING
    Zorg ervoor dat de airbag aan de
    passagierszijde is ingeschakeld
    wanneer zich geen kinderzitje op de
    passagiersstoel voorin bevindt.
    Zet de schakelaar in stand B.

    38



  • Page 41

    Sleutels en afstandsbediening
    3. Houd de sleutel in stand 0 en druk
    binnen 10 seconden op een willekeurige
    toets van de afstandsbediening. Via
    een signaal of LED ontvangt u
    bevestiging dat het programmeren is
    voltooid.
    N.B.: Tijdens deze fase kunnen meerdere
    afstandsbedieningen worden
    geprogrammeerd.

    ALGEMENE INFORMATIE
    OVER RADIOFREQUENTIES
    LET OP
    De radiofrequentie van de
    afstandsbediening kan ook worden
    gebruikt door andere zenders met een
    klein bereik (bijvoorbeeld zendamateurs,
    medische apparatuur, draadloze
    hoofdtelefoons, afstandsbedieningen en
    alarmsystemen). Wanneer de frequenties
    worden gestoord, kunt u geen gebruik meer
    maken van uw afstandsbediening. De
    portieren kunt u met de sleutel
    vergrendelen en ontgrendelen.

    4. Druk binnen 10 seconden op een
    willekeurige toets van iedere extra
    afstandsbediening.

    Ontgrendelfunctie opnieuw
    programmeren
    N.B.: Wanneer u de ontgrendeltoets op de
    afstandsbediening indrukt, worden alle
    portieren ontgrendeld of wordt alleen het
    bestuurdersportier ontgrendeld. Door
    opnieuw op de ontgrendeltoets te drukken
    worden alle portieren ontgrendeld.

    Controleer of uw auto vergrendeld is
    voordat u deze onbeheerd achterlaat.
    Hierdoor worden eventuele
    frequentieblokkeringen voorkomen.
    N.B.: U kunt de portieren ontgrendelen
    wanneer u de toetsen op de
    afstandsbediening per ongeluk indrukt.

    Houd de ontgrendel- en vergrendeltoets
    op de afstandsbediening minimaal vier
    seconden tegelijkertijd ingedrukt bij
    uitgeschakeld contact. De
    richtingaanwijzers knipperen tweemaal
    om de wijziging te bevestigen.

    Het bereik tussen uw afstandsbediening
    en uw auto is afhankelijk van de omgeving.

    PROGRAMMEREN VAN DE
    AFSTANDSBEDIENING

    Herhaal de procedure om de
    oorspronkelijke ontgrendelfunctie in te
    schakelen.

    U kunt maximaal acht
    afstandsbedieningen voor uw auto
    programmeren (inclusief die met uw auto
    werd meegeleverd).

    BATTERIJ VAN
    AFSTANDSBEDIENING
    VERVANGEN

    Een nieuwe afstandsbediening
    programmeren

    Zorg dat u oude batterijen op
    milieuvriendelijke wijze weggooit.
    E107998
    Zoek advies m.b.t. de plaatselijke
    regels m.b.t. recycling.

    1. Steek de sleutel in het contactslot.
    2. Draai de sleutel van stand 0 naar II en
    vervolgens terug naar 0. Doe dit vier
    keer binnen zes seconden.

    39



  • Page 42

    Sleutels en afstandsbediening
    Afstandsbediening met inklapbaar
    sleutelblad

    4. Draai de afstandsbediening om om de
    batterij te verwijderen.
    5. Breng een nieuwe batterij (3V CR
    2032) aan met de + naar boven
    gekeerd.
    6. Vervang het batterijkapje.

    Afstandsbediening zonder
    inklapbaar sleutelblad

    1
    2

    2

    E128809

    1.

    Plaats een schroevendraaier op de
    afgebeelde positie en druk de klem
    voorzichtig in.
    2. Druk de klem naar beneden om het
    batterijkapje te ontgrendelen.

    1

    1

    E87964

    1.

    Houd de drukknoppen in de randen
    ingedrukt om de afdekking te
    ontgrendelen. Verwijder voorzichtig de
    kapje.
    2. Verwijder de sleutelbaard.

    3
    E128810

    3. Verwijder voorzichtig de kapje.

    E105362

    3. Draai de platte schroevendraaier in de
    afgebeelde richting om de twee
    huishelften van de afstandsbediening
    van elkaar te scheiden.
    E128811

    40



  • Page 43

    Sleutels en afstandsbediening

    4

    E119190

    4. Steek de schroevendraaier voorzichtig
    in de afgebeelde positie om de
    afstandsbediening te openen.

    5

    E125860

    LET OP
    Raak de batterijcontacten of de
    printplaat niet met de
    schroevendraaier aan.
    5. Maak de batterij voorzichtig met de
    schroevendraaier los.
    6. Breng een nieuwe batterij (3V CR
    2032) aan met de + naar beneden
    gekeerd.
    7. Zet de twee huishelften van de
    afstandsbediening op elkaar vast.
    8. Breng het sleutelblad aan.

    41



  • Page 44

    Sloten
    Dubbele vergrendeling is een voorziening
    tegen diefstal die voorkomt dat personen
    de portieren van binnenuit kunnen
    ontgrendelen. U kunt de portieren alleen
    dubbel vergrendelen indien ze allemaal zijn
    gesloten.

    VERGRENDELEN EN
    ONTGRENDELEN
    LET OP
    Controleer of uw auto vergrendeld is
    voordat u deze onbeheerd achterlaat.

    Bevestiging van vergrendelen en
    ontgrendelen

    Centrale vergrendeling

    Wanneer u de portieren ontgrendelt,
    knipperen de richtingaanwijzers eenmaal.

    U kunt de portieren alleen centraal
    vergrendelen wanneer alle portieren zijn
    gesloten.

    Wanneer u de portieren vergrendelt,
    knipperen de richtingaanwijzers tweemaal.

    N.B.: Het bestuurdersportier kan met de
    sleutel worden ontgrendeld. Hiervan moet
    gebruik worden gemaakt wanneer de
    afstandsbediening niet werkt.

    Portieren met de sleutel
    vergrendelen en ontgrendelen

    N.B.: De centrale vergrendeling vergrendelt
    en ontgrendelt ook het klepje van de
    brandstofvulopening.

    B

    B

    Dubbele vergrendeling
    WAARSCHUWING

    A

    Schakel de dubbele vergrendeling
    niet in wanneer zich personen of
    dieren in de auto bevinden. De
    portieren kunnen niet van binnenuit worden
    ontgrendeld indien de dubbele
    vergrendeling is ingeschakeld.

    E71962

    E71961

    42

    A

    Ontgrendelen

    B

    Vergrendelen

    A



  • Page 45

    Sloten
    Portieren met de sleutel dubbel
    vergrendelen

    De portieren van binnenuit
    vergrendelen en ontgrendelen

    Draai de sleutel tweemaal binnen drie
    seconden in de stand vergrendelen om de
    portieren dubbel te vergrendelen.

    Bestuurdersportier

    A

    Portieren en achterklep
    vergrendelen en ontgrendelen met
    de afstandsbediening

    B

    A

    B

    C

    E87379

    E71958

    A

    Ontgrendelen

    B

    Vergrendelen

    C

    Achterklep ontgrendelen
    (tweemaal drukken)

    A

    Alle portieren vergrendelen

    B

    Alle portieren ontgrendelen

    Passagiersportieren voor en achter

    Portieren en achterklep vergrendelen
    met de afstandsbediening
    Druk toets B eenmaal in.
    Portieren en achterklep dubbel
    vergrendelen met de
    afstandsbediening
    Druk toets B tweemaal binnen drie
    seconden in.

    E98653

    Druk om de passagiersportieren voor en
    achter afzonderlijk te vergrendelen op
    toets en sluit het portier bij het verlaten
    van de auto.

    43



  • Page 46

    Sloten
    Achterklep

    Ontgrendelfunctie opnieuw
    programmeren

    Achterklep openen

    De ontgrendelfunctie kan zodanig worden
    geprogrammeerd dat alleen het
    bestuurdersportier wordt ontgrendeld. Zie
    Programmeren van de
    afstandsbediening (bladzijde 39).

    CENTRALE VERGRENDELING
    U kunt ook bij afgezet contact de elektrisch
    bedienbare ruiten bedienen met behulp
    van de functie integraal openen en sluiten.
    E125429

    Achterklep openen met de
    afstandsbediening

    N.B.: Het integraal sluiten werkt alleen als
    het geheugen voor elke ruit afzonderlijk
    correct is ingesteld. Zie Elektrisch
    bedienbare ruiten (bladzijde 81).

    Druk toets C op de afstandsbediening
    tweemaal binnen drie seconden in.

    Integraal openen

    Achterklep sluiten

    E71960

    Aan de binnenzijde van de achterklep
    bevindt zich een greep die het sluiten
    vereenvoudigt.
    E71955

    Automatisch opnieuw
    vergrendelen

    Druk, om alle ruiten te openen, op de
    ontgrendel toets en houd deze minstens
    drie seconden ingedrukt. Druk nogmaals
    op de vergrendel of de ontgrendel toets
    om het openen te onderbreken.

    Wanneer u niet binnen 45 seconden na het
    ontgrendelen met de afstandsbediening
    een portier opent worden de portieren
    automatisch opnieuw vergrendeld. De
    portieren worden vergrendeld en het alarm
    keert terug in de vorige stand.

    44



  • Page 47

    Sloten
    Integraal sluiten

    Uitvoeringen met keyless entry
    systeem

    Uitvoeringen zonder keyless entry
    systeem
    WAARSCHUWING
    Sla het sluiten van de ruiten altijd
    gade. Druk in noodgevallen
    onmiddellijk op een toets om de
    beweging te stoppen.

    E87384

    WAARSCHUWING
    Sla het sluiten van de ruiten altijd
    gade. Druk in een noodsituatie op de
    knop op het bestuurdersportier om
    de beweging te stoppen.
    N.B.: Het integraal sluiten kan worden
    geactiveerd met behulp van de toets op de
    kruk op het bestuurdersportier. Integraal
    openen en sluiten kan ook worden
    geactiveerd met de toetsen op de passive
    key.

    E71956

    Druk om alle ruiten te sluiten op de
    vergrendel toets en houd deze minstens
    drie seconden ingedrukt. Druk nogmaals
    op een toets om het sluiten te
    onderbreken. Tijdens het integraal sluiten
    is de antiklemfunctie geactiveerd.

    Druk om alle ruiten te sluiten op de
    vergrendeltoets en houd deze minstens
    twee seconden ingedrukt. Tijdens het
    integraal sluiten is de antiklemfunctie
    geactiveerd.

    SLEUTELLOZE TOEGANG
    Algemene informatie
    WAARSCHUWING
    Het keyless entry systeem werkt
    misschien niet wanneer de sleutel
    zich dicht bij metalen voorwerpen of
    elektronische apparaten, zoals mobiele
    telefoons, bevindt.

    45



  • Page 48

    Sloten
    Auto vergrendelen

    N.B.: Als er binnen een kort tijdsbestek
    herhaaldelijk aan de portierkrukken wordt
    getrokken zonder dat er een geldige passive
    key aanwezig is, wordt het systeem
    gedurende 30 seconden geblokkeerd.

    WAARSCHUWING
    De auto wordt niet automatisch
    vergrendeld. Indien er geen
    vergrendelknop wordt ingedrukt blijft
    de auto ontgrendeld.

    Het passive entry systeem werkt niet
    indien:
    • De frequenties van de passive key
    worden gestoord.
    • De batterij van de passive key leeg is.

    N.B.: Het contact wordt automatisch
    afgezet wanneer de auto vanaf de
    buitenzijde wordt vergrendeld. Dit om te
    voorkomen dat de voertuigaccu wordt
    ontladen.

    N.B.: Wanneer het passive entry systeem
    niet werkt, moet u voor het vergrendelen en
    ontgrendelen van uw auto de sleutelbaard
    gebruiken.

    N.B.: Wanneer de auto vanaf de achterklep
    wordt vergrendeld, moet de passive key zich
    binnen de detectiezone bij de achterklep
    bevinden.

    Het keyless entry systeem maakt het
    gebruik van een sleutel of
    afstandsbediening overbodig.

    E78276

    Voor het passief vergrendelen en
    ontgrendelen is een geldige passive key
    nodig die zich in de omgeving van een van
    de drie externe detectiezones bevindt.
    Deze zones bevinden zich op ongeveer
    anderhalve meter afstand van de
    portierkrukken aan bestuurders- en
    passagierszijde en de achterklep.

    E87384

    Passive key
    De auto kan met de passive key worden
    ontgrendeld en vergrendeld. De passieve
    key kan tevens als afstandsbediening
    worden gebruikt. Zie Vergrendelen en
    ontgrendelen (bladzijde 42).

    E87435

    De vergrendeltoetsen bevinden zich op de
    beide voorportieren en de achterklep.

    46



  • Page 49

    Sloten
    Activeren van centraal
    vergrendelingssysteem en alarminstallatie:
    • Druk een vergrendeltoets eenmaal in.
    Dubbele vergrendeling, alarminstallatie en
    interieursensoren activeren:
    • Druk een vergrendeltoets tweemaal
    binnen drie seconden in.
    N.B.: Eenmaal geactiveerd, blijft de auto
    gedurende drie seconden vergrendeld.
    Hierdoor is het mogelijk een portierkruk uit
    te trekken om te controleren of de auto is
    vergrendeld. Na de vertragingsperiode
    kunnen de portieren weer worden
    ontgrendeld, op voorwaarde dat de passive
    key zich binnen het detectiegebied bevindt.

    E78278

    Trek een van de portierkrukken of de
    hendel van de kofferdeksel/ achterklep uit.
    N.B.: De passive key moet zich binnen het
    detectiegebied van dat portier bevinden.

    kofferdeksel/ achterklep

    Een lang lichtsignaal van de
    richtingaanwijzers geeft aan dat alle
    portieren, de bagageruimte en de
    tankvulklep zijn ontgrendeld en dat de
    alarminstallatie is uitgeschakeld.

    N.B.: Als de passive key zich in de
    bagageruimte bevindt, kan de kofferdeksel/
    achterklep niet worden gesloten en komt
    deze weer omhoog.

    Alleen bestuurdersportier
    ontgrendelen

    N.B.: Indien zich een tweede geldige passive
    key binnen het detectiegebied van de
    kofferdeksel/ achterklep bevindt, kan de
    bagageruimte niet worden afgesloten.

    Indien de ontgrendelfunctie opnieuw is
    geprogrammeerd zodat alleen het
    bestuurdersportier wordt ontgrendeld (
    Zie Sleutels en afstandsbediening
    (bladzijde 39). ), let dan op het volgende:

    Auto ontgrendelen
    N.B.: Indien de auto langer dan vijf dagen
    niet wordt ontgrendeld, schakelt het
    systeem over op een energiebesparende
    modus. Hierdoor wordt voorkomen dat de
    accu leegraakt. Wanneer de auto in deze
    modus wordt ontgrendeld kan de reactietijd
    enigszins langer zijn dan normaal. Nadat de
    auto na eenmaal is ontgrendeld, wordt de
    energiebesparende modus uitgeschakeld.

    Als het bestuurdersportier als eerste wordt
    geopend blijven de andere portieren en de
    bagageruimte vergrendeld. De portieren
    kunnen afzonderlijk worden ontgrendeld
    door vanuit het interieur de portierkruk van
    het betreffende portier uit te trekken.
    Als het portier aan passagierszijde of een
    van de achterportieren als eerste wordt
    geopend, worden alle portieren en het
    bagagecompartiment ontgrendeld.

    Uitgeschakelde sleutels
    In de auto achtergebleven sleutels worden
    uitgeschakeld bij het vergrendelen van de
    auto.

    47



  • Page 50

    Sloten
    Een uitgeschakelde sleutel kan niet meer
    worden gebruikt voor het aanzetten van
    het contact of het starten van de motor.
    Om deze passive keys opnieuw te kunnen
    gebruiken moeten ze opnieuw worden
    geactiveerd.
    Ontgrendel de auto met behulp van een
    passive key of de afstandsbediening om
    al uw passive keys te activeren.
    Bij het aanzetten van het contact of
    wanneer de motor met een geldige sleutel
    wordt gestart worden alle passive keys
    worden geactiveerd.

    Portieren met de sleutelbaard
    vergrendelen en ontgrendelen

    2
    1

    E87964

    1

    1. Verwijder voorzichtig de kapje.
    2. Verwijder de sleutelbaard en steek hem
    in het slot.

    48



  • Page 51

    Motorstartblokkering
    Wanneer u de motor met een correct
    gecodeerde sleutel niet kunt starten, duidt
    dit op een storing. Het bericht Immobiliser
    active verschijnt bij het aanzetten van het
    contact op het informatiedisplay. Laat het
    immobilisatiesysteem onmiddellijk
    controleren.

    WERKING
    Het immobilisatiesysteem is een
    diefstalbeveiligingssysteem dat voorkomt
    dat iemand de motor van uw auto met een
    onjuist gecodeerde sleutel kan starten.

    GECODEERDE SLEUTELS
    N.B.: Dek uw sleutels niet met metalen
    voorwerpen af. Hierdoor kan de ontvanger
    uw sleutel niet herkennen als geldige sleutel.
    N.B.: Wanneer u een sleutel bent verloren,
    laat dan de code bij al uw overige sleutels
    wissen. Raadpleeg uw dealer voor meer
    informatie. Laat de vervangingssleutels
    samen met uw overige sleutels opnieuw
    coderen.
    Wanneer u een sleutel verliest, kunt u bij
    uw Ford dealer een vervangingssleutel
    verkrijgen. Geef, indien mogelijk, uw dealer
    het sleutelnummer door, dat op het plaatje
    staat dat met de originele sleutels is
    geleverd. U kunt ook extra sleutels bij uw
    Ford dealer verkrijgen.

    IMMOBILISATIESYSTEEM
    INSCHAKELEN
    Korte tijd nadat u het contact hebt afgezet
    wordt het immobilisatiesysteem
    automatisch ingeschakeld.

    IMMOBILISATIESYSTEEM
    UITSCHAKELEN
    Het immobilisatiesysteem wordt
    automatisch uitgeschakeld bij het met een
    correct gecodeerde sleutel aanzetten van
    het contact.
    Wanneer het bericht Immobiliser active
    op het informatiedisplay verschijnt, is uw
    sleutel niet herkend. Neem de sleutel uit
    het slot en probeer het nogmaals.

    49



  • Page 52

    Alarm
    Auto's met dakconsole

    WERKING
    Alarmsysteem
    Uw auto kan zijn uitgerust met één van de
    volgende alarmsystemen:






    Perimeter alarminstallatie.
    Perimeter alarminstallatie met
    interieursensoren.
    Categorie 1 alarm met
    interieursensoren en sirene met
    afzonderlijke accu.
    Categorie 1 alarm met interieursensors,
    sirene met afzonderlijke accu en
    kantelsensors.

    E131656

    WAARSCHUWING
    De sensors mogen niet afgedekt zijn.
    Activeer het alarm niet indien zich
    personen, dieren of andere
    bewegende voorwerpen in de auto
    bevinden.

    Perimeter alarminstallatie
    Het perimeter alarm is een afschrikmiddel
    voor personen die ongeoorloofd de
    portieren en de motorkap proberen te
    openen. Het beveiligt ook het
    audio-eenheid.

    Dit sensors zijn een afschrikmiddel voor
    indringers doordat elke beweging in de
    auto m.b.v. sensors wordt geregistreerd.

    Interieursensors

    Sirene met afzonderlijke accu

    Auto's zonder dakconsole

    De sirene met afzonderlijke accu is een
    extra alarmsysteem dat de sirene
    inschakelt wanneer het alarm wordt
    geactiveerd. Deze wordt direct
    ingeschakeld bij het afsluiten van de
    wagen. De sirene heeft zijn eigen accu en
    wordt ingeschakeld zodra iemand de
    accukabels of de accu van de sirene zelf
    loskoppelt.

    E71401

    Kantelsensors
    De kantelsensors detecteren of iemand
    probeert een wiel te stelen of de auto
    probeert weg te slepen door de
    verandering van hellingshoek van de auto
    te registreren.

    50



  • Page 53

    Alarm
    N.B.: Wanneer de auto met ingeschakeld
    alarm op een veerboot wordt geplaatst,
    moeten de hellingssensors worden
    uitgeschakeld door een gereduceerde
    beveiligingsklasse te selecteren. Hierdoor
    wordt voorkomen dat het alarmsignaal door
    de bewegingen in werking treedt.

    Bij volledige beveiliging worden de
    interieursensors en de kantelsensors
    geactiveerd bij het inschakelen van het
    alarm.
    N.B.: Dit kan resulteren in vals alarm
    wanneer zich dieren of bewegende
    voorwerpen in de auto bevinden of, bij auto's
    met kantelsensors, als de auto op een
    veerboot wordt geplaatst.

    Alarm activeren
    Wanneer het alarm is ingeschakeld, kan
    het op een van de volgende manieren
    worden geactiveerd:










    N.B.: Een vals alarm kan ook veroorzaakt
    worden door de hulpverwarming. Zie Extra
    verwarming (bladzijde 128). Als u de
    hulpverwarming gebruikt, richt de
    luchtstroom dan op de beenruimte.

    Wanneer iemand een portier, de
    achterklep of de motorkap opent
    zonder geldige sleutel of
    afstandsbediening.
    Wanneer iemand de audio-installatie
    of het navigatiesysteem verwijdert.
    Wanneer het contactslot zonder
    geldige sleutel in stand I, II of III wordt
    gezet.
    Wanneer de interieursensors
    bewegingen in de auto registreren.
    Bij auto's met een sirene met
    afzonderlijke accu, wanneer iemand de
    accukabels of de accu van de sirene
    zelf loskoppelt.
    Wanneer de kantelsensors een
    verandering in de hellingshoek van de
    auto registreren.

    Gereduceerde beveiliging
    Bij gereduceerde beveiliging worden de
    interieursensors en de kantelsensors
    gedeactiveerd bij het inschakelen van het
    alarm.
    N.B.: U kunt de gereduceerde beveiliging
    slechts gedurende één contactcyclus
    inschakelen. De volgende keer dat u het
    contact aanzet, zal het alarm worden
    teruggesteld naar volledige beveiliging.
    Vragen bij het verlaten van de wagen
    U kunt de informatiedisplay zodanig
    instellen, dat telkens wordt gevraagd welk
    beveiligingsniveau u wilt instellen.

    Wanneer het alarm is geactiveerd, klinkt
    de alarmclaxon gedurende 30 seconden
    en knipperen de
    waarschuwingsknipperlichten vijf minuten.

    Wanneer u Ask on Exit selecteert,
    verschijnt telkens wanneer u het contact
    afzet het bericht Reduced guard? op de
    display in de instrumentengroep.

    Iedere verdere poging om een van
    bovenstaande handelingen uit te voeren
    activeert het alarm opnieuw.

    Wanneer u de gereduceerde beveiliging
    wilt instellen, drukt u op de OK toets
    wanneer dit bericht verschijnt.

    Volledige en gereduceerde
    beveiliging

    Wanneer u de volledige beveiliging wilt
    instellen, verlaat dan de auto zonder op de
    OK te drukken.

    Volledige beveiliging
    Volledige beveiliging is de standaard
    instelling.

    51



  • Page 54

    Alarm
    Volledige of gereduceerde beveiliging
    selecteren

    3. Selecteer Alarm en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    4. Selecteer Gereduceerd of Voll.
    alarm. Wanneer u wenst dat dit
    telkens wordt gevraagd bij het
    uitschakelen van het contact, selecteer
    dan Vragen.
    5. Druk op de OK toets om de keuze te
    bevestigen.
    6. Druk op de linker pijltoets om het menu
    te verlaten. Houd de linker pijltjestoets
    ingedrukt om direct terug te keren naar
    het scherm van de boordcomputer.

    N.B.: Door Gereduceerd te selecteren
    wordt het alarmsysteem niet permanent in
    de gereduceerde beveiligingsmodus gezet.
    Het systeem wordt slechts één
    contactcyclus in de gereduceerde modus
    geschakeld. Wanneer u regelmatig het
    alarmsysteem in de gereduceerde
    beveiligingsmodus zet, selecteer dan
    Vragen.

    Informatiemededelingen
    Zie Infoberichten (bladzijde 109).

    ALARM INSCHAKELEN
    Alarminstallatie inschakelen, wagen
    vergrendelen. Zie Sloten (bladzijde 42).
    E70499

    ALARM UITSCHAKELEN

    Alarm

    Uitvoeringen zonder keyless entry
    systeem

    Voll. alarm
    Gereduceerd
    Vragen

    Perimeter alarminstallatie
    Schakel de alarminstallatie en het
    alarmsignaal uit door de portieren met de
    sleutel te ontgrendelen, zet het contact
    met een correct gecodeerde sleutel aan of
    ontgrendel de portieren of de achterklep
    met de afstandsbediening.
    Categorie 1 alarm

    E74509

    Schakel de alarminstallatie en het
    alarmsignaal uit door de portieren met de
    sleutel te ontgrendelen, zet het contact
    met een correct gecodeerde sleutel binnen
    12 seconden aan of ontgrendel de portieren
    of de achterklep met de
    afstandsbediening.

    1.

    Druk op de rechter pijltoets op het
    stuurwiel om het hoofdmenu binnen
    te gaan.
    2. Selecteer Instellingen met de op- en
    neer-pijltjestoetsen en druk op de
    rechter pijltjestoets.

    52



  • Page 55

    Alarm
    Uitvoeringen met keyless entry
    systeem
    N.B.: Voor keyless entry moet zich binnen
    het detectiegebied van dat portier een
    geldige passive key bevinden. Zie
    Sleutelloze toegang (bladzijde 45).
    Perimeter alarminstallatie
    Schakel de alarminstallatie en het
    alarmsignaal uit door de portieren te
    ontgrendelen en zet het contact aan, of
    ontgrendel de portieren of de achterklep
    met de afstandsbediening.
    Categorie 1 alarm
    Schakel de alarminstallatie en het
    alarmsignaal uit door de portieren te
    ontgrendelen en zet het contact binnen 12
    seconden aan, of ontgrendel de portieren
    of de achterklep met de
    afstandsbediening.

    53



  • Page 56

    Stuurwiel
    STUURWIEL AFSTELLEN

    AUDIOBEDIENING

    WAARSCHUWING

    A

    E

    Verstel nooit het stuurwiel als de
    auto in beweging is.
    N.B.: Controleer of u in de juiste positie zit.
    Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde
    134).

    B

    D

    C

    2
    E72288

    2

    1

    A

    Volume hoger

    B

    Voorwaarts zoeken

    C

    Volume lager

    D

    Achterwaarts zoeken

    E

    Modus

    Modus
    Druk de modus toets in en houd deze
    ingedrukt om de audiobron te kiezen.

    E95178

    Druk de modus toets in om:
    • op het volgende radiostation af te
    stemmen
    • de volgende CD af te spelen
    • de andere zijde van de cassetteband
    af te spelen
    • een inkomende telefoonoproep te
    beantwoorden.
    • een telefoongesprek te beëindigen.

    3
    E95179

    WAARSCHUWING
    Duw de ontgrendelingshendel
    helemaal op zijn plaats wanneer u
    deze weer in de oude stand zet.

    54



  • Page 57

    Stuurwiel
    Zoekfunctie
    Druk op de seek toets om:
    • af te stemmen op het volgende
    radiostation op een hogere of lagere
    frequentie
    • het volgende of vorige nummer op de
    CD af te spelen
    • de cassetteband snel voor- of
    achterwaarts te laten spoelen.
    Druk een seek toets in en houd deze
    ingedrukt om:
    • af te stemmen op een radiostation op
    een hogere of lagere frequentie
    • door een CD nummer te zoeken

    55



  • Page 58

    Ruitenwissers en ruitensproeiers
    VOORRUITWISSERS

    AUTOMATISCH IN- EN
    UITSCHAKELENDE
    RUITENWISSERS

    D
    C

    LET OP
    Schakel de automatische wisfunctie
    niet bij droog weer in. De regensensor
    is bijzonder gevoelig en de
    ruitenwissers kunnen in werking treden
    indien de voorruit met vuil, mist of vliegen
    in aanraking komt.

    B

    Vervang de ruitenwisserbladen zodra
    deze strepen water en vuil op de
    voorruit achterlaten. Als de
    ruitenwisserbladen niet worden vervangen,
    blijft de regensensor continu water op de
    voorruit waarnemen. Dit heeft tot gevolg
    dat de ruitenwissers in werking treden
    terwijl het grootste deel van de voorruit
    droog is.

    A

    E70696

    A

    Eenmalig wissen

    B

    Wissen met intervallen

    C

    Normale wissnelheid

    D

    Hoge wissnelheid

    Wissen met intervallen

    A

    Zorg bij vorst dat de voorruit volledig
    is ontdooit voordat u de automatische
    wisfunctie selecteert.

    B

    Schakel de automatische wisfunctie
    uit voordat u een wasstraat
    binnenrijdt.

    A
    E70315

    C

    A

    Wissen met korte intervallen

    B

    Wissen met intervallen

    C

    Wissen met lange intervallen

    C

    E70315

    56

    A

    Hoge gevoeligheid

    B

    Aan

    C

    Lage gevoeligheid

    B



  • Page 59

    Ruitenwissers en ruitensproeiers
    Wanneer u de automatische wisfunctie
    inschakelt, maken de ruitenwissers pas een
    wisbeweging nadat water op de voorruit
    is geregistreerd. De regensensor meet
    daarna continu de hoeveelheid water op
    de voorruit en zal de snelheid van de
    ruitenwissers automatisch instellen.

    VOORRUITSPROEIERS
    AFSTELLEN

    Stel de gevoeligheid van de regensensor
    met de draaiknop in. Bij een lage
    gevoeligheid zullen de ruitenwissers in
    werking treden wanneer de sensor een
    grote hoeveelheid water op de voorruit
    registreert. Bij een hoge gevoeligheid zullen
    de ruitenwissers in werking treden wanneer
    de sensor een kleine hoeveelheid water op
    de voorruit registreert.

    E73425

    De ruitensproeiers kunnen worden
    afgesteld door een speld in de
    kogelvormige sproeierkoppen te steken en
    de sproeiers in de gewenste stand te
    draaien.

    VOORRUITSPROEIERS
    WAARSCHUWING
    Schakel de ruitenwissers niet langer
    dan 10 seconden achtereen in of
    wanneer het reservoir leeg is.

    ACHTERRUITWISSERS EN SPROEIERS

    N.B.: Wanneer het contact aanstaat
    worden de ruitensproeiermonden verwarmd.

    Wissen met intervallen

    E70776

    E70777

    Wissen tijdens achteruitrijden
    De achterruitwisser treedt automatisch in
    werking wanneer de achteruit wordt
    ingeschakeld en de ruitenwisserschakelaar
    in stand B, C of D staat.

    57



  • Page 60

    Ruitenwissers en ruitensproeiers
    Ruitensproeier

    RUITENWISSERBLADEN
    CONTROLEREN

    WAARSCHUWING
    Schakel de achterruitsproeier niet
    langer dan 10 seconden achtereen
    in of wanneer het reservoir leeg is.

    E70777
    Trek de hendel volledig naar het stuurwiel
    toe en houd hem in deze stand om de
    ruitensproeiers in te schakelen.

    E66644

    Controleer met uw vingertoppen de rubber
    randen van de ruitenwisserbladen op
    oneffenheden.

    KOPLAMPSPROEIERS

    Reinig de ruitenwisserbladen met een in
    water gedrenkte, zachte spons.

    Bij ingeschakelde koplampen werken de
    koplampsproeiers in combinatie met de
    voorruitsproeiers.

    RUITENWISSERBLADEN
    VERVANGEN

    N.B.: Om ervoor te zorgen de het
    ruitensproeierreservoir te snel leegraakt,
    werken de koplampsproeiers niet telkens
    wanneer de voorruitsproeiers in werking
    worden gesteld.

    Voorruitwisserbladen
    LET OP
    Zet om de ruitenwisserbladen te
    vervangen de voorruitwissers in de
    onderhoudsstand.
    U kunt de onderhoudsstand in de
    winter gebruiken om de
    ruitenwisserbladen eenvoudiger te
    kunnen bereiken om deze vrij te maken van
    sneeuw en ijs. Zorg dat de buitenzijde van
    de voorruit vrij is van sneeuw en ijs voordat
    de ruitenwissers worden gebruikt.

    58



  • Page 61

    Ruitenwissers en ruitensproeiers
    N.B.: De bladen van voorruitwissers hebben
    zijn verschillend qua lengte. Zie Technische
    specificatie (bladzijde 60). Wanneer u
    ruitenwisserbladen met een onjuiste lengte
    aanbrengt, is het mogelijk dat de
    regensensor niet correct meer werkt.

    N.B.: Controleer of het ruitenwisserblad
    goed op zijn plaats komt te zitten.

    Achterruitwisserbladen

    2

    Zet de voorruitwissers in de
    onderhoudsstand.

    1
    E93783

    E75184

    3
    A
    E75188

    Zet het contact af en zet binnen drie
    seconden de ruitenwisserhendel in de
    stand A. Laat de hendel los wanneer de
    ruitenwissers in de onderhoudsstand
    staan.

    E93784

    Zet de ruitenwisserarmen omhoog.

    2

    5

    1
    E72899
    Aanbrengen geschiedt in omgekeerde
    volgorde van verwijderen.

    4
    E93785

    59



  • Page 62

    Ruitenwissers en ruitensproeiers
    Aanbrengen geschiedt in omgekeerde
    volgorde van verwijderen.

    6

    E93786

    TECHNISCHE SPECIFICATIE
    Lengte van de ruitenwisserbladen van de voorruit
    Afmeting in mm (inches)
    Nr.
    Linkerzijde

    Rechterzijde

    Wagens met automatische
    ruitenwissers

    750 (29,5)

    700 (27,6)

    Wagens zonder automatische ruitenwissers

    750 (29,5)

    650 (25,6)

    60



  • Page 63

    Verlichting
    Een zijde

    VERLICHTINGSBEDIENING

    A

    Standen van de lichtschakelaar

    A

    B

    C

    B
    E75505
    A

    Rechterzijde

    B

    Linkerzijde

    Grootlicht en dimlicht
    E70718

    A

    Uit

    B

    Stads- en achterlichten

    C

    Koplampen

    E70725

    Parkeerlichten

    Trek de hendel geheel naar het stuurwiel
    toe om te wisselen tussen grootlicht en
    dimlicht.

    LET OP
    Door langdurig gebruik van de
    parkeerlichten wordt de accu
    ontladen.

    Lichtsignaal
    Trek de schakelaarhendel naar het
    stuurwiel toe.

    Zet het contact af.

    Home safe verlichting

    Beide zijden

    Schakel de verlichting uit en trek de
    richtingaanwijzer naar het stuurwiel toe
    om de koplampen in te schakelen. Er klinkt
    kort een signaal. Bij een geopende deur
    gaan de koplampen automatisch na drie
    minuten uit, of 30 seconden nadat de
    laatste deur is gesloten.

    Zet de lichtschakelaar in stand B.

    61



  • Page 64

    Verlichting
    Wanneer alle deuren zijn gesloten en een
    deur wordt binnen de 30 seconden
    vertragingstijd weer geopend, start de
    tijdschakeling van drie minuten opnieuw.

    AUTOMATISCHE
    GROOTLICHTREGELING
    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn. Een
    handmatige deactivering kan nodig zijn
    indien het systeem het grootlicht niet inof uitschakelt.

    De home safe functie kan worden
    uitgeschakeld door hetzij de
    richtingaanwijzerhendel opnieuw naar het
    stuurwiel te trekken of door het contact
    aan te zetten.

    DAGRIJLICHT

    Een handmatige deactivering kan
    nodig zijn bij het naderen van andere
    weggebruikers, zoals fietsers.

    De lampen gaan branden wanneer het
    contact wordt ingeschakeld.

    Gebruik het systeem niet in de mist.

    AUTOMATISCH IN- EN
    UITSCHAKELENDE
    VERLICHTING

    LET OP
    Onder koude en barre
    weersomstandigheden is het mogelijk
    dat het systeem niet werkt. In
    dergelijke gevallen kan handmatige
    deactivering nodig zijn.

    E70719

    Reflecterende verkeersborden kunnen
    als tegemoetkomend verkeer worden
    herkend en de koplampen kunnen dan
    in de dimstand worden geschakeld.

    N.B.: Wanneer u de automatisch
    in-/uitschakelende verlichting hebt
    ingeschakeld, kunt u alleen het grootlicht
    inschakelen wanneer de functie de
    koplampen heeft ingeschakeld.

    Indien de lampen van
    tegemoetkomende voertuigen achter
    obstakels verborgen zijn (bijvoorbeeld
    vangrails), is het mogelijk dat het systeem
    het grootlicht niet deactiveert.

    Afhankelijk van de lichtsituatie worden de
    koplampen automatisch in- en
    uitgeschakeld.

    Breng altijd Originele Ford Onderdelen
    aan wanneer gloeilampen voor de
    koplampen worden vervangen.
    Andere gloeilampen kunnen de prestaties
    van het systeem verminderen.
    Controleer en vervang
    ruitenwisserbladen regelmatig om
    ervoor te zorgen dat de camerasensor
    vrij zicht door de voorruit heeft.
    Vervangende ruitenwisserbladen moeten
    de juiste lengte hebben.

    62



  • Page 65

    Verlichting
    N.B.: Houd de voorruit vrij van
    belemmeringen zoals uitwerpselen van
    vogels, insecten en sneeuw of ijs.
    Het systeem schakelt automatisch
    grootlicht in indien het voldoende donker
    is en er geen ander verkeer is. Indien het
    system de koplampen of achterlichten van
    een naderend voertuig waarneemt, of de
    straatverlichting vóór de auto, schakelt het
    systeem het grootlicht uit voordat het
    andere weggebruikers kan verblinden.
    Dimlicht blijft ingeschakeld.

    E70719

    Zet de schakelaar in de stand van de
    automatisch inschakelende koplampen.
    N.B.: Het systeem kan enige tijd nodig
    hebben om te initialiseren na eerst het
    contact in te scahekelen, met name in zeer
    donkere omstandigheden. Het grootlicht
    wordt gedurende deze periode niet
    automatisch ingeschakeld.

    Een camerasensor is centraal achter de
    voorruit van de auto gemonteerd en
    controleert continu de omstandigheden
    om te beslissen wanneer het grootlicht
    moet worden uit- en ingeschakeld.
    Zodra het systeem actief is, wordt het
    grootlicht ingeschakeld indien:
    • het voldoende donker is om het gebruik
    van grootlicht nodig te maken en
    • er geen verkeer of straatverlichting vóór
    het voertuig is en
    • de rijsnelheid hoger is dan 40 km/u.

    De gevoeligheid van het systeem
    instellen.
    Het systeem heeft drie
    gevoeligheidsniveaus die toegankelijk zijn
    via het informatiedisplay. Zie
    Infodisplays (bladzijde 96).
    De gevoeligheid bepaalt de snelheid
    waarmee het grootlicht wordt hersteld
    nadat ontdekt verkeer het zichtveld heeft
    verlaten.

    Het grootlicht wordt uitgeschakeld indien:
    • Het omgevingslicht voldoende is om
    grootlicht overbodig te maken.
    • De koplampen van een
    tegemoetkomend voertuig worden
    ontdekt.
    • Straatverlichting wordt ontdekt.
    • De rijsnelheid minder wordt dan 25
    km/u.
    • De camerasensor te heet is of versperd
    is.

    Het systeem handmatig
    onderbreken

    Het systeem activeren

    E70725

    Schakel het systeem in m.b.v. het
    informatiedisplay en de automatisch
    inschakelende koplampen. Zie
    Infodisplays (bladzijde 96). Zie
    Automatisch in- en uitschakelende
    verlichting (bladzijde 62).

    Gebruik de grootlichthendel om te
    schakelen tussen grootlicht en dimlicht.
    N.B.: Dit is een tijdelijke onderbreking en
    het systeem keert na een korte periode naar
    automatische werking terug.

    63



  • Page 66

    Verlichting
    Om het systeem permanent te
    deactiveren, gebruikt u het
    informatiedisplaymenu of schakelt u de
    lichtschakelaar van automatisch
    inschakelende koplampen naar
    koplampen.

    WAARSCHUWINGEN
    Schakel de mistachterlichten niet in
    bij regen of sneeuwval en wanneer
    het zicht meer dan 50 meter
    bedraagt.

    KOPLAMPEN AFSTELLEN AUTO'S MET: ADAPTIEVE
    VERLICHTING, VOOR/XENON
    KOPLAMPEN

    VOORSTE MISTLAMPEN

    Ga naar uw dealer voor het instellen van
    de koplampen voor rechts- of linksrijdend
    verkeer.

    KOPLAMPHOOGTE
    AFSTELLEN

    E70721

    WAARSCHUWING
    Gebruik de mislampen alleen
    wanneer het zicht ernstig wordt
    belemmerd door mist, sneeuw of
    regen.

    N.B.: Uitvoeringen met Xenon koplampen
    zijn uitgerust met automatische regeling van
    de koplamplichtbundels.

    MISTACHTERLICHTEN

    A

    B

    E70722
    E70720

    WAARSCHUWINGEN
    Gebruik de mistachterlichten alleen
    wanneer het zicht minder dan 50
    meter bedraagt.

    A

    Hoge stand van de
    koplamplichtbundels

    B

    Lage stand van de
    koplamplichtbundels

    U kunt de hoogte van de
    koplamplichtbundels aanpassen aan de
    belading van de wagen.

    64



  • Page 67

    Verlichting
    Aanbevolen regelknopstanden
    Belading
    Voorstoelen

    Stoelen, tweede
    zitrij

    Stoelen, derde
    zitrij

    Lading in bagagecompartiment

    Schakelaarstand

    1-2

    -

    -

    -

    0

    1-2

    -

    2

    -

    0 (0.5)

    1-2

    3

    -

    -

    1 (0.5)

    1-2

    3

    -

    Max

    *

    3 (0.5)

    1

    -

    -

    Max

    *

    4 (1.5)

    *

    Zie Voertuigidentificatieplaatje (bladzijde 277).

    2

    Uitvoeringen met actieve schokdemperregeling.

    **

    **

    ADAPTIEVE KOPLAMPEN

    A

    A

    B

    B

    E72897

    65

    **

    **



  • Page 68

    Verlichting
    A

    zonder AFS

    B

    met AFS
    Bij storingen in het systeem verschijnt een
    bericht op het informatiedisplay. Zie
    Infoberichten (bladzijde 109). De
    koplampen worden in een vaste centrale
    stand of die van het dimlicht gesteld. Laat
    het systeem zo snel mogelijk controleren.

    Het AFS stelt het dimlicht afhankelijk van
    de richting en de snelheid van de wagen
    af. Het verbetert het zicht tijdens het rijden
    in het donker en helpt verblinding van
    tegenliggers voorkomen.
    Het systeem werkt niet bij stilstaande
    wagen, wanneer de verlichting overdag of
    de achteruitversnelling is ingeschakeld.

    Bochtverlichting

    A

    A

    B

    B

    E72898
    A

    Lichtbundel van koplamp

    B

    Lichtbundel van bochtverlichting

    Bij het nemen van een bocht verlicht de
    bochtverlichting de binnenzijde van de
    bocht.

    66



  • Page 69

    Verlichting
    WAARSCHUWINGSKNIPPERLICHTEN

    INTERIEURVERLICHTING
    Instapverlichting

    E71943

    A B C

    Voor locatie: Zie In één oogopslag
    (bladzijde 11).

    RICHTINGAANWIJZERS

    E71945
    A

    Uit

    B

    Portiercontact

    C

    Aan

    Wanneer u de schakelaar in stand B zet,
    gaat de interieurverlichting branden
    wanneer u een portier of de achterklep
    ontgrendelt of opent. Wanneer u bij
    uitgeschakeld contact een portier open
    laat, gaat de instapverlichting na enige tijd
    automatisch uit om te voorkomen dat de
    accu leegraakt. Zet het contact even aan
    om de verlichting weer in te schakelen.

    E70727

    N.B.: Beweeg de
    richtingaanwijzerschakelaar even omhoog
    of omlaag om de richtingaanwijzers
    driemaal te laten knipperen.

    De interieurverlichting gaat ook branden
    wanneer u het contact afzet. De verlichting
    gaat korte tijd later automatisch uit of
    wanneer u de motor start of opnieuw start.
    Wanneer u bij uitgeschakeld contact de
    schakelaar in stand C zet, gaat de
    instapverlichting aan. Deze gaat na korte
    tijd automatisch uit om te voorkomen dat
    de accu leegraakt. Zet het contact even
    aan om de verlichting weer in te schakelen.

    67



  • Page 70

    Verlichting
    Leeslampen

    Zijdelings gemonteerde lamp

    A

    E71946
    Wanneer u het contact afzet, gaan de
    leeslampen korte tijd later automatisch uit
    om te voorkomen dat de accu leegraakt.
    Zet het contact korte tijd aan om de
    verlichting weer in te schakelen.

    E139419

    LED-interieurverlichting
    N.B.: Lampen kunnen afzonderlijk van
    elkaar worden ingeschakeld, maar niet
    afzonderlijk worden uitgeschakeld als de
    bestuurder alle lampen heeft ingeschakeld.

    C

    B

    A

    Aan/uit-schakelaar leeslamp

    B

    Portierfunctieschakelaar

    C

    Aan/uit-schakelaar alle lampen

    Als u op B drukt blijven alle lampen
    uitgeschakeld wanneer het portier
    geopend wordt. Druk nogmaals op de
    schakelaar om dit ongedaan te maken.

    N.B.: Alle andere lampen kunnen niet
    worden geschakeld of alleen met
    afzonderlijke leeslamp- of
    interieurverlichtingsfunctie.

    U kunt alle lampen bedienen m.b.v.
    schakelaar C.

    De lampen gaan branden wanneer u een
    portier of de achterklep ontgrendelt of
    opent. Wanneer u het contact afzet, gaan
    alle lampen korte tijd later automatisch uit
    om te voorkomen dat de accu leegraakt.
    Zet het contact korte tijd aan om de
    verlichting weer in te schakelen.

    68



  • Page 71

    Verlichting
    Verlichting make-up spiegels

    Centraal gemonteerde lamp

    B

    A

    A
    B

    E72900
    E139420

    D

    C

    A

    Aan/uit-schakelaar leeslamp
    rechterzijde

    B

    Aan/uit-schakelaar leeslamp
    linkerzijde

    C

    Portierfunctieschakelaar

    D

    Aan/uit-schakelaar alle lampen

    A

    Uit

    B

    Aan

    Wanneer u het contact afzet, gaat de
    verlichting van de make-up spiegels korte
    tijd later automatisch uit om te voorkomen
    dat de accu leegraakt. Zet het contact
    korte tijd aan om de verlichting weer in te
    schakelen.

    Als u op C drukt blijven alle lampen
    uitgeschakeld wanneer het portier
    geopend wordt. Druk nogmaals op de
    schakelaar om dit ongedaan te maken.

    EEN KOPLAMP VERWIJDEREN

    U kunt alle lampen bedienen m.b.v.
    schakelaar D.

    Laat Xenon gloeilampen door een
    goed opgeleide monteur vervangen.
    Er bestaat kans op een elektrische
    schok.

    WAARSCHUWING

    1.

    69

    Open de motorkap. Zie De motorkap
    openen en sluiten (bladzijde 245).



  • Page 72

    Verlichting
    N.B.: Wanneer de koplamp wordt
    gemonteerd, let er dan op dat het onderste
    bevestigingspunt van de koplamp goed op
    zijn plaats komt te zitten.
    N.B.: Bij het monteren van de koplamp
    moet de voorste schroef in de koplamprand
    zitten alvorens u deze aanbrengt.
    N.B.: Zet bij het aanbrengen van de
    koplamp eerst de schroef aan de voorzijde
    vast en daarna de schroef aan de
    achterzijde.

    GLOEILAMPEN VERVANGEN
    E72257

    N.B.: Wanneer u de koplamp verwijderd,
    controleer dan of de voorste schroef in de
    koplamprand achterblijft.

    WAARSCHUWINGEN
    Schakel de verlichting en vervolgens
    het contact uit.

    2. Verwijder de schroeven.

    Laat de gloeilamp afkoelen voordat
    u deze verwijdert.
    Laat Xenon gloeilampen door een
    goed opgeleide monteur vervangen.
    Er bestaat kans op een elektrische
    schok.
    LET OP
    Raak het glas van de gloeilamp niet
    aan.
    Breng alleen gloeilampen met de
    juiste specificaties aan. Zie
    Gloeilampentabel (bladzijde 79).

    E88875

    N.B.: De volgende instructies beschrijven
    hoe de gloeilampen moeten worden
    verwijderd. Breng de nieuwe gloeilampen in
    omgekeerde volgorde van verwijderen aan,
    tenzij anders is voorgeschreven.

    3. Trek de multistekker los.
    4. Trek de koplamp zover mogelijk naar
    het midden van de auto en maak hem
    los van het onderste bevestigingspunt.
    5. Trek de buitenzijde van de koplamp
    omhoog en verwijder hem.
    N.B.: Wanneer de koplamp wordt
    gemonteerd, let er dan op dat de stekker
    correct wordt aangesloten.

    Koplamp
    N.B.: Verwijder de kappen om de
    gloeilampen te kunnen bereiken.

    70



  • Page 73

    Verlichting
    Koplamp, grootlicht

    A

    B

    C

    D

    1.

    Verwijder de koplamp. Zie Een
    koplamp verwijderen (bladzijde 69).

    2
    E72258
    A

    Richtingaanwijzer

    B

    Koplamp, grootlicht

    C

    Koplamp, dimlicht

    D

    Bochtverlichting

    3
    E72261

    2. Trek de multistekker los.
    3. Maak de klem los en verwijder de
    gloeilamp.

    Richtingaanwijzer
    1.

    Verwijder de koplamp. Zie Een
    koplamp verwijderen (bladzijde 69).

    Koplamp, dimlicht
    1.

    Verwijder de koplamp. Zie Een
    koplamp verwijderen (bladzijde 69).

    3
    2

    3

    2

    E72259

    E72260

    2. Draai de lamphouder linksom en
    verwijder deze.
    3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de
    lamphouder en draai de gloeilamp
    linksom. Verwijder de gloeilamp.

    2. Draai de lamphouder linksom en
    verwijder deze.
    3. Verwijder de gloeilamp.
    Bochtverlichting
    1.

    71

    Verwijder de koplamp. Zie Een
    koplamp verwijderen (bladzijde 69).



  • Page 74

    Verlichting
    Zijknipperlicht

    3
    2

    E72262

    2. Trek de multistekker los.
    3. Maak de klem los en verwijder de
    gloeilamp.

    E72263

    1.

    Verwijder voorzichtig het huis van het
    zijknipperlicht.

    Dagrijlichten
    N.B.: Deze items kunnen niet worden
    gerepareerd; raadpleeg a.u.b. uw dealer
    wanneer deze defect raken.

    E72291

    2. Verwijder de lamphouder.
    3. Verwijder de gloeilamp.

    Naderingslicht
    N.B.: Draai het spiegelglas zover mogelijk
    naar binnen.
    E126170

    72



  • Page 75

    Verlichting

    6
    5
    4
    3
    1
    2
    E72264

    1.

    E126440

    Steek een schroevendraaier in de
    spleet tussen het spiegelhuis en het
    spiegelglas maak de metalen klem los.

    2. Trek de multistekker los.
    N.B.: De gloeilamp van de mistlamp kan
    niet uit de lamphouder worden verwijderd.
    3. Draai de lamphouder van de mistlamp
    linksom en verwijder hem.
    4. Trek de multistekker los.
    5. Draai de lamphouder van het stadslicht
    linksom en verwijder hem.
    6. Verwijder de gloeilamp van het
    stadslicht.

    3
    2
    E72265

    2. Verwijder de lamp.
    3. Verwijder de gloeilamp.

    Mistlamp en stadslicht (S-MAX)
    1.

    Verwijder de koplamp voor toegang tot
    de mistlamp. Zie Een koplamp
    verwijderen (bladzijde 69).

    73



  • Page 76

    Verlichting
    Mistlamp en stadslicht (Galaxy)

    Achterlichten (S-MAX)
    Richtingaanwijzer en rem-/achterlicht

    4

    N.B.: Deze items kunnen niet worden
    gerepareerd; raadpleeg a.u.b. uw dealer
    wanneer deze defect raken.

    2

    3
    1

    E126274

    E126538

    Achteruitrijlamp, achterlicht en
    mistachterlicht

    1. Verwijder de schroef.
    2. Verwijder de lamp.
    3. Trek de stekker van de mistlamp los.
    N.B.: De gloeilamp van de mistlamp kan
    niet uit de lamphouder worden verwijderd.
    4. Draai de lamphouder van de mistlamp
    linksom en verwijder hem.

    5

    6
    E72271

    1.

    E72269

    5. Draai de lamphouder van het stadslicht
    linksom en verwijder hem.
    6. Verwijder de gloeilamp van het
    stadslicht.

    74

    Verwijder het bekledingspaneel.



  • Page 77

    Verlichting
    Achterlicht (Galaxy)
    Richtingaanwijzer en rem-/achterlicht

    E74076

    2. Verwijder de vleugelmoeren.
    3. Verwijder de lamp.
    4. Trek de multistekker los.
    E75380

    1.

    Verwijder het bekledingspaneel.

    E126303

    5. Verwijder de schroeven.
    6. Verwijder de lamphouder.
    7. Druk voorzichtig de gloeilamp in de
    lamphouder en draai de gloeilamp
    linksom. Verwijder de gloeilamp.

    E72791

    2. Verwijder de vleugelmoeren.

    75



  • Page 78

    Verlichting
    Achteruitrijlamp, achterlicht en
    mistachterlicht

    E72792

    3. Verwijder de lamp.
    4. Trek de multistekker los.

    E72794

    1.

    Verwijder het bekledingspaneel.

    E72793
    E72795

    N.B.: Sommige auto's zijn uitgerust met
    LED-achterlichten. Deze items kunnen niet
    worden gerepareerd; raadpleeg a.u.b. uw
    dealer wanneer deze defect raken.

    2. Verwijder de vleugelmoeren.
    3. Verwijder de lamp.
    4. Trek de multistekker los.

    5. Verwijder de schroef.
    6. Verwijder de lamphouder.
    7. Druk voorzichtig de gloeilamp in de
    lamphouder en draai de gloeilamp
    linksom. Verwijder de gloeilamp.

    E126393

    76



  • Page 79

    Verlichting
    5. Verwijder de schroef.
    6. Verwijder de lamphouder.
    7. Druk voorzichtig de gloeilamp in de
    lamphouder en draai de gloeilamp
    linksom. Verwijder de gloeilamp.

    Auto's zonder interieursensors

    3

    Derde remlicht
    N.B.: Deze items kunnen niet worden
    gerepareerd; raadpleeg a.u.b. uw dealer
    wanneer deze defect raken.

    2

    Kentekenplaatverlichting
    E72788

    2

    3

    1. Werk voorzichtig de lamp los.
    2. Verwijder het lampglas.
    3. Verwijder de gloeilamp.

    1

    Auto's met interieursensors

    3

    E72789

    1. Maak voorzichtig de klemveer los.
    2. Verwijder de lamp.
    3. Draai de lamp linksom en verwijder
    deze.

    Interieurverlichting

    2

    Auto's met LED-lampen
    N.B.: Deze items kunnen niet worden
    gerepareerd; raadpleeg a.u.b. uw dealer
    wanneer deze defect raken.

    E72787

    1. Werk voorzichtig de lamp los.
    2. Verwijder het lampglas.
    3. Verwijder de gloeilamp.

    77



  • Page 80

    Verlichting
    Leeslampen
    Auto's zonder interieursensors

    3

    3

    2

    E73939

    3

    3. Verwijder de gloeilamp.

    Verlichting make-up spiegel
    E72796

    1. Werk voorzichtig de lamp los.
    2. Verwijder het lampglas.
    3. Verwijder de gloeilamp.
    Auto's met interieursensors

    E72785

    1. Werk de lamp voorzichtig los.
    2. Verwijder de gloeilamp.

    1

    2

    2

    E72786

    1. Werk de lamp voorzichtig los.
    2. Draai de lamphouder linksom en
    verwijder deze.

    78



  • Page 81

    Verlichting
    Bagageruimtelamp en
    achterkleplamp

    1. Werk de lamp voorzichtig los.
    2. Verwijder de gloeilamp.

    E72784

    GLOEILAMPENTABEL
    Lamp

    Specificatie

    Vermogen (watt)

    Richtingaanwijzer, voor

    PY21W

    21

    Koplamp, grootlicht

    H1

    55

    Koplamp, dimlicht

    H7

    55

    Bochtverlichting

    H1

    55

    Zijknipperlicht

    W5W

    5

    Naderingslicht

    W5W

    5

    Mistlamp, vóór (S-MAX)

    H8

    35

    Mistlamp, vóór (Galaxy)

    HB4

    55

    Stadslicht

    W5W

    5

    Richtingaanwijzer, achter

    PY21W

    21

    Mistachterlicht

    P21W

    21

    Achteruitrijlamp

    P21W

    21

    Kentekenplaatverlichting

    W5W

    5

    Interieurverlichting

    Buislamp

    10

    79



  • Page 82

    Verlichting
    Lamp

    Specificatie

    Vermogen (watt)

    Leeslamp

    BA9s

    5

    Verlichting make-up spiegel

    W5W

    5

    Verlichting bagageruimte

    W6W

    6

    80



  • Page 83

    Ruiten en spiegels
    Schakelaar op het
    bestuurdersportier

    ELEKTRISCH BEDIENBARE
    RUITEN
    WAARSCHUWING
    Schakel de elektrisch bedienbare
    ruiten niet in tenzij deze vrij zijn van
    obstructies.
    N.B.: Wanneer de ruiten gedurende korte
    tijd vaak worden bediend kan het systeem
    een bepaalde tijd buiten werking treden om
    schade door oververhitting te voorkomen.

    E121510

    Met behulp van de schakelaars op het
    bestuurdersportier kunt u alle ruiten
    bedienen.

    N.B.: U kunt de ruiten nog enkele minuten
    na het afzetten van het contact bedienen.
    Zodra een portier wordt geopend wordt het
    mechanisme uitgeschakeld.

    Schakelaars op het voor- en
    achterportier aan passagierszijde

    N.B.: Wanneer u de schakelaar voor het
    betreffende portier en de schakelaar voor
    de ruit op het bestuurdersportier
    tegelijkertijd indrukt, stopt de ruit.
    Zet het contact aan om de elektrisch
    bedienbare ruiten te openen of te sluiten.

    Integraal openen en sluiten
    U kunt ook bij afgezet contact de elektrisch
    bedienbare ruiten bedienen met behulp
    van de functie integraal openen en sluiten.
    Zie Centrale vergrendeling (bladzijde
    44).

    E70849

    Ruiten automatisch openen en
    sluiten

    N.B.: Met deze functie worden, alleen bij
    uitvoeringen met vier elektrisch bedienbare
    ruiten, de ruiten automatisch geopend of
    gesloten.

    Druk de schakelaar tot de tweede aanslag
    in of til hem tot de tweede aanslag op en
    laat hem los. Druk de schakelaar opnieuw
    in of trek hem opnieuw omhoog om de
    beweging te stoppen.

    N.B.: Het integraal sluiten werkt alleen als
    het geheugen voor elke ruit afzonderlijk
    correct is ingesteld.

    81



  • Page 84

    Ruiten en spiegels
    Veiligheidsschakelaar voor de
    achterste ruiten

    Antiklemfunctie uitschakelen
    LET OP

    WAARSCHUWING

    Wanneer u de ruit voor de derde keer
    sluit, wordt de antiklemfunctie
    uitgeschakeld. Controleer of er geen
    obstakels in de weg zitten.

    Bij sommige auto's worden door
    drukken op de schakelaar tevens de
    achterportieren van binnenuit
    vergrendeld. Zie Kindersloten (bladzijde
    30).

    Om deze veiligheidsvoorziening uit te
    schakelen wanneer er meer weerstand is,
    bijvoorbeeld in de winter, gaat u als volgt
    te werk:

    N.B.: U kunt altijd de ruiten achterin vanaf
    het bestuurdersportier bedienen.

    1.

    Sluit de ruiten tweemaal tot aan de
    weerstand en laat deze terugschuiven.
    2. Sluit de ruit voor een derde keer tot
    deze weerstand ondervindt. De
    antiklemfunctie wordt uitgeschakeld
    en u kunt de ruit niet meer automatisch
    sluiten. De ruit zal de weerstand
    overbruggen en u kunt de ruit volledig
    sluiten.
    3. Sluit de ruit na de derde poging nog
    niet, laat deze dan controleren door
    een goed opgeleide monteur.

    E121511

    Met een schakelaar op het
    bestuurdersportier kan de elektrische
    bediening van de achterste ruiten worden
    geblokkeerd.

    Geheugen van de elektrisch
    bedienbare ruiten opnieuw
    instellen

    Het lampje in de schakelaar gaat branden
    en de lampjes in de schakelaars van de
    achterste ruiten gaan uit wanneer de
    blokkering is ingeschakeld.

    WAARSCHUWING
    De antiklemfunctie wordt buiten
    werking gesteld tot het geheugen
    opnieuw is ingesteld.

    Antiklemfunctie
    Nadat de accukabels zijn losgenomen
    moet het geheugen van elke ruit
    afzonderlijk opnieuw worden ingesteld:

    WAARSCHUWING
    Het onzorgvuldig sluiten van de
    ruiten kan deze beschermingsfunctie
    opheffen en verwonding tot gevolg
    hebben.

    1.

    Trek de schakelaar omhoog tot de ruit
    volledig is gesloten. Houd de
    schakelaar nog een seconde
    omhooggetrokken.
    2. Laat de schakelaar los en trek hem
    twee tot drie keer opnieuw een
    seconde lang omhoog.

    De ruit stopt automatisch tijdens het
    sluiten en gaat een stukje terug wanneer
    de ruit een obstakel tegenkomt.

    82



  • Page 85

    Ruiten en spiegels
    3. Open de ruit en probeer hem
    automatisch te sluiten.
    4. Herhaal de procedure wanneer de ruit
    niet automatisch sluit.

    ELEKTRISCH VERSTELBARE
    BUITENSPIEGELS

    Veiligheidsmodus
    WAARSCHUWING
    De antiklemfunctie werkt tijdens
    deze procedure niet.

    A

    Wanneer het systeem een storing vaststelt,
    treedt de veiligheidsmodus in werking. De
    ruiten bewegen per keer slechts 0,5
    seconde en stoppen opnieuw. Sluit de
    ruiten door de schakelaar opnieuw in te
    drukken wanneer deze stopt. Laat deze
    storing onmiddellijk controleren.

    C
    B

    E70846
    A

    Linker spiegel

    B

    Uit

    C

    Rechter spiegel

    Richtingen waarin de spiegel kan
    worden gekanteld

    BUITENSPIEGELS
    WAARSCHUWING
    Vergis u niet in de afstand van
    voorwerpen die u in deze
    groothoekspiegel ziet. Voorwerpen
    die u in deze spiegels ziet, zien er kleiner uit
    en lijken verder weg te zijn dan in
    werkelijkheid het geval is.

    E70847
    De elektrisch bedienbare buitenspiegels
    zijn voorzien van een verwarmingselement
    dat het spiegelglas ontdooit en
    ontwasemt. Zie Verwarmde ruiten en
    spiegels (bladzijde 128).

    Handmatig inklapbare spiegels
    Inklappen
    Druk de spiegel in de richting van de
    portierruit.

    Elektrisch inklapbare spiegels

    Uitklappen

    Automatisch inklappen en uitklappen

    Zorg ervoor dat de spiegel weer volledig
    wordt vergrendeld wanneer u deze weer
    in zijn oorspronkelijke stand terugzet.

    N.B.: Als de spiegels zijn ingeklapt met
    behulp van de toets handmatig inklappen,
    dan kunnen deze alleen worden uitgeklapt
    met behulp van de toets handmatig
    inklappen.

    83



  • Page 86

    Ruiten en spiegels
    De spiegels klappen automatisch uit
    wanneer u de auto vergrendelt met behulp
    van de sleutel, de afstandsbediening of
    een verzoek van de sleutelloze toegang.
    De spiegels klappen uit wanneer u de auto
    ontgrendelt met behulp van de sleutel, de
    afstandsbediening, een verzoek van de
    sleutelloze toegang, de binnenhandgreep
    van het bestuurdersportier of door de
    motor te starten.

    N.B.: Wanneer de spiegels gedurende korte
    tijd vaak worden bediend, kan het systeem
    tijdelijk buiten bedrijf zijn om schade door
    oververhitting te voorkomen.

    Spiegel kantelen tijdens
    achteruitrijden

    Handmatig inklappen en uitklappen

    Afhankelijk van de schakelaarstand (A of
    C), kantelt de betreffende buitenspiegel
    wanneer u de achteruit inschakelt, zodat
    u de trottoirband kunt zien.

    De elektrisch inklapbare spiegels werken
    bij aangezet contact.

    N.B.: U kunt deze voorziening uitschakelen
    door de schakelaar in stand B te zetten.

    N.B.: U kunt de spiegels nog gedurende
    enkele minuten na het afzetten van het
    contact bedienen (kantelen en inklappen).
    Zodra een portier wordt geopend wordt het
    mechanisme uitgeschakeld.

    De buitenspiegel keert in de oorspronkelijke
    stand terug:
    • Wanneer de rijsnelheid hoger is dan 10
    km/h (6 mph).
    • Ongeveer 10 seconden nadat de
    achteruit niet langer is ingeschakeld.
    • Als de schakelaar in stand B wordt
    teruggezet.
    Wanneer u deze voorziening voor het eerst
    gebruikt, kantelt de spiegel in een in de
    fabriek ingestelde stand. Deze stand kan
    worden aangepast via de volgende
    procedure:
    1.
    2.
    3.

    4.

    E72623

    Druk op de toets om de spiegel in of uit te
    klappen.

    5.

    Wanneer nogmaals op de schakelaar
    wordt gedrukt terwijl de spiegels in
    beweging zijn, stoppen deze en keren in de
    oorspronkelijke stand terug.

    Zet het contact aan. Start de motor
    niet.
    Selecteer de gewenste buitenspiegel
    (A of C).
    Schakel de achteruit in, de
    geselecteerde buitenspiegel keert in
    de vooringestelde stand.
    Stel de spiegel in de gewenste,
    gekantelde stand.
    Schakel de achteruitversnelling uit of
    druk op de gewenste
    geheugeninsteltoets en houd deze
    ingedrukt tot ter bevestiging een
    gongsignaal klinkt. Zie
    Geheugenfunctie (bladzijde 150).

    De instellingen worden automatisch
    opgeslagen.

    84



  • Page 87

    Ruiten en spiegels
    AUTOMATISCH DIMMENDE
    SPIEGEL

    2
    E71028
    De automatisch dimmende
    achteruitkijkspiegel voorkomt verblinding
    door achteropkomend verkeer. Bij
    ingeschakelde achteruitversnelling werkt
    hij niet.

    E95383

    Sluiten

    ACHTERSTE ZIJRUITEN
    Handbediende achterste zijruiten
    Openen

    1

    E95384

    1

    E72126

    85



  • Page 88

    Ruiten en spiegels
    MONITOR DODE HOEK
    Informatiesysteem dode hoek
    (BLIS)
    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem is niet ontworpen om
    contact met andere auto's of
    voorwerpen te voorkomen. Het
    systeem dient alleen als een
    waarschuwing om te helpen bij het
    registreren van auto's in blinde hoeken. Het
    systeem registreert geen voorwerpen,
    voetgangers, motorrijders of fietsers.

    2
    E95385

    Gebruik het systeem niet als
    vervanging van de zijspiegels en de
    achteruitkijkspiegels en het over de
    schouder kijken alvorens van rijstrook te
    veranderen. Het systeem is geen
    vervanging voor voorzichtig rijden en mag
    alleen worden gebruikt als hulpmiddel.

    N.B.: Zorg ervoor dat de hendel goed wordt
    vergrendeld.

    Elektrisch bedienbare achterste
    zijruiten
    Zet het contact aan om de elektrisch
    bedienbare achterste zijruiten te openen
    of te sluiten.

    Het systeem is een comfortfunctie die de
    bestuurder helpt bij het registreren van
    auto's die de blinde hoek zijn
    binnengereden (A). Het registratiegebied
    bevindt zich aan beide zijden van de auto
    en loopt vanaf de buitenspiegels tot
    ongeveer 3 meter achter de bumper. Het
    systeem geeft tijdens het rijden een
    waarschuwing af wanneer bepaalde auto's
    de blinde hoek binnenrijden.

    A
    E72127

    A
    E124788

    86



  • Page 89

    Ruiten en spiegels
    Gebruik van het systeem

    LET OP
    Breng geen voorwerpen zoals
    bumperstickers aan in dit gebied.

    Het systeem geeft een gele indicator weer
    die is aangebracht in de buitenspiegels.

    Reparaties aan deze gebieden met
    behulp van carrosserievulmiddel
    hebben een nadelige invloed op de
    prestaties van het systeem.

    E124736

    N.B.: Nadat het contact is aangezet
    branden beide indicatoren kort ter
    bevestiging dat het systeem operationeel
    is.
    N.B.: Bij auto's met automatische
    transmissie is het systeem alleen actief in
    stand S, D en N.

    E124741

    Het systeem is alleen actief vanaf
    rijsnelheden van 10 km/u. Het systeem
    wordt tijdelijke gedeactiveerd wanneer de
    achteruitrijversnelling wordt gekozen.

    Situaties waarin het naderingsalarm
    niet werkt
    Het kan voorkomen dat auto's die de
    blinde hoek binnenrijden en uitrijden niet
    worden geregistreerd.

    Systeemregistratie en waarschuwingen

    Gevallen waar dit kan voorkomen:
    • Vuilophoping op de
    achterbumperpanelen in het gebied
    van de sensoren.
    • Bepaalde manoeuvres van auto's die
    de blinde hoek binnenrijden en uitrijden.
    • Auto's die met hoge snelheid door de
    blinde hoek rijden.
    • Slechte weersomstandigheden.
    • Verschillende auto's die kort na elkaar
    door de blinde hoek rijden.

    Het systeem activeert de waarschuwing
    voor auto's die de blinde hoek binnenrijden
    vanaf de achterzijde of de zijkant. Voor
    auto's die worden ingehaald of auto's die
    de blinde hoek vanaf de voorzijde
    binnenrijden wordt de waarschuwing
    alleen geactiveerd wanneer de auto een
    korte periode in de blinde hoek blijft rijden.
    N.B.: Voor auto's die snel door de blinde
    hoek rijden (meestal minder dan 2
    seconden) wordt de waarschuwing niet
    geactiveerd.

    Valse waarschuwingen

    Het systeem bestaat uit twee
    radarsensoren die zijn aangebracht achter
    de achterwielen (weggewerkt achter de
    bumpers).

    N.B.: Valse waarschuwingen zijn tijdelijk en
    worden automatisch gecorrigeerd.

    87



  • Page 90

    Ruiten en spiegels
    Het kan voorkomen dat het systeem een
    waarschuwing afgeeft wanneer er geen
    auto in de blinde hoek aanwezig is.

    Geblokkeerde sensor

    Gevallen waar dit kan voorkomen:
    • Vangrails.
    • Betonmuren bij de snelweg.
    • Gebieden in aanleg.
    • Scherpe bochten rond een gebouw.
    • Struiken en bomen.
    • Fietsers en motorrijders.
    • Stoppen met een auto erachter en erg
    dichtbij.

    Voordat het systeem een blokkering
    heeft geregistreerd en een
    waarschuwing afgeeft, neemt het
    aantal gemiste voorwerpen toe.

    WAARSCHUWING

    LET OP
    Bij zware regenval of andere
    omstandigheden waardoor
    verstorende reflecties ontstaan is het
    mogelijk dat de sensoren bepaalde auto's
    niet 'zien'.

    Systeem in- en uitschakelen
    N.B.: Houd de achterbumper in het gebied
    van de sensoren vrij van vuil, ijs en sneeuw.

    N.B.: De stand aan of uit blijft behouden
    tot deze handmatig wordt gewijzigd.

    Als een sensor geblokkeerd raakt, kunnen
    de prestaties van het systeem afnemen.
    Een bericht m.b.t. een geblokkeerde sensor
    kan worden weergegeven.

    Het systeem kan worden in- en
    uitgeschakeld met behulp van de
    informatiedisplay. Zie Infodisplays
    (bladzijde 96).

    Het systeem keert automatisch terug naar
    de normale werking nadat twee andere
    voertuigen aan beide zijden zijn
    geregistreerd.

    Er worden geen meldingen ontvangen
    nadat het systeem is uitgeschakeld. De
    BLIS-controlelamp gaat branden. Zie
    Waarschuwings- en indicatielampen
    (bladzijde 92).

    Valse waarschuwing trekhaak

    Registratiefouten

    LET OP
    Auto's met een trekhaakmodule die
    niet door ons is goedgekeurd kunnen
    wellicht niet correct worden
    geregistreerd. Schakel het systeem uit om
    valse waarschuwingen te voorkomen. Zie
    Infodisplays (bladzijde 96).

    N.B.: De waarschuwingsindicator in de
    spiegel brandt niet.
    Als het systeem een storing bij een sensor
    heeft geregistreerd, gaat het
    waarschuwingssymbool van het systeem
    branden en dooft niet. De
    informatiedisplay bevestigt de storing en
    geeft aan of de linker- of rechterzijde is
    betroffen.

    88



  • Page 91

    Ruiten en spiegels
    Als de auto is uitgerust met een
    trekhaakmodule die door ons is
    goedgekeurd, registreert het systeem een
    aangesloten aanhangwagen en wordt
    gedeactiveerd. Op de informatiedisplay
    verschijnt ter bevestiging een mededeling.
    Zie Infoberichten (bladzijde 109). De
    BLIS-controlelamp gaat branden. Zie
    Waarschuwings- en indicatielampen
    (bladzijde 92).

    89



  • Page 92

    Instrumentenpaneel
    METERS
    Type 1 en 2

    A

    B

    C

    E72984
    A

    Toerenteller

    B

    Koelvloeistoftemperatuurmeter

    C

    Brandstofmeter

    D

    Snelheidsmeter

    90

    D



  • Page 93

    Instrumentenpaneel
    Type 3

    A

    B

    D

    E

    C

    E130765

    A

    Toerenteller

    B

    Snelheidsmeter

    C

    Koelvloeistoftemperatuurmeter

    D

    Brandstofmeter

    E

    Informatiecentrum. Zie Infodisplays (bladzijde 96).
    LET OP

    Koelvloeistoftemperatuurmeter

    Start de motor niet voordat de
    oorzaak voor de oververhitting is
    verholpen.

    N.B.: Bij type 3 wordt deze meter
    weergegeven binnen het berichtencentrum;
    echter alleen wanneer dit nodig is. Zie
    Infodisplays (bladzijde 96).

    Wanneer de naald in de richting van 120°C
    beweegt, is de motor oververhit. Schakel
    de motor uit, schakel het contact uit en stel
    de oorzaak vast zodra de motor is
    afgekoeld. Zie Motorkoelvloeistof
    controleren (bladzijde 255).

    Geeft de temperatuur van de koelvloeistof
    aan. Bij normale bedrijfstemperatuur blijft
    de naald in het centrale gedeelte.

    91



  • Page 94

    Instrumentenpaneel
    Brandstofmeter

    Waarschuwingslampje airbag

    N.B.: Bij type 3 wordt deze meter
    weergegeven in het berichtencentrum.

    Als dit lampje brandt onder het
    rijden, dan duidt dit op een
    storing. Laat het systeem door
    een goed opgeleide monteur controleren.

    De pijl naast het symbool van de pomp
    duidt aan aan welke zijde zich de klep van
    de brandstofvulopening bevindt.

    Indicator dodehoekmonitor

    WAARSCHUWINGS- EN
    INDICATIELAMPEN

    Deze brandt wanneer deze
    functie wordt uitgeschakeld of
    E124823
    in combinatie met een bericht.
    Zie Monitor dode hoek (bladzijde 86).
    Zie Infoberichten (bladzijde 109).

    Nadat het contact is aangezet gaan de
    volgende waarschuwings- en
    controlelampen kort branden ter
    bevestiging dat het systeem operationeel
    is:
    • ABS
    • Airbag
    • Dodehoekmonitor
    • Remsysteem
    • Koelvloeistoftemperatuur
    • Elektrische parkeerrem (EPB)
    • Motor
    • Vorst
    • Contact
    • Oliedruk
    • Stabiliteitsregeling (ESP)

    Lamp remsysteem
    De lamp gaat branden wanneer
    de parkeerrem wordt
    ingeschakeld.
    WAARSCHUWING
    Verlaag geleidelijk uw snelheid en
    breng de auto tot stilstand zodra dit
    veilig kan. Gebruik de remmen
    voorzichtig.
    Als de lamp tijdens het rijden gaat branden,
    controleer dan of de parkeerrem niet is
    ingeschakeld. Als de parkeerrem niet is
    ingeschakeld, dan is er een storing
    aanwezig. Laat het systeem onmiddellijk
    door een goed opgeleide monteur
    controleren.

    Indien een van deze waarschuwings- of
    controlelampjes niet gaat branden
    wanneer het contact wordt ingeschakeld,
    duidt dit op een storing. Laat het systeem
    door een goed opgeleide monteur
    controleren.

    Waarschuwingslamp
    koelvloeistoftemperatuur
    LET OP

    Waarschuwingslampje ABS

    Hervat uw reis niet wanneer het
    controlelampje gaat branden terwijl
    het peil correct is. Laat het systeem
    onmiddellijk door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    Als dit lampje brandt onder het
    rijden, dan duidt dit op een
    storing. De normale remwerking
    blijft gehandhaafd (zonder ABS). Laat het
    systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    92



  • Page 95

    Instrumentenpaneel
    Controlelampje Forward Alert

    Wanneer de lamp na het starten
    blijft branden of oplicht tijdens
    het rijden, dan duidt dit op een
    storing. Breng de auto tot stilstand zodra
    dit veilig kan en schakel de motor uit.
    Controleer het koelvloeistofpeil. Zie
    Motorkoelvloeistof controleren
    (bladzijde 255).

    Dit brandt wanneer deze functie
    wordt uitgeschakeld. Zie
    E124824
    Functie
    voorgangerwaarschuwing (forward
    alert) (bladzijde 196).

    Controlelampje mistlampen, vóór
    Richtingaanwijzers

    Brandt wanneer u de
    mistlampen vóór inschakelt.

    Knippert tijdens werking. Een
    plotselinge toename van de
    knipperfrequentie duidt op een
    defecte gloeilamp. Zie Gloeilampen
    vervangen (bladzijde 70).

    Controlelamp 'Vorst'
    WAARSCHUWING
    Zelfs wanneer de temperatuur tot
    boven +4 ºC stijgt, is dit nog geen
    garantie dat de weg vrij is van
    gevaren die door plotselinge
    weersveranderingen kunnen ontstaan.

    Waarschuwingslampje motor
    Wanneer de lamp bij draaiende
    motor brandt, duidt dit op een
    storing. Wanneer deze tijdens
    het rijden knippert, minder dan
    onmiddellijk snelheid. Blijft het lampje
    knipperen, vermijd dan snel accelereren en
    krachtig afremmen. Laat het systeem
    onmiddellijk door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    Brandt oranje bij een
    buitenluchttemperatuur tussen
    4ºC en 0ºC. Brandt rood
    wanneer de temperatuur lager is dan 0ºC.

    Controlelampje voorgloeibougies

    LET OP
    Als het waarschuwingslampje motor
    brandt vergezeld van een bericht, dan
    moet het systeem zo snel mogelijk
    worden gecontroleerd.

    Zie Een dieselmotor starten
    (bladzijde 158).

    Controlelampje koplampen
    Controlelamp elektrische
    parkeerrem (EPB)

    Brandt wanneer u het dimlicht
    of de stadslichten en
    achterlichten inschakelt.

    Brandt wanneer een
    EPB-waarschuwingsbericht op
    het informatiedisplay verschijnt.
    Zie Elektronische parkeerrem (bladzijde
    175).

    Waarschuwingslampje laadstroom
    Als dit lampje brandt onder het
    rijden, dan duidt dit op een
    storing. Schakel alle onnodige
    stroomverbruikers uit. Laat het systeem
    onmiddellijk door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    93



  • Page 96

    Instrumentenpaneel
    Waarschuwing voor verlaten
    rijstrook (lane departure)

    Controlelampje mistachterlicht
    Brandt wanneer u de
    mistachterlichten inschakelt.

    Deze brandt wanneer deze
    functie wordt uitgeschakeld of
    in combinatie met een bericht.
    Het controlelampje dooft wanneer u het
    systeem weer inschakelt of wanneer u het
    contact uitschakelt. Zie Waarschuwing
    rijden buiten baan (bladzijde 202). Zie
    Infoberichten (bladzijde 109).

    Herinneringssysteem
    veiligheidsgordel

    Waarschuwingslampje laag
    brandstofniveau

    Controlelampje schakelen

    Zie Waarschuwingssignaal
    veiligheidsgordel (bladzijde
    36).

    Het controlelampje brandt om
    aan te geven dat schakelen naar
    een hogere versnelling zuiniger
    is en voor een lagere CO2-uitstoot zorgt.
    Het controlelampje brandt niet tijdens
    perioden van hoge acceleratie, remmen of
    intrappen van het koppelingspedaal.

    Wanneer deze lamp brandt, ga
    dan zo spoedig mogelijk tanken.

    Controlelamp grootlicht
    Brandt wanneer u het grootlicht
    inschakelt. Het knippert wanneer
    u een lichtsignaal geeft.

    Waarschuwingslampje
    stabiliteitsregeling (ESP)

    Berichtenindicator

    LET OP

    Wanneer het systeem tijdens het
    rijden wordt geactiveerd,
    knippert de lamp. Als na het
    inschakelen van het contact dit lampje niet
    brandt of indien het tijdens het rijden
    continu brandt, dan duidt dit op een
    storing. Bij storingen schakelt het systeem
    uit. Laat het systeem zo snel mogelijk door
    een goed opgeleide monteur controleren.

    Hervat uw reis niet wanneer het
    waarschuwingslampje oliedruk gaat
    branden terwijl het oliepeil correct is.
    Laat het systeem onmiddellijk door een
    goed opgeleide monteur controleren.

    Wanneer u het ESP uitschakelt, gaat het
    waarschuwingslampje branden. Het
    lampje gaat uit wanneer u het systeem
    weer inschakelt of wanneer u het contact
    uitschakelt.

    Brandt wanneer een nieuw
    bericht in het informatiedisplay
    is opgeslagen. Zie
    Infoberichten (bladzijde 109).

    Controlelamp oliedruk

    Wanneer de lamp na het starten
    blijft branden of tijdens het rijden
    gaat branden, duidt dit op een
    storing. Breng de auto tot stilstand zodra
    dit veilig kan en schakel de motor uit.
    Controleer het motoroliepeil. Zie
    Motorolie controleren (bladzijde 255).

    94



  • Page 97

    Instrumentenpaneel
    Start/stop-indicatielamp

    4. Selecteer de gong en druk op de OK
    toets om de gong in en uit te schakelen.
    5. Druk op de linker pijltoets om het menu
    te verlaten. Houd de linker pijltoets
    ingedrukt om terug te keren naar de
    weergave van het hoofdmenu.

    Deze lamp brandt om u te
    informeren over wanneer de
    motor wordt uitgeschakeld of in
    combinatie met een bericht. Zie
    Start/stop knop gebruiken (bladzijde
    160). Zie Infoberichten (bladzijde 109).

    AKOESTISCHE
    WAARSCHUWINGSSIGNALEN
    EN -INDICATIES
    De gongsignalen in- en
    uitschakelen
    Bepaalde gongsignalen kunt u
    uitschakelen.
    Type gong instellen:

    E70499

    1.

    Druk op de rechter pijltoets op het
    stuurwiel om het hoofdmenu binnen
    te gaan.
    2. Selecteer Setup met de op en neer
    pijltoetsen en druk op de rechter
    pijltoets.
    3. Selecteer Chimes en druk op de
    rechter pijltoets.

    95



  • Page 98

    Infodisplays
    Druk op de op en neer pijltjestoetsen:

    ALGEMENE INFORMATIE


    WAARSCHUWING


    Bedien de toetsen van het
    informatiedisplay niet tijdens het
    rijden.

    om door de displays van de
    boordcomputer te scrollen
    om door de opties van een menu te
    scrollen en deze te selecteren.

    Druk op de rechter pijltjestoets:


    N.B.: Het informatiedisplay blijft nadat u
    het contact hebt afgezet gedurende enkele
    minuten aan.



    Diverse systemen van uw wagen kunnen
    met behulp van de toetsen op het
    stuurwiel worden bediend. De bijbehorende
    informatie verschijnt op het
    informatiedisplay.

    om het hoofdmenu binnen te gaan
    vanuit de displays van de
    boordcomputer
    om een sub-menu binnen te gaan

    Druk op de linker pijltjestoets om een
    menu te verlaten.
    Houd telkens de linker pijltjestoets
    ingedrukt wanneer u naar het hoofdmenu
    wilt terugkeren (escape toets).

    Raadpleeg voor gedetailleerde
    bedieningsinstructies voor de
    audio-installatie, het navigatiesysteem, de
    telefoon enz. de betreffende handleiding.

    N.B.: Wanneer u enige tijd op geen enkele
    toets drukt, keert het systeem automatisch
    terug naar het display van de
    boordcomputer.

    Bedieningstoetsen

    Druk op de OK toets om een keuze te
    maken en een instelling te bevestigen.

    E70499

    Functies van de instrumentengroep
    Functie

    Type 1

    Type 2

    Type 3

    Boordcomputer

    X

    X

    X

    Informatieberichten

    X

    X

    X

    Klok gelijkzetten

    X

    X

    X

    Display-instellingen

    -

    X

    X

    96



  • Page 99

    Infodisplays
    Functie

    Type 1

    Type 2

    Type 3

    Standkachel instellen

    -

    X

    X

    Bediening navigatiesysteem

    -

    -

    X

    Bediening CD-speler

    -

    -

    X

    Bediening CD-wisselaar

    -

    -

    X

    Bediening radio

    -

    -

    X

    Bediening telefoon

    -

    -

    X

    Bediening auxiliary aansluiting

    -

    -

    X

    Druk op de op en neer pijltjestoetsen op
    het stuurwiel om door de displays van de
    boordcomputer te scrollen. Zie
    Tripcomputer (bladzijde 105).

    Type 1

    E80604

    97



  • Page 100

    Infodisplays
    Menustructuur

    BLIS
    ECO MODE

    Schakelen
    Anticiperen
    Snelheid
    voor nadere info

    Reset afst.

    Gereden afst
    Gem.verbruik
    Gem.snelheid
    Alle waarden

    Informatie
    Klok
    E131626

    Berichten
    Auto StartStop
    Stel klok in
    24/h-modus
    12/h-modus
    Druk op de op en neer pijltjestoetsen op
    het stuurwiel om door de displays van de
    boordcomputer te scrollen. Zie
    Tripcomputer (bladzijde 105).

    Type 2

    09:00

    Gem.Verbruik
    l
    6,3 100km
    123456 km
    234,2 km
    E74426

    98



  • Page 101

    Infodisplays
    Menustructuur

    ESP
    BLIS
    ECO MODE

    Schakelen
    Anticiperen
    Snelheid
    voor nadere info
    Dagteller
    Gem.Verbruik
    Gem.Snelheid
    Alle
    Meldingen
    Auto StartStop
    Band.spann.
    Stel klok in
    24/h-modus
    12/h-modus
    Scherm
    Configureren

    Reset afst.

    Informatie

    Tijd

    Instellingen

    Talen

    Maateenheid

    A

    B

    E131627

    99

    Help-scherm
    Radioinfo
    Telefooninfo
    NAV-info
    Altijd uit
    Bij aanw.
    Altijd aan
    English
    Deutsch
    Italiano
    Français
    Español
    Türkçe
    Pyccкий
    Nederlands
    Polski
    Svenska
    Português
    Metrisch
    Engelse conversie



  • Page 102

    Infodisplays

    A

    B
    Geluiden

    WeinigBrndst
    Alg. Info.
    Alg. waarsch.
    Uitstaplicht

    Forw Alert

    Laag
    Normaal
    Hoog
    Uit

    Hellingstart

    Uit
    Automatisch
    Handmatig

    Band.spann.

    Alarm

    Hulpverwarm.

    Controleer
    Onbeladen
    Beladen
    Voll. alarm
    Gereduceerd
    Vragen
    Tijd 1

    Instellen
    Maandag
    Dinsdag
    Woensdag
    Donderdag
    Vrijdag
    Zaterdag
    Zondag

    Tijd 2

    Instellen
    Maandag
    Dinsdag
    Woensdag
    Donderdag
    Vrijdag
    Zaterdag
    Zondag

    Parkeerverw

    E87753

    Eenmalig
    Nu actief

    100



  • Page 103

    Infodisplays
    Type 3

    CD-speler

    CD-wisselaar

    Radio

    Telefoon
    E88048

    Boordcomputer

    Scroll met de toetsen door de
    menudisplays.
    Instellingen

    Lijst met componenten
    De geselecteerde icoon geeft het menu
    weer dat in gebruik is.

    Externe (auxiliary) ingang

    Navigatie

    101



  • Page 104

    Infodisplays
    Menustructuur

    Navigatie

    Naar huis
    Favor.Gebruik.
    Favor. A-Z
    Laatste best.
    Beg.beëind.

    Bestemmingen
    Bestemmingen
    Bestemmingen

    CD

    Map / Tracks

    CD-wisselaar

    CD 1
    CD 2
    CD 3
    CD 4
    CD 5
    CD 6

    Map / Tracks
    Map / Tracks
    Map / Tracks
    Map / Tracks
    Map / Tracks
    Map / Tracks

    de radio

    Lijst zenders
    FM 1 / FM
    FM 2
    FM 3
    FM - AST
    MW / AM
    LW / AM-AST

    Zenders
    Zenders
    Zenders
    Zenders
    Zenders
    Zenders
    Zenders

    Telefoon

    Nummers
    Telefoonboek
    Nummerherhaling
    Ontvang. oproep. Nummers
    Nummers
    Gebelde numm.
    Status verbinding

    Boordcomputer

    Actieradius
    Ø-verbruik
    Ø-snelheid
    Act.elem.terugstell.
    Dagteller terugstellen

    A
    E131628

    102



  • Page 105

    Infodisplays
    A
    Instellingen

    ESP
    BLIS
    ECOMODE

    Schakelen
    Anticiperen
    Snelheid
    Nadere info
    Meldingen
    Driver alert
    Auto StartStop
    Band.spann.
    Koelvloeistoftemp.

    Informatie

    Stel klok in
    24-uurs
    12-uursmodus
    Driver alert
    Kleurthema's
    Scherm
    Configureren
    Help-scherm
    NAV-info
    Altijd uit
    Bij aanw.
    Altijd aan
    Taalgegevens voor

    Tijd

    Instellingen

    English
    Deutsch
    Italiano
    Français
    Español
    Türkçe
    Pyccкий
    Nederlands
    Polski
    Svenska
    Português

    A

    B

    Maateenheid

    C

    Metrisch
    Engelse conversie

    E131629

    103



  • Page 106

    Infodisplays

    C
    Geluiden

    WeinigBrndst
    Alg. Info.
    Alg. waarsch.
    Uitstaplicht

    Forw Alert

    Laag
    Normaal
    Hoog
    Automatisch

    LDWA

    Gevoeligheid

    Normaal
    Hoog

    Intensiteit

    Hoog
    Normaal
    Laag

    Auto gr. licht

    Aan
    Gevoeligheid

    Hellingstart

    Automatisch
    Automatisch
    Handmatig

    Band.spann.

    Controleer
    Onbeladen
    Beladen

    Alarminstallatie

    Voll. alarm
    Gereduceerd
    Vragen

    Hulpverwarm.
    E131630

    104

    Hoog
    Normaal
    Laag



  • Page 107

    Infodisplays
    A

    B
    Parkeerverw.

    Tijd 1

    Instellen
    Maandag
    Dinsdag
    Woensdag
    Donderdag
    Vrijdag
    Zaterdag
    Zondag

    Tijd 2

    Instellen
    Maandag
    Dinsdag
    Woensdag
    Donderdag
    Vrijdag
    Zaterdag
    Zondag

    Eenmalig
    Nu actief
    E88067

    Aux-ingang
    Gemiddeld brandstofverbruik

    TRIPCOMPUTER
    Kilometerteller

    Geeft het gemiddelde brandstofverbruik
    aan vanaf het moment dat de functie op
    nul werd teruggesteld.

    De kilometerteller geeft het totale aantal
    gereden kilometers weer.

    Gemiddelde snelheid

    Dagteller

    Geeft de berekende gemiddelde snelheid
    aan vanaf het moment dat de functie op
    nul werd teruggesteld.

    De dagteller registreert het aantal
    kilometers van een bepaald traject.

    Buitentemperatuur

    Actieradius tot de brandstoftank
    leeg is

    Geeft de buitentemperatuur weer.

    Duidt bij benadering de afstand aan die
    nog kan worden afgelegd voordat de tank
    leeg is. De waarde kan variëren naarmate
    de rijomstandigheden veranderen.

    105



  • Page 108

    Infodisplays
    Type 1 en 2

    Boordcomputer terugstellen met
    behulp van het hoofdmenu
    Een bepaald display terugstellen:

    10:20

    Gem.Verbruik
    l
    6,3 100km

    1.

    2.

    A

    3.

    123456 km

    B

    234,2 km

    C

    4.
    5.

    E74428

    Druk op de rechter pijltjestoets op het
    stuurwiel om het hoofdmenu binnen
    te gaan.
    Selecteer Reset teller met de op en
    neer pijltjestoetsen en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer de functie die moet worden
    teruggesteld.
    Druk op de rechter pijltjestoets om de
    functie te selecteren.
    Houd de OK toets ingedrukt.

    Selecteer, om alle drie displays terug te
    stellen Alle waarden en houd de OK toets
    ingedrukt.

    A. Boordcomputer
    B. Kilometerteller
    C. Dagteller

    Type 3

    De boordcomputer beschikt over de
    volgende informatiedisplays:

    Gem.Verbruik
    Gem.Snelheid
    Outside air
    A
    E88049

    Reset afst

    A

    Afstand

    Boordcomputer

    Druk op de toets OK op het stuur om door
    de verschillende displays van de
    boordcomputer te navigeren. Houd de
    toets OK ingedrukt om een waarde te
    resetten.

    E74441
    Druk op de op en neer pijltjestoetsen op
    het stuurwiel om door de displays van de
    boordcomputer te scrollen.

    Boordcomputer terugstellen met
    behulp van het hoofdmenu

    N.B.: De positie van het display van de
    boordcomputer kan variëren afhankelijk van
    de getoonde informatie.

    Een bepaald display terugstellen:

    106



  • Page 109

    Infodisplays
    1.

    Selecteer Boordcomputer met de op
    en neer pijltjestoetsen en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    2. Selecteer de functie die moet worden
    teruggesteld.
    3. Houd de OK toets ingedrukt.

    6. Druk op de linker pijltjestoets om het
    menu te verlaten. Houd de linker
    pijltjestoets ingedrukt om naar het
    scherm van de boordcomputer terug
    te keren.
    Type 3
    1.

    PERSOONLIJKE
    INSTELLINGEN

    2.
    De volgende informatie wordt op het
    informatiedisplay getoond wanneer u dit
    hebt geselecteerd:

    3.

    Helpscherm, informatie met
    betrekking tot de radio, het
    navigatiesysteem en de telefoon.

    4.
    5.

    Het helpscherm verschijnt enkele
    seconden wanneer u het contact aan zet.
    Wanneer de radio, het navigatiesysteem
    of de telefoon is ingeschakeld, verschijnt
    informatie over dit systeem op het
    informatiedisplay.

    Navigatie-informatie
    U kunt ook kiezen op welk moment de
    navigatie-informatie op het
    informatiedisplay verschijnt. Er zijn drie
    mogelijkheden:

    Zo selecteert u welke informatie op het
    informatiedisplay verschijnt:
    Type 1 en 2
    1.

    2.

    3.
    4.
    5.

    Selecteer Settings met de op en neer
    pijltjestoetsen en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    Selecteer Setup met de op en neer
    pijltjestoetsen en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    Selecteer Display en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer Configure en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Om het Helpscherm en NAV Info in
    of uit te schakelen, kiest u de gewenste
    instelling en drukt u op de OK toets om
    de instelling te bevestigen.



    Druk op de rechter pijltjestoets op het
    stuurwiel om het hoofdmenu binnen
    te gaan.
    Selecteer Setup met de op en neer
    pijltjestoetsen en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    Selecteer Display en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer Configure en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Om het Helpscherm, Radio Info en
    Phone Info in of uit te schakelen, kiest
    u de gewenste instelling en drukt u op
    de OK toets om de instelling te
    bevestigen.





    Altijd uit: Er verschijnt geen
    navigatie-informatie op het
    informatiedisplay.
    On guidance: De navigatie-informatie
    verschijnt alleen wanneer het
    navigatiesysteem een instructie wil
    doorgeven. Deze functie is alleen bij
    enkele navigatiesystemen beschikbaar.
    Altijd aan: Navigatie-informatie
    verschijnt altijd op het
    informatiedisplay wanneer het
    navigatiesysteem is ingeschakeld.

    Instelling wanneer navigatie-informatie
    moet worden weergegeven:

    107



  • Page 110

    Infodisplays
    Type 1 en 2
    1.

    2.

    3.
    4.
    5.
    6.

    7.

    Engels, Duits, Italiaans, Frans, Spaans,
    Turks, Russisch, Nederlands, Pools,
    Zweeds en Portugees.

    Druk op de rechter pijltjestoets op het
    stuurwiel om het hoofdmenu binnen
    te gaan.
    Selecteer Setup met de op en neer
    pijltjestoetsen en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    Selecteer Display en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer Configure en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer Nav Info en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer de gewenste instelling en
    druk op de OK toets om de instelling
    te bevestigen.
    Druk op de linker pijltjestoets om het
    menu te verlaten. Houd de linker
    pijltjestoets ingedrukt om naar het
    scherm van de boordcomputer terug
    te keren.

    Type 1 en 2
    1.

    2.

    3.
    4.
    5.

    6.

    Type 3
    1.

    2.

    3.
    4.
    5.
    6.

    Druk op de rechter pijltjestoets op het
    stuurwiel om het hoofdmenu binnen
    te gaan.
    Selecteer Setup met de op en neer
    pijltjestoetsen en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    Selecteer Display en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    SelecteerLanguage en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer de gewenste instelling en
    druk op de OK toets om de instelling
    te bevestigen.
    Druk op de linker pijltjestoets om het
    menu te verlaten. Houd de linker
    pijltjestoets ingedrukt om naar het
    scherm van de boordcomputer terug
    te keren.

    Type 3

    Selecteer Settings met de op en neer
    pijltjestoetsen en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    Selecteer Setup met de op en neer
    pijltjestoetsen en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    Selecteer Display en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer Configure en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer Nav Info en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer de gewenste instelling en
    druk op de OK toets om de instelling
    te bevestigen.

    1.

    2.

    3.
    4.
    5.

    Selecteer Settings met de op en neer
    pijltjestoetsen en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    Selecteer Setup met de op en neer
    pijltjestoetsen en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    Selecteer Display en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    SelecteerLanguage en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer de gewenste instelling en
    druk op de OK toets om de instelling
    te bevestigen.

    Maateenheden

    Taal

    N.B.: De buitentemperatuur wordt alleen
    in graden Celsius weergegeven en kan niet
    op Fahrenheit worden ingesteld.

    Er kan uit elf talen worden gekozen:

    108



  • Page 111

    Infodisplays
    Metrische of Engelse eenheden kiezen:

    INFOBERICHTEN

    Type 1 en 2
    1.

    2.

    3.
    4.
    5.

    6.

    Druk op de rechter pijltjestoets op het
    stuurwiel om het hoofdmenu binnen
    te gaan.
    Selecteer Setup met de op en neer
    pijltjestoetsen en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    Selecteer Display en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer Measure Unit en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer de gewenste instelling en
    druk op de OK toets om de instelling
    te bevestigen.
    Druk op de linker pijltjestoets om naar
    het menu terug te keren. Houd de linker
    pijltjestoets ingedrukt om naar het
    scherm van de boordcomputer terug
    te keren.

    E70499

    Druk op OK om te bevestigen en om enkele
    berichten van het informatiedisplay te
    verwijderen. Andere berichten worden na
    korte tijd automatisch verwijderd.
    Bij instrumentengroep 3 moeten enkele
    berichten worden bevestigd voordat u de
    menu's kunt binnengaan.

    Berichtenindicator

    Type 3
    1.

    2.

    3.
    4.
    5.

    De berichtenindicator licht op
    om bepaalde berichten aan te
    vullen. Afhankelijk van de ernst
    van het bericht is de indicator rood of
    oranje en blijft deze branden totdat de
    oorzaak van het bericht is verholpen.

    Selecteer Settings met de op en neer
    pijltjestoetsen en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    Selecteer Setup met de op en neer
    pijltjestoetsen en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    Selecteer Display en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer Measure Unit en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer de gewenste instelling en
    druk op de OK toets om de instelling
    te bevestigen.

    Berichtsymbolen
    Zie het instructieboekje.

    Laat het systeem bij de volgende
    onderhoudsbeurt controleren.
    Laat het systeem zo snel
    mogelijk controleren.
    Breng de auto tot stilstand zodra
    dit veilig kan.

    109



  • Page 112

    Infodisplays
    Actuele berichten bekijken

    Type 3

    Type 1 en 2

    1.

    1.

    Druk op de rechter pijltjestoets op het
    stuurwiel om het hoofdmenu binnen
    te gaan.
    2. Selecteer Informatie met de op- en
    neer-pijltjestoetsen en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    3. Selecteer Berichten en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    4. Bekijk de actuele berichten m.b.v. de
    op- en neer-pijltjestoetsen.

    2.

    3.

    4.
    5.

    Druk op de rechter pijltjestoets op het
    stuurwiel om het hoofdmenu binnen
    te gaan.
    Selecteer Instellingen met de op- en
    neer-pijltjestoetsen en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer Informatie met de op- en
    neer-pijltjestoetsen en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer Berichten en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Bekijk de actuele berichten m.b.v. de
    op- en neer-pijltjestoetsen.

    Actief veersysteem
    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    IVDC storing

    oranje

    IVDC Comfort

    -

    Zie Actieve schokdemperregeling (bladzijde
    183).

    IVDC Normaal

    -

    Zie Actieve schokdemperregeling (bladzijde
    183).

    IVDC Sport

    -

    Zie Actieve schokdemperregeling (bladzijde
    183).

    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    Airbag Storing

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    Laat het systeem door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    Airbag

    110



  • Page 113

    Infodisplays
    Alarmsignaal
    Bericht

    Controlelampje

    Alarm in werking
    gezet

    oranje

    Alarmsysteem:
    Onderh. nodig

    -

    Te verrichten handeling

    Zie Alarm (bladzijde 50).
    Laat het systeem door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    Automatische grootlichtregeling, waarschuwingssysteem verlaten
    rijstrook en waarschuwingssysteem bestuurder
    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    Bestuurder moe
    Rusten nu!

    rood

    Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en
    pauzeer.

    Frontcamera
    Ruit schoonm.

    oranje

    De sensor van de frontcamera heeft verminderd
    zicht. Reinig de voorruit.

    Frontcamera
    storing

    oranje

    De sensor van de frontcamera heeft een storing.
    Laat dit zo snel mogelijk controleren.

    Frontcamera
    niet beschikb.

    oranje

    De betrokken systemen zijn tijdelijk niet beschikbaar, en zullen hun taak na enkele minuten weer
    hervatten.

    Bestuurder moe
    Advies: rust

    oranje

    Neem gauw een pauze.

    Lane departure
    waarsch. storing

    oranje

    Het systeem heeft niet correct gewerkt. Laat dit
    zo snel mogelijk controleren.

    Accu en laadsysteem
    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    Overspanning: Ga
    stoppen!

    rood

    Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en
    schakel het contact uit. Laat het systeem zo snel
    mogelijk door een goed opgeleide monteur
    controleren.

    Lage accuspanning

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    111



  • Page 114

    Infodisplays
    Dodehoekmonitor
    Bericht

    Controlelampje

    BLIS sensor
    geblokk.

    Te verrichten handeling

    oranje

    Zie Monitor dode hoek (bladzijde 86).

    BLIS: storing rechter
    sensor

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    BLIS: storing linker
    sensor

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    BLIS storing

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    BLIS inactief door
    aanhanger

    oranje

    Zie Monitor dode hoek (bladzijde 86).

    Elektrisch bediend kinderslot
    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    El. kinderslot
    Storing

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    Aux. Heater on

    oranje

    Klimaatregeling

    Zie Extra verwarming (bladzijde 128).

    Cruise control en adaptieve cruise control (ACC)
    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    ACC storing

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    Maak radarsensor
    schoon

    oranje

    Zie Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    (bladzijde 191).

    Forward Alert
    storing

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    112



  • Page 115

    Infodisplays
    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    ACC niet beschikbaar

    -

    Zie Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    (bladzijde 191).

    Cruise control actief

    -

    Zie Snelheidsregeling (Cruise Control)
    (bladzijde 189).

    Cruise control
    standby

    -

    Zie Snelheidsregeling (Cruise Control)
    (bladzijde 189).

    Portieren open
    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    Portier open
    bestuurder

    rood

    Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit veilig
    kan en sluit de motorkap.

    Portier open achter
    bestuur

    rood

    Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit veilig
    kan en sluit de motorkap.

    Portier open bijrijder

    rood

    Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit veilig
    kan en sluit de motorkap.

    Portier open achter
    bijrijd

    rood

    Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit veilig
    kan en sluit de motorkap.

    Bagageruimte open

    rood

    Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit veilig
    kan en sluit de motorkap.

    Motorkap open

    rood

    Auto is in beweging. Stop de auto zo snel dit veilig
    kan en sluit de motorkap. Zie De motorkap
    openen en sluiten (bladzijde 245).

    Startblokkeringssysteem
    Bericht

    Controlelampje

    Immobilisatie actief

    oranje

    Te verrichten handeling

    Zie Motorstartblokkering (bladzijde 49).

    113



  • Page 116

    Infodisplays
    Hellingstart
    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    Hellingstart niet
    beschikb.

    oranje

    Laat het systeem door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    Haal parkrem aan!

    oranje

    Zie Regeling voor bergop rijden (bladzijde 180).

    Hellingstart actief

    -

    Zie Regeling voor bergop rijden (bladzijde 180).

    Hellingstart uit

    -

    Zie Regeling voor bergop rijden (bladzijde 180).

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    Keyless systeem
    Bericht

    Stuur defect

    rood

    Sleutel niet herkend

    oranje

    Laat dit zo snel mogelijk controleren.
    Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 45).

    Vrt. in bedrijf druk
    STOP

    oranje

    De motor draait nog. Schakel het contact uit. Zie
    Sleutelloos starten (bladzijde 153).

    Sleutel buiten auto

    oranje

    Zie Sleutelloze toegang (bladzijde 45).

    Sleutel batterij leeg

    oranje

    Zie Batterij van afstandsbediening vervangen
    (bladzijde 39).

    Stuur geblokk. prob.
    opnieuw

    -

    Zie Stuurwielblokkering (bladzijde 155).

    Verlichting
    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    Verlichting voren
    defect

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    Lamp defect:
    dimlicht

    -

    Een of beide gloeilampen van het dimlicht is of
    zijn defect. Controleer de gloeilampen van het
    dimlicht. Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde
    70).

    Lamp defect:
    achtermistlmp

    -

    Een of beide gloeilampen van de mistachterlichten is of zijn defect. Controleer de gloeilampen
    van de mistachterlichten. Zie Gloeilampen
    vervangen (bladzijde 70).

    114



  • Page 117

    Infodisplays
    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    Lamp defect:
    remlicht

    -

    Een of beide gloeilampen van de remlichten is of
    zijn defect. Controleer de gloeilampen van de
    remlichten. Zie Gloeilampen vervangen
    (bladzijde 70).

    Lamp defect: rem
    aanhang.

    -

    Een of beide gloeilampen van de remlichten van
    uw aanhanger is of zijn defect. Controleer de
    gloeilampen van de remlichten van uw
    aanhanger.

    Lamp defect:
    rchtaw aanhang

    -

    Een of beide gloeilampen van de richtingaanwijzers van uw aanhanger is of zijn defect. Controleer
    de gloeilampen van de richtingaanwijzers van uw
    aanhanger.

    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    Motorstoring

    rood

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    Controleer motoroliepeil

    oranje

    Zie Motorolie controleren (bladzijde 255).

    Water in brandstof

    oranje

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    Ruitenwaterpeil
    laag

    -

    Zie Ruitensproeiervloeistof controleren
    (bladzijde 257).

    Ververs olie

    -

    Laat het systeem door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    Onderhoud

    Bescherming van de inzittenden
    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    Crash mode

    -

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    115



  • Page 118

    Infodisplays
    Handrem
    Bericht

    Controlelampje

    Parkrem aangehaald

    Te verrichten handeling

    rood

    Zie Parkeerrem (bladzijde 174).

    Parkrem aangehaald

    oranje

    Zie Parkeerrem (bladzijde 174).

    Elektrische parkeerrem (EPB)
    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    Park brake
    malfunction

    rood

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    Release park brake

    rood

    Zie Elektronische parkeerrem (bladzijde 175).

    Re-Apply park
    brake

    rood

    Zie Elektronische parkeerrem (bladzijde 175).

    Parkrem aangehaald

    oranje

    Zie Elektronische parkeerrem (bladzijde 175).

    Park brake released

    oranje

    Zie Elektronische parkeerrem (bladzijde 175).

    Park brake service
    reqd.

    -

    Laat het systeem door een goed opgeleide
    monteur controleren.

    Stuurbekrachtiging
    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    Storing servobesturing

    oranje

    De auto blijft bestuurbaar, maar hiervoor is meer
    kracht vereist. Laat het systeem zo snel mogelijk
    door een goed opgeleide monteur controleren.

    116



  • Page 119

    Infodisplays
    Stabiliteitsregeling (ESP)
    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    ESP storing

    -

    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    ESP uit

    -

    Zie Gebruik maken van stabiliteitsregeling
    (bladzijde 178).

    Start/stop
    Bericht

    Auto StartStop Contact
    Uit

    Berichtenindicator

    Te verrichten handeling

    rood

    Schakel het contact uit voordat u uit het voertuig
    stapt als het systeem de motor uitgeschakeld
    heeft. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde
    160).

    Auto StartStop Kopp.
    indrukk.

    -

    De motor moet weer worden gestart; trap het
    koppelingspedaal in om te starten. Zie
    Start/stop knop gebruiken (bladzijde 160).

    Auto StartStop
    Versnelling in vrij zetten

    -

    Selecteer neutraal om het systeem de motor weer
    te laten starten. Zie Start/stop knop gebruiken
    (bladzijde 160).

    Start/stop-functie:
    Handm. start vereist

    -

    Het systeem werkt niet. Er moet handmatig
    worden gestart.

    Transmissie
    Bericht

    Controlelampje

    Transmissie storing

    rood

    Transmissie overhit

    oranje

    Te verrichten handeling

    Laat het systeem onmiddellijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.
    Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    117



  • Page 120

    Infodisplays
    Bandenspanningscontrolesysteem
    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    rood

    De spanning van aangegeven band is afgenomen.
    Controleer de band en breng de spanning op de
    aanbevolen waarde. Zie Technische specificatie (bladzijde 275).

    Controleer bandenspanning

    rood

    De spanning van een of meer banden is aanzienlijk te laag. Dit bericht kan verschijnen nadat een
    nieuwe sensor is gemonteerd. Controleer de
    banden en breng de spanning op de aanbevolen
    waarde. Zie Technische specificatie (bladzijde
    275).

    Check ..... tyre

    oranje

    De aangegeven band heeft veel te lage spanning.
    Controleer de band en breng de spanning op de
    aanbevolen waarde. Zie Technische specificatie (bladzijde 275).

    Controleer bandenspanning!

    Bandendruk
    systeemstoring

    U hebt een reservewiel voor tijdelijk gebruik
    gemonteerd. Breng zo snel mogelijk een wiel met
    normale afmetingen aan, met de voorgeschreven
    bandenspanning en een sensor. Wanneer een
    storing optreedt, is het mogelijk dat het systeem
    de lage bandenspanning niet kan detecteren of
    doorgeven.
    oranje

    Maximaal drie sensors werken niet correct, een
    niet-goedgekeurd accessoire stoort het systeem
    of er is een algemene storing gedetecteerd. Laat
    het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren. Wanneer een
    storing optreedt, is het mogelijk dat het systeem
    de lage bandenspanning niet kan detecteren of
    doorgeven.

    118



  • Page 121

    Infodisplays
    Bericht

    Pomp banden op v.
    hoge snelheid

    Bandensensor niet
    herkend

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    oranje

    De bandenspanning is niet geschikt voor het rijden
    met snelheden van 160 km/h (100 mph). Breng
    de spanning van alle banden op de voorgeschreven waarde. Zie Technische specificatie
    (bladzijde 275). Dit bericht wordt samen met de
    waarschuwing voor een te lage bandenspanning
    slechts enkele seconden weergegeven.
    U hebt velgen en banden gemonteerd die niet
    zijn voorzien van sensors. De bandenspanning
    wordt niet gecontroleerd.

    -

    Alle sensors werken niet correct of een nietgoedgekeurd accessoire stoort het systeem. Laat
    het systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    Bericht

    Controlelampje

    Te verrichten handeling

    Spraakbest. aub
    spreken

    -

    Zie Spraaksturing (bladzijde 318).

    Spraakbest. niet
    herkend

    -

    Zie Spraaksturing (bladzijde 318).

    Spraakbest. niet
    toegestaan

    -

    Zie Spraaksturing (bladzijde 318).

    Spraakbesturing

    119



  • Page 122

    Klimaatregeling
    Het interieur verwarmen

    WERKING

    Laat de lucht naar de beenruimten
    stromen. Laat, bij koud of vochtig weer,
    een geringe hoeveelheid lucht naar de
    voorruit en de portierruiten stromen.

    Buitenlucht
    Houd de luchtinlaten voor de voorruit vrij
    van belemmeringen (sneeuw, bladeren,
    enz.) zodat het klimaatregelsysteem
    effectief kan werken.

    Het interieur afkoelen
    Laat de lucht naar het hoofdniveau
    stromen.

    Gerecirculeerde lucht
    LET OP

    VENTILATIEROOSTERS

    Wanneer de luchtrecirculatiestand
    langdurig wordt ingeschakeld, kunnen
    de ruiten beslaan. Wanneer de ruiten
    beslaan, stel dan de standen in om de
    voorruit te ontdooien en te ontwasemen.

    Luchtroosters, voor

    De lucht die zich in het
    passagierscompartiment bevindt, wordt
    gerecirculeerd. Er stroomt geen buitenlucht
    de auto in.

    Verwarming

    E71942

    De verwarmingscapaciteit is afhankelijk
    van de koelvloeistoftemperatuur.

    Airconditioning
    N.B.: De airconditioning werkt alleen
    wanneer de temperatuur hoger is dan 4 °C.
    N.B.: Wanneer de airconditioning is
    ingeschakeld, zal het brandstofverbruik
    hoger zijn.
    De lucht wordt door de warmtewisselaar
    gevoerd, waar deze wordt gekoeld. Om de
    ruiten wasemvrij te houden wordt vocht
    aan de lucht onttrokken. Het condens
    wordt naar buiten afgevoerd en daarom is
    het normaal dat zich een klein plasje water
    onder de auto vormt.

    Algemene informatie over de
    klimaatregeling in het interieur
    Sluit alle ruiten.

    120



  • Page 123

    Klimaatregeling
    Luchtroosters tweede zitrij

    Gebruik de bovenste luchtroosters om de
    zijruiten te ontdooien of te ontwasemen.

    Luchtroosters derde zitrij

    C

    E73132

    A

    HANDMATIGE
    KLIMAATREGELING

    B

    Luchtverdeelknop

    A
    F

    B

    E

    C
    D

    E71379

    E73131

    Luchtstroom uit onderste
    luchtrooster

    A

    Voorruit

    B

    Beenruimte en voorruit

    B

    Luchtstroom uit bovenste
    luchtrooster

    C

    Beenruimte

    C

    Bovenste luchtrooster

    D

    Hoofdniveau en beenruimte

    A

    121



  • Page 124

    Klimaatregeling
    E

    Hoofdniveau

    F

    Hoofdniveau en voorruit

    Ventilatie

    De luchtverdeelknop kan in elke gewenste
    stand tussen de symbolen worden gezet.

    Aanjager
    E71378

    Stel de regelknoppen van de luchtstroom,
    de aanjager en luchtroosters naar wens in.

    A

    Airconditioning
    Airconditioning in- en uitschakelen
    Wanneer u de aanjager
    uitschakelt, wordt ook de
    airconditioning uitgeschakeld.
    Wanneer u de aanjager weer inschakelt,
    schakelt de airconditioning automatisch
    in.

    E75470

    A

    Uit

    Koelen met buitenlucht

    N.B.: Wanneer u de aanjager uitschakelt
    kan de voorruit beslaan.

    Luchtrecirculatie
    Druk op de toets om te kiezen
    tussen toevoer van buitenlucht
    en het recirculeren van de in het
    interieur aanwezige lucht.
    E73059

    Interieur snel verwarmen
    E71380
    Interieur snel afkoelen

    E71377

    E71381

    122



  • Page 125

    Klimaatregeling
    Voorruit ontdooien en ontwasemen

    Schakel zo nodig de ruitverwarming in. Zie
    Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde
    128).

    N.B.: Schakel de airconditioning in voor hulp
    bij voorruit- en zijruitontdooiing.

    N.B.: Zet, om de achterste zijruiten te
    ontdooien of te ontwasemen de
    luchtroosters bij de tweede zitrij in de
    ontdooi- en ontwasemstand. Zie
    Ventilatieroosters (bladzijde 120).

    N.B.: Zet de verwarmingsregeling op
    maximale verwarming voor hulp bij voorruiten zijruitontdooiing.

    Luchtvochtigheid in het interieur
    verlagen

    E71382

    Let erop dat de aanjager en de A/C
    aanstaan. De controlelamp in de
    schakelaar brandt tijdens het ontdooien
    en ontwasemen.
    Wanneer u de luchtverdeelknop in een
    andere stand dan stand A zet, blijft de A/C
    ingeschakeld.

    E71383

    U kunt de airconditioning en
    luchtrecirculatie in- en uitschakelen terwijl
    de luchtverdeelknop in de stand A staat.

    AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING
    Twee zones

    E80737

    123



  • Page 126

    Klimaatregeling
    Drie zones

    E70302
    N.B.: Voor informatie over de automatische
    klimaatregeling in auto's met een
    gecombineerd navigatie- en
    klimaatregelingssysteem, verwijzen wij naar
    de aparte handleiding.

    Uw auto heeft een systeem met twee of
    drie zones. Wanneer het systeem in de
    mono modus staat, worden alle
    temperatuurzones gekoppeld aan de zone
    aan bestuurderszijde. Wanneer u de mono
    modus uitschakelt, kunt u met het twee
    zone systeem verschillende temperaturen
    instellen voor de bestuurder en passagier.
    Bij auto's met een systeem met drie zones,
    kunt u een derde temperatuur voor de
    achterpassagiers instellen.

    Temperatuur instellen

    Het systeem regelt automatisch de
    temperatuur, de hoeveelheid en verdeling
    van de lucht en past deze aan afhankelijk
    van de rij- en weersomstandigheden. Door
    op de AUTO toets te drukken, wordt de
    auto modus ingeschakeld.

    E70304

    U kunt de temperatuur tussen 16 ºC en 28
    ºC met stappen van 0,5 ºC instellen. In de
    stand LO (lager dan 16 ºC) schakelt het
    systeem over op continu koelen, in de
    stand HI (hoger dan 28 °C) op continu
    verwarmen en de temperatuur wordt niet
    constant gehouden.

    N.B.: Vermijd het wijzigen van de
    instellingen wanneer het in de auto extreem
    warm of koud is. Het systeem wordt
    automatisch op de actuele omstandigheden
    afgestemd. Voor een correcte werking van
    het systeem moeten de midden- en
    zijroosters volledig geopend zijn.
    N.B.: Als het systeem bij lage
    buitenluchttemperaturen in de auto modus
    staat, wordt de lucht zolang de motor koud
    is naar de voorruit en de zijruiten geleid.

    124



  • Page 127

    Klimaatregeling
    Mono modus

    Lage snelheid

    In de mono modus zijn de
    temperatuurinstellingen voor de
    bestuurder en de passagier aan elkaar
    gekoppeld. Wanneer u de temperatuur met
    de draaiknop aan de bestuurderszijde
    verandert, wordt dezelfde temperatuur
    voor de passagierszijde overgenomen. Op
    de display verschijnt MONO.

    Stel het aanjagertoerental met de toetsen
    in.

    E94615

    De aanjagerinstelling wordt op de display
    getoond.

    Mono modus uitschakelen

    E95050

    Selecteer met de draaiknop aan
    passagierszijde een temperatuur voor de
    passagierszijde. De mono modus wordt
    uitgeschakeld en MONO verdwijnt van de
    display. De temperatuur voor de
    bestuurderszijde blijft ongewijzigd. U kunt
    nu de temperaturen voor de
    bestuurderszijde en de passagierszijde
    onafhankelijk van elkaar instellen. De
    temperaturen verschijnen op de display. U
    kunt een verschil van maximaal 4 °C
    instellen.

    Druk om terug te keren naar de auto modus
    op de AUTO toets.

    Luchtverdeling
    Druk op de gewenste toets om de
    luchtverdeling in te stellen. Iedere
    combinatie van instellingen kan
    tegelijkertijd worden geselecteerd.

    N.B.: Wanneer het verschil groter is dan 4
    °C, wordt de temperatuur aan de andere
    zijde bijgesteld zodat het verschil 4 °C blijft.

    A

    N.B.: Wanneer u voor één van de zijden de
    stand HI of LO selecteert, wordt voor beide
    zijden de stand HI of LO geselecteerd.

    B

    C

    E70308

    Mono modus weer inschakelen

    E70306

    A

    Beenruimte

    B

    Hoofdniveau

    C

    Voorruit

    Voorruit ontdooien en
    ontwasemen

    Druk op de MONO toets. MONO verschijnt
    op de display en de temperatuur aan
    passagierszijde wordt aangepast aan de
    temperatuur aan bestuurderszijde.

    E70309

    Aanjager

    Wanneer u voorruit ontdooien en
    ontwasemen kiest schakelen A, B en C
    automatisch uit en wordt de
    airconditioning ingeschakeld. Buitenlucht
    stroomt nu het interieur in. U kunt de
    recirculatiestand niet selecteren.

    Hoge snelheid

    125



  • Page 128

    Klimaatregeling
    Automatisch temperatuurregelsysteem in- en uitschakelen

    Het aanjagertoerental en de
    temperatuurregeling werken automatisch
    en kunnen niet met de hand worden
    bediend. De aanjager draait met een hoog
    toerental en de temperatuur wordt op HI
    ingesteld.

    N.B.: Wanneer dit systeem is uitgeschakeld,
    zijn de verwarming, ventilatie en
    airconditioning voor de voorste én achterste
    zones uitgeschakeld en wordt er
    gerecirculeerde lucht gebruikt.

    Wanneer u voorruit ontdooien en
    ontwasemen selecteert, schakelt de
    voorruitverwarming automatisch in en na
    korte tijd weer uit.

    Twee zones

    Druk om terug te keren naar de auto modus
    op de AUTO toets.
    N.B.: Zet, om de achterste zijruiten te
    ontdooien of te ontwasemen de
    luchtroosters bij de tweede zitrij in de
    ontdooi- of ontwasemstand. Zie
    Ventilatieroosters (bladzijde 120).

    E70980

    Gebruik de toetsen om het systeem in en
    uit te schakelen.

    Airconditioning in- en uitschakelen

    Drie zones

    Druk de toets. A/C OFF of A/C ON
    verschijnt op de display.

    Gerecirculeerde lucht

    Druk op de toets om voor buitenlucht of
    gerecirculeerde lucht te kiezen.

    A

    N.B.: In de auto modus wordt bij hoge
    binnen- en buitentemperaturen voor een
    maximale koeling van het interieur
    automatisch de recirculatiestand
    ingeschakeld. Wanneer de ingestelde
    temperatuur eenmaal is bereikt, selecteert
    het systeem automatisch toevoer van
    buitenlucht.

    E70312

    Druk op de toets A om het systeem in en
    uit te schakelen.

    126



  • Page 129

    Klimaatregeling
    Airconditioning achterin
    (automatische klimaatregeling
    met drie zones)

    Temperatuur achterin
    N.B.: U kunt verschillende temperaturen
    voor de bestuurderszijde en achterin kiezen,
    de mono modus wordt dan uitgeschakeld.

    N.B.: Dit is alleen een koelingssysteem. U
    kunt het gebruiken om de ruimte achterin
    te koelen. Het systeem kan de instelling in
    het achtercompartiment niet op een hogere
    temperatuur brengen dan het gemiddelde
    van de twee temperatuurinstellingen voorin.

    N.B.: Wanneer u op de MONO toets drukt,
    worden alle drie temperatuurzones
    gewijzigd in te temperatuur voor de
    bestuurderszijde.

    N.B.: Wanneer het systeem is
    uitgeschakeld, kunt u geen temperatuur voor
    het achtercompartiment kiezen die lager is
    dan het gemiddelde van de twee
    instellingen voorin.

    Airconditioning achterin in- en
    uitschakelen

    Schakelen tussen airconditioning
    modus voor en achter

    Wanneer het systeem in de airconditioning
    modus achter zit, kunt u het systeem met
    de toets aan- en uitzetten. A/C OFF of
    A/C ON verschijnt op de display.
    N.B.: Wanneer de airconditioning voorin is
    uitgeschakeld, heeft u geen airconditioning
    achterin.
    Aanjager achterin
    Hoge snelheid

    Lage snelheid
    E70313
    E94615

    Druk de toets. Het symbool voor de
    airconditioning achterin en de instellingen
    voor het achtercompartiment verschijnen
    op de display.

    Wanneer het systeem in de airconditioning
    modus achter zit, kunt u met de toetsen
    de aanjagersnelheid regelen.

    Wanneer het systeem in de airconditioning
    modus achter zit, kunt u de temperatuur
    instellen met de draaiknop aan de
    bestuurderszijde.

    De aanjagerinstelling wordt op de display
    getoond.

    Druk nogmaals op de toets om terug te
    keren naar de instellingen voorin. Wanneer
    enkele seconden geen toets wordt
    ingedrukt, keert het systeem automatisch
    terug naar de instellingen voorin.

    E95050

    127



  • Page 130

    Klimaatregeling
    Wanneer het systeem in de airconditioning
    modus achter zit, drukt u op de AUTO
    toets om terug te gaan naar de auto
    modus. In de auto modus wordt het
    aanjagertoerental automatisch geregeld.
    AUTO verschijnt op de display.

    Achterruitverwarming

    Automatisch
    temperatuurregelsysteem achter inen uitschakelen

    IN de elektrisch bedienbare buitenspiegels
    is een verwarmingselement gemonteerd
    dat het spiegelglas ontdooit of ontwasemt.
    Wanneer u de achterruitverwarming
    inschakelt, worden deze elementen
    automatisch ingeschakeld.

    E72507

    Verwarmbare buitenspiegels

    EXTRA VERWARMING
    Standverwarming
    WAARSCHUWING
    Schakel de standverwarming uit
    tijdens het tanken, wanneer u zich in
    een omgeving bevindt met
    brandbare dampen of stoffen en in
    gesloten ruimten.

    A
    E70312

    Wanneer het systeem in de airconditioning
    modus achter zit, druk dan op toets A om
    alleen het systeem achterin in of uit te
    schakelen.

    De standverwarming werkt onafhankelijk
    van de verwarming van de auto door het
    koelvloeistofcircuit van de motor te
    verwarmen. Hij wordt door de
    brandstoftank van energie voorzien. U kunt
    het systeem ook tijdens het rijden
    gebruiken om het interieur sneller te laten
    opwarmen.

    VERWARMDE RUITEN EN
    SPIEGELS
    Verwarmbare ruiten
    Schakel de ruitverwarming in om de voorof achterruit te ontdooien of ontwasemen.

    Wanneer de standverwarming correct
    wordt gebruikt, biedt deze de volgende
    voordelen:

    N.B.: De ruitverwarming werkt alleen bij een
    draaiende motor.




    Voorruitverwarming

    E72506

    128

    Het interieur wordt voorverwarmd.
    De ruiten blijven bij vorst vrij van ijs en
    condensatie wordt voorkomen.
    De koude start wordt vermeden
    waardoor de motor eerder op
    bedrijfstemperatuur is.



  • Page 131

    Klimaatregeling
    N.B.: De standverwarming werkt alleen
    wanneer er zich minimaal 7,5 liter brandstof
    in de tank bevindt en de buitentemperatuur
    lager is dan 15 °C. De standverwarming
    werkt niet wanneer de accu slecht geladen
    is.
    N.B.: De verwarming werkt afhankelijk van
    de buitentemperatuur.
    N.B.: Wanneer de standverwarming is
    ingeschakeld, kunnen wat uitlaatgassen
    onder de zijkanten van de auto uitkomen.
    Dit is normaal.

    E70499

    1.

    Druk op de rechter pijltjestoets op het
    stuurwiel om het hoofdmenu binnen
    te gaan.
    2. Selecteer Setup met de op en neer
    pijltjestoetsen en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    3. Selecteer Park Heater en druk op de
    rechter pijltjestoets.

    N.B.: Bij auto's met een handmatig
    geregelde verwarming, ventilatie en
    airconditioning, is de verwarming van het
    interieur afhankelijk van de ingestelde
    temperatuur, de luchtverdeling en het
    aanjagertoerental.
    Om te voorkomen dat de accu wordt
    ontladen:




    Nadat de standverwarming een
    verwarmingscyclus heeft doorlopen,
    zal de volgende geprogrammeerde
    verwarmingscyclus alleen worden
    uitgevoerd indien de motor tussentijds
    is gestart.
    Rijd met de auto na een
    verwarmingscyclus minimaal een
    verwarmingscyclus.

    Parkeerverw
    Tijd 1
    Tijd 2
    Eenmalig
    Nu actief

    Programmeerbare standverwarming
    N.B.: De geprogrammeerde tijd is de tijd
    waarop u wilt dat de auto warm is en klaar
    is om weg te rijden, niet de tijd waarop de
    verwarming inschakelt.

    E74467

    N.B.: U moet de tijden minimaal 70 minuten
    ten opzichte van de tijd die u wilt instellen
    vooruit programmeren.
    N.B.: U moet de tijd en de datum correct
    invoeren. Zie Klok (bladzijde 146).
    Verwarmingstijden programmeren:

    129



  • Page 132

    Klimaatregeling






    Met de functies Program 1 en
    Program 2 kunt u twee
    verwarmingscycli per dag
    programmeren. Deze tijden blijven in
    het geheugen opgeslagen en de
    verwarming schakelt elke dag van de
    week op deze tijden in.
    Met de functie One-Time kunt u een
    verwarmingscyclus voor één specifieke
    dag programmeren.
    De functie Active now schakelt de
    verwarming automatisch in.

    5. Selecteer, om de tijd in te stellen
    waarop de auto moet zijn verwarmd,
    de tijd aan de bovenzijde van het
    display en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    6. Druk op de OK toets en de uren
    knipperen. Voer met behulp van de op
    en neer pijltjestoetsen de individuele
    instellingen in en ga met de linker en
    rechter pijltjestoetsen naar de volgende
    of de vorige instelling.
    7. Wanneer alle instellingen zijn
    ingevoerd, drukt u nogmaals op de OK
    toets om de keuze te bevestigen.

    De functies Program 1 en Program 2
    programmeren

    Parkeerverw
    Tijd 1

    Tijd 1
    [07:55]
    Maandag
    Dinsdag
    Woensdag
    Donderdag
    Vrijdag

    07:55
    01:12:2006
    OK=bevestig
    E74469

    E74468

    U kunt met de functie Program 2 een
    tweede cyclus invoeren, bijvoorbeeld
    verschillende tijden op verschillende dagen
    of twee tijden op dezelfde dag. De
    procedure van programmeren is hetzelfde
    voor de functie Program 1.

    1.

    Selecteer Program 1 en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    2. Selecteer de dag waarop de
    verwarming de auto moet verwarmen.
    3. Druk op de OK toets om de keuze te
    bevestigen. In het vak naast de dag
    verschijnt een kruis om aan te duiden
    dat deze dag is geselecteerd.
    4. Ga op dezelfde wijze te werk om alle
    dagen te selecteren waarop de
    verwarming de auto moet verwarmen.

    130



  • Page 133

    Klimaatregeling
    De functie One-Time programmeren

    Starten

    1.

    Houd de afstandsbediening met de
    antenne naar boven gericht en druk
    minimaal 2 seconden op de toets ON. De
    LED van de afstandsbediening licht groen
    op ter bevestiging dat het signaal is
    ontvangen.

    Selecteer One-Time en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    2. Druk op de OK toets en de uren
    knipperen. Voer met behulp van de op
    en neer pijltjestoetsen de individuele
    instellingen in en ga met de linker en
    rechter pijltjestoetsen naar de volgende
    of de vorige instelling.
    3. Wanneer alle instellingen zijn
    ingevoerd, drukt u nogmaals op de OK
    toets om de keuze te bevestigen.

    Uitschakelen
    Houd de afstandsbediening met de
    antenne naar boven gericht en druk
    minimaal 2 seconden op de toets OFF. De
    LED van de afstandsbediening licht rood
    op ter bevestiging dat het signaal is
    ontvangen.

    Nu inschakelen
    Selecteer Active now en druk op de OK
    toets. In het vak naast de functie verschijnt
    een kruis om aan te duiden dat de
    verwarming is geactiveerd.

    Op afstand starten in combinatie
    met directe start of timer

    Selecteer, om de verwarming uit te
    schakelen, Active now en druk nogmaals
    op de OK toets.

    Starten op afstand
    De standverwarming kan worden in- en
    uitgeschakeld op een afstand van
    maximaal 500 meter met behulp van de
    meegeleverde afstandsbediening. De
    afstand kan variëren afhankelijk van
    plaatselijke omstandigheden, soort terrein
    en de staat van de batterij. De
    afstandsbediening geeft aan of het signaal
    al dan niet is ontvangen. De
    standverwarming werkt gedurende
    maximaal 30 minuten.

    E114360

    De functie op afstand starten is
    opgenomen in de normale
    verwarmingsregeling. Standverwarmingen
    die worden gestart met de functie directe
    start of timer kunnen worden
    uitgeschakeld met behulp van de
    afstandsbediening en vice versa.

    Feedback tijdens starten en
    uitschakelen

    N.B.: De verwarming werkt, afhankelijk van
    de omgevingstemperatuur, tussen 10 en 30
    minuten. Het interieur koelt af na het
    verstrijken van de verwarmingsperiode;
    daarom wordt starten op afstand bij meer
    dan 30 minuten voor het rijden afgeraden.

    De LED op de afstandsbediening licht
    groen op gedurende ongeveer twee
    seconden. Dit geeft aan dat het signaal is
    ontvangen door de auto en dat de
    verwarming is ingeschakel.

    N.B.: Bij langere bedrijfsbereiken ontvangt
    de afstandsbediening mogelijk niet altijd
    een bevestiging van een succesvol
    commando van de afstandsbediening.

    131



  • Page 134

    Klimaatregeling
    De LED op de afstandsbediening licht rood
    op gedurende ongeveer twee seconden.
    Dit geeft aan dat het signaal is ontvangen
    door de auto en dat de verwarming is
    uitgeschakeld.

    1.

    De LED op de afstandsbediening knippert
    groen of rood gedurende ongeveer twee
    seconden. Dit geeft aan dat het dignaal
    niet correct is verzonden. Herhaal de
    procedure.

    Steek een schroevendraaier of een
    ander geschikt gereedschap in de
    opening aan de achterzijde van de
    afstandsbediening en schroef de
    batterij-afdekking los.
    LET OP
    Raak de batterijcontacten of de
    printplaat niet met de
    schroevendraaier aan.

    De LED op de afstandsbediening licht
    oranje op gedurende ongeveer twee
    seconden voordat deze groen of rood
    wordt. Dit geeft aan dat de batterijen van
    de afstandsbediening bijna leeg zijn en
    moeten worden vervangen.

    2. Wrik voorzichtig de batterij los.
    3. Breng een nieuwe batterij (3,3V
    CR1-3N) aan met de + naar boven
    gekeerd.
    4. Monteer de afstandsbediening.

    De LED op de afstandsbediening knippert
    oranje gedurende ongeveer vijf seconden.
    Dit geeft aan dat het dignaal niet is
    verzonden. De batterijen van de
    afstandsbediening zijn leeg en moeten zo
    snel mogelijk worden vervangen.

    Afstandsbediening programmeren
    Er kunnen meerdere afstandsbedieningen
    worden gebruikt voor het
    afstandsbedieningssysteem; neem contact
    op met uw dealer. Er kunnen maximaal drie
    afzonderlijke afstandsbedieningen worden
    toegevoegd. Extra toegevoegde
    afstandsbedieningen dienen afzonderlijk
    te worden geprogrammeerd.

    Batterij van afstandsbediening
    vervangen
    Zorg dat u oude batterijen op
    milieuvriendelijke wijze weggooit. Zoek
    advies m.b.t. de plaatselijke regels m.b.t.
    recycling.

    N.B.: De verwarming moet tijdens het
    programmeren worden uitgeschakeld.
    N.B.: De programmeerprocedure kan zo
    vaak als nodig is worden herhaald. De
    oudste geprogrammeerde
    afstandsbediening wordt iedere keer gewist.

    1

    1.

    Breng de batterij aan in de nieuwe
    afstandsbediening.
    2. Schakel de voeding naar de ontvanger
    uit door zekering F32 te verwijderen uit
    de zekeringenkast in de motorruimte.
    Zie Specificatie-overzicht
    zekeringen (bladzijde 233).
    3. Wacht minimaal 5 seconden.

    2

    E114361

    132



  • Page 135

    Klimaatregeling
    4. Sluit de voeding naar de ontvanger aan
    door de zekering te plaatsen en binnen
    vijf seconden op de OFF toets van de
    nieuwe afstandsbediening te drukken
    tot de LED dooft.
    5. De nieuwe afstandsbediening is nu
    geprogrammeerd.

    1.

    Druk op de rechter pijltjestoets op het
    stuurwiel om het hoofdmenu binnen
    te gaan.
    2. Selecteer Setup met de op en neer
    pijltjestoetsen en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    3. Selecteer Aux. Heater en druk
    nogmaals op de OK toets om de
    verwarming in of uit te schakelen.
    Wanneer de verwarming is
    ingeschakeld verschijnt in het vak
    ernaast een kruis.
    4. Druk op de linker pijltjestoets om het
    menu te verlaten. Houd de linker
    pijltjestoets ingedrukt om naar het
    scherm van de boordcomputer terug
    te keren.

    Extra verwarming diesel
    (afhankelijk van het land)
    WAARSCHUWING
    Schakel de verwarming op brandstof
    uit tijdens het tanken, wanneer u zich
    in een omgeving bevindt met
    brandbare dampen of stoffen en in
    gesloten ruimten.

    Extra verwarming diesel
    (afhankelijk van het land)

    De standverwarming helpt bij het
    verwarmen van de motor en het interieur
    bij auto's met een dieselmotor. Het
    systeem wordt afhankelijk van de
    buitenluchttemperatuur, de
    koelvloeistoftemperatuur en de belasting
    van de dynamo automatisch in- of
    uitgeschakeld, tenzij u het hebt
    uitgeschakeld. Wanneer de verwarming op
    brandstof in werking is, verschijnt Aux.
    Heater on op het informatiedisplay. Zie
    Infodisplays (bladzijde 96).

    Deze extra verwarming (PTC elektrische
    verwarming) helpt bij het verwarmen van
    het interieur bij auto's met dieselmotor.
    Het systeem wordt afhankelijk van de
    buitenluchttemperatuur, de
    koelvloeistoftemperatuur en de belasting
    van de dynamo automatisch in- of
    uitgeschakeld.

    Standverwarming uitschakelen:

    E70499

    133



  • Page 136

    Stoelen


    DE JUISTE ZITPOSITIE
    INNEMEN




    het stuurwiel met licht gebogen armen
    vasthoudt.
    uw benen licht buigt zodat u de
    pedalen volledig kunt indrukken.
    de schoudergordel over het midden
    van uw schouder en de heupgordel
    strak over uw heupen legt.

    Zorg ervoor dat uw zitpositie comfortabel
    is en dat u de volledige controle over de
    auto hebt.

    HANDMATIG VERSTELBARE
    STOELEN
    Stoelen naar voren en achteren
    schuiven

    E68595

    WAARSCHUWINGEN
    Verstel de stoelen nooit tijdens het
    rijden.
    Alleen wanneer de veiligheidsgordel
    correct wordt gedragen, kan deze u
    in een zodanige positie houden dat
    de airbag optimaal kan functioneren.
    Wanneer u de veiligheidsgordel correct
    draagt kunnen de stoel, hoofdsteun,
    veiligheidsgordel en airbags bij een
    eventuele aanrijding optimaal bescherming
    bieden. Wij raden aan dat u:







    zoveel mogelijk rechtop gaat zitten met
    de onderzijde van uw rug zover mogelijk
    naar achteren.
    de rugleuning van de stoel niet meer
    dan 30 graden achterover kantelt.
    de hoofdsteun zodanig instelt, dat de
    bovenzijde gelijkligt met de bovenzijde
    van uw hoofd. Stel de hoofdsteun zover
    mogelijk naar voren in, maar u moet
    comfortabel kunnen zitten.
    voldoende afstand houdt tussen uzelf
    en het stuurwiel. minimaal 250 mm (10
    inch) tussen uw borstbeen en de kap
    van de airbag aanhoudt.

    E70728

    WAARSCHUWING
    Beweeg te stoel naar voren en naar
    achteren nadat u de hendel hebt
    losgelaten om te controleren of de
    stoel goed is vergrendeld.

    134



  • Page 137

    Stoelen
    Lendensteun afstellen

    Hellingshoek van de rugleuning
    verstellen

    E70729
    E70731

    Hoogte van de bestuurdersstoel
    verstellen

    ELEKTRISCH VERSTELBARE
    STOELEN
    In twee richtingen elektrisch
    verstelbare stoel

    1
    1

    E70730

    2
    2
    E70733

    135



  • Page 138

    Stoelen
    In acht richtingen elektrisch verstelbare stoel

    2

    2

    1

    3

    1

    4

    3

    4

    8

    5

    7

    6

    5

    8

    7

    E70734

    136

    6



  • Page 139

    Stoelen
    HOOFDSTEUNEN

    ACHTERBANK

    Hoofdsteun instellen

    Stoelen, tweede zitrij
    Stoelen naar voren en achteren
    schuiven

    WAARSCHUWINGEN
    Trek de achterste hoofdsteun
    omhoog wanneer iemand achterin
    plaatsneemt.

    WAARSCHUWING
    Schuif de stoel naar voren en naar
    achteren nadat u de hendel omhoog
    heeft getrokken om er zeker van te
    zijn dat de stoel weer goed is vergrendeld.

    Wanneer een voorwaarts gericht
    kinderzitje op een stoel van de
    tweede of derde zitrij wordt
    geplaatst, verwijder dan altijd de
    hoofdsteun van die stoel.

    E72644
    E71879

    Stel de hoofdsteun zodanig in dat de
    bovenzijde gelijkligt met de bovenzijde van
    uw hoofd. Stel de hoofdsteun zover
    mogelijk naar voren in, maar u moet
    comfortabel kunnen zitten.

    Hoofdsteun verwijderen
    Druk de knoppen in en verwijder de
    hoofdsteun.

    137



  • Page 140

    Stoelen
    Rugleuning instellen

    E72704
    E72645
    1.

    Trek, om de hellingshoek van de
    rugleuning in te stellen, de hendel aan
    de buitenzijde of aan de lus bij de stoel
    in het midden en beweeg de rugleuning
    in de gewenste stand.
    2. Trek, om de rugleuning omhoog te
    bewegen, de hendel omhoog en druk
    de zitting met uw lichaamsgewicht
    naar voren.
    Stand voor makkelijk instappen (alleen
    auto's met een derde zitrij)
    N.B.: U kunt de buitenste stoelen naar voren
    bewegen zodat de stoelen op de derde zitrij
    makkelijker toegankelijk worden.

    E72706
    1.

    Trek eenmaal aan de handgreep. Klap
    de rugleuning in de afgebeelde stand
    naar voren en schuif de complete stoel
    naar voren. Wanneer u de auto vanaf
    de derde zitrij wilt verlaten, trek dan
    aan de lus aan de achterzijde van de
    stoel op de tweede zitrij.
    2. Schuif de stoel naar achteren om hem
    weer in de oorspronkelijke stand te
    brengen. De stoel stopt automatische
    in de middelste stand.

    138



  • Page 141

    Stoelen
    3. Klap de rugleuning ophoog tot deze
    wordt vergrendeld.
    4. Trek de hendel onder de voorzijde van
    de stoel omhoog om de stoel verder
    naar achteren te schuiven.

    1.
    2.
    3.

    Rugleuningen neerklappen
    WAARSCHUWING
    4.

    Wanneer u de rugleuningen
    neerklapt, houd de rugleuning dan
    vast om te voorkomen dat uw
    vingers tussen de rugleuning en het
    stoelframe komen.

    5.

    6.

    Laat de hoofdsteunen zakken. Zie
    Hoofdsteunen (bladzijde 137).
    Schuif de stoelen zover mogelijk naar
    achteren.
    Steek de veiligheidsgordel van de
    middelste stoel in de houder tegen het
    dak. Zie Veiligheidsgordels
    vastmaken (bladzijde 34).
    Trek de hendel bij de buitenste stoelen
    omhoog en klap de rugleuning in een
    schuine stand. Trek de hendel opnieuw
    omhoog en klap de rugleuning naar
    beneden.
    Trek bij de middelste stoel de lus
    tussen de zitting en de rugleuning uit
    en klap de rugleuning naar beneden.
    Trek, om de rugleuningen in de
    neergeklapte stand vast te zetten, de
    hendel of de lus opnieuw naar boven
    en druk de rugleuning stevig naar
    beneden tot deze wordt vergrendeld.

    Trek, om de rugleuning weer in verticale
    stand te brengen, de hendel of de lus naar
    boven en beweeg de rugleuning omhoog
    tot deze wordt vergrendeld.

    Stoelen van de derde zitrij
    WAARSCHUWING
    Ga niet op een stoel op de derde zitrij
    zitten wanneer de stoel ervoor is
    neergeklapt.

    E72705

    Stoelen naar voren en achteren
    schuiven (Galaxy)
    WAARSCHUWING
    Schuif de stoel naar voren en naar
    achteren nadat u de hendel omhoog
    heeft getrokken om er zeker van te
    zijn dat de stoel weer goed is vergrendeld.

    E72646

    139



  • Page 142

    Stoelen
    Stoelen plat neerklappen
    WAARSCHUWING
    Wanneer u de rugleuningen
    neerklapt, houd de rugleuning dan
    vast om te voorkomen dat uw
    vingers tussen de rugleuning en het
    stoelframe komen.

    E72647

    1

    Rugleuning instellen (Galaxy)

    1

    E72707

    A
    3

    E75381

    B

    1.

    Trek, om de rugleuning in te stellen, de
    lus naar boven en leun naar achteren
    tegen de rugleuning tot deze zich in de
    gewenste stand bevindt.
    2. Trek, om de rugleuning weer omhoog
    te brengen, de lus uit en laat de
    rugleuning omhoogkomen.

    2
    E72648

    140



  • Page 143

    Stoelen
    1.

    2.

    3.
    4.

    5.

    Trek de lus aan de achterzijde van de
    zitting uit en klap de zitting naar voren
    tot deze plat op de vloer (1) ligt.
    Pak de greep (A) en trek de lus (B) bij
    de onderzijde van de rugleuning naar
    boven en achteren (2).
    Klap de rugleuning met behulp van de
    greep (3) plat tegen de vloer.
    Pak, om de stoel weer in de normale
    stand te brengen, de greep vast en trek
    de rugleuning omhoog en vervolgens
    naar achteren.
    Klap de zitting terug.

    2
    1

    Een vlakke laadvloer maken
    LET OP
    Klap, bij het vervoeren van ladingen
    met neergeklapte stoelen, altijd de
    vloerbedekking over de neergeklapte
    stoelen.

    3

    E72649
    1.

    Draai de klemmen op de achterzijde
    van de rugleuningen van de derde zitrij
    90 graden om de vloerbedekking los
    te maken.
    2. Klap de vloerbedekking naar voren over
    de neergeklapte stoelen.
    3. Om de vloerbedekking weer op de
    rugleuningen vast te zetten, klapt u het
    terug en drukt u de klemmen in de
    rugleuning tot op hun plaats klikken.
    N.B.: Wanneer alleen de stoelen van de
    derde zitrij plat worden neergeklapt, klap
    dan de vloerbedekking naar voren zodat de
    onderzijde van de stoelen op de tweede zitrij
    worden bedekt. De kleinere delen aan de
    voorzijde moeten verticaal tegen de
    rugleuningen van de stoelen van de tweede
    zitrij staan.

    141



  • Page 144

    Stoelen
    N.B.: Alleen de voorstoelinstellingen
    worden opgeslagen wanneer de auto van
    contact wordt gezet.

    VERWARMDE STOELEN
    N.B.: Wanneer deze functie bij stilstaande
    motor wordt ingeschakeld, wordt hierdoor
    de accu ontladen.

    Temperatuur verhogen en verlagen
    Druk op de betreffende toets of druk hier
    herhaaldelijk op om de gewenste
    temperatuur te selecteren.

    GEVENTILEERDE STOELEN
    N.B.: Wanneer deze functie bij stilstaande
    motor wordt ingeschakeld, wordt hierdoor
    de accu ontladen.

    E70601

    E70601
    E71224
    N.B.: Het aantal lampjes dat naast de toets
    brandt geeft het geselecteerde niveau aan.
    N.B.: De verwarming wordt in rood
    aangeduid.
    N.B.: Wanneer er geen lampje brandt, is de
    verwarming uitgeschakeld.

    E70602

    142



  • Page 145

    Stoelen
    N.B.: Het aantal lampjes dat naast de toets
    brandt geeft het geselecteerde niveau aan.
    N.B.: De ventilatie wordt in blauw
    aangeduid.
    N.B.: Wanneer er geen lampje brandt, is de
    ventilatie uitgeschakeld.
    N.B.: Wanneer het contact wordt afgezet,
    worden de instellingen in het geheugen
    opgeslagen.
    N.B.: Wanneer de stoel wordt geventileerd,
    is het mogelijk dat de verwarming
    automatisch wordt ingeschakeld. Dit om te
    voorkomen dat de luchtstroom
    oncomfortabel koud wordt.
    N.B.: Voor het ventileren van de stoelen
    wordt gebruik gemaakt van de lucht in het
    passagierscompartiment. Het koelende
    effect is daarom afhankelijk van de
    temperatuur in het interieur. Schakel zo
    nodig de airconditioning in en richt de
    luchtstroom op de beenruimte. Zie
    Klimaatregeling (bladzijde 120).

    Temperatuur verhogen en verlagen
    Druk op de betreffende toets of druk hier
    herhaaldelijk op om de gewenste
    temperatuur te selecteren.

    ARMLEUNING, VOOR
    1
    3

    2
    E95256

    143



  • Page 146

    Gemaksfuncties
    N.B.: Wanneer de schakelaar gedurende
    korte tijd vaak worden bediend kan het
    systeem een bepaalde tijd buiten werking
    treden om schade door oververhitting te
    voorkomen.

    ZONNEKLEPPEN
    Zijruiten

    A

    A

    N.B.: Het zonnescherm kan alleen worden
    bediend wanneer de auto op contact staat.

    E74809
    Trek het zonnescherm omhoog en bevestig
    het aan de haken (A).
    E125025

    Dak (Galaxy)

    Het zonnescherm wordt bediend via een
    schakelaar tussen de zonnekleppen.
    Zonnescherm openen en sluiten

    A

    B

    E74808

    Dak (S-MAX)
    E125146

    WAARSCHUWING
    Bedien het zonnescherm niet tenzij
    het vrij is van obstructies.

    144

    A

    Drukken om te sluiten

    B

    Drukken om te openen



  • Page 147

    Gemaksfuncties
    Zonnescherm automatisch openen en
    sluiten

    Volg de volgende procedure voor opnieuw
    leren als het scherm niet correct opent of
    sluit:
    1. Druk tweemaal op schakelaar B tot de
    eerste aanslag en laat deze binnen
    twee seconden los.
    2. Druk tweemaal op schakelaar A tot de
    eerste aanslag en laat deze binnen
    twee seconden los.
    3. Houd schakelaar B ingedrukt tot de
    eerste aanslag en tot het scherm
    volledig is geopend.
    4. Houd schakelaar A ingedrukt tot de
    eerste aanslag en tot het scherm
    volledig is gesloten.

    Druk de schakelaar tot de tweede aanslag
    in of til hem tot de tweede aanslag op en
    laat hem los. Druk hem opnieuw in om het
    zonnescherm te stoppen.
    N.B.: Als dit niet correct werkt, volg dan de
    onderstaande procedure voor opnieuw
    leren.
    Antiklemfunctie
    WAARSCHUWINGEN
    De antiklemfunctie wordt
    gedeactiveerd tot het geheugen is
    gereset via de procedure voor
    opnieuw leren.

    Als stap 2 niet wordt voltooid binnen 15
    seconden, dan wordt de functie voor
    opnieuw leren onderbroken. Zet de auto
    van contact, wacht nog eens 30 seconden
    en zet de auto weer op contact. Begin van
    voren af aan opnieuw met de procedure.

    Het onzorgvuldig sluiten van het
    scherm kan deze antiklemfunctie
    opheffen en verwonding tot gevolg
    hebben.

    Bevestig dat de procedure voor opnieuw
    leren is voltooid door de functie voor
    automatisch openen en sluiten te
    gebruiken.

    Het zonnescherm stopt automatisch
    tijdens het openen of sluiten en gaat een
    stukje terug wanneer het scherm een
    obstakel tegenkomt.
    Procedure voor opnieuw leren
    zonnescherm

    DIMMER INSTRUMENTENPANEELVERLICHTING

    WAARSCHUWING
    De antiklemfunctie werkt tijdens
    deze procedure niet. Let erop dat er
    geen obstakels in de weg van het
    zonnescherm zitten.
    N.B.: De procedure voor opnieuw leren
    moet maximaal 30 seconden na het
    inschakelen van het contact worden gestart.

    E70723

    145



  • Page 148

    Gemaksfuncties
    KLOK
    N.B.: Sommige navigatiesystemen stellen
    met behulp van GPS signalen automatisch
    tijd en de datum van de klok in.
    N.B.: Zie Algemene informatie (bladzijde
    96).
    1.
    2.
    3.
    4.

    5.

    E72972

    Selecteer in het hoofdmenu de
    klokfunctie.
    Kies de gewenste optie.
    Druk op OK.
    Gebruik de pijlen (rechts/links,
    omhoog/omlaag) om de waarde te
    selecteren en te veranderen.
    Druk op OK.

    Druk het verwarmingselement in om de
    aansteker te laten gloeien. Hij springt
    automatisch in de oorspronkelijke stand
    terug.

    ASBAK
    Asbak, voorin

    AANSTEKER
    LET OP
    Wanneer u het aansluitpunt gebruikt
    terwijl de motor niet draait, wordt
    hierdoor de accu ontladen.
    Houd het verwarmingselement van
    de aansteker niet ingedrukt.

    E72974
    Trek, om de asbak te ledigen, deze
    compleet uit de houder.

    N.B.: De aansteker werkt alleen bij aangezet
    contact. De aansteker kan nog 30 minuten
    nadat het contact is afgezet worden
    gebruikt.

    Asbak, achterin

    N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt
    gebruiken voor 12 volt accessoires met een
    maximum vermogen van 15 ampère. Gebruik
    alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt
    zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde
    aansluitingen.

    E73705

    146



  • Page 149

    Gemaksfuncties
    Galaxy

    Open de asbak om deze te verwijderen,
    druk hem tegen de veerdruk in en verwijder
    hem.

    EXTRA VOEDINGSAANSLUITINGEN
    LET OP
    Wanneer u het aansluitpunt gebruikt
    terwijl de motor niet draait, wordt
    hierdoor de accu ontladen.

    E72977
    N.B.: U kunt het elektrisch aansluitpunt bij
    afgezet contact gebruiken.

    BEKERHOUDERS

    N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt
    gebruiken voor 12 volt accessoires met een
    maximum vermogen van 15 ampère. Gebruik
    uitsluitend Ford stekkers of stekkers die
    voldoen aan de SAE normen.

    WAARSCHUWING
    Plaats tijdens het rijden geen hete
    dranken in de bekerhouders.

    S-Max

    Tafeltjes op de rugleuningen
    WAARSCHUWING
    Gebruik de tafeltjes niet tijdens het
    rijden. Controleer voordat u wegrijdt
    of de tafeltjes in de onderste stand
    zijn vergrendeld.

    E74130

    E72630

    147



  • Page 150

    Gemaksfuncties
    Opbergvakken voorin

    DASHBOARDKASTJE
    Gekoeld handschoenenkastje
    N.B.: U kunt het handschoenenkastje
    koelen met behulp van de lucht uit de
    airconditioning.

    E72978

    E70885

    OPBERGRUIMTES
    WAARSCHUWING
    Rijd niet met openstaande kleppen
    van de opbergvakken. Doe voordat
    u wegrijdt de klep dicht.

    E73704

    LET OP
    Bewaar geen voor warmte gevoelige
    voorwerpen en vloeistoffen in enig
    opbergvak.

    E72905

    148

    E72905



  • Page 151

    Gemaksfuncties
    Opbergvak onder de stoel

    Opbergvak onder de vloer
    WAARSCHUWING
    Wanneer u een kinderzitje op de
    tweede zitrij met een steun gebruikt,
    let er dan op dat de steun stevig op
    het paneel van de opbergruimte onder de
    vloer steunt. Zorg ervoor dat u het
    schuimrubber vulstuk correct binnen het
    opbergvak aanbrengt en dat u de steun
    correct monteert.

    1

    2
    E72981

    Opbergvakken tegen het dak
    WAARSCHUWING
    Plaats geen zware voorwerpen in de
    opbergvakken tegen het dak.
    LET OP
    E72585

    Overschrijd niet het maximum
    toelaatbaar gewicht van 1 kg voor het
    kleine opbergvak en 2 kg voor het
    grote opbergvak.

    Auto's met Premium audiosysteem
    LET OP
    Probeer het linker paneel niet te
    openen.

    E73067

    149



  • Page 152

    Gemaksfuncties
    WEGENKAARTOPBERGVAKKEN

    GLASHOUDER

    E75193

    GEHEUGENFUNCTIE
    E74686

    WAARSCHUWINGEN
    Controleer voordat u het
    stoelgeheugen activeert, of de
    onmiddellijke omgeving van de stoel
    vrij is van belemmeringen en dat de
    inzittenden niet met bewegende delen in
    aanraking kunnen komen.

    RUGLEUNINGTAFELTJES
    WAARSCHUWING
    Gebruik de tafeltjes niet tijdens het
    rijden. Controleer voordat u wegrijdt
    of de tafeltjes in de onderste stand
    zijn vergrendeld.

    Gebruik de geheugenfunctie niet
    tijdens het rijden.

    A

    B
    E86768

    A

    Schakelaars stoelverstelling Zie
    Elektrisch verstelbare stoelen
    (bladzijde 135).

    B

    Insteltoetsen geheugen

    E72630

    150



  • Page 153

    Gemaksfuncties
    In het geheugen kunnen maximaal vier
    verschillende stoelinstellingen en
    buitenspiegelstanden worden opgeslagen.
    Ook kan de kantelstand van de
    buitenspiegel tijdens het achteruitrijden
    worden opgeslagen. Zie Elektrisch
    verstelbare buitenspiegels (bladzijde
    83).

    Passieve oproep
    N.B.: Wanneer zich meer dan één passive
    key zich binnen de detectiezone bevindt, zal
    de geheugenfunctie de instellingen
    gebruiken van de sleutel die het eerst werd
    geprogrammeerd.
    Wanneer u de auto ontgrendeld met de
    afstandsbediening of door aan de
    portierkruk te trekken terwijl een passive
    key zich binnen de detectiezone bevindt,
    zullen de stoel en de spiegels in de stand
    worden versteld, die in de betreffende
    afstandsbediening of passive key is
    opgeslagen.

    Een stand in het geheugen opslaan
    Passieve instelling
    De auto slaat de standen van de stoel en
    de buitenspiegels in de vier
    afstandsbedieningen of de passive keys
    op. De volgende keer dat de auto wordt
    ontgrendeld, wordt de laatst gebruikte
    stand van de stoel en de buitenspiegels
    ingesteld.

    Actieve oproep
    Druk op de insteltoets voor de gewenste
    rijpositie. De stoel en de spiegels bewegen
    in de stand die onder de insteltoets is
    opgeslagen.

    Telkens bij het afzetten van het contact,
    worden de actuele standen van de stoel
    en de spiegels opgeslagen in de gebruikte
    afstandsbediening of passive key.

    Geheugen opnieuw programmeren
    Als het instellen van de stoelpositie wordt
    onderbroken (bijv. door een obstakel of
    een onderbreking van de voeding), dient u
    het geheugen opnieuw te programmeren.

    Actieve instelling
    1. Zet het contact aan.
    2. Stel de stoel en de buitenspiegels in de
    gewenste stand.
    3. Druk op de gewenste insteltoets B en
    houd deze ingedrukt tot ter bevestiging
    een gongsignaal klinkt.

    N.B.: Alle stroomverbruikers moeten zijn
    uitgeschakeld.
    1. Draai de contactsleutel in stand II.
    2. Bedien de schakelaar stoelverstelling
    om de stoel in de gewenste richting te
    bewegen tot deze stopt. Zie
    Elektrisch verstelbare stoelen
    (bladzijde 135). Er is een klikgeluid
    hoorbaar.
    3. Laat de schakelaar stoelverstelling los
    en houd de schakelaar direct daarna
    minstens 3 seconden in dezelfde
    richting gedrukt. Houd de schakelaar
    ingedrukt tot de stoel stopt bij de
    mechanische aanslag van de
    verstelrichting. Er is een klikgeluid
    hoorbaar.
    4. Laat de schakelaar stoelverstelling los.

    Een opgeslagen stoelstand
    oproepen
    N.B.: Druk, om de stoel tijdens het innemen
    van de stand te stoppen, een willekeurige
    schakelaar stoelverstelling, een
    geheugentoets of een spiegelschakelaar in.
    De stoel stopt ook met bewegen zodra de
    auto gaat rijden.

    151



  • Page 154

    Gemaksfuncties
    5. Bedien dezelfde schakelaar
    stoelverstelling minimaal 3 seconden
    in tegengestelde richting. Houd de
    schakelaar ingedrukt tot de stoel stopt
    bij de mechanische aanslag van de
    verstelrichting. Er is een klikgeluid
    hoorbaar.

    VLOERMATTEN
    WAARSCHUWING
    Wanneer de vloermatten worden
    gebruikt, zorg dan dat de
    vloermatten correct worden
    vastgemaakt met de correcte
    bevestigingselementen, zodat de matten
    geen invleod hebben op de bediening van
    de pedalen.

    KINDER OBSERVATIESPIEGEL

    E75192

    CD-WISSELAAR
    Deze bevindt zich onder de voorste
    passagiersstoel.

    AANSLUITING AUXILIARY
    INGANG
    De aansluiting vindt u in het
    dashboardkastje of de middenconsole.
    Zie Ingangsaansluiting (AUX IN)
    (bladzijde 307).

    USB-POORT
    De aansluiting vindt u in het
    dashboardkastje of de middenconsole.
    Zie Verbinding (bladzijde 337).

    152



  • Page 155

    Motor starten en stoppen
    N.B.: Laat, om te voorkomen dat de accu
    leegraakt, de contactsleutel niet te lang in
    deze stand staan.

    ALGEMENE INFORMATIE
    Algemene opmerkingen over het
    starten

    II Het contact staat aan. Alle elektrische
    circuits zijn ingeschakeld. Waarschuwingsen controlelampen branden. Dit is de stand
    waarin de sleutel moet staan tijdens het
    rijden. U moet deze stand ook kiezen
    wanneer de auto wordt gesleept.

    Als de accu losgekoppeld is geweest kan
    de motor, nadat de accukabels weer zijn
    aangesloten, een afwijkende
    draaikarakteristiek vertonen gedurende ca.
    8 kilometer.

    III Startmotor ingeschakeld. Laat de
    sleutel los zodra de motor aanslaat.

    De oorzaak is, dat het motormanagement
    zich weer aan de motor moet aanpassen.
    Ongebruikelijke rijkarakteristieken tijdens
    deze periode moeten worden genegeerd.

    SLEUTELLOOS STARTEN

    Motor starten door middel van
    slepen of duwen

    WAARSCHUWINGEN
    Het is mogelijk dat het keyless
    startsysteem niet werkt wanneer de
    sleutel zich te dicht bij metalen
    voorwerpen of elektronische apparaten,
    zoals een mobiele telefoon, bevindt.

    WAARSCHUWING
    Om beschadiging te voorkomen
    moet u uw auto niet aanduwen of
    aanslepen. Gebruik hulpstartkabels
    en een hulpaccu. Zie Starten met
    hulpstartkabels (bladzijde 263).

    Controleer altijd voordat u probeert
    uw auto in beweging te brengen of
    het stuurslot is uitgeschakeld. Zie
    Stuurwielblokkering (bladzijde 155).

    CONTACTSLOT

    N.B.: Het contact wordt na bepaalde tijd
    automatisch uitgeschakeld als de auto met
    ingeschakeld contact is achtergelaten. Dit
    om te voorkomen dat de voertuigaccu wordt
    ontladen.

    WAARSCHUWING
    Draai nooit de sleutel in de stand 0
    of I terug zolang de auto nog in
    beweging is.

    N.B.: Om het contact in te schakelen en de
    motor te starten moet zich een geldige
    passive key in de auto bevinden.
    N.B.: Druk het rempedaal of
    koppelingspedaal, afhankelijk van het type
    versnellingsbak, volledig in om de motor te
    starten.

    E72128
    0 Contact uitgeschakeld.
    I De ontsteking en alle hoofdcircuits zijn
    uitgeschakeld.

    E85766

    153



  • Page 156

    Motor starten en stoppen
    Contact aan

    Motor slaat niet aan.

    Druk de toets eenmaal in. Alle elektrische
    circuits zijn operationeel, de
    waarschuwings- en controlelampjes
    branden.

    Het startsysteem met passive key werkt
    niet indien:
    • De frequenties van de passive key
    worden verstoord.
    • De batterij in de passive key leeg is.

    Motor starten bij uitvoeringen met
    handgeschakelde versnellingsbak

    Volg de volgende procedure wanneer de
    motor niet kan worden gestart.

    N.B.: Door tijdens het starten het
    koppelingspedaal op te laten komen, wordt
    de startmotor uitgeschakeld maar blijft het
    contact aan.

    Type 1

    1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
    2. Druk de knop kortstondig in.
    3. Als de motor niet start, trap het
    rempedaal en het koppelingspedaal
    dan volledig in.

    Motor starten bij uitvoeringen met
    automatische transmissie
    N.B.: Door tijdens het starten het
    rempedaal op te laten komen, wordt de
    startmotor uitgeschakeld maar blijft het
    contact aan.

    E87382

    1. Zet de keuzehendel in stand "P" of "N".
    2. Druk het rempedaal volledig in.
    3. Druk de knop kortstondig in.

    1.

    Houd de passive key precies zoals is
    weergegeven naast de stuurkolomkap.
    2. Met de sleutel in deze stand kunt u de
    knop gebruiken om het contact aan te
    zetten en de motor te starten.

    Een dieselmotor starten
    N.B.: De startmotor kan pas worden
    ingeschakeld wanneer de het voorgloeien
    is voltooid. Onder extreem koude
    omstandigheden kan dit enkele seconden
    duren.
    N.B.: Houd het koppelings- of rempedaal
    ingetrapt tot de motor wordt gestart.

    154



  • Page 157

    Motor starten en stoppen
    Motor stoppen bij stilstaande auto

    Type 2

    N.B.: Het contact, alle elektrische circuits,
    waarschuwings- en controlelampen worden
    uitgeschakeld.
    Handgeschakelde versnellingsbak
    Druk de knop kortstondig in.
    Automatische transmissie
    1. Zet de keuzehendel in de stand "P".
    2. Druk de knop kortstondig in.

    Motor uitschakelen bij rijdende
    auto
    E87381

    1.

    WAARSCHUWING

    Werk voorzichtig de kap los.

    Het uitschakelen van de motor terwijl
    de auto nog rijdt, resulteert in het
    verlies van de rem- en
    stuurbekrachtiging. De stuurinrichting
    wordt niet geblokkeerd, maar er is meer
    stuurkracht vereist. Wanneer het contact
    wordt uitgeschakeld, kunnen ook sommige
    elektrische circuits, waarschuwings- en
    controlelampjes uitgeschakeld worden.
    Houd de knop twee seconden ingedrukt of
    druk hier driemaal binnen drie seconden
    op.
    E85767

    STUURWIELBLOKKERING

    2. Steek de sleutel in het sleutelhouder.

    WAARSCHUWING
    Controleer altijd voordat u probeert
    uw auto in beweging te brengen of
    het stuurslot is uitgeschakeld.
    E85766

    Uitvoeringen zonder keyless
    startsysteem

    3. Met de sleutel in deze stand kunt u de
    knop indrukken om het contact aan te
    zetten en de motor te starten.

    Stuurslot activeren:
    1. Neem de sleutel uit het contactslot.
    2. Draai het stuurwiel.

    155



  • Page 158

    Motor starten en stoppen
    Uitvoeringen met keyless
    startsysteem

    N.B.: Door tijdens het starten het
    koppelingspedaal op te laten komen, kan
    de startmotor uitgeschakeld maar blijft het
    contact aan.

    N.B.: Het stuurslot wordt niet geactiveerd
    bij ingeschakeld contact of wanneer met de
    auto wordt gereden.

    1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
    2. Start de motor.

    Uw auto is uitgerust met een elektronisch
    bediend stuurslot. Deze werkt
    automatisch.

    Auto's met automatische transmissie
    N.B.: Raak het gaspedaal niet aan.

    Het stuurslot wordt na een korte periode
    geactiveerd nadat de auto is geparkeerd
    en de passieve sleutel zich buiten de auto
    bevindt.

    N.B.: Door tijdens het starten het
    rempedaal op te laten komen, kan de
    startmotor uitgeschakeld maar blijft het
    contact aan.

    Stuurslot deactiveren

    1. Zet de keuzehendel in stand "P" of "N".
    2. Druk het rempedaal volledig in.
    3. Start de motor.

    Schakel het contact in of:
    Uitvoeringen met automatische
    transmissie
    • Trap het rempedaal in.

    Alle auto's

    Auto's met handgeschakelde
    versnellingsbak
    • Trap het koppelingspedaal in.

    Wacht even wanneer de motor niet
    aanslaat, en probeer het opnieuw.
    Als de motor na drie startpogingen nog niet
    is aangeslagen, wacht dan 10 seconden en
    ga te werk zoals is beschreven onder
    Verzopen motor.

    EEN BENZINEMOTOR
    STARTEN

    Levert het starten bij temperaturen lager
    dan -25 °C problemen op, druk het
    gaspedaal dan tot het middenpunt van de
    pedaalslag in en probeer het opnieuw.

    N.B.: De startmotor kan slechts een
    beperkte periode worden bediend
    (bijvoorbeeld 10 seconden). Het aantal
    startpogingen is beperkt tot ongeveer zes.
    Als deze limiet wordt overschreden, dan laat
    het systeem pas nieuwe pogingen toe nadat
    een periode is verstreken (bijvoorbeeld 30
    minuten). In het display wordt een bericht
    weergegeven. Zie Infoberichten (bladzijde
    109).

    Verzopen motor
    Auto's met handgeschakelde
    versnellingsbak
    1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
    2. Druk het gaspedaal volledig in en houd
    het ingedrukt.
    3. Start de motor.

    Koude of warme motor
    Auto's met handgeschakelde
    versnellingsbak

    Auto's met automatische transmissie
    1. Zet de keuzehendel in stand "P" of "N".
    2. Druk het gaspedaal volledig in en houd
    het ingedrukt.

    N.B.: Raak het gaspedaal niet aan.

    156



  • Page 159

    Motor starten en stoppen
    3. Druk het rempedaal volledig in.
    4. Start de motor.

    Indien de buitentemperatuur lager dan
    -10°C blijft, is het raadzaam ongelode
    benzine met een octaangetal van 95 bij te
    tanken indien de tank niet geheel gevuld
    is. Ongeveer 10 liter benzine brengt de
    verhouding bio-ethanol E85 in een ¾
    gevulde tank van 85% naar 70% terug,
    waardoor de koude-starteigenschappen
    aanzienlijk worden verbeterd.

    Alle auto's
    Slaat de motor niet aan, herhaal dan de
    startprocedure zoals beschreven onder
    Koude of warme motor.

    Stationair toerental na het starten

    Indien bij zeer lage buitentemperaturen de
    tank alleen is gevuld met E85 en er geen
    motorblokverwarming kan worden
    gebruikt, kunt u moeilijkheden ondervinden
    bij het starten van de motor.

    Het stationaire toerental waarmee de
    motor direct na het aanslaan draait, is
    afhankelijk van de motortemperatuur.
    Het stationaire toerental neemt
    automatisch toe wanneer de motor koud
    is (dit om de katalysator op te warmen).
    Zo worden de voertuigemissies tot een
    absoluut minimum beperkt.

    Indien de motor niet wil aanslaan, ga dan
    als volgt te werk:
    1. Trap het gaspedaal volledig in.
    2. Zet de contactsleutel in stand III.

    Het stationaire toerental neemt langzaam
    tot normaal af zodra de katalysator
    opwarmt.

    LET OP
    Laat de sleutel los zodra de motor
    aanslaat.

    EEN BENZINEMOTOR
    STARTEN - FLEX FUEL (FF,
    ETHANOL)

    3. Laat het gaspedaal langzaam
    opkomen nadat de motor vijf seconden
    draait of terwijl het motortoerental
    toeneemt.

    Voor algemene informatie bij het starten
    van een benzinemotor. Zie Een
    benzinemotor starten (bladzijde 156).

    Als de motor niet wordt gestart, herhaal
    dan stap 1, 2 en 3 of sluit een
    motorblokverwarming gedurende twee
    uren aan alvorens de motor te starten.

    Starten bij lage
    buitentemperaturen

    Tijdens het starten worden de
    inspuitventielen buiten werking gesteld
    zolang het gaspedaal is ingedrukt. Dit kan
    worden gebruikt om het teveel aan
    brandstof na enkele mislukte
    startpogingen uit het inlaatspruitstuk te
    verwijderen.

    Indien de buitentemperatuur lager is dan
    -10°C en de tank E85 bevat, moet een
    motorblokverwarming worden gebruikt om
    het starten te vergemakkelijken. Zie
    Motorblokverwarming (bladzijde 159).
    Gebeurt dit niet, dan kan de motor niet
    worden gestart.

    Indien de accu losgekoppeld is geweest of
    nadat een ander soort brandstof is getankt,
    kan de motor met een onregelmatig
    stationair toerental draaien. Dit herstelt
    zich na 10 tot 30 seconden.

    157



  • Page 160

    Motor starten en stoppen
    Regeneratie

    EEN DIESELMOTOR STARTEN

    WAARSCHUWING

    Koude of warme motor

    Laat de motor niet stationair draaien
    of parkeer de auto niet op droge
    bladeren, droog gras of ander
    brandbaar materiaal. Het
    DPF-regeneratieproces werkt met
    bijzonder hoge uitlaatgastemperaturen en
    na het afzetten van de motor en tijdens en
    na DPF-regeneratie blijft de uitlaat een
    aanzienlijke hoeveelheid hitte uitstralen.
    Hierdoor ontstaat het gevaar van brand.

    Alle auto's
    N.B.: Wanneer de temperatuur lager is dan
    -15°C, mag u de startmotor 25 seconden
    achtereen inschakelen.
    N.B.: Schakel de startmotor in totdat de
    motor aanslaat.
    N.B.: U kunt de startmotor per startpoging
    slechts maximaal 30 seconden inschakelen.
    Zet het contact aan en wacht tot
    de controlelamp van het
    voorgloeisysteem uitgaat.

    LET OP
    U dient te voorkomen dat de
    brandstof opraakt.

    Auto's met handgeschakelde
    versnellingsbak

    N.B.: Tijdens regeneratie bij een laag
    toerental of stationaire motor kan een hete
    metaalachtige lucht worden geroken en is
    wellicht een klikkend metaalachtig geluid
    hoorbaar. Dit wordt veroorzaakt door de
    tijdens de regeneratie bereikte hoge
    temperaturen en dit is normaal.

    N.B.: Raak het gaspedaal niet aan.
    1. Druk het koppelingspedaal volledig in.
    2. Start de motor.
    Auto's met automatische transmissie

    N.B.: Nadat de motor is afgezet draaien de
    ventilatoren wellicht nog een korte periode
    door.

    1. Schakel park of neutral in.
    2. Druk het rempedaal volledig in.
    3. Start de motor.

    In tegenstelling tot een gewoon filter, dat
    regelmatig vervangen moet worden, is het
    DPF zodanig ontworpen dat het
    regenereert (zichzelf reinigt) om
    doeltreffend te blijven. Het
    regeneratieproces vindt automatisch
    plaats. Onder sommige rijomstandigheden
    moet u echter het regeneratieproces
    ondersteunen.

    DIESELROETFILTER
    Het DPF is een onderdeel van het
    uitlaatgasemissiesysteem van uw auto.
    Het zuivert de uitlaatgassen van
    schadelijke roetdeeltjes bij auto's met
    dieselmotor.

    Als u alleen korte afstanden aflegt of uw
    tijdens het rijden regelmatig stopt en start
    (met verhoogd accelereren en
    decelereren), dan zal een enkele keer rijden
    onder de volgende omstandigheden het
    regeneratieproces ondersteunen:

    158



  • Page 161

    Motor starten en stoppen







    Rijd tot 20 minuten met een constante
    snelheid, bij voorkeur op een hoofdweg
    of snelweg.
    Voorkom langdurig stationair draaien
    en neem altijd snelheidslimieten en het
    type wegdek in acht.
    Zet de auto niet van contact.
    Kies zo nodig een lagere versnelling dan
    normaal om tijdens deze rit een hoger
    motortoerental te verkrijgen.

    MOTOR UITSCHAKELEN
    E97918

    Auto's met turbocompressor

    Sluit de motorverwarming 2 tot 3 uur aan,
    voordat u de motor start.

    LET OP
    Zet de motor niet af wanneer deze
    met een hoog toerental draait. Als de
    motor bij een hoog toerental wordt
    afgezet, zal de turbocompressor nog
    draaien nadat de oliedruk al tot nul is
    gedaald. Dit heeft vroegtijdige slijtage van
    de compressorlagers tot gevolg.
    Laat het gaspedaal los. Wacht tot de
    motor stationair draait en zet de motor af.

    MOTORBLOKVERWARMING
    LET OP
    Onkoppel de voedingskabel van de
    aansluiting van de motorverwarming
    alvorens weg te rijden.
    N.B.: De stekker van de motorverwarming
    bevindt zich in de radiateurgrille aan de
    voorzijde van uw auto.

    159



  • Page 162

    Start/stop knop
    N.B.: Het systeem werkt alleen wanneer de
    motor de normale bedrijfstemperatuur heeft
    bereikt en de buitentemperatuur tussen 0
    °C en 30 °C ligt.

    WERKING
    LET OP
    Voor auto's met
    start/stop-schakelaar verschillen de
    accuvereisten. De accu moet worden
    vervangen door een accu met exact
    dezelfde specificatie als de originele.

    N.B.: Als u de motor laat afslaan en
    vervolgens binnen een paar seconden het
    koppelingspedaal intrapt, dan wordt de
    motor automatisch opnieuw gestart.
    N.B.: De start/stop-indicatielamp brandt
    groen wanneer de motor wordt
    uitgeschakeld. Zie Waarschuwings- en
    indicatielampen (bladzijde 92).

    Het systeem verlaagt het
    brandstofverbruik en de CO2-emissies
    door de motor uit te schakelen wanneer
    de auto stationair draait, bijvoorbeeld bij
    verkeerslichten. De motor wordt
    automatisch opnieuw gestart wanneer de
    bestuurder het koppelingspedaal intrapt
    of wanneer een voertuigsysteem dit
    aanvraagt, bijvoorbeeld voor het laden van
    de accu.

    N.B.: De start/stop-indicatielamp knippert
    oranje, wat aanduidt dat u neutraal moet
    selecteren of het koppelingspedaal moet
    intrappen. Hierbij wordt een bericht op de
    display weergegeven.
    N.B.: Als het systeem een storing heeft
    geregistreerd wordt dit uitgeschakeld. Laat
    het systeem onmiddellijk door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    Om maximaal voordeel uit het systeem te
    halen, moet de keuzehendel in de neutrale
    stand worden gezet en het
    koppelingspedaal bij een stop van langer
    dan drie seconden worden losgelaten.

    N.B.: Wanneer u het systeem heeft
    uitgeschakeld, is de schakelaar verlicht.
    N.B.: Het systeem is standaard
    ingeschakeld. Druk op de schakelaar in het
    instrumentenpaneel om het systeem uit te
    schakelen. Het systeem wordt alleen
    gedeactiveerd gedurende de huidige
    contactcyclus. Druk nogmaals op de
    schakelaar om het systeem in te schakelen.
    Voor locatie. Zie In één oogopslag
    (bladzijde 11).

    START/STOP KNOP
    GEBRUIKEN
    WAARSCHUWINGEN
    Indien het systeem dit vereist, kan de
    motor automatisch opnieuw worden
    gestart. Zie Werking (bladzijde 160).
    Schakel het contact uit voordat de
    motorkap wordt geopend of
    onderhoudswerkzaamheden worden
    uitgevoerd.

    Motor afzetten

    Schakel altijd het contact uit voordat
    u uit de auto stapt, want het systeem
    kan de motor wel uitgeschakeld
    hebben, maar het contact is nog steeds
    ingeschakeld.

    1. Stop de auto.
    2. Zet de keuzehendel in de
    neutraalstand.
    3. Laat het koppelingspedaal los.
    4. Laat het gaspedaal los.

    160



  • Page 163

    Start/stop knop
    Het systeem zet de motor wellicht niet af
    onder bepaalde omstandigheden,
    bijvoorbeeld:









    Om het interieurklimaat te behouden.
    Lage accuspanning.
    De buitentemperatuur is te laag of te
    hoog.
    Het bestuurdersportier is geopend.
    Lage bedrijfstemperatuur motor.
    Weinig vacuüm in remsysteem.
    Als een snelheid van 5 km/u niet is
    overschreden.
    De veiligheidsgordel van de
    bestuurdersstoel is niet vastgemaakt.

    Motor starten
    N.B.: De keuzehendel moet in de
    neutraalstand staan.
    Druk het koppelingspedaal in.
    Het systeem kan de motor onder bepaalde
    omstandigheden weer starten,
    bijvoorbeeld:



    Lage accuspanning.
    Om het interieurklimaat te behouden.

    161



  • Page 164

    Eco-modus
    Anticipatie

    WERKING

    Door uw rijsnelheid aan te passen en de
    afstand tot voertuigen voor u aan te
    passen zodat hard remmen of versnellen
    niet nodig is, verbetert het
    brandstofverbruik.

    Het systeem assisteert de bestuurder bij
    het efficiënter rijden door voortdurend de
    karakteristieken van het schakelen, het
    anticiperen op verkeersomstandigheden
    en de snelheid op autosnelwegen en
    buitenwegen te controleren.

    Efficiënte snelheid

    N.B.: Deze rendementswaarden resulteren
    niet in een vaste brandstofverbruikswaarde.
    Deze kan namelijk variëren aangezien deze
    niet alleen samenhangt met de
    rijgewoonten, maar ook wordt beïnvloed
    door veel andere factoren zoals korte ritten
    en een koude start.

    Bij een hogere snelheid wordt meer
    brandstof verbruikt. Door uw kruissnelheid
    op buitenwegen te verlagen, verbetert het
    brandstofverbruik.

    Type 2 en 3
    De relevante informatie wordt in het
    informatiedisplay weergegeven.

    N.B.: Regelmatige korte ritten, waarbij de
    motor niet volledig op bedrijfstemperatuur
    komt, zullen het brandstofverbruik ook doen
    toenemen.

    ECO-MODUS GEBRUIKEN

    De waarde van deze karakteristieken wordt
    aangeduid door de bloemblaadjes in het
    display, waarbij vijf bloemblaadjes het
    efficiëntste is. Hoe efficiënter u rijdt, hoe
    beter deze waarde en hoe lager het totale
    brandstofverbruik.

    Toegang tot het systeem wordt verkregen
    m.b.v. het relevante
    informatiedisplaymenu. Zie Infodisplays
    (bladzijde 96).

    Type 1

    Reset het gemiddelde brandstofverbruik.

    Eco-modus resetten
    N.B.: Het berekenen van nieuwe waarden
    kan even duren.

    E121813

    A

    B

    A

    Schakelen

    B

    Anticipatie

    C

    Efficiënte snelheid

    C

    Schakelen
    Door de hoogst mogelijke versnelling voor
    de betreffende rijomstandigheden te
    gebruiken, verbetert het brandstofverbruik.

    162



  • Page 165

    Brandstof en tanken
    VEILIGHEIDSMAATREGELEN

    BRANDSTOFKWALITEIT - FLEX
    FUEL (FF, ETHANOL)

    WAARSCHUWINGEN
    Stop met tanken nadat het
    vulpistool voor de tweede keer is
    afgeslagen. Alle brandstof die u dan
    nog toevoegt vult de expansieruimte in de
    brandstoftank, hetgeen er toe kan leiden
    dat de brandstof overstroomt. Het morsen
    van brandstof kan gevaarlijk zijn voor
    andere weggebruikers.

    WAARSCHUWINGEN
    Breng geen wijzigingen aan het
    brandstofsysteem of onderdelen
    ervan aan.
    Vervang het brandstofsysteem of
    componenten ervan niet door
    onderdelen die niet specifiek zijn
    ontworpen voor gebruik van E85.

    Vermijd open vuur of hittebronnen in
    de nabijheid van het
    brandstofsysteem. Het
    brandstofsysteem staat onder druk.
    Wanneer het brandstofsysteem lekt,
    bestaat het gevaar van verwonding.

    LET OP
    Gebruik geen gelode benzine of
    benzine met additieven die andere
    metallische bestanddelen (bijv. op
    mangaan gebaseerd) bevat. Deze kunnen
    het emissiesysteem beschadigen.

    BRANDSTOFKWALITEIT BENZINE

    Gebruik geen methanol in plaats van
    E85.

    LET OP

    N.B.: Gebruik uitsluitend brandstof van
    hoge kwaliteit zonder additieven of andere
    toevoegingen.

    Gebruik geen gelode benzine of
    benzine met additieven die andere
    metallische bestanddelen (bijv. op
    mangaan gebaseerd) bevat. Deze kunnen
    het emissiesysteem beschadigen.

    N.B.: Tijdens gebruik van E85 kan het
    brandstofverbruik hoger zijn.
    N.B.: De auto functioneert naar behoren op
    commerciële ongelode benzine met
    octaangetal 95. E85 van een hoge kwaliteit
    levert echter dezelfde bescherming en
    prestaties.

    N.B.: Gebruik uitsluitend brandstof van
    hoge kwaliteit zonder additieven of andere
    toevoegingen.
    Gebruik ongelode benzine met een
    minimum octaangetal van 95 die voldoet
    aan de specificatie EN 228, of een
    equivalent volgens nationale specificatie.

    Gebruik ongelode benzine met een
    minimum octaangetal van 95 die
    voldoet aan de specificatie EN 228, of een
    equivalent. U kunt tevens een mengsel van
    ongelode benzine en E85 gebruiken.

    Uw auto is geschikt voor ethanolmengsels
    tot 10% (E5 en E10).

    163



  • Page 166

    Brandstof en tanken
    Opslaan voor de lange termijn

    Opslaan voor de lange termijn

    Vanwege kleine hoeveelheden
    corrosiebevorderende verontreinigingen in
    E85 wordt aanbevolen de tank alleen te
    vullen met ongelode benzine met een
    octaangetal van 95 alvorens de auto voor
    een langere periode niet te gebruiken.

    De meeste dieselbrandstoffen bevatten
    biodiesel; wanneer uw voertuig lange tijd
    niet wordt gebruikt (meer dan twee
    maanden), dan wordt aanbevolen de tank
    enkel met diesel op aardoliebasis (indien
    beschikbaar) te vullen of een antioxidant
    aan de biodiesel toe te voegen. Uw dealer
    kan u helpen met een geschikte
    antioxidant.

    BRANDSTOFKWALITEIT DIESEL

    KATALYSATOR

    WAARSCHUWING
    Meng de dieselolie niet met olie,
    benzine of andere vloeistoffen. Deze
    kunnen een chemische reactie
    veroorzaken.

    WAARSCHUWING
    Laat de motor niet stationair draaien
    of parkeer de wagen niet op droge
    bladeren, droog gras of ander
    brandbaar materiaal. Tijdens het gebruik
    van de motor en na het afzetten van de
    motor straalt het uitlaatsysteem veel
    warmte uit. Hierdoor ontstaat het gevaar
    van brand.

    LET OP
    Voeg geen kerosine, paraffine of
    petroleum aan de dieselolie toe. Deze
    kunnen het brandstofsysteem
    beschadigen.

    Rijden met een auto met
    katalysator

    Gebruik dieselolie die voldoet aan de
    specificatie EN 590, of de
    betreffende nationale specificatie.

    LET OP
    Zorg ervoor dat u de tank niet leeg
    rijdt.

    N.B.: We adviseren alleen brandstof van
    hoge kwaliteit te gebruiken.
    N.B.: Het gebruik van niet door Ford
    goedgekeurde additieven of andere
    motorbehandelingen worden door Ford
    afgeraden.

    Schakel de startmotor niet langdurig
    achtereen in.

    N.B.: Wij raden het langdurig gebruik van
    additieven af die vlokvorming moeten
    voorkomen.

    Sleep of duw de auto niet aan.
    Gebruik hulpstartkabels. Zie Starten
    met hulpstartkabels (bladzijde 263).

    Laat de motor niet met een
    losgekoppelde bougiekabel draaien.

    Zet het contact tijdens het rijden niet
    af.

    164



  • Page 167

    Brandstof en tanken
    TANKKLEP
    WAARSCHUWINGEN
    Voorkom dat tijdens het tanken
    brandstof wordt gemorst, die zich in
    het vulpistool bevindt.

    A

    Vermijd open vuur of hittebronnen in
    de nabijheid van het
    brandstofsysteem. Het
    brandstofsysteem staat onder druk.
    Wanneer het brandstofsysteem lekt,
    bestaat het gevaar van verwonding.
    E139202

    LET OP

    N.B.: Wanneer u het vulpistool plaatst,
    opent een veerbelaste klep wanneer de
    correcte vulpistooldiameter wordt
    geregistreerd. Hierdoor wordt voorkomen
    dat onjuiste brandstof wordt getankt.

    Wanneer u een hogedrukspuit
    gebruikt om uw auto te wassen, spuit
    dan kort op de brandstofvulklep vanaf
    een afstand van niet minder dan 200
    millimeter.

    2. Breng het vulpistool tot en met de
    eerste nok op het vulpistool A in. Laat
    het rusten op de afdekking van de
    vulbuis.

    N.B.: Met het centraal
    vergrendelingssysteem wordt ook de klep
    van de brandstofvulopening vergrendeld en
    ontgrendeld. Zie Vergrendelen en
    ontgrendelen (bladzijde 42).

    WAARSCHUWING
    Stop met tanken nadat het
    vulpistool voor de tweede keer is
    afgeslagen. Alle brandstof die u dan
    nog toevoegt vult de expansieruimte in de
    brandstoftank, hetgeen er toe kan leiden
    dat de brandstof overstroomt. Het morsen
    van brandstof kan gevaarlijk zijn voor
    andere weggebruikers.

    E86613

    1.

    Druk op de klep om deze te openen.
    Open de klep volledig tot hij
    vergrendelt.

    165



  • Page 168

    Brandstof en tanken
    WAARSCHUWINGEN
    Verwijder tijdens de gehele
    tankprocedure het vulpistool niet uit
    de volledig geplaatste positie.

    A

    B

    E139203

    A

    Incorrecte positie

    B

    Correcte positie

    E119081

    5. Til het vulpistool licht op om het te
    verwijderen.

    3. Til tijdens het tanken het vulpistool niet
    op. Dit kan de brandstofstroom
    beïnvloeden en het vulpistool afsluiten
    voordat de brandstoftank vol is.

    Tanken met een jerrycan
    Gebruik de trechter in de opbergruimte
    onder de vloer achter de voorstoelen. Zie
    Opbergruimtes (bladzijde 148).

    TANKEN
    LET OP
    Probeer niet de motor te starten
    wanneer u de tank met de onjuiste
    brandstofsoort hebt gevuld. Hierdoor
    kan de motor worden beschadigd. Laat het
    systeem onmiddellijk door een geschoolde
    monteur controleren.
    E139355

    TANKEN - FLEX FUEL (FF,
    ETHANOL)

    4. Bedien het vulpistool binnen de
    getoonde gebieden.
    WAARSCHUWINGEN
    Wij raden aan het vulpistool
    langzaam uit de vulbuis te halen,
    zodat alle achtergebleven brandstof
    in de brandstoftank kan stromen. Er kan
    ook 10 seconden worden gewacht alvorens
    het vulpistool uit de vulbuis te halen.

    LET OP
    Probeer niet de motor te starten
    wanneer u de tank met de onjuiste
    brandstofsoort hebt gevuld. Hierdoor
    kan de motor worden beschadigd. Laat het
    systeem onmiddellijk door een geschoolde
    monteur controleren.

    166



  • Page 169

    Brandstof en tanken
    Laat de motor na het tanken 5 minuten
    met een rijsnelheid van boven de 48 km/h
    werken om het risico van een langere
    herstarttijd van de motor te verkleinen.

    Deze gegevens zijn bedoeld voor het
    vergelijken van merken en modellen. Ze
    zijn niet bedoeld als weergave van het
    werkelijke brandstofverbruik van uw
    wagen. Het werkelijke brandstofverbruik
    wordt door vele factoren bepaald,
    waaronder de rijstijl, rijden met hoge
    snelheden, starten/stoppen, gebruik van
    de airconditioning, de gemonteerde
    accessoires, rijden met een aanhanger, enz.

    BRANDSTOFVERBRUIK
    De CO2 waarden en de
    brandstofverbruikcijfers zijn afgeleid van
    laboratoriumtests volgens EEC richtlijn
    80/1268/EEC en aanvullingen daarop.
    Deze richtlijnen worden door alle
    automobielfabrikanten aangehouden.

    Uw Ford dealer dient u gaarne van advies
    hoe u het brandstofverbruik kunt verlagen.

    TECHNISCHE SPECIFICATIE
    S-MAX
    Brandstofverbruikscijfers
    Stadsverkeer

    Buitenweg

    Gecombineerd

    CO2-emissie

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    g/km

    1.6L EcoBoost (118 kW/160
    pk), handgeschakelde 6versnellingsbak

    9,4 (30,1)

    5,7 (49,6)

    7 (40,4)

    164

    2.0L Duratec-HE fase IV
    (107 kW/145 pk), handgeschakelde 5-versnellingsbak

    11 (25,7)

    6,4 (44,1)

    8,1 (34,9)

    194

    2.0L Duratec-HE fase V (107
    kW/145 pk), handgeschakelde 5-versnellingsbak

    11,3 (25)

    6,4 (44,1)

    8,2 (34,4)

    189

    2.0L EcoBoost (149 kW/203
    pk), handgeschakelde 6versnellingsbak

    11,2 (25,2)

    6,4 (44,1)

    8,1 (34,9)

    188

    2.0L EcoBoost (177 kW/240
    pk), handgeschakelde 6versnellingsbak

    11,2 (25,2)

    6,4 (44,1)

    8,1 (34,9)

    188

    Variant

    167



  • Page 170

    Brandstof en tanken

    Stadsverkeer

    Buitenweg

    Gecombineerd

    CO2-emissie

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    g/km

    2.0L EcoBoost (149 kW/203
    pk), 6-traps automatische
    transmissie

    11 (25,7)

    6,4 (44,1)

    8,1 (34,9)

    189

    2.0L EcoBoost (177 kW/240
    pk), 6-traps automatische
    transmissie

    11,5 (24,6)

    6,5 (43,5)

    8,3 (34)

    194

    2.3L Duratec-HE (118
    kW/160 pk), 6-traps automatische transmissie

    13,7 (20,6)

    7,4 (38,2)

    9,7 (29,1)

    232

    1.6L Duratorq-TDCi (85
    kW/115 pk), handgeschakelde 6-versnellingsbak
    zonder start/stop-systeem

    6,2 (45,6)

    5 (56,5)

    5,4 (52,3)

    144

    1.6L Duratorq-TDCi (85
    kW/115 pk), handgeschakelde 6-versnellingsbak met
    start/stop-systeem

    5,9 (47,9)

    4,9 (57,6)

    5,2 (54,3)

    139

    2.0L Duratorq-TDCi -DW
    fase IV (103 kW/140 pk),
    Durashift handgeschakelde
    6-versnellingsbak

    7,7 (36,7)

    5 (56,5)

    6 (47,1)

    159

    2.0L Duratorq-TDCi -DW
    fase V, Durashift handgeschakelde 6-versnellingsbak

    6,7 (42,2)

    4,7 (60,1)

    5,4 (52,3)

    143

    2.0L Duratorq-TDCi -DW
    fase IV (103 kW/140 pk), 6traps automatische transmissie

    9,7 (29,1)

    5,7 (49,6)

    7,2 (39,2)

    189

    Variant

    168



  • Page 171

    Brandstof en tanken

    Stadsverkeer

    Buitenweg

    Gecombineerd

    CO2-emissie

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    g/km

    2.0L Duratorq-TDCi -DW
    fase V (120 kW/163 pk), 6traps automatische transmissie

    7,4 (38,2)

    5,2 (54,3)

    6 (47,1)

    159

    2.2L Duratorq-TDCi -DW
    fase IV (129 kW/175 pk),
    Durashift handgeschakelde
    6-versnellingsbak

    8,9 (31,7)

    5,2 (54,3)

    6,6 (42,8)

    174

    2.2L Duratorq-TDCi -DW
    (147 kW/200 pk)

    8,2 (34,4)

    5,7 (49,6)

    6,6 (42,8)

    174

    Stadsverkeer

    Buitenweg

    Gecombineerd

    CO2-emissie

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    g/km

    1.6L EcoBoost (118 kW/160
    pk), handgeschakelde 6versnellingsbak

    9,7 (29)

    5,8 (48,7)

    7,2 (39,2)

    169

    2.0L Duratec-HE fase IV
    (107 kW/145 pk), handgeschakelde 5-versnellingsbak

    11,2 (25,2)

    6,5 (43,5)

    8,2 (34,4)

    197

    2.0L Duratec-HE fase V (107
    kW/145 pk), handgeschakelde 5-versnellingsbak

    11,3 (25)

    6,4 (44,1)

    8,2 (34,4)

    189

    2.0L EcoBoost (149 kW/203
    pk), 6-traps automatische
    transmissie

    11 (25,7)

    6,4 (44,1)

    8,1 (34,9)

    189

    2.3L Duratec-HE -MI4 (118
    kW/160 pk), 6-traps automatische transmissie

    13,8 (20,5)

    7,5 (37,7)

    9,8 (28,8)

    235

    Variant

    Galaxy
    Brandstofverbruikscijfers

    Variant

    169



  • Page 172

    Brandstof en tanken

    Stadsverkeer

    Buitenweg

    Gecombineerd

    CO2-emissie

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    l/100 km
    (mpg)

    g/km

    1.6L Duratorq-TDCi fase V
    (85 kW/115 pk), handgeschakelde 6-versnellingsbak
    zonder start/stop-systeem

    6,2 (45,6)

    5 (56,5)

    5,4 (52,3)

    144

    1.6L Duratorq-TDCi fase V
    (85 kW/115 pk), handgeschakelde 6-versnellingsbak met
    start/stop-systeem

    5,9 (47,9)

    4,9 (57,6)

    5,2 (54,3)

    139

    2.0L Duratorq-TDCi fase IV
    (103 kW/140 pk), Durashift
    handgeschakelde 6versnellingsbak

    7,7 (36,7)

    5 (56,5)

    6 (47,1)

    159

    2.0L Duratorq-TDCi fase V,
    Durashift handgeschakelde
    6-versnellingsbak

    6,7 (42,2)

    4,7 (60,1)

    5,4 (52,3)

    143

    2.0L Duratorq-TDCi fase IV
    (100 kW/140 pk), 6-traps
    automatische transmissie

    9,7 (29,1)

    5,7 (49,6)

    7,2 (39,2)

    189

    2.0L Duratorq-TDCi fase V
    (120 kW/163 pk), 6-traps
    automatische transmissie

    7,4 (38,2)

    5,2 (54,3)

    6 (47,1)

    159

    2.2L Duratorq-TDCi -DW
    fase IV (129 kW/175 pk),
    Durashift handgeschakelde
    6-versnellingsbak

    9,1 (31)

    5,3 (53,3)

    6,7 (42,2)

    179

    8,4 (33,6)

    5,8 (48,7)

    6,8 (41,5)

    179

    Variant

    2.2L Duratorq-TDCi -DW
    (147 kW/200 pk)

    170



  • Page 173

    Versnellingsbak/transmissie
    HANDGESCHAKELDE
    VERSNELLINGSBAK

    AUTOMATISCHE
    TRANSMISSIE
    Keuzehendelstanden

    LET OP

    S

    Schakel de achteruit niet in wanneer
    de wagen in beweging is. Dit kan
    inwendige schade aan de
    versnellingsbak veroorzaken.

    E80836
    E99067

    P

    Parkeerstand

    Bij sommige auto's moet de kraag omhoog
    worden gebracht tijdens inschakelen van
    de achteruit.

    R

    Achteruit

    N

    Neutraal

    D

    Rijden

    S

    Sportmodus en handmatig
    schakelen
    WAARSCHUWING

    Druk het rempedaal in voordat u de
    keuzehendel verplaatst; houd het
    rempedaal ingedrukt tot u klaar bent
    om weg te rijden.
    N.B.: Wanneer de motor koud is, is het
    stationaire toerental hoger. Daarom heeft
    de wagen meer de neiging te gaan kruipen
    wanneer u een rijstand hebt ingeschakeld.
    Druk de knop op de keuzehendel in om de
    achteruit en de parkeerstand te kunnen
    inschakelen.
    De stand van de keuzehendel wordt op het
    informatiedisplay weergegeven.

    171



  • Page 174

    Versnellingsbak/transmissie
    Parkeerstand

    Sportmodus en handmatig schakelen

    WAARSCHUWINGEN
    Schakel de parkeerstand alleen bij
    stilstaande auto in.

    1

    Trek voordat u de wagen verlaat
    de handrem aan en schakel de
    parkeerstand in. Controleer of de
    keuzehendel is vergrendeld.

    S

    N.B.: Een akoestisch waarschuwingssignaal
    klinkt wanneer u het bestuurdersportier
    opent en de parkeerstand niet hebt
    ingeschakeld.

    2

    In deze stand wordt geen kracht op de
    aangedreven wielen overgebracht en is de
    transmissie geblokkeerd. Wanneer de
    keuzehendel in deze stand staat, kan de
    motor worden gestart.

    S

    E80837
    N.B.: De transmissie schakelt alleen bij
    geschikte rijsnelheden en motortoerentallen.
    N.B.: Wanneer u de stand S kiest, schakelt
    de transmissie eventueel, afhankelijk van
    de gaspedaalstand in verhouding tot de
    rijsnelheid.

    Achteruit
    WAARSCHUWING
    Schakel de achteruit alleen bij
    stilstaande auto en bij stationair
    draaiende motor in.

    Activeer de sportmodus door de
    keuzehendel in de stand S te plaatsen. De
    sportmodus blijft actief tot u handmatig
    op- of terugschakelt.

    Neutraal

    Kies handmatig schakelen om handmatig
    alle voorwaartse versnellingen te
    gebruiken. Druk de keuzehendel naar voren
    om terug te schakelen en trek hem naar
    achteren om op te schakelen.

    In deze stand wordt geen kracht op de
    aangedreven wielen overgebracht, maar
    is de transmissie niet geblokkeerd.
    Wanneer de keuzehendel in deze stand
    staat, kan de motor worden gestart.

    Rijmodi

    Rijden

    De transmissie kiest een versnelling voor
    optimale prestaties, gebaseerd op de
    omgevingstemperatuur, het
    hellingspercentage van het wegdek, de
    belading van de auto en de handelingen
    van de bestuurder.

    Kies rijden om automatisch alle
    voorwaartse versnellingen te gebruiken.

    172



  • Page 175

    Versnellingsbak/transmissie
    Tips voor het rijden met een
    automatische transmissie

    3

    Wegrijden
    1. Zet de handrem los.
    2. Laat het rempedaal opkomen en druk
    het gaspedaal in.

    4

    Stoppen

    2
    1

    1.

    Laat het gaspedaal opkomen en druk
    het rempedaal in.
    2. Schakel de parkeerrem in.
    Kickdown
    Druk het gaspedaal volledig in terwijl het
    keuzehendel in de rijstand staat om voor
    optimale prestaties de eerstvolgende
    lagere versnelling in te schakelen. Laat het
    gaspedaal opkomen wanneer kickdown
    niet langer is gewenst.

    Voorziening voor het ontgrendelen
    van de keuzehendel

    E81705

    In geval van een elektrische storing of bij
    een lege accu moet u een hefboom
    gebruiken om de keuzehendel uit de
    parkeerstand te verplaatsen.

    1.

    Steek een dun gereedschap in de
    opening.
    2. Draai het gereedschap 90 graden rond.
    3. Druk het gereedschap naar beneden
    om het frame los te drukken van het
    bekledingspaneel.
    4. Druk het frame naar beneden zodat de
    hendel loskomt en beweeg de
    keuzehendel uit de parkeerstand.
    5. Trek de kap omhoog tot het frame in
    het bekledingspaneel aangrijpt.
    N.B.: Wanneer de keuzehendel opnieuw in
    de stand P wordt geplaatst, moet deze
    procedure worden herhaald.

    173



  • Page 176

    Remmen
    Het ABS voorkomt geen risico's die
    ontstaan wanneer:
    • u te weinig afstand ten opzichte van
    voor u rijdend verkeer houdt;
    • de auto te maken krijgt met
    aquaplaning;
    • u bochten te snel neemt;
    • het wegdek slecht is.

    WERKING
    N.B.: Afhankelijk van de verkeerswetgeving
    van het land waarin uw auto oorspronkelijk
    is gebouwd, knipperen de remlichten
    wanneer u krachtig remt.
    N.B.: Zo nu en dan kunnen remgeluiden
    hoorbaar zijn. Dit is normaal en duidt niet
    op een storing. Bij de normale werking
    kunnen er zo nu en dan piep- of
    kraakgeluiden vanaf het systeem hoorbaar
    zijn wanneer de remmen worden bediend.
    Dergelijke geluiden worden meestal
    veroorzaakt door externe invloeden, zoals
    kou, warmte, vocht, stof op de weg, zout of
    modder.

    PARKEERREM
    Handrem aantrekken

    Schijfremmen
    Natte remschijven hebben een lagere
    wrijvingscoëfficiënt. Druk na het verlaten
    van een wasstraat het rempedaal even
    voorzichtig in om de waterfilm op de
    remschijven te laten verdampen.

    ABS
    WAARSCHUWING
    ABS is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.
    Het ABS voorkomt dat de wielen
    blokkeren, zelfs tijdens krachtig remmen,
    waardoor de auto in noodsituaties volledig
    bestuurbaar en stabiel blijft.

    E73224

    TIPS VOOR RIJDEN MET ABS

    WAARSCHUWING

    N.B.: Wanneer het systeem in werking is,
    pulseert het rempedaal en legt wellicht een
    langere weg af. Blijf het rempedaal
    indrukken. Er is tevens wellicht een geluid
    hoorbaar vanaf het systeem. Dit is normaal.

    Controleer of de handrem is
    aangetrokken voordat u de hefboom
    vrijzet.

    174



  • Page 177

    Remmen
    N.B.: Druk de knop niet in wanneer u de
    handrem aantrekt.

    N.B.: Onder bepaalde omstandigheden
    voert de EPB een automatische
    aantrekfunctie uit, bijvoorbeeld wanneer op
    een steile helling is geparkeerd met een
    geactiveerde EPB. Dit gebeurt ongeveer drie
    minuten nadat de EPB is geactiveerd.

    1. Trap het rempedaal stevig in.
    2. Trek de handremhefboom zo ver
    mogelijk naar boven.

    N.B.: Wanneer de EPB wordt geactiveerd
    en uitgeschakeld kunt u diverse geluiden
    waarnemen. Dit is normaal en geen reden
    tot ongerustheid.

    Op een helling parkeren
    Wanneer u op een helling moet parkeren
    met de voorzijde van de wagen
    hellingopwaarts, schakel dan de eerste
    versnelling in en draai dan de voorwielen
    van de trottoirband af. Wanneer u op een
    helling moet parkeren met de voorzijde van
    de wagen hellingafwaarts, schakel dan de
    achteruit in en draai dan de voorwielen
    naar de trottoirband toe.

    Parkeren op een helling
    Wanneer u op een helling moet parkeren
    met de voorzijde van de auto
    hellingopwaarts, schakel dan de eerste
    versnelling in en draai dan de voorwielen
    van de trottoirband af. Wanneer u op een
    helling moet parkeren met de voorzijde van
    de auto hellingafwaarts, schakel dan de
    achteruitversnelling in en draai dan de
    voorwielen naar de trottoirband toe.

    Handrem vrijzetten
    1. Druk het rempedaal stevig in.
    2. Trek de handremhefboom lichtjes aan,
    druk de knop in en druk de hefboom
    naar beneden.

    EPB inschakelen

    ELEKTRONISCHE
    PARKEERREM
    De elektrische parkeerrem (EPB) vervangt
    de conventionele handrem. Hij wordt
    bediend d.m.v. een schakelaar op de
    middenconsole.
    WAARSCHUWINGEN
    Schakel altijd de EPB in voordat u de
    auto verlaat.
    Auto's met handgeschakelde
    versnellingsbak moeten altijd met
    ingeschakelde eerste of
    achteruitversnelling worden geparkeerd.

    E70528

    Trek de schakelaar eenmaal omhoog om
    de EPB in te schakelen.
    Het controlelampje van het remsysteem
    gaat branden ter bevestiging dat de EPB
    is ingeschakeld.

    Auto's met een automatische
    transmissie moeten altijd worden
    geparkeerd met de keuzehendel in
    de stand P.

    175



  • Page 178

    Remmen
    N.B.: Het controlelampje van het
    remsysteem blijft korte tijd branden
    wanneer u de contactsleutel in de stand 0
    zet of verwijdert.

    Houd de schakelaar ingedrukt terwijl u het
    contact uitschakelt of wanneer u de sleutel
    uit het contactslot verwijdert.

    Automatisch inschakelen van de
    EPB

    Wanneer u bij het uitschakelen van
    het contact voorkomt dat de EPB
    wordt ingeschakeld, blijft deze
    uitgeschakeld wanneer u de sleutel uit het
    contactslot verwijdert.

    WAARSCHUWING

    WAARSCHUWING
    De EPB wordt niet automatisch
    ingeschakeld bij auto's met een
    sleutelloos start- of
    toegangssysteem. U moet de EPB
    activeren met de EPB-schakelaar.

    EPB inschakelen bij rijdende auto.
    WAARSCHUWING
    Schakel de EPB niet in wanneer de
    auto in beweging is - noodgevallen
    uitgezonderd (bijv. het rempedaal
    werkt niet of is geblokkeerd). In bochten,
    op slechte wegen of onder slechte
    weersomstandigheden, kan een noodstop
    ervoor zorgen dat de auto gaat slippen of
    van de weg raakt.

    Wanneer u het contact uitschakelt, blijft
    de instrumentengroep enkele minuten
    ingeschakeld.
    De EPB schakelt automatisch in wanneer
    u tijdens deze periode de sleutel uit het
    contactslot neemt.

    Automatische activering van de
    EPB voorkomen

    Wanneer u de EPB tijdens het rijden
    inschakelt, gaat het controlelampje van
    het remsysteem branden en klinkt er een
    waarschuwingssignaal.

    WAARSCHUWINGEN
    Verlaat de auto niet zonder de EPB
    te activeren. Bedenk dat wanneer u
    de schakelaar indrukt terwijl u de
    sleutel uit het contactslot neemt, de EPB
    niet wordt ingeschakeld.

    Bij snelheden boven 6 km/h wordt
    remkracht uitgeoefend zolang u de
    schakelaar in de stand AAN houdt. De EPB
    blijft ingeschakeld tot u de schakelaar
    loslaat of indrukt of het gaspedaal dieper
    indrukt.

    Zorg ervoor dat de wielen goed
    geblokkeerd zijn als u de auto met
    niet ingeschakelde EPB parkeert
    zodat hij niet kan wegrollen.

    De EPB uitschakelen
    Automatisch loszetten - loszetten bij
    het wegrijden (DAR)
    N.B.: Bij auto's met een automatische
    transmissie moet het bestuurdersportier
    worden gesloten en de veiligheidsgordel van
    de bestuurder worden vastgemaakt voordat
    het DAR werkt.

    E70529

    176



  • Page 179

    Remmen
    N.B.: Wanneer de
    EPB-waarschuwingslamp blijft branden,
    wordt de EPB niet automatisch losgezet. U
    moet de EPB loszetten m.b.v. de
    EPB-schakelaar.
    N.B.: De motor moet draaien en het
    gaspedaal moet worden ingetrapt alvorens
    DAR werkt.

    E70529

    N.B.: U moet het koppelingspedaal
    helemaal intrappen om DAR te laten
    werken.

    Houd het rempedaal ingedrukt en druk de
    schakelaar in.
    Het waarschuwingslampje van het
    remsysteem gaat uit ter bevestiging dat
    de EPB is uitgeschakeld.

    Schakel de eerste versnelling of de
    achteruit in. Rijd normaal weg door het
    gaspedaal in gaspedaal in te drukken en
    het koppelingspedaal te laten opkomen.
    De EPB schakelt automatisch uit.

    Optrekken met een aanhanger
    (uitvoeringen met handgeschakelde
    versnellingsbak)

    Het waarschuwingslampje van het
    remsysteem gaat uit ter bevestiging dat
    de EPB is uitgeschakeld.

    Afhankelijk van de hellingshoek en het
    gewicht van de aanhanger, kunnen de auto
    en de aanhanger iets naar achteren rollen
    wanneer u op een helling optrekt. Om dit
    voorkomen, schakelt u DAR uit en zet u de
    EPB als volgt handmatig los:

    N.B.: Wanneer bij auto's met een
    handgeschakelde versnellingsbak de
    versnellingshendel in neutraal staat
    wanneer u het koppelingspedaal laat
    opkomen en het gaspedaal indrukt, zal de
    EPB automatisch worden uitgeschakeld.

    1.

    Trek de schakelaar omhoog en houd
    hem in deze stand.
    2. Trek zoals gebruikelijk op en druk de
    schakelaar in wanneer u merkt dat de
    motor voldoende vermogen heeft om
    weg te rijden.

    N.B.: De EPB maakt het wegrijden op een
    helling eenvoudiger en voorkomt dat de auto
    in een ongewenste richting wegrolt. De
    remmen worden automatisch gelost zodra
    de koppeling in aangrijping is en de motor
    voldoende vermogen heeft opgebouwd om
    weg te rijden. Zo wordt voorkomen dat de
    auto op een helling kan terugrollen. Dit is
    een voordeel wanneer u op een helling moet
    optrekken, bijvoorbeeld vanaf een oprit van
    een parkeerplaats, bij verkeerslichten of
    tijdens achteruit inparkeren op een helling.

    Onderbreking van de
    stroomtoevoer
    WAARSCHUWING
    Het is mogelijk dat u de EPB niet kunt
    in- of uitschakelen wanneer de
    stroomtoevoer is onderbroken,
    bijvoorbeeld bij een lege accu, een defecte
    dynamo of een storing in de elektronica.

    Handmatig uitschakelen
    N.B.: Om de EPB uit te schakelen moet de
    contactsleutel in de stand II staan.

    Wanneer de accu leeg is, gebruik dan
    startkabels en een hulpaccu. Zie Starten
    met hulpstartkabels (bladzijde 263).

    177



  • Page 180

    Stabiliteitsregeling
    WERKING

    Waarschuwingslamp
    stabiliteitsregeling (ESP)

    Elektronisch
    Stabiliteitsprogramma (ESP)

    Wanneer het systeem tijdens het rijden
    wordt geactiveerd, knippert de lamp. Zie
    Waarschuwings- en indicatielampen
    (bladzijde 92).

    WAARSCHUWING
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.

    Noodremassistent
    WAARSCHUWING
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.

    B

    Het systeem kan een noodstopsituatie
    herkennen aan de snelheid waarmee u het
    rempedaal indrukt. Het zorgt voor
    maximale remdruk zolang het rempedaal
    wordt ingedrukt. Het systeem kan de
    remweg in kritieke situaties verkorten.

    B
    B

    GEBRUIK MAKEN VAN
    STABILITEITSREGELING

    A
    A

    B

    A

    N.B.: Telkens wanneer u het contact aan
    zet wordt het systeem automatisch
    ingeschakeld.

    E72903

    A

    Zonder ESP

    B

    Met ESP

    Uitvoeringen met schakelaar
    stabiliteitsregeling (ESP)

    Het systeem ondersteunt de stabiliteit van
    de auto wanneer deze dreigt uit te breken.
    Dit wordt bewerkstelligd door de wielen
    afzonderlijk af te remmen en door het
    motorkoppel zo nodig te verlagen.

    E71225

    Druk de schakelaar in en houd deze één
    seconde ingedrukt. Het lampje in de
    schakelaar gaat branden. In het display
    wordt een bericht weergegeven. Zie
    Infoberichten (bladzijde 109).

    Het systeem zorgt ook voor een betere
    tractieregeling door het motorkoppel te
    verlagen wanneer de wielen bij het
    accelereren beginnen door te draaien. Het
    verbetert de mogelijkheden om op gladde
    wegdekken of losse oppervlakken op te
    trekken en het verbetert het comfort door
    wielspin in haarspeldbochten te beperken.

    Druk de schakelaar opnieuw in om het
    systeem in te schakelen.
    Voor locatie: Zie In één oogopslag
    (bladzijde 11).

    178



  • Page 181

    Stabiliteitsregeling
    Uitvoeringen zonder schakelaar
    stabiliteitsregeling (ESP)
    Het systeem kan worden in- en
    uitgeschakeld m.b.v. het informatiedisplay.
    Zie Infodisplays (bladzijde 96).

    179



  • Page 182

    Regeling voor bergop rijden
    WERKING
    Het systeem maakt het eenvoudiger op te
    trekken wanneer de auto op een helling
    staat zonder dat het noodzakelijk is gebruik
    te maken van de parkeerrem.
    Wanneer het systeem actief is, dan blijft
    de auto korte tijd op de helling stil staan
    nadat u het rempedaal loslaat. Gedurende
    deze tijd heeft u de tijd om uw voet van het
    rempedaal te halen, het gaspedaal in te
    drukken en op te trekken. De remmen
    worden automatisch gelost zodra de motor
    voldoende vermogen heeft opgebouwd
    om weg te rijden. Zo wordt voorkomen dat
    de auto op een helling kan terugrollen. Dit
    is een voordeel wanneer u op een helling
    moet optrekken, bijvoorbeeld vanaf een
    helling van een parkeerplaats, bij
    verkeerslichten of tijdens het achteruit
    tegen een helling inparkeren.

    E70499

    Hellingstart
    Uit
    Automatisch
    Handmatig

    WAARSCHUWING
    Het systeem vervangt niet de
    parkeerrem. Trek altijd de handrem
    aan en schakel de eerste versnelling
    of de achteruit in wanneer u de auto
    verlaat.

    E74629
    1.

    Druk op de rechter pijltjestoets op het
    stuurwiel om het hoofdmenu binnen
    te gaan.
    2. Selecteer Setup met de op en neer
    pijltjestoetsen en druk op de rechter
    pijltjestoets.
    3. Selecteer Hill Launch en druk op de
    rechter pijltjestoets.

    REGELING VOOR BERGOP
    RIJDEN GEBRUIKEN
    De HLA kan in de automatische of
    handmatige modus worden gebruikt.
    Wanneer u de automatische modus
    selecteert, wordt de HLA automatisch
    geactiveerd wanneer de auto op een
    helling staat en u het rempedaal indrukt.
    Wanneer u de handmatige modus
    selecteert, moet u de HLA met behulp van
    het rempedaal activeren.
    De HLA modus instellen:

    180



  • Page 183

    Regeling voor bergop rijden
    4. Selecteer de gewenste instelling en
    druk op de OK toets om de instelling
    te bevestigen. Wanneer Off is
    geselecteerd, is de HLA uitgeschakeld
    en kan deze niet automatisch of
    handmatig worden geactiveerd.
    5. Druk op de linker pijltjestoets om het
    menu te verlaten. Houd de linker
    pijltjestoets ingedrukt om naar het
    scherm van de boordcomputer terug
    te keren.





    HLA in de automatische modus activeren:
    1.

    Druk het rempedaal in om de wagen
    volledig tot stilstand te brengen. Houd
    het rempedaal ingedrukt.
    2. Wanneer de sensoren detecteren dat
    de wagen op een helling staat en de
    juiste versnelling is geselecteerd
    (eerste versnelling wanneer de wagen
    op een opwaartse helling staat,
    achteruit wanneer de wagen met de
    voorzijde naar beneden staat), wordt
    de HLA automatisch geactiveerd. Hill
    Launch Assist active verschijnt op
    het informatiedisplay.
    3. Wanneer u uw voet van het rempedaal
    neemt, blijft de wagen gedurende
    ongeveer twee tot drie seconden op de
    helling staan zonder achteruit te rollen.
    4. Rijd op de normale manier weg. De
    remmen worden automatisch gelost.

    N.B.: Wanneer de HLA in de handmatige
    modus staat, gebruik dan de HLA alleen bij
    het optrekken op hellingen van meer dan
    3%. Wanneer de wagen op een vlakke
    ondergrond of een neerwaartse helling
    staat, maat een actieve HLA het moeilijk om
    soepel op te trekken.

    De HLA activeren
    WAARSCHUWINGEN
    Wanneer u de HLA eenmaal hebt
    geactiveerd moet u in de auto blijven.
    Wanneer u de auto verlaat, schakelt
    de HLA automatisch uit.

    HLA in de handmatige modus activeren:

    De HLA is alleen actief wanneer het
    bericht Hill Launch Assist active
    op het informatiescherm wordt
    weergegeven. U blijft te allen tijde
    verantwoordelijk voor het besturen van de
    wagen en het zo nodig in en uitschakelen
    van de HLA.

    1.

    Druk het rempedaal in om de wagen
    volledig tot stilstand te brengen. Houd
    het rempedaal ingedrukt.
    2. Druk snel het rempedaal verder in tot
    u een signaal hoort en Hill Launch
    Assist active op het display verschijnt.
    De HLA is u actief.
    3. Wanneer u uw voet van het rempedaal
    neemt, blijft de wagen gedurende
    ongeveer twee tot drie seconden op de
    helling staan zonder achteruit te rollen.
    4. Rijd op de normale manier weg. De
    remmen worden automatisch gelost.

    U kunt de HLA alleen inschakelen wanneer
    aan de volgende voorwaarden is voldaan:





    Bij wagens met automatische
    transmissie, het bestuurdersportier is
    gesloten.
    Er geen sprake is van storingen.

    De motor draait.
    De HLA is ingeschakeld (in de
    automatische of handmatige modus).
    De handrem of de elektrische
    parkeerrem (EPB) volledig is losgezet.
    Bij wagens met een handgeschakelde
    versnellingsbak, het koppelingspedaal
    is ingedrukt.

    181



  • Page 184

    Regeling voor bergop rijden
    WAARSCHUWING
    Wanneer de HLA actief is en het
    systeem een storing waarneemt,
    wordt de HLA gedeactiveerd en
    verschijnt het bericht Please use park
    brake! gevolgd door Hill Launch A .not
    available op het display. U kunt veilig met
    de wagen rijden en de storing kan bij de
    volgende onderhoudsbeurt worden
    verholpen. Het bericht Hill Launch A. not
    available verschijnt ook op het
    informatiedisplay bij handmatige bediening
    tijdens een storing of wanneer niet aan één
    van de activeringsvoorwaarden wordt
    voldaan. Wanneer u de HLA hebt
    uitgeschakeld, verschijnen er geen
    berichten op het display.

    De HLA uitschakelen
    Voer een van de volgende handelingen uit
    om de HLA te deactiveren:






    Bedien de parkeerrem of de elektrische
    parkeerrem (EPB) .
    Wacht twee tot drie seconden tot de
    HLA automatisch deactiveert.
    Wanneer een vooruit versnelling was
    ingeschakeld toen de HLA actief werd,
    schakel dan de achteruit in.
    Wanneer de achteruit was
    ingeschakeld toen de HLA actief werd,
    schakel dan een vooruit versnelling in.

    Hill Launch Assist off verschijnt op het
    informatiedisplay.

    182



  • Page 185

    Actieve schokdemperregeling
    De instelling kan tijdens het rijden worden
    veranderd.

    WERKING
    Het actieve schokdempsysteem zorgt voor
    een betere wendbaarheid, verhoogd
    comfort en een hogere stabiliteit door
    continu de karakteristiek van de
    schokdempers aan te passen aan het
    wegdek en de rijomstandigheden. Dit
    systeem in combinatie met ABS heeft het
    voordeel dat de remweg op slechte wegen
    korter wordt.

    Storing in het systeem
    Het actieve schokdempersysteem schakelt
    bij storingen automatisch uit. Het
    schokdempersysteem wordt in de fail-safe
    modus geschakeld waardoor u uw reis kunt
    voortzetten; de instelling van het
    schokdempersysteem kan niet meer
    worden veranderd. Laat dit zo spoedig
    mogelijk controleren.

    Al naar gelang uw wensen en rijstijl kunt u
    kiezen uit de volgende drie standen:

    Comfort
    Dit resulteert in een zachter rijgedrag.

    Normaal
    Normale instelling.

    Sport
    Dit resulteert in een harder en sportiever
    rijgedrag.

    GEBRUIK VAN DE ACTIEVE
    SCHOKDEMPERREGELING
    Een instelling selecteren
    N.B.: Nadat u een instelling hebt
    geselecteerd, kunt u niet onmiddellijk een
    verschil in het gedrag van de wagen merken.
    Het effect van de continu geregelde
    demping is afhankelijk van het
    wegoppervlak en de rijomstandigheden.

    E70475

    183



  • Page 186

    Parkeerhulp
    N.B.: Houd de sensoren vrij van vuil, ijs en
    sneeuw. Reinig de sensoren niet met
    scherpe voorwerpen.

    WERKING
    WAARSCHUWING

    N.B.: Wanneer de parkeerhulp een signaal
    registreert dat op dezelfde frequentie wordt
    uitgezonden als de sensoren gebruiken, of
    wanneer de auto maximaal is beladen, kan
    een vals signaal worden gegeven.

    Ondanks de parkeerhulp bent u
    verplicht voorzichtig en aandachtig
    te rijden.
    LET OP
    Uitvoeringen met een trekhaakmodule
    die niet door ons is goedgekeurd,
    kunnen obstakels niet correct
    detecteren.

    N.B.: De buitenste sensoren kunnen de
    zijmuren van een garage detecteren.
    Wanneer de afstand tussen de buitenste
    sensor en de muur gedurende drie seconden
    constant blijft, wordt het akoestisch signaal
    uitgeschakeld. Wanneer u doorrijdt, kunnen
    de binnenste sensoren objecten achter de
    auto detecteren.

    Bij zware regenval of andere
    omstandigheden waardoor
    verstorende reflecties ontstaan is het
    mogelijk dat de sensoren bepaalde
    voorwerpen niet 'zien'.

    PARKEERHULP

    De sensoren kunnen voorwerpen met
    een oppervlak de ultrasone
    geluidsgolven absorberen niet 'zien'.

    Parkeerhulp in- en uitschakelen
    N.B.: De parkeerhulp schakelt automatisch
    uit wanneer u de motor start of wanneer de
    rijsnelheid hoger is dan 16 km/h (10 mph).

    De parkeerhulp detecteert geen
    obstakels die van de wagen af
    bewegen. Deze worden alleen kort
    nadat zij opnieuw naar de wagen toe
    bewegen gedetecteerd.

    N.B.: De sensoren aan de voor- en
    achterzijde worden altijd samen in- of
    uitgeschakeld.

    Wees bijzonder voorzichtig wanneer
    u met een gemonteerde
    trekhaakkogel of accessoires zoals
    een fietsdrager achteruitrijdt, omdat de
    parkeersensor alleen de afstand vanaf de
    bumper tot het obstakel meet.

    De parkeerhulp is standaard uitgeschakeld.
    Druk de schakelaar op het
    instrumentenpaneel in of schakel de
    achteruit in om de parkeerhulp in te
    schakelen.
    Wanneer de parkeerhulp is ingeschakeld,
    brandt het lampje in de schakelaar.

    Wanneer u een hogedrukspuit
    gebruikt om uw auto te wassen, spuit
    dan kort op de sensoren vanaf een
    afstand van niet minder dan 20 centimeter
    (8 inch).

    Druk nogmaals op de schakelaar om de
    functie uit te schakelen.

    N.B.: Bij wagens met een afneembare
    trekhaakkoppeling wordt de parkeerhulp
    automatisch uitgeschakeld wanneer een
    van de aanhangerlampen (of verlichting)
    wordt aangesloten op de 13 pins
    stekkerdoos via een door ons goedgekeurde
    trekhaakmodule.

    184



  • Page 187

    Parkeerhulp
    Manoeuvreren met de parkeerhulp

    E72902

    N.B.: Wanneer een hoge, harde
    waarschuwingstoon drie seconden lang
    klinkt en het lampje in de schakelaar
    knippert, duidt dit op een storing. Het
    systeem wordt uitgeschakeld. Laat het
    systeem door goed opgeleide monteurs
    controleren.
    U hoort een onderbroken signaal wanneer
    de afstand tussen de achterbumper en een
    obstakel ongeveer 150 cm bedraagt, 80
    cm tussen een obstakel en de voorbumper
    of 50 cm aan de zijkanten. Wanneer de
    afstand kleiner wordt, volgen de signalen
    elkaar sneller op. Bij een afstand van
    minder dan 30 cm klinkt een
    ononderbroken signaal.
    U hoort een wisselend signaal wanneer de
    obstakels aan de voor- en achterzijde
    minder dan 30 centimeter van de voor- of
    achterbumper zijn verwijderd.

    185



  • Page 188

    Achteruitkijkcamera
    S-MAX

    WERKING
    De camera is een visueel hulpmiddel bij
    achteruitrijden.
    WAARSCHUWING
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.
    LET OP
    Wanneer u een hogedrukspuit
    gebruikt om uw wagen te wassen,
    spuit dan kort op de camera vanaf een
    afstand van niet minder dan 20 centimeter.

    E99105

    Galaxy

    Oefen geen druk op de camera uit.

    N.B.: Houd de camera vrij van vuil, ijs en
    sneeuw. Reinig de camera niet met scherpe
    voorwerpen, ontvetter, was of organische
    producten. Gebruik alleen een zachte doek.
    Tijdens de bediening worden in de display
    hulplijnen weergegeven die de route van
    de wagen en de geschatte afstand vanaf
    voorwerpen aan de achterzijde voorstellen.
    WAARSCHUWINGEN
    De bediening van de camera varieert
    afhankelijk van de
    buitentemperatuur, de
    rij-omstandigheden van de auto en het
    type weg.

    E124349

    Achteruitkijkcamera activeren
    LET OP
    Het kan voorkomen dat de camera
    voorwerpen die zich te dicht bij de
    auto bevinden niet kan registreren.

    De in de display weergegeven
    afstanden kunnen verschillen van de
    werkelijke afstand.
    Plaats geen voorwerpen voor de
    camera.

    Schakel de achteruitversnelling in met
    ingeschakeld audiosysteem en contact.
    De afbeelding wordt op het scherm
    weergegeven.

    De camera is aangebracht op de
    achterklep (bij de handgreep).

    186



  • Page 189

    Achteruitkijkcamera
    De camera werkt wellicht niet correct
    onder de volgende omstandigheden:
    • Donkere gebieden.
    • Fel licht.
    • Als de buitentemperatuur snel toe- of
    afneemt.
    • Als de camera nat is (bijvoorbeeld
    tijdens regen of een hoge vochtigheid).
    • Als het zicht van de camera is
    geblokkeerd (bijvoorbeeld door
    modder).

    D

    E

    D

    C

    C

    B

    B

    A

    A

    Display gebruiken
    LET OP
    Voorwerpen boven de camera worden
    niet weergegeven. Controleer indien
    nodig het gebied achter de auto.
    Markeringen worden alleen gebruikt
    als algemene richtlijn en worden
    berekend voor auto's met een
    maximale belading op een egaal wegdek.
    De lijnen geven een geprojecteerde route
    van de auto (gebaseerd op de huidige
    stuurwielhoek) en de afstand vanaf de
    buitenspiegels en de achterbumper aan.

    E99458

    187

    A

    Speling buitenspiegel - 0,1 meter

    B

    Rood - 0,3 meter

    C

    Amber - 1 meter



  • Page 190

    Achteruitkijkcamera
    D

    Anber - 2 meter

    A

    Toont de middenlijn van de
    geprojecteerde route van de
    auto

    N.B.: Bij achteruitrijden met een aanhanger
    geven de lijnen op het scherm de
    autorichting aan en niet de richting van de
    aanhanger.

    Achteruitkijkcamera deactiveren
    N.B.: Schakel een vooruitversnelling in. De
    display blijft een korte periode aan alvorens
    deze wordt uitgeschakeld.
    Het systeem wordt automatisch
    uitgeschakeld wanneer de voertuigsnelheid
    ongeveer 15 km/u is.

    Auto's met parkeerhulp
    In de display wordt tevens een gekleurde
    afstandsbalk getoond. Deze geeft de
    afstand van de achterbumper naar het
    geregistreerde object aan.
    De volgende kleurcodes zijn van
    toepassing:
    • Groen - 0,8 tot 1,5 meter.
    • Amber - 0,3 tot 0,8 meter.
    • Rood - 0,3 meter of minder.

    188



  • Page 191

    Snelheidsregeling (Cruise Control)
    Snelheid instellen

    WERKING
    Met cruise control (automatische
    snelheidsregeling) kunt u met behulp van
    de schakelaars op het stuurwiel de
    rijsnelheid instellen. Cruise control werkt
    vanaf snelheden van 30 km/h.

    GEBRUIK MAKEN VAN
    SNELHEIDSREGELING
    WAARSCHUWING

    E70615

    Schakel onder drukke
    verkeersomstandigheden, op
    trajecten met veel bochten en op
    gladde wegen cruise control niet in.

    Druk op de SET+ of de SET- schakelaar
    om de snelheid in het geheugen op te slaan
    en met de actuele snelheid te blijven rijden.
    De cruise control-controlelamp brandt.

    Cruise control inschakelen

    Ingestelde snelheid veranderen
    WAARSCHUWING
    Wanneer u een heuvel afrijdt, kan de
    snelheid hoger worden dan de
    ingestelde snelheid. Het systeem
    stelt niet de remmen in werking. Schakel
    terug en druk op de RES schakelaar om
    het systeem te helpen de ingestelde
    snelheid te handhaven.
    N.B.: Wanneer u het gaspedaal indrukt,
    verandert de ingestelde snelheid niet.
    Wanneer u het gaspedaal loslaat, gaat de
    wagen weer met de eerder ingestelde
    snelheid rijden.

    E70612

    Druk, om de snelheid te verhogen of te
    verlagen, op de SET+ of de SETschakelaar.

    189



  • Page 192

    Snelheidsregeling (Cruise Control)
    Cruise control uitschakelen

    Cruise control uitschakelen

    E70614

    E70613

    Druk het rempedaal of de CAN schakelaar
    in. Het systeem regelt niet langer de
    rijsnelheid. De controlelamp van het cruise
    control gaat uit maar de laatst ingestelde
    rijsnelheid blijft in het geheugen
    opgeslagen.

    Druk op de OFF schakelaar. De eerder door
    u ingestelde snelheid blijft niet in het
    geheugen opgeslagen. De controlelamp
    van het cruise control gaat uit.

    Cruise control opnieuw
    inschakelen

    E70616
    Druk op de RES schakelaar. De
    controlelamp van de cruise control gaat
    branden en het systeem zal proberen de
    wagen met de eerder door u ingestelde
    snelheid te laten rijden.

    190



  • Page 193

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    WERKING

    LET OP
    De radarsensor heeft een beperkt
    gezichtsveld. In sommige situaties kan
    het een andere wagen dan verwacht
    registeren of helemaal geen.

    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem is geen
    aanrijdingswaarschuwings- of
    aanrijdingsvoorkomingssysteem. De
    afzonderlijke forward alert functie
    waarschuwt voor aanrijdingen en verlaagt
    de rijsnelheid. Zie Functie
    voorgangerwaarschuwing (forward
    alert) (bladzijde 196). U moet zelf ingrijpen
    wanneer het systeem geen verkeer voor u
    waarneemt.

    N.B.: Wanneer adaptive cruise control is
    ingeschakeld, kunt u ongebruikelijke
    geluiden horen wanneer automatisch wordt
    afgeremd. Dit is normaal en het wordt
    veroorzaakt door het automatische
    remsysteem.
    N.B.: Houd de voorzijde van de wagen vrij
    van vuil, metalen badges of voorwerpen,
    inclusief beschermers tegen steenslag en
    extra lampen die de werking van de sensor
    kunnen belemmeren.

    Tijdens het rijden bent u
    verantwoordelijk voor het handhaven
    van de juiste afstand en snelheid, ook
    wanneer adaptive cruise control is
    ingeschakeld. U moet altijd oplettend in
    het verkeer blijven en ingrijpen wanneer
    adaptive cruise control niet de juiste
    snelheid of afstand aanhoudt.
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.

    Het systeem is ontwikkeld om u te helpen
    de afstand tot de auto voor u gelijk te
    houden of een rijsnelheid in te stellen
    wanneer er zich geen langzamer rijdend
    verkeer voor u bevindt. Het systeem is
    bedoeld om het rijden te veraangenamen
    wanneer u andere auto's volgt die op
    dezelfde rijstrook in dezelfde richting rijden.

    Het systeem remt niet voor
    langzame of stilstaande auto's,
    voetgangers, objecten op de weg,
    tegemoetkomende auto's of kruisende
    auto's.

    Het systeem is gebaseerd op het gebruik
    van een radarsensor, die een stralenbundel
    direct vóór de auto projecteert. Binnen het
    bereik van het systeem zien deze
    stralenbundel alle auto's vóór u.
    De radarsensor is achter de grille
    aangebracht.

    LET OP
    Gebruik adaptive cruise control alleen
    wanneer de verkeerssituatie dit
    toelaat, bijvoorbeeld op snelwegen
    en hoofdwegen waarop het verkeer blijft
    doorstromen.
    Gebruik ACC niet bij slecht zicht,
    vooral niet bij mist, zware regenval,
    opspattend water en sneeuw.
    Gebruik ACC niet op bevroren of
    gladde wegen.
    Gebruik het systeem niet wanneer u
    een snelweg oprijdt of verlaat.

    191



  • Page 194

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    Onverwachte reacties

    Automatisch remmen met ACC
    WAARSCHUWINGEN
    U dient dan onmiddellijk te reageren,
    omdat adaptive cruise control
    onvoldoende remt om een veilige
    afstand tot uw voorligger aan te houden.
    In sommige gevallen kan de
    waarschuwing ontbreken of vertraag
    worden. U moet altijd remmen indien
    dit nodig is.
    Wanneer u een auto volgt dan remt
    adaptive cruise control niet
    automatisch tot stilstand af.
    Het systeem remt automatisch voor u, om
    de ingestelde afstand tussen uw auto en
    uw voorligger te handhaven. Het
    remvermogen is beperkt tot ongeveer 30%
    van de totale remcapaciteit zodat de
    wagen soepel en comfortabel blijft rijden.
    Wanneer sterker dan dit moet worden
    afgeremd, en u grijpt zelf niet in, klinkt er
    een alarmsignaal en verschijnt er een
    waarschuwingssymbool in de
    instrumentengroep.

    E71621

    Onverwachte reacties kunnen optreden:




    ADAPTIEVE CRUISE CONTROL
    GEBRUIKEN

    bij voertuigen die zich op uw rijbaan
    voegen en alleen kunnen worden
    'gezien' wanneer ze zich volledig op de
    rijbaan bevinden (A). Motorfietsen
    kunnen soms laat of in het geheel niet
    worden 'gezien'. (B)
    bij voertuigen voor u bij het in- en
    uitrijden van een bocht (C). De
    stralenbundel volgt geen scherpe
    bochten van de weg.

    Het systeem wordt bediend met de
    toetsen op het stuurwiel.

    In dergelijke gevallen remt het systeem
    laat of onverwacht. U moet alert blijven en
    zo nodig ingrijpen.

    192



  • Page 195

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    Auto's zonder snelheidsbegrenzer

    A

    E

    D

    ACC afstand vergroten

    E

    ACC afstand verkleinen

    Het systeem inschakelen
    Druk op de schakelaar A. Het systeem
    wordt in de stand-by modus geschakeld.

    B

    Snelheid instellen

    D

    N.B.: Het systeem moet in de
    standby-modus staan.

    C

    F

    E124908

    A

    ACC aan

    B

    ACC annuleren

    C

    ACC uit

    D

    ACC afstand vergroten

    E

    ACC afstand verkleinen

    G

    E133884

    Auto's met snelheidsbegrenzer

    A

    E

    F

    Snelheidstoename instellen

    G

    Snelheidsafname instellen

    Druk op schakelaar F of schakelaar G om
    de gewenste constante snelheid te
    selecteren. De snelheid wordt op het
    informatiedisplay weergegeven en
    opgeslagen als de ingestelde snelheid.

    B

    Ingestelde snelheid veranderen

    D

    C

    N.B.: De rijsnelheid kan in stappen van 5
    km/u of 5 mph worden verhoogd of
    verlaagd.

    E124909

    A

    ACC aan/uit

    B

    ACC annuleren

    C

    Snelheidsbegrenzer aan/uit

    N.B.: Wanneer het systeem niet op deze
    wijzigingen reageert, kan de reden zijn dat
    de ingestelde afstand tot uw voorligger
    voorkomt dat de rijsnelheid kan toenemen.

    193



  • Page 196

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    N.B.: De ingestelde afstand is tijdafhankelijk
    en daarom zal de afstand automatisch de
    rijsnelheid aanpassen. Wanneer
    bijvoorbeeld de afstand wordt ingesteld op
    vier balken, bedraagt de tijdsafstand 1,8
    seconden. Dit houdt in dat bij een snelheid
    van 100 km/u (62 mph) de afstand tot uw
    voorligger wordt gehandhaafd op 50 meter
    (164 feet).

    F

    G

    N.B.: Wanneer het gaspedaal kortstondig
    wordt ingedrukt, bijvoorbeeld om in te halen,
    wordt het systeem tijdelijk uitgeschakeld en
    weer ingeschakeld wanneer het gaspedaal
    wordt losgelaten. Er verschijnt een bericht
    in de informatiedisplay.

    E133884

    Druk op schakelaar F om de ingestelde
    snelheid te laten toenemen of op
    schakelaar G om de ingestelde snelheid te
    laten afnemen tot de gewenste ingestelde
    snelheid wordt weergegeven in de
    informatiedisplay. De voertuigsnelheid zal
    geleidelijk in de gekozen snelheid
    veranderen.

    N.B.: De afstand blijft ongewijzigd tijdens
    ontstekingscycli.

    N.B.: Kleinere stappen van 1 km/u of 1 mph
    kunnen worden ingesteld door op
    schakelaar H te drukken.

    E82311
    De afstand tussen u en uw voorligger wordt
    door een variabele instelling gehandhaafd.
    Deze bestaat uit vijf stappen, die met
    horizontale balken op het
    informatiedisplay worden weergegeven.
    Een balk komt overeen met de kleinste
    afstand en vijf balken met de grootste.
    Deze balken zijn leeg tijdens de stand-by
    modus en gekleurd tijdens de
    ingeschakelde modus.

    H

    E133885

    H

    Wanneer geen voorligger wordt
    geregistreerd, wordt alleen uw wagen op
    het informatiedisplay onder de balken
    weergegeven. Het systeem houdt de
    ingestelde snelheid aan zolang de
    omstandigheden dat toelaten. De
    ingestelde afstand wordt gehandhaafd en
    weergegeven.

    ACC hervatten

    Afstand tot uw voorligger instellen
    LET OP
    Pas een afstand toe die in
    overeenstemming is met de
    plaatselijke regelgeving.

    194



  • Page 197

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    Systeem uitschakelen

    Wanneer een voertuig door de sensor
    wordt geregistreerd. geeft het display een
    ander voertuig boven de horizontale balken
    weer:

    Auto's zonder snelheidsbegrenzer
    Druk op schakelaar C om het systeem uit
    te schakelen.
    N.B.: Bij deactiveren van het systeem door
    op schakelaar C te drukken, wordt de
    opgeslagen snelheid niet behouden.
    Auto's met snelheidsbegrenzer

    E82312

    Druk op schakelaar A om het systeem uit
    te schakelen.

    dit is de volgmodus en het systeem
    versnelt of vertraagt zo nodig om de
    ingestelde afstand tot de voorligger te
    handhaven.

    N.B.: Bij deactiveren van het systeem door
    op schakelaar A te drukken, wordt de
    opgeslagen snelheid niet behouden.

    Automatisch uitschakelen

    Druk op schakelaar E om de afstand te
    laten afnemen of op schakelaar D om de
    afstand te laten toenemen. De ingestelde
    afstand wordt door het aantal balken op
    het display weergegeven.

    N.B.: Wanneer het motortoerental te laag
    wordt, verschijnt een mededeling op het
    informatiedisplay dat u moet
    terugschakelen (alleen handgeschakelde
    versnellingsbak). Wanneer u deze
    aanbeveling niet opvolgt, gaat het systeem
    automatisch naar de uitgeschakelde modus.

    N.B.: De aanbevolen afstand is vier tot vijf
    balken.

    Systeem tijdelijk deactiveren

    N.B.: Het systeem werkt niet wanneer de
    elektronische stabiliteitsregeling (ESP)
    handmatig is uitgeschakeld.

    N.B.: Het systeem wordt gedeactiveerd
    wanneer de versnellingshendel naar een
    neutrale stand wordt gezet of wanneer het
    gaspedaal of het koppelingspedaal een
    langere periode wordt ingetrapt.

    Het systeem is afhankelijk van diverse
    andere veiligheidssystemen, zoals ABS en
    ESP. Wanneer een van deze systemen niet
    goed werkt of reageert op een noodsituatie
    wordt het systeem automatisch
    uitgeschakeld.

    Trap het rempedaal in of druk op
    schakelaar B om het systeem te
    deactiveren. Het systeem gaat naar de
    standby-modus, waarna u alle functies
    handmatig kunt bedienen. De ingestelde
    snelheid en de afstand blijven in het
    geheugen opgeslagen.

    Bij een automatische uitschakeling klinkt
    een signaal en verschijnt het bericht in de
    informatiedisplay Zie Infoberichten
    (bladzijde 109). . U moet dan ingrijpen en
    uw rijsnelheid en de afstand tot uw
    voorligger aanpassen.

    Druk op schakelaar H om de adaptieve
    cruise control te hervatten. Het systeem
    hervat de eerder ingestelde snelheid en
    afstand als de omstandigheden dit
    toelaten.

    Een automatische uitschakeling kan
    plaatsvinden wanneer:

    195



  • Page 198

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)








    de snelheid afneemt tot onder 30 km/u
    (20 mph)
    de wielen de grip op het wegdek
    verliezen
    de temperatuur van de remmen hoog
    is, bijvoorbeeld tijdens het rijden door
    de bergen of over heuvelachtige wegen
    het motortoerental te laag is
    de radarsensor is afgedekt
    de handrem of elektrische parkeerrem
    (EPB) wordt gebruikt.

    LET OP
    Het systeem maakt gebruik van
    dezelfde radarsensor als de adaptive
    cruise control en heeft daardoor
    dezelfde beperkingen. Zie Werking
    (bladzijde 191).
    N.B.: De ondersteuning van het remsysteem
    reduceert alleen de snelheid waarmee de
    aanrijding plaatsvindt wanneer u
    onmiddellijk na de waarschuwing remt.
    N.B.: Wanneer het rempedaal voldoende
    snel is ingedrukt treden de remmen met
    volle kracht in werking, ook al wordt het
    rempedaal licht ingedrukt.

    FUNCTIE VOORGANGERWAARSCHUWING (FORWARD
    ALERT)

    N.B.: De ondersteuning van het remsysteem
    bereidt het remsysteem voor op snel
    remmen en de remmen komen soepel in
    aangrijping, hetgeen als een lichte schok
    kan worden ervaren.

    WAARSCHUWINGEN
    Wacht nooit tot een waarschuwing
    voor een aanrijding. Tijdens het rijden
    bent u verantwoordelijk voor het
    handhaven van de juiste afstand en
    snelheid, ook wanneer het systeem is
    ingeschakeld.

    N.B.: De waarschuwing voor een aanrijding
    vindt alleen plaats wanneer het systeem is
    ingeschakeld; de ondersteuning van het
    remsysteem is altijd ingeschakeld en kan
    niet worden uitgeschakeld.

    Het systeem reageert alleen op
    voertuigen die vóór u in dezelfde
    richting rijden en reageert niet op
    langzaam rijdende of stilstaande
    voertuigen.

    N.B.: Het systeem kan met zonder
    geactiveerde adaptive cruise control
    gebruikt worden.
    Het systeem helpt u door te waarschuwen
    voor het risico op een aanrijding met de
    auto voor u.

    Rijd nooit op een zodanige manier
    dat het systeem wordt geactiveerd.
    Het systeem is uitsluitend bedoeld
    om in noodsituaties te assisteren.

    Het systeem waarschuwt u met
    gonggeluiden en een visuele waarschuwing
    in het informatiedisplay. Zie
    Infoberichten (bladzijde 109).

    LET OP
    Waarschuwingen kunnen laat, niet of
    onnodig gegeven worden door
    onverwachte reacties m.b.t. de
    stralenbundel. Zie Werking (bladzijde 191).

    De remondersteuning wordt geactiveerd
    om een maximale remwerking te verkrijgen
    en de ernst van de aanrijding met de auto
    voor u te beperken.

    196



  • Page 199

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    Het systeem in- en uitschakelen
    N.B.: Wanneer het systeem is
    uitgeschakeld, blijft een
    waarschuwingslampje in het
    informatiedisplay branden. Zie
    Waarschuwings- en indicatielampen
    (bladzijde 92).
    N.B.: De systeemstatus en instellingen
    blijven onveranderd tijdens ontstekingscycli.
    Het systeem kan worden in- en
    uitgeschakeld m.b.v. het informatiedisplay.
    Zie Algemene informatie (bladzijde 96).

    Gevoeligheid voor de
    waarschuwingen instellen
    U kunt de gevoeligheid van het
    waarschuwingssysteem instellen met de
    knoppen op het stuurwiel. Zie Algemene
    informatie (bladzijde 96). Hiermee wordt
    geregeld hoe snel de visuele en
    akoestische waarschuwing wordt
    geactiveerd.

    197



  • Page 200

    Snelheidsbegrenzer
    Snelheidslimiet instellen

    WERKING

    Gebruik de cruise control schakelaars om
    de instelling van de maximumsnelheid te
    wijzigen.

    WAARSCHUWING
    Wanneer u een heuvel afrijdt, kan de
    snelheid hoger worden dan de
    ingestelde snelheid. Het systeem
    bedient de remmen niet, maar geeft een
    waarschuwing af.
    Via het systeem kan een snelheid worden
    ingesteld waar de auto vervolgens op
    wordt begrensd. De ingestelde snelheid
    wordt de effectieve maximumsnelheid van
    de auto, maar met als optie deze snelheid
    indien nodig tijdelijk te overschrijden.

    E70615

    SNELHEIDSBEGRENZER
    GEBRUIKEN

    Druk op de SET+ schakelaar of de SETschakelaar om de gewenste
    snelheidslimiet in te stellen. De snelheid
    wordt op de informatiedisplay
    weergegeven en in het geheugen
    opgeslagen als de ingestelde snelheid.

    Het systeem wordt bediend met de
    toetsen op het stuurwiel.
    Druk op de toets A om het systeem in en
    uit te schakelen. De informatiedisplay
    vraagt een snelheid in te stellen.

    Druk op knop B om de begrenzer uit te
    schakelen en deze in de standby-modus
    te zetten. De informatiedisplay bevestigt
    deactivering door de ingestelde snelheid
    doorgekruist weer te geven.

    N.B.: De ingestelde snelheidslimiet kan
    gedurende een korte periode doelbewust
    worden overschreven (bijvoorbeeld tijdens
    inhalen).

    B

    E70616
    Druk op de knop RES om de begrenzer in
    te schakelen. De informatiedisplay
    bevestigt dat het systeem actief is door de
    ingestelde snelheid opnieuw weer te
    geven.

    A
    E124874

    198



  • Page 201

    Snelheidsbegrenzer
    De snelheidslimiet doelbewust
    overschrijden
    Trap het gaspedaal stevig in (bijna
    volledige pedaalslag), waarna de
    snelheidslimiet tijdelijk wordt
    gedeactiveerd. Het systeem wordt
    opnieuw geactiveerd nadat de
    voertuigsnelheid onder de ingestelde
    snelheid is gedaald.

    Systeemwaarschuwingen
    Als de ingestelde limiet per ongeluk wordt
    overschreden, dan knippert de ingestelde
    snelheid in de informatiedisplay en wordt
    een hoorbare waarschuwing afgegeven.
    Als de ingestelde snelheidslimiet
    doelbewust wordt overschreden, dan geeft
    de informatiedisplay de ingestelde
    snelheid doorgekruist weer.

    199



  • Page 202

    Bestuurderswaarschuwing
    WERKING

    LET OP
    Voer geen voorruitreparaties uit in de
    directe omgeving van de sensor.

    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.

    Indien uw auto is uitgerust met een
    niet door ons goedgekeurde
    wielophangingsset, is het mogelijk dat
    het systeem niet naar behoren werkt.

    U blijft te allen tijde verantwoordelijk
    voor het besturen van de auto en het
    zo nodig in- en uitschakelen van het
    systeem.

    N.B.: Houd de voorruit vrij van
    belemmeringen zoals uitwerpselen van
    vogels, insecten en sneeuw of ijs.

    Indien de sensor versperd raakt, is
    het mogelijk dat het systeem niet
    werkt.

    N.B.: Het systeem is bedoeld als
    hulpmiddel voor de bestuurder op snelle
    hoofdwegen en snelwegen.

    Neem regelmatig de vereiste
    rustpauzes en wacht niet totdat het
    systeem u waarschuwt indien u
    vermoeidheid voelt.

    N.B.: Het systeem berekent een
    alertheidsniveau bij rijsnelheden boven ca.
    65 km/u.
    Het systeem controleert automatisch uw
    rijgedrag aan de hand van verschillende
    inputs incl. de voorste camerasensor.

    Neem rustpauzes uitsluitend op
    plekken waar dit veilig kan.

    Indien het systeem ontdekt dat u slaperig
    wordt of dat uw rijstijl verslechtert,
    waarschuwt het systeem u.

    Bepaalde rijstijlen en -gedrag kan
    erin resulteren dat het systeem een
    waarschuwing afgeeft, ook al voelt
    u geen vermoeidheid.

    BESTUURDERSWAARSCHUWING GEBRUIKEN

    LET OP
    Onder koude en barre
    weersomstandigheden is het mogelijk
    dat het systeem niet werkt. Regen,
    sneeuw, opspattend water en grote
    contrasten in verlichting kunnen de sensor
    allemaal beïnvloeden.

    Het systeem in- en uitschakelen
    N.B.: De systeemstatus blijft onveranderd
    tijdens ontstekingscycli.
    Activeer het systeem m.b.v. het
    informatiedisplay. Zie Infodisplays
    (bladzijde 96).

    Het systeem werkt niet indien de
    sensor de rijstrookmarkeringen niet
    kan registreren.

    Eenmaal geactiveerd berekent het systeem
    uw alertheidsniveau aan de hand van uw
    uw rijgedrag ten opzichte van de
    rijstrookmarkeringen, en andere factoren.

    Het is mogelijk dat het systeem niet
    werkt in gebieden met
    wegwerkzaamheden.
    Het is mogelijk dat het systeem niet
    werkt op wegen met scherpe bochten
    of smalle rijstroken.

    Systeemwaarschuwingen
    N.B.: Het systeem geeft geen
    waarschuwingen onder ca. 65 km/u.

    200



  • Page 203

    Bestuurderswaarschuwing
    Het waarschuwingssysteem werkt in twee
    fasen. In eerste instantie geeft het systeem
    een tijdelijke waarschuwing dat een
    rustpauze moet worden genomen. Dit
    bericht verschijnt slechts gedurende een
    korte periode. Wordt geen rustpauze
    genomen, dan kan een tweede
    waarschuwing worden gegeven die in het
    informatiedisplay blijft weergegeven totdat
    ze geannuleerd wordt. Zie Infoberichten
    (bladzijde 109).

    De statusbalk verloopt van links naar
    rechts met het afnemen van het berekende
    alertheidsniveau. Zodra het
    rustpauze-icoon wordt genaderd,
    verandert de kleur van groen naar geel en
    uiteindelijk rood, wanneer een rustpauze
    moet worden genomen.

    Druk op OK op de stuurwielbediening om
    de waarschuwing te verwijderen.

    N.B.: Het alertheidsniveau wordt grijs
    weergegeven als de camerasensor de
    rijstrookmarkeringen niet kan registeren of
    als de voertuigsnelheid lager is dan ca. 65
    km/u.





    Systeemdisplay
    Wanneer het systeem actief is, loopt het
    automatisch op de achtergrond en geeft
    het uitsluitend indien nodig
    waarschuwingen. U kunt de status te allen
    tijde bekijken m.b.v. het informatiedisplay.
    Zie Algemene informatie (bladzijde 96).

    Groen - Geen rustpauze vereist.
    Geel - Eerste (tijdelijke) waarschuwing.
    Rood - Tweede waarschuwing.

    Systeem resetten
    U kunt het systeem als volgt resetten:
    • Schakel de contactspanning uit en in.
    • Stop de auto en open en sluit het
    bestuurdersportier.

    Het alertheidsniveau wordt in zes stappen
    op een gekleurde balk weergegeven.

    E131358

    Alertheidsniveau is in orde, geen rustpauze
    nodig.

    E131359

    Alertheidsniveau is kritisch, hetgeen
    betekent dat - zo snel als dit veilig kan een rustpauze moet worden genomen.

    201



  • Page 204

    Waarschuwing rijden buiten baan
    WERKING

    LET OP
    Indien uw auto is uitgerust met een
    niet door ons goedgekeurde
    wielophangingsset, is het mogelijk dat
    het systeem niet naar behoren werkt.

    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem is niet bedoeld om de
    bestuurder te ontheffen van zijn
    plicht om tijdens het rijden
    voorzichtig en oplettend te zijn.

    N.B.: Houd de voorruit vrij van
    belemmeringen zoals uitwerpselen van
    vogels, insecten en sneeuw of ijs.

    U blijft te allen tijde verantwoordelijk
    voor het besturen van de auto en het
    zo nodig in- en uitschakelen van het
    systeem.

    N.B.: Het systeem is bedoeld als
    hulpmiddel voor de bestuurder op snelle
    hoofdwegen en snelwegen.

    Indien de sensor versperd raakt, is
    het mogelijk dat het systeem niet
    werkt.

    N.B.: Het is mogelijk dat het systeem niet
    werkt tijdens hard remmen of accelereren
    en wanneer u de auto met opzet verkeerd
    bestuurt.

    Het is mogelijk dat
    rijstrookmarkeringen niet altijd goed
    gevolgd worden door de sensor.
    Andere structuren of voorwerpen kunnen
    soms verkeerd als rijstrookmarkering
    gedetecteerd worden, hetgeen kan
    resulteren in een valse of gemiste
    waarschuwing.

    N.B.: Het systeem werkt met minimaal een
    geregistreerde rijstrookmarkering.
    N.B.: Het systeem werkt alleen boven
    rijsnelheden van ca. 65 km/u.
    Er is een sensor gemonteerd achter de
    binnenspiegel. Deze controleert continu
    de omstandigheden om u te waarschuwen
    voor onbedoeld afdrijven van het midden
    van de rijstrook bij hoge snelheden.

    LET OP
    Onder koude en barre
    weersomstandigheden is het mogelijk
    dat het systeem niet werkt. Regen,
    sneeuw, opspattend water en grote
    contrasten in verlichting kunnen de sensor
    allemaal beïnvloeden.

    Het systeem registreert en volgt
    automatisch de rijstrookmarkeringen op
    de weg. Indien het registreert dat de auto
    onbedoeld naar de rijstrookgrenzen afdrijft,
    wordt een visuele waarschuwing
    weergegeven in het informatiedisplay. Ook
    wordt een waarschuwing gegeven in de
    vorm van een trilling die in het stuurwiel
    voelbaar is.

    Het systeem werkt niet indien de
    sensor de rijstrookmarkeringen niet
    kan registreren.
    Het is mogelijk dat het systeem niet
    werkt in gebieden met
    wegwerkzaamheden.
    Het is mogelijk dat het systeem niet
    werkt op wegen met scherpe bochten
    of smalle rijstroken.
    Voer geen voorruitreparaties uit in de
    directe omgeving van de sensor.

    202



  • Page 205

    Waarschuwing rijden buiten baan
    Systeemwaarschuwingen

    WAARSCHUWING RIJDEN
    BUITEN BAAN GEBRUIKEN
    Het systeem in- en uitschakelen
    N.B.: Wanneer het systeem is
    uitgeschakeld, blijft een
    waarschuwingslampje in het
    informatiedisplay branden. Zie
    Waarschuwings- en indicatielampen
    (bladzijde 92).
    N.B.: De systeemstatus en instellingen
    blijven onveranderd tijdens ontstekingscycli.

    E131363

    Een kolom wordt weergegeven aan
    weerszijden van een tekening van de auto,
    die de rijstrookmarkeringen voorstellen.

    A

    De rijstrookmarkeringen hebben de
    volgende kleurcode:
    • Groen - Het systeem is gereed om u te
    waarschuwen voor onbedoeld
    overschrijden van de
    rijstrookmarkeringen.
    • Rood - De auto nadert of is te dicht bij
    de gedetecteerde rijstrookgrens.
    Onderneem meteen veilig actie om de
    auto in de juiste positie te brengen.
    • Grijs - De betreffende rijstrookgrens
    wordt onderdrukt.

    B

    E131360

    A

    Systeem aan

    B

    Systeem uit

    Activeer het systeem m.b.v. de schakelaars
    op de richtingaanwijzerhendel.

    Trillingsniveau in stuurwiel
    afstellen

    Gevallen waarin een rijstrookgrens kan
    worden onderdrukt:
    • Het is mogelijk dat rijstrookmarkeringen
    op de weg niet door de sensor worden
    gedetecteerd.
    • De richtingaanwijzer voor die zijde van
    de auto is ingeschakeld.
    • Tijdens hard accelereren of remmen of
    indien scherp wordt ingestuurd.
    • De voertuigsnelheid ligt buiten de
    bedrijfslimieten.
    • Bij tussenkomst van het ABS of de
    stabiliteitsregeling (ESP).
    • Smalle rijstrookbreedte.

    Het systeem heeft drie intensiteitsniveaus
    die m.b.v. het informatiedisplay kunnen
    worden ingesteld. Zie Algemene
    informatie (bladzijde 96).

    De gevoeligheid van het systeem
    instellen.
    U kunt instellen hoe snel het systeem u
    voor een gevaarlijke situatie waarschuwt.
    Het systeem heeft twee
    gevoeligheidsniveaus die m.b.v. het
    informatiedisplay kunnen worden
    ingesteld. Zie Algemene informatie
    (bladzijde 96).

    203



  • Page 206

    Waarschuwing rijden buiten baan
    Indien de rijstrookmarkeringen rood
    worden of indien een trilling in het stuurwiel
    voelbaar is, moet u meteen veilige actie
    ondernemen om de auto in het juiste spoor
    te brengen en onbedoeld afdrijven te
    corrigeren.

    204



  • Page 207

    Transport
    ALGEMENE INFORMATIE

    LET OP
    Laat geen items in contact komen
    met de achterruiten.

    WAARSCHUWINGEN
    Gebruik bevestigingsriemen die
    voldoen aan een norm, bijv. DIN.

    Gebruik geen schurende materialen
    voor het reinigen van de binnenzijde
    van de achterruiten.

    Zorg ervoor dat alle losse
    voorwerpen goed zijn vastgezet.

    Breng geen stickers of labels aan op
    de binnenzijde van de achterruiten.

    Plaats bagage en ander voorwerpen
    zo laag mogelijk en zo ver mogelijk
    naar voren in de bagageruimte of de
    laadruimte.
    Rijd niet met geopende achterklep
    of achterdeur. Uitlaatgassen kunnen
    de auto worden binnengezogen.
    Overschrijd niet de maximum vooren achterasbelasting voor uw auto.
    Zie Voertuigidentificatie (bladzijde
    277).
    Zware ladingen bestemd voor de
    passagiersruimte moeten worden
    geplaatst op een neergeklapte
    achterbank (zie de afbeelding). Zie
    Achterbank (bladzijde 137).

    E135657

    Breng een hondenrek of bagagenet
    achter de voorstoelen in de
    passagiersruimte aan als er zware
    ladingen worden vervoerd.

    205



  • Page 208

    Transport
    BAGAGEVERANKERINGSPUNTEN
    Galaxy

    A

    B

    A

    B

    C

    A

    B

    C
    E75393

    206



  • Page 209

    Transport
    S-MAX

    C

    A
    A

    B

    C

    A

    B

    B

    E75394
    B1

    Uitvoeringen zonder stoelen op de derde zitrij. Trek de vloerbedekking omhoog
    om de verankeringspunten te kunnen bereiken.

    B2

    Uitvoeringen met stoelen op de derde zitrij.

    207



  • Page 210

    Transport
    SCHUIFBARE LAADVLOER
    WAARSCHUWING
    Schuif de laadvloer niet naar
    achteren wanneer de wagen met de
    voorzijde naar boven op een helling
    van 15 graden of meer staat.
    LET OP
    Het maximum toelaatbare gewicht
    op de schuifbare laadvloer bedraagt
    200 kg.

    E74811

    Het maximum toelaatbare gewicht op het
    uiteinde van de schuifbare laadvloer bij
    volledig uitgetrokken laadvloer (buiten de
    bagageruimte uitgetrokken) bedraagt 120
    kg.

    Druk om de laadvloer geheel uit te
    schuiven, de ontgrendelhendel opnieuw in
    en schuif de vloer uit tot deze in de
    eindstand wordt vergrendeld.
    Druk, om de laadvloer naar voren te
    schuiven, de ontgrendelhendel in en duw
    de vloer naar voren.
    N.B.: U hoeft weinig kracht op de
    ontgrendelhendel uit te oefenen wanneer u
    bij het indrukken van de ontgrendelhendel
    de laadvloer licht naar voren drukt.

    Opbergvak
    In de vloer aan de achterzijde van de
    bagageruimte bevindt zich een opbergvak.
    Til, om toegang te krijgen tot dit opbergvak,
    de laadvloer als volgt op:

    E74810
    Druk de ontgrendelhendel in en trek de
    laadvloer naar achteren. Deze stopt en
    wordt in het midden vergrendeld.

    208



  • Page 211

    Transport
    3. Druk de vloer naar voren tot deze aan
    de voorzijde (2) tegen de aanslag
    komt.
    4. Maak de steun los van de klem op de
    onderzijde van de vloer.
    5. Breng het uiteinde aan in de vierkante
    houder in de rail aan de linkerzijde (3).
    6. Til het bagage-afdekpaneel aan de lus
    omhoog.

    2
    1

    Laadvloer in de normale stand
    terugbrengen:
    1.

    Houd de vloer met een hand vast en
    maak de steun aan de andere zijde los.
    2. Breng de steun weer in de klem aan.
    3. Laat de vloer zakken.
    4. Druk de ontgrendelhendel in en trek de
    laadvloer naar achteren tot hij op zijn
    plaats op de rails valt.

    E74812

    OPBERGRUIMTE ONDER
    VLOER ACHTERIN

    3

    E72983

    Uitvoeringen met een
    uitschuifbare laadvloer

    E74813

    Trek de laadvloer omhoog om toegang tot
    het opbergvak te verkrijgen. Zie
    Schuifbare laadvloer (bladzijde 208).

    1.

    Druk de ontgrendelhendel in en trek de
    laadvloer iets naar achteren.
    2. Til de achterzijde van de laadvloer 1)
    omhoog.

    209



  • Page 212

    Transport
    S-MAX

    A

    Uitvoeringen zonder stoelen op de
    derde zitrij

    B

    A

    B

    A

    B

    E75395

    BAGAGENETTEN
    Bagagenet - type 1

    E75891

    WAARSCHUWING
    Wanneer het bagagenet is
    aangebracht, ga dan niet op de
    stoelen erachter zitten.
    LET OP
    Houd een afstand van minimaal een
    centimeter aan tussen het bagagenet
    en de stoelen ervoor.
    U kunt het net in de volgende standen
    aanbrengen:

    210

    A

    Achter de voorstoelen

    B

    Achter de stoelen op de tweede
    zitrij



  • Page 213

    Transport
    Net aanbrengen

    1

    2
    C

    C
    E75892

    E75893
    C

    Ontgrendeltoets

    4

    3
    E75894

    211



  • Page 214

    Transport
    1.
    2.

    3.

    4.
    5.

    6.

    Bagagenet - type 2

    Klap de rugleuningen neer. Zie
    Achterbank (bladzijde 137).
    Wanneer het bagagenet is
    opgevouwen, druk dan op de
    ontgrendeltoets C op de scharnieren
    van de bovenste en onderste stang 1
    en vouw het uit
    Druk de uiteinden van de bovenste
    stang naar elkaar toe en steek deze in
    de houders tegen het dak A of B. Zorg
    ervoor dat de rand voor
    veiligheidsgordel van de middelste
    stoel zich aan de rechterzijde van de
    wagen bevindt.
    Druk de stang naar voren in het smalle
    deel van de houders 2.
    Bevestig het net aan de
    bevestigingspunten voor de bagage 3.
    Zie Bagageverankeringspunten
    (bladzijde 206).
    Zet de riemen 4 vast.

    LET OP
    Overschrijd niet de maximum
    toelaatbare belasting van het
    bagagenet: 1 kg.
    Plaats geen zware voorwerpen in de
    onderste opbergvakken van het net.
    Controleer of de stangen stevig in de
    bekledingspanelen vastzitten.

    Het verwijderen geschiedt in omgekeerde
    volgorde.
    Wanneer u de middelste veiligheidsgordel
    niet gebruikt:

    E95920

    1.

    Klap de stoelen van de derde zitrij vlak
    neer. Zie Achterbank (bladzijde 137).
    2. Steek één uiteinde van elke stang in de
    houders van het bekledingspaneel van
    de bagageruimte.
    3. Duw het andere uiteinde van elke stang
    naar het midden toe in en steek de
    stang in de houder van het
    bekledingspaneel aan de overkant.

    5

    N.B.: De uiteinden van de bovenste stangen
    kunt u in de bovenste of voorste houders
    van de bekledingspanelen steken.
    N.B.: In het onderste net van de S-MAX zit
    drie opbergvakken. Plaats het net zodanig
    dat de opbergvakken naar achteren zijn
    gekeerd.

    E75895
    1. Klap de rand open 5.
    2. Steek de veiligheidsgordel door de
    opening.

    212



  • Page 215

    Transport
    BAGAGEAFDEKKINGEN

    DAKREKKEN EN
    BAGAGEDRAGERS

    WAARSCHUWING

    Imperiaal

    Leg geen voorwerpen op het
    bagageafdekpaneel.

    WAARSCHUWINGEN
    Wanneer u een imperiaal gebruikt,
    kan het brandstofverbruik van uw
    auto hoger zijn en kan de
    rijkarakteristiek anders zijn.
    Wanneer u een imperiaal aanbrengt,
    lees dan de instructies van de
    fabrikant en volg deze op.
    LET OP
    Overschrijd de maximum toelaatbare
    dakbelasting van 75 kg (inclusief de
    imperiaal) niet.
    Rijd niet harder dan 130 km/h.

    E72969

    Trek het afdekpaneel uit en zet het in de
    bevestigingspunten vast.

    Controleer de bevestiging van de imperiaal
    als volgt:

    Maak hem uit de bevestigingspunten los
    en laat hem in de houder oprollen. Zet de
    haak op de houder vast.





    voordat u vertrekt
    na 50 kilometer (30 mijl) te hebben
    gereden
    met intervallen van 1.000 kilometer
    (600 mijl).

    Wanneer de imperiaal niet in gebruik is,
    moeten de rails in dwarsrichting naar
    achteren worden verplaatst om geluiden
    die door de wind worden veroorzaakt tot
    een minimum te beperken. Als de rails in
    dwarsrichting niet worden gebruikt,
    moeten ze worden verwijderd om het
    brandstofverbruik te verlagen.
    E72970

    Dakdragers aanbrengen

    Druk beide uiteinden van de houder naar
    binnen om de hoes te verwijderen of aan
    te brengen.

    WAARSCHUWINGEN
    Controleer vóór gebruik van de
    dakdragers dat deze niet beschadigd
    of vervormd zijn en dat deze vrij van
    vreemd materiaal zijn.

    213



  • Page 216

    Transport
    WAARSCHUWINGEN
    Zorg ervoor dat de pakkingen correct
    onder de voeten van de dakdragers
    zijn geplaatst.
    Verdeel de lading gelijkmatig over de
    laadvloer en houd het zwaartepunt
    zo laag mogelijk. Zet de lading goed
    vast om te voorkomen dat deze kan
    verschuiven. Plaats nooit de lading direct
    op het dakpaneel.

    E131371

    1.

    Ontgrendel de kappen.

    LET OP
    Verwijder de dakdragers voordat u een
    automatische wasstraat binnenrijdt.
    N.B.: De pakkingen zijn van markeringen
    voor vóór en achter voorzien om het
    aanbrengen te vergemakkelijken.

    E131372

    2. Trek de kappen naar u toe.

    N.B.: De zijrails zijn zodanig ontworpen dat
    dakdragers (voor fietssteunen, skiklemmen,
    enz.) uit het Ford Accessoires Programma
    kunnen worden aangebracht.
    N.B.: Reinig, voordat de dakdragers worden
    aangebracht, de zijrails met een in water
    gedrenkte spons.
    E131373

    N.B.: Positioneer de dakdragers zoals
    afgebeeld.

    A

    N.B.: Zorg ervoor dat de kap volledig is
    geopend.

    B

    3. Til de kap op.

    E98206

    A

    150 mm

    B

    700 mm

    214



  • Page 217

    Transport
    BEVESTIGINGSPUNTEN VOOR
    LADING

    E75002
    WAARSCHUWINGEN
    Klap de leuning niet omhoog
    wanneer een ladingsteun is
    aangebracht.

    E131374

    WAARSCHUWING
    Zorg ervoor dat de klemhaak correct
    is gepositioneerd.

    Overschrijd niet het maximum
    toelaatbare laadgewicht van 60 kg
    voor twee ladingsteunen en 30 kg
    voor één ladingsteun.

    N.B.: Voor het sluiten van de kap is een
    kracht van ca. 100 newton vereist.
    4. Breng de klemhaak in de aangegeven
    positie en sluit de kap.

    Controleer of de ladingsteunen goed
    vastzitten en zet de bevestigingen als volgt
    vast:




    E131375

    WAARSCHUWING
    Zorg dat de dakdragers stevig zijn
    bevestigd.
    5. Vergrendel de kappen en verwijder de
    sleutel.

    215

    voordat u vertrekt
    na 50 kilometer (30 mijl) te hebben
    gereden
    met intervallen van 1.000 kilometer
    (600 mijl).



  • Page 218

    Transport
    Ladingsteunen monteren

    Vloer van bagageruimte (uitvoeringen
    met vijf stoelen)

    Rugleuning

    E74997

    E74999

    E74998

    216



  • Page 219

    Transport
    Verankeringspunten monteren

    Uitschuifbare laadvloer

    E75003

    E75000

    217



  • Page 220

    Transport

    3

    3
    2

    1

    E76378
    1. Draai de box om.
    2. Breng de ladingsteun aan.
    3. Zet de ladingsteun met vier schroeven
    vast.

    E75001

    De ladingsteun monteren
    WAARSCHUWINGEN
    Monteer de ladingsteun met het
    langste deel naar de achterzijde van
    de wagen gekeerd. Wanneer u hem
    omgekeerd monteert, houd het de box bij
    een eventuele aanrijding niet op zijn plaats.
    Monteer de ladingsteun niet op een
    rugleuning van de tweede zitrij. Hij
    kan op deze plaats niet correct
    worden gemonteerd.

    E76379

    Overschrijd niet de maximum
    toelaatbare belasting van 20 kg.

    4. Schuif de bouten in de bevestiging voor
    de ladingsteun.

    218



  • Page 221

    Transport

    A
    B

    E76380

    A

    B

    A

    B

    E75891

    5. Breng de ladingsteun op de
    neergeklapte rugleuning aan zodat de
    bouten door de twee gaten in het
    langste deel van de ladingsteun steken.
    6. Zet de ladingsteun met de twee
    vleugelmoeren vast.
    7. Het verwijderen geschiedt in
    omgekeerde volgorde.

    HONDENREK
    WAARSCHUWING
    Wanneer het hondenrek is
    aangebracht, ga dan niet op de
    stoelen ervoor zitten.
    LET OP
    Houd een afstand van minimaal een
    centimeter aan tussen het hondenrek
    en de stoelen ervoor.
    U kunt het hondenrek op de volgende
    plaatsen aanbrengen:

    219

    A

    Achter de voorstoelen

    B

    Achter de stoelen op de tweede
    zitrij



  • Page 222

    Transport
    Hondenrek aanbrengen

    2

    D
    C
    E75896
    C

    Stang voor het aanbrengen van
    het hondenrek achter de
    voorstoelen

    D

    Stang voor het aanbrengen van
    het hondenrek achter de stoelen
    op de tweede zitrij

    E75892

    1

    3

    E75897

    E75898
    1.

    Klap de rugleuningen neer. Zie
    Achterbank (bladzijde 137).
    2. Bevestig de stang (C of D) aan de
    bevestigingspunten voor de bagage 1.
    Zie Bagageverankeringspunten
    (bladzijde 206). Zet de bouten niet vast.

    220



  • Page 223

    Transport
    3. Druk de uiteinden van de stang op het
    rek naar elkaar toe en breng de stang
    in de houders tegen het dak (A of B)
    aan. Zorg ervoor dat de klep voor
    veiligheidsgordel van de middelste
    stoel zich aan de rechterzijde van de
    wagen bevindt.
    4. Druk de stang naar voren in het smalle
    deel van de houders 2.
    5. Zet het rek met de draaiknoppen 3 op
    de onderste stang vast. Zet de
    draaiknoppen niet vast.
    6. Zet de schroeven aan de
    verankeringspunten voor de bagage
    vast.
    7. Zet de draaiknoppen 3 vast.

    1.

    Draai de draaiknop los en verwijder
    deze 4.
    2. Klap de klap open 5.
    3. Zet de klap met de draaiknop vast 6.
    4. Steek de veiligheidsgordel door de
    opening.

    Het verwijderen geschiedt in omgekeerde
    volgorde.
    Wanneer u de middelste veiligheidsgordel
    moet gebruiken:

    4

    5

    6
    E75899

    221



  • Page 224

    Aanhangers trekken
    Steile hellingen

    TREKKEN VAN EEN
    AANHANGER

    WAARSCHUWING
    Houd er rekening mee dat de
    oplooprem van een aanhanger niet
    door het ABS wordt geregeld.

    WAARSCHUWINGEN
    Rijd niet harder dan 100 km/h (62
    mph).
    De bandenspanningen achter
    moeten worden vermeerderd met
    0,2 bar (3 psi) boven de specificatie.
    Zie Technische specificatie (bladzijde
    275).

    Schakel terug voordat u een steile afdaling
    bereikt.

    Overschrijd het maximaal
    toelaatbaar treingewicht dat op het
    identificatieplaatje van de auto staat
    niet. Zie Voertuigidentificatie (bladzijde
    277).

    WAARSCHUWINGEN
    Wanneer de trekhaak niet wordt
    gebruikt, berg de trekhaakkogel dan
    stevig vastgezet in het
    bagagecompartiment op.

    LET OP

    Het aanbrengen van de afneembare
    trekhaakkogel moet bijzonder
    zorgvuldig plaatsvinden aangezien
    de juiste bevestiging bepalend is voor de
    veiligheid van uw auto en de aanhanger.

    TREKHAAK

    Overschrijd nooit het maxiamale
    toegestane kogeldruk, d.w.z. het
    verticale gewicht op de trekhaakkogel,
    van 90 kilogram.

    Gebruik geen gereedschap voor het
    aanbrengen of verwijderen van de
    afneembare trekhaakkogel. Wijzig
    de aanhangerkoppeling niet. Demonteer
    of repareer de trekhaakkogel niet.

    N.B.: Niet alle auto's zijn geschikt of
    goedgekeurd voor het aanbrengen van een
    trekhaak. Vraag dit eerst bij uw dealer na.
    Plaats de lading zo laag mogelijk en
    midden op de as(sen) van de aanhanger.
    Wanneer u met een onbeladen auto rijdt,
    moet de lading in de aanhanger zover
    mogelijk naar de aanhangerkoppeling
    worden geschoven, omdat dit voor de
    beste stabiliteit zorgt. Overschrijd de
    maximum toelaatbare kogeldruk niet.
    De stabiliteit van de auto-aanhanger
    combinatie is vooral afhankelijk van de
    kwaliteit van de aanhanger.
    In bergachtige streken moet vanaf hoogten
    van 1.000 meter het maximum toelaatbaar
    gewicht voor iedere 1.000 meter met 10%
    worden verlaagd.

    E71328

    222



  • Page 225

    Aanhangers trekken
    Trekhaakkogel aanbrengen

    Een 13 pins stekkerdoos en het
    bevestigingspunt voor de trekhaakkogel
    bevinden zich onder de achterbumper.
    Draai de stekkerdoos 90 graden tot hij in
    zijn eindstand wordt vergrendeld.

    Trekhaakkogel ontgrendelen

    1

    3
    1
    2
    E71329

    1.

    Verwijder de beschermkap (1). Steek
    de sleutel in het slot en draai hem
    rechtsom om hem te ontgrendelen (2).
    2. Houd de trekhaakkogel vast. Trek het
    kartelwiel naar buiten en draai het
    rechtsom tot het klikt (3).
    3. Het rode merkteken op kartelwiel moet
    tegenover het groene merkteken op de
    trekhaakkogel staan.
    4. Laat de kartelwiel los. De
    trekhaakkogel is nu ontgrendeld.

    2
    E71330
    WAARSCHUWING
    Breng de trekhaakkogel alleen aan
    wanneer de koppeling volledig is
    ontgrendeld.
    1. Verwijder de dop.
    2. Druk de trekhaakkogel verticaal in de
    opening tot hij aangrijpt (1). Houd uw
    hand niet in de omgeving van het
    kartelwiel.
    3. Het groene merkteken op kartelwiel
    moet tegenover het groene merkteken
    op de trekhaakkogel staan.
    4. Draai de sleutel linksom om de
    trekhaakkogel te vergrendelen en
    verwijder de sleutel (2).
    5. Trek de beschermkap van de sleutel
    en steek deze in het slot.

    223



  • Page 226

    Aanhangers trekken
    Rijden met een aanhanger

    Trekhaakkogel verwijderen

    A
    3
    B

    E71331

    2

    WAARSCHUWING
    Wanneer aan één van de
    onderstaande voorwaarden niet kan
    worden voldaan, gebruik dan de
    trekhaak niet en laat deze door een goed
    opgeleide monteur controleren.

    1
    E71332

    Controleer voordat u gaat rijden of de
    trekhaakkogel goed is vergrendeld.
    Controleer of:





    1. Koppel de aanhanger af.
    2. Verwijder de beschermkap. Schuif de
    kap op de sleutel. Steek de sleutel in
    het slot en ontgrendel deze (1).
    3. Houd de trekhaakkogel vast. Trek het
    kartelwiel uit, draai het rechtsom tot
    tegen de aanslag (2), verwijder de
    trekhaakkogel (3).
    4. Laat het kartelwiel los.

    de groene merktekens tegenover elkaar
    staan
    de draaiknop (A) correct aan de
    trekhaakkogel bevestigd is
    of u de sleutel (B) heeft verwijderd
    De trekhaakkogel stevig vastzit. Deze
    moet stevig op zijn plaats blijven als er
    aan getrokken wordt.

    Wanneer de trekhaakkogel op deze wijze
    wordt ontgrendeld, kan hij ten alle tijde
    worden aangebracht.

    224



  • Page 227

    Aanhangers trekken
    Rijden zonder aanhanger

    AFNEEMBARE
    TREKHAAKKOGEL
    LET OP
    Beweeg de trekhaakkogel alleen met
    uw hand. Gebruik nooit uw voet of
    gereedschap omdat dan het
    mechanisme kan worden beschadigd.

    1

    A
    E94771

    1. Verwijder de trekhaakkogel.
    2. Steek de stekker in de houder (1).
    WAARSCHUWING
    Ontgrendel de trekhaakkogel nooit
    terwijl een aanhanger is
    aangekoppeld.

    Onderhoud
    WAARSCHUWING

    E75173

    Verwijder voordat u uw auto met een
    hogedrukreiniger reinigt de
    afneembare trekhaakkogel en sluit
    de opening met de dop af.

    U kunt de inklapbare trekhaakkogel 90
    graden verdraaien met het kartelwiel A.

    C

    Houd het systeem schoon. Smeer de
    lagerpunten, glij-oppervlakken en
    vergrendelingskogels met harsvrij vet of
    olie. Smeer het slot met grafiet.

    B

    In geval van verlies kunnen
    vervangingssleutels onder vermelding van
    het nummer op de slotcilinder.
    E75174

    225



  • Page 228

    Aanhangers trekken
    Een 13-pins stekkerdoos B bevindt zich
    naast de trekhaakkogel onder de
    achterbumper C.

    E75175

    D
    E76040
    N.B.: Wanneer de trekhaak niet wordt
    gebruikt, breng dan de sleutel aan de
    rechterzijde van het kartelwiel in de
    opslagstand D.

    Trekhaakkogel inklappen
    WAARSCHUWINGEN
    Houd uw handen weg van het
    kartelwiel, omdat deze tijdens het
    vergrendelen draait.

    E75176

    1.

    Steek de sleutel in het kartelwiel en
    draai deze rechtsom om hem te
    ontgrendelen.
    2. Trek het kartelwiel uit en draai het
    linksom tot tegen de aanslag. De
    trekhaakkogel draait automatisch in
    de middelste stand.
    3. Laat het kartelwiel los. De
    trekhaakkogel is niet vergrendeld. Dit
    wordt aangeduid door een
    waarschuwingssignaal en het
    kartelwiel steekt ongeveer vijf
    millimeter uit het huis.

    U hoort een waarschuwingssignaal
    wanneer de trekhaakkogel niet in een
    van de vergrendelstanden staat.
    Indien u geen waarschuwingssignaal hoort
    wanneer u de trekhaakkogel beweegt,
    gebruik dan de trekhaak niet voordat deze
    door een deskundige is gecontroleerd.
    LET OP
    Voordat de trekhaakkogel in de
    opslagstand wordt gebracht moet
    altijd eerst de aanhanger worden
    losgekoppeld of fietssteunen e.d. eerst
    worden losgemaakt en verwijderd. Maak
    bevestigingen voor stabilisatiesystemen
    los. Verwijder de stekker voor de voeding
    van de aanhanger en de adapter uit de
    stekkerdoos. Doet u dit niet, dan kan de
    bumper worden beschadigd.

    226



  • Page 229

    Aanhangers trekken
    4. Draai de trekhaakkogel met de hand
    vanuit de middelste stand tot tegen de
    aanslag in de opslagstand. De
    trekhaakkogel wordt automatisch in
    de eindstand vergrendeld. Het
    vergrendelingsproces is duidelijk
    hoorbaar wanneer er niet teveel
    achtergrondgeluid is. Wanneer het
    vergrendelingsproces is voltooid, stopt
    het waarschuwingssignaal en het
    kartelwiel keert in zijn oorspronkelijke
    stand terug.
    5. Draai de sleutel linksom en verwijder
    deze. Breng de sleutel in de
    opslagstand aan.

    E75179

    E75178

    1.

    Steek de sleutel in het kartelwiel en
    draai deze rechtsom om hem te
    ontgrendelen.
    2. Trek het kartelwiel uit en draai het
    linksom tot tegen de aanslag. De
    trekhaakkogel draait automatisch in
    de middelste stand.
    3. Laat het kartelwiel los. De
    trekhaakkogel is niet vergrendeld. Dit
    wordt aangeduid door een
    waarschuwingssignaal en het
    kartelwiel steekt ongeveer vijf
    millimeter uit het huis.

    E75177

    Trekhaakkogel uitklappen
    WAARSCHUWING
    U hoort een waarschuwingssignaal
    wanneer de trekhaakkogel niet in een
    van de vergrendelstanden staat.
    Indien u geen waarschuwingssignaal hoort
    wanneer u de trekhaakkogel beweegt,
    gebruik dan de trekhaak niet voordat deze
    door een deskundige is gecontroleerd.

    227



  • Page 230

    Aanhangers trekken
    4. Draai de trekhaakkogel met de hand
    vanuit de middelste stand tot tegen de
    aanslag in de werkstand. De
    trekhaakkogel wordt automatisch in
    de eindstand vergrendeld. De
    vergrendelingsprocedure is duidelijk
    hoorbaar wanneer er niet teveel
    achtergrondgeluid is. Wanneer het
    vergrendelingsproces is voltooid, stopt
    het waarschuwingssignaal en het
    kartelwiel keert in zijn oorspronkelijke
    stand terug.
    5. Draai de sleutel linksom en verwijder
    deze. Breng de sleutel in de
    opslagstand aan.

    LET OP
    Alleen de fabrikant mag aan de
    trekhaak reparaties uitvoeren of hem
    demonteren.
    Wanneer de auto met een
    stoomreiniger wordt gereinigd, richt
    dan de lans niet rechtstreeks op het
    scharnierpunt van de trekhaakkogel.

    Rijden met een aanhanger
    WAARSCHUWING
    Wanneer aan één van de
    onderstaande voorwaarden niet kan
    worden voldaan, gebruik dan de
    trekhaak niet en laat deze door een goed
    opgeleide monteur controleren.
    Controleer voordat u gaat rijden of de
    trekhaakkogel goed is vergrendeld.
    Controleer of:






    er geen waarschuwingssignaal klinkt
    nadat de vergrendelingsprocedure is
    voltooid
    het kartelwiel in het huis zit en dat er
    geen spleet bestaat
    u het kartelwiel hebt geblokkeerd
    (linksom) en de sleutel hebt verwijderd
    de trekhaakkogel is vergrendeld. Deze
    moet stevig op zijn plaats blijven als er
    aan getrokken wordt.

    Onderhoud
    LET OP
    De trekhaak en het mechanisme zijn
    onderhoudsvrij. Smeer ze niet met olie
    of vet.

    228



  • Page 231

    Tips voor het rijden
    INRIJDEN

    LET OP
    De motor kan beschadigd raken als
    water het luchtfilter binnendringt.

    Banden
    WAARSCHUWING

    In noodsituaties kan de auto met een
    maximumsnelheid van 10 km/u (6 mph)
    door water met een maximale diepte van
    200 mm (8") rijden. Tijdens rijden door
    stromend water moet extra worden
    opgelet.

    Nieuwe banden hebben een
    inlooptijd van ongeveer 500
    kilometer. Gedurende deze periode
    kan de auto een andere rijkarakteristiek
    vertonen.

    Houd tijdens rijden in water een lage
    snelheid aan en zet de auto niet stil. Voer
    na het rijden door water de volgende
    procedures uit als de situatie dit toelaat:
    • Trap het rempedaal licht in en
    controleer of volledige remwerking
    wordt verkregen.
    • Controleer of de claxon werkt.
    • Controleer of de verlichting van de auto
    volledig werkt.
    • Controleer de stuurbekrachtiging.

    Remmen en koppeling
    WAARSCHUWING
    Vermijd indien mogelijk intensief
    gebruik van de remmen en de
    koppeling gedurende de eerste 150
    kilometer in de stad en gedurende de
    eerste 1500 kilometer op snelwegen.

    Motor
    LET OP
    Rijd niet te snel gedurende de eerste
    1500 kilometer. Varieer uw snelheid
    regelmatig en schakel tijdig op. Laat
    de motor niet zwoegen.

    VOORZORGSMAATREGELEN
    VOOR KOUDE
    WEERSOMSTANDIGHEDEN
    De werking van sommige componenten
    en systemen kan worden beïnvloed bij
    temperaturen lager dan -30 °C.

    DOOR WATER RIJDEN
    Door water rijden
    LET OP
    Rijd alleen door water in noodgevallen
    en niet als normaal wordt gereden.

    229



  • Page 232

    Wat te doen bij pech
    EERSTEHULPSET

    E73238
    In de opbergruimte onder de vloer bevindt
    zich een ruimte om een EHBO doos op te
    bergen. Zie Opbergruimtes (bladzijde
    148).

    GEVARENDRIEHOEK

    E73239
    In de opbergruimte onder de vloer bevindt
    zich een ruimte om een gevarendriehoek
    op te bergen. Zie Opbergruimtes
    (bladzijde 148).

    230



  • Page 233

    Zekeringen
    PLAATSEN
    ZEKERINGENHOUDERS
    Zekeringenkast in het
    motorcompartiment

    E72590

    2. Verwijder het paneel.
    3. Draai de knop 90 graden en maak de
    zekeringenkast los van de steun.
    4. Laat de zekeringenkastafdekking zakken
    en trek deze naar u toe.

    E72588

    5. Breng de eerder verwijderde onderdelen
    in omgekeerde volgorde aan.

    Centrale zekeringenkast

    Zekeringenkast achterin

    Alle modelvarianten

    E72591

    E72589

    Maak de klemmen los en verwijder het
    deksel.

    1. Knijp in de klemmen om de afdekking los
    te maken.

    231



  • Page 234

    Zekeringen
    EEN ZEKERING VERVANGEN

    LET OP
    Breng een vervangingszekering met
    hetzelfde vermogen aan als van de
    verwijderde zekering.

    WAARSCHUWINGEN
    Wijzig de elektrische installatie van
    de wagen op geen enkele wijze. Laat
    reparaties aan de elektrische
    installatie en het vervangen van relais en
    zekeringen voor hoge stroomsterktes door
    een goed opgeleide monteur uitvoeren.

    N.B.: U kunt een doorgeslagen zekering
    herkennen aan de gebroken smeltdraad.
    N.B.: Alle zekeringen, behalve zekeringen
    voor hoge stroomsterkten, zijn
    steekzekeringen.

    Zet het contact af en schakel alle
    stroomverbruikers uit voordat u een
    zekering aanraakt of probeert te
    vervangen.

    N.B.: Er zit een zekeringentrekker in de
    zekeringenkast van de motorruimte.

    232



  • Page 235

    Zekeringen
    SPECIFICATIE-OVERZICHT ZEKERINGEN
    Zekeringenkast in motorruimte

    E75525
    Zekering

    Amperage

    F1

    10

    Transmissieregelmodule (AWF21)

    Beveiligde circuits

    F1

    15

    Transmissieregelmodule (MPS6)

    F2

    5

    Voorgloeicontrole (dieselmotoren)

    233



  • Page 236

    Zekeringen
    Zekering

    Amperage

    Beveiligde circuits

    F2

    5

    Controlefunctie gloeibougie verdamper (2.0L DuratorqTDCi Ftage V en 2.2L Duratorq-TDCi Fase V)

    F3

    70

    F3

    1

    Koelventilator - dubbele ventilator (2.3L Duratec-HE
    en 2.2L Duratorq-TDCi met automatische transmissie)

    80

    1

    Elektrohydraulische stuurbekrachtiging (EHPAS) (1.6L
    EcoBoost SCTi, 2.0L EcoBoost SCTi, 1.6L DuratorqTDCi Fase V en 2.0L Duratorq-TDCi Fase V)

    F4

    60

    Gloeibougies

    F5

    60

    Koelventilator (1.6L Duratorq-TDCi, 2.0L DuratorqTDCi, 2.0L Duratorq-TDCi Fase V, 2.2L Duratorq-TDCi
    met handgeschakelde versnellingsbak, 2.0L DuratecHE, 2.3L Duratec-HE en 2.0L EcoBoost SCTi)

    F5

    70

    Koelventilator - dubbele ventilator (1.6L EcoBoost
    SCTi)

    F6

    7,5

    HEGO-sensor (1.6L Duratorq-TDCi)

    F6

    10

    HEGO-sensor, CMS-sensor, lambdasonde (motorregeling)

    F6

    20

    Gloeibougie verdamper (2.0L Duratorq-TDCi Ftage V
    en 2.2L Duratorq-TDCi Fase V)

    F7

    5

    Relaisspoelen

    F8

    10

    Computer motorregeling, brandstofdoseereenheid,
    MAF-sensor, drukregelklep brandstofverdeelleiding
    (motorregeling)

    F8

    20

    Computer motorregeling (2.0L EcoBoost SCTi en 2.0L
    Duratorq-TDCi Fase V)

    F8

    15

    Computer motorregeling (1.6L EcoBoost SCTi, 1.6L
    Duratorq-TDCi en 2.2L Duratorq-TDCi Fase V)

    F9

    10

    MAF-sensor, verstuivers (motorregeling)

    F9

    5

    Brandstofpompverdamper (2.2L Duratorq-TDCi Fase
    V)

    F9

    7,5

    MAF-sensor, EGR-omloopklep, Brandstofpompverdamper (2.2L Duratorq-TDCi Fase V) (motormanagement)

    234



  • Page 237

    Zekeringen
    Zekering

    Amperage

    Beveiligde circuits

    F9

    7,5

    Ontluchtingsklep, TMAF-sensor, actieve afsluitklep
    radiateurgrille, omloopklep, relaisspoel, extra koelvloeistofpomp met doordraaifunctie (1.6L EcoBoost SCTi)

    F10

    10

    Motorregelmodule (2.0L Duratorq-TDCi)

    F10

    7,5

    Extra koelvloeistofpomp met doordraaifunctie (1.6L
    EcoBoost SCTi)

    F11

    10

    PCV-klep, VCV-klep, sensor water-in-brandstof, sonische ontluchtklep, wervelregelklep, variabele inlaatklep, EGR-klep, IVVT-olieregelklep (motorregeling).
    T.MAF-sensor, variabele uitlaatklep, actieve afsluitklep
    radiateurgrille, afzuigklep actief-koolstoffilter, regelklep
    turbocompressor, wastegate-klep (motorregeling).

    F11

    10

    Regelklep turbocompressor, MAF-sensor, actieve
    afsluitklep radiateurgrille, EGR-klep, VCV-klep (1.6L
    Duratorq-TDCi)

    F11

    5

    MAF-sensor, sensor water-in-brandstof, actieve
    afsluitklep radiateurgrille, inlaatsdoseerklep (2.0L
    Duratorq-TDCi Fase V)

    F11

    7,5

    Verdeelleidingdruk, brandstofdoseereenheid, actieve
    afsluitklep radiateurgrille (2.2L Duratorq-TDCi Fase V)

    F11

    10

    Regelklep turbocompressor, variabele inlaatklep,
    variabele uitlaatklep, afzuigklep actief-koolstoffilter,
    elektrische omloopklep (1.6L EcoBoost SCTi)

    F12

    10

    Bobine direct op bougie (directe ontsteking), afzuigklep
    actief-koolstoffilter, drukschakelaar bekrachtigde
    stuurinrichting (motorregeling)

    F12

    10

    EGR-klep, variabele turbocompressorregeling (2.0L
    Duratorq-TDCi)

    F12

    5

    Relaisspoelen (2.0L Duratorq-TDCi Fase V, 2.2L Duratorq-TDCi Fase V en 1.6L Duratorq-TDCi)

    F12

    15

    Bobines (1.6L EcoBoost SCTi en 2.0L EcoBoost SCTi)

    F13

    15

    Airconditioning

    F14

    15

    Verwarming dieselfilter (2.0L Duratorq-TDCi, 2.0L
    Duratorq-TDCi Fase V en 1.6L Duratorq-TDCi)

    F14

    10

    HEGO-sensors (2.2L Duratorq-TDCi Fase V)

    235



  • Page 238

    Zekeringen
    Zekering

    Amperage

    Beveiligde circuits

    F15

    40

    Startmotorrelais

    F16

    80

    Extra verwarming dieselmotor (PTC)

    F17

    60

    Voeding A centrale zekeringenkast

    F18

    60

    Voeding B centrale zekeringenkast

    F19

    60

    Voeding C zekeringenkast achterin

    F20

    60

    Voeding D zekeringenkast achterin

    F21

    30

    VQM/niet-VQM: Instrumentengroep/Audio/AC/FLR

    F22

    30

    Ruitenwissermodule

    F23

    25

    Verwarmde achterruit

    F24

    30

    Koplampsproeiers

    F25

    30

    Kleppen van ABS

    F26

    40

    Pomp van ABS

    F27

    25

    Standverwarming

    F28

    40

    Aanjager

    F29



    Wordt niet gebruikt

    F30

    5

    ABS 30 voeding

    F31

    15

    Claxon

    F32

    5

    Extra verwarming op brandstof - afstandsbediening

    F33

    5

    Module lichtschakelaar, spoelen zekeringenkast in
    motorruimte

    F34

    40

    Voorruitverwarming, linkerzijde

    F35

    40

    Voorruitverwarming, rechterzijde

    F36

    15

    Ruitenwisser achter 15 voeding

    F37

    7,5

    Verwarmede ruitensproeiers voor/FLR + FSM KL15

    F38

    10

    PCM/TCM/EHPAS 15 voeding

    F39

    15

    Adaptieve koplampen (AFS)

    F40

    5

    Module koplampafstelling/AFS

    236



  • Page 239

    Zekeringen

    1

    Zekering

    Amperage

    Beveiligde circuits

    F41

    20

    Instrumentenpaneel

    F42

    5

    Instrumentengroep

    F43

    15

    Module audio/BVC / module DAB

    F44

    5

    Automatische AC / handmatige AC

    F45

    5

    FLR (start/stop)

    Vervang een doorgebrande zekering door een exemplaar met hetzelfde vermogen.

    Centrale zekeringenkast

    A

    B

    E124888

    237



  • Page 240

    Zekeringen
    A

    Stuur links

    B

    Stuur rechts

    Zekering

    Amperage

    Beveiligde circuits

    F1

    7,5

    F2

    5

    Instrumentengroep

    Stuurwielmodule

    F3

    10

    Interieurverlichting

    F4

    5

    Startblokkeringssysteem

    F5

    7,5

    F6

    5

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    Regensensor

    F7

    20

    Aansteker

    F8

    10

    Voeding brandstofvulklep ontgrendelen

    F9

    15

    Ruitensproeiers, achter

    F10

    15

    Ruitensproeiers, voor

    F11

    10

    Voeding bagageruimte ontgrendelen

    F12

    10

    Voeding brandstofvulklep vergrendelen

    F13

    20

    Brandstofpomp

    F13

    7,5

    Brandstofpomp (2.2L Duratorq-TDCi Fase V)

    F14

    5

    Frequentie-ontvanger, interieurbewegingssensor

    F15

    5

    Contactslot

    F16

    5

    Sirene alarmsysteem met accu, OBD II (diagnose
    boordcomputer)

    F17

    5

    Trillingsactuator stuurwiel

    F18

    10

    Voeding SRS (airbag)

    F19

    7,5

    Voeding ABS, gierhoeksensor (ESP), elektrische
    parkeerrem (EPB), gaspedaal

    F20

    7,5

    Elektronische voeding, elektronische zekering, automatisch dimmende achteruitkijkspiegel, waarschuwing voor verlaten rijstrook

    F21

    15

    Radiovoeding

    238



  • Page 241

    Zekeringen
    Zekering

    Amperage

    F22

    5

    F23

    20

    F24

    5

    Beveiligde circuits

    Remlichtschakelaar
    Zonnedak
    Voeding klimaatregelmodule en stuurkolomeenheid

    Zekeringenkast achterin

    E75526

    239



  • Page 242

    Zekeringen

    Zekering

    Amperage

    Beveiligde circuits

    FA1

    25

    Portiermodule (linksvoor) (ruit op/neer, centrale
    vergrendeling, inklapbare spiegel, spiegelverwarming)

    FA2

    25

    Portiermodule (rechtsvoor) (ruit op/neer, centrale
    vergrendeling, inklapbare spiegel, spiegelverwarming)

    FA3

    25

    Portiermodule (linksachter) (ruit op/neer)

    FA4

    25

    Portiermodule (rechtsachter) (ruit op/neer)

    FA5

    10

    Vergrendelen achter (zonder portiermodules achter)

    FA6

    15

    Extra elektrische aansluiting

    FA7

    5

    Relaisspoelen

    FA8

    20

    FA9

    5

    Relaisspoelen VQM (start/stop)

    FA10

    -

    Wordt niet gebruikt

    FA11

    20

    Accessoires, trekhaakmodule

    FA12

    30

    Elektrisch verstelbare bestuurdersstoel

    FB1

    15

    Zonweringssysteem

    Keyless-module

    FB2

    15

    Module schokdemperregeling

    FB3

    15

    Verwarming bestuurdersstoel

    FB4

    15

    Verwarming passagiersstoel, voor

    FB5



    Wordt niet gebruikt

    FB6

    10

    Klimaatregeling, achter

    FB7



    Wordt niet gebruikt

    FB8

    5

    Parkeerhulp, BLIS

    FB9

    30

    Elektrisch verstelbare passagiersstoel, voor

    FB10

    10

    Claxon alarmsysteem

    FB11



    Wordt niet gebruikt

    FB12



    Wordt niet gebruikt

    FC1

    7,5

    Elektrisch bedienbare achterste zijruiten

    240



  • Page 243

    Zekeringen
    Zekering

    Amperage

    Beveiligde circuits

    FC2

    30

    Elektrische parkeerrem (EPB)

    FC3

    30

    Elektrische parkeerrem (EPB)

    FC4

    10

    Airconditioning, achter

    FC5

    20

    Sleutelloos voertuig

    FC6

    20

    Aanjager airconditioning, achter

    FC7

    5

    FC8

    7,5

    Entertainment-systeem achterin/CD-wisselaar

    Module stoelgeheugen

    FC9

    20

    Versterker van geluidsinstallatie

    FC10

    10

    Sony audiophile

    FC11



    Wordt niet gebruikt

    FC12



    Wordt niet gebruikt

    241



  • Page 244

    Bergen van de auto
    Sleepoog, voor

    SLEEPPUNTEN
    Locatie sleepoog

    E73241

    Sleepoog, achter

    E73240

    Het afneembare sleepoog bevindt zich in
    de opbergruimte onder de vloer achter de
    voorstoelen. Zie Opbergruimtes
    (bladzijde 148).

    A

    Het sleepoog moet altijd in de auto
    worden meegenomen.
    E73242

    Sleepoog aanbrengen
    A

    LET OP
    Het afneembare sleepoog heeft
    linkse schroefdraad. Draai het
    linksom om het vast te zetten. Zorg
    ervoor dat het sleepoog volledig wordt
    vastgezet.

    Bevestigingspunt voor sleepoog
    aan achterzijde

    Steek een geschikt voorwerp in het gat aan
    de onderzijde van het paneel en trek het
    paneel los.
    Breng het sleepoog aan.

    N.B.: Bij wagens met een trekhaak kan het
    sleepoog aan de achterzijde niet worden
    aangebracht. Gebruik de trekhaak voor het
    slepen van een auto.

    242



  • Page 245

    Bergen van de auto
    AUTO OP VIER WIELEN
    SLEPEN

    LET OP
    Bij een mechanisch defect aan de
    transmissie moeten de aangedreven
    wielen worden opgehesen zodat deze
    vrij zijn van het wegdek.

    Alle modelvarianten
    WAARSCHUWINGEN
    Zet het contact aan wanneer uw
    auto wordt gesleept. Bij afgezet
    contact treedt het stuurslot in
    werking en werken de richtingaanwijzers
    en de remlichten niet.

    Sleep uw wagen niet achterwaarts.
    Zet de versnellingsbak in neutraal
    wanneer uw auto wordt gesleept.

    Voertuigen met 2.0L DuratorqTDCi (DW) diesel (fase V) of 2.0L
    EcoBoost SCTi (MI4) en 6-traps
    automatische transmissie

    De rem- en stuurbekrachtiging
    werken niet, tenzij de motor draait.
    Druk het rempedaal harder in en
    houd rekening met langere remafstanden
    en een zwaarder draaiend stuurwiel.

    LET OP
    Het wordt aanbevolen de auto niet te
    slepen met de aandrijfwielen op het
    wegdek. Als het echter nodig is om de
    auto van een gevaarlijk plaats te
    verwijderen, sleep uw auto dan niet sneller
    dan 20 km/h of over een afstand van meer
    dan 20 kilometer.

    LET OP
    Te veel spanning op de sleepkabel
    kan schade toebrengen aan uw en
    aan de trekkende wagen.
    Bevestig aan het sleepoog aan de
    voorzijde geen trekstang.

    Wanneer uw auto met snelheden
    boven 20 km/h en over afstanden van
    meer dan 20 kilometer moet worden
    gesleept, moet hij worden getransporteerd
    terwijl alle vier wielen vrij zijn van het
    wegdek.

    Trek rustig en soepel zonder rukken op.

    Voertuigen met automatische
    transmissie, behalve 2.0L
    Duratorq-TDCi (DW) diesel (fase
    V) of 2.0L EcoBoost SCTi (MI4)
    met 6-traps automatische
    transmissie

    Sleep uw voertuig niet als de
    omgevingstemperatuur lager is dan
    0 ºC.
    Sleep uw wagen niet achterwaarts.

    LET OP
    Sleep uw wagen niet met snelheden
    hoger dan 50 km/h (30 mph) of over
    afstanden van meer dan 50 km (30
    mijl).

    Bij een mechanisch defect aan de
    transmissie moeten de aangedreven
    wielen worden opgehesen zodat deze
    vrij zijn van het wegdek.

    Wanneer uw wagen met snelheden
    boven 50 km/h (30 mph) en over
    afstanden van meer dan 50 kilometer
    (30 mijl) moet worden gesleept, moet hij
    worden getransporteerd terwijl alle vier
    wielen vrij zijn van het wegdek.

    Zet de versnellingsbak in neutraal
    wanneer uw auto wordt gesleept.

    243



  • Page 246

    Onderhoud
    Dagelijkse controles

    ALGEMENE INFORMATIE





    Wanneer u uw auto regelmatig laat
    onderhouden zal dit de betrouwbaarheid
    en de inruilwaarde ten goede komen. Er
    staat een groot netwerk van Ford Erkende
    Reparateurs ter beschikking die u met hun
    professionele expertise ter zijde kunnen
    staan. De speciaal opgeleide monteurs zijn
    het best gekwalificeerd om het onderhoud
    aan uw auto snel en vakkundig uit te
    voeren. Bovendien beschikken zij over
    gereedschappen en apparatuur die
    speciaal zijn ontwikkeld om het onderhoud
    aan uw auto uit te voeren.

    Buitenverlichting.
    Interieurverlichting.
    Waarschuwings- en controlelampen.

    Controles bij het tanken





    Naast het normale onderhoud raden wij
    aan de volgende extra controles uit te
    voeren.



    WAARSCHUWINGEN
    Zet het contact af voordat u
    onderdelen aanraakt of probeert af
    te stellen.



    Motoroliepeil. Zie Motorolie
    controleren (bladzijde 255).
    Remvloeistofpeil. Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en
    remsysteem (bladzijde 256).
    Peil van de ruitensproeiervloeistof. Zie
    Ruitensproeiervloeistof
    controleren (bladzijde 257).
    Bandenspanning (in koude toestand).
    Zie Technische specificatie
    (bladzijde 275).
    Staat van de banden. Zie Verzorging
    van banden (bladzijde 272).

    Maandelijkse controles

    Raak onderdelen van het
    elektronisch ontstekingssysteem bij
    aangezet contact of draaiende motor
    niet aan. Het systeem werkt met
    hoogspanning.





    Zorg dat uw handen en
    kledingstukken niet met de
    koelventilateur in aanraking kunnen
    komen. Onder bepaalde omstandigheden
    kan de koelventilateur na het afzetten van
    de motor nog enkele minuten blijven
    doordraaien.








    LET OP
    Zorg tijdens het uitvoeren van
    onderhoudscontroles dat de
    vuldoppen stevig zijn aangebracht.

    244

    Koelvloeistofpeil (bij koude motor).
    Zie Motorkoelvloeistof controleren
    (bladzijde 255).
    Slangen, leidingen en reservoirs op
    lekkage.
    Vloeistofpeil stuurbekrachtiging. Zie
    Stuurbekrachtigingsvloeistof
    controleren (bladzijde 256).
    Werking van de airconditioning.
    Werking van de parkeerrem.
    Werking van de claxon.
    Vastzitten van de wielmoeren. Zie
    Technische specificatie (bladzijde
    275).



  • Page 247

    Onderhoud
    Trek de motorkap iets omhoog en beweeg
    de veiligheidshaak naar links.

    DE MOTORKAP OPENEN EN
    SLUITEN
    Motorkap openen

    E73698

    E87786

    Open de motorkap en ondersteun hem met
    de steunstang.

    Motorkap sluiten
    WAARSCHUWING
    Zorg dat de motorkap goed wordt
    gesloten.
    Laat de motorkap zakken en vanaf een
    hoogte van 20 – 30 cm dichtvallen.
    E87785

    245



  • Page 248

    Onderhoud
    OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,6L ECOBOOST SCTI (SIGMA)

    B

    A

    J

    I

    D

    C

    H

    G

    E

    F

    E132430

    A

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie
    Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 256).

    B

    Motorolievuldop . Zie Motorolie controleren (bladzijde 255).

    C

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie
    Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 256).

    D

    Accu. Zie Accu van de auto (bladzijde 263).

    A

    Zekeringenkast in motorruimte. Zie Zekeringen (bladzijde 231).

    1

    F

    Luchtfilter. Geen onderhoud nodig.

    G

    Vloeistofreservoir ruitensproeiers. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren
    (bladzijde 257).

    H

    Motoroliepeilstaaf . Zie Motorolie controleren (bladzijde 255).

    1

    246



  • Page 249

    Onderhoud

    1

    I

    Reservoir stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren
    (bladzijde 256).

    J

    Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 255).

    De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf zijn voor een makkelijke herkenning fel gekleurd.

    OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,0 L DURATEC-HE (MI4)

    B

    A

    J

    I

    H

    D

    C

    G

    E

    F

    E73231

    A

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie
    Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 256).

    B

    Motorolievuldop . Zie Motorolie controleren (bladzijde 255).

    C

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie
    Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 256).

    D

    Accu. Zie Starten met hulpstartkabels (bladzijde 263).

    E

    Zekeringkast in de motorruimte Zie Specificatie-overzicht zekeringen
    (bladzijde 233).

    F

    Luchtfilter. Geen onderhoud nodig.

    G

    Vloeistofreservoir ruitensproeiers. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren
    (bladzijde 257).

    1

    247



  • Page 250

    Onderhoud
    1

    H

    Motoroliepeilstaaf . Zie Motorolie controleren (bladzijde 255).

    I

    Reservoir stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren
    (bladzijde 256).

    J

    Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 255).

    1

    De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke
    herkenning.

    OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,0 L ECOBOOST SCTI (MI4)

    A

    E124921

    J

    B

    C

    H

    I

    D

    E

    G

    F

    A

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie
    Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 256).

    B

    Motorolievuldop . Zie Motorolie controleren (bladzijde 255).

    C

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie
    Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 256).

    D

    Accu. Zie Starten met hulpstartkabels (bladzijde 263).

    A

    Zekeringkast in de motorruimte Zie Specificatie-overzicht zekeringen
    (bladzijde 233).

    F

    Luchtfilter. Geen onderhoud nodig.

    1

    248



  • Page 251

    Onderhoud

    1

    G

    Vloeistofreservoir ruitensproeiers. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren
    (bladzijde 257).

    H

    Motoroliepeilstaaf . Zie Motorolie controleren (bladzijde 255).

    I

    Reservoir stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren
    (bladzijde 256).

    J

    Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 255).

    1

    De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf zijn voor een makkelijke herkenning fel gekleurd.

    OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,3 L DURATEC-HE (MI4)

    B

    A

    J

    I

    H

    D

    C

    G

    E

    F

    E81313

    A

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie
    Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 256).

    B

    Motorolievuldop . Zie Motorolie controleren (bladzijde 255).

    C

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie
    Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 256).

    D

    Accu. Zie Starten met hulpstartkabels (bladzijde 263).

    E

    Zekeringkast in de motorruimte Zie Specificatie-overzicht zekeringen
    (bladzijde 233).

    1

    249



  • Page 252

    Onderhoud
    F

    Luchtfilter. Geen onderhoud nodig.

    G

    Vloeistofreservoir ruitensproeiers. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren
    (bladzijde 257).

    H

    Motoroliepeilstaaf . Zie Motorolie controleren (bladzijde 255).

    I

    Reservoir stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren
    (bladzijde 256).

    J

    Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 255).

    1

    1

    De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke
    herkenning.

    OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,6 L DURATORQ-TDCI (DV) DIESEL

    A

    E135199

    J

    I

    B

    C

    H

    D

    G

    E

    F

    A

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie
    Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 256).

    B

    Motorolievuldop . Zie Motorolie controleren (bladzijde 255).

    1

    250



  • Page 253

    Onderhoud

    1

    C

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie
    Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 256).

    D

    Accu. Zie Accu van de auto (bladzijde 263).

    A

    Zekeringenkast in motorruimte. Zie Zekeringen (bladzijde 231).

    F

    Luchtfilter. Geen onderhoud nodig.

    G

    Vloeistofreservoir ruitensproeiers. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren
    (bladzijde 257).

    H

    Motoroliepeilstaaf . Zie Motorolie controleren (bladzijde 255).

    I

    Reservoir stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren
    (bladzijde 256).

    J

    Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 255).

    1

    De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf zijn voor een makkelijke herkenning fel gekleurd.

    OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,0 L DURATORQ-TDCI (DW)
    DIESEL

    B

    A

    J

    I

    H

    E73234

    251

    D

    C

    G

    E

    F



  • Page 254

    Onderhoud
    A

    J

    B

    I

    C

    H

    D

    G

    E

    F

    E124913

    A

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie
    Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 256).

    B

    Motorolievuldop . Zie Motorolie controleren (bladzijde 255).

    C

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie
    Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 256).

    D

    Accu. Zie Starten met hulpstartkabels (bladzijde 263).

    E

    Zekeringkast in de motorruimte Zie Specificatie-overzicht zekeringen
    (bladzijde 233).

    1

    F

    Luchtfilter. Geen onderhoud nodig.

    G

    Vloeistofreservoir ruitensproeiers. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren
    (bladzijde 257).

    H

    Motoroliepeilstaaf . Zie Motorolie controleren (bladzijde 255).

    I

    Reservoir stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren
    (bladzijde 256).

    J

    Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 255).

    1

    1

    De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke
    herkenning.

    252



  • Page 255

    Onderhoud
    OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,2 L DURATORQ-TDCI (DW)
    DIESEL

    B

    A

    J

    I

    H

    D

    C

    G

    E

    F

    E87715

    A

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur rechts): Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 256).

    B

    Motorolievuldop : Zie Motorolie controleren (bladzijde 255).

    C

    Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (stuur links): Zie Controle
    vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 256).

    D

    Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 263).

    E

    Zekeringenkast motorcompartiment: Zie Zekeringen (bladzijde 231).

    1

    F

    Luchtfilter: geen onderhoud vereist.

    G

    Vloeistofreservoir ruitensproeiers: Zie Ruitensproeiervloeistof controleren
    (bladzijde 257).

    H

    Motoroliepeilstaaf : Zie Motorolie controleren (bladzijde 255).

    I

    Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging: Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof
    controleren (bladzijde 256).

    J

    Expansiereservoir: Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 255).

    1

    1

    De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke
    herkenning.

    253



  • Page 256

    Onderhoud
    OLIEPEILSTAAF - 1,6L
    ECOBOOST SCTI (SIGMA)

    OLIEPEILSTAAF - 2,0 L
    ECOBOOST SCTI (MI4)

    A

    B

    A

    B

    E124917

    A

    E134114

    A

    MIN

    B

    MAX

    OLIEPEILSTAAF - 2,0 L
    DURATEC-HE (MI4)/2,3 L
    DURATEC-HE (MI4)

    A

    E134040

    B

    MIN

    B

    MAX

    A

    MIN

    B

    MAX

    OLIEPEILSTAAF - 1,6 L
    DURATORQ-TDCI (DV) DIESEL
    /2,0 L DURATORQ-TDCI (DW)
    DIESEL /2,2 L DURATORQTDCI (DW) DIESEL

    E92036

    A

    B

    A

    E95543

    254

    A

    MIN

    B

    MAX

    B



  • Page 257

    Onderhoud
    Verwijder de vuldop.

    MOTOROLIE CONTROLEREN

    WAARSCHUWING

    LET OP

    Het oliepeil mag niet boven het MAX
    merkteken komen te staan.

    Gebruik geen additieven of andere
    smeermiddelen. Onder bepaalde
    omstandigheden kunnen deze de
    motor beschadigen.

    N.B.: Neem onmiddellijk gemorste olie op
    met een absorberende doek.

    N.B.: Het olieverbruik van nieuwe motoren
    bereikt zijn normale waarden na ongeveer
    5000 kilometer.

    Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford
    specificatie. Zie Technische specificatie
    (bladzijde 257).

    Het oliepeil controleren

    Draai de vuldop er weer op. Draai hem tot
    u sterke weerstand voelt.

    LET OP

    MOTORKOELVLOEISTOF
    CONTROLEREN

    Controleer of het peil tussen de MIN
    en de MAX merktekens staat.

    Koelvloeistofpeil controleren

    N.B.: Controleer het peil voordat de motor
    wordt gestart.

    WAARSCHUWING

    N.B.: De auto moet op een vlakke
    ondergrond staan.

    Voorkom dat de vloeistof in contact
    komt met de huid of de ogen. Mocht
    dit toch gebeuren, spoel het
    betreffende lichaamsdeel dan direct met
    veel water schoon en neem contact op
    met uw huisarts.

    N.B.: Bij verwarming zet olie uit. Daardoor
    kan het oliepeil enkele millimeters boven
    het MAX merkteken staan.
    Verwijder de oliepeilstaaf en veeg deze
    met een schone, niet pluizende doek
    schoon. Breng de oliepeilstaaf weer aan
    en verwijder hem opnieuw om het oliepeil
    te controleren.

    LET OP
    Controleer of het peil tussen de MIN
    en MAX merktekens staat.

    Wanneer het peil bij het MIN merkteken
    staat, vul dan direct bij.

    N.B.: Koelvloeistof zet bij verwarming uit.
    Daardoor kan het koelvloeistofpeil enkele
    millimeters boven het MAX merkteken
    staan.

    Bijvullen
    WAARSCHUWINGEN
    Vul alleen bij wanneer de motor koud
    is. Wacht wanneer de motor heet is
    tien minuten om de motor te laten
    afkoelen.

    Wanneer het peil bij het MIN merkteken
    staat, vul dan direct bij.

    Verwijder de vuldop niet bij
    draaiende motor.

    255



  • Page 258

    Onderhoud
    Bijvullen

    CONTROLE VLOEISTOFPEIL
    KOPPELING EN REMSYSTEEM

    WAARSCHUWINGEN
    Vul alleen bij wanneer de motor koud
    is. Wacht wanneer de motor heet is
    tien minuten om de motor te laten
    afkoelen.

    WAARSCHUWINGEN
    Het gebruik van een andere vloeistof
    dan de aanbevolen remvloeistof kan
    de werking van het remsysteem
    reduceren en voldoet niet aan de
    prestatiestandaard van Ford.

    Verwijder de vuldop niet bij
    draaiende motor.
    Verwijder de vuldop niet wanneer de
    motor heet is. Laat de motor eerst
    afkoelen.

    Voorkom dat de vloeistof in contact
    komt met de huid of de ogen. Mocht
    dit toch gebeuren, spoel het
    betreffende lichaamsdeel dan direct met
    veel water schoon en neem contact op
    met uw huisarts.

    Onverdunde koelvloeistof is
    brandbaar en kan ontbranden
    wanneer deze wordt gemorst op een
    hete uitlaat.

    Als het vloeistofpeil is gezakt tot de
    markering MIN, laat het systeem dan
    zo snel mogelijk controleren door een
    goed opgeleide monteur.

    LET OP
    In een noodgeval kan water in het
    koelsysteem worden bijgevuld om een
    tankstation te bereiken. Laat het
    systeem zo snel mogelijk door een goed
    opgeleide en vakkundige monteur
    controleren.

    N.B.: Bewaar remvloeistof schoon en droog.
    Vervuiling door vuil, water,
    petroleumproducten of andere materialen
    kunnen leiden tot beschadiging en mogelijk
    het defect raken van het remsysteem.

    Langdurig gebruik van koelvloeistof
    met een incorrecte mengverhouding
    kan leiden tot motorschade door
    corrosie, oververhitting of bevriezing.

    N.B.: Het remsysteem en het
    bedieningsmechanisme van de koppeling
    zijn aangesloten op één reservoir.
    Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford
    specificatie. Zie Technische specificatie
    (bladzijde 257).

    Draai de dop langzaam los. Laat de druk
    langzaam ontsnappen terwijl u de dop
    losdraait.

    STUURBEKRACHTIGINGSVLOEISTOF
    CONTROLEREN

    LET OP
    Het oliepeil mag niet boven het MAX
    merkteken komen te staan.

    WAARSCHUWING

    Vul bij met een mengsel van koelvloeistof
    en water (50/50) op basis van vloeistof
    die voldoet aan de Ford specificatie. Zie
    Technische specificatie (bladzijde 257).

    Voorkom dat de vloeistof in contact
    komt met de huid of de ogen. Mocht
    dit toch gebeuren, spoel het
    betreffende lichaamsdeel dan direct met
    veel water schoon en neem contact op
    met uw huisarts.

    256



  • Page 259

    Onderhoud
    RUITENSPROEIERVLOEISTOF
    CONTROLEREN

    LET OP
    Controleer of het peil tussen de MIN
    en MAX merktekens staat.

    N.B.: De ruitensproeiers van de voor- en
    achterruit hebben een gemeenschappelijk
    reservoir.

    Wanneer het peil bij het MIN merkteken
    staat, vul dan direct bij.

    Gebruik voor het bijvullen een mengsel van
    sproeiervloeistof en water om bevriezing
    bij koude weersomstandigheden te
    voorkomen en het reinigende effect te
    verbeteren. We adviseren alleen
    sproeiervloeistof van hoge kwaliteit te
    gebruiken.

    Bijvullen
    Verwijder de brandstofdop.
    LET OP
    Het oliepeil mag niet boven het MAX
    merkteken komen te staan.

    Raadpleeg de productinstructies voor
    informatie over vloeistofverdunning.

    Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford
    specificatie. Zie Technische specificatie
    (bladzijde 257).

    TECHNISCHE SPECIFICATIE
    Vloeistoffen
    N.B.: Gebruik vloeistoffen die voldoen aan de gedefinieerde specificaties of vereisten.
    Gebruik van andere vloeistoffen kan beschadiging tot gevolg hebben, hetgeen niet onder
    de Garantie valt.
    Specificatie

    Viscositeitsgraad

    Motorolie - alleen
    benzinemotoren

    WSS-M2C948-B

    5W-20

    Castrol of Ford motorolie

    Alternatieve motorolie
    - alle benzinemotoren

    WSS-M2C913-C

    5W-30

    Castrol of Ford motorolie

    Motorolie - dieselmotoren

    WSS-M2C913-C

    5W-30

    Castrol of Ford motorolie

    Antivries

    WSS-M97B44-D

    -

    Item

    257

    Aanbevolen vloeistof

    Motorcraft SuperPlus antivries



  • Page 260

    Onderhoud

    Specificatie

    Viscositeitsgraad

    WSS-M6C65-A2 of
    ISO 4925 klasse 6

    -

    Motorcraft of Ford DOT 4
    LV High Performance
    remvloeistof

    WSS-M2C204-A2

    -

    Ford stuurbekrachtigingsvloeistof

    Item

    Remvloeistof
    Stuurbekrachtigingsvloeistof

    Aanbevolen vloeistof

    Uw auto is ontworpen voor gebruik van Castrol en Ford motorolie voor een gunstig
    brandstofverbruik met behoud van de duurzaamheid van de motor.
    Olie bijvullen: Als u geen olie kunt vinden die voldoet aan de specificatie gedefinieerd
    door WSS-M2C913-C of WSS-M2C948-B (alleen benzinemotoren), dan dient u SAE
    5W-30 te gebruiken die voldoet aan de specificatie gedefinieerd door ACEA A5/B5.
    Het gebruik van olie voor bijvullen in plaats van de gespecificeerde olie kan tot gevolg
    hebben dat de motor minder snel aanslaat, minder vermogen levert, meer brandstof
    verbruikt en een hogere emissiewaarde heeft.
    Castrol motorolie wordt aanbevolen.

    E115472

    Inhouden
    Nr.

    Inhoud in liter (gallons)

    Alle

    Variant

    Stuurbekrachtigingssysteem

    MAX-merkteken

    Alle

    Sproeiersysteem voorruit en
    achterruit

    3,9 (0,9)

    Alle

    Brandstoftank

    70 (15,4)

    1.6L EcoBoost SCTi (Sigma)

    Smeersysteem van de
    motor - inclusief oliefilter

    4,1 (0,9)

    1.6L EcoBoost SCTi (Sigma)

    Smeersysteem van de
    motor - exclusief oliefilter

    3,8 (0,8)

    1.6L EcoBoost SCTi (Sigma) Koelsysteem

    6,5 (1,4)

    2.0L Duratec-HE

    Smeersysteem van de
    motor - inclusief oliefilter

    4,3 (1,0)

    2.0L Duratec-HE

    Smeersysteem van de
    motor - exclusief oliefilter

    3,9 (0,9)

    258



  • Page 261

    Onderhoud
    Variant

    Nr.

    Inhoud in liter (gallons)

    2.0L Duratec-HE

    Koelsysteem

    6,2 (1,4)

    2.0L EcoBoost SCTi

    Smeersysteem van de
    motor - inclusief oliefilter

    5,4 (1,2)

    2.0L EcoBoost SCTi

    Smeersysteem van de
    motor - exclusief oliefilter

    5,1 (1,1)

    2.0L EcoBoost SCTi

    Koelsysteem

    2.3L Duratec-HE

    Smeersysteem van de
    motor - inclusief oliefilter

    4,3 (1,0)

    2.3L Duratec-HE

    Smeersysteem van de
    motor - exclusief oliefilter

    3,9 (0,9)

    2.3L Duratec-HE

    Koelsysteem

    6,9 (1,5)

    1,6 l DuraTorq-TDCi

    Smeersysteem van de
    motor - inclusief oliefilter

    3,8 (0,8)

    1,6 l DuraTorq-TDCi

    Smeersysteem van de
    motor - exclusief oliefilter

    3,5 (0,8)

    1,6 l DuraTorq-TDCi

    Koelsysteem

    7,3 (1,6)

    2.0L Duratorq-TDCi

    Smeersysteem van de
    motor - inclusief oliefilter

    5,5 (1,2)

    2.0L Duratorq-TDCi

    Smeersysteem van de
    motor - exclusief oliefilter

    5 (1,1)

    2.0L Duratorq-TDCi

    Koelsysteem

    2.2L Duratorq-TDCi

    Smeersysteem van de
    motor - inclusief oliefilter

    6 (1,3)

    2.2L Duratorq-TDCi

    Smeersysteem van de
    motor - exclusief oliefilter

    5,4 (1,2)

    2.2L Duratorq-TDCi

    Koelsysteem

    8,4 (1,9)

    259

    ca. 6,9 (1,5)

    8,1 (1,8)



  • Page 262

    Verzorging van de auto
    Achterruit reinigen

    REINIGEN VAN BUITENZIJDE
    AUTO

    LET OP
    Gebruik geen scherpe voorwerpen,
    schurende reinigingsmiddelen of
    chemische oplossingen op de
    binnenzijde van de achterruit te reinigen.

    WAARSCHUWING
    Wanneer de auto tijdens het wassen
    in een autowasserette in de was
    wordt gezet, verwijder dan de was
    van de voorruit.

    Gebruik een schone, niet pluizende doek
    of een vochtige zeem om de binnenzijde
    van de achterruit te reinigen.

    LET OP
    Controleer eerst de geschiktheid van
    de autowasserette voor uw auto,
    voordat u van de autowasserette
    gebruik maakt.

    Chromen onderdelen reinigen
    LET OP
    Gebruik geen schuurmiddelen of
    chemische oplosmiddelen. Gebruik
    een zeepoplossing.

    Sommige wasinstallaties maken
    gebruik van water onder hoge druk.
    Hierdoor kunnen sommige onderdelen
    van uw auto worden beschadigd.

    Lichtmetalen velgen reinigen

    Verwijder de antenne voordat u een
    automatische wasstraat inrijdt.

    N.B.: Breng geen chemisch reinigingsmiddel
    aan op warme of hete velgranden en
    wieldeksels.

    Schakel de aanjager uit om te
    voorkomen dat deeltjes was zich in
    het luchtfilter vastzetten.

    N.B.: Heavy-duty reinigers of chemische
    reinigingsmiddelen in combinatie met
    borstelbewegingen voor het verwijderen van
    remmenstof en vuil kan na verloop van tijd
    leiden tot slijtage van de blanke lak.

    Wij raden aan uw auto met een spons en
    handwarm water en autoshampoo te
    wassen.

    N.B.: Gebruik geen reinigingsmiddelen op
    basis van waterstoffluoride of sterk bijtende
    reinigingsmiddelen, staalwol, brandstoffen
    of sterke oplosmiddelen voor huishoudelijk
    gebruik.

    Koplampen reinigen
    LET OP
    Gebruik geen scherpe voorwerpen,
    schurende reinigingsmiddelen of
    oplossingen op alcoholische of
    chemische basis om de koplampglazen te
    reinigen.

    N.B.: Rijd enkele minuten met de auto
    wanneer u deze een langere periode wilt
    parkeren nadat de wielen zijn gereinigd met
    een wielenreiniger. Zo wordt de kans op
    corrosie van de remschijven, remblokken en
    remvoeringen verminderd.

    Veeg de koplampglazen niet schoon
    wanneer ze droog zijn.

    N.B.: Bij gebruik van sommige automatische
    wasstraten kan de afwerking van de
    velgranden en wieldeksels beschadigd
    raken.

    260



  • Page 263

    Verzorging van de auto
    Lichtmetalen velgen en wieldeksels zijn
    voorzien van een blanke laklaag. Om de
    goede staat van de velgen en wieldeksels
    te behouden wordt het volgende
    aangeraden:





    REINIGEN VAN BINNENZIJDE
    AUTO
    Veiligheidsgordels

    Wekelijks reinigen met behulp van de
    aanbevolen wielen- en bandenreiniger.
    Een spons gebruiken om zware
    afzettingen (vuil en remmenstof) te
    verwijderen.
    Grondig afspoelen met een
    hogedrukspuit nadat de
    reinigingsprocedure is voltooid.

    WAARSCHUWINGEN
    Gebruik voor het reinigen geen
    schurende middelen of chemische
    oplosmiddelen.
    Let er op dat geen vocht in het
    oprolmechanisme komt.
    Reinig de veiligheidsgordels met een
    interieurreiniger of water met een zachte
    spons. Laat de veiligheidsgordels op een
    natuurlijke manier drogen. Gebruik geen
    haardroger o.i.d.

    Er wordt aanbevolen Ford-wielenreiniger
    te gebruiken. Lees en volg de aanwijzingen
    van de fabrikant.
    Het gebruik van niet aanbevolen
    reinigingsmiddelen kan leiden tot ernstige
    en permanente cosmetische beschadiging.

    Instrumentenpaneelschermen,
    LCD-schermen, radioschermen

    Onderhoud van de lak

    WAARSCHUWING

    LET OP
    Poets de auto niet in de felle zon.

    Gebruik voor het reinigen geen
    schurende middelen, oplosmiddelen
    op basis van alcohol of chemische
    oplosmiddelen.

    Voorkom dat polish op kunststof
    oppervlakken komt. Dit laat zich
    moeilijk verwijderen.

    Achterruiten

    Breng geen polish op de voor- en
    achterruit aan. Dit heeft een lawaaiige
    werking van de ruitenwissers tot
    gevolg; bovendien kunnen de ruiten dan
    niet goed worden drooggeveegd.

    LET OP
    Gebruik geen schurende materialen
    voor het reinigen van de binnenzijde
    van de achterruiten.
    Breng geen stickers of labels aan op
    de binnenzijde van de achterruiten.

    Wij raden u aan de lak één- of tweemaal
    per jaar in de was te zetten.

    261



  • Page 264

    Verzorging van de auto
    KLEINE LAKSCHADE
    REPAREREN
    LET OP
    Verwijder onmiddellijk ogenschijnlijk
    onschadelijke substanties van het
    lakwerk (bijvoorbeeld uitwerpselen
    van vogels, boomsappen, dode insecten,
    teervlekken, wegenzout en industriële
    neerslag).
    Lakbeschadigingen door steenslag of
    kleine krasjes moeten zo spoedig mogelijk
    worden hersteld. Uw Ford dealer heeft een
    grote keuze aan producten. Lees en volg
    nauwkeurig de instructies van de fabrikant
    op.

    262



  • Page 265

    Accu van de auto
    Hulpstartkabels aansluiten

    STARTEN MET
    HULPSTARTKABELS
    WAARSCHUWING
    Gebruik brandstofleidingen,
    motorafdekkingen of inlaatspruitstuk
    nooit als massapunten.

    A

    LET OP
    Verbind alleen accu's met dezelfde
    nominale spanning met elkaar.

    C

    Gebruik altijd hulpstartkabels met
    geïsoleerde klemmen en een
    voldoende dikke kern.

    D

    Koppel de ontladen accu niet los van
    de elektrische installatie van de auto.

    B

    E102925

    1.

    A

    Auto met de lege accu

    B

    Auto met de hulpaccu

    C

    Positieve hulpstartkabel

    D

    Negatieve hulpstartkabel

    Plaats de auto's zodanig dat ze elkaar
    niet raken.
    2. Zet het contact van beide auto's af en
    schakel alle stroomverbruikers uit.
    3. Verbind de plus (+) pool van auto B
    met de plus (+) pool van auto A (kabel
    C).
    4. Verbind de min (-) pool van auto B met
    de massa-aansluiting van auto A
    (kabel D). Zie Aansluitpunten van
    de accu (bladzijde 264).

    263



  • Page 266

    Accu van de auto
    AANSLUITPUNTEN VAN DE
    ACCU

    LET OP
    Sluit de kabel niet aan op de
    minpool (–) van de ontladen accu.
    Zorg ervoor dat de kabels niet met
    draaiende onderdelen en onderdelen
    van het brandstoftoevoersysteem in
    aanraking kunnen komen.

    Motor starten
    1.

    Start de motor van auto B en laat deze
    met een matig hoog toerental draaien.
    2. Start de motor van auto A.
    3. Laat beide motoren minimaal drie
    minuten draaien alvorens de kabels los
    te koppelen.

    E114494

    LET OP

    LET OP

    Schakel niet de koplampen tijdens het
    loskoppelen van de hulpstartkabels
    in. Door de spanningspiek kunnen de
    gloeilampen doorbranden.

    Sluit de kabel niet aan op de
    minpool (–) van de ontladen accu.

    Koppel de kabels in omgekeerde volgorde
    los.

    ACCU VERVANGEN
    LET OP
    Voor auto's met
    start/stop-schakelaar verschillen de
    accuvereisten. De accu moet worden
    vervangen door een accu met exact
    dezelfde specificatie als de originele.
    N.B.: Indien nodig moet de Keycode van de
    audio-installatie opnieuw worden
    geprogrammeerd.
    De accu is aangebracht in de motorruimte.
    Zie Onderhoud (bladzijde 244).

    264



  • Page 267

    Velgen en banden
    Het verdient aanbeveling een hydraulische
    garagekrik te gebruiken wanneer u bijv. de
    zomerbanden door winterbanden vervangt.

    ALGEMENE INFORMATIE
    LET OP
    Gebruik uitsluitend banden en velgen
    met de goedgekeurde maat. Het
    gebruik van andere maten kan schade
    aan de auto tot gevolg hebben en kan de
    typegoedkeuring ongeldig maken.

    Kriksteunpunten
    WAARSCHUWING
    U mag nooit iets tussen de krik en de
    grond of de krik en de auto plaatsen.

    Wanneer u banden met een andere
    diameter laat monteren dan die van
    de in de fabriek gemonteerde banden,
    geeft de snelheidsmeter niet meer de juiste
    snelheid aan. Breng uw wagen naar uw
    dealer en laat het motor
    managementsysteem opnieuw
    programmeren.

    LET OP
    Gebruik alleen de aangegeven
    kriksteunpunten. Wanneer u andere
    punten gebruikt kan dit de carrosserie,
    de stuurinrichting, de wielophanging, de
    motor, het remsysteem of de
    brandstofleidingen beschadigen.

    Wanneer u banden met een andere
    diameter dan de in de fabriek
    gemonteerde banden wilt
    aanbrengen, controleer dan bij uw dealer
    of deze geschikt zijn.

    N.B.: Gebruik een krik met een minimum
    hefvermogen van 1,5 ton en een krikkop met
    een diameter van minimaal 80 mm.

    N.B.: Controleer de bandenspanningen
    regelmatig voor een optimaal
    brandstofverbruik.
    Op de B-stijl bij het bestuurdersportier
    bevindt zich een plaatje met de
    bandenspanning.
    Controleer de bandenspanning bij een
    temperatuur waarin u gaat rijden en
    wanneer de banden koud zijn.

    EEN WIEL VERVANGEN
    Wielslotmoeren
    Na het overleggen van het certificaat met
    het referentienummer kunt u bij uw Ford
    dealer een vervangings dopsleutel en
    vervangings wielslotmoeren verkrijgen.

    Boordkrik
    Uw auto wordt niet met een boordkrik of
    een wielmoersleutel geleverd.

    265



  • Page 268

    Velgen en banden
    Uitvoeringen met zijskirts

    E90709

    Steek de hefplaat door de opening aan de
    onderzijde van de skirt.

    A

    Een wiel verwijderen
    WAARSCHUWINGEN
    Parkeer uw auto zodanig dat u noch
    het verkeer hinder ondervinden of
    gevaar lopen.

    E90708

    Zet een gevarendriehoek neer.

    Uitsparingen in de dorpels A duiden de
    kriksteunpunten aan.

    Zorg ervoor dat de auto met de
    wielen in de rechtuitstand op een
    stevige, vlakke ondergrond staat.
    Schakel het contact uit en schakel
    de parkeerrem in.
    Schakel de eerste versnelling of de
    achteruit in wanneer uw auto is
    uitgerust met een handgeschakelde
    versnellingsbak. Is de auto met een
    automatische transmissie uitgerust,
    selecteer dan de stand 'P'.
    Laat de inzittenden uitstappen.
    Blokkeer het diagonaal
    tegenoverliggende wiel met een
    geschikt blok hout of een wielkeg.

    E93020

    266



  • Page 269

    Velgen en banden
    3. Draai de wielmoeren een slag los.
    4. Krik de auto op tot de band vrij is van
    de grond.
    5. Verwijder de wielmoeren en het wiel.

    WAARSCHUWINGEN
    Let erop dat bij richting gebonden
    banden de pijlen in de draairichting
    wijzen wanneer de auto vooruit rijdt.
    Wanneer een reservewiel moet worden
    gemonteerd waarvan de pijlen
    tegengesteld aan de draairichting wijzen,
    laat dan de band zo spoedig mogelijk door
    een deskundige in de juiste richting
    monteren.

    Een wiel aanbrengen
    WAARSCHUWINGEN
    Gebruik uitsluitend banden en velgen
    met de goedgekeurde maat. Het
    gebruik van andere maten kan
    beschadiging van de auto tot gevolg
    hebben en maakt de typegoedkeuring
    ongeldig. Zie Technische specificatie
    (bladzijde 275).

    Voer geen werkzaamheden uit onder
    een auto die alleen door een krik
    wordt ondersteund.
    Zorg ervoor dat de krik verticaal ten
    opzichte van het kriksteunpunt staat
    en dat de voet vlak op de grond
    staat.

    Laat geen run flat banden monteren
    als de auto hiermee oorspronkelijk
    niet was uitgerust. Raadpleeg uw
    dealer voor meer informatie over de
    geschiktheid van banden.

    LET OP
    Leg lichtmetalen velgen niet met de
    buitenzijde op de grond, hierdoor
    wordt de lak beschadigd.
    1.

    LET OP
    Bevestig lichtmetalen velgen niet met
    moeren die voor stalen velgen zijn
    bestemd.

    Verwijder de naafdop of het wieldeksel.

    N.B.: De wielmoeren voor lichtmetalen
    velgen en stalen spaakvelgen kunnen
    gedurende korte tijd worden gebruikt voor
    het vastzetten van de stalen velg van het
    reservewiel (maximaal twee weken).
    N.B.: U kunt de wielmoeren die bestemd
    zijn voor gebruik bij lichtmetalen velgen wel
    bij stalen velgen gebruiken.
    N.B.: Zorg ervoor dat de contactvlakken
    tussen de velg en de naaf vrij zijn van
    vreemde voorwerpen.
    N.B.: Zorg ervoor dat de conische zijde van
    de wielmoeren naar de velg zijn gekeerd.
    1. Breng het wiel aan.
    2. Draai de wielmoeren handvast aan.

    E71948
    2. Breng de dopsleutel voor de slotmoer
    aan.

    267



  • Page 270

    Velgen en banden
    7.

    Druk de naafdop of het wieldeksel met
    de bal van uw hand vast.
    WAARSCHUWING
    Laat het aanhaalmoment van de
    wielmoeren en de bandenspanning
    zo spoedig mogelijk controleren.

    BANDENREPARATIESET
    Deze auto is niet uitgerust met een
    reservewiel, maar met een
    bandenreparatieset, die kan worden
    gebruikt voor het repareren van één lekke
    band.
    De bandenreparatieset bevindt zich in de
    bergruimte onder de vloer. Zie
    Opbergruimtes (bladzijde 148).

    E71948
    3. Breng de dopsleutel voor de slotmoer
    aan.

    N.B.: Verwijder de schroeven van de
    opbergruimte onder de vloer (indien
    aangebracht).

    Algemene informatie

    1

    WAARSCHUWINGEN
    Afhankelijk van het type en de
    omvang van de beschadiging kunnen
    sommige banden slechts gedeeltelijk
    of geheel niet worden gedicht. Een te lage
    bandenspanning kan het weggedrag van
    de auto beïnvloeden, waardoor u de macht
    over het stuur kunt verliezen.

    4

    3

    5

    2

    Gebruik de bandenreparatieset niet
    wanneer de band al beschadigd is
    door het rijden met een te lage
    bandenspanning.

    E75442
    4. Zet de wielmoeren in de aangegeven
    volgorde voorlopig vast.
    5. Laat de auto zakken en verwijder de
    krik.
    6. Draai de wielmoeren in de aangegeven
    volgorde definitief vast. Zie
    Technische specificatie (bladzijde
    275).

    Gebruik de bandenreparatieset niet
    bij run flat banden.
    Probeer geen andere lekken te
    dichten dan zichtbare lekken in het
    loopvlak van de band.
    Probeer geen lekken te dichten in de
    bandwang.

    268



  • Page 271

    Velgen en banden
    Met de bandenreparatieset kunt u de
    meeste gaatjes dichten [tot een diameter
    van zes millimeter], waarna u tijdelijk
    verder kunt rijden.



    Let op het volgende bij het gebruik van de
    set:










    Rijd voorzichtig en maak geen
    plotselinge stuurbewegingen, vooral
    wanneer de auto zwaar is beladen of
    tijdens het rijden met een aanhanger.
    De set zorgt voor een tijdelijke
    reparatie, waardoor u uw reis tot de
    volgende dealer of bandenspecialist
    kunt voortzetten, of een afstand van
    maximaal 200 km (125 mijl) kunt
    afleggen.
    Rijd niet sneller dan maximaal
    80 km/h (50 mph).
    Houd de set buiten het bereik van
    kinderen.
    Gebruik de set bij
    omgevingstemperaturen van –30 °C
    tot +70 °C.









    Gebruik van de bandenreparatieset
    WAARSCHUWINGEN
    Samengeperste lucht kan zich
    gedragen als een explosief of
    drijfmiddel.

    Parkeer uw auto zodanig langs de kant
    van de weg dat u het verkeer niet
    belemmert en dat u in staat bent de
    set te gebruiken zonder in gevaar te
    komen.
    Trek, zelfs wanneer u op een vlakke
    ondergrond geparkeerd staat, de
    handrem aan om te waarborgen dat
    de auto niet in beweging kan komen.
    Probeer geen vreemde voorwerpen,
    zoals spijkers of schroeven, uit de band
    te verwijderen.
    Laat, wanneer u de set gebruikt, de
    motor draaien, maar niet wanneer de
    auto in een gesloten of slecht
    geventileerde ruimte staat (bijv. in een
    gebouw). Zet in dergelijke gevallen de
    compressor aan zonder de motor te
    starten.
    Vervang de fles met het afdichtmiddel
    door een nieuwe voordat de
    houdbaarheidsdatum (zie de
    bovenzijde van de fles) is bereikt.
    Informeer andere gebruikers van de
    auto dat de band tijdelijk is gerepareerd
    met de bandenreparatieset en stel hen
    op de hoogte van de speciale
    rijvoorschriften.

    Band oppompen
    WAARSCHUWINGEN
    Controleer de bandwang voordat u
    het afdichtmiddel in de band pompt.
    Wanneer u scheuren, knobbels of
    dergelijke ziet, probeer dan niet de band
    op te pompen.

    Laat de bandenreparatieset tijdens
    het gebruik nooit onbeheerd achter.
    LET OP
    Laat de compressor niet langer dan
    10 minuten draaien.

    Ga niet vlak naast de band staan
    wanneer de compressor draait.

    N.B.: Gebruik de bandenreparatieset alleen
    bij auto's die ermee zijn uitgerust.

    Sla de bandwang gade. Wanneer u
    scheuren, knobbels en dergelijke ziet
    verschijnen, schakel dan de
    compressor uit en laat de lucht met de
    aflaatklep B ontsnappen. Rijd niet verder
    met deze band.

    269



  • Page 272

    Velgen en banden
    A

    WAARSCHUWINGEN
    Het afdichtmiddel bevat natuurlijk
    latex. Voorkom contact met huid,
    ogen of kleding. Mocht dit toch
    gebeuren, spoel het betreffende
    lichaamsdeel dan direct met veel water
    schoon en neem contact op met uw
    huisarts.

    K

    B

    J

    Wanneer de bandenspanning binnen
    zeven minuten lager wordt dan 1,8
    bar (26 psi), kan de band ernstig zijn
    beschadigd, waardoor een tijdelijke
    reparatie onmogelijk is. Vervolg in een
    dergelijk geval uw reis niet met deze band.
    LET OP

    I

    Wanneer de fles in de houder wordt
    gedraaid, wordt de afdichting van de
    fles verbroken. Draai de fles niet uit de
    houder omdat dan het afdichtmiddel
    ontsnapt.

    H
    C
    D

    E94973

    270

    G

    F

    A

    Beschermkap

    B

    Aflaatklep

    C

    Slang

    D

    Oranje dop

    E

    Flessenhouder

    F

    Drukmeter

    G

    Stekker met kabel

    H

    Compressorschakelaar

    I

    Label

    J

    Flessendop

    K

    Fles afdichtmiddel

    E



  • Page 273

    Velgen en banden
    1.
    2.

    3.
    4.
    5.
    6.
    7.

    8.
    9.

    10.
    11.
    12.

    13.

    Open het deksel van de
    bandenreparatieset.
    Trek het label I waarop de maximaal
    toelaatbare snelheid van 80 km/h
    (50 mph) vermeld staat van het huis
    en maak het binnen het gezichtsveld
    van de bestuurder vast op het
    instrumentenpaneel. Het label mag
    niets belangrijks aan het oog
    onttrekken.
    Haal de slang C en de stekker met
    kabel G uit de set.
    Draai de oranje dop D en de flessendop
    J los.
    Draai de fles afdichtmiddel K stevig
    rechtsom in de flessenhouder E.
    Draai het ventieldopje van de
    beschadigde band eraf.
    Verwijder de beschermdop A van de
    slang C en draai de slang C stevig op
    het ventiel van de lekke band.
    De compressorschakelaar H moet in
    de stand 0 staan.
    Sluit de stekker G aan op de aansluiting
    van de aansteker of het extra elektrisch
    aansluitpunt. Zie Aansteker (bladzijde
    146). Zie Extra
    voedingsaansluitingen (bladzijde
    147).
    Start de motor.
    Zet de compressorschakelaar H in de
    stand 1.
    Pomp de band niet langer dan zeven
    minuten op voor een minimale druk
    van 1,8 bar (26 psi) en een maximum
    druk van 2,5 bar (51 psi). Zet de
    compressorschakelaar H in de stand
    0 en controleer de huidige
    bandenspanning met de drukmeter
    F.
    Neem de stekker G uit de aansluiting
    van de aansteker of het extra
    elektrisch aansluitpunt.

    14.

    Draai de slang C snel van het ventiel
    los en breng de beschermdop A aan.
    Draai het ventieldopje vast.
    15. Laat de fles afdichtmiddel K in de
    flessenhouder E zitten.
    16. Zorg ervoor dat de set, de flessendop
    en de oranje dop veilig worden
    opgeborgen, maar makkelijk
    bereikbaar zijn. De set kan weer nodig
    zijn wanneer u de bandenspanning
    controleert.
    17. Ga onmiddellijk ongeveer drie
    kilometer (twee mijl) rijden, zodat het
    afdichtmiddel het lek kan afdichten.
    N.B.: Wanneer het afdichtmiddel in de band
    wordt gepompt, kan de druk toenemen tot
    6 bar (87 psi) maar deze neem na ca. 30
    seconden weer af.
    WAARSCHUWING
    Wanneer u heftige trillingen,
    onbalans in het stuurwiel of lawaai
    tijdens het rijden waarneemt, minder
    dan snelheid en rijd voorzichtig naar een
    plaats waar u veilig kunt stoppen.
    Controleer de band en de bandenspanning
    opnieuw. Wanneer de bandenspanning
    lager is dan 1,3 bar (19 psi) of wanneer er
    scheuren, knobbels of dergelijke zichtbaar
    zijn, hervat dan uw reis niet met deze band.

    Bandenspanning controleren
    1.

    Stop na ongeveer drie kilometer (twee
    mijl) te hebben gereden. Controleer en
    corrigeer zo nodig de spanning van de
    beschadigde band.
    2. Sluit de set aan en lees de
    bandenspanning af op de drukmeter
    F.
    3. Wanneer de spanning 1,3 bar (19 psi)
    of hoger is, breng de band dan op de
    voorgeschreven spanning. Zie
    Technische specificatie (bladzijde
    275).

    271



  • Page 274

    Velgen en banden
    4. Herhaal de procedure om de band weer
    op spanning te brengen.
    5. Controleer de bandenspanning
    nogmaals met de drukmeter F.
    Wanneer de spanning te hoog is, laat
    dan de spanning afnemen met behulp
    van de aflaatklep B.
    6. Zodra u de band op de juiste spanning
    hebt gebracht: zet de
    compressorschakelaar H in de stand
    0, trek de stekker G uit de contactdoos,
    draai de slang C los, draai het
    ventieldopje vast en breng de
    beschermdop A weer aan.
    7. Laat de fles afdichtmiddel K in de
    flessenhouder E zitten en bewaar de
    set veilig op zijn oorspronkelijke plaats.
    8. Rijd naar de dichtstbijzijnde
    bandenspecialist om de beschadigde
    band te laten vervangen. Vertel,
    voordat de band van de velg wordt
    afgenomen, de bandenspecialist dat
    de band een afdichtmiddel bevat.
    Vervang de set zo snel mogelijk na
    eenmalig gebruik.
    N.B.: Bedenk dat een bandenreparatieset
    slechts voor tijdelijke mobiliteit zorgt.
    Voorschriften aangaande bandreparatie na
    gebruik van de bandenreparatieset kunnen
    per land verschillen. Raadpleeg een
    bandenspecialist voor advies.

    VERZORGING VAN BANDEN

    E70415

    Om ervoor te zorgen dat de banden van de
    voor- en achterwielen van uw auto
    gelijkmatig slijten en een langere
    levensduur hebben, adviseren we de wielen
    met regelmatige intervallen tussen 5000
    en 10000 kilometer van voor naar achter
    en vice versa te wisselen.
    LET OP
    Laat tijdens het parkeren de
    bandwangen niet langs stoepbanden
    schuren.
    Als u een stoeprand moet oprijden, doe het
    dan zo langzaam mogelijk en rijd zo
    mogelijk haaks met de wielen het trottoir
    op.
    Controleer de banden regelmatig op
    scheuren, vreemde voorwerpen of
    onregelmatige slijtage van het loopvlak.
    Ongelijkmatige slijtage kan betekenen dat
    de wieluitlijning niet meer aan de
    specificaties voldoet.

    WAARSCHUWING
    Voordat u wegrijdt moet de band de
    voorgeschreven bandenspanning
    hebben. Zie Technische
    specificatie (bladzijde 275). Controleer
    voortdurend de bandenspanning tot de
    band is vervangen.

    Controleer iedere twee weken de
    bandenspanning (inclusief het reservewiel)
    wanneer de banden koud zijn.

    Lege flessen afdichtmiddel mogen samen
    met het huishoudelijk afval worden
    afgevoerd. Breng resten afdichtmiddel
    naar uw dealer of voer ze af volgens de
    lokale richtlijnen.

    272



  • Page 275

    Velgen en banden
    Uitvoeringen met
    stabiliteitsregeling (ESP)

    GEBRUIK VAN
    WINTERBANDEN

    Uitvoeringen met stabiliteitsregeling (ESP)
    kunnen een wat ongebruikelijke
    rijkarakteristiek vertonen, hetgeen kan
    worden verminderd door het
    aandrijfregelsysteem (traction control) uit
    te schakelen. Zie Gebruik maken van
    stabiliteitsregeling (bladzijde 178).

    LET OP
    Controleer of u de velgen met de
    winterbanden met het correcte type
    wielmoeren hebt bevestigd.
    Indien winterbanden zijn gemonteerd,
    controleer dan of de bandenspanning
    correct is. Zie Technische specificatie
    (bladzijde 275).

    BANDENSPANNINGCONTROLESYSTEEM
    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem ontheft u niet van de
    verantwoording om regelmatig de
    bandenspanning te controleren.

    GEBRUIK VAN
    SNEEUWKETTINGEN
    WAARSCHUWINGEN
    Rijd niet harder dan 50 km/u (30
    mhp).

    Het systeem waarschuwt u alleen
    voor een lage bandenspanning. Het
    pompt de banden niet op.

    Rijd niet met sneeuwkettingen op
    een sneeuwvrij wegdek.

    Wanneer sneeuwkettingen zijn
    gemonteerd, heeft het systeem meer
    tijd nodig om een lage
    bandenspanning te detecteren.

    Breng alleen sneeuwkettingen aan
    op gespecificeerde banden. Zie
    Technische specificatie (bladzijde

    Rijd niet met een aanzienlijk te lage
    bandenspanning. Hierdoor kunnen
    de banden oververhit raken en
    worden beschadigd. Een te lage
    bandenspanning verhoogt het
    brandstofverbruik, verkort de levensduur
    van de banden en heeft een nadelige
    invloed op de rijeigenschappen.

    275).
    LET OP
    Wanneer uw auto is uitgerust met
    wieldeksels, verwijder deze dan
    voordat u sneeuwkettingen monteert.

    Buig of beschadig de ventielen niet
    wanneer u de banden oppompt.

    N.B.: Het ABS blijft normaal werken.
    Gebruik alleen sneeuwkettingen met kleine
    schakels.

    Laat banden door goed opgeleide
    monteurs monteren.

    Monteer alleen sneeuwkettingen op de
    voorwielen.

    N.B.: Na het verwisselen van banden of
    sensors heeft het systeem enkele minuten
    nodig om te resetten. Tijdens deze periode
    is het systeem in bedrijf, maar het is mogelijk
    dat een waarschuwingslamp wordt
    ingeschakeld.

    273



  • Page 276

    Velgen en banden
    N.B.: Als u banden aanbrengt zonder
    bewakingssensoren, dan wordt een bericht
    in de display weergegeven. Zie
    Infoberichten (bladzijde 109). Bevestig dit
    bericht om het systeem te deactiveren.

    3. Selecteer Band. spann met de op- en
    neer-pijltjestoetsen en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    4. Selecteer de gewenste instelling en
    druk op de OK toets om de instelling
    te bevestigen.
    5. Druk op de linker pijltjestoets om het
    menu te verlaten. Houd de linker
    pijltoets ingedrukt om naar het scherm
    van de boordcomputer terug te keren.

    Het systeem bewaakt de bandenspanning
    m.b.v. sensors die zich in de velgen
    bevinden en een ontvanger in de auto.
    Wanneer het systeem registreert dat de
    bandenspanning te laag is, verschijnt een
    waarschuwingsbericht op het
    informatiedisplay. Zie Infoberichten
    (bladzijde 109).

    Belading instellen
    N.B.: Instrumentenpanelen van type 3
    hebben een iets andere menustructuur.
    Selecteer eerst Instellingen om toegang
    tot Instellingen te krijgen.

    Wanneer een waarschuwingsbericht voor
    een lage bandenspanning op het
    informatiedisplay wordt weergegeven,
    controleer dan de bandenspanning zo
    spoedig mogelijk en breng de spanning op
    de voorgeschreven waarde. Zie
    Technische specificatie (bladzijde 275).
    Wanneer dit zich regelmatig voordoet, laat
    dan de oorzaak zo spoedig mogelijk
    opsporen en verhelpen.

    Een correcte bandenspanning is afhankelijk
    van de belading van de auto. Zie
    Technische specificatie (bladzijde 275).
    Het systeem kan alleen een lage spanning
    detecteren wanneer u de actuele belading
    van de auto hebt ingevoerd.
    1.

    Bandenspanning controleren
    N.B.: Wanneer de bandenspanning hoger
    of gelijk is aan 3,3 bar (48 lbf/in²), ziet u het
    + symbool onder de spanningswaarde. Het
    systeem meet spanningen tot 3,3 bar (48
    lbf/in²). Het + symbool duidt aan dat de
    bandenspanning hoger kan zijn.

    2.

    3.

    N.B.: Instrumentenpanelen van type 3
    hebben een iets andere menustructuur.
    Selecteer eerst Instellingen om toegang
    tot Informatie te krijgen.

    4.

    1.

    5.

    Druk op de rechter pijltjestoets op het
    stuurwiel om het hoofdmenu binnen
    te gaan.
    2. Selecteer Informatie met de op- en
    neer-pijltjestoetsen en druk op de
    rechter pijltjestoets.

    274

    Druk op de rechter pijltjestoets op het
    stuurwiel om het hoofdmenu binnen
    te gaan.
    Selecteer Instellingen met de op- en
    neer-pijltjestoetsen en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer Band. spann met de op- en
    neer-pijltjestoetsen en druk op de
    rechter pijltjestoets.
    Selecteer de gewenste instelling en
    druk op de OK toets om de instelling
    te bevestigen.
    Druk op de linker pijltjestoets om het
    menu te verlaten. Houd de linker
    pijltoets ingedrukt om naar het scherm
    van de boordcomputer terug te keren.



  • Page 277

    Velgen en banden
    TECHNISCHE SPECIFICATIE
    Aanhaalmoment wielmoeren
    Velgtype

    Nm (Ib-ft)

    Alle

    170 (125)

    Bandenspanning (koude banden)
    Tot 160 km/u
    Normale belasting
    Uitvoering

    *

    Bandenmaat

    Maximaal beladen

    Voor

    Achter

    Voor

    Achter

    bar (lbf/
    in²)

    bar (lbf/
    in²)

    bar (lbf/
    in²)

    bar (lbf/
    in²)

    1.6L EcoBoost SCTi
    (Sigma), 2.0L
    EcoBoost SCTi
    (MI4), 1.6L Duratorq-TDCi (DV)
    Diesel Fase V, 2.0L
    Duratorq-TDCi
    (DW) en 2.2L Duratorq-TDCi (DW)

    215/60 R 16

    2,4 (35)

    2,4 (35)

    2,6 (38)

    3,1 (45)

    1.6L EcoBoost SCTi
    (Sigma), 2.0L
    EcoBoost SCTi
    (MI4), 1.6L Duratorq-TDCi (DV)
    Diesel Fase V, 2.0L
    Duratorq-TDCi
    (DW) en 2.2L Duratorq-TDCi (DW)

    225/50 R 17 en
    235/45 R 18

    2,4 (35)

    2,2 (32)

    2,6 (38)

    3,1 (45)

    *

    2.0L Duratec-HE
    (MI4) en 2.3L
    Duratec-HE (MI4)

    215/60 R 16

    2,2 (32)

    2,4 (35)

    2,6 (38)

    3,1 (45)

    2.0L Duratec-HE
    (MI4) en 2.3L
    Duratec-HE (MI4)

    225/50 R 17 en
    235/45 R 18

    2,2 (32)

    2,2 (32)

    2,6 (38)

    3,1 (45)

    *

    Breng alleen sneeuwkettingen aan op gespecificeerde banden.

    275



  • Page 278

    Velgen en banden

    Snelheid continu hoger dan 160 km/u (100 mph)
    Normale belasting
    Uitvoering

    Bandenmaat

    Maximaal beladen

    Voor

    Achter

    Voor

    Achter

    bar (lbf/
    in²)

    bar (lbf/
    in²)

    bar (lbf/
    in²)

    bar (lbf/
    in²)

    1.6L EcoBoost SCTi
    (Sigma), 1.6L Duratorq-TDCi (DV)
    Diesel Fase V en
    2.0L Duratorq-TDCi
    (DW)

    215/60 R 16

    2,5 (36)

    2,4 (35)

    2,7 (39)

    3,1 (45)

    1.6L EcoBoost SCTi
    (Sigma), 1.6L Duratorq-TDCi (DV)
    Diesel Fase V en
    2.0L Duratorq-TDCi
    (DW)

    225/50 R 17 en
    235/45 R 18

    2,5 (36)

    2,3 (33)

    2,7 (39)

    3,1 (45)

    2.0L Duratec-HE
    (MI4) en 2.3L
    Duratec-HE (MI4)

    215/60 R 16

    2,4 (35)

    2,4 (35)

    2,6 (38)

    3,1 (45)

    2.0L Duratec-HE
    (MI4) en 2.3L
    Duratec-HE (MI4)

    225/50 R 17 en
    235/45 R 18

    2,4 (35)

    2,2 (32)

    2,6 (38)

    3,1 (45)

    2.0L EcoBoost SCTi
    (MI4) en 2.2L Duratorq-TDCi (DW)

    215/60 R 16

    2,6 (38)

    2,6 (38)

    2,8 (41)

    3,3 (48)

    2.0L EcoBoost SCTi
    (MI4) en 2.2L Duratorq-TDCi (DW)

    225/50 R 17 en
    235/45 R 18

    2,6 (38)

    2,6 (38)

    2,8 (41)

    3,4 (49)

    276



  • Page 279

    Voertuigidentificatie
    N.B.: Het ontwerp van het
    identificatieplaatje kan afwijken van het
    getoonde plaatje.

    VOERTUIGIDENTIFICATIEPLAATJE

    N.B.: De informatie op het
    identificatieplaatje is afhankelijk van de
    vereisten per land.

    B

    C

    D

    E
    F
    G

    A

    H
    I
    E135662

    A

    Model

    B

    Uitvoering

    C

    Motorbenaming

    D

    Emissieniveau

    A

    Voertuigidentificatienummer

    F

    Maximaal toelaatbare totaalgewicht

    G

    Maximaal toelaatbaar treingewicht

    H

    Maximale voorasbelasting

    I

    Maximale achterasbelasting

    Het voertuigidentificatienummer (VIN) en
    de maximum toelaatbare gewichten zijn
    vermeld op een plaatje aan slotzijde
    onderin de opening van het rechter portier.

    277



  • Page 280

    Voertuigidentificatie
    VOERTUIGIDENTIFICATIENUMMER

    E87496

    Het Voertuig Identificatie Nummer
    (chassisnummer) is rechtsvoor naast de
    voorstoel in de bodemplaat ingeslagen.
    Het is ook op de linkerzijde van het
    instrumentenpaneel vermeld.

    278



  • Page 281

    Inhouden en specificaties
    TECHNISCHE SPECIFICATIE
    Afmetingen van de auto
    S-MAX
    Beschrijving van afmeting

    Afmeting in mm

    Maximale lengte - zonder bumper-stylingset

    4772 (187,9)

    Maximale lengte - met bumper-stylingset

    4801 (189)

    Totale breedte inclusief buitenspiegels

    2154 (84,8)

    Totale hoogte - EC rijklaargewicht

    1620 - 1660 (63.8 - 65.4)

    Wielbasis

    2850 (112,2)

    Spoorbreedte voor

    1578 - 1588 (62,1 - 62,5)

    Spoorbreedte achter

    1595 - 1605 (62,8 - 63,2)

    Galaxy
    Beschrijving van afmeting

    Afmeting in mm

    Maximum lengte

    4819 (189,7)

    Totale breedte inclusief buitenspiegels

    2154 (84,8)

    Totale hoogte - EC rijklaargewicht zonder dwarsprofielen dakrails

    1709 - 1758 (67.3 - 69.2)

    Totale hoogte - EC rijklaargewicht met dwarsprofielen
    dakrails

    1770 - 1811 (69.7 - 71.3)

    Wielbasis

    2850 (112,2)

    Spoorbreedte voor

    1578 - 1588 (62,1 - 62,5)

    Spoorbreedte achter

    1595 - 1605 (62,8 - 63,2)

    279



  • Page 282

    Inhouden en specificaties
    Afstanden trekhaak
    S-MAX

    A

    B

    C

    D

    F
    G
    H

    E75182
    Punt

    E

    Beschrijving van afmeting

    A

    Bumper – achterzijde trekhaakkogel

    Afmeting in mm

    102 (4)

    B

    Bevestigingspunt – hart trekhaakkogel

    C

    Hart wiel – hart trekhaakkogel

    1 079 (42,48)

    D

    Hart trekhaakkogel – langsbalk

    438 (17,2)

    E

    Binnenzijde langsbalk

    876 (34,5)

    280

    16 (0,63)



  • Page 283

    Inhouden en specificaties
    Punt

    Beschrijving van afmeting

    Afmeting in mm

    F

    Hart trekhaakkogel – hart 1e bevestigingspunt

    363 (14,29)

    G

    Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigingspunt

    424 (16,69)

    H

    Hart trekhaakkogel – hart 3e bevestigingspunt

    636 (25,04)

    Galaxy

    A

    B

    C

    D

    F
    G
    H

    E75181

    281

    E



  • Page 284

    Inhouden en specificaties

    Punt

    Beschrijving van afmeting

    Afmeting in mm

    A

    Bumper – achterzijde trekhaakkogel

    101 (3,98)

    B

    Bevestigingspunt – hart trekhaakkogel

    16 (0,63)

    C

    Hart wiel – hart trekhaakkogel

    D

    Hart trekhaakkogel – langsbalk

    438 (17,2)

    E

    Binnenzijde langsbalk

    876 (34,5)

    F

    Hart trekhaakkogel – hart 1e bevestigingspunt

    412 (16,22)

    G

    Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigingspunt

    473 (18,62)

    H

    Hart trekhaakkogel – hart 3e bevestigingspunt

    685 (26,97)

    1128 (44,41)

    282



  • Page 285

    Inleiding audio-installatie
    Labels op het audiotoestel

    BELANGRIJKE AUDIOINFORMATIE
    WAARSCHUWINGEN
    Door technische verschillen kunnen
    opneembare CD’s (CD-R's) en
    opnieuw beschrijfbare CD’s
    (CD-RW's) mogelijk niet correct
    functioneren.

    E66256

    Op deze toestellen kunnen CD's
    worden afgespeeld die aan de
    International Red Book standaard
    audiospecificatie voldoen. CD’s met
    kopieerbeveiliging van sommige
    fabrikanten voldoen niet aan deze
    standaard; het correct afspelen ervan kan
    dan ook niet worden gegarandeerd.

    E66257

    CD etiketten
    Audio-CD

    Dual format, dubbelzijdige CD's
    (DVD Plus, CD-DVD format), die door
    de muziekindustrie worden gebruikt,
    zijn dikker dan normale CD's; het correct
    afspelen ervan kan dan ook niet worden
    gegarandeerd en bovendien kunnen ze
    klemraken. CD’s met een onregelmatige
    vorm en CD’s met krasbescherming of
    zelfklevende etiketten mogen niet worden
    gebruikt. Garantieclaims, waarbij dit type
    CD in een audiotoestel wordt aangetroffen
    dat voor reparatie wordt aangeboden,
    worden niet geaccepteerd.

    E66254

    MP3

    Alle toestellen behalve Sony CD
    (maar niet de 6CD) zijn uitsluitend
    bedoeld voor het afspelen van
    commercieel geperste 12 cm audio-CD's.
    De Sony CD-speler kan 8 cm CD's afspelen
    wanneer een door Sony goedgekeurde
    adapter is aangebracht (CSA-8).

    E66255

    Het audiotoestel kan worden
    beschadigd wanneer voorwerpen als
    creditcards of munten in de CD-sleuf
    worden geduwd.

    283



  • Page 286

    Overzicht audio-installatie
    6000CD

    A

    B

    C

    Q

    D

    P

    E

    O

    F

    N

    G
    H

    M

    L

    K

    J

    I

    E141803

    A

    CD-sleuf. Zie CD's aanbrengen (bladzijde 301).

    B

    Aan, uit en volumeregeling. Zie Aan/uit toets (bladzijde 290).

    C

    CD uitwerpen. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 304).

    D

    Klok. Zie Tijd en datum van de audio-installatie instellen (bladzijde 288).

    A

    Verkeersberichten. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde 293).

    F

    Map omhoog.

    G

    Map omlaag.

    H

    Oproep beëindigen. Zie Telefoon (bladzijde 310).

    I

    Informatie. Zie MP3 weergave-opties (bladzijde 305).

    J

    Opwaarts zoeken. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 295).

    K

    Neerwaarts zoeken. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 295).

    L

    Stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 292).

    M

    Oproep beantwoorden. Zie Telefoon (bladzijde 310).

    N

    Menu. Zie Bediening van de audio-installatie (bladzijde 291).

    284



  • Page 287

    Overzicht audio-installatie
    O

    Lage- en hoge-tonenregeling. Zie Bass/treble (lage/hoge tonen) regeling
    (bladzijde 290). Balans- en fade-regeling. Zie Balance/fade (balans
    links/rechts, voor/achter) regeling (bladzijde 290).

    P

    Radio en golfband selecteren. Zie Golfband toets (bladzijde 293).

    Q

    Extra ingang en CD selecteren. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde
    307). Zie CD-speler (bladzijde 301).

    Sony CD en Sony CD DAB

    A B

    C

    E

    D

    F

    G

    S
    R

    H

    Q

    I

    P

    J

    E138370

    O

    M

    N

    L

    K

    A

    Scannen. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 295). Zie CD-nummers
    scannen (bladzijde 304).

    B

    Informatie. Zie MP3 weergave-opties (bladzijde 305).

    C

    Stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 292).

    D

    CD-sleuf. Zie CD's aanbrengen (bladzijde 301).

    A

    Klok. Zie Tijd en datum van de audio-installatie instellen (bladzijde 288).

    F

    DSP selecteren. Zie Digitale signaalverwerking (DSP) (bladzijde 297).

    G

    Automatisch opslaan. Zie Autostore toets (bladzijde 293).

    H

    Menu. Zie Bediening van de audio-installatie (bladzijde 291).

    I

    Verkeersberichten. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde 293).

    285



  • Page 288

    Overzicht audio-installatie
    J

    Aan/uit-regeling. Zie Aan/uit toets (bladzijde 290).

    K

    Balans- en fade-regeling. Zie Balance/fade (balans links/rechts,
    voor/achter) regeling (bladzijde 290).

    L

    Oproep beëindigen. Zie Telefoon (bladzijde 310).

    M

    Volumeregeling, navigatietoetsen en keuzetoets.

    N

    Oproep beantwoorden. Zie Telefoon (bladzijde 310).

    O

    Toonregeling. Zie Bass/treble (lage/hoge tonen) regeling (bladzijde 290).

    P

    Telefoonmenu. Zie Telefoon (bladzijde 310).

    Q

    Radio en golfband selecteren. Zie Golfband toets (bladzijde 293).

    R

    Extra ingang en CD selecteren. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde
    307). Zie CD-speler (bladzijde 301).

    S

    CD uitwerpen. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 304).

    286



  • Page 289

    Beveiliging van uw audio-installatie
    BEVEILIGINGSCODE

    ONJUISTE BEVEILIGINGSCODE

    Elk toestel bevat een unieke code die moet
    worden ingevoerd voordat het toestel kan
    worden gebruikt.

    Maximaal zijn 10 invoerpogingen van de
    unieke code toegestaan, met verschillende
    consequenties indien u een fout maakt.

    Is de accu losgekoppeld of is het toestel
    uit de auto verwijderd geweest, dan moet
    de code opnieuw worden ingevoerd
    voordat het toestel kan worden gebruikt.

    Het aantal pogingen wordt in het display
    weergegeven.
    Wanneer in het display CODE verschijnt,
    kan meteen een nieuwe poging worden
    gedaan.

    BEVEILIGINGSCODE
    VERGETEN

    Wanneer in het display WAIT 30
    verschijnt, wordt het toestel 30 minuten
    lang geblokkeerd. Wacht dan tot de timer
    tot nul heeft afgeteld. Wanneer CODE in
    het display verschijnt, voert u de correcte
    code in.

    Raakt u uw unieke code kwijt, neem dan
    contact op met uw dealer en geef hem de
    gegevens van uw audiotoestel en overleg
    een identiteitsbewijs.

    N.B.: Na 10 mislukte pogingen wordt het
    toestel permanent uitgeschakeld en wordt
    LOCKED in het display weergegeven. Neem
    contact op met uw Ford dealer.

    BEVEILIGINGSCODE
    INVOEREN
    Verschijnt CODE - - - -, CODE 0000 of
    ENTER KEYCODE in het display wanneer
    u het audiotoestel inschakelt, dan moet u
    met behulp van de
    stationsvoorkeuzetoetsen de unieke code
    invoeren.

    6000CD, Sony en Sony DAB
    1.

    Voer de unieke code in met behulp van
    de stationsvoorkeuzetoetsen.
    2. Maakt u een fout bij het invoeren van
    de code, voer de cijfers dan opnieuw in
    door de toetsen 0-9 te blijven
    gebruiken. Het display gaat van
    cijferpositie 1 naar 4 en vervolgens weer
    terug.
    3. Zorg ervoor dat de complete code
    correct is voordat u op de
    voorkeuzetoets * of de toets tussen de
    navigatietoetsen drukt om uw selectie
    te bevestigen.

    287



  • Page 290

    Audiodisplays met tijd- en datumaanduiding
    12/24 uurs modus

    TIJD EN DATUM VAN DE
    AUDIO-INSTALLATIE
    INSTELLEN

    1.

    Druk enkele malen op de MENU toets
    totdat het 12/24 symbool in het display
    verschijnt.
    2. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken
    of neerwaarts zoeken om de gewenste
    instelling te kiezen.
    3. Druk enkele malen op de MENU toets
    of laat het menu de functie afbreken
    om uw selectie te bevestigen.

    6000CD
    Datum en tijd veranderen
    Druk op de CLOCK toets om de datum en
    tijd weer te geven.
    N.B.: Wanneer u binnen 30 seconden na
    het indrukken van de CLOCK toets niet op
    een andere toets drukt, keert het display
    naar de eerdere instelling terug.
    1.

    2.

    3.

    4.

    5.

    Sony en Sony DAB
    Datum en tijd veranderen

    Gebruik de toets voor opwaarts zoeken
    of neerwaarts zoeken om de datum en
    de tijd te kiezen die u wenst te
    veranderen. De gekozen waarde
    knippert in het display.
    Draai de volumeregeling om de
    gekozen datum- of tijdwaarde te
    veranderen.
    Gebruik de toets voor opwaarts zoeken
    of neerwaarts zoeken om extra datumen tijdwaarden te kiezen die u wenst te
    veranderen.
    Draai de volumeregeling om de
    gekozen datum- of tijdwaarde te
    veranderen.
    Druk op de CLOCK toets om de
    instelmodus te verlaten en uw
    instellingen op te slaan.

    1. Druk op de CLOCK toets.
    2. Druk op de linker of rechter
    navigatietoets totdat de datum- of
    tijdwaarde die u wenst te veranderen
    in het display knippert.
    3. Gebruik de navigatietoets voor
    opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken
    om de gekozen datum- of tijdwaarde
    te veranderen.
    4. Gebruik de linker of rechter
    navigatietoets om extra datum- en
    tijdwaarden te kiezen die u wenst te
    veranderen. De gekozen waarde
    knippert in het display.
    5. Herhaal de stappen drie of vier indien
    nodig.
    6. Druk op de CLOCK toets of de toets
    tussen de navigatietoetsen om de
    instelmodus te verlaten en uw
    instellingen op te slaan.

    N.B.: Wanneer u niet binnen 30 seconden
    na het veranderen van een datum- of
    tijdwaarde op de CLOCK toets drukt, wordt
    het instellen beëindigd en worden de nieuwe
    waarden automatisch opgeslagen.

    12/24 uurs modus
    1. Druk op de MENU toets.
    2. Druk op de navigatietoets voor
    opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken
    totdat het 12/24 symbool in het display
    verschijnt.

    N.B.: Druk op de CLOCK toets en houd deze
    langer dan twee seconden ingedrukt om de
    uurwaarde voor het instellen van winter- of
    zomertijd te selecteren.

    288



  • Page 291

    Audiodisplays met tijd- en datumaanduiding
    3. Druk op de linker of rechter
    navigatietoets om de gewenste
    instelling te selecteren.
    4. Druk op de MENU toets of de toets
    tussen de navigatietoetsen om uw
    selectie te bevestigen.

    289



  • Page 292

    Werking van de audio-installatie
    1.

    Druk eenmaal op de TONE knop voor
    de instelling bass, tweemaal voor
    middle of driemaal voor treble.
    2. Gebruik de navigatietoets opwaarts
    zoeken of neerwaarts zoeken om de
    gewenste aanpassingen door te
    voeren.

    AAN/UIT TOETS
    Druk op de aan/uit knop. Hierdoor kan het
    toestel nog een uur nadat het contact is
    afgezet worden gebruikt.
    Na een uur schakelt het radiotoestel
    automatisch uit.

    BALANCE/FADE (BALANS
    LINKS/RECHTS,
    VOOR/ACHTER) REGELING

    BASS/TREBLE (LAGE/HOGE
    TONEN) REGELING
    De bass-functie wordt gebruikt om de
    lage-tonenweergave van het audiotoestel
    te regelen.

    De balansfunctie wordt gebruikt om de
    geluidsverdeling tussen de linker en rechter
    luidsprekers aan te passen.

    De middle-functie wordt gebruikt om de
    middelhoge-tonenweergave van het
    audiotoestel te regelen.

    De fade-functie wordt gebruikt voor het
    aanpassen van de geluidsverdeling van
    voor naar achter in auto's die met
    luidsprekers achterin zijn uitgerust.

    De treble-functie wordt gebruikt om de
    hoge-tonenweergave van het audiotoestel
    te regelen.

    6000CD

    6000CD

    Druk viermaal op de SOUND toets voor de
    instelling van balance (balans) of vijmaal
    voor de instelling fade (fader).

    N.B.: Het gekozen niveau wordt in het
    display weergegeven.

    Gebruik de volumeregeling, of bij bepaalde
    toestellen de toetsen opwaarts zoeken of
    neerwaarts zoeken, om de gewenste
    aanpassingen door te voeren.

    1.

    Druk eenmaal op de SOUND knop voor
    de instelling bass, tweemaal voor
    middle of driemaal voor treble.
    2. Gebruik de volumeregeling, of bij
    bepaalde toestellen de toetsen
    opwaarts zoeken of neerwaarts
    zoeken, om de gewenste aanpassingen
    door te voeren.

    Sony en Sony DAB
    Druk eenmaal op de FAD/BAL toets voor
    de fade-functie en tweemaal voor de
    balansfunctie.

    Sony en Sony DAB

    Gebruik de navigatietoetsen opwaarts of
    neerwaarts in voor het aanpassen van de
    fade-instelling en de navigatietoetsen links
    en rechts voor het aanpassen van de
    balansinstelling.

    N.B.: U kunt deze instellingen afzonderlijk
    aanpassen voor CD, radio en Aux.
    N.B.: Het gekozen niveau wordt in het
    display weergegeven.

    Het gekozen niveau wordt in het display
    weergegeven.

    290



  • Page 293

    Werking van de audio-installatie
    Gebruik de MENU toets om toegang te
    verkrijgen tot functies die niet direct via een
    van de bedieningstoetsen gekozen kunnen
    worden. Druk op de MENU toets voor
    functies op het eerste niveau, of op de
    MENU toets en houd deze ingedrukt voor
    functies op het tweede niveau (niet
    leverbaar op Sony of Sony DAB toestellen).

    BEDIENING VAN DE AUDIOINSTALLATIE

    6000CD
    Menufuncties
    Eerste niveau
    Tijdens radioontvangst

    Tweede niveau

    Tijdens het afspelen Tijdens het afspelen Tijdens alle functies
    van een cassette
    van een CD

    Handmatig
    afstemmen

    12/24 uur

    Scannen

    Lokale of algemene
    verkeersberichten

    Scanfunctie

    AVC

    Shuffle

    AF

    12/24 uur

    Menu ADV

    Herhalen

    REG

    AVC

    -

    Klomp

    Nieuws

    Menu ADV

    -

    12/24 uur

    CLIP

    -

    -

    AVC

    VID

    -

    -

    Menu ADV

    Bluetooth aan/uit

    *

    *

    *

    **

    N.B.: De volgorde waarin functies verschijnen, kan verschillen afhankelijk van het audiotoestel
    of het voertuig.
    N.B.: Functies op het tweede niveau (geavanceerd) kunnen ook ingevoerd worden door
    het ADV menu in het menu van het eerste niveau te selecteren.
    *

    Automatische volumeregeling.

    **

    Alternatieve frequenties.

    291



  • Page 294

    Werking van de audio-installatie

    Sony CD en Sony CD DAB
    Menufuncties
    Tijdens radio-ontvangst

    Tijdens het afspelen van een CD

    12/24 uur

    12/24 uur

    CLIP AAN/UIT

    CLIP AAN/UIT

    Nieuws AAN/UIT

    Nieuws AAN/UIT

    1

    AVC

    AVC

    2

    1

    2

    AF

    AF

    TA volume

    TA volume

    Lokale of algemene verkeersberichten

    Lokale of algemene verkeersberichten

    Regionaal AAN/UIT

    Shuffle

    3

    3

    -

    Herhalen

    -

    Comp AAN/UIT

    N.B.: De volgorde waarin functies verschijnen, kan verschillen afhankelijk van het audiotoestel
    of het voertuig.
    *

    Automatische volumeregeling.

    2

    Alternatieve frequenties.

    3

    Verkeersberichten.

    Sony CD en Sony CD DAB met
    Bluetooth

    VOORKEUZETOETSEN

    Door op de PHONE toets gevolgd door de
    MENU toets te drukken, wordt toegang
    verkregen tot de volgende opties:
    • Geen actieve telefoon of Actieve
    telefoon
    • BT-apparaat ontkoppelen
    • Oproepen weigeren AAN/UIT
    • Bluetooth AAN/UIT

    Met deze voorziening kunt u uw favoriete
    radiostations opslaan, zodat u later direct
    hierop kunt afstemmen door de juiste
    golfband te selecteren en op de
    betreffende voorkeuzetoets te drukken.
    1. Kies een golfband.
    2. Stem af op het gewenste radiostation.
    3. Houd een van de voorkeuzetoetsen
    ingedrukt. De geluidsweergave wordt
    onderbroken. Zodra het geluid weer
    wordt weergegeven, is het radiostation
    opgeslagen.

    292



  • Page 295

    Werking van de audio-installatie
    Sony CD

    Dit kan op elke golfband en voor iedere
    voorkeuzetoets worden herhaald.

    Druk op de AST of RADIO toets en houd
    deze ingedrukt.

    N.B.: Wanneer u naar een ander deel van
    het land rijdt, worden FM RDS (Radio Data
    System) radiostations die op alternatieve
    frequenties uitzenden onder de
    voorkeuzetoetsen opgeslagen.

    REGELING FUNCTIE
    VERKEERSINFORMATIE
    Veel radiostations die op de FM-band
    uitzenden hebben een TP-code die
    aangeeft dat deze verkeersinformatie
    uitzenden.

    GOLFBAND TOETS
    N.B.: Wanneer een andere geluidsbron is
    ingeschakeld kan deze keuzetoets ook
    worden gebruikt om weer over te schakelen
    naar de radio.

    Verkeersberichten inschakelen
    Voordat u verkeersberichten kunt
    ontvangen, moet u op de TA toets drukken.
    TA-D dan wel TA-L wordt in het display
    weergegeven om aan te geven dat de
    functie is ingeschakeld.

    Druk op de RADIO toets om een keuze uit
    de beschikbare golfbanden te maken.

    AUTOSTORE TOETS

    Indien u reeds heeft afgestemd op een
    radiostation dat verkeersinformatie
    uitzendt, wordt ook TP in het display
    weergegeven. Anders zoekt het toestel
    naar een verkeersprogramma en wordt
    tijdens het zoeken TP SEEK weergegeven.
    Kan het toestel een dergelijk radiostation
    niet vinden, dan wordt NOT FOUND in het
    display weergegeven.

    N.B.: Met deze functie worden de eerder
    onder Autostore opgeslagen
    voorkeuzestations overschreven.
    N.B.: Deze functie kan ook worden gebruikt
    om radiostations handmatig op te slaan op
    dezelfde wijze als andere golfbanden.
    N.B.: De krachtigste beschikbare signalen
    op de gekozen golfband worden
    opgeslagen.

    TP verschijnt in een venster in het display
    wanneer u heeft afgestemd op een
    radiostation dat verkeersinformatie levert
    via een geschakeld RDS (radio data
    system) of EON (enhanced other network)
    radiostation.

    De geluidsweergave wordt onderbroken
    en AUTOSTORE wordt in het display
    weergegeven terwijl de unit de frequenties
    afzoekt.
    Wanneer het zoeken voltooid is, wordt de
    geluidsweergave hersteld en worden de
    krachtigste signalen onder de
    voorkeuzetoetsen van Autostore
    opgeslagen.

    Wanneer verkeersinformatie wordt
    uitgezonden, onderbreekt deze
    automatisch de normale radio-, cassette
    of CD-weergave; TRAFFIC of NEWS wordt
    dan in het display weergegeven.

    6000CD
    Druk op de RADIO toets en houd deze
    ingedrukt.

    293



  • Page 296

    Werking van de audio-installatie
    Wanneer het verkeersinformatiesignaal
    zwakker wordt, knippert TP in het display.
    Druk op de toets voor opwaarts zoeken of
    neerwaarts zoeken (de linker of rechter
    navigatietoets op Sony of Sony DAB
    audiotoestellen) om een ander
    radiostation te zoeken.

    3. Druk op de toets voor opwaarts zoeken
    of neerwaarts zoeken om lokale (TA
    LOCAL) dan wel algemene (TA DIST)
    verkeersinformatie te selecteren.
    4. Druk enkele malen op de MENU toets
    of laat het menu de functie afbreken
    om uw selectie te bevestigen.

    N.B.: Wanneer dit tijdens het afspelen van
    een CD of een apparaat in de
    AUX-aansluiting gebeurt of, bij bepaalde
    modellen, wanneer het radiovolume op 0 is
    gezet, dan zal het toestel automatisch op
    een ander radiostation afstemmen dat
    verkeersinformatie uitzendt.

    N.B.: TA-L dan wel TA-D wordt in het
    display weergegeven.
    Sony CD
    1.

    Druk op de MENU toets en gebruik de
    opwaarts of neerwaarts navigatietoets
    om de TA display te selecteren.
    2. Druk op de linker of rechter
    navigatietoets om de gewenste
    instelling te selecteren.
    3. Druk op de MENU toets om uw keuze
    te bevestigen.

    Indien een radiostation wordt gekozen of
    met behulp van de voorkeuzetoetsen
    wordt opgeroepen dat geen
    verkeersinformatie uitzendt, dan blijft het
    toestel op dat radiostation afgestemd
    tenzij TA uitgeschakeld en vervolgens weer
    ingeschakeld wordt.

    Volume van de verkeersberichten

    N.B.: Wanneer TA is ingeschakeld en u kiest
    een voorkeuzezender of stemt handmatig
    af op een radiostation dat geen
    verkeersinformatie (TA) uitzendt, dan wordt
    geen verkeersinformatie weergegeven.

    Verkeersberichten onderbreken de normale
    geluidsweergave met een
    voorgeprogrammeerd volume dat
    gewoonlijk hoger is dan het gebruikelijke
    luistervolume.

    Lokale of algemene
    verkeersinformatie

    Instellen van het
    voorgeprogrammeerde volume

    Omdat in sommige gebieden het aantal
    RDS of EON verkeersberichten erg hoog
    kan zijn, kan worden gekozen tussen lokale
    of algemene verkeersinformatie.

    6000CD
    1.

    Druk op de TA toets en houd deze
    ingedrukt.
    2. Stel het gewenste volume met de
    draaiknop in.

    6000CD
    1.

    Druk op de MENU toets en houd deze
    ingedrukt totdat het display verandert.
    2. Druk enkele malen op de MENU toets
    totdat TA in het display wordt
    weergegeven.

    N.B.: Het gekozen niveau wordt in het
    display weergegeven.
    Sony CD
    1.

    Druk op de TA toets en houd deze
    ingedrukt.
    2. Druk op de linker of rechter
    navigatietoets om de gewenste
    instelling te kiezen.

    294



  • Page 297

    Werking van de audio-installatie
    Zoeken

    N.B.: Het gekozen niveau wordt in het
    display weergegeven.

    6000CD

    Verkeersberichten beëindigen

    Kies een golfband en druk kort op de toets
    voor opwaarts zoeken of neerwaarts
    zoeken. Het toestel stopt bij het eerste
    radiostation dat in de door u gekozen
    richting wordt gevonden.

    Aan het einde van een verkeersbericht gaat
    het audiotoestel weer door met zijn
    normale werking. Om een verkeersbericht
    voortijdig af te breken, drukt u tijdens het
    verkeersbericht op TA.

    Sony CD

    N.B.: Indien u op een ander tijdstip op TA
    drukt, worden alle berichten uitgeschakeld.

    Kies een golfband en druk kort op de
    navigatietoets voor opwaarts zoeken of
    neerwaarts zoeken. Het toestel stopt bij
    het eerste radiostation dat in de door u
    gekozen richting wordt gevonden.

    STATION AFSTEMTOETSEN
    DAB-service linking

    Handmatig afstemmen

    N.B.: De DAB-service linking is standaard
    uitgeschakeld.

    6000CD

    N.B.: Via service linking zijn kruisreferenties
    naar andere betreffende frequenties van
    hetzelfde radiostation mogelijk, bijvoorbeeld
    FM en andere DAB-ensembles.

    1.

    Kies een golfband en druk op de toets
    MENU totdat MAN in het display wordt
    weergegeven.
    2. Druk op de toets voor opwaarts zoeken
    of neerwaarts zoeken om de golfband
    in kleine stappen omhoog of omlaag
    af te zoeken of houd de toets ingedrukt
    om de golfband in grotere stappen af
    te zoeken totdat u een radiostation
    vindt waarnaar u wilt luisteren.

    N.B.: Het systeem schakelt automatisch
    naar een ander corresponderend
    radiostation indien het huidige radiostation
    niet beschikbaar is, bijvoorbeeld tijdens het
    verlaten van het dekkingsgebied.
    DAB service linking in- en uitschakelen

    Sony CD

    1. Druk op de MENU toets.
    2. Scroll met de navigatietoets voor
    opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken
    door het display totdat DIGITAL RADIO
    SERVICE LINK in het display wordt
    weergegeven.
    3. Druk op de linker of rechter
    navigatietoets om AUTO of OFF te
    selecteren.
    4. Druk op de MENU toets of de toets
    tussen de navigatietoetsen om uw
    selectie te bevestigen.

    Kies een golfband en druk kort op de
    navigatietoets voor opwaarts zoeken of
    neerwaarts zoeken om in kleine stappen
    de golfband omhoog of omlaag af te
    zoeken. Het display geeft de gekozen
    frequentie weer.
    Sony DAB
    N.B.: Ensembles zijn groepen radiostations.
    Druk kort op de navigatietoets omhoog of
    omlaag om de ensembles omhoog of
    omlaag af te zoeken.

    295



  • Page 298

    Werking van de audio-installatie
    Scanfunctie
    Met de SCAN functie kunt u elk gevonden
    station 10 seconden lang beluisteren.
    6000CD
    1.

    Druk enkele malen op de MENU toets
    totdat SCAN in het display wordt
    weergegeven.
    2. Druk op de toets voor opwaarts zoeken
    of neerwaarts zoeken om de gekozen
    golfband omhoog of omlaag af te
    zoeken.
    3. Afhankelijk van het audiotoestel drukt
    u op de toets voor opwaarts zoeken of
    neerwaarts zoeken of op de MENU
    toets om verder te luisteren naar een
    radiostation.
    Sony en Sony DAB
    1.

    Druk op de SCAN toets. SCAN knippert
    of SCANNING wordt in het display
    weergegeven.
    2. Druk op de linker of rechter
    navigatietoets om binnen een golfband
    te zoeken.
    3. Druk opnieuw op SCAN om naar een
    radiostation te blijven luisteren.

    296



  • Page 299

    Menu's audio-installatie
    DSP-instellingen wijzigen

    AUTOMATISCHE
    VOLUMEREGELING

    1.

    Druk eenmaal op de DSP toets voor
    bezette zitplaatsen en tweemaal voor
    de equalizer. Positie van onderdeel: Zie
    Overzicht audio-installatie
    (bladzijde 284).
    2. Gebruik de navigatietoets voor
    opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken
    om de gewenste instelling te kiezen.
    3. Druk op de toets tussen de
    navigatietoetsen om uw keuze te
    bevestigen.

    Indien van toepassing, past de
    automatische volumeregeling (AVC) het
    geluidsvolume aan, om geluiden van de
    motor en het wegdek te compenseren.

    Alle behalve Sony en Sony DAB
    1.

    Druk enkele malen op de MENU toets
    totdat AVC in het display wordt
    weergegeven.
    2. Druk op de toets SEEK UP of SEEK
    DOWN om de AVC instelling bij te
    stellen.
    3. Druk enkele malen op de MENU toets
    of laat het systeem de functie afbreken
    om uw selectie te bevestigen.

    REDUCTIE
    GELUIDSVERVORMING (CLIP)
    De CLIP functie (indien van toepassing)
    detecteert automatisch
    geluidsvervormingen en verlaagd het
    volume tot de vervorming is opgeheven.
    Dit betekent dat wanneer u het volume
    handmatig verhoogt de waarde op het
    display verandert, maar het geluid mogelijk
    niet toeneemt.

    Sony en Sony DAB
    1. Druk kort op de MENU toets.
    2. Gebruik de navigatietoets omhoog of
    omlaag om AVC te selecteren.
    3. Druk enkele malen op de MENU toets
    of laat het systeem de functie afbreken
    om uw selectie te bevestigen.

    Alle behalve Sony en Sony DAB
    1.

    Druk op de MENU toets en houd deze
    ingedrukt totdat het display verandert.
    2. Druk enkele malen op de MENU toets
    totdat CLIP in het display wordt
    weergegeven.
    3. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken
    of neerwaarts zoeken om de functie inof uit te schakelen.
    4. Druk enkele malen op de MENU toets
    of laat het systeem de functie afbreken
    om uw selectie te bevestigen.

    DIGITALE
    SIGNAALVERWERKING (DSP)
    DSP voor bezette zitplaatsen
    Deze functie houdt rekening met de
    verschillen in afstand tot de diverse
    luidsprekers in de auto ten opzichte van de
    zitplaatsen. Kies de zitplaats waarvoor het
    audiosignaal moet worden gecorrigeerd.

    DSP-equalizer
    Kies de muziekcategorie waarnaar u bij
    voorkeur luistert. Het audiosignaal
    verandert om de weergave van de specifiek
    gekozen muziekstijl te verbeteren.

    297



  • Page 300

    Menu's audio-installatie
    Sony en Sony DAB

    Wanneer AF-MAN is gekozen, werkt het
    toestel op dezelfde wijze als bij AF-AUTO
    of AF-ON, maar er wordt dan alleen naar
    alternatieve frequenties gezocht wanneer
    op een voorkeuzetoets wordt gedrukt.

    1. Druk kort op de MENU toets.
    2. Gebruik de navigatietoets omhoog of
    omlaag om CLIP te selecteren.
    3. Druk enkele malen op de MENU toets
    of laat het systeem de functie afbreken
    om uw selectie te bevestigen.

    Wanneer AF-OFF is gekozen, blijft het
    toestel op de oorspronkelijk gekozen
    frequentie afgestemd. In deze modus
    wordt AF-OFF telkens wanneer het toestel
    wordt ingeschakeld, weergegeven.

    ALTERNATIEVE FREQUENTIES

    Alle behalve Sony en Sony DAB

    Veel programma's die op de FM band
    worden uitgezonden hebben een
    programma-identificatie (PI) code, die
    door de audio-installatie kan worden
    herkend.

    1.

    Druk op de MENU toets en houd deze
    ingedrukt totdat het display verandert.
    2. Druk enkele malen op de MENU toets
    totdat AF in het display wordt
    weergegeven.
    3. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken
    of neerwaarts zoeken om de gewenste
    instelling te kiezen.
    4. Druk enkele malen op de MENU toets
    of laat het systeem de functie afbreken
    om uw selectie te bevestigen.

    Wanneer bij uw radio alternatieve
    frequenties (AF) is ingeschakeld en u rijdt
    van het ene naar het andere
    ontvangstgebied, dan zoekt deze functie
    naar een krachtiger stationssignaal en
    stemt daarop af zodra het is gevonden.
    Onder bepaalde omstandigheden kan door
    het afstemmen op alternatieve frequenties
    (AF) de normale ontvangst tijdelijk worden
    onderbroken.

    Sony en Sony DAB
    1. Druk kort op de MENU toets.
    2. Druk op de linker of rechter
    navigatietoets om de gewenste
    instelling te selecteren.
    3. Druk op de MENU toets om uw keuze
    te bevestigen.

    Het toestel evalueert continu de
    signaalsterkte en, indien een beter signaal
    beschikbaar komt, schakelt het toestel
    over naar dat alternatief. De
    geluidsweergave wordt onderbroken terwijl
    het toestel de lijst met alternatieve
    frequenties controleert en, zo nodig, de
    golfband eenmaal afzoekt naar een
    alternatieve frequentie.
    Wanneer een radiostation wordt gevonden
    wordt de weergave van het geluid hervat;
    wanneer er geen radiostation wordt
    gevonden, stemt het systeemautomatisch
    af op de oorspronkelijke frequentie. Op
    bepaalde toestellen wordt NOT FOUND in
    het display weergegeven.

    298



  • Page 301

    Menu's audio-installatie
    Sony en Sony DAB

    REGIONALE MODUS (REG)

    1. Druk kort op de MENU toets.
    2. Gebruik de navigatietoets omhoog of
    omlaag om REGIONAL te selecteren.
    3. Druk enkele malen op de MENU toets
    of laat het systeem de functie afbreken
    om uw selectie te bevestigen.

    De regionale modus (REG) regelt het
    gedrag van AF door tussen regionale
    netwerken van een hoofdzender te
    schakelen. Een zender kan over een groot
    netwerk beschikken dat in een groot
    gedeelte van het land te ontvangen is. Op
    verschillende tijden van de dag kan dit
    grote netwerk worden onderverdeeld in
    een aantal kleinere regionale netwerken,
    die bijvoorbeeld in grotere plaatsen of
    steden zijn gevestigd. Wanneer het
    netwerk niet in regionale zenders wordt
    opgesplitst, zendt het complete netwerk
    hetzelfde programma uit.

    NIEUWSBERICHTEN
    Sommige radiotoestellen onderbreken de
    normale ontvangst voor nieuwsberichten
    van radiostations op de FM band of RDS
    of EON geschakelde stations op dezelfde
    wijze als bij verkeersberichten.

    Regionale modus AAN: Dit voorkomt het
    schakelen naar andere regionale
    netwerken, die niet hetzelfde programma
    uitzenden.

    Tijdens nieuwsberichten wordt afwisselend
    de stationsnaam en NEWS in het display
    weergegeven. Het nieuwsbericht
    onderbreekt de geluidsweergave met
    hetzelfde voorgeprogrammeerde volume
    als bij verkeersberichten.

    Regionale modus OFF (uit): Hiermee kan
    een groter gebied worden ontvangen
    wanneer naburige regionale netwerken
    hetzelfde programma uitzenden, maar kan
    leiden tot overschakelen wanneer dit niet
    het geval is.

    Alle behalve Sony en Sony DAB
    1.

    Druk op de MENU toets en houd deze
    ingedrukt totdat NEWS in het display
    wordt weergegeven.
    2. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken
    of neerwaarts zoeken om de functie inof uit te schakelen.
    3. Druk op de MENU toets om uw keuze
    te bevestigen.

    Alle behalve Sony en Sony DAB
    1.

    Druk op de MENU toets en houd deze
    ingedrukt totdat het display verandert.
    2. Druk enkele malen op de MENU toets
    totdat REG in het display wordt
    weergegeven.
    3. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken
    of neerwaarts zoeken om de functie inof uit te schakelen.
    4. Druk enkele malen op de MENU toets
    of laat het systeem de functie afbreken
    om uw selectie te bevestigen.

    Sony en Sony DAB
    1. Druk op de MENU toets.
    2. Scroll met de navigatietoets voor
    opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken
    door het display totdat NEWS in het
    display wordt weergegeven.
    3. Druk op de toets tussen de
    navigatietoetsen om uw keuze te
    maken.

    299



  • Page 302

    Menu's audio-installatie
    4. Gebruik de linker of de rechter
    navigatietoets om de functie in- of uit
    te schakelen.
    5. Druk op de MENU toets of de toets
    tussen de navigatietoetsen om uw
    selectie te bevestigen.

    300



  • Page 303

    CD-speler
    Sony en Sony DAB

    CD'S AANBRENGEN

    1.

    Druk eenmaal op de navigatietoets
    voor opwaarts zoeken om naar het
    volgende nummer te gaan of druk er
    meerdere malen op om naar
    daaropvolgende nummers te gaan.
    2. Druk eenmaal op de navigatietoets
    voor neerwaarts zoeken om het huidige
    nummer te herhalen. Wanneer binnen
    twee seconden vanaf het begin van
    een nummer op deze toets wordt
    gedrukt, dan wordt het vorige nummer
    gekozen.
    3. Druk meerdere malen op de
    navigatietoets voor neerwaarts zoeken
    om voorafgaande nummers te kiezen.

    6000CD, Sony en Sony DAB
    Controleer altijd dat de CD-sleuf leeg is
    alvorens een CD in te brengen.
    Breng een CD, met het label naar boven
    gekeerd, in het audiotoestel in.
    LOADING, READING CD en AUDIO CD
    of MP3 CD wordt in het display
    weergegeven, en het afspelen start
    automatisch.

    NUMMER SELECTEREN
    Alle behalve Sony en Sony DAB
    1.

    Druk eenmaal op de SEEK UP toets
    om naar het volgende nummer te gaan
    of druk meerdere keren om naar de
    daaropvolgende nummers te gaan.
    2. Druk eenmaal op de SEEK DOWN
    toets om het huidige nummer te
    herhalen. Wanneer binnen twee
    seconden vanaf het begin van een
    nummer op deze toets wordt gedrukt,
    dan wordt het vorige nummer gekozen.
    3. Druk meerdere keren op de SEEK
    DOWN toets om voorafgaande
    nummers te selecteren.

    CD'S IN CD-WISSELAAR
    AANBRENGEN
    LET OP
    Plaats niet meer dan één CD in elke
    sleuf.
    Houd het portier gesloten wanneer
    het magazijn wordt aangebracht.
    N.B.: De unit accepteert alleen
    conventionele CD's.
    Positie van onderdeel: Zie CD-wisselaar
    (bladzijde 152).

    301



  • Page 304

    CD-speler
    6. Herhaal stap vier en vijf om de
    resterende CD's te verwijderen.
    7. Breng het magazijn in de door de pijl
    aangegeven richting aan. Er is een
    duidelijke klik hoorbaar ter bevestiging
    van correct laden.
    8. Sluit het portier.

    CD AFSPELEN
    N.B.: Tijdens het afspelen wordt de CD, het
    nummer en de tijd die is verstreken sinds de
    start van het nummer in het display
    weergegeven.

    E66144

    Open het portier.
    Druk de toets.
    Verwijder het magazijn.
    Breng in elke sleuf een CD met het label
    naar boven gekeerd aan. Er is een
    duidelijke klik hoorbaar ter bevestiging
    van correct laden.
    5. Breng het magazijn in de door de pijl
    aangegeven richting aan. Er is een
    duidelijke klik hoorbaar ter bevestiging
    van correct laden.
    6. Sluit het portier.

    N.B.: Wanneer bij CD wisselaars twee of
    meer CD's na elkaar worden geladen, begint
    het afspelen met de CD die het laatst is
    geladen.

    CD'S UIT CD-WISSELAAR
    VERWIJDEREN

    N.B.: Als op de CD/AUX toets wordt
    gedrukt wanneer geen CD's zijn geladen,
    dan wordt NO CDS weergegeven in de
    display.

    1.
    2.
    3.
    4.

    Druk tijdens radio-ontvangst eenmaal op
    de toets CD/AUX om het afspelen van de
    CD te starten.
    Het afspelen start direct zodra een CD is
    geladen.

    Afspelen CD-wisselaar
    Druk tweemaal op de CD/AUX toets om
    de CD-wisselaar af te spelen.

    LET OP

    VERSNELD
    VOORUIT/ACHTERUIT

    Houd het portier gesloten wanneer
    het magazijn wordt aangebracht.
    1.
    2.
    3.
    4.

    Open het portier.
    Druk op de toets.
    Verwijder het magazijn.
    Trek de betreffende CD-houder met
    behulp van de hendel aan de zijkant uit
    het magazijn.
    5. Verwijder de CD en sluit de CD-houder.

    Alle behalve Sony en Sony DAB
    Druk op de toets voor opwaarts zoeken of
    neerwaarts zoeken en houd deze ingedrukt
    om voorwaarts of achterwaarts binnen de
    nummers van de CD te zoeken.

    302



  • Page 305

    CD-speler
    Sony en Sony DAB

    Sony CD en Sony CD DAB

    Druk op de linker of rechter navigatietoets
    en houd deze ingedrukt om voorwaarts of
    achterwaarts te zoeken binnen de
    nummers van de CD.

    1. Druk op de MENU toets.
    2. Scroll met de navigatietoets voor
    opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken
    door het display totdat SHUFFLE in het
    display wordt weergegeven.
    3. Gebruik de linker of de rechter
    navigatietoets om de functie in- of uit
    te schakelen.

    SHUFFLE/RANDOM (DOOR
    ELKAAR/WILLEKEURIG)
    Door het willekeurig afspelen van
    nummers, ook wel "shuffle" genaamd,
    worden alle nummers op een CD in
    willekeurige volgorde afgespeeld.

    N.B.: Wanneer een MP3-CD wordt
    afgespeeld, bestaan de opties uit SHUFF
    CD voor de hele CD of SHUF ALL voor alle
    nummers in de map.

    6000CD

    CD-NUMMERS COMPRIMEREN

    N.B.: Wanneer SHUFF CD is gekozen,
    worden alleen de nummers van de huidige
    CD in willekeurige volgorde afgespeeld.
    Wanneer SHUF ALL is gekozen, worden de
    nummers van alle CD's in willekeurige
    volgorde afgespeeld.

    Wanneer deze functie is ingeschakeld,
    wordt zacht opgenomen muziek luider
    weergegeven en hard opgenomen muziek
    minder luid weergegeven, om het
    herhaaldelijk corrigeren van het volume te
    beperken.

    1.

    Druk enkele malen op de MENU toets
    totdat SHUF in het display wordt
    weergegeven.
    2. Scroll met de toets voor opwaarts
    zoeken of neerwaarts zoeken door het
    display totdat SHUF ALL of SHUFF CD
    in het display wordt weergegeven.
    3. Gebruik indien nodig de toets voor
    opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken
    om het volgende nummer te kiezen.

    Alle behalve Sony en Sony DAB
    1.

    Druk enkele malen op de MENU toets
    totdat COMP in het display wordt
    weergegeven.
    2. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken
    of neerwaarts zoeken om de functie inof uit te schakelen.
    3. Druk op de MENU toets om uw keuze
    te bevestigen.

    N.B.: Wanner de functie is ingeschakeld
    verschijnt telkens wanneer een nieuw
    nummer wordt gekozen SHUFFLE in het
    display.

    Sony en Sony DAB
    1. Druk op de MENU toets.
    2. Scroll met de navigatietoets voor
    opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken
    door het display totdat COMP in het
    display wordt weergegeven.
    3. Druk op de toets tussen de
    navigatietoetsen om uw keuze te
    maken.

    303



  • Page 306

    CD-speler
    4. Gebruik de linker of de rechter
    navigatietoets om de functie in- of uit
    te schakelen.
    5. Druk op de MENU toets of de toets
    tussen de navigatietoetsen om uw
    selectie te bevestigen.

    CD'S UITWERPEN
    N.B.: De radio-ontvangst wordt
    automatisch hervat wanneer op de toets
    EJECT wordt gedrukt.
    N.B.: Wanneer onbedoeld op de EJECT
    toets wordt gedrukt, kunt u het uitwerpen
    annuleren door nogmaals op de toets te
    drukken.

    CD-NUMMERS SCANNEN
    Met behulp van de SCAN functie kunt u elk
    nummer ongeveer 10 seconden lang
    beluisteren.

    N.B.: Als de CD niet wordt verwijderd, dan
    wordt deze weer terug de audio-unit
    ingetrokken.

    6000CD

    6000CD

    N.B.: Na de selectie verschijnt SCAN kort
    in het display aan het begin van elk nummer.

    Druk op elk gewenst moment op de EJECT
    toets en verwijder de CD.

    1.

    Druk enkele malen op de MENU toets
    totdat SCAN in het display wordt
    weergegeven.
    2. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken
    of neerwaarts zoeken om SCAN CD
    dan wel SCAN ALL te kiezen.
    3. Druk nogmaals op de toets voor
    opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken
    om een nummer verder te beluisteren.

    Sony CD
    N.B.: Is geen CD geladen wanneer op de
    EJECT toets wordt gedrukt, dan wordt NO
    CD in het display weergegeven.
    Druk op elk gewenst moment op de EJECT
    toets en verwijder de CD. EJECTING en
    PLEASE REMOVE wordt in het display
    weergegeven.

    Sony en Sony DAB

    CD-NUMMERS HERHALEN

    N.B.: Er zijn verschillende scanmodi
    mogelijk, afhankelijk van het type CD dat
    wordt afgespeeld.

    6000CD
    1.

    Druk enkele malen op de MENU toets
    totdat REPEAT in het display wordt
    weergegeven.
    2. Gebruik de SEEK UP of SEEK DOWN
    toets om te kiezen tussen OFF en TRK.

    1.

    Druk eenmaal op de SCAN toets om
    ieder nummer op een audio CD, of de
    eerste 10 seconden van ieder nummer
    of iedere map op een MP3 CD te
    scannen.
    2. Druk opnieuw op de SCAN toets om
    SCAN OFF (audio CD) te selecteren,
    of bij een MP3 om alle nummers van
    een map te scannen.

    Sony en Sony DAB
    1. Druk op de MENU toets.
    2. Scroll met de navigatietoets voor
    opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken
    door het display totdat REPEAT in het
    display wordt weergegeven.

    304



  • Page 307

    CD-speler
    Een multi session CD afspelen

    3. Kies met behulp van de linker of rechter
    navigatietoetsen REPEAT TRACK of
    REPEAT OFF.
    4. Druk op de MENU toets om uw keuze
    te bevestigen.

    De normale afspeelvolgorde bij CD’s met
    meerdere mappen is eerst de nummers in
    de bovenliggende map, dan de nummers
    in de eerste onderliggende map, vervolgens
    de nummers in de tweede onderliggende
    map, etc. Wanneer bijvoorbeeld folder 1 de
    folders 1a en 1b bevat, en folder 2 bevat
    folder 2a, is de afspeelvolgorde folder 1, 1a,
    1b, 2, 2a.

    N.B.: Wanneer een MP3 CD wordt
    afgespeeld, zijn de mogelijkheden REPEAT
    TRACK, REP FOLDER en REPEAT OFF.

    MP3-BESTAND AFSPELEN

    Wanneer het afspelen van een bestand is
    voltooid, wordt verder gegaan met het
    afspelen van de andere bestanden in
    dezelfde map. De map wordt automatisch
    gewijzigd wanneer alle bestanden in de
    huidige map zijn afgespeeld.

    N.B.: Sommige audiobestanden met een
    kopieerbeveiliging kunnen wellicht niet
    worden gelezen door de CD-speler.
    De CD-speler ondersteunt tevens
    audiobestanden van het formaat MP3 en
    WMA.

    MP3 WEERGAVE-OPTIES

    Wanneer een CD met audio in de CD-speler
    wordt geplaatst, wordt de mapstructuur
    van de CD ingelezen. Het kan even duren
    voordat wordt begonnen met afspelen
    (afspelen is afhankelijk van de kwaliteit
    van de CD).

    Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld,
    kan bepaalde informatie die gecodeerd in
    elke opname is opgenomen, worden
    weergegeven. Deze informatie omvat
    meestal:

    MP3 nummers kunnen op verschillende
    manieren op een CD worden opgenomen.
    Ze kunnen allemaal in de hoofdmap
    worden geplaatst, net als bij een normale
    audio-CD, of ze kunnen in een bepaalde
    map worden geplaatst, die bijvoorbeeld
    bedoeld is voor een album, een artiest of
    een bepaald genre.





    De bestandsnaam
    De naam van de map
    ID3 informatie die op het album kan
    staan of de naam van de artiest.

    Gewoonlijk wordt de naam van het
    bestand dat wordt afgespeeld
    weergegeven. Druk om een van de andere
    informatie-items te selecteren
    herhaaldelijk op de INFO toets tot het
    benodigde item wordt weergegeven in de
    display.

    6000CD
    Druk op de FOLDER UP (map omhoog)
    toets om de volgende muziekmap op de
    MP3-CD te selecteren.

    N.B.: Wanneer de gekozen ID3 informatie
    niet beschikbaar is, verschijnt NO MP3 TAG
    op het display.

    Druk op de FOLDER DOWN (map
    omlaag) toets om de vorige muziekmap
    op de MP3-CD te selecteren.

    Sony en Sony DAB
    Gebruik de navigatietoetsen omhoog en
    omlaag om de volgende of vorige
    muziekmap op de MP3-CD te selecteren.

    305



  • Page 308

    CD-speler
    Opties weergave CD tekst
    Wanneer een audio CD met CD tekst wordt
    afgespeeld, kan een beperkte hoeveelheid
    informatie, die aan elk nummer is
    toegevoegd, worden weergegeven. Deze
    informatie omvat meestal:




    De naam van de CD
    De naam van de artiest
    De naam van het nummer.

    N.B.: Deze display-opties kunnen op
    dezelfde wijze worden gekozen als bij MP3
    CD’s. NO DISC NAME of NO TRACK NAME
    wordt weergegeven in de display als geen
    informatie is gecodeerd.

    AFSPELEN CD BEËINDIGEN
    Druk de RADIO toets in.
    N.B.: Hierdoor wordt de CD niet
    uitgeworpen; de CD-weergave wordt alleen
    onderbroken op de plaats waar de
    radio-weergave werd hervat.
    Druk opnieuw op de CD/AUX toets om
    het afspelen van de CD te hervatten.

    306



  • Page 309

    Ingangsaansluiting (AUX IN)
    N.B.: Stel voor optimale prestaties bij het
    afspelen van een extra apparaat het volume
    daarvan hoog. Hierdoor worden storingen
    gereduceerd wanneer het apparaat wordt
    aangesloten op de aansluiting voor de
    sigarenaansteker in de auto.
    Via de extra ingang (AUX IN), indien
    aanwezig, kan een extra apparaat zoals
    een MP3-speler op het audiotoestel van
    de auto worden aangesloten. Het geluid
    kan via de autoluidsprekers worden
    weergegeven.
    Sluit het extra apparaat met conventionele
    3,5 mm audiostekkers aan op de AUX IN
    aansluiting.
    Kies de extra ingang door middel van de
    CD/AUX toets en het extra apparaat
    wordt via de autoluidsprekers afgespeeld.
    AUX wordt in het display weergegeven.
    Volume, hoge en lage tonen kunnen zoals
    gewoonlijk via het audiotoestel worden
    geregeld.
    De toetsen van het audiotoestel kunnen
    ook worden gebruikt om de weergave van
    het audiotoestel te hervatten, terwijl het
    extra apparaat aangesloten blijft.

    307



  • Page 310

    Storingen verhelpen audio-installatie

    Display van het audiotoestel

    Remedie

    CD ERROR
    PLEASE CHECK CD
    CDC ERROR

    Algemeen storingsbericht voor storingen tijdens het
    afspelen van een CD, bijv.: kan CD niet aflezen, data-CD
    aangebracht. Kan ook wijzen op een storing in het
    audiotoestel. Controleer of de CD correct geladen is,
    reinig de CD en laad deze opnieuw of vervang de CD
    door een voor u bekende muziek-CD. Zie CD's
    uitwerpen (bladzijde 304). Zie CD's aanbrengen
    (bladzijde 301). Wanneer de storing blijft bestaan. Neem
    contact op met uw Ford dealer.

    NO CD
    NO CDS
    NO CD #

    Bericht dat aangeeft dat zich geen CD's in het audiotoestel of de CD-wisselaar bevinden. Breng een CD aan.
    Zie CD's aanbrengen (bladzijde 301).

    HIGH TEMP
    CD DRIVE HIGH TEMP

    Omgevingstemperatuur te hoog – CD-speler werkt niet
    totdat deze is afgekoeld.

    SLOT FULL

    Bericht dat aangeeft dat zich reeds een CD in de sleuf
    bevindt. Werp de CD uit de gekozen sleuf uit alvorens
    te proberen een CD aan te brengen, of kies een andere
    sleuf. Zie CD's aanbrengen (bladzijde 301).

    CDC FULL

    Bericht dat aangeeft dat alle sleuven van het audiotoestel reeds bezet zijn. Zie CD's uitwerpen (bladzijde
    304).

    DATA CD

    Er is een ongeschikte CD aangebracht, bijvoorbeeld
    geen audio-CD. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 304).

    CODE ----

    Bericht dat u vraagt, de Keycode in te geven. Zie
    Beveiligingscode invoeren (bladzijde 287).

    WAIT

    Bericht dat u vraagt, te wachten tot de volgende poging
    kan worden ondernomen om de Keycode in te geven.
    Zie Onjuiste beveiligingscode (bladzijde 287).

    TRIES

    Bericht dat het aantal verkeerd ingegeven Keycodes
    aangeeft. Zie Onjuiste beveiligingscode (bladzijde
    287).

    308



  • Page 311

    Storingen verhelpen audio-installatie
    Display van het audiotoestel

    Remedie

    LOCKED

    Bericht dat aangeeft dat de systeembeveiliging het
    toestel heeft geblokkeerd nadat herhaaldelijk onjuiste
    Keycodes zijn ingegeven. Neem contact op met uw Ford
    dealer.

    KEYCODE....
    ENTER KEYCODE....
    INCORRECT

    Bericht dat u vraagt, de Keycode in te geven. Zie
    Beveiligingscode invoeren (bladzijde 287).
    Bericht dat u informeert dat de ingegeven Keycode
    onjuist is. Zie Onjuiste beveiligingscode (bladzijde
    287).

    309



  • Page 312

    Telefoon
    ALGEMENE INFORMATIE

    SETUP BLUETOOTH
    Voordat u uw telefoon kunt gebruiken
    moet deze worden gekoppeld aan het
    telefoonsysteem in de auto.

    LET OP
    Door gebruik van het systeem bij
    uitgeschakelde motor wordt de accu
    ontladen.

    Telefoons bedienen
    Er kunnen maximaal zes Bluetooth
    apparaten aan het systeem in de auto
    worden gekoppeld.

    In dit hoofdstuk worden de functies en
    eigenschappen van het handsfree systeem
    voor de Bluetooth mobiele telefoon
    beschreven.

    N.B.: Wanneer met de telefoon die als de
    nieuwe actieve telefoon wordt geselecteerd
    een gesprek wordt gevoerd, wordt het
    gesprek doorgeschakeld naar het
    audiosysteem in de auto.

    Het Bluetooth mobiele telefoongedeelte
    van het systeem zorgt voor de interactie
    tussen de audio-installatie of het
    navigatiesysteem en uw mobiele telefoon.
    Het zorgt ervoor dat u uw audio-installatie
    of het navigatiesysteem kunt gebruiken
    voor het ontvangen van
    telefoongesprekken zonder daarbij uw
    mobiele telefoon vast te houden.

    N.B.: Zelfs wanneer uw telefoon aan een
    systeem in de auto is gebonden, kan deze
    nog op de gebruikelijke wijze worden
    gebruikt.

    Eisen voor een Bluetooth
    verbinding

    Compatibiliteit van
    telefoontoestellen

    Het volgende is vereist voordat met een
    Bluetooth telefoon een verbinding tot
    stand kan worden gebracht.

    LET OP
    Omdat er geen algemene
    overeenkomst bestaat, kunnen
    fabrikanten van mobiele telefoons
    een groot aantal profielen in hun Bluetooth
    apparaten implementeren. Daardoor is het
    mogelijk dat een telefoon niet compatible
    met een handsfree systeem is, waardoor
    in sommige gevallen de prestaties van het
    systeem aanzienlijk worden beperkt. Om
    dit te voorkomen moeten alleen
    aanbevolen telefoons worden gebruikt.

    1.

    De Bluetooth functie moet op de
    telefoon en op het audiosysteem zijn
    ingeschakeld. Zorg ervoor dat de
    menu-optie Bluetooth in de audiounit
    op AAN is ingesteld. Raadpleeg voor
    meer informatie over
    telefooninstellingen de handleiding van
    uw mobiele telefoon.
    2. Zoek in het Bluetooth menu van uw
    telefoon naar Ford Audio en selecteer
    deze optie.

    Bezoek de website
    www.ford-mobile-connectivity.com
    voor volledige gegevens.

    310



  • Page 313

    Telefoon
    3. Voer het op de voertuigdisplay
    weergegeven codenummer in met
    behulp van de toetsen van de telefoon.
    Wanneer geen codenummer wordt
    weergegeven op de display, voer dan
    het Bluetooth PIN nummer 0000 in
    met behulp van de toetsen van de
    telefoon. Voer nu het op de
    voertuigdisplay weergegeven
    Bluetooth PIN-nummer in.
    4. Als de mobiele telefoon om
    goedkeuring van de automatische
    verbinding vraagt, selecteer dan JA.

    Telefoon
    E87990

    Mobiel
    E87991

    Thuis
    E87992

    Kantoor
    E87993

    Fax

    N.B.: Als de audiounit wordt uitgeschakeld,
    wordt een telefoongesprek verbroken.
    Wanneer de contactsleutel in de stand '0'
    wordt gezet, blijft de telefoonverbinding
    behouden.

    E87994

    Van een telefoon een actieve
    telefoon maken
    Wanneer het systeem voor het eerst wordt
    gebruikt, zijn er nog geen telefoons
    gekoppeld met het systeem.

    SETUP TELEFOON
    Telefoonboek

    Bluetooth telefoon

    Na het opstarten kan het al naar gelang de
    grootte enkele minuten duren voordat u
    toegang tot de telefoonboeklijst krijgt.

    Nadat een Bluetooth telefoon bij het
    systeem is aangemeld, wordt deze de
    actieve telefoon. Raadpleeg voor meer
    informatie het menu van de telefoon.

    Telefoonboekcategorieën

    Selecteer de telefoon in het menu van de
    actieve telefoon.

    Afhankelijk van uw telefoonboekadres
    kunnen verschillende categorieën op de
    audiounit worden weergegeven.

    Wanneer het contact en het audio- of
    navigatiesysteem weer worden
    ingeschakeld, wordt de koppeling aan de
    laatste actieve telefoon door het systeem
    hersteld.

    Voorbeeld:
    M

    Mobiel

    O

    Kantoor

    H

    Thuis

    F

    Fax

    N.B.: In sommige gevallen moet de
    Bluetooth verbinding ook op de telefoon
    worden bevestigd.

    Een andere Bluetooth telefoon
    aanmelden

    N.B.: Adressen kunnen met of zonder
    toevoegingen worden weergegeven.

    Koppel een nieuwe Bluetooth telefoon
    zoals is beschreven onder 'Eisen voor een
    Bluetooth verbinding'.

    De categorie kan ook als icoon worden
    weergegeven:

    311



  • Page 314

    Telefoon
    Telefoons die in het systeem zijn
    opgeslagen zijn met behulp van de
    telefoonlijst op de audiounit toegankelijk.

    GEBRUIK MAKEN VAN DE
    TELEFOON - AUTO'S ZONDER:
    NAVIGATIESYSTEEM

    N.B.: Er kunnen maximaal zes apparaten
    worden gekoppeld. Als er al zes Bluetooth
    apparaten zijn gekoppeld, moet er één
    worden ontkoppeld om een nieuw apparaat
    te kunnen koppelen.

    In dit hoofdstuk worden de
    telefoonfuncties van de audio-unit
    beschreven.
    N.B.: Raadpleeg de handleiding van de
    audio-unit voor meer informatie over de
    bedieningsorganen.

    BEDIENINGSELEMENTEN
    TELEFOON

    Er moet een actieve telefoon aanwezig zijn.
    Zelfs wanneer uw telefoon op de
    audio-unit is aangesloten, kan de telefoon
    op de gebruikelijke wijze worden gebruikt.

    Afstandsbediening
    Voice, accept en reject toets

    N.B.: U kunt het telefoonmenu verlaten
    door op de CD, AM/FM of AUX toets te
    drukken.

    1

    Bellen
    Een nummer kiezen m.b.v.
    spraakbesturing

    2

    E87662

    1

    Voice toets

    2

    Accept en reject toets

    Telefoonnummers kunnen m.b.v.
    spraakbesturing worden gekozen. Zie
    Commando’s telefoon (bladzijde 329).
    Een nummer kiezen m.b.v. het
    adresboek

    Met de VOICE toets wordt de
    spraakbesturing in- of uitgeschakeld.

    U kunt via Bluetooth toegang krijgen tot
    uw adresboek. De namen en nummers
    verschijnen op het display van het
    apparaat.

    Bij auto's met een toets voor
    beantwoorden en weigeren (accept en
    reject) kunnen telefoongesprekken worden
    beantwoord of geweigerd door op de juiste
    toets te drukken.

    1.

    Druk op de toets PHONE of de toets
    'beantwoorden'.
    2. Druk op de MENU toets.
    3. Houd de MENU toets ingedrukt tot
    PHONEBOOK verschijnt.
    4. Druk op de zoektoetsen om het
    gewenste telefoonnummer te
    selecteren.
    N.B.: Houd de zoektoets ingedrukt om naar
    de volgende letter van het alfabet te gaan.

    N.B.: Sommige audio-installaties hebben
    de toets beantwoorden en weigeren op het
    front. Deze werken op dezelfde wijze.

    312



  • Page 315

    Telefoon
    5. Druk op de toets PHONE of de toets
    'beantwoorden' om het geselecteerde
    telefoonnummer te bellen.

    Een gesprek beëindigen

    Een nummer kiezen m.b.v. het
    adresboek - Sony radio

    Bij audio-units zonder telefoontoetsenblok
    kunt u ook een gesprek beëindigen door
    op PHONE, CD, AM/FM of ON/OFF te
    drukken of door op de toets MODE op de
    afstandsbediening te drukken.

    Gesprekken kunnen worden beëindigd door
    op de toets 'weigeren' te drukken.

    U kunt via Bluetooth toegang krijgen tot
    uw adresboek. De namen en nummers
    verschijnen op het display van het
    apparaat.

    Een nummer herhalen

    1. Druk op de toets PHONE.
    2. Druk op de zoektoets tot het
    telefoonboek wordt weergegeven.
    3. Druk op de
    omhoog/omlaag-pijltjestoetsen om
    het gewenste telefoonnummer te
    selecteren.
    N.B.: Houd de
    omhoog/omlaag-pijltjestoetsen ingedrukt
    om naar de volgende letter van het alfabet
    te gaan.

    1.

    Druk op de toets PHONE of de toets
    'beantwoorden'.
    2. Druk op de MENU toets.
    3. Selecteer de lijst CALL OUT of de lijst
    CALL IN. Selecteer op bepaalde
    audiounits de lijst GEMISTE,
    INKOMENDE of UITGAANDE
    gesprekken.
    N.B.: Indien de actieve telefoon niet over
    een lijst met eerder gekozen nummers
    beschikt, kan het laatst gekozen nummer
    opnieuw worden gekozen.

    4. Druk op de toets PHONE of de toets
    'beantwoorden' om het geselecteerde
    telefoonnummer te bellen.

    4. Druk op de zoektoets op de audiounit.
    5. Druk op de toets PHONE of de toets
    'beantwoorden' om het gewenste
    telefoonnummer te bellen.

    Een nummer kiezen m.b.v. het
    telefoontoetsenblok
    Als u over een audiounit met
    telefoontoetsenblok beschikt (toetsen
    0-9, * en #):

    Een nummer opnieuw kiezen - Sony
    radio

    1.

    1.

    3. Druk op de toets 'beantwoorden'.
    N.B.: Als u bij het kiezen van een
    telefoonnummer een onjuist cijfer intoetst,
    druk dan op de toets 'naar links zoeken' om
    het laatste cijfer te wissen. Wanneer de
    toets lang wordt ingedrukt, wordt de
    complete serie cijfers gewist.

    3. Druk op de
    omhoog/omlaag-pijltjestoetsen om
    het gewenste telefoonnummer te
    selecteren.

    Druk op de toets PHONE of de toets
    'beantwoorden'.
    2. Druk op de zoektoets tot de gewenste
    lijst wordt weergegeven.
    N.B.: Indien de actieve telefoon niet over
    een lijst met eerder gekozen nummers
    beschikt, kan het laatst gekozen nummer
    opnieuw worden gekozen.

    Druk op de toets 'beantwoorden'. Druk
    op de toets PHONE als u een Sony
    radio hebt.
    2. Kies het nummer met het toetsenbord
    op de audio-unit.

    Houd de 0 ingedrukt om een + in te toetsen.

    313



  • Page 316

    Telefoon
    4. Druk op de toets PHONE of de toets
    'beantwoorden' om het
    telefoonnummer te kiezen.

    Een tweede inkomend gesprek
    weigeren
    Een tweede inkomend gesprek kan worden
    geweigerd door op de toets 'weigeren' te
    drukken. Bij audio-units zonder
    telefoontoetsenblok kunt u ook een
    tweede inkomend gesprek weigeren door
    op de toets CD of de toets AM/FM te
    drukken.

    Laatst gekozen nummer opnieuw
    kiezen - Sony radio
    1. Druk op de toets 'beantwoorden'.
    2. Druk nogmaals op de toets
    'beantwoorden' om het nummer te
    kiezen.

    Microfoon dempen

    Een inkomend gesprek ontvangen
    Een inkomend gesprek beantwoorden

    Het is mogelijk om tijdens een gesprek de
    microfoon te dempen. Tijdens het dempen
    verschijnt er een bevestiging op het display.

    Inkomende gesprekken kunt u aannemen
    door op de toets 'beantwoorden', de toets
    PHONE of de toets MODE op de
    afstandsbediening te drukken.

    Audio-units met een groene toets
    'beantwoorden'

    Een inkomend gesprek weigeren

    Druk op de toets 'beantwoorden'. Druk
    nogmaals op de toets om deze functie uit
    te schakelen.

    Inkomende gesprekken kunnen worden
    geweigerd door op de toets 'weigeren' te
    drukken.

    Audio-units zonder een groene toets
    'beantwoorden'

    Bij audio-units zonder telefoontoetsenblok
    kunt u ook een gesprek weigeren door op
    PHONE, CD, AM/FM of ON/OFF te
    drukken.

    Druk op de toets 'omhoog- of
    omlaagzoeken'. Druk nogmaals op de toets
    om deze functie uit te schakelen.

    Van actieve telefoon veranderen

    Een tweede oproep ontvangen

    N.B.: Voordat telefoons kunnen worden
    geactiveerd moeten ze bij het systeem
    worden aangemeld.

    N.B.: De functie tweede inkomend gesprek
    op uw telefoon moet zijn geactiveerd.
    Wanneer er tijdens een gesprek een
    inkomend gesprek binnenkomt, klinkt er
    een 'piep' en kunt u het actieve gesprek in
    de wachtstand plaatsen en het tweede
    inkomende gesprek beantwoorden.

    Met behulp van de voorkeuzetoetsen
    N.B.: Deze procedure geldt alleen voor
    audio-units met een telefoontoetsenbord.
    1.

    Druk op de PHONE toets op de
    audio-unit.
    2. Druk op de gewenste voorkeuzetoets
    (gebruik voorkeuzetoetsen 1 - 6).

    Een tweede inkomend gesprek
    beantwoorden
    Een tweede inkomend gesprek kunt u
    aannemen door op de toets
    'beantwoorden', de toets PHONE of de
    toets MODE op de afstandsbediening te
    drukken.

    314



  • Page 317

    Telefoon
    Met behulp van het menu op de
    audio-unit

    Een gekoppelde telefoon
    ontkoppelen - Sony radio

    N.B.: Nadat een telefoon aan het systeem
    is gekoppeld, wordt deze de actieve
    telefoon.

    Een actieve telefoon kan op elk gewenst
    moment uit het systeem worden gewist,
    behalve wanneer met deze telefoon een
    gesprek wordt gevoerd.

    1.
    2.
    3.
    4.

    5.

    Druk op de toets PHONE of de toets
    'beantwoorden'.
    Druk op de MENU toets op de
    audio-unit.
    Selecteer de ACTIVE PHONE optie
    op de audio-unit.
    Rol met behulp van de zoektoetsen
    door de verschillende opgeslagen
    telefoons om de gekoppelde telefoons
    weer te geven.
    Druk op de MENU toets om de
    telefoon te selecteren die de actieve
    telefoon moet worden.

    1. Druk op de toets PHONE.
    2. Druk op de
    omhoog/omlaag-pijltjestoetsen tot u
    de optie ONTKOPPELEN bereikt.
    3. Rol met behulp van de zoektoetsen
    door de verschillende telefoons om de
    te ontkoppelen telefoon weer te geven.
    4. Druk op de toets OK om te
    ontkoppelen.

    Actieve telefoon afmelden

    GEBRUIK MAKEN VAN DE
    TELEFOON - AUTO'S MET:
    NAVIGATIESYSTEEM

    Een actieve telefoon kan op elk gewenst
    moment uit het systeem worden gewist,
    behalve wanneer met deze telefoon een
    gesprek wordt gevoerd.

    In dit hoofdstuk worden de
    telefoonfuncties van het navigatiesysteem
    beschreven.
    N.B.: Raadpleeg de handleiding van het
    navigatiesysteem voor meer informatie over
    de bediening.

    1.

    Druk op de toets PHONE of de toets
    'beantwoorden'.
    2. Druk op de MENU toets op de
    audio-unit.
    3. Selecteer de optie DEBOND op de
    audio-unit.
    4. Rol met behulp van de zoektoetsen
    door de verschillende telefoons om de
    te ontkoppelen telefoon weer te geven.

    Er moet een actieve telefoon aanwezig zijn.
    Zelfs als uw telefoon met het
    navigatiesysteem is verbonden, kan deze
    nog steeds op normale wijze worden
    gebruikt.

    Bellen

    5. Druk op de MENU toets om de
    telefoon te selecteren die moet worden
    ontkoppeld.

    Een nummer kiezen
    Telefoonnummers kunnen m.b.v.
    spraakbesturing worden gekozen. Zie
    Spraaksturing (bladzijde 318).

    315



  • Page 318

    Telefoon
    Een gesprek beëindigen

    Een tweede inkomend gesprek
    beantwoorden

    Gesprekken kunt u beëindigen door op de
    toets BEËINDIGEN, de toets MODE op
    de afstandsbediening of de toets
    AAN/UIT op het navigatiesysteem te
    drukken.

    Een tweede inkomend gesprek kunt u
    aannemen door op de toets
    'beantwoorden', de toets MODE op de
    afstandsbediening of de toets PHONE op
    het apparaat te drukken of door de optie
    AANNEMEN in het menu te gebruiken.

    Een nummer herhalen
    1.

    Druk op de toets PHONE op het
    apparaat.
    2. Kies NUMMER HERHALEN.

    N.B.: Hierdoor wordt het actieve gesprek
    beëindigd.
    Een tweede inkomend gesprek
    weigeren

    Een inkomend gesprek ontvangen

    Een tweede inkomend gesprek kan worden
    geweigerd door op de toets 'weigeren' te
    drukken of op een van de volgende toetsen
    op het apparaat: CD, AM/FM.

    Een inkomend gesprek beantwoorden
    Inkomende gesprekken kunt u aannemen
    door op de toets 'beantwoorden', de toets
    MODE op de afstandsbediening of de
    toets PHONE op het apparaat te drukken
    of door de optie AANNEMEN in het menu
    te gebruiken.

    Microfoon dempen
    Het is mogelijk om tijdens een gesprek de
    microfoon te dempen. Tijdens het dempen
    verschijnt er een bevestiging op het display.

    Een inkomend gesprek weigeren

    SD-navigatie-units

    Inkomende gesprekken kunt u weigeren
    door op de toets 'weigeren' of de toetsen
    CD of AM/FM op het apparaat te drukken
    of door de optie WEIGEREN in het menu
    te gebruiken.

    Druk op de toets 'dempen' (doorgestreept
    microfoonsymbool). Druk nogmaals op de
    toets om deze functie uit te schakelen.
    CD-navigatiesystemen

    Een tweede oproep ontvangen

    Druk op de toets 'microfoon dempen'. Druk
    nogmaals op de toets om deze functie uit
    te schakelen.

    N.B.: De functie tweede inkomend gesprek
    op uw telefoon moet zijn geactiveerd.
    Wanneer er tijdens een gesprek een
    tweede oproep binnenkomt, klinkt er een
    'piep' en kunt u het actieve gesprek in de
    wachtstand plaatsen en de tweede oproep
    beantwoorden.

    Van actieve telefoon veranderen
    N.B.: Voordat telefoons kunnen worden
    geactiveerd moeten ze bij het systeem
    worden aangemeld.
    N.B.: Nadat een telefoon aan het systeem
    is gekoppeld, wordt deze de actieve
    telefoon.
    1.

    316

    Druk op de toets PHONE op het
    apparaat.



  • Page 319

    Telefoon
    2. Selecteer met behulp van de optie
    BT-INSTELLINGEN in het menu de
    actvieve telefoon in de lijst.

    Actieve telefoon afmelden
    Een actieve telefoon kan op elk gewenst
    moment uit het systeem worden gewist,
    behalve wanneer met deze telefoon een
    gesprek wordt gevoerd.
    1.

    Druk op de toets PHONE op het
    apparaat.
    2. Selecteer de optie BT-INSTELLINGEN
    in het menu.
    3. Selecteer de AFMELDEN optie in het
    menu.
    4. Selecteer de telefoon in de lijst.

    317



  • Page 320

    Spraaksturing
    Reactie van het systeem

    WERKING

    Wanneer u een gesproken commando
    geeft, antwoordt het systeem telkens met
    een piep wanneer het gereed is om door
    te gaan.

    LET OP
    Door gebruik van het systeem bij
    uitgeschakelde motor wordt de accu
    ontladen.

    Probeer geen nieuwe commando's te
    geven voordat u de piep hebt gehoord. Het
    spraakbesturingssysteem herhaalt elk
    gesproken commando.

    Met spraakbesturing kunt u het systeem
    bedienen zonder dat uw aandacht van de
    weg wordt afgeleid om bijvoorbeeld
    instellingen te veranderen of om reacties
    van het systeem te lezen.

    Wanneer u niet precies weet hoe u moet
    doorgaan, zeg dan "HELP" voor hulp of
    "CANCEL" wanneer u niet wilt doorgaan.

    Wanneer u bij geactiveerd systeem één
    van de gedefinieerde spraaklabels gebruikt,
    zet het spraakbesturingssysteem uw
    spraaklabel om in een bedieningssignaal
    voor het systeem. Uw spraaklabels nemen
    de vorm aan van dialogen of commando's.
    U wordt door mededelingen of vragen door
    deze dialogen geleid.

    De "HELP" functie biedt u alleen een
    verzameling van de beschikbare
    commando's. Een gedetailleerde uitleg
    over alle mogelijke gesproken commando's
    kunt u op de volgende bladzijden vinden.

    Gesproken commando's
    Alle commando's moeten op natuurlijke
    wijze worden uitgesproken, alsof u tot een
    passagier spreekt of een telefoongesprek
    voert. Uw stemvolume moet afhankelijk
    zijn van omgevingsgeluiden in of buiten de
    auto, maar schreeuw niet.

    Maak uzelf vertrouwd met de functies van
    het systeem voordat u het
    spraakherkenningsysteem gaat gebruiken.

    Ondersteunde commando's
    Met het spraakbesturingssysteem kunt u
    de volgende systemen in de wagen
    bedienen:

    SPRAAKGESTUURD
    REGELSYSTEEM GEBRUIKEN



    Bluetooth telefoon



    radio

    Werking van het systeem



    CD-speler/ CD-wisselaar



    extern apparaat (USB)



    extern apparaat (iPod)



    automatische klimaatregeling



    navigatiesysteem (raadpleeg de
    afzonderlijke navigatiehandleiding).

    De volgorde en de inhoud van de
    spraaklabels zijn in de volgende lijst
    weergegeven. De tabel toont de volgorde
    van de spraaklabels van de gebruiker en
    de reacties van het systeem die voor iedere
    functie beschikbaar zijn.
    <> duidt een nummer of opgeslagen
    spraaklabel aan, die door de gebruiker
    moet worden opgeslagen.

    318



  • Page 321

    Spraaksturing
    Short cuts

    Druk de toets opnieuw in om de
    spraakbesturing uit te schakelen.

    Er zijn een aantal gesproken woorden
    (short cuts) mogelijk, waarmee u enkele
    functies van de auto kunt regelen zonder
    het complete commandomenu te hoeven
    volgen. Dit zijn:










    Spraaklabel
    Het spraaklabel kan de telefoon, de
    audio-installatie en het navigatiesysteem
    ondersteunen door gebruik te maken van
    de "STORE NAME" functie (naam
    opslaan). U kunt spraaklabels toewijzen
    aan items zoals favoriete radiozenders en
    persoonlijke telefooncontacten. Zie
    Commando’s audio-unit (bladzijde 319).
    Zie Commando’s telefoon (bladzijde 329).
    Zie Commando’s navigatiesysteem
    (bladzijde 334).

    Telefoon: NAAM BELLEN, NUMMER
    (DRAAIEN | BELLEN) en OPNIEUW
    (DRAAIEN|BELLEN) | NUMMER
    HERHALEN.
    Telefoon: VOORNAAM, ACHTERNAAM,
    LOCATIE BELLEN. Voorbeeld: Fred
    Bloggs thuis bellen.
    CD-speler of CD-wisselaar: CD en
    TRACK | TITEL [NUMMER].
    Automatische klimaatregeling:
    TEMPERATUUR, AUTO MODUS |
    AUTOMATISCH, ONTDOOIEN AAN,
    RUITVERWARMING AAN, ONTDOOIEN
    UIT EN RUITVERWARMING UIT.
    Radio: TITEL TUNE | STATIONSNAAM.
    Extern apparaat (USB, iPod en
    SD-kaart): TRACK | TITEL [NUMMER].



    Sla maximaal 20 actieve spraaklabels
    per functie op.



    De gemiddelde opnametijd per
    spraaklabel bedraagt ongeveer 2 tot 3
    seconden.

    COMMANDO’S AUDIO-UNIT
    CD-speler

    Communicatie met het systeem
    starten

    U kunt het afspelen direct met
    spraakbesturing bedienen.

    Voordat u kunt beginnen met het systeem
    toe te spreken moet u voor iedere
    handeling eerst op de VOICE of de MODE
    toets drukken en wachten tot het systeem
    met een piep antwoordt. Zie (bladzijde
    318).

    Overzicht
    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu aan de hand van gekozen
    voorbeelden.

    "CD PLAYER"

    "HELP"
    "PLAY"
    *

    "TRACK"

    "SHUFFLE ALL"

    319



  • Page 322

    Spraaksturing
    "CD PLAYER"
    **

    "SHUFFLE FOLDER"
    "SHUFFLE OFF"
    "REPEAT FOLDER"

    **

    "REPEAT TRACK"
    "REPEAT OFF"
    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Alleen beschikbaar als de CD audiogegevensbestanden bevat, zoals MP3 of WMA.
    Muzieknummer
    U kunt direct een muzieknummer op de CD
    kiezen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    1

    "CD PLAYER"

    Systeem antwoordt

    "CD PLAYER"

    2

    "TRACK NUMBER PLEASE"

    "TRACK"

    3

    "<een getal tussen 1 en 99>"

    *

    **

    "TRACK <nummer>"

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "2", "4", "5"
    voor muzieknummer 245)
    Shuffle alles
    Random afspelen instellen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CD PLAYER"

    "CD PLAYER"

    2

    "SHUFFLE ALL"

    320



  • Page 323

    Spraaksturing
    CD-wisselaar

    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu aan de hand van gekozen
    voorbeelden.

    Overzicht

    "CD CHANGER"

    "HELP"
    "PLAY"
    *

    "DISC"

    *

    "TRACK"

    "SHUFFLE ALL"
    "SHUFFLE CD"
    "SHUFFLE FOLDER"

    **

    "SHUFFLE OFF"
    "REPEAT CD"
    "REPEAT FOLDER"

    **

    "REPEAT TRACK"
    "REPEAT OFF"
    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Alleen beschikbaar als de CD audiogegevensbestanden bevat, zoals MP3 of WMA.
    CD
    Wanneer u een CD-wisselaar hebt, kunt u
    het nummer van de CD kiezen

    321



  • Page 324

    Spraaksturing

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CD CHANGER"

    "CD CHANGER"

    2

    "DISC"

    "DISC NUMBER PLEASE"

    3

    "<een getal tussen 1 en 6>"

    "DISC <nummer>"

    *

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Muzieknummer
    U kunt direct een muzieknummer op de CD
    kiezen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CD CHANGER"

    "CD CHANGER"

    2

    "TRACK"

    3

    "<een getal tussen 1 en 99>"

    "TRACK NUMBER PLEASE"

    *

    **

    "TRACK <nummer>"

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "2", "4", "5"
    voor muzieknummer 245)
    Shuffle CD
    Random afspelen binnen de CD-inhoud
    instellen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CD CHANGER"

    "CD CHANGER"

    2

    "SHUFFLE CD"
    Overzicht

    Radio

    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu.

    De gesproken commando's ondersteunen
    de radiofuncties en u kunt met Voice
    Control op radiostations afstemmen.

    322



  • Page 325

    Spraaksturing

    "RADIO"

    "HELP"
    "AM"
    "FM"
    "TUNE NAME"

    *

    "DELETE NAME"
    "DELETE DIRECTORY"
    "PLAY DIRECTORY"
    "STORE NAME"
    "PLAY"
    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Afstemfrequentie
    Met deze functie kunt u met gesproken
    commando's afstemmen op radiostations.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "AM"

    "AM FREQUENCY PLEASE"

    "FM"

    "FM FREQUENCY PLEASE"

    3

    "<frequentie>"

    Systeem antwoordt

    "TUNE <frequentie>"

    *

    * De frequentie kan op verschillende manieren worden ingevoerd. Raadpleeg onderstaande
    voor representatieve voorbeelden.
    FM-golflente: 87,5 - 108,0 in stappen van
    0,1

    AM/MW-golflengte: 531 - 1602 in stappen
    van 9







    AM/LW-golflengte: 153 - 281 in stappen
    van 1

    "Eighty nine point nine" (89,9)
    "Ninety" (90,0)
    "One hundred point five" (100,5)
    "One zero one point one" (101,1)
    "One zero eight" (108,0)





    323

    "Five thirty one" (531)
    "Nine hundred" (900)
    "Fourteen forty" (1440)



  • Page 326

    Spraaksturing



    "Fifteen zero three" (1503)
    "Ten eighty" (1080)

    Naam opslaan
    Wanneer u op een radiostation hebt
    afgestemd, kunt u deze met een naam in
    het bestand opslaan.

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "STORE NAME"

    "STORE NAME"
    "NAME PLEASE"

    3

    "<naam>"

    "REPEAT NAME PLEASE"

    4

    "<naam>"

    "STORING NAME"
    "<naam> STORED"

    Afstemmen op naam
    Met deze functie kunt u op een opgeslagen
    radiostation afstemmen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    1

    "RADIO"

    2

    "TUNE NAME"

    3

    "<naam>"

    Systeem antwoordt

    "RADIO"
    "NAME PLEASE"

    *

    "TUNE <naam>"

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Naam wissen
    Met deze functie kunt u een opgeslagen
    radiostation wissen
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "DELETE NAME"

    "NAME PLEASE"

    3

    "<naam>"

    "DELETE <naam>"

    324



  • Page 327

    Spraaksturing
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    "CONFIRM YES OR NO"
    4

    "YES"

    "DELETED"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    Bestand afspelen
    Met deze functie kunt u het systeem alle
    opgeslagen radiostations laten opnoemen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "PLAY DIRECTORY"

    "PLAY <DIRECTORY>"

    Bestand wissen
    Met deze functie kunt u alle opgeslagen
    radiostations wissen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "DELETE DIRECTORY"

    "DELETE DIRECTORY"
    "CONFIRM YES OR NO"

    3

    "YES"

    "RADIO DIRECTORY DELETED"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    Afspelen
    Met deze functie schakelt de audiobron
    over op de radiomodus.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "RADIO"

    "RADIO"

    2

    "PLAY"

    325



  • Page 328

    Spraaksturing
    Auxiliary ingang

    Met deze functie laat u de audiobron
    overschakelen op het aangesloten
    apparaat met auxiliary ingang.

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "EXTERNAL DEVICE"

    "EXTERNAL DEVICE"

    2

    "LINE IN"

    "LINE IN"
    Overzicht

    Externe apparaten - USB

    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu aan de hand van gekozen
    voorbeelden.

    Deze gesproken commando's
    ondersteunen de functionaliteit van een
    extern USB-apparaat dat op de audiounit
    kan worden aangesloten.

    "EXTERNAL DEVICE", "USB"

    "HELP"
    "PLAY"
    "TRACK"

    *

    **

    "PLAYLIST"

    **

    "FOLDER"

    "SHUFFLE ALL"
    "SHUFFLE FOLDER"
    "SHUFFLE PLAYLIST"
    "SHUFFLE OFF"
    "REPEAT TRACK"
    "REPEAT FOLDER"
    "REPEAT OFF"
    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten en mappen moeten specifieke
    bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 337).

    326



  • Page 329

    Spraaksturing
    Afspelen USB

    Met deze functie laat u de audiobron
    overschakelen op het aangesloten
    USB-apparaat.

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "EXTERNAL DEVICE"

    "EXTERNAL DEVICE"

    2

    "USB"

    "USB"

    3

    "PLAY"

    USB-muzieknummer
    U kunt direct een muzieknummer op het
    USB-apparaat kiezen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "EXTERNAL DEVICE"

    "EXTERNAL DEVICE"

    2

    "USB"

    "USB"

    3

    "TRACK"

    "TRACK NUMBER PLEASE"

    4

    "<een getal tussen 1 en 99>"

    "TRACK <nummer>"

    *

    * Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "2", "4", "5"
    voor muzieknummer 245)
    Overzicht

    Externe apparaten - iPod

    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu aan de hand van gekozen
    voorbeelden.

    Deze gesproken commando's
    ondersteunen de functionaliteit van een
    iPod die op de audiounit kan worden
    aangesloten.

    "EXTERNAL DEVICE", "IPOD"

    "HELP"
    "PLAY"
    *

    "TRACK"

    **

    "PLAYLIST"

    327



  • Page 330

    Spraaksturing
    "EXTERNAL DEVICE", "IPOD"

    "SHUFFLE ALL"
    "SHUFFLE PLAYLIST"
    "SHUFFLE OFF"
    "REPEAT TRACK"
    "REPEAT OFF"
    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten moeten specifieke
    bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 337).
    iPod-muzieknummer
    U kunt direct een muzieknummer op de
    iPod kiezen in de lijst met alle titels.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "EXTERNAL DEVICE"

    "EXTERNAL DEVICE"

    2

    "IPOD"

    "IPOD"

    3

    "TRACK"

    4

    "<een getal tussen 1 en 99>"

    "TRACK NUMBER PLEASE"

    *

    **

    "TRACK <nummer>"

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    ** Getallen kunnen ook als max. vijf losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "5", "2", "4",
    "5", "3" voor muzieknummer 52453) tot een grenswaarde van 65535.
    iPod-afspeellijst
    U kunt direct een afspeellijst in de iPod
    kiezen.

    328



  • Page 331

    Spraaksturing

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "EXTERNAL DEVICE"

    "EXTERNAL DEVICE"

    2

    "IPOD"

    "IPOD"

    3

    "PLAYLIST"

    "PLAYLIST NUMBER PLEASE"

    4

    "<een getal tussen 1 en 10>"

    *

    "PLAYLIST <nummer>"

    * Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten moeten specifieke bestandsnamen
    worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 337).
    Overzicht

    COMMANDO’S TELEFOON

    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu aan de hand van gekozen
    voorbeelden.

    Telefoon
    Met uw telefoonsysteem kunt u een extra
    telefoonboek aanleggen. De opgeslagen
    nummers kunnen met behulp van Voice
    Control worden gekozen.
    Telefoonnummers, die met behulp van
    Voice Control zijn opgeslagen, worden in
    het systeem van de auto opgeslagen en
    niet in dat van uw telefoon.

    "TELEFOON"

    "HELP"
    "MOBILE NAME"
    "DIAL NUMBER"
    "DIAL NAME"

    *

    *

    *

    "DELETE NAME"
    "DELETE DIRECTORY"
    "PLAY DIRECTORY"
    "STORE NAME"
    *

    "REDIAL"

    329



  • Page 332

    Spraaksturing
    "TELEFOON"

    "ACCEPT CALLS"
    "REJECT CALLS"
    * Kan als short cut worden gebruikt.

    Telefoonfuncties
    Nummer kiezen
    Nadat het spraaklabel is uitgesproken
    kunnen telefoonnummers worden gekozen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    1

    "TELEFOON"

    Systeem antwoordt

    "TELEFOON"

    2

    "DIAL NUMBER"

    "NUMBER PLEASE"

    3

    "<telefoonnummer>"

    "<telefoonnummer>
    CONTINUE?"

    4

    "DIAL"

    "DIALLING"

    "CORRECTION"

    "<laatste deel van nummer
    herhalen>
    CONTINUE?"

    *

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Naam kiezen
    Nadat het spraaklabel is uitgesproken
    kunnen telefoonnummers worden gekozen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    1

    "TELEFOON"

    2

    "DIAL NAME"

    3

    "<naam>"

    Systeem antwoordt

    "TELEFOON"
    "NAME PLEASE"

    *

    "DIAL <naam>"
    "CONFIRM YES OR NO"

    330



  • Page 333

    Spraaksturing
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    4

    "YES"

    "DIALLING"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Nummer herhalen
    Deze functie maakt het mogelijk het laatst
    gekozen nummer te herhalen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "REDIAL"

    "REDIAL"
    "CONFIRM YES OR NO"

    3

    "YES"

    "DIALLING"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    *

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Naam mobiele telefoon
    Met deze functie kunt u met een
    spraaklabel toegang krijgen tot de in uw
    mobiele telefoon opgeslagen
    telefoonnummers.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "MOBILE NAME"

    "MOBILE NAME" "<telefoonafhankelijke dialoog>"

    *

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    N.B.: DTMF kan alleen worden gebruikt
    tijdens een telefoongesprek. Bedien de toets
    VOICE en wacht op de systeemprompt.

    DTMF ('Tone' instelling)
    Met deze functie worden gesproken
    getallen in DTMF-tonen omgezet. Voor
    bijvoorbeeld het op afstand bedienen van
    het antwoordapparaat bij u thuis of voor
    het invoeren van PIN-nummer, enz.

    Kan alleen worden gebruikt op auto's met
    een aparte toets VOICE.

    331



  • Page 334

    Spraaksturing

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1
    2

    "NUMBER PLEASE"
    "<cijfers 1 tot en met 9, nul, hekje,
    sterretje>"

    Een telefoonboek aanleggen
    Naam opslaan
    Nieuwe spraaklabels kunnen worden
    opgeslagen met het commando "STORE
    NAME". Deze functie kan worden gebruikt
    voor het kiezen van een nummer door de
    naam in plaats van het complete
    telefoonnummer uit te spreken.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "STORE NAME"

    "STORE NAME"
    "NAME PLEASE"

    3

    "<naam>"

    "REPEAT NAME PLEASE"

    4

    "<naam>"

    "STORING NAME"
    "<naam> STORED"
    "NUMBER PLEASE"

    5

    "<telefoonnummer>"

    "<telefoonnummer>"

    6

    "STORE"

    "STORING NUMBER"
    "<telefoonnummer>"
    "NUMBER STORED"

    Naam wissen
    Opgeslagen namen kunnen ook uit het
    bestand worden gewist.

    332



  • Page 335

    Spraaksturing

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "DELETE NAME"

    "NAME PLEASE"

    3

    "<naam>"

    "DELETE <naam>"
    "CONFIRM YES OR NO"

    4

    "YES"

    "<naam> DELETED"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    Bestand afspelen
    Gebruik deze functie om het systeem alle
    opgeslagen namen en nummers te laten
    opnoemen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "PLAY DIRECTORY"

    "PLAY DIRECTORY"

    Bestand wissen
    Met deze functie kunt u alle ingevoerde
    gegevens in één keer wissen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "DELETE DIRECTORY"

    "DELETE DIRECTORY"
    "CONFIRM YES OR NO"

    3

    "YES"

    "DIRECTORY DELETED"

    "NO"

    "COMMAND CANCELLED"

    333



  • Page 336

    Spraaksturing
    Hoofdinstellingen

    Oproepen kunnen zo worden ingesteld dat
    ze met spraakbesturing automatisch
    worden geweigerd.

    Oproepen weigeren
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "TELEFOON"

    "TELEFOON"

    2

    "REJECT CALLS"

    "REJECT CALLS"
    "ACCEPT CALLS"

    *

    "ACCEPT CALLS"

    * schakel met dit commando de modus 'weigeren' uit
    Overzicht

    COMMANDO’S
    NAVIGATIESYSTEEM

    Het onderstaande overzicht toont de
    beschikbare gesproken commando's. De
    volgende lijsten bieden aanvullende
    informatie over het complete
    commandomenu aan de hand van gekozen
    voorbeelden.

    Raadpleeg de afzonderlijke handleiding
    van het navigatiesysteem voor meer
    informatie over de commandomenu's.

    COMMANDO’S
    KLIMAATREGELING
    Airconditioning
    Met gesproken commando's voor de
    klimaatregeling kunnen het
    aanjagertoerental, de temperatuur en de
    modus worden ingesteld. Niet alle functies
    zijn in alle autotypen beschikbaar.
    "CLIMATE"

    "HELP"
    "FAN"

    *

    "DEFROSTING/DEMISTING ON"

    *

    *

    "DEFROSTING/DEMISTING OFF"

    334



  • Page 337

    Spraaksturing
    "CLIMATE"

    "TEMPERATURE"
    "AUTO MODE"

    *

    *

    * Kan als short cut worden gebruikt. Bij auto's met een Engelse taalmodule is de short
    cut "FAN" niet beschikbaar.
    Aanjager
    Met deze functie kunt u het
    aanjagertoerental instellen.
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CLIMATE"

    "CLIMATE"

    2

    "FAN"

    "FAN SPEED PLEASE"

    "MINIMUM"

    "FAN MINIMUM"

    3

    "<een getal tussen 1 en 7>"

    "FAN <getal>"

    "MAXIMUM"

    "FAN MAXIMUM"

    a

    * Kan als short cut worden gebruikt. Bij auto's met een Engelse taalmodule is de short
    cut "FAN" niet beschikbaar.
    Ontdooien/ontwasemen
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CLIMATE"

    "CLIMATE"

    "DEFROSTING ON/DEMISTING
    *

    2

    ON"

    "DEFROSTING OFF/DEMISTING
    OFF"

    *

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Temperatuur
    Met deze functie kunt u de temperatuur
    instellen.

    335

    "DEFROSTING ON/DEMISTING ON"
    "DEFROSTING OFF/DEMISTING
    OFF"



  • Page 338

    Spraaksturing

    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CLIMATE"

    "CLIMATE"

    2

    "TEMPERATURE"
    "MINIMUM"

    "TEMPERATURE MINIMUM"

    3

    "<een getal tussen 15 en 29 °C met
    stappen van 0,5>" of "<een getal
    tussen 59 en 84 °F>"

    "TEMPERATURE <getal>"

    "MAXIMUM"

    "TEMPERATURE MAXIMUM"

    *

    "TEMPERATURE PLEASE"

    * Kan als short cut worden gebruikt.
    Automatische functie
    Stappen

    Gebruiker zegt

    Systeem antwoordt

    1

    "CLIMATE"

    "CLIMATE"

    2

    "AUTO MODE"

    "AUTO MODE"

    *

    * Kan als short cut worden gebruikt. Kan worden uitgeschakeld door een andere
    temperatuur of een ander aanjagertoerental in te stellen.

    336



  • Page 339

    Verbinding
    N.B.: De toegangstijd voor het lezen van de
    bestanden van het externe apparaat
    variëren afhankelijk van factoren zoals de
    bestandsstructuur, de grootte van het
    bestand en de inhoud van het apparaat.

    ALGEMENE INFORMATIE
    LET OP
    Ga voorzichtig te werk bij het omgaan
    met externe apparaten met
    blootliggende stekkers (zoals de
    USB-plug). Vervang altijd de
    beschermkap/beschermplaat (indien
    mogelijk). Er bestaat kans op
    elektrostatische ontlading, wat tot schade
    aan het apparaat kan leiden.

    Het systeem ondersteunt een aantal
    externe apparaten voor een volledige
    integratie met de audio-unit via de
    USB-aansluitingen en extra aansluitingen.
    Eenmaal aangesloten kan het externe
    apparaat worden aangestuurd via de
    audio-unit.

    Raak de USB-aansluiting in de auto
    niet aan of voer er geen
    werkzaamheden aan uit. Dek de
    aansluiting af wanneer deze niet wordt
    gebruikt.

    Hieronder staat een lijst met veel
    voorkomende compatibele apparaten:
    • USB-geheugensticks
    • USB-draagbare harde schijven
    • Enkele MP3-spelers met
    USB-aansluiting
    • iPod mediaspelers (ga naar
    www.ford-mobile-connectivity.com
    voor de nieuwste compatibiliteitslijst).

    Maak alleen gebruik van
    USB-massaopslagapparaten.
    Zet de audio-unit altijd op een andere
    bron (bijvoorbeeld de radio) alvorens
    het USB-apparaat te ontkoppelen.
    Breng geen USB-hubs of -splitters
    aan.

    Het systeem is USB 2.0 Full Speed
    compatibel, USB 1.1 Host Compliant en
    ondersteunt FAT 16/32 bestandssystemen.

    N.B.: Het systeem is alleen ontworpen voor
    het herkennen en lezen van geschikte
    audiobestanden van een USB-apparaat dat
    voldoet aan de klasse voor
    USB-massaopslagapparaten of een iPod.
    Er kan niet worden gegarandeerd dat alle
    beschikbare USB-apparaten met het
    systeem kunnen worden gecombineerd.

    Informatie over audiobestandsstructuren voor externe apparaten
    USB
    Maak alleen een enkele partitie op het
    USB-apparaat.
    Als afspeellijsten worden gemaakt, dan
    dienen deze de correcte bestandspaden
    gerefereerd aan het USB-apparaat te
    bevatten. Er wordt aanbevolen de
    afspeellijst te maken nadat de
    audiobestanden zijn overgedragen naar
    het USB-apparaat.

    N.B.: Er kan gebruik worden gemaakt van
    compatibele apparaten met een
    USB-adapterkabel en apparaten die
    rechtstreeks kunnen worden aangesloten
    op de USB-aansluiting van de auto
    (bijvoorbeeld USB-geheugensticks en Pen
    Drives).

    Afspeellijsten moeten worden gemaakt in
    .m3u formaat.

    N.B.: Het kan voorkomen dat sommige
    USB-apparaten met een hoger
    stroomverbruik incompatibel zijn
    (bijvoorbeeld sommige grotere harde
    schijven).

    Audiobestanden moeten worden gemaakt
    in .mp3 formaat.

    337



  • Page 340

    Verbinding
    Houd u aan het volgende:
    • 1000 items per map (bestanden,
    mappen en afspeellijsten)
    • 5000 mappen met USB-apparaat
    (inclusief afspeellijsten)
    • 8 submapniveau's.

    EXTERN APPARAAT
    AANSLUITEN
    WAARSCHUWING
    Zorg dat het externe apparaat stevig
    in de auto is bevestigd en dat
    bijbehorende aansluitingen de
    bedieningselementen voor het rijden niet
    blokkeren.

    Volg de onderstaande procedure voor het
    inschakelen van spraakregeling voor
    aangepaste afspeellijsten en mappen:
    • Maak mappen met de naam
    "Ford<*>", waar <*> een cijfer tussen
    1 en 10 is. Bijvoorbeeld "Ford3" zonder
    extensie.
    • Maak afspeellijsten met de naam
    "Ford<*>.m3u", waar <*> een cijfer
    tussen 1 en 10 is. Bijvoorbeed
    "Ford5.m3u" zonder spatie tussen
    "Ford" en het cijfer.

    Externe apparaten kunnen worden
    aangesloten met behulp van de extra
    ingangsaansluiting en de USB-poort. Zie
    Aansluiting Auxiliary ingang (bladzijde
    152). Zie USB-poort (bladzijde 152).

    Aansluiting
    Sluit het apparaat aan en bevestig het
    indien nodig om bewegen in de auto te
    voorkomen.

    Hierna kunnen aangepaste mappen en
    afspeellijsten worden geselecteerd met
    behulp van spraakregeling. Zie
    Commando’s audio-unit (bladzijde 319).

    Een iPod aansluiten
    Voor een optimaal gebruiksgemak en een
    optimale audiokwaliteit wordt aangeraden
    een bijpassende eenpolige kabel aan te
    schaffen bij uw dealer.

    iPod
    Maak afspeellijsten met de naam
    "Ford<*>", waar <*> een cijfer tussen 1
    en 10 is voor het inschakelen van
    spraakregeling voor aangepaste
    afspeellijsten. Bijvoorbeed "Ford7" zonder
    spatie tussen "Ford" en het cijfer.

    De iPod kan tevens worden aangesloten
    met behulp van de standaard iPod
    USB-kabel en een aparte 3,5 mm
    audiokabel. Wanneer gebruik wordt
    gemaakt van deze methode moet het
    volume van de iPod op maximum worden
    gezet en de equalizerinstellingen worden
    uitgeschakeld alvorens de aansluitingen
    te maken:

    Hierna kunnen aangepaste afspeellijsten
    worden geselecteerd met behulp van
    spraakregeling. Zie Commando’s
    audio-unit (bladzijde 319).




    338

    Sluit de hoofdtelefoonuitgang van de
    iPod aan op de AUX IN aansluiting.
    Sluit de USB-kabel van de iPod aan op
    de USB-aansluiting van de auto.



  • Page 341

    Verbinding
    EXTERN APPARAAT
    AANSLUITEN - AUTO'S MET:
    BLUETOOTH

    USB-APPARAAT GEBRUIKEN
    Verschillende pictogrammen worden
    gebruikt voor het herkennen van
    verschillende audiobestanden, mappen
    enz.

    Bluetooth audio-apparaat
    aansluiten

    USB-apparaat is de actieve bron

    LET OP

    E100029

    Omdat er verschillende standaarden
    bestaan, kunnen fabrikanten een
    groot aantal profielen in hun
    Bluetooth apparaten implementeren.
    Hierdoor kan incompatibiliteit ontstaan
    tussen het Bluetooth apparaat en het
    systeem, wat in sommige gevallen de
    systeemfunctionaliteit kan beperken. Om
    dit te voorkomen moeten alleen
    aanbevolen apparaten worden gebruikt.

    Map
    E100022

    Afspeellijst
    E100023

    Album
    E100024

    Artiest

    Bezoek de website
    www.ford-mobile-connectivity.com
    voor volledige gegevens.

    E100025

    Bestandsnaam

    Apparaat aansluiten op
    (voertuig)systeem

    E100026

    Titel van nummer

    N.B.: Sommige audio- en navigatie-units
    beschikken over een afzonderlijk Bluetooth
    audio-menu. Dit menu kan worden gebruikt
    voor toegang tot de setup en de bediening.

    E100027

    Informatie niet beschikbaar
    E100028

    Volg voor het aansluiten van het apparaat
    op het systeem dezelfde procedure als
    voor Bluetooth handsfree telefoons. Zie
    Setup Bluetooth (bladzijde 310).

    Sony radio
    Bediening

    Het apparaat bedienen

    Selecteer het USB-apparaat als de
    audiobron door herhaaldelijk op de
    CD/AUX toets te drukken tot "USB" in de
    display verschijnt. Nadat het
    USB-apparaat is aangesloten, wordt het
    eerste nummer van de eerste map
    automatisch afgespeeld. Vervolgens wordt
    na het wijzigen van de audiobron de
    afspeelpositie op het USB-apparaat
    onthouden.

    Selecteer Bluetooth audio als de actieve
    bron.
    Toegang tot nummers kan worden
    verkregen door vooruit en achteruit te
    navigeren met behulp van de knoppen op
    het stuur of rechtstreeks via de knoppen
    van de audio-unit.

    339



  • Page 342

    Verbinding
    Druk eenmaal op de pijltjestoets
    omhoog/omlaag of de OK toets om door
    de inhoud van het apparaat te bladeren.

    Druk op de pijltjestoets omhoog/omlaag
    of de OK toets om door de inhoud van het
    apparaat te bladeren.

    De display toont de nummerinformatie en
    de volgende andere belangrijke informatie:
    • Een verticale schuifbalk aan de
    rechterzijde van de display geeft de
    huidige positie van het mapoverzicht
    aan.
    • ">" na een ingang geeft aan dat een
    niveau lager leesbaar is (bijvoorbeeld
    een map vernoemd naar een album
    met afzonderlijke albumnummers in
    de betreffende map).
    • "<" voor de lijst geeft aan dat een
    niveau hoger leesbaar is.
    • Pictogrammen aan de linkerzijde van
    de nummer-/maptekst geven het type
    bestand/map aan. Raadpleeg de lijst
    voor een uitleg van deze
    pictogrammen.

    Druk op de MENU toets voor toegang tot
    het USB-menu. De functies willekeurig
    afspelen (shuffle) en herhaald afspelen
    (repeat) kunnen worden ingeschakeld voor
    wat betreft de mappen en afspeellijsten.
    Druk op de SCAN toets om het gehele
    apparaat, de huidige map of een
    afspeellijst te scannen (indien actief).
    Druk op de INFO toets om het volgende
    weer te geven:
    • bestandsnaam
    • titel
    • artiest
    • album
    • nummer en speelduur.
    Door herhaaldelijk op een toets te drukken,
    kan door deze displays worden
    genavigeerd.

    Gebruik voor het navigeren door de inhoud
    van het USB-apparaat de pijltjestoets
    omhoog/omlaag om door de lijsten te
    bladeren en de pijltjestoets links/rechts
    om binnen de mapstructuur omhoog of
    omlaag te bladeren. Druk op de OK toets
    om afspelen te selecteren nadat het
    gewenste nummer of de gewenste
    afspeellijst of map is gemarkeerd.

    CD-navigatie-units
    Bediening
    Selecteer het USB-apparaat als de
    audiobron door op de CD/AUX toets te
    drukken tot "DEVICES" in de display
    verschijnt. Selecteer DEVICES en selecteer
    vervolgens USB uit de beschikbare
    apparatenlijst. Nadat het USB-apparaat
    is aangesloten, wordt het eerste nummer
    van de eerste map automatisch
    afgespeeld. Vervolgens wordt na het
    wijzigen van de audiobron de
    afspeelpositie op het USB-apparaat
    onthouden.

    N.B.: Houd de pijltjestoets naar links
    ingedrukt als u naar het bovenste niveau
    van de inhoud van het USB-apparaat wilt
    navigeren.
    Bediening van de audio-installatie
    Druk op de pijltjestoets naar links en naar
    rechts om achteruit en vooruit door de
    nummers te gaan.

    Druk eenmaal op de SELECT toets om
    door de inhoud van het apparaat te
    bladeren.

    Houd de pijltjestoetsen naar links/rechts
    ingedrukt om snel achteruit/vooruit door
    een nummer te gaan.

    340



  • Page 343

    Verbinding
    De display toont de nummerinformatie en
    de volgende andere belangrijke informatie:
    • Een verticale schuifbalk aan de
    rechterzijde van de display geeft de
    huidige positie van het mapoverzicht
    aan.
    • ">" na een ingang geeft aan dat een
    niveau lager leesbaar is (bijvoorbeeld
    een map vernoemd naar een album
    met afzonderlijke albumnummers in
    de betreffende map).
    • "<" links van de display geeft aan dat
    een niveau hoger leesbaar is.
    • Pictogrammen aan de linkerzijde van
    de nummer-/maptekst geven het type
    bestand/map aan. Raadpleeg de lijst
    voor een uitleg van deze
    pictogrammen.

    Druk op de SCAN toets om de huidige
    (actieve) afspeellijst of het gehele
    USB-apparaat of de map te scannen.
    Druk op de INFO toets om het volgende
    weer te geven:
    • bestandsnaam
    • titel
    • artiest
    • album
    • nummer en speelduur.

    SD-navigatie-units
    Bediening
    Selecteer het USB-apparaat als de
    audiobron door op de CD/AUX toets te
    drukken tot de USB-toets aan de linkerzijde
    van de display verschijnt. Selecteer USB
    uit de beschikbare apparatenlijst.

    Gebruik voor het navigeren door de inhoud
    van het USB-apparaat de draaiknop voor
    scrollen/selecteren om door lijsten te
    bladeren. Druk op de toets om de inhoud
    uit te breiden binnen de gemarkeerde
    afspeellijst of map of om afspelen van een
    bepaald nummer te starten. Druk op ESC
    om één niveau vooruit te gaan.

    N.B.: Sommige apparaten worden getoond,
    maar kunnen niet worden geselecteerd
    (afhankelijk van het feit of het apparaat al
    dan niet is aangesloten).
    Nadat het USB-apparaat is aangesloten,
    wordt het eerste nummer van de eerste
    map automatisch afgespeeld. Vervolgens
    wordt na het wijzigen van de audiobron de
    afspeelpositie op het USB-apparaat
    onthouden.

    Bediening van de audio-installatie
    Druk op de SEEK toets omhoog/omlaag
    om achteruit en vooruit door de nummers
    te gaan.

    Druk op de pijltjestoets omhoog/omlaag
    scrollen om door de inhoud van het
    apparaat te bladeren.

    Houd de SEEK toetsen ingedrukt om snel
    achteruit/vooruit door een nummer te
    gaan.

    De display toont de nummerinformatie en
    de volgende andere belangrijke informatie:
    • Een verticale schuifbalk aan de
    rechterzijde van de display geeft de
    huidige positie van het mapoverzicht
    aan.
    • ">" na een ingang geeft aan dat een
    niveau lager leesbaar is (bijvoorbeeld
    een map vernoemd naar een album
    met afzonderlijke albumnummers in
    de betreffende map).

    Draai aan de SELECT toets of druk deze
    in om door de inhoud van het apparaat te
    bladeren.
    Druk op de SHUFFLE of REPEAT toets om
    de functies willekeurig afspelen en
    herhaald afspelen in te schakelen voor wat
    betreft mappen en afspeellijsten. Er
    kunnen verschillende opties worden
    weergegeven, afhankelijk van het feit of
    een afspeellijst al dan niet actief is.

    341



  • Page 344

    Verbinding



    "<" links van de display geeft aan dat
    een niveau hoger leesbaar is.
    Pictogrammen aan de linkerzijde van
    de nummer-/maptekst geven het type
    bestand/map aan. Raadpleeg de lijst
    voor een uitleg van deze
    pictogrammen.

    IPOD GEBRUIKEN
    Verschillende pictogrammen worden
    gebruikt voor het herkennen van
    verschillende audiobestanden, mappen
    enz.
    iPod is de actieve bron

    Gebruik voor het navigeren door de inhoud
    van het USB-apparaat de scroll-toetsen
    om door lijsten te bladeren. Druk op de
    toets om de inhoud uit te breiden binnen
    de gemarkeerde afspeellijst of map of om
    afspelen van een bepaald nummer te
    starten. Druk op de pijltjestoets naar links
    om één niveau vooruit te gaan.

    E100030

    Afspeellijst iPod
    E100031

    Artiest iPod
    E100032

    Album iPod

    Bediening van de audio-installatie
    Druk op de SEEK toets omhoog/omlaag
    om achteruit en vooruit door de nummers
    te gaan.

    E100033

    Houd de SEEK toetsen ingedrukt om snel
    achteruit/vooruit door een nummer te
    gaan.

    E100034

    Druk op de pijltjestoetsen van de schuifbalk
    om door de inhoud van het apparaat te
    bladeren.

    E100035

    Genre iPod

    Nummer iPod

    Algemene categorie iPod
    E100036

    Druk op de SHUFFLE of REPEAT toets om
    de functies willekeurig afspelen en
    herhaald afspelen in te schakelen voor wat
    betreft mappen en afspeellijsten.

    Algemeen mediabestand iPod
    E100037

    Druk op de SCAN toets om de huidige
    (actieve) afspeellijst of het gehele
    USB-apparaat of de map te scannen.

    Sony radio

    Druk op de INFO toets om het volgende
    weer te geven:
    • bestandsnaam
    • titel
    • artiest
    • album
    • nummer en speelduur.

    Sluit de iPod aan. Zie Extern apparaat
    aansluiten (bladzijde 338).

    Bediening

    Selecteer de iPod als de audiobron door
    herhaaldelijk op de CD/AUX toets te
    drukken tot "iPod" in de display verschijnt.

    342



  • Page 345

    Verbinding
    De iPod-menulijst voor het bladeren door
    de inhoud is beschikbaar via de
    radiodisplay. Bladeren door de inhoud is
    gebaseerd op hetzelfde principe als voor
    het gebruik van een stand-alone iPod
    (bijvoorbeeld zoeken op artiest, titel enz.).
    Druk eenmaal op de pijltjestoets
    omhoog/omlaag of de OK toets om door
    de inhoud van de iPod te bladeren.

    Houd de pijltjestoetsen naar links/rechts
    ingedrukt om snel achteruit/vooruit door
    een nummer te gaan.
    Druk op de pijltjestoets omhoog/omlaag
    of de OK toets om door de inhoud van de
    iPod te bladeren.
    Druk op de MENU toets voor toegang tot
    het iPod-menu. De functies voor
    willekeurig en herhaaldelijk afspelen
    kunnen worden ingeschakeld. De optie
    "Shuffle songs" van de iPod kan
    rechtstreeks vanuit het bovenste niveau
    worden ingeschakeld.

    De display toont de nummerinformatie en
    de volgende andere belangrijke informatie:
    • Een verticale schuifbalk aan de
    rechterzijde van de display geeft de
    huidige positie van het lijstoverzicht
    aan.
    • ">" na een ingang geeft aan dat een
    niveau omlaag leesbaar is
    (bijvoorbeeld alle albums van een
    bepaalde artiest).
    • "<" voor de lijst geeft aan dat een
    niveau hoger leesbaar is.
    • Een pictogram aan de linkerzijde geeft
    het type van de op dit moment
    weergegeven lijst aan (bijvoorbeeld
    een albumlijst). Raadpleeg de lijst voor
    een uitleg van deze pictogrammen.

    Druk op de SCAN toets om de op dit
    moment geselecteerde nummers te
    scannen.
    Druk op de INFO toets om het volgende
    weer te geven:
    • titel
    • artiest
    • nummer en speelduur.
    Door herhaaldelijk op een toets te drukken,
    kan door deze displays worden
    genavigeerd.

    CD-navigatie-units

    Gebruik voor het navigeren door de inhoud
    van de iPod de pijltjestoets
    omhoog/omlaag om door de lijsten te
    bladeren en de pijltjestoets links/rechts
    om binnen de structuur omhoog of omlaag
    te bladeren. Druk op de OK toets om
    afspelen te selecteren nadat het gewenste
    nummer, album, genre of de gewenste
    afspeellijst of artiest is gemarkeerd.

    Bediening
    Sluit de iPod aan. Zie Extern apparaat
    aansluiten (bladzijde 338).
    Selecteer de iPod als de audiobron door
    op de CD/AUX toets te drukken tot
    "DEVICES" in de display verschijnt.
    Selecteer DEVICES en selecteer vervolgens
    iPod uit de beschikbare apparatenlijst.

    N.B.: Houd de pijltjestoets naar links
    ingedrukt als u naar het bovenste niveau
    van de inhoud van de iPod wilt navigeren.

    De iPod-menulijst voor het bladeren door
    de inhoud is beschikbaar via de display.
    Bladeren door de inhoud is gebaseerd op
    hetzelfde principe als voor het gebruik van
    een stand-alone iPod (bijvoorbeeld zoeken
    op artiest, titel enz.). Druk eenmaal op de
    SELECT toets om door de inhoud van de
    iPod te bladeren.

    Bediening van de audio-installatie
    Druk op de pijltjestoets naar links en naar
    rechts om achteruit en vooruit door de
    nummers te gaan.

    343



  • Page 346

    Verbinding
    De display toont de nummerinformatie en
    de volgende andere belangrijke informatie:
    • Een verticale schuifbalk aan de
    rechterzijde van de display geeft de
    huidige positie van het lijstoverzicht
    aan.
    • ">" na een ingang geeft aan dat een
    niveau omlaag leesbaar is
    (bijvoorbeeld alle albums van een
    bepaalde artiest).
    • "<" voor de lijst geeft aan dat een
    niveau hoger leesbaar is.
    • Een pictogram aan de linkerzijde geeft
    het type van de op dit moment
    weergegeven lijst aan (bijvoorbeeld
    een albumlijst). Raadpleeg de lijst voor
    een uitleg van deze pictogrammen.

    Druk op de SCAN toets om de op dit
    moment geselecteerde nummers te
    scannen.
    Druk op de INFO toets om het volgende
    weer te geven:
    • titel
    • artiest
    • nummer en speelduur.

    SD-navigatie-units
    Bediening
    Sluit de iPod aan. Zie Extern apparaat
    aansluiten (bladzijde 338).
    Selecteer de iPod als de audiobron door
    op de CD/AUX toets te drukken tot de
    iPod-toets aan de linkerzijde van de display
    verschijnt. Selecteer iPod uit de
    beschikbare apparatenlijst.

    Gebruik voor het navigeren door de inhoud
    van de iPod de draaiknop voor
    scrollen/selecteren om door lijsten te
    bladeren. Druk op de toets om de inhoud
    uit te breiden binnen de gemarkeerde
    afspeellijst of artiest, het gemarkeerde
    album of genre of om afspelen van een
    bepaald nummer te starten. Druk op ESC
    om één niveau vooruit te gaan.

    N.B.: Sommige apparaten worden getoond,
    maar kunnen niet worden geselecteerd
    (afhankelijk van het feit of het apparaat al
    dan niet is aangesloten).
    De iPod-menulijst voor het bladeren door
    de inhoud is beschikbaar via de display.
    Bladeren door de inhoud is gebaseerd op
    hetzelfde principe als voor het gebruik van
    een stand-alone iPod (bijvoorbeeld zoeken
    op artiest, titel enz.). Druk op de
    pijltjestoets omhoog/omlaag scrollen om
    door de inhoud van de iPod te bladeren.

    Bediening van de audio-installatie
    Druk op de SEEK toets omhoog/omlaag
    om achteruit en vooruit door de nummers
    te gaan.
    Houd de SEEK toetsen ingedrukt om snel
    achteruit/vooruit door een nummer te
    gaan.

    De display toont de nummerinformatie en
    de volgende andere belangrijke informatie:
    • Een verticale schuifbalk aan de
    rechterzijde van de display geeft de
    huidige positie van het lijstoverzicht
    aan.
    • ">" na een ingang geeft aan dat een
    niveau omlaag leesbaar is
    (bijvoorbeeld alle albums van een
    bepaalde artiest).

    Draai aan de SELECT toets of druk deze in
    om door de inhoud van de iPod te
    bladeren.
    Druk op de MENU toets voor toegang tot
    het iPod-menu. De functies voor
    willekeurig en herhaaldelijk afspelen
    kunnen worden ingeschakeld. De optie
    "Shuffle songs" van de iPod kan
    rechtstreeks vanuit het bovenste niveau
    worden ingeschakeld.

    344



  • Page 347

    Verbinding



    "<" voor de lijst geeft aan dat een
    niveau hoger leesbaar is.
    Een pictogram aan de linkerzijde geeft
    het type van de op dit moment
    weergegeven lijst aan (bijvoorbeeld
    een albumlijst). Raadpleeg de lijst voor
    een uitleg van deze pictogrammen.

    Gebruik voor het navigeren door de inhoud
    van de iPod de scroll-toetsen om door
    lijsten te bladeren. Druk op de toets om de
    inhoud uit te breiden binnen de
    gemarkeerde afspeellijst of artiest, het
    gemarkeerde album of genre of om
    afspelen van een bepaald nummer te
    starten. Druk op de pijltjestoets naar links
    om één niveau vooruit te gaan.
    Bediening van de audio-installatie
    Druk op de SEEK toets omhoog/omlaag
    om achteruit en vooruit door de nummers
    te gaan.
    Houd de SEEK toetsen ingedrukt om snel
    achteruit/vooruit door een nummer te
    gaan.
    Druk op de pijltjestoetsen van de schuifbalk
    om door de inhoud van de iPod te
    bladeren.
    Druk op de MENU toets voor toegang tot
    het iPod-menu. De functies voor
    willekeurig en herhaaldelijk afspelen
    kunnen worden ingeschakeld. De optie
    "Shuffle songs" van de iPod kan
    rechtstreeks vanuit het bovenste niveau
    worden ingeschakeld.
    Druk op de SCAN toets om de op dit
    moment geselecteerde nummers te
    scannen.
    Druk op de INFO toets om het volgende
    weer te geven:
    • titel
    • artiest
    • nummer en speelduur.

    345



  • Page 348

    Introductie navigatie
    RIJVEILIGHEID
    WAARSCHUWINGEN
    Het systeem levert informatie
    waarmee u veilig en snel uw
    bestemming kunt bereiken.
    Om veiligheidsredenen mag de
    bestuurder het systeem alleen bij
    stilstaande wagen programmeren.
    Het systeem biedt geen hulp met
    betrekking tot stopborden,
    verkeerslichten of
    wegwerkzaamheden en biedt evenmin
    andere belangrijke veiligheidsinformatie.
    Gebruik het systeem niet voordat u
    zich vertrouwd hebt gemaakt met de
    bediening ervan.
    Bekijk de systeemdisplay alleen
    wanneer de rijomstandigheden dit
    toelaten.

    Veiligheidsinformatie
    Lees de volgende veiligheidsmaatregelen
    en volg deze op. Wanneer u dit nalaat
    wordt de kans op een aanrijding en
    lichamelijk letsel verhoogd. Ford Motor
    Company is niet aansprakelijk voor schade
    die voortvloeit uit het niet opvolgen van
    deze richtlijnen.
    Wanneer de route-instructies nauwkeurig
    moeten worden bekeken, zet de wagen
    dan op een veilig moment aan de kant en
    parkeer deze.
    Gebruik het navigatiesysteem niet om
    hulpdiensten te lokaliseren.
    Maak altijd gebruik van de nieuwste
    navigatie-informatie voor een zo efficiënt
    en veilig mogelijk gebruik van het systeem.
    Uw dealer is gaarne bereid u hierbij
    behulpzaam te zijn.

    346



  • Page 349

    Navigatiesysteem
    Micro SD-kaart installeren

    INTRODUCTIE
    LET OP
    Door gebruik van het systeem bij
    uitgeschakelde motor wordt de accu
    ontladen.

    1

    N.B.: Aan het versturen en ontvangen van
    tekstberichten zijn kosten verbonden.
    N.B.: Raadpleeg de handleiding bij uw
    telefoon voor alle telefoonfuncties en de
    werking van de functies.

    2

    N.B.: Bewaar de activeringscode (afgedrukt
    op de gebruikershandleiding) op een veilige
    plaats.

    E114212

    1.

    Verwijder de micro SD-kaart uit de
    adapter.
    2. Plaats de micro SD-kaart in de mobiele
    telefoon.

    N.B.: Bewaar het tekstbericht voor
    activering in het postvak IN van uw mobiele
    telefoon.

    Compatibiliteit van
    telefoontoestellen

    Navigatiesysteem mobiele
    telefoon activeren

    LET OP
    Omdat er geen algemene
    overeenkomst bestaat, kunnen
    fabrikanten van mobiele telefoons
    een groot aantal profielen in hun Bluetooth
    apparaten implementeren. Daardoor is het
    mogelijk dat een telefoon niet compatible
    met een handsfree systeem is, waardoor
    in sommige gevallen de prestaties van het
    systeem aanzienlijk worden beperkt. Om
    dit te voorkomen moeten alleen
    aanbevolen telefoons worden gebruikt.

    N.B.: De radio moet zijn ingeschakeld
    alvorens de mobiele telefoon aan te sluiten
    op de GPS-ontvanger in de auto.

    Bezoek de website
    www.ford-mobile-connectivity.com voor
    volledige gegevens.

    Volg voor het aansluiten van het apparaat
    op het systeem dezelfde procedure als
    voor Bluetooth handsfree telefoons. Zie
    Setup Bluetooth (bladzijde 310).

    N.B.: De Ford Mobile Navigation moet
    worden geïnstalleerd en geactiveerd op uw
    mobiele telefoon.
    N.B.: Er kunnen maximaal drie telefoons
    worden geactiveerd.
    N.B.: Gedetailleerde instructies vindt u op
    de micro SD-kaart en op
    www.ford-mobile-connectivity.com.

    1.

    347

    Schakel de radio in.



  • Page 350

    Navigatiesysteem

    E114213

    2. Schakel uw mobiele telefoon in en start
    de Ford Mobile Navigation.
    3. Kies Selecteer navigatie.
    4. Kies Adres.
    5. Wijzig de route-opties indien nodig en
    start de routebegeleiding.
    6. De bochtinformatie wordt
    weergegeven in de voertuigdisplay. De
    gesproken instructies zijn hoorbaar via
    de voertuigluidsprekers.
    N.B.: Uw mobiele telefoon geeft uw huidige
    positie weer.
    7.

    U kunt de applicatie verlaten en verder
    gaan met de routebegeleiding na het
    herstarten van de applicatie.

    348



  • Page 351

    Bijlagen
    www.novero.com/declaration_of_conformity

    TYPEGOEDKEURINGEN

    Het woord, het merk en de logo's
    Bluetooth zijn eigendom van Bluetooth SIG
    Inc. en de Ford Motor Company mag
    dergelijke merktekens onder licentie
    gebruiken. Namen van andere producten
    en bedrijven kunnen handelsmerken of
    handelsnamen van de respectieve
    eigenaren zijn.

    FCC/INDUSTRY CANADA NOTICE
    Het apparaat voldoet aan Deel 15 van de
    FCC-regelgeving. Bediening is onderhevig
    aan de volgende twee voorwaarden: (1)
    dit apparaat mag geen schadelijke
    interferentie veroorzaken en (2) dit
    apparaat moet ontvangen interferentie
    accepteren (inclusief interferentie die kan
    leiden tot ongewenste bediening).

    TYPEGOEDKEURINGEN

    FCC ID: WJLRX-42

    iPod is een handelsmerk van Apple Inc.

    IC: 7847A-RX42
    Het uitvoeren van wijzigingen of
    modificaties aan het apparaat zonder
    nadrukkelijke toestemming van de
    verantwoordelijke partij kan leiden tot
    vervallen van het recht op bediening van
    het apparaat.

    TYPEGOEDKEURINGEN

    RX-42 - Conformiteitsverklaring

    E114214

    Wij, de partij verantwoordelijk voor
    naleving, verklaren onder volledige
    verantwoordelijkheid dat het product
    Handset Integration RX-42 voldoet aan de
    vereisten van Council Directive 1999/5/EC.
    Een kopie van de Conformiteitsverklaring
    kunt u vinden op:

    © 2008 NAVTEQ B.V. Alle rechten
    voorbehouden.

    349



  • Page 352

    Bijlagen

    E114220

    Certificaat voor Verenigde
    Arabische Emiraten

    TYPEGOEDKEURINGEN
    EU-verklaring
    Valeo verklaart hierbij dat dit korte
    bereik-apparaat voldoet aan de
    noodzakelijke vereisten en andere
    relevante bepalingen in Directive
    1999/5/EC.

    E125209

    350



  • Page 353

    Bijlagen
    ELEKTROMAGNETISCHE
    COMPATIBILITEIT

    WAARSCHUWINGEN
    Monteer geen zender/ontvangers,
    microfoons, luidsprekers en
    dergelijke in het ontvouwbereik van
    de airbags.

    WAARSCHUWINGEN
    Uw auto is getest en gecertificeerd
    volgens de wetgeving betreffende
    elektromagnetische comptabiliteit
    (72/245/EEC, UN ECE Regeling 10 of
    andere geldende lokale vereisten). U dient
    ervoor te zorgen dat apparatuur die u heeft
    gemonteerd voldoet aan de betreffende
    lokale wetgeving. Laat apparatuur door
    goed geschoolde monteurs monteren.

    Bevestig geen antennekabels aan de
    originele bedrading,
    brandstofleidingen en remleidingen
    van de auto.
    Houd antenne- en voedingskabels
    op een afstand van tenminste 10
    centimeter van elektronische
    modules en airbags.

    Radiofrequentie (RF) zenders (bijv.
    mobiele telefoons, amateur
    radiozenders, enz.) mogen alleen in
    uw auto worden gemonteerd wanneer
    deze voldoen aan de in onderstaande tabel
    vermelde parameters. Er zijn geen
    bijzondere voorzieningen of voorwaarden
    voor het monteren of gebruiken ervan.

    1

    2

    E85998

    351

    3

    4



  • Page 354

    Bijlagen

    Frequentieband
    MHz

    Maximum uitgangsvermogen in
    watt (piek RMS)

    Antenneplaatsen

    1 – 30

    50 W

    3, 4

    30 – 54

    50 W

    1, 2, 3

    68 – 87,5

    50 W

    1, 2, 3

    142 – 176

    50 W

    1, 2, 3

    380 – 512

    50 W

    1, 2, 3

    806 – 940

    10 W

    1, 2, 3

    1200 – 1400

    10 W

    1, 2, 3

    1710 – 1885

    10 W

    1, 2, 3

    1885 – 2025

    10 W

    1, 2, 3

    N.B.: Controleer na het aanbrengen van een
    RF zender of deze niet de overige elektrische
    uitrusting in de wagen stoort, zowel in de
    standby- als in de zendmodus.
    Controleer alle elektrische uitrusting:
    • met het contact AAN
    • bij draaiende motor
    • tijdens een proefrit bij verschillende
    snelheden.
    Controleer of de elektromagnetische
    velden die door de gemonteerde zender in
    het interieur van de auto worden opgewekt
    niet de grenzen overschrijden waaraan het
    menselijk lichaam mag worden
    blootgesteld.

    352



  • Page 355

    Index

    A

    Adaptieve cruise control gebruiken
    ..........................................................................192
    Afstand tot uw voorligger instellen.............194
    Automatisch uitschakelen..............................195
    Het systeem inschakelen................................193
    Ingestelde snelheid veranderen....................193
    Snelheid instellen...............................................193
    Systeem tijdelijk deactiveren.........................195
    Systeem uitschakelen......................................195

    A/C
    Zie: Klimaatregeling...........................................120

    Aan/uit toets.................................................290
    Aanbeveling nieuwe onderdelen.................7
    Kijk voor het Ford logo op de volgende
    onderdelen...........................................................8
    Nu kunt u er zeker van zijn dat uw Ford
    onderdelen Ford onderdelen zijn..................7

    Adaptieve koplampen .................................65
    Bochtverlichting...................................................66

    Aanhangers trekken....................................222
    Aansluiting Auxiliary ingang.....................152
    Aansluitpunten van de accu ..................264
    Aansteker........................................................146
    ABS

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC)
    Zie: Adaptieve cruise control gebruiken .....192

    Adaptieve snelheidsregeling (ACC).......191
    Werking...................................................................191

    Afneembare trekhaakkogel ....................225

    Zie: Remmen.........................................................174

    Onderhoud...........................................................228
    Rijden met een aanhanger.............................228
    Trekhaakkogel inklappen................................226
    Trekhaakkogel uitklappen...............................227

    ACC
    Zie: Adaptieve cruise control gebruiken .....192

    ACC
    Zie: Adaptieve snelheidsregeling (ACC)......191

    AFS

    Accessoires
    Zie: Aanbeveling nieuwe onderdelen..............7

    Zie: Adaptieve koplampen ..............................65

    Accu van de auto.........................................263
    Accu vervangen............................................264
    Achterbank......................................................137

    Afspelen CD beëindigen...........................306
    Afstandsbediening programmeren
    Zie: Programmeren van de
    afstandsbediening..........................................39

    Een vlakke laadvloer maken............................141
    Stoelen, tweede zitrij.........................................137
    Stoelen van de derde zitrij...............................139

    Afstelling koplampen
    Zie: Koplampen afstellen - Auto's met:
    Adaptieve verlichting, voor/Xenon
    koplampen........................................................64

    Achterruitwissers en -sproeiers................57
    Ruitensproeier.......................................................58
    Wissen met intervallen.......................................57
    Wissen tijdens achteruitrijden.........................57

    Airconditioning
    Zie: Klimaatregeling...........................................120

    Akoestische waarschuwingssignalen en
    -indicaties......................................................95

    Achterste zijruiten..........................................85
    Elektrisch bedienbare achterste
    zijruiten................................................................86
    Handbediende achterste zijruiten.................85

    De gongsignalen in- en uitschakelen............95

    Alarm..................................................................50
    Werking....................................................................50

    Achteruitkijkcamera....................................186

    Alarm inschakelen.........................................52
    Alarm uitschakelen........................................52

    Achteruitkijkcamera activeren......................186
    Achteruitkijkcamera deactiveren.................188
    Auto's met parkeerhulp...................................188
    Display gebruiken................................................187
    Werking..................................................................186

    Uitvoeringen met keyless entry
    systeem...............................................................53
    Uitvoeringen zonder keyless entry
    systeem...............................................................52

    Actieve schokdemperregeling ................183

    Algemene informatie over
    radiofrequenties..........................................39
    Alternatieve frequenties...........................298

    Werking..................................................................183

    Actieve vering
    Zie: Gebruik van de actieve
    schokdemperregeling .................................183

    Alle behalve Sony en Sony DAB..................298
    Sony en Sony DAB............................................298

    353



  • Page 356

    Index
    Armleuning, voor...........................................143
    Asbak................................................................146

    Auto op vier wielen slepen.......................243
    Alle modelvarianten.........................................243
    Voertuigen met 2.0L Duratorq-TDCi (DW)
    diesel (fase V) of 2.0L EcoBoost SCTi
    (MI4) en 6-traps automatische
    transmissie......................................................243
    Voertuigen met automatische transmissie,
    behalve 2.0L Duratorq-TDCi (DW) diesel
    (fase V) of 2.0L EcoBoost SCTi (MI4)
    met 6-traps automatische
    transmissie......................................................243

    Asbak, achterin....................................................146
    Asbak, voorin........................................................146

    Audiobediening...............................................54
    Modus.......................................................................54
    Zoekfunctie............................................................55

    Audiodisplays met tijd- en
    datumaanduiding....................................288
    Automatisch dimmende spiegel.............85
    Automatische grootlichtregeling.............62

    Autostore toets............................................293

    De gevoeligheid van het systeem
    instellen..............................................................63
    Het systeem activeren.......................................63
    Het systeem handmatig onderbreken.........63

    6000CD................................................................293
    Sony CD.................................................................293

    B

    Automatische klimaatregeling................123
    Aanjager.................................................................125
    Airconditioning achterin (automatische
    klimaatregeling met drie zones)...............127
    Airconditioning in- en uitschakelen.............126
    Automatisch temperatuurregelsysteem inen uitschakelen..............................................126
    Gerecirculeerde lucht........................................126
    Luchtverdeling.....................................................125
    Mono modus........................................................125
    Temperatuur instellen.......................................124
    Voorruit ontdooien en ontwasemen...........125

    Bagageafdekkingen.....................................213
    Bagagenetten................................................210
    Bagagenet - type 1.............................................210
    Bagagenet - type 2.............................................212

    Bagageverankeringspunten....................206
    Galaxy....................................................................206
    S-MAX....................................................................207

    Balance/fade (balans links/rechts,
    voor/achter) regeling..............................290
    6000CD................................................................290
    Sony en Sony DAB............................................290

    Automatische transmissie.........................171

    Bandenreparatieset...................................268

    Keuzehendelstanden..........................................171
    Rijmodi....................................................................172
    Tips voor het rijden met een automatische
    transmissie.......................................................173
    Voorziening voor het ontgrendelen van de
    keuzehendel.....................................................173

    Algemene informatie.......................................268
    Bandenspanning controleren.........................271
    Band oppompen...............................................269
    Gebruik van de bandenreparatieset..........269

    Bandenreparatieset

    Automatische volumeregeling................297

    Zie: Bandenreparatieset.................................268

    Alle behalve Sony en Sony DAB...................297
    Sony en Sony DAB.............................................297

    Bandenspanningcontrolesysteem........273
    Bandenspanning controleren........................274
    Belading instellen...............................................274

    Automatisch in- en uitschakelende
    ruitenwissers.................................................56
    Automatisch in- en uitschakelende
    verlichting.......................................................62

    Bandenspanningen
    Zie: Technische specificatie...........................275

    Banden
    Zie: Velgen en banden.....................................265

    Bass/treble (lage/hoge tonen)
    regeling.........................................................290
    6000CD................................................................290
    Sony en Sony DAB............................................290

    354



  • Page 357

    Index
    Batterij van afstandsbediening

    Brandstofkwaliteit - Flex Fuel (FF,
    ethanol)........................................................163

    Zie: Batterij van afstandsbediening
    vervangen...........................................................39

    Opslaan voor de lange termijn......................164

    Batterij van afstandsbediening
    vervangen.......................................................39

    Brandstofverbruik.........................................167
    Brandstofverbruik

    Afstandsbediening met inklapbaar
    sleutelblad.........................................................40
    Afstandsbediening zonder inklapbaar
    sleutelblad.........................................................40

    Zie: Technische specificatie............................167

    Buitenspiegels.................................................83
    Handmatig inklapbare spiegels......................83

    C

    Bedieningselementen telefoon...............312
    Afstandsbediening.............................................312

    Bediening van de audio-installatie........291

    CD's aanbrengen..........................................301

    Sony CD en Sony CD DAB met
    Bluetooth.........................................................292

    6000CD, Sony en Sony DAB.........................301

    CD's in CD-wisselaar aanbrengen.........301
    CD's uit CD-wisselaar verwijderen ......302
    CD's uitwerpen.............................................304

    Bekerhouders.................................................147
    Tafeltjes op de rugleuningen...........................147

    Belangrijke audio-informatie..................283

    6000CD................................................................304
    Sony CD................................................................304

    CD etiketten.........................................................283
    Labels op het audiotoestel............................283

    CD afspelen...................................................302

    Bergen van de auto.....................................242
    Bescherming van inzittenden....................32

    CD-nummers comprimeren....................303

    Afspelen CD-wisselaar....................................302

    Bestuurderswaarschuwing.....................200

    Werking....................................................................32

    Alle behalve Sony en Sony DAB..................303
    Sony en Sony DAB............................................303

    Werking.................................................................200

    CD-nummers herhalen.............................304

    Bestuurderswaarschuwing
    gebruiken.....................................................200

    6000CD................................................................304
    Sony en Sony DAB............................................304

    Het systeem in- en uitschakelen.................200
    Systeemdisplay...................................................201
    Systeem resetten...............................................201
    Systeemwaarschuwingen.............................200

    CD-nummers scannen..............................304
    6000CD................................................................304
    Sony en Sony DAB............................................304

    CD-speler........................................................301
    CD-wisselaar..................................................152
    Centrale vergrendeling.................................44

    Beveiligingscode..........................................287
    Beveiligingscode invoeren........................287
    6000CD, Sony en Sony DAB.........................287

    Integraal openen..................................................44
    Integraal sluiten....................................................45

    Beveiligingscode vergeten........................287
    Beveiliging van uw
    audio-installatie........................................287
    Bevestigingspunten voor lading..............215

    Commando’s audio-unit ..........................319
    Auxiliary ingang..................................................326
    CD-speler...............................................................319
    CD-wisselaar........................................................321
    Externe apparaten - iPod................................327
    Externe apparaten - USB................................326
    Radio.......................................................................322

    De ladingsteun monteren................................218
    Ladingsteunen monteren................................216
    Verankeringspunten monteren......................217

    Bijlagen............................................................349
    Brandstof en tanken....................................163

    Commando’s klimaatregeling................334

    Technische specificatie....................................167

    Airconditioning....................................................334

    Brandstofkwaliteit - Benzine...................163
    Brandstofkwaliteit - Diesel.......................164

    Commando’s navigatiesysteem............334

    Opslaan voor de lange termijn......................164

    355



  • Page 358

    Index
    Commando’s telefoon...............................329

    Eco-modus gebruiken................................162

    Een telefoonboek aanleggen........................332
    Hoofdinstellingen..............................................334
    Telefoon................................................................329
    Telefoonfuncties................................................330

    Eco-modus resetten..........................................162

    Een benzinemotor starten........................156
    Koude of warme motor....................................156
    Stationair toerental na het starten...............157
    Verzopen motor..................................................156

    Contactslot.....................................................153
    Contactslot

    Een benzinemotor starten - Flex Fuel
    (FF, ethanol)................................................157

    Zie: Contactslot...................................................153

    Controle koelvloeistofpeil

    Starten bij lage buitentemperaturen...........157

    Een dieselmotor starten............................158

    Zie: Motorkoelvloeistof controleren............255

    Controle oliepeil

    Koude of warme motor....................................158

    Een koplamp verwijderen...........................69
    Een wiel vervangen.....................................265

    Zie: Motorolie controleren..............................255

    Controle vloeistofpeil koppeling en
    remsysteem................................................256
    Cruise Control

    Boordkrik...............................................................265
    Een wiel aanbrengen........................................267
    Een wiel verwijderen........................................266
    Kriksteunpunten.................................................265
    Wielslotmoeren..................................................265

    Zie: Snelheidsregeling (Cruise Control).....189

    D

    Een zekering vervangen.............................232
    Eerstehulpset................................................230
    Elektrisch bedienbare ruiten.......................81

    Dagrijlicht..........................................................62
    Dakrekken en bagagedragers...................213
    Dakdragers aanbrengen...................................213
    Imperiaal................................................................213

    Antiklemfunctie....................................................82
    Geheugen van de elektrisch bedienbare
    ruiten opnieuw instellen...............................82
    Integraal openen en sluiten..............................81
    Ruiten automatisch openen en sluiten........81
    Schakelaar op het bestuurdersportier..........81
    Schakelaars op het voor- en achterportier
    aan passagierszijde.........................................81
    Veiligheidsmodus................................................83
    Veiligheidsschakelaar voor de achterste
    ruiten....................................................................82

    Dashboardkastje..........................................148
    Gekoeld handschoenenkastje.......................148

    De juiste zitpositie innemen.....................134
    De motorkap openen en sluiten............245
    Motorkap openen..............................................245
    Motorkap sluiten................................................245

    Dieselroetfilter...............................................158
    Regeneratie...........................................................158

    Digitale signaalverwerking (DSP).........297

    Elektrische portiersloten

    DSP-equalizer.....................................................297
    DSP-instellingen wijzigen...............................297
    DSP voor bezette zitplaatsen........................297

    Zie: Vergrendelen en ontgrendelen...............42

    Elektrisch verstelbare
    buitenspiegels..............................................83

    Dimmer
    instrumentenpaneelverlichting............145
    Door water rijden.........................................229

    Elektrisch inklapbare spiegels.........................83
    Richtingen waarin de spiegel kan worden
    gekanteld...........................................................83
    Spiegel kantelen tijdens
    achteruitrijden..................................................84

    Door water rijden...............................................229

    DPF
    Zie: Dieselroetfilter.............................................158

    DRL

    Elektrisch verstelbare stoelen..................135

    Zie: Dagrijlicht........................................................62

    In acht richtingen elektrisch verstelbare
    stoel....................................................................136
    In twee richtingen elektrisch verstelbare
    stoel....................................................................135

    E
    Eco-modus.....................................................162

    Elektromagnetische
    compatibiliteit.............................................351

    Werking...................................................................162

    356



  • Page 359

    Index

    G

    Elektronische parkeerrem..........................175
    Automatische activering van de EPB
    voorkomen........................................................176
    Automatisch inschakelen van de EPB........176
    De EPB uitschakelen..........................................176
    EPB inschakelen..................................................175
    EPB inschakelen bij rijdende auto................176
    Onderbreking van de stroomtoevoer...........177
    Parkeren op een helling....................................175

    Gebruik maken van de telefoon - Auto's
    met: Navigatiesysteem ...........................315
    Actieve telefoon afmelden..............................317
    Bellen......................................................................315
    Een inkomend gesprek ontvangen..............316
    Een tweede oproep ontvangen.....................316
    Microfoon dempen............................................316
    Van actieve telefoon veranderen..................316

    EPB
    Zie: Elektronische parkeerrem........................175

    Gebruik maken van de telefoon - Auto's
    zonder: Navigatiesysteem .....................312

    Extern apparaat aansluiten - Auto's met:
    Bluetooth.....................................................339

    Actieve telefoon afmelden..............................315
    Bellen.......................................................................312
    Een gekoppelde telefoon ontkoppelen Sony radio.........................................................315
    Een inkomend gesprek ontvangen..............314
    Een tweede oproep ontvangen.....................314
    Microfoon dempen............................................314
    Van actieve telefoon veranderen..................314

    Bluetooth audio-apparaat
    aansluiten........................................................339

    Extern apparaat aansluiten ....................338
    Aansluiting...........................................................338

    Extra verwarming.........................................128
    Afstandsbediening programmeren..............132
    Batterij van afstandsbediening
    vervangen..........................................................132
    Extra verwarming diesel (afhankelijk van
    het land)............................................................133
    Feedback tijdens starten en
    uitschakelen......................................................131
    Op afstand starten in combinatie met
    directe start of timer......................................131
    Standverwarming...............................................128
    Starten op afstand..............................................131

    Gebruik maken van
    snelheidsregeling......................................189
    Cruise control inschakelen.............................189
    Cruise control opnieuw inschakelen...........190
    Cruise control uitschakelen............................190
    Ingestelde snelheid veranderen...................189
    Snelheid instellen...............................................189

    Gebruik maken van
    stabiliteitsregeling.....................................178

    Extra voedingsaansluitingen ...................147

    Uitvoeringen met schakelaar
    stabiliteitsregeling (ESP)............................178
    Uitvoeringen zonder schakelaar
    stabiliteitsregeling (ESP)............................179

    Galaxy......................................................................147
    S-Max......................................................................147

    F

    Gebruik van de actieve
    schokdemperregeling .............................183

    Functie voorgangerwaarschuwing
    (forward alert)...........................................196

    Een instelling selecteren..................................183
    Storing in het systeem......................................183

    Gevoeligheid voor de waarschuwingen
    instellen.............................................................197
    Het systeem in- en uitschakelen...................197

    Gebruik van sneeuwkettingen.................273
    Uitvoeringen met stabiliteitsregeling
    (ESP).................................................................273

    Gebruik van veiligheidsgordels tijdens
    zwangerschap...............................................37
    Gebruik van winterbanden.......................273
    Gecodeerde sleutels.....................................49
    Geheugenfunctie..........................................150
    Een opgeslagen stoelstand oproepen.........151
    Een stand in het geheugen opslaan.............151
    Geheugen opnieuw programmeren.............151

    357



  • Page 360

    Index
    Gemaksfuncties............................................144
    Gevarendriehoek.........................................230
    Geventileerde stoelen.................................142

    Hill launch assist (HLA)
    Zie: Regeling voor bergop rijden
    gebruiken..........................................................180

    Temperatuur verhogen en verlagen.............143

    HLA

    Glashouder.....................................................150
    Gloeilampentabel..........................................79
    Gloeilampen vervangen...............................70

    HLA

    Zie: Regeling voor bergop rijden...................180
    Zie: Regeling voor bergop rijden
    gebruiken..........................................................180

    Achterlicht (Galaxy)............................................75
    Achterlichten (S-MAX)......................................74
    Bagageruimtelamp en
    achterkleplamp................................................79
    Dagrijlichten............................................................72
    Derde remlicht.......................................................77
    Interieurverlichting................................................77
    Kentekenplaatverlichting...................................77
    Koplamp..................................................................70
    Leeslampen............................................................78
    Mistlamp en stadslicht (Galaxy)....................74
    Mistlamp en stadslicht (S-MAX)...................73
    Naderingslicht........................................................72
    Verlichting make-up spiegel............................78
    Zijknipperlicht.........................................................72

    Hondenrek.......................................................219
    Hondenrek aanbrengen..................................220

    Hoofdsteunen................................................137
    Hoofdsteun instellen.........................................137
    Hoofdsteun verwijderen...................................137

    Hoogte van veiligheidsgordels
    afstellen..........................................................36
    Hulpstartkabels
    Zie: Starten met hulpstartkabels ...............263

    I
    Immobilisatiesysteem inschakelen........49
    Immobilisatiesysteem

    Gloeilampen vervangen

    Zie: Motorstartblokkering.................................49

    Immobilisatiesysteem uitschakelen.......49

    Zie: Gloeilampen vervangen............................70

    Golfband toets.............................................293

    H
    Handgeschakelde versnellingsbak.........171
    Handmatige klimaatregeling.....................121
    Aanjager..................................................................122
    Airconditioning.....................................................122
    Interieur snel verwarmen.................................122
    Luchtrecirculatie..................................................122
    Luchtverdeelknop................................................121
    Ventilatie................................................................122

    Handmatig verstelbare stoelen..............134
    Hellingshoek van de rugleuning
    verstellen...........................................................135
    Hoogte van de bestuurdersstoel
    verstellen...........................................................135
    Lendensteun afstellen......................................135
    Stoelen naar voren en achteren
    schuiven............................................................134

    Handrem
    Zie: Parkeerrem....................................................174

    358



  • Page 361

    Index
    In één oogopslag .............................................11

    Infoberichten.................................................109

    Achteruitkijkcamera.............................................21
    Automatische grootlichtregeling....................16
    Automatische klimaatregeling........................18
    Automatische transmissie...............................20
    Automatisch in-/uitschakelde
    verlichting............................................................16
    Automatisch wissen.............................................15
    Buitenspiegels naar beneden kantelen bij
    achteruitrijden....................................................17
    De auto op vier wielen slepen..........................22
    Dieselroetfilter (DPF)..........................................19
    Driver alert...............................................................22
    Elektrisch bedienbare ruiten.............................16
    Elektrische kinderveiligheidssloten................14
    Elektrische parkeerrem (EPB)........................20
    Elektrisch inklapbare buitenspiegels..............17
    Handbediende klimaatregeling.......................18
    Handgeschakelde versnellingsbak...............20
    Informatiedisplays.................................................17
    Informatiesysteem dode hoek (BLIS)...........17
    Keyless entry (sleutelloze toegang)..............14
    Keyless starten.......................................................18
    Klep van brandstofvulopening.........................19
    Overzicht instrumentenpaneel - stuur
    links.........................................................................11
    Overzicht instrumentenpaneel - stuur
    rechts....................................................................12
    Richtingaanwijzers...............................................16
    Ruitenwisserbladen vervangen.......................15
    Snelheidsbegrenzer..............................................21
    Stationair toerental na het starten................18
    Stuurwiel instellen................................................15
    Waarschuwing voor verlaten rijstrook (lane
    departure)..........................................................22

    Accu en laadsysteem..........................................111
    Actief veersysteem.............................................110
    Actuele berichten bekijken..............................110
    Airbag.......................................................................110
    Alarmsignaal..........................................................111
    Automatische grootlichtregeling,
    waarschuwingssysteem verlaten rijstrook
    en waarschuwingssysteem
    bestuurder..........................................................111
    Bandenspanningscontrolesysteem.............118
    Berichtenindicator.............................................109
    Berichtsymbolen................................................109
    Bescherming van de inzittenden...................115
    Cruise control en adaptieve cruise control
    (ACC)...................................................................112
    Dodehoekmonitor...............................................112
    Elektrisch bediend kinderslot..........................112
    Elektrische parkeerrem (EPB)........................116
    Handrem.................................................................116
    Hellingstart............................................................114
    Keyless systeem...................................................114
    Klimaatregeling....................................................112
    Onderhoud.............................................................115
    Portieren open......................................................113
    Spraakbesturing..................................................119
    Stabiliteitsregeling (ESP).................................117
    Start/stop................................................................117
    Startblokkeringssysteem..................................113
    Stuurbekrachtiging.............................................116
    Transmissie.............................................................117
    Verlichting...............................................................114

    Infodisplays......................................................96
    Algemene informatie..........................................96

    Informatiecentrum
    Zie: Infodisplays....................................................96

    Ingangsaansluiting (AUX IN)...................307
    Inhouden en specificaties ........................279
    Technische specificatie...................................279

    Inleiding audio-installatie.........................283
    Inleiding.................................................................7
    Inrijden.............................................................229
    Banden..................................................................229
    Motor......................................................................229
    Remmen en koppeling.....................................229

    Instrumentenpaneel....................................90

    359



  • Page 362

    Index

    L

    Interieurverlichting.........................................67
    Instapverlichting...................................................67
    LED-interieurverlichting....................................68
    Leeslampen...........................................................68
    Verlichting make-up spiegels..........................69

    Ladingsteunen
    Zie: Dakrekken en bagagedragers.................213

    Luchtroosters

    Introductie .....................................................347

    Zie: Ventilatieroosters.......................................120

    Compatibiliteit van
    telefoontoestellen........................................347
    Micro SD-kaart installeren..............................347
    Navigatiesysteem mobiele telefoon
    activeren...........................................................347

    M
    Menu's audio-installatie...........................297
    Meters................................................................90

    Introductie navigatie .................................346
    iPod-aansluiting

    Brandstofmeter....................................................92
    Koelvloeistoftemperatuurmeter.....................91

    Zie: Extern apparaat aansluiten ..................338
    Zie: Extern apparaat aansluiten - Auto's met:
    Bluetooth.........................................................339

    Mistachterlichten...........................................64
    Mistlampen - Achter
    Zie: Mistachterlichten.........................................64

    iPod gebruiken .............................................342

    Mistlampen - Voor

    CD-navigatie-units............................................343
    SD-navigatie-units............................................344
    Sony radio.............................................................342

    Zie: Voorste mistlampen...................................64

    Monitor dode hoek .......................................86
    Gebruik van het systeem...................................87
    Informatiesysteem dode hoek (BLIS).........86
    Registratiefouten.................................................88
    Systeem in- en uitschakelen...........................88
    Systeemregistratie en
    -waarschuwingen...........................................87

    iPod
    Zie: iPod gebruiken ...........................................342

    ISOFIX verankeringspunten.......................29
    Een kinderzitje met een veiligheidsgordel
    aan de bovenzijde bevestigen....................29
    Verankeringspunten bovenste gordel..........29

    Motorblokverwarming ...............................159
    Motorkapslot

    K

    Zie: De motorkap openen en sluiten..........245

    Motorkoelvloeistof controleren..............255

    Katalysator.....................................................164

    Bijvullen.................................................................256
    Koelvloeistofpeil controleren........................255

    Rijden met een auto met katalysator.........164

    Kinder observatiespiegel...........................152
    Kindersloten.....................................................30

    Motorolie controleren................................255
    Bijvullen.................................................................255
    Het oliepeil controleren...................................255

    Elektrisch bediende kindersloten...................30
    Handmatig bediende kindersloten...............30

    Motorstartblokkering....................................49

    Kinderzitjes.......................................................23

    Werking....................................................................49

    Kinderzitjes voor verschillende
    gewichtsgroepen.............................................23

    Motor starten en stoppen ........................153

    Kleine lakschade repareren.....................262
    Klimaatregeling.............................................120

    Motor uitschakelen......................................159

    Algemene informatie.........................................153
    Auto's met turbocompressor........................159

    Werking..................................................................120

    MP3-aansluiting

    Klok....................................................................146
    Koplampen afstellen - Auto's met:
    Adaptieve verlichting, voor/Xenon
    koplampen....................................................64
    Koplamphoogte afstellen...........................64

    Zie: Extern apparaat aansluiten ..................338
    Zie: Extern apparaat aansluiten - Auto's met:
    Bluetooth.........................................................339

    MP3-bestand afspelen.............................305
    6000CD................................................................305
    Een multi session CD afspelen.....................305
    Sony en Sony DAB............................................305

    Aanbevolen regelknopstanden......................65

    Koplampsproeiers.........................................58

    360



  • Page 363

    Index
    MP3 weergave-opties...............................305

    Overzicht motorruimte - 2,0 l
    Duratorq-TDCi (DW) diesel ..................251
    Overzicht motorruimte - 2,0 l EcoBoost
    SCTi (MI4)...................................................248
    Overzicht motorruimte - 2,2 l
    Duratorq-TDCi (DW) diesel .................253
    Overzicht motorruimte - 2,3 l Duratec-HE
    (MI4).............................................................249
    Overzicht van symbolen.................................7

    Opties weergave CD tekst.............................306

    N
    Navigatiesysteem .......................................347
    Nieuwsberichten.........................................299
    Alle behalve Sony en Sony DAB..................299
    Sony en Sony DAB............................................299

    Nummer selecteren.....................................301

    Symbolen in dit instructieboekje.......................7
    Symbolen op uw auto...........................................7

    Alle behalve Sony en Sony DAB...................301
    Sony en Sony DAB.............................................301

    P

    O

    Parkeerhulp....................................................184

    Oliepeilstaaf - 1,6 l Duratorq-TDCi (DV)
    diesel /2,0 l Duratorq-TDCi (DW) diesel
    /2,2 l Duratorq-TDCi (DW) diesel
    .........................................................................254
    Oliepeilstaaf - 1,6L EcoBoost SCTi
    (Sigma)........................................................254
    Oliepeilstaaf - 2,0 l Duratec-HE
    (MI4)/2,3 l Duratec-HE (MI4)..............254
    Oliepeilstaaf - 2,0 l EcoBoost SCTi
    (MI4).............................................................254
    Onderhoud.....................................................244

    Manoeuvreren met de parkeerhulp.............185
    Parkeerhulp in- en uitschakelen...................184

    Parkeerhulp ...................................................184
    Werking..................................................................184

    Parkeerrem......................................................174
    Handrem aantrekken ........................................174
    Handrem vrijzetten.............................................175
    Op een helling parkeren....................................175

    Passagiersairbag uitschakelen..................37
    Airbag aan passagierszijde
    inschakelen........................................................38
    Airbag aan passagierszijde
    uitschakelen......................................................38
    Schakelaar voor airbag aan passagierszijde
    monteren............................................................37

    Algemene informatie.......................................244
    Technische specificatie....................................257

    Onjuiste beveiligingscode.........................287
    Opbergruimte onder vloer
    achterin........................................................209

    Persoonlijke instellingen............................107

    S-MAX....................................................................210
    Uitvoeringen met een uitschuifbare
    laadvloer..........................................................209

    Helpscherm, informatie met betrekking tot
    de radio, het navigatiesysteem en de
    telefoon.............................................................107
    Maateenheden....................................................108
    Navigatie-informatie.........................................107
    Taal..........................................................................108

    Opbergruimtes..............................................148
    Opbergvakken tegen het dak.........................149
    Opbergvakken voorin........................................148
    Opbergvak onder de stoel..............................149
    Opbergvak onder de vloer...............................149

    Plaatsen zekeringenhouders....................231
    Centrale zekeringenkast...................................231
    Zekeringenkast achterin...................................231
    Zekeringenkast in het
    motorcompartiment.....................................231

    Over deze handleiding ....................................7
    Overzicht audio-installatie......................284
    Overzicht motorruimte - 1,6 l
    Duratorq-TDCi (DV) diesel ..................250
    Overzicht motorruimte - 1,6L EcoBoost
    SCTi (Sigma).............................................246
    Overzicht motorruimte - 2,0 l
    Duratec-HE (MI4).....................................247

    Plaatsing van kinderzitjes...........................25

    361



  • Page 364

    Index
    Programmeren van de
    afstandsbediening......................................39

    Ruiten en spiegels...........................................81
    Ruitensproeiers

    Een nieuwe afstandsbediening
    programmeren.................................................39
    Ontgrendelfunctie opnieuw
    programmeren.................................................39

    Zie: Ruitenwissers en ruitensproeiers...........56

    Ruitensproeiervloeistof
    controleren..................................................257
    Ruitenwisserbladen controleren..............58
    Ruitenwisserbladen vervangen................58

    R

    Achterruitwisserbladen.....................................59
    Voorruitwisserbladen.........................................58

    Reductie geluidsvervorming
    (CLIP)............................................................297

    Ruitenwissers en ruitensproeiers.............56
    Technische specificatie.....................................60

    Alle behalve Sony en Sony DAB...................297
    Sony en Sony DAB............................................298

    S

    Regeling functie
    verkeersinformatie...................................293

    Schuifbare laadvloer.................................208

    Instellen van het voorgeprogrammeerde
    volume..............................................................294
    Lokale of algemene
    verkeersinformatie.......................................294
    Verkeersberichten beëindigen......................295
    Verkeersberichten inschakelen....................293
    Volume van de verkeersberichten...............294

    Opbergvak...........................................................208

    Setup Bluetooth...........................................310
    Eisen voor een Bluetooth verbinding..........310
    Telefoons bedienen...........................................310

    Setup telefoon................................................311
    Een andere Bluetooth telefoon
    aanmelden........................................................311
    Telefoonboek.........................................................311
    Telefoonboekcategorieën.................................311
    Van een telefoon een actieve telefoon
    maken.................................................................311

    Regeling voor bergop rijden
    gebruiken......................................................180
    De HLA activeren.................................................181
    De HLA uitschakelen.........................................182

    Regeling voor bergop rijden.....................180

    Shuffle/random (door
    elkaar/willekeurig)...................................303

    Werking..................................................................180

    Regionale modus (REG)...........................299

    6000CD................................................................303
    Sony CD en Sony CD DAB..............................303

    Alle behalve Sony en Sony DAB..................299
    Sony en Sony DAB............................................299

    Sleeppunten..................................................242

    Reinigen van binnenzijde auto.................261

    Locatie sleepoog................................................242
    Sleepoog aanbrengen......................................242

    Achterruiten..........................................................261
    Instrumentenpaneelschermen,
    LCD-schermen, radioschermen...............261
    Veiligheidsgordels..............................................261

    Sleutelloos starten.......................................153
    Contact aan..........................................................154
    Een dieselmotor starten..................................154
    Motor slaat niet aan..........................................154
    Motor starten bij uitvoeringen met
    automatische transmissie.........................154
    Motor starten bij uitvoeringen met
    handgeschakelde versnellingsbak..........154
    Motor stoppen bij stilstaande auto.............155
    Motor uitschakelen bij rijdende auto...........155

    Reinigen van buitenzijde auto................260
    Achterruit reinigen.............................................260
    Chromen onderdelen reinigen......................260
    Koplampen reinigen.........................................260
    Lichtmetalen velgen reinigen.......................260
    Onderhoud van de lak......................................261

    Remmen...........................................................174
    Werking...................................................................174

    Richtingaanwijzers.........................................67
    Rijveiligheid ...................................................346
    Veiligheidsinformatie.......................................346

    Rugleuningtafeltjes.....................................150

    362



  • Page 365

    Index
    Sleutelloze toegang......................................45

    Starten met hulpstartkabels ..................263

    Algemene informatie..........................................45
    Auto ontgrendelen...............................................47
    Auto vergrendelen...............................................46
    Passive key.............................................................46
    Portieren met de sleutelbaard vergrendelen
    en ontgrendelen..............................................48
    Uitgeschakelde sleutels.....................................47

    Hulpstartkabels aansluiten...........................263
    Motor starten......................................................264

    Station afstemtoetsen..............................295
    DAB-service linking...........................................295
    Handmatig afstemmen..................................295
    Scanfunctie.........................................................296
    Zoeken...................................................................295

    Sleutels en afstandsbediening.................39
    Sloten.................................................................42
    Sneeuwkettingen

    Stoelen.............................................................134
    Stoelgeheugenfunctie

    Zie: Gebruik van sneeuwkettingen..............273

    Stoelverhogers ...............................................24

    Snelheidsbegrenzer gebruiken...............198

    Kinderzitje (Groep 2)...........................................24
    Zitverhoger (Groep 3).........................................25

    Zie: Geheugenfunctie.......................................150

    De snelheidslimiet doelbewust
    overschrijden...................................................199
    Snelheidslimiet instellen.................................198
    Systeemwaarschuwingen..............................199

    Storingen verhelpen
    audio-installatie.......................................308
    Stuurbekrachtigingsvloeistof
    controleren..................................................256

    Snelheidsbegrenzer....................................198
    Werking..................................................................198

    Bijvullen..................................................................257

    Snelheidsregeling (Cruise Control)

    Stuurwiel afstellen........................................54
    Stuurwielblokkering.....................................155

    Zie: Gebruik maken van
    snelheidsregeling..........................................189

    Uitvoeringen met keyless
    startsysteem...................................................156
    Uitvoeringen zonder keyless
    startsysteem....................................................155

    Snelheidsregeling (Cruise Control).......189
    Werking..................................................................189

    Specificatie-overzicht zekeringen.........233

    Stuurwiel...........................................................54

    Centrale zekeringenkast..................................237
    Zekeringenkast achterin..................................239
    Zekeringenkast in motorruimte....................233

    T

    Spiegels

    Tanken - Flex Fuel (FF, ethanol).............166
    Tanken..............................................................166
    Tankklep...........................................................165

    Zie: Ruiten en spiegels........................................81
    Zie: Verwarmde ruiten en spiegels...............128

    Spraakgestuurd regelsysteem
    gebruiken......................................................318

    Tanken met een jerrycan.................................166

    Technische specificaties

    Spraaklabel...........................................................319
    Werking van het systeem................................318

    Zie: Inhouden en specificaties ......................279

    Spraaksturing.................................................318

    Telefoon

    Werking..................................................................318

    Zie: Gebruik maken van de telefoon - Auto's
    met: Navigatiesysteem ...............................315
    Zie: Gebruik maken van de telefoon - Auto's
    zonder: Navigatiesysteem .........................312

    Stabiliteitsregeling.......................................178
    Werking...................................................................178

    Standverwarming

    Telefoon...........................................................310

    Zie: Extra verwarming.......................................128

    Start/stop knop gebruiken.......................160

    Algemene informatie........................................310

    Motor afzetten.....................................................160
    Motor starten........................................................161

    Tijd en datum van de audio-installatie
    instellen........................................................288

    Start/stop knop............................................160

    6000CD................................................................288
    Sony en Sony DAB............................................288

    Werking..................................................................160

    Starten met hulpstartkabels

    Tips voor het rijden met ABS

    Zie: Starten met hulpstartkabels ...............263

    Zie: Tips voor rijden met ABS ........................174

    363



  • Page 366

    Index
    Tips voor het rijden......................................229
    Tips voor rijden met ABS ...........................174
    Transport........................................................205

    Velgen en banden.......................................265
    Algemene informatie.......................................265
    Technische specificatie....................................275

    Ventilatie

    Algemene informatie.......................................205

    Trekhaak .........................................................222

    Zie: Klimaatregeling...........................................120

    Onderhoud...........................................................225
    Rijden met een aanhanger.............................224
    Rijden zonder aanhanger................................225
    Trekhaakkogel aanbrengen............................223
    Trekhaakkogel ontgrendelen.........................223
    Trekhaakkogel verwijderen............................224

    Ventilatieroosters.........................................120

    Trekken van een aanhanger.....................222

    Vergrendelen en ontgrendelen.................42

    Steile hellingen....................................................222

    Achterklep...............................................................44
    Automatisch opnieuw vergrendelen............44
    Bevestiging van vergrendelen en
    ontgrendelen.....................................................42
    Centrale vergrendeling.......................................42
    De portieren van binnenuit vergrendelen en
    ontgrendelen.....................................................43
    Dubbele vergrendeling.......................................42
    Ontgrendelfunctie opnieuw
    programmeren.................................................44
    Portieren en achterklep vergrendelen en
    ontgrendelen met de
    afstandsbediening..........................................43
    Portieren met de sleutel dubbel
    vergrendelen.....................................................43
    Portieren met de sleutel vergrendelen en
    ontgrendelen.....................................................42

    Luchtroosters, voor............................................120
    Luchtroosters derde zitrij..................................121
    Luchtroosters tweede zitrij...............................121

    Verbinding.......................................................337
    Algemene informatie........................................337

    Tripcomputer.................................................105
    Actieradius tot de brandstoftank leeg
    is...........................................................................105
    Buitentemperatuur............................................105
    Dagteller................................................................105
    Gemiddeld brandstofverbruik.......................105
    Gemiddelde snelheid........................................105
    Kilometerteller.....................................................105
    Type 1 en 2.............................................................106
    Type 3.....................................................................106

    Typegoedkeuringen....................................349
    Certificaat voor Verenigde Arabische
    Emiraten..........................................................350
    EU-verklaring......................................................350
    FCC/INDUSTRY CANADA NOTICE.............349
    RX-42 - Conformiteitsverklaring.................349

    Verlichtingsbediening....................................61

    U

    Grootlicht en dimlicht.........................................61
    Home safe verlichting.........................................61
    Lichtsignaal.............................................................61
    Parkeerlichten........................................................61
    Standen van de lichtschakelaar......................61

    USB-apparaat gebruiken ........................339
    CD-navigatie-units...........................................340
    SD-navigatie-units.............................................341
    Sony radio.............................................................339

    Verlichting..........................................................61
    Versneld vooruit/achteruit.......................302

    USB-poort.......................................................152
    USB

    Alle behalve Sony en Sony DAB..................302
    Sony en Sony DAB............................................303

    Zie: USB-apparaat gebruiken ......................339

    V

    Versnellingsbak/transmissie.....................171
    Versnellingsbak

    Veiligheidsgordels vastmaken..................34

    Verwarmde ruiten en spiegels.................128

    Veiligheidsgordel op tweede zitrij..................35

    Verwarmbare buitenspiegels.........................128
    Verwarmbare ruiten...........................................128

    Zie: Versnellingsbak/transmissie...................171

    Veiligheidsgordels
    Zie: Veiligheidsgordels vastmaken................34

    Verwarmde stoelen.....................................142

    Veiligheidsmaatregelen.............................163
    Veiligheidsuitrusting voor kinderen.........23

    Temperatuur verhogen en verlagen.............142

    364



  • Page 367

    Index
    Verwarming

    Waarschuwings- en
    indicatielampen...........................................92

    Zie: Klimaatregeling...........................................120

    Verzorging van banden..............................272
    Verzorging van de auto.............................260
    VIN

    Berichtenindicator...............................................94
    Controlelamp 'Vorst'...........................................93
    Controlelamp elektrische parkeerrem
    (EPB)...................................................................93
    Controlelamp grootlicht....................................94
    Controlelampje Forward Alert........................93
    Controlelampje koplampen.............................93
    Controlelampje mistachterlicht.....................94
    Controlelampje mistlampen, vóór.................93
    Controlelampje schakelen...............................94
    Controlelampje voorgloeibougies.................93
    Controlelamp oliedruk.......................................94
    Herinneringssysteem
    veiligheidsgordel.............................................94
    Indicator dodehoekmonitor.............................92
    Lamp remsysteem...............................................92
    Richtingaanwijzers..............................................93
    Start/stop-indicatielamp..................................95
    Waarschuwingslampje ABS............................92
    Waarschuwingslampje airbag........................92
    Waarschuwingslampje laadstroom.............93
    Waarschuwingslampje laag
    brandstofniveau..............................................94
    Waarschuwingslampje motor.........................93
    Waarschuwingslampje stabiliteitsregeling
    (ESP)...................................................................94
    Waarschuwingslamp
    koelvloeistoftemperatuur............................92
    Waarschuwing voor verlaten rijstrook (lane
    departure).........................................................94

    Zie: Voertuigidentificatienummer................278

    Vloermatten....................................................152
    Voertuigidentificatienummer..................278
    Voertuigidentificatieplaatje......................277
    Voertuigidentificatie....................................277
    Voorkeuzetoetsen.......................................292
    Voorruitsproeiers afstellen..........................57
    Voorruitsproeiers............................................57
    Voorruitwissers...............................................56
    Wissen met intervallen......................................56

    Voorste mistlampen.....................................64
    Voorzorgsmaatregelen voor koude
    weersomstandigheden..........................229

    W
    Waarschuwing rijden buiten baan
    gebruiken.....................................................203
    De gevoeligheid van het systeem
    instellen............................................................203
    Het systeem in- en uitschakelen.................203
    Systeemwaarschuwingen..............................203
    Trillingsniveau in stuurwiel afstellen..........203

    Waarschuwing rijden buiten baan........202
    Werking..................................................................202

    Waarschuwingsknipperlichten.................67
    Waarschuwingssignaal
    veiligheidsgordel.........................................36
    Herinneringssysteem uitschakelen...............36

    Wagen wassen
    Zie: Reinigen van buitenzijde auto..............260

    Wassen
    Zie: Reinigen van buitenzijde auto..............260

    Wat te doen bij pech .................................230
    Wegenkaartopbergvakken.......................150
    Werking van de audio-installatie..........290
    Winterbanden
    Zie: Gebruik van winterbanden.....................273

    365



  • Page 368

    Index

    Z
    Zekeringen.......................................................231
    Zonnekleppen ...............................................144
    Dak (Galaxy)........................................................144
    Dak (S-MAX).......................................................144
    Zijruiten..................................................................144

    366



  • Page 369



  • Page 370

    CG3533nl






Missbrauch melden von Frage und/oder Antwort

Libble nimmt den Missbrauch seiner Dienste sehr ernst. Wir setzen uns dafür ein, derartige Missbrauchsfälle gemäß den Gesetzen Ihres Heimatlandes zu behandeln. Wenn Sie eine Meldung übermitteln, überprüfen wir Ihre Informationen und ergreifen entsprechende Maßnahmen. Wir melden uns nur dann wieder bei Ihnen, wenn wir weitere Einzelheiten wissen müssen oder weitere Informationen für Sie haben.

Art des Missbrauchs:

Zum Beispiel antisemitische Inhalte, rassistische Inhalte oder Material, das zu einer Gewalttat führen könnte.

Beispielsweise eine Kreditkartennummer, persönliche Identifikationsnummer oder unveröffentlichte Privatadresse. Beachten Sie, dass E-Mail-Adressen und der vollständige Name nicht als private Informationen angesehen werden.

Forenregeln

Um zu sinnvolle Fragen zu kommen halten Sie sich bitte an folgende Spielregeln:

Neu registrieren

Registrieren auf E - Mails für Ford S-Max wenn:


Sie erhalten eine E-Mail, um sich für eine oder beide Optionen anzumelden.


Holen Sie sich Ihr Benutzerhandbuch per E-Mail

Geben Sie Ihre E-Mail-Adresse ein, um das Handbuch zu erhalten von Ford S-Max in der Sprache / Sprachen: Holländisch als Anhang in Ihrer E-Mail.

Das Handbuch ist 41,11 mb groß.

 

Sie erhalten das Handbuch in Ihrer E-Mail innerhalb von Minuten. Wenn Sie keine E-Mail erhalten haben, haben Sie wahrscheinlich die falsche E-Mail-Adresse eingegeben oder Ihre Mailbox ist zu voll. Darüber hinaus kann es sein, dass Ihr ISP eine maximale Größe für E-Mails empfangen kann.

Das Handbuch wird per E-Mail gesendet. Überprüfen Sie ihre E-Mail.

Wenn Sie innerhalb von 15 Minuten keine E-Mail mit dem Handbuch erhalten haben, kann es sein, dass Sie eine falsche E-Mail-Adresse eingegeben haben oder dass Ihr ISP eine maximale Größe eingestellt hat, um E-Mails zu erhalten, die kleiner als die Größe des Handbuchs sind.

Ihre Frage wurde zu diesem Forum hinzugefügt

Möchten Sie eine E-Mail erhalten, wenn neue Antworten und Fragen veröffentlicht werden? Geben Sie bitte Ihre Email-Adresse ein.



Info