Zoom out
Zoom in
Vorherige Seite
1/150
Nächste Seite
Notebookcomputer
Gebruikershandleiding
1

Brauchen Sie Hilfe? Stellen Sie Ihre Frage.

Forenregeln

Forum

Suche zurücksetzen

Inhalt der Seiten


  • Page 1

    Notebookcomputer
    Gebruikershandleiding



  • Page 2

    © Copyright 2010 Hewlett-Packard
    Development Company, L.P.
    Bluetooth is een handelsmerk van de
    desbetreffende eigenaar en wordt door
    Hewlett-Packard Company onder licentie
    gebruikt. Intel is een handelsmerk van Intel
    Corporation in de Verenigde Staten en
    andere landen of regio’s. Java is een in de
    Verenigde Staten gedeponeerd
    handelsmerk van Sun Microsystems, Inc.
    Microsoft en Windows zijn in de Verenigde
    Staten gedeponeerde handelsmerken van
    Microsoft Corporation. Het SD-logo is een
    handelsmerk van de desbetreffende
    eigenaar.
    De informatie in deze documentatie kan
    zonder kennisgeving worden gewijzigd. De
    enige garanties voor HP producten en
    diensten staan vermeld in de expliciete
    garantievoorwaarden bij de betreffende
    producten en diensten. Aan de informatie in
    deze handleiding kunnen geen aanvullende
    rechten worden ontleend. HP aanvaardt
    geen aansprakelijkheid voor technische
    fouten, drukfouten of weglatingen in deze
    publicatie.
    Eerste editie, maart 2010
    Artikelnummer: 601865-331

    Kennisgeving over het product
    In deze handleiding worden de
    voorzieningen beschreven die op de meeste
    modellen beschikbaar zijn. Mogelijk zijn niet
    alle voorzieningen op uw computer
    beschikbaar.



  • Page 3

    Kennisgeving aangaande de veiligheid
    WAARSCHUWING! U kunt het risico van letsel door verbranding of van oververhitting van de
    computer beperken door de computer niet op uw schoot te nemen en de ventilatieopeningen van de
    computer niet te blokkeren. Gebruik de computer alleen op een stevige, vlakke ondergrond. Zorg dat
    de luchtcirculatie niet wordt geblokkeerd door een voorwerp van hard materiaal (zoals een optionele
    printer naast de computer) of een voorwerp van zacht materiaal (zoals een kussen, een kleed of kleding).
    Zorg er ook voor dat de netvoedingsadapter tijdens het gebruik niet in contact kan komen met de huid
    of een voorwerp van zacht materiaal, zoals een kussen, een kleed of kleding. De computer en de
    netvoedingsadapter voldoen aan de temperatuurlimieten voor oppervlakken die voor de gebruiker
    toegankelijk zijn, zoals gedefinieerd door de International Standard for Safety of Information Technology
    Equipment (IEC 60950).

    iii



  • Page 4

    iv

    Kennisgeving aangaande de veiligheid



  • Page 5

    Inhoudsopgave
    1 Voorzieningen ................................................................................................................................................. 1
    Hardware herkennen ............................................................................................................................ 1
    Onderdelen aan de bovenkant ............................................................................................ 1
    Touchpad ............................................................................................................ 1
    Lampjes ............................................................................................................... 2
    Knoppen, schakelaar en luidspreker ................................................................... 3
    Toetsen ............................................................................................................... 5
    Onderdelen aan de voorkant ............................................................................................... 6
    Onderdelen aan de rechterkant ........................................................................................... 7
    Onderdelen aan de linkerkant .............................................................................................. 8
    Onderdelen aan de onderkant ............................................................................................. 9
    Multimediacomponenten .................................................................................................... 10
    Antennes voor draadloze communicatie (alleen bepaalde modellen) ............................... 11
    Aanvullende hardwareonderdelen ..................................................................................... 12
    Labels herkennen ............................................................................................................................... 12
    2 Netwerk .......................................................................................................................................................... 14
    Apparaten voor draadloze communicatie gebruiken (alleen bepaalde modellen) .............................. 14
    Pictogrammen voor draadloze communicatie en netwerk herkennen ............................... 14
    Bedieningselementen voor draadloze communicatie gebruiken ....................................... 15
    Toets voor draadloze communicatie gebruiken ................................................................. 15
    Wireless Assistant software gebruiken (alleen bepaalde modellen) .................................. 16
    Voorzieningen van het besturingssysteem gebruiken ....................................................... 16
    Draadloos netwerk gebruiken ............................................................................................................. 16
    Draadloos netwerk installeren ........................................................................................... 17
    Draadloos netwerk beveiligen ............................................................................................ 17
    Verbinding maken met een draadloos netwerk ................................................................. 18
    Naar een ander netwerk roamen ....................................................................................... 19
    Bluetooth-apparaten voor draadloze communicatie gebruiken (alleen bepaalde modellen) .............. 19
    Bluetooth en Internetverbinding delen (ICS) ...................................................................... 19
    Problemen met draadloze verbinding oplossen ................................................................................. 20
    Kan geen verbinding maken met een draadloos netwerk .................................................. 20
    Kan geen verbinding maken met een voorkeursnetwerk ................................................... 21
    Netwerkpictogram wordt niet weergegeven ....................................................................... 21
    Actuele netwerkbeveiligingscodes zijn niet beschikbaar ................................................... 21
    Verbinding met een draadloos netwerk is zeer zwak ........................................................ 22
    Kan geen verbinding maken met de draadloze router ....................................................... 22
    Modem gebruiken (alleen bepaalde modellen) .................................................................................. 22

    v



  • Page 6

    Een modemkabel aansluiten (apart verkrijgbaar) .............................................................. 23
    Modemkabeladapter voor specifieke landen/regio's aansluiten (apart verkrijgbaar) ......... 23
    Locatie-instelling selecteren .............................................................................................. 24
    Huidige locatieselectie weergeven .................................................................... 24
    Nieuwe locaties toevoegen tijdens het reizen ................................................... 25
    Problemen met de reisverbinding oplossen ...................................................... 26
    Verbinding maken met een lokaal netwerk (LAN) .............................................................................. 27
    3 Cursorbesturing en toetsenbord ................................................................................................................. 28
    Cursorbesturing gebruiken ................................................................................................................. 28
    Voorkeuren voor aanwijsapparaten instellen ..................................................................... 28
    Touchpad gebruiken .......................................................................................................... 28
    Externe muis aansluiten .................................................................................................... 28
    Toetsenbord gebruiken ...................................................................................................................... 28
    Hotkeys gebruiken ............................................................................................................. 28
    Systeeminformatie weergeven .......................................................................... 30
    Help en ondersteuning openen ......................................................................... 31
    Helderheid van het scherm verlagen ................................................................ 31
    Helderheid van het scherm verhogen ............................................................... 31
    Schakelen tussen beeldschermen .................................................................... 31
    Slaapstand activeren (fn+f5) ............................................................................. 32
    QuickLock activeren (fn+f6) (alleen bepaalde modellen) .................................. 32
    Webbrowser starten (fn+f7) (alleen bepaalde modellen) .................................. 32
    Printer starten (fn+f8) (alleen bepaalde modellen) ............................................ 32
    Geluid in- en uitschakelen (fn+f7) (alleen bepaalde modellen) ......................... 32
    Geluidsvolume verlagen (fn+f8) (alleen bepaalde modellen) ............................ 33
    Geluidsvolume verhogen (fn+f9) (alleen bepaalde modellen) ........................... 33
    Vorige muziekstuk of hoofdstuk op een audio-cd of een dvd of (fn+f10) (alleen
    bepaalde modellen) ........................................................................................... 33
    Audio-cd of dvd afspelen, onderbreken of hervatten (fn+f11) (alleen bepaalde
    modellen) .......................................................................................................... 33
    Volgende muziekstuk of hoofdstuk op een audio-cd of een dvd (fn+f12)
    (alleen bepaalde modellen) ............................................................................... 33
    Geïntegreerd numeriek toetsenblok gebruiken .................................................................................. 33
    Geïntegreerd numeriek toetsenblok in- en uitschakelen ................................................... 33
    Schakelen tussen functies van toetsen op het geïntegreerde toetsenblok ........................ 34
    Optioneel extern numeriek toetsenblok gebruiken ............................................................................. 34
    4 Multimedia ..................................................................................................................................................... 35
    Multimediavoorzieningen .................................................................................................................... 35
    Multimediacomponenten herkennen .................................................................................. 35
    Geluidsvolume aanpassen ................................................................................................ 37
    Multimediasoftware ............................................................................................................................ 38
    Toegang tot vooraf geïnstalleerde multimediasoftware ..................................................... 38

    vi



  • Page 7

    Multimediasoftware gebruiken ........................................................................................... 38
    Multimediasoftware vanaf een schijf installeren ................................................................ 39
    Audio .................................................................................................................................................. 39
    Externe audioapparatuur aansluiten .................................................................................. 39
    Audiofuncties controleren .................................................................................................. 40
    Video .................................................................................................................................................. 40
    Externe monitor of projector aansluiten ............................................................................. 40
    Externemonitorpoort gebruiken ......................................................................... 40
    HDMI-poort gebruiken ....................................................................................................... 41
    Audio configureren voor HDMI .......................................................................................... 42
    Optischeschijfeenheid (alleen bepaalde modellen) ............................................................................ 42
    Geïnstalleerde optischeschijfeenheid herkennen .............................................................. 42
    Optische schijven (cd's, dvd's en bd's) gebruiken ............................................................. 43
    Juiste type schijf kiezen (cd's, dvd's en bd's) ..................................................................... 43
    Cd-r-schijven ..................................................................................................... 44
    Cd-rw-schijven .................................................................................................. 44
    Dvd±r-schijven .................................................................................................. 44
    Dvd±rw-schijven ................................................................................................ 44
    LightScribe dvd+r-schijven ................................................................................ 45
    Blu-ray Discs (bd’s) ........................................................................................... 45
    Cd, dvd of bd afspelen ....................................................................................................... 45
    Automatisch afspelen configureren ................................................................................... 46
    Regio-instelling van dvd's wijzigen .................................................................................... 46
    Waarschuwing met betrekking tot auteursrecht ................................................................. 47
    Cd of dvd kopiëren ............................................................................................................. 47
    Cd of dvd maken ('branden') .............................................................................................. 47
    Optische schijf (cd, dvd of bd) verwijderen ........................................................................ 48
    Problemen oplossen .......................................................................................................... 49
    De lade van de optische-schijfeenheid gaat niet open bij het verwijderen van
    een cd, dvd of bd ............................................................................................... 49
    De computer herkent de optische-schijfeenheid niet ........................................ 50
    Onderbrekingen tijdens het afspelen voorkomen .............................................. 51
    Een schijf wordt niet afgespeeld ....................................................................... 51
    Een schijf wordt niet automatisch afgespeeld ................................................... 52
    Een film stopt, slaat stukken over of wordt niet naar behoren afgespeeld ........ 52
    Een film is niet zichtbaar op een extern beeldscherm ....................................... 52
    Het branden van een schijf begint niet of stopt voordat het gereed is .............. 53
    Een apparaatstuurprogramma moet opnieuw worden geïnstalleerd ................ 53
    Recentste apparaatstuurprogramma’s van HP verkrijgen ................ 53
    Apparaatstuurprogramma’s van Microsoft verkrijgen ....................... 54
    Webcam ............................................................................................................................................. 54
    Tips voor de webcam ......................................................................................................... 55
    Webcameigenschappen aanpassen .................................................................................. 55

    vii



  • Page 8

    5 Energiebeheer ............................................................................................................................................... 56
    Opties voor energiebeheer instellen ................................................................................................... 56
    Energiebesparende standen gebruiken ............................................................................. 56
    Slaapstand activeren of beëindigen .................................................................. 56
    Hibernationstand activeren of beëindigen ......................................................... 57
    Accumeter gebruiken ......................................................................................................... 57
    Energiebeheerschema's gebruiken ................................................................................... 57
    Huidig energiebeheerschema weergeven ......................................................... 58
    Ander energiebeheerschema selecteren .......................................................... 58
    Energiebeheerschema’s aanpassen ................................................................. 58
    Wachtwoordbeveiliging instellen voor beëindigen slaapstand ........................................... 58
    Externe netvoeding gebruiken ............................................................................................................ 58
    Netvoedingsadapter aansluiten ......................................................................................... 59
    Accuvoeding gebruiken ...................................................................................................................... 60
    Accucontrole gebruiken ..................................................................................................... 60
    Acculading weergeven ....................................................................................................... 61
    Accu plaatsen of verwijderen ............................................................................................. 61
    Accu opladen ..................................................................................................................... 62
    Accuwerktijd maximaliseren .............................................................................................. 63
    Omgaan met een lage acculading ..................................................................................... 63
    Lage acculading herkennen .............................................................................. 63
    Lage acculading verhelpen ............................................................................... 63
    Lage acculading verhelpen wanneer een externe voedingsbron
    beschikbaar is ................................................................................... 64
    Lage acculading verhelpen wanneer een opgeladen accu
    beschikbaar is ................................................................................... 64
    Lage acculading verhelpen wanneer geen voedingsbron
    beschikbaar is ................................................................................... 64
    Lage acculading verhelpen wanneer de computer de
    hibernationstand niet kan beëindigen ............................................... 64
    Accu kalibreren .................................................................................................................. 64
    Stap 1: laad de accu volledig op ....................................................................... 64
    Stap 2: schakel de energiebesparende voorzieningen uit ................................ 65
    Stap 3: ontlaad de accu .................................................................................... 65
    Stap 4: laad de accu volledig op ....................................................................... 66
    Stap 5: schakel de energiebesparende voorzieningen weer in ......................... 66
    Accuvoeding besparen ...................................................................................................... 66
    Accu opbergen ................................................................................................................... 66
    Afvoeren van afgedankte accu's ........................................................................................ 67
    Accu vervangen ................................................................................................................. 67
    Netvoedingsadapter testen ................................................................................................................ 67
    Computer afsluiten ............................................................................................................................. 68

    viii



  • Page 9

    6 Schijfeenheden ............................................................................................................................................. 69
    Geïnstalleerde schijfeenheden herkennen ......................................................................................... 69
    Schijfeenheden hanteren ................................................................................................................... 69
    Prestaties van vaste schijf verbeteren ................................................................................................ 70
    Schijfdefragmentatie gebruiken ......................................................................................... 70
    Schijfopruiming gebruiken ................................................................................................. 71
    Externe schijfeenheden gebruiken ..................................................................................................... 71
    Optionele externe apparaten gebruiken ............................................................................ 71
    Vaste schijf vervangen ....................................................................................................................... 72
    7 Externe apparatuur ....................................................................................................................................... 76
    USB-apparaat gebruiken .................................................................................................................... 76
    USB-apparaat aansluiten ................................................................................................... 76
    USB-apparaat verwijderen ................................................................................................. 76
    Ondersteuning voor oudere USB-systemen ...................................................................... 77
    Externe schijfeenheden gebruiken ..................................................................................................... 77
    Optionele externe apparaten gebruiken ............................................................................ 78
    8 Externemediakaarten .................................................................................................................................... 79
    Mediakaartlezer-kaarten gebruiken .................................................................................................... 79
    Digitale kaart plaatsen ....................................................................................................... 79
    Digitale kaart verwijderen .................................................................................................. 80
    ExpressCards gebruiken (alleen bepaalde modellen) ........................................................................ 80
    ExpressCard configureren ................................................................................................. 80
    ExpressCard plaatsen ....................................................................................................... 80
    ExpressCard verwijderen ................................................................................................... 81
    9 Geheugenmodules ........................................................................................................................................ 83
    Geheugenmodule in het geheugenuitbreidingsslot toevoegen of terugplaatsen ............................... 83
    Geheugenmodule in het slot voor de primaire geheugenmodule upgraden ...................................... 88
    10 Beveiliging ................................................................................................................................................... 92
    Computer beveiligen .......................................................................................................................... 92
    Wachtwoorden gebruiken ................................................................................................................... 93
    Wachtwoorden instellen in Windows ................................................................................. 93
    Wachtwoorden instellen in Computer Setup (Computerinstellingen) ................................ 93
    BIOS-beheerderswachtwoord ............................................................................................ 94
    BIOS-beheerderswachtwoord beheren ............................................................. 94
    BIOS-beheerderswachtwoord invoeren ............................................................ 95
    DriveLock gebruiken in Computer Setup (Computerinstellingen) ...................................... 95
    DriveLock-wachtwoord instellen ........................................................................ 96
    DriveLock-wachtwoord invoeren ....................................................................... 96
    DriveLock-wachtwoord wijzigen ........................................................................ 97

    ix



  • Page 10

    DriveLock-beveiliging verwijderen ..................................................................... 97
    Auto DriveLock gebruiken in Computer Setup (Computerinstellingen) ............................. 98
    Wachtwoord voor Automatische DriveLock invoeren ........................................ 98
    Beveiliging met Automatische DriveLock verwijderen ....................................... 98
    Beveiligingsvoorzieningen van Computer Setup gebruiken ............................................................... 99
    Systeemapparaten beveiligen ........................................................................................... 99
    Systeeminformatie weergeven in Computer Setup (Computerinstellingen) .................... 100
    Systeem-id’s gebruiken in Computer Setup (Computerinstellingen) ............................... 100
    Antivirussoftware gebruiken ............................................................................................................. 101
    Firewallsoftware gebruiken ............................................................................................................... 101
    Essentiële updates installeren .......................................................................................................... 101
    HP ProtectTools Security Manager gebruiken (alleen bepaalde modellen) ..................................... 102
    Beveiligingskabel aanbrengen ......................................................................................................... 102
    11 Software-updates ...................................................................................................................................... 103
    Software-update uitvoeren ............................................................................................................... 103
    BIOS bijwerken ................................................................................................................................. 104
    BIOS-versie bepalen ........................................................................................................ 104
    BIOS-update downloaden ................................................................................................ 106
    Applicaties en stuurprogramma's bijwerken ..................................................................................... 107
    SoftPaq Download Manager gebruiken ............................................................................................ 107
    12 Back-up en herstel .................................................................................................................................... 109
    Backup maken van gegevens .......................................................................................................... 109
    Herstelactie uitvoeren ....................................................................................................................... 110
    Windows-herstelprogramma's gebruiken ......................................................................... 111
    F11 gebruiken .................................................................................................................. 111
    Een dvd met het Windows 7-besturingssysteem gebruiken (apart verkrijgbaar) ............. 112
    13 Computer Setup ........................................................................................................................................ 113
    Computer Setup starten ................................................................................................................... 113
    Computer Setup gebruiken .............................................................................................................. 113
    Navigeren en selecteren in Computer Setup ................................................................... 113
    Fabrieksinstellingen in Computer Setup (Computerinstellingen) herstellen .................... 114
    Menu’s van Computer Setup ............................................................................................................ 114
    Menu File (Bestand) ........................................................................................................ 115
    Menu Security (Beveiliging) ............................................................................................. 116
    Menu System Configuration (Geavanceerd) ................................................................... 117
    14 MultiBoot ................................................................................................................................................... 121
    Opstartvolgorde van apparaten ........................................................................................................ 121
    Opstartapparaten inschakelen in Computer Setup (Computerinstellingen) ..................................... 122
    Wijzigingen in de opstartvolgorde overwegen .................................................................................. 123

    x



  • Page 11

    MultiBoot-voorkeursinstellingen kiezen ............................................................................................ 123
    Nieuwe opstartvolgorde instellen in Computerinstellingen .............................................. 124
    Dynamisch een opstartapparaat kiezen via F9 ................................................................ 124
    MultiBoot Express instellen .............................................................................................. 124
    Voorkeuren MultiBoot Express invoeren ......................................................................... 125
    15 Beheer en afdrukken ................................................................................................................................ 126
    Client Management Solutions gebruiken .......................................................................................... 126
    Software-images configureren en distribueren ................................................................ 126
    Software beheren en updaten ......................................................................................... 127
    HP Client Manager voor Altiris (alleen bepaalde modellen) ............................ 127
    HP Client Configuration Manager (CCM) (alleen bepaalde modellen) ........... 128
    HP System Software Manager (SSM) ............................................................. 128
    16 Reinigingsrichtlijnen ................................................................................................................................ 130
    Reinigingsproducten ......................................................................................................................... 130
    Reinigingsprocedures ....................................................................................................................... 130
    Beeldscherm reinigen ...................................................................................................... 130
    Zijkanten en deksel reinigen ............................................................................................ 131
    Touchpad en toetsenbord reinigen .................................................................................. 131
    Tablet-pc-pen en penhouder reinigen .............................................................................. 131
    Index ................................................................................................................................................................. 132

    xi



  • Page 12

    xii



  • Page 13

    1

    Voorzieningen

    Hardware herkennen
    Ga als volgt te werk om een lijst van in de computer geïnstalleerde hardware weer te geven:


    Selecteer Start > Configuratiescherm > Systeem en beveiliging. Klik vervolgens in het veld
    Systeem op Apparaatbeheer.

    Met Apparaatbeheer kunt u ook hardware toevoegen of apparaatconfiguraties wijzigen.
    OPMERKING: Windows® bevat de functie Gebruikersaccountbeheer om de beveiliging van uw
    computer te verbeteren. Mogelijk wordt om uw toestemming of wachtwoord gevraagd bij taken als het
    installeren van software, het uitvoeren van hulpprogramma's of het wijzigen van Windows-instellingen.
    Raadpleeg Help en ondersteuning in Windows voor meer informatie.

    Onderdelen aan de bovenkant
    Touchpad

    Onderdeel

    Beschrijving

    (1)

    Touchpad*

    Hiermee kunt u de aanwijzer (cursor) verplaatsen en onderdelen
    op het scherm selecteren of activeren.

    (2)

    Touchpad-knop*

    De linker- en rechterkant van de enkelvoudige knopfunctie zoals
    de linker- en rechterknoppen op een externe muis.

    (3)

    Schuifzone van het touchpad

    Hiermee schuift u de weergave in het actieve venster op het
    beeldscherm omhoog of omlaag.

    *In deze tabel worden de fabrieksinstellingen beschreven. Als u de voorkeuren voor cursorbesturing wilt weergeven of wijzigen,
    selecteert u Start > Apparaten en printers. Klik vervolgens met de rechtermuisknop op het apparaat dat uw computer
    weergeeft en selecteer Muisinstellingen.

    Hardware herkennen

    1



  • Page 14

    Lampjes
    OPMERKING: raadpleeg de afbeelding die het meest overeenkomt met uw computer.

    2

    Onderdeel

    Beschrijving

    (1)

    Aan: Caps Lock is ingeschakeld.

    Caps Lock-lampje

    Hoofdstuk 1 Voorzieningen



  • Page 15

    Onderdeel

    Beschrijving

    (2)



    Aan: de computer is ingeschakeld.



    Knipperend: de computer staat in de slaapstand.



    Uit: de computer is uitgeschakeld of staat in de
    hibernationstand.



    Wit: een geïntegreerd apparaat voor draadloze
    communicatie, zoals een draadloosnetwerkmodule en/of een
    Bluetooth®-apparaat, is ingeschakeld.



    Oranje: alle apparatuur voor draadloze communicatie is
    uitgeschakeld.

    (3)

    Aan/uit-lampje

    Lampje voor draadloze communicatie

    Knoppen, schakelaar en luidspreker

    Onderdeel

    Beschrijving

    (1)

    Hiermee wordt geluid weergegeven.

    Luidspreker

    Hardware herkennen

    3



  • Page 16

    Onderdeel

    Beschrijving

    (2)

    Interne beeldschermschakelaar

    Wanneer u de computer sluit terwijl de computer is ingeschakeld,
    wordt deze schakelaar ingedrukt. Daardoor wordt het beeldscherm
    uitgeschakeld.

    (3)

    Aan/uit-knop



    Als de computer is uitgeschakeld, drukt u op de aan/uit-knop
    om de computer in te schakelen.



    Als de computer is ingeschakeld, drukt u op de aan/uit-knop
    om de computer uit te schakelen.



    Als de computer in de slaapstand staat, drukt u kort op de aan/
    uit-knop om de slaapstand te beëindigen.



    Als de computer in de hibernationstand staat, drukt u kort op
    de aan/uit-knop om de hibernationstand te beëindigen.

    Als de computer niet meer reageert en de afsluitprocedures van
    Windows geen resultaat hebben, houdt u de aan/uit-knop minstens
    vijf seconden ingedrukt om de computer uit te schakelen.
    Selecteer Start > Configuratiescherm > Systeem en
    beveiliging > Energiebeheer voor meer informatie over
    energiebeheer.

    4

    Hoofdstuk 1 Voorzieningen



  • Page 17

    Toetsen
    OPMERKING: raadpleeg de afbeelding en de tabel die het meest overeenkomt met uw computer.

    Onderdeel

    Beschrijving

    (1)

    esc-toets

    Druk op deze toets in combinatie met de fn-toets om
    systeeminformatie weer te geven.

    (2)

    fn-toets

    Druk op deze toets in combinatie met een functietoets of de esctoets om veelgebruikte systeemfuncties uit te voeren.

    (3)

    Windows-logotoets

    Hiermee geeft u het menu Start van Windows weer.

    (4)

    Windows-applicatietoets

    Hiermee opent u een snelmenu voor items waarop de aanwijzer
    zich bevindt.

    (5)

    Toetsen van geïntegreerde numerieke
    toetsenblok

    Als u op deze toetsen drukt in combinatie met de fn-toets (terwijl
    num lk is geactiveerd), kunt u ze op dezelfde manier gebruiken als
    de toetsen op een extern numeriek toetsenblok.

    (6)

    Functietoetsen

    Druk op een van deze toetsen in combinatie met de fn-toets om
    veelgebruikte systeemfuncties uit te voeren.

    (7)

    Toets voor draadloze communicatie

    Omdat alle apparaten voor draadloze communicatie standaard zijn
    geactiveerd, kunt u met de sleutel voor draadloze communicatie
    alle apparaten voor draadloze communicatie tegelijk in- of
    uitschakelen.

    Hardware herkennen

    5



  • Page 18

    Onderdeel

    Beschrijving

    (1)

    esc-toets

    Druk op deze toets in combinatie met de fn-toets om
    systeeminformatie weer te geven.

    (2)

    fn-toets

    Druk op deze toets in combinatie met een functietoets of de esctoets om veelgebruikte systeemfuncties uit te voeren.

    (3)

    Windows-logotoets

    Hiermee geeft u het menu Start van Windows weer.

    (4)

    Windows-applicatietoets

    Hiermee opent u een snelmenu voor items waarop de aanwijzer
    zich bevindt.

    (5)

    Toetsen van geïntegreerde numerieke
    toetsenblok

    Deze toetsen kunt u laten werken als de toetsen op een extern
    numeriek toetsenblok, als u erop drukt in combinatie met de fn- en
    num lk- toetsen.

    (6)

    Toets voor draadloze communicatie

    Omdat alle apparaten voor draadloze communicatie standaard zijn
    geactiveerd, kunt u met de sleutel voor draadloze communicatie
    alle apparaten voor draadloze communicatie tegelijk in- of
    uitschakelen.

    (7)

    Functietoetsen

    Druk op een van deze toetsen in combinatie met de fn-toets om
    veelgebruikte systeemfuncties uit te voeren.

    Onderdelen aan de voorkant

    6

    Hoofdstuk 1 Voorzieningen



  • Page 19

    Onderdeel

    Beschrijving

    (1)

    Dit slot ondersteunt de volgende typen optionele digitale kaarten:

    (2)

    SD-kaartlezer

    Audio-uitgang (hoofdtelefoon)



    MultiMediaCard (MMC)



    MultiMediaCard 4.2 (MMC Plus, inclusief MMC Plus HC)



    Secure Digital-geheugenkaart (SD)



    Secure Digital High Capacity-geheugenkaart (SDHC)



    Secure Digital High Speed-geheugenkaart (SDHS)

    Hierop kunt u een audioapparaat aansluiten, zoals optionele
    stereoluidsprekers met eigen voeding, een hoofdtelefoon, een
    oortelefoon, een headset of een televisietoestel, om het
    computergeluid via dat apparaat weer te geven.
    OPMERKING: Wanneer u een extern audioapparaat aansluit op
    de hoofdtelefoonuitgang, worden de computerluidsprekers
    uitgeschakeld.

    (3)

    Audio-ingang (microfoon)

    Hierop kunt u een optionele headsetmicrofoon,
    stereomicrofoonarray of monomicrofoon aansluiten.

    Onderdelen aan de rechterkant

    Onderdeel

    Beschrijving

    (1)

    USB-poorten (2)

    Hierop kunt u optionele USB-apparatuur aansluiten.

    (2)

    RJ-11-connector (modem) (alleen bepaalde
    modellen)

    Hierop kunt u een modemkabel aansluiten.

    (3)

    Optische-schijfeenheid (alleen bepaalde
    modellen)

    Leest optische schijven en schrijft (alleen bij bepaalde modellen)
    naar optische schijven.

    (4)

    Lampje van de optische-schijfeenheid (alleen
    bepaalde modellen)

    Knipperend: er wordt geschreven naar of gelezen van de optischeschijfeenheid.

    (5)

    Knop van de optische-schijfeenheid (alleen
    bepaalde modellen)

    Hiermee kunt u de lade van de optische-schijfeenheid openen.

    Hardware herkennen

    7



  • Page 20

    Onderdelen aan de linkerkant

    Onderdeel

    Beschrijving

    (1)

    ExpressCard-slot

    Hierin kunt u optionele ExpressCards plaatsen.

    (2)

    Bevestigingspunt voor beveiligingskabel

    Hiermee bevestigt u een als optie verkrijgbare beveiligingskabel
    aan de computer.
    OPMERKING: Van de beveiligingskabel moet op de eerste
    plaats een ontmoedigingseffect uitgaan. Deze voorziening kan
    echter niet voorkomen dat de computer verkeerd wordt gebruikt of
    wordt gestolen.

    (3)

    Ventilatieopening

    Deze opening zorgt voor luchtkoeling van de interne onderdelen.
    OPMERKING: De ventilator van de computer start automatisch
    om interne onderdelen te koelen en oververhitting te voorkomen.
    Het is normaal dat de interne ventilator automatisch aan- en uitgaat
    terwijl u met de computer werkt.

    8

    (4)

    Poort voor externe monitor

    Hierop kunt u een optionele VGA-monitor of projector aansluiten.

    (5)

    Acculampje



    Oranje: er wordt een accu opgeladen.



    Turkoois: de accu is bijna geheel opgeladen.



    Knipperend oranje: een accu die de enige beschikbare
    voedingsbron is, is bijna leeg. Wanneer de accu een kritiek
    laag ladingsniveau bereikt, begint het acculampje snel te
    knipperen.



    Uit: als de computer is aangesloten op een externe
    voedingsbron, gaat het lampje uit wanneer alle accu's in de
    computer volledig zijn opgeladen. Als de computer niet is
    aangesloten op een externe voedingsbron, blijft het lampje uit
    tot de accu in de computer bijna leeg is.

    (6)

    Netvoedingsconnector

    Hierop kunt u een netvoedingsadapter aansluiten.

    (7)

    RJ-45-netwerkconnector

    Hierop sluit u een netwerkkabel aan.

    (8)

    HDMI-poort

    Hierop kunt u een optioneel HDMI-apparaat aansluiten.

    (9)

    USB-poort (1)

    Hierop kunt u optionele USB-apparatuur aansluiten.

    Hoofdstuk 1 Voorzieningen



  • Page 21

    Onderdelen aan de onderkant
    OPMERKING: raadpleeg de afbeelding die het meest overeenkomt met uw computer.

    Onderdeel

    Beschrijving

    (1)

    Accuvergrendelingen (2)

    Hiermee ontgrendelt u de accu uit de accuruimte.

    (2)

    Accuruimte

    Hierin bevindt zich de accu.

    Hardware herkennen

    9



  • Page 22

    Onderdeel

    Beschrijving

    (3)

    Deze openingen zorgen voor luchtkoeling van de interne
    onderdelen.

    Ventilatieopeningen (3)

    OPMERKING: De ventilator van de computer start automatisch
    om interne onderdelen te koelen en oververhitting te voorkomen.
    Het is normaal dat de interne ventilator automatisch aan- en uitgaat
    terwijl u met de computer werkt.
    (4)

    Compartiment voor geheugenmodule

    Hierin bevinden zich de geheugenmoduleslots.

    WLAN-module, compartiment

    Bevat het slot voor de draadloosnetwerkmodule.
    VOORZICHTIG: Vervang de WLAN-module alleen door een
    module die is goedgekeurd voor gebruik in de computer door de
    overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor de regelgeving met
    betrekking tot apparatuur voor draadloze communicatie in uw land/
    regio. Als er na het vervangen van de module een waarschuwing
    verschijnt, verwijdert u de module om de functionaliteit van de
    computer te herstellen. Neem vervolgens via Help en
    ondersteuning contact op met de technische
    ondersteuningsdienst.

    Vasteschijfruimte

    Multimediacomponenten

    10

    Hoofdstuk 1 Voorzieningen

    Hierin bevinden zich de vaste schijf en een Bluetooth-apparaat.



  • Page 23

    Onderdeel

    Beschrijving

    (1)

    Webcamlampje (alleen bepaalde modellen)

    Aan: de webcam is in gebruik.

    (2)

    Webcam (alleen bepaalde modellen)

    Hiermee kunt u videobeelden vastleggen en foto's maken.

    (3)

    Geïntegreerde microfoon

    Hiermee kunt u geluid opnemen.

    (4)

    Audio-uitgang (hoofdtelefoon)

    Hierop kunt u een audioapparaat aansluiten, zoals optionele
    stereoluidsprekers met eigen voeding, een hoofdtelefoon, een
    oortelefoon, een headset of een televisietoestel, om het
    computergeluid via dat apparaat weer te geven.
    OPMERKING: Wanneer u een extern audioapparaat aansluit op
    de hoofdtelefoonuitgang, worden de computerluidsprekers
    uitgeschakeld.

    (5)

    Audio-ingang (microfoon)

    Hierop kunt u een optionele headsetmicrofoon,
    stereomicrofoonarray of monomicrofoon aansluiten.

    (6)

    Luidspreker

    Hiermee wordt geluid weergegeven.

    Antennes voor draadloze communicatie (alleen bepaalde modellen)
    Bepaalde computermodellen zijn voorzien van minimaal 2 antennes die signalen verzenden naar en
    ontvangen van een of meer apparaten voor draadloze communicatie. Deze antennes zijn niet zichtbaar
    aan de buitenkant van de computer.

    OPMERKING: Voor een optimale signaaloverdracht houdt u de directe omgeving van de antennes
    vrij.
    Voor informatie over de voorschriften voor draadloze communicatie raadpleegt u het gedeelte van
    Informatie over voorschriften, veiligheid en milieu dat van toepassing is op uw land/regio. Deze
    voorschriften vindt u in Help en ondersteuning.

    Hardware herkennen

    11



  • Page 24

    Aanvullende hardwareonderdelen

    Onderdeel

    Beschrijving

    (1)

    Netsnoer*

    Hiermee kunt u een netvoedingsadapter aansluiten op een
    stopcontact.

    (2)

    netvoedingsadapter

    Hiermee wordt netvoeding omgezet in gelijkstroom.

    (3)

    Accu*

    Hiermee kunt u de computer op accuvoeding laten werken als de
    computer niet is aangesloten op een externe voedingsbron.

    *Het uiterlijk van modemkabels, accu's, modemkabeladapters en netsnoeren verschilt per land/regio.

    Labels herkennen
    De labels die zijn aangebracht op de computer, bieden informatie die u nodig kunt hebben wanneer u
    problemen met het systeem probeert op te lossen of wanneer u de computer in het buitenland gebruikt:


    12

    Servicelabel: biedt belangrijke informatie, waaronder:



    Productnaam (1). Dit is de productnaam die is aangebracht op de voorkant van de
    notebookcomputer.



    Serienummer (s/n) (2). Dit is een alfanumerieke identificatiecode die uniek is voor elk product.



    Artikelnummer/productnummer (p/n) (3). Dit nummer geeft specifieke informatie over de
    hardwarecomponenten van het product. Het artikelnummer helpt een onderhoudstechnicus
    bij het bepalen van de vereiste componenten en onderdelen.

    Hoofdstuk 1 Voorzieningen



  • Page 25



    Modelbeschrijving (4). Dit is het nummer dat u gebruikt om documenten, stuurprogramma's
    en ondersteuning voor uw notebookcomputer op te zoeken.



    Garantieperiode (5). Beschrijft de duur van de garantieperiode voor deze computer.

    Houd deze gegevens bij de hand wanneer u contact opneemt met de technische ondersteuning.
    Het servicelabel bevindt zich aan de onderkant van de computer.


    Certificaat van echtheid van Microsoft®: bevat de Windows-productcode. U kunt de productcode
    nodig hebben wanneer u het besturingssysteem wilt updaten of problemen met het systeem wilt
    oplossen. Dit certificaat bevindt zich aan de onderkant van de computer.



    Label met kennisgevingen: Bevat kennisgevingen betreffende het gebruik van de computer. Het
    label met kennisgevingen bevindt zich aan de onderkant van de computer.



    Label met goedkeuringen voor het modem: Bevat voorschriften en goedkeuringen van instanties
    die zijn vereist voor een aantal landen/regio's waarin het modem kan worden gebruikt. U kunt deze
    informatie nodig hebben als u de computer in het buitenland wilt gebruiken. Het label met
    keurmerken voor het modem bevindt zich aan de onderzijde van de computer.



    Labels met keurmerken voor draadloze communicatie (uitsluitend voor bepaalde modellen):
    bevatten informatie over optionele draadloze apparatuur en de keurmerken van diverse landen/
    regio's waar de apparatuur is goedgekeurd voor gebruik. Een optioneel apparaat kan een
    draadloosnetwerkadapter (WLAN-adapter) of een Bluetooth-apparaat zijn. Als het model van uw
    computer is uitgerust met een of meer draadloze apparaten, is de computer voorzien van een of
    meer van deze certificeringslabels. U kunt deze informatie nodig hebben als u de computer in het
    buitenland wilt gebruiken. De certificaatlabels voor draadloze communicatie bevinden zich aan de
    onderkant van de computer.

    Labels herkennen

    13



  • Page 26

    2

    Netwerk

    Apparaten voor draadloze communicatie gebruiken (alleen
    bepaalde modellen)
    Met technologie voor draadloze communicatie worden gegevens niet via kabels maar via radiogolven
    doorgegeven. Uw computer kan zijn voorzien van een of meer van de volgende apparaten voor
    draadloze communicatie:


    WLAN-apparaat (wireless local area network): hiermee kan de computer verbinding maken met
    draadloze lokale netwerken (ook wel Wi-Fi-netwerk, draadloos LAN of WLAN genoemd) in
    bedrijfsruimtes, bij u thuis en in openbare ruimtes, zoals vliegvelden, restaurants, café's, hotels en
    universiteiten. In een WLAN communiceert elk mobiel apparaat voor draadloze communicatie met
    een draadloze router of een draadloos toegangspunt.



    Bluetooth-apparaat: Hiermee kunt u een persoonlijk netwerk (Personal Area Network, PAN)
    opzetten om verbinding te maken met andere voor Bluetooth geschikte apparaten zoals computers,
    telefoons, printers, headsets, luidsprekers en camera's. Binnen een PAN communiceert elk
    apparaat direct met andere apparaten en moeten apparaten zich op relatief korte afstand
    (doorgaans 10 meter) van elkaar bevinden.

    Computers met WLAN-apparaten ondersteunen een of meer van de volgende IEEE-industrienormen:


    802.11b, de eerste populaire standaard, ondersteunt overdrachtssnelheden tot 11 Mbps en werkt
    met een frequentie van 2,4 GHz.



    802.11g ondersteunt overdrachtssnelheden tot 54 Mbps en werkt met een frequentie van 2,4 GHz.
    Een 802.11g WLAN-apparaat is achterwaarts compatibel met 802.11b-apparaten, waardoor ze in
    hetzelfde netwerk kunnen functioneren.



    802.11a ondersteunt overdrachtssnelheden tot 54 Mbps en werkt met een frequentie van 5 GHz.
    OPMERKING: 802.11a is niet compatibel met 802.11b en 802.11g.



    802.11n ondersteunt een gegevenssnelheid van maximaal 450 Mbps en kan werken op 2,4 GHz
    of 5 GHz, waardoor deze norm terugwaarts compatibel is met 802.11a, b en g.
    OPMERKING: De specificaties voor 802.11n WLAN zijn conceptspecificaties die nog niet
    definitief zijn. Als de uiteindelijke specificaties afwijken van de conceptspecificaties, kan dit van
    invloed zijn op het vermogen van de computer om met andere 802.11n WLAN-apparaten te
    communiceren.

    Raadpleeg de informatie en de koppelingen naar websites in Help en ondersteuning als u meer wilt
    weten over draadloze technologie.

    Pictogrammen voor draadloze communicatie en netwerk herkennen
    Pictogram

    14

    Hoofdstuk 2 Netwerk

    Naam

    Beschrijving

    Draadloze
    communicatie
    (ingeschakeld)

    Geeft de locatie van de lampjes en knoppen voor draadloze communicatie
    op de computer aan. Wordt ook weergegeven bij de Wireless Assistantsoftware (Assistent voor draadloze communicatie) op de computer en geeft
    aan dat een of meer apparaten voor draadloze communicatie zijn
    ingeschakeld.



  • Page 27

    Draadloze
    communicatie
    (uitgeschakeld)

    Wordt weergegeven bij de Wireless Assistant-software op de computer en
    geeft aan dat alle apparaten voor draadloze communicatie zijn
    uitgeschakeld.

    Bekabeld netwerk
    (aangesloten)

    Geeft aan dat een of meer netwerkstuurprogramma's zijn geïnstalleerd en
    dat een of meer netwerkapparaten verbinding hebben met het netwerk.

    Bekabeld netwerk
    (gedeactiveerd/
    losgekoppeld)

    Hiermee wordt aangegeven dat een of meer van uw
    netwerkstuurprogramma's zijn geïnstalleerd, dat alle netwerkapparaten of
    alle apparaten voor draadloze communicatie zijn gedeactiveerd in het
    Configuratiescherm van Windows en dat er geen netwerkapparaten zijn
    aangesloten op een bekabeld netwerk.

    Netwerk (aangesloten)

    Geeft aan dat een of meer netwerkstuurprogramma's zijn geïnstalleerd, dat
    een of meer netwerkapparaten verbinding hebben met een draadloos
    netwerk en dat mogelijk een of meer netwerkapparaten verbinding hebben
    met een bekabeld netwerk.

    Netwerk
    (losgekoppeld)

    Hiermee wordt aangegeven dat een of meer van uw
    netwerkstuurprogramma's zijn geïnstalleerd en dat draadloze verbindingen
    beschikbaar zijn, maar dat er geen netwerkapparaten zijn aangesloten op
    een bekabeld of draadloos netwerk.

    Netwerk
    (gedeactiveerd/
    losgekoppeld)

    Hiermee wordt aangegeven dat een of meer van uw
    netwerkstuurprogramma's zijn geïnstalleerd, dat er geen draadloze
    verbindingen beschikbaar zijn of dat alle apparaten voor draadloze
    communicatie zijn gedeactiveerd via de knop voor draadloze communicatie
    of via de Wireless Assistant, en dat er geen netwerkapparaten zijn
    aangesloten op een bekabeld netwerk.

    Bedieningselementen voor draadloze communicatie gebruiken
    U kunt de apparaten voor draadloze communicatie op uw computer met een van deze voorzieningen
    in- of uitschakelen:


    Sleutel voor draadloze communicatie of knop voor draadloze communicatie (in deze handleiding
    sleutel voor draadloze communicatie genoemd)



    Wireless Assistant software (alleen bepaalde modellen).



    Voorzieningen van het besturingssysteem.

    Toets voor draadloze communicatie gebruiken
    De computer is voorzien van een sleutel voor draadloze communicatie, een of meer draadloze
    apparaten en een lampje voor draadloze communicatie. Standaard zijn alle apparaten voor draadloze
    communicatie geactiveerd en brandt het lampje voor draadloze communicatie wit wanneer u de
    computer aanzet.
    Het lampje voor draadloze communicatie geeft niet de status van afzonderlijke apparaten voor
    draadloze communicatie aan, maar de status van deze apparaten als groep. Wanneer het lampje voor
    draadloze communicatie wit brandt, zijn een of meer apparaten voor draadloze communicatie
    ingeschakeld. Wanneer het lampje voor draadloze communicatie oranje is, zijn alle apparaten voor
    draadloze communicatie uitgeschakeld.
    Omdat alle apparaten voor draadloze communicatie standaard zijn geactiveerd, kunt u de toets voor
    draadloze communicatie gebruiken om alle draadloze apparatuur tegelijk in of uit te schakelen. Een
    afzonderlijk apparaat voor draadloze communicatie kan worden bestuurd via Wireless Assistant (alleen
    bepaalde modellen) of via het hulpprogramma Computer Setup (Computerinstellingen).

    Apparaten voor draadloze communicatie gebruiken (alleen bepaalde modellen)

    15



  • Page 28

    OPMERKING: Als de apparaten voor draadloze communicatie zijn uitgeschakeld in Computer Setup
    (Computerinstellingen), kunt u ze niet besturen met de sleutel voor draadloze communicatie totdat u ze
    weer inschakelt.

    Wireless Assistant software gebruiken (alleen bepaalde modellen)
    Een apparaat voor draadloze communicatie kan worden in- of uitgeschakeld via Wireless Assistant.
    Wanneer een apparaat voor draadloze communicatie is gedeactiveerd in Computer Setup, moet het
    eerst opnieuw worden geactiveerd in Computer Setup voordat het kan worden in- of uitgeschakeld via
    Wireless Assistant.
    OPMERKING: Als u een draadloos apparaat activeert of inschakelt betekent dit niet dat de computer
    automatisch verbinding maakt met een netwerk of Bluetooth-apparaat.
    Om de status van de apparaten voor draadloze communicatie te bekijken, klikt u op het pictogram
    Verborgen pictogrammen weergeven (de pijl aan de linkerkant van het systeemvak) en plaatst u de
    aanwijzer op het pictogram voor draadloze communicatie.
    Als het pictogram voor draadloze communicatie niet wordt weergegeven in het systeemvak, wijzigt u
    als volgt de eigenschappen voor Wireless Assistant:
    1.

    Selecteer Start > Configuratiescherm > Hardware en geluiden > Windows
    Mobiliteitscentrum.

    2.

    Klik op het pictogram voor draadloze communicatie op de tegel Wireless Assistant. Deze bevindt
    zich in de onderste rij van het Windows Mobiliteitscentrum.

    3.

    Klik op Eigenschappen.

    4.

    Schakel het selectievakje HP Wireless Assistant icon in notification area (Pictogram voor HP
    Wireless Assistant in systeemvak) in.

    5.

    Klik op Toepassen.

    6.

    Klik op Sluiten.

    Raadpleeg de online Help van de Wireless Assistant software voor meer informatie.
    1.

    Open Wireless Assistant door te klikken op het pictogram voor draadloze communicatie in
    Windows Mobiliteitscentrum.

    2.

    Klik op de knop Help.

    Voorzieningen van het besturingssysteem gebruiken
    Sommige besturingssystemen bieden ook de mogelijkheid om geïntegreerde apparaten voor draadloze
    communicatie en de draadloze verbinding te beheren. Zo biedt Windows het Netwerkcentrum waarmee
    u een verbinding of netwerk tot stand kunt brengen, verbinding kunt maken met een netwerk, draadloze
    netwerken kunt beheren en netwerkproblemen kunt diagnosticeren en verhelpen.
    U opent het Netwerkcentrum door te klikken op Start > Configuratiescherm > Netwerk en
    internet > Netwerkcentrum.
    Raadpleeg Help en ondersteuning voor meer informatie.

    Draadloos netwerk gebruiken
    Met een WLAN-apparaat kunt u toegang krijgen tot een draadloos netwerk (WLAN), dat bestaat uit
    andere computers en accessoires die met elkaar zijn verbonden door een draadloze router of een
    draadloos toegangspunt.

    16

    Hoofdstuk 2 Netwerk



  • Page 29

    OPMERKING: De termen draadloze router en draadloos toegangspunt worden vaak door elkaar
    gebruikt.


    Grote draadloze netwerken, zoals draadloze bedrijfsnetwerken en openbare draadloze netwerken,
    werken meestal met draadloze toegangspunten, die een groot aantal computers en accessoires
    ondersteunen en kritieke netwerkfuncties kunnen afschermen.



    Een draadloos thuisnetwerk of een klein draadloos kantoornetwerk werkt meestal met een
    draadloze router, die ervoor zorgt dat meerdere draadloze en bekabelde computers een
    internetverbinding, een printer en bestanden kunnen delen zonder dat daar extra hardware of
    software aan te pas komt.

    Als u het WLAN-apparaat in de computer wilt gebruiken, moet u verbinding maken met een WLANinfrastructuur (aangeboden door een aanbieder van netwerkdiensten of een openbaar netwerk of
    bedrijfsnetwerk).

    Draadloos netwerk installeren
    Als u een draadloos netwerk wilt installeren en verbinding wilt maken met internet, heeft u de volgende
    apparatuur nodig:


    een breedbandmodem (DSL- of kabelmodem) (1) en een internetservice met hoge snelheid via
    een abonnement bij een internetprovider;



    een draadloze router (afzonderlijk aan te schaffen) (2);



    de computer met voorzieningen voor draadloze communicatie (3).

    De volgende afbeelding laat een voorbeeld zien van een installatie van een draadloos netwerk dat is
    verbonden met internet.

    Naarmate uw netwerk groter wordt, kunnen extra draadloze en bekabelde computers op het netwerk
    worden aangesloten voor toegang tot internet.
    Als u hulp nodig heeft bij het installeren van een draadloos netwerk, raadpleeg dan de informatie die
    de routerfabrikant of uw internetprovider heeft verstrekt.

    Draadloos netwerk beveiligen
    Aangezien de WLAN-standaard is ontwikkeld met slechts beperkte beveiligingsfuncties die niet zijn
    opgewassen tegen krachtige aanvallen, is het van cruciaal belang dat u begrijpt dat draadloze
    netwerken gevoelig zijn voor de welbekende veiligheidsrisico’s.
    Draadloze netwerken in openbare zones, of "hotspots", zoals café's en luchthavens, zijn mogelijk
    helemaal niet beveiligd. Door fabrikanten van producten voor draadloze communicatie en aanbieders
    van hotspotservices worden nieuwe technologieën ontwikkeld om de openbare ruimte veiliger en
    anoniemer te maken. Als u zich zorgen maakt om de beveiliging van uw computer op een hotspot, kunt
    u uw netwerkactiviteiten het beste beperken tot niet-kritieke e-mailactiviteiten en oppervlakkig surfen
    op internet.
    Wanneer u een draadloos netwerk installeert of verbinding maakt met een bestaand draadloos netwerk,
    is het altijd belangrijk de beveiligingsvoorzieningen in te schakelen om het netwerk te beveiligen tegen

    Draadloos netwerk gebruiken

    17



  • Page 30

    onbevoegde toegang. De gangbare beveiligingsniveaus zijn Wi-Fi Protected Access (WPA) en Wired
    Equivalent Privacy (WEP). Aangezien draadloze radiosignalen tot buiten het netwerk reiken, kunnen
    andere WLAN-apparaten onbeschermde signalen opvangen en verbinding maken met uw netwerk
    (onuitgenodigd) of informatie opvangen die via het netwerk wordt verzonden. U kunt echter de volgende
    voorzorgsmaatregelen nemen om uw draadloze netwerk hiertegen te beschermen:


    Gebruik een zender met ingebouwde beveiliging
    Veel basisstations, gateways en routers hebben ingebouwde beveiligingsvoorzieningen, zoals
    protocollen voor beveiliging van draadloze communicatie en firewalls. Met behulp van de juiste
    draadloze zender kunt u uw netwerk beschermen tegen de meest voorkomende
    beveiligingsrisico’s van draadloze communicatie.



    Gebruik een firewall
    Een firewall is een barrière die gegevens en verzoeken om gegevens controleert die naar uw
    netwerk worden gestuurd, en vervolgens alle verdachte items verwijdert. Firewalls zijn verkrijgbaar
    in vele soorten, zowel softwarematig als hardwarematig. In sommige netwerken wordt een
    combinatie van beide typen gebruikt.



    Gebruik codering voor draadloze communicatie
    Voor draadloze netwerken zijn verschillende geavanceerde coderingsprotocollen beschikbaar.
    Zoek de oplossing die voor uw netwerkbeveiliging het beste resultaat biedt:


    WEP (Wired Equivalent Privacy) is een protocol ter beveiliging van draadloze communicatie
    dat gebruikmaakt van een WEP-sleutel om alle netwerkgegevens te coderen voordat ze
    worden verzonden. In de meeste gevallen kunt u de WEP-sleutel laten toewijzen door het
    netwerk. Maar u kunt ook uw eigen sleutel instellen, een andere sleutel genereren of andere
    geavanceerde opties kiezen. Zonder de juiste sleutel kunnen anderen niet gebruikmaken van
    het draadloze netwerk.



    WPA (Wi-Fi Protected Access) maakt, net zoals WEP, gebruik van beveiligingsinstellingen
    om gegevens te coderen en te decoderen die via het netwerk worden verzonden. In plaats
    van één statische beveiligingssleutel te gebruiken voor coderingen, zoals bij WEP, gebruikt
    WPA TKIP (temporal key integrity protocol) om op dynamische wijze een nieuwe sleutel te
    genereren voor elk pakket. Bovendien wordt voor elke computer in het netwerk een
    afzonderlijke sleutelset gegenereerd.

    Verbinding maken met een draadloos netwerk
    Ga als volgt te werk om verbinding met het WLAN te maken:
    1.

    Controleer of het WLAN-apparaat is ingeschakeld. Als het apparaat is ingeschakeld, brandt het
    lampje voor draadloze communicatie wit. Als het lampje voor draadloze communicatie oranje
    brandt, drukt u op de knop voor draadloze communicatie.

    2.

    Klik op het netwerkpictogram in het systeemvak aan de rechterkant van de taakbalk.

    3.

    Selecteer uw WLAN in de lijst.

    4.

    Klik op Verbinding maken.
    Als het netwerk een beveiligd WLAN is, wordt u gevraagd een netwerkbeveiligingssleutel in te
    voeren. Dit is een beveiligingscode. Typ de code en klik vervolgens op OK om de verbinding te
    voltooien.
    OPMERKING: Als er geen WLAN's worden weergegeven, betekent dit dat u zich buiten het
    bereik van een draadloze router of toegangspunt bevindt.

    18

    Hoofdstuk 2 Netwerk



  • Page 31

    OPMERKING: Als het gewenste netwerk niet wordt weergegeven, klikt u op Netwerkcentrum
    openen en vervolgens op Een nieuwe verbinding of een nieuw netwerk instellen. Een lijst met
    opties wordt weergegeven. U kunt ervoor kiezen om handmatig een netwerk te zoeken en daarmee
    verbinding te maken, of om een nieuwe netwerkverbinding in te stellen.
    Nadat de verbinding is gemaakt, beweegt u de muisaanwijzer over het netwerkpictogram in het
    systeemvak aan de rechterkant van de taakbalk om de naam en status van de verbinding te controleren.
    OPMERKING: Het effectieve bereik (de reikwijdte van de draadloze signalen) varieert al naar gelang
    de WLAN-implementatie, het merk router en interferentie van andere elektronische apparaten of
    verschillende typen wanden en vloeren.
    Meer informatie over het gebruik van een draadloss netwerk is beschikbaar via de volgende
    hulpbronnen:


    Informatie van uw internetprovider en de instructies van de fabrikant die bij de router en andere
    apparatuur voor draadloze netwerken zijn geleverd



    Help en ondersteuning, waar u informatie vindt en koppelingen naar websites.

    Neem voor een lijst met openbare draadloze netwerken bij u in de buurt contact op met uw
    internetprovider of zoek op het web. Ga naar de website van uw internetprovider of zoek op internet
    met de zoekterm "hotspot". Informeer bij elke locatie met een openbaar draadloos netwerk naar de
    kosten en de vereisten voor een verbinding.
    Neem contact op met uw netwerkbeheerder of IT-afdeling voor aanvullende informatie over de manier
    waarop u met de computer verbinding kunt maken met een bedrijfsnetwerk.

    Naar een ander netwerk roamen
    Wanneer u uw computer binnen het bereik van een ander draadloos netwerk plaatst, probeert Windows
    verbinding te maken met dat netwerk. Als de poging slaagt, wordt uw computer automatisch verbonden
    met het nieuwe netwerk. Als het nieuwe netwerk niet door Windows wordt herkend, volgt u dezelfde
    procedure die u eerder gebruikte om verbinding te maken met uw draadloze netwerk.

    Bluetooth-apparaten voor draadloze communicatie
    gebruiken (alleen bepaalde modellen)
    Een Bluetooth-apparaat verzorgt draadloze communicatie over korte afstanden en vervangt hierdoor
    de fysieke kabelverbindingen waarmee elektronische apparaten traditioneel gekoppeld zijn, zoals de
    volgende:


    computers (desktop- en notebookcomputers, PDA's)



    telefoons (mobiele telefoons, draadloze telefoons, gecombineerde GSM/PDA's (smart phones))



    beeldverwerkingsapparatuur (printers, camera's)



    geluidsapparatuur (headsets, luidsprekers)

    Bluetooth-apparaten maken peer-to-peer-communicatie mogelijk, waardoor u een PAN (Personal Area
    Network – persoonlijk netwerk) van Bluetooth-apparaten kunt instellen. Raadpleeg de Help-functie van
    Bluetooth-software voor informatie over de configuratie en het gebruik van Bluetooth-apparaten.

    Bluetooth en Internetverbinding delen (ICS)
    HP adviseert om een computer met Bluetooth niet te gebruiken als host en te gebruiken als gateway
    die door andere computers kan worden gebruikt om verbinding met internet te maken. Wanneer twee
    of meer computers met elkaar zijn verbonden via Bluetooth en ICS is geactiveerd op een van de

    Bluetooth-apparaten voor draadloze communicatie gebruiken (alleen bepaalde modellen)

    19



  • Page 32

    computers, kunnen de andere computers mogelijk geen verbinding maken met internet via het
    Bluetooth-netwerk.
    De kracht van Bluetooth ligt in het synchroniseren van informatietransfers tussen uw computer en
    draadloze apparaten zoals mobiele telefoons, printers, camera’s en PDA’s. Het is een beperking van
    Bluetooth en het Windows-besturingssysteem dat geen consistente verbinding gemaakt kan worden
    tussen twee of meer computers om internet te delen via Bluetooth.

    Problemen met draadloze verbinding oplossen
    Enkele mogelijke oorzaken van problemen met draadloze verbindingen zijn:


    De netwerkconfiguratie (SSID of beveiliging) is gewijzigd.



    Een apparaat voor draadloze communicatie is niet correct geïnstalleerd of is uitgeschakeld.



    Er is een storing opgetreden in een apparaat voor draadloze communicatie of router.



    Signalen van het apparaat voor draadloze communicatie worden verstoord door andere apparaten.

    OPMERKING: Apparaten voor draadloze netwerken worden alleen met bepaalde computermodellen
    geleverd. Als draadloos netwerken niet voorkomt in de lijst met voorzieningen op de oorspronkelijke
    computerverpakking, kunt u de computer van deze mogelijkheid voorzien door een apparaat voor
    draadloze communicatie aan te schaffen.
    Voordat u de reeks mogelijke oplossingen voor uw netwerkverbindingsprobleem doorloopt, controleert
    u eerst of voor elk apparaat voor draadloze communicatie een stuurprogramma is geïnstalleerd.
    Als een computer niet op de gewenste manier verbinding maakt met het netwerk, volgt u de procedures
    in dit hoofdstuk om een diagnose te stellen en het probleem op te lossen.

    Kan geen verbinding maken met een draadloos netwerk
    Als het niet lukt verbinding te maken met een draadloos netwerk, controleert u of het geïntegreerde
    WLAN-apparaat correct is geïnstalleerd op uw computer.
    OPMERKING: Windows kent de voorziening Gebruikersaccountbeheer om de beveiliging van de
    computer te verbeteren. Mogelijk wordt u om toestemming of om uw wachtwoord gevraagd voor taken
    zoals het installeren van software, het uitvoeren van hulpprogramma's of het wijzigen van Windowsinstellingen. Raadpleeg Help en ondersteuning in Windows voor meer informatie.
    1.

    Selecteer Start > Configuratiescherm > Systeem en beveiliging.

    2.

    Klik in het veld Systeem op Apparaatbeheer.

    3.

    Klik op de pijl naast Netwerkadapters om de lijst uit te vouwen en alle adapters weer te geven.

    4.

    Zoek het WLAN-apparaat in de lijst met netwerkadapters. De vermelding van een WLAN-apparaat
    bevat de term draadloos, draadloos LAN, WLAN, Wi-Fi of 802.11.
    Als geen WLAN-apparaat wordt weergegeven, is uw computer niet voorzien van een geïntegreerd
    WLAN-apparaat of is het bijbehorende stuurprogramma niet correct geïnstalleerd.

    Raadpleeg de koppelingen naar websites in Help en ondersteuning als u meer wilt weten over het
    oplossen van problemen met draadloze netwerken.

    20

    Hoofdstuk 2 Netwerk



  • Page 33

    Kan geen verbinding maken met een voorkeursnetwerk
    Windows kan automatisch een beschadigde verbinding met een draadloos netwerk herstellen.


    Als een netwerkpictogram wordt weergegeven in het systeemvak aan de rechterkant van de
    taakbalk, klikt u met de rechtermuisknop op het pictogram en klikt u vervolgens op Problemen
    oplossen.
    Windows reset uw netwerkapparaat en probeert opnieuw verbinding te maken met een van de
    voorkeursnetwerken.



    Ga als volgt te wrk als er geen netwerkpictogram wordt weergegeven in het systeemvak:
    1.

    Selecteer Start > Configuratiescherm > Netwerk en internet > Netwerkcentrum.

    2.

    Klik op Problemen oplossen en selecteer vervolgens het netwerk dat u wilt herstellen.

    Netwerkpictogram wordt niet weergegeven
    Als het netwerkpictogram niet wordt weergegeven in het systeemvak nadat u het WLAN heeft
    geconfigureerd, betekent dit dat het softwarestuurprogramma ontbreekt of beschadigd is. Mogelijk wordt
    ook een Windows-foutbericht weergegeven dat een apparaat niet gevonden is. Installeer het
    stuurprogramma opnieuw.
    Ga als volgt te werk om de nieuwste versie van de software voor het WLAN-apparaat in de computer
    op te halen:
    1.

    Open een internetbrowser en ga naar http://www.hp.com/support.

    2.

    Selecteer uw land of regio.

    3.

    Klik op de optie voor het downloaden van software en stuurprogramma's en typ het modelnummer
    van uw computer in het zoekvak.

    4.

    Druk op enter en volg de instructies op het scherm.

    OPMERKING: Als u het WLAN-apparaat dat u gebruikt afzonderlijk heeft aangeschaft, raadpleegt u
    de website van de leverancier voor de nieuwste versie.

    Actuele netwerkbeveiligingscodes zijn niet beschikbaar
    Als u wordt gevraagd om een netwerksleutel of netwerknaam (SSID) wanneer u verbinding wilt maken
    met een WLAN, is het netwerk beveiligd. U hebt de huidige codes nodig om verbinding te kunnen maken
    met een beveiligd netwerk. De SSID en de netwerksleutel zijn alfanumerieke codes waarmee de
    computer door het netwerk wordt herkend. U geeft deze codes in de computer op.


    Voor een netwerk dat is verbonden met uw persoonlijke draadloze router, raadpleegt u de
    gebruikershandleiding bij de router voor instructies aangaande het instellen van dezelfde codes
    op de router en het WLAN-apparaat.



    Voor een particulier netwerk, zoals een netwerk in een kantoor of in een openbare internetchatruimte, neemt u contact op met de netwerkbeheerder voor de juiste codes, en voert u de codes
    in wanneer hierom wordt gevraagd.
    Sommige netwerken wijzigen de SSID of netwerksleutels voor hun routers of toegangspunten
    periodiek om de veiligheid te verbeteren. Als dat het geval is, wijzigt u de corresponderende codes
    in uw computer dienovereenkomstig.

    Problemen met draadloze verbinding oplossen

    21



  • Page 34

    Als u nieuwe sleutels en een nieuwe SSID heeft ontvangen voor een netwerk en u eerder was verbonden
    met dat netwerk, gaat u als volgt te werk om verbinding te maken met het netwerk:
    1.

    Selecteer Start > Configuratiescherm > Netwerk en internet > Netwerkcentrum.

    2.

    Klik op Draadloze netwerken beheren in het linkerdeelvenster.
    Er wordt een lijst weergegeven met de beschikbare WLAN's. Als u zich in een hotspot bevindt waar
    meerdere WLAN's actief zijn, worden er meerdere netwerken weergegeven.

    3.

    Selecteer het netwerk in de lijst, klik met de rechtermuisknop op het netwerk en klik vervolgens op
    Eigenschappen.
    OPMERKING: Indien het gewenste netwerk niet vermeld wordt, overlegt u met uw
    netwerkbeheerder om zeker te stellen dat de router of het toegangspunt werkt.

    4.

    Klik op het tabblad Beveiliging en voer vervolgens de correcte codering voor draadloze
    communicatie in in het veld Netwerkbeveiligingssleutel.

    5.

    Klik op OK om deze instellingen op te slaan.

    Verbinding met een draadloos netwerk is zeer zwak
    Als de verbinding zeer zwak is, of als uw computer geen verbinding met een draadloos netwerk kan
    maken, kunt u als volgt de interferentie (storende signalen) van andere apparatuur minimaliseren:


    Verplaats uw computer dichter naar de draadloze router of het toegangspunt.



    Schakel tijdelijk apparaten zoals een magnetron, draadloze telefoon of mobiele telefoon uit, om
    storing door andere apparaten te voorkomen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een magnetron,
    draadloze telefoon of mobiele telefoon.

    Als de verbinding niet beter wordt, probeert u het apparaat te dwingen om alle verbindingswaarden
    opnieuw in te stellen:
    1.

    Selecteer Start > Configuratiescherm > Netwerk en internet > Netwerkcentrum.

    2.

    Klik op Draadloze netwerken beheren in het linkerdeelvenster.
    Er wordt een lijst weergegeven met de beschikbare WLAN's. Als u zich in een hotspot bevindt waar
    meerdere WLAN's actief zijn, worden er meerdere netwerken weergegeven.

    3.

    Klik op een netwerk en klik vervolgens op Verwijderen.

    Kan geen verbinding maken met de draadloze router
    Als uw pogingen om verbinding te maken met de draadloze router niet lukken, stelt u de draadloze router
    opnieuw in door te zorgen dat de router gedurende 10 tot 15 seconden geen elektrische voeding krijgt.
    Als de computer nog geen verbinding maakt met het draadloze netwerk, start u de draadloze router
    opnieuw op. Raadpleeg de instructies van de routerfabrikant voor nadere informatie.

    Modem gebruiken (alleen bepaalde modellen)
    Het modem moet zijn aangesloten op een analoge telefoonlijn via een 6-pins RJ-11-modemkabel (niet
    meegeleverd). In sommige landen is ook een modemkabeladapter (apart verkrijgbaar) voor specifieke
    landen vereist. Connectoren voor digitale PBX-systemen lijken mogelijk op analoge
    telefoonconnectoren maar zijn niet compatibel met het modem.

    22

    Hoofdstuk 2 Netwerk



  • Page 35

    WAARSCHUWING! Wanneer u het interne analoge modem aansluit op een digitale lijn kan dit het
    modem permanent beschadigen. Koppel de modemkabel onmiddellijk los als u deze per ongeluk op
    een digitale lijn hebt aangesloten.
    Als de modemkabel een ruisonderdrukkingscircuit (1) bevat, waarmee storing van de ontvangst van tven radiosignalen wordt voorkomen, sluit u de kabel aan op de computer met het uiteinde waar zich het
    ruisonderdrukkingscircuit bevindt (2).

    Een modemkabel aansluiten (apart verkrijgbaar)
    WAARSCHUWING! Sluit geen modemkabel (apart verkrijgbaar) of telefoonkabel aan op de RJ-45netwerkconnector om het risico van een elektrische schok, brand of schade aan de apparatuur te
    beperken.
    Ga als volgt te werk om een modemkabel aan te sluiten:
    1.

    Steek de modemkabel in de modemconnector (1) van de computer.

    2.

    Steek de modemkabel in de RJ-11-telefoonaansluiting in de muur (2).

    Modemkabeladapter voor specifieke landen/regio's aansluiten (apart
    verkrijgbaar)
    Telefoonconnectoren verschillen per land. Als u het modem en de modemkabel (apart verkrijgbaar) wilt
    gebruiken buiten het land of de regio waarin u de computer hebt aangeschaft, moet u een
    modemkabeladapter (apart verkrijgbaar) aanschaffen voor specifieke landen/regio's.

    Modem gebruiken (alleen bepaalde modellen)

    23



  • Page 36

    Volg deze stappen om het modem aan te sluiten op een analoge telefoonlijn die geen RJ-11telefoonconnector heeft:
    1.

    Steek de modemkabel in de modemconnector (1) van de computer.

    2.

    Steek de modemkabel in de modemkabeladapter voor specifieke landen (2).

    3.

    Steek de landspecifieke modemkabel (3) in de telefoonaansluiting in de muur.

    Locatie-instelling selecteren
    Huidige locatieselectie weergeven
    Ga als volgt te werk om de huidige locatie-instelling voor het modem weer te geven:

    24

    1.

    Selecteer Start > Configuratiescherm.

    2.

    Klik op Klok, taal en regio.

    3.

    Klik op Landinstelling.

    4.

    Klik op het tabblad Locatie om uw locatie weer te geven.

    Hoofdstuk 2 Netwerk



  • Page 37

    Nieuwe locaties toevoegen tijdens het reizen
    Een locatie-instelling voor het land waarin u de computer hebt aangeschaft, is standaard de enige
    beschikbare locatie-instelling voor het modem. Als u naar verschillende landen reist, stelt u het interne
    modem in op een locatie-instelling die voldoet aan de gebruiksnormen van het land waarin u het modem
    gebruikt.
    Wanneer u nieuwe locatie-instellingen toevoegt, worden deze opgeslagen door de computer zodat u
    op elk moment kunt schakelen tussen de instellingen. U kunt meerdere locatie-instellingen toevoegen
    voor elk land.
    VOORZICHTIG: Wis de huidige landinstellingen voor het modem niet, om te voorkomen dat u de
    instellingen voor uw eigen land verliest. Voeg een nieuwe configuratie toe voor elke locatie waar u het
    modem gebruikt. Op die manier kunt u het modem in andere landen gebruiken, terwijl de configuratie
    voor uw eigen land behouden blijft.
    VOORZICHTIG: Selecteer het land waarin de computer zich bevindt, om te voorkomen dat u het
    modem configureert op een manier die in strijd is met de lokale wet- en regelgeving voor
    telecommunicatie. Mogelijk functioneert het modem niet correct als het verkeerde land is geselecteerd.
    Ga als volgt te werk om een locatie-instelling voor het modem toe te voegen:
    1.

    Selecteer Start > Apparaten en printers.

    2.

    Klik vervolgens met de rechtermuisknop op het apparaat dat uw computer weergeeft en klik op
    Modeminstellingen.
    OPMERKING: U moet een initieel (actueel) locatie-netnummer instellen voordat u het tabblad
    Kiesregels kunt zien. Als u nog niet eerder een locatie hebt ingesteld, wordt u gevraagd om de
    locatie op te geven wanneer u op Modeminstellingen klikt.

    3.

    Klik vervolgens op het tabblad Kiesregels.

    4.

    Klik op Nieuw. (Het venster Nieuwe locatie wordt weergegeven.)

    5.

    In het vak Locatienaam typt u een naam (zoals “thuis” of “werk”) voor de nieuwe locatie-instelling.

    6.

    Selecteer een land of regio in de keuzelijst Land/regio. (Indien u een land of regio selecteert die
    niet ondersteund wordt door het modem, wordt de land/regio-selectie voor VS or VK standaard
    weergegeven.)

    7.

    Voer het netnummer, een telecombedrijfcode (indien nodig) en het nummer om een externe lijn te
    openen in (indien nodig).

    8.

    Naast Kiezen met, klikt u op Toon of Puls.

    9.

    Klik op OK om uw nieuwe locatie-instelling op te slaan. (Het venster Telefoon- en modemopties
    wordt weergegeven.)

    10. Ga als volgt te werk:


    Klik op OK om uw nieuwe locatie-instelling als de huidige locatie op te slaan.



    Selecteer uw voorkeur in de instellingen in de lijst Locatie en klik vervolgens op OK om een
    andere locatie-instelling als de huidige locatie-instelling te selecteren.

    OPMERKING: U kunt de voorgaande procedure gebruiken om locatie-instellingen toe te voegen
    voor locaties binnen uw eigen land en in andere landen. U kunt bijvoorbeeld een instelling 'Werk'
    toevoegen met kiesregels voor het bereiken van een externe lijn.

    Modem gebruiken (alleen bepaalde modellen)

    25



  • Page 38

    Problemen met de reisverbinding oplossen
    Als u problemen ondervindt met de modemverbinding bij gebruik van de computer buiten het land waarin
    u de computer hebt aangeschaft, probeert u de volgende suggesties:


    Controleer het type telefoonlijn.
    Het modem vereist een analoge en geen digitale telefoonlijn. Een lijn die omschreven wordt als
    een PBX-lijn is gewoonlijk een digitale lijn. Een telefoonlijn die omschreven wordt als een datalijn,
    faxapparaatlijn, modemlijn of standaard telefoonlijn is gewoonlijk een analoge lijn.



    Controleer op puls- of toonkeuze.
    Een analoge telefoonlijn ondersteunt een van twee kiesmodi: puls- of toonkeuze. Deze opties voor
    de kiesmodus worden geselecteerd in de instellingen Telefoon- en modemopties. De
    geselecteerde optie voor de kiesmodus moet overeenkomen met de kiesmodus die ondersteund
    wordt door de telefoonlijn in uw locatie.
    Doe het volgende om de kiesmodus te bepalen die ondersteund wordt door een telefoonlijn: kies
    enkele cijfers op de telefoon en luister vervolgens naar kliktonen (pulsen) of pieptonen. Kliktonen
    wijzen erop dat de telefoonlijn pulskeuze ondersteunt. Pieptonen wijzen erop dat de telefoonlijn
    toonkeuze ondersteunt.
    Ga als volgt te werk om de kiesmodus in uw huidige modemlocatie-instelling te wijzigen:



    1.

    Selecteer Start > Apparaten en printers.

    2.

    Klik vervolgens met de rechtermuisknop op het apparaat dat uw computer weergeeft en klik
    op Modeminstellingen.

    3.

    Klik vervolgens op het tabblad Kiesregels.

    4.

    Selecteer uw modemlocatie-instelling.

    5.

    Klik op Bewerken.

    6.

    Klik op Toon of Puls.

    7.

    Klik twee keer op OK.

    Controleer het telefoonnummer dat u kiest en de respons van het externe modem.
    Kies een telefoonnummer, controleer of er een respons is van het externe modem en haak
    vervolgens in.



    Stel het modem zodanig in dat kiestonen genegeerd worden.
    Indien het modem een kiestoon ontvangt die het niet kan herkennen, kiest het modem niet en
    verschijnt een foutbericht “Geen kiestoon”.
    Ga als volgt te werk om het modem zodanig in te stellen dat alle kiestonen worden genegeerd
    alvorens te kiezen:

    26

    1.

    Selecteer Start > Apparaten en printers.

    2.

    Klik vervolgens met de rechtermuisknop op het apparaat dat uw computer weergeeft en klik
    op Modeminstellingen.

    3.

    Klik vervolgens op het tabblad Modems.

    4.

    Klik op de vermelding van het modem in de lijst.

    5.

    Klik op Eigenschappen.

    6.

    Klik op Modem.

    Hoofdstuk 2 Netwerk



  • Page 39

    7.

    Schakel het selectievakje uit voor Op kiestoon wachten voordat het nummer wordt
    gekozen.

    8.

    Klik twee keer op OK.

    Verbinding maken met een lokaal netwerk (LAN)
    Als u verbinding wilt maken met een lokaal netwerk (LAN), hebt u een 8-pins RJ-45-netwerkkabel nodig
    (niet meegeleverd). Als de netwerkkabel een ruisonderdrukkingscircuit (1) bevat, waarmee storing van
    de ontvangst van tv- en radiosignalen wordt voorkomen, sluit u de kabel aan op de computer met het
    uiteinde waar zich het ruisonderdrukkingscircuit bevindt (2).

    U sluit de netwerkkabel als volgt aan:
    1.

    Sluit de netwerkkabel aan op de netwerkconnector van de computer (1).

    2.

    Sluit het andere uiteinde van de kabel aan op een netwerkaansluiting in de wand (2).

    WAARSCHUWING! Sluit geen modem- of telefoonkabel aan op een RJ-45-netwerkconnector,
    om het risico van een elektrische schok, brand of schade aan de apparatuur te beperken.

    Verbinding maken met een lokaal netwerk (LAN)

    27



  • Page 40

    3

    Cursorbesturing en toetsenbord

    Cursorbesturing gebruiken
    Voorkeuren voor aanwijsapparaten instellen
    Via de eigenschappen voor de muis in Windows kunt u de instellingen voor aanwijsapparaten
    aanpassen aan uw wensen. U kunt bijvoorbeeld de knopconfiguratie, kliksnelheid en opties voor de
    aanwijzer instellen.
    Als u de eigenschappen van de muis wilt weergeven, selecteert u Start > Apparaten en printers. Klik
    vervolgens met de rechtermuisknop op het apparaat dat uw computer weergeeft en selecteer
    Muisinstellingen.

    Touchpad gebruiken
    Als u de aanwijzer wilt verplaatsen, schuift u uw vinger over het oppervlak van het touchpad in de richting
    waarin u de aanwijzer wilt bewegen. Gebruik de knoppen van het touchpad zoals u de knoppen op een
    externe muis zou gebruiken. Als u omhoog en omlaag wilt schuiven met de verticale schuifzone van het
    touchpad, schuift u met uw vinger omhoog en omlaag over de lijnen.
    OPMERKING: Als u het touchpad gebruikt om de aanwijzer te verplaatsen, haalt u eerst uw vinger
    van het touchpad voordat u uw vinger op de schuifzone plaatst. Als u uw vinger doorschuift van het
    touchpad naar de schuifzone, wordt de schuiffunctie niet geactiveerd.

    Externe muis aansluiten
    U kunt een externe USB-muis aansluiten op de computer via een van de USB-poorten op de computer.
    Een draadloze Bluetooth-muis kan alleen worden gebruikt op computers die draadloze communicatie
    via Bluetooth ondersteunen (alleen bepaalde modellen); volg de instructies die zijn meegeleverd met
    het apparaat.

    Toetsenbord gebruiken
    Hotkeys gebruiken
    Sneltoetsen zijn combinaties van de fn-toets (1) met de esc-toets (2) of met een van de functietoetsen
    (3).
    De pictogrammen op de toetsen f1 tot en met f12 vertegenwoordigen de sneltoetsfuncties.
    Sneltoetsfuncties en procedures voor sneltoetsen worden beschreven in de volgende gedeelten.
    OPMERKING: raadpleeg de afbeelding die het meest overeenkomt met uw computer.

    28

    Hoofdstuk 3 Cursorbesturing en toetsenbord



  • Page 41

    Functie

    Hotkey

    Systeeminformatie weergeven

    fn+esc

    Help en ondersteuning openen.

    fn+f1

    Helderheid van het beeldscherm verlagen.

    fn+f2

    Helderheid van het beeldscherm verhogen.

    fn+f3

    Schakelen tussen diverse beeldschermen en andere
    weergaveapparaten.

    fn+f4

    Slaapstand activeren.

    fn+f5

    QuickLock activeren.

    fn+f6

    Geluid uit- en weer inschakelen.

    fn+f7

    Geluidsvolume verlagen.

    fn+f8

    Geluidsvolume verhogen.

    fn+f9

    Het vorige muziekstuk afspelen.

    fn+f10

    Cd, dvd of bd afspelen, onderbreken of hervatten.

    fn+f11

    Het volgende muziekstuk afspelen.

    fn+f12

    Toetsenbord gebruiken

    29



  • Page 42

    Functie

    Hotkey

    Systeeminformatie weergeven.

    fn+esc

    Help en ondersteuning openen.

    fn+f1

    Helderheid van het beeldscherm verlagen.

    fn+f2

    Helderheid van het beeldscherm verhogen.

    fn+f3

    Schakelen tussen diverse beeldschermen en andere
    weergaveapparaten.

    fn+f4

    Slaapstand activeren.

    fn+f5

    QuickLock activeren.

    fn+f6

    Webbrowser starten.

    fn+f7

    Printer starten.

    fn+f8

    U voert als volgt een hotkeyopdracht uit met het toetsenbord van de computer:


    Druk kort op de fn-toets en druk vervolgens kort op de tweede toets van de hotkeyopdracht.
    – of –



    Houd de fn-toets ingedrukt, druk kort op de tweede toets van de hotkeyopdracht en laat vervolgens
    beide toetsen tegelijk los.

    Systeeminformatie weergeven
    Druk op fn+esc om informatie weer te geven over de hardwareonderdelen en het versienummer van
    het BIOS van het systeem.
    In de Windows-weergave van fn+esc wordt de versie van het BIOS (Basic Input-Output System) van
    het systeem weergegeven als de BIOS-datum. Bij sommige computermodellen wordt de BIOS-datum
    weergegeven in decimale notatie. De BIOS-datum wordt ook wel het versienummer van het systeemROM genoemd.

    30

    Hoofdstuk 3 Cursorbesturing en toetsenbord



  • Page 43

    Help en ondersteuning openen
    Druk op fn+f1 om Help en ondersteuning te openen.
    Help en ondersteuning geeft informatie over het besturingssysteem Windows. Daarnaast biedt het de
    volgende informatie en hulpmiddelen:


    informatie over uw computer, zoals het model en het serienummer, geïnstalleerde software,
    hardwareonderdelen en specificaties



    antwoorden op vragen over het gebruik van de computer



    zelfstudieprogramma's, aan de hand waarvan u leert onderdelen en functies van de computer en
    Windows te gebruiken



    updates voor het besturingssysteem Windows, stuurprogramma's en de software die bij de
    computer is geleverd



    controles van de functionaliteit van de computer



    geautomatiseerde en interactieve probleemoplossing, oplossingen voor herstel en procedures
    voor systeemherstel



    koppelingen naar ondersteuningsspecialisten

    Helderheid van het scherm verlagen
    Druk op fn+f2 om de helderheid van het scherm te verlagen. Houd beide toetsen ingedrukt om de
    helderheid steeds verder te verlagen.

    Helderheid van het scherm verhogen
    Druk op fn+f3 om de helderheid van het scherm te verhogen. Houd beide toetsen ingedrukt om de
    helderheid steeds verder te verhogen.

    Schakelen tussen beeldschermen
    Druk op fn+f4 om te schakelen tussen de weergaveapparaten die op het systeem zijn aangesloten. Als
    bijvoorbeeld een monitor op de computer is aangesloten, wordt de weergave iedere keer dat u op fn
    +f4 drukt, overgeschakeld tussen het scherm van de computer, de monitor, en zowel het
    computerscherm als de monitor tegelijk.
    De meeste externe monitoren maken gebruik van de externe-VGA-videostandaard om videogegevens
    van de computer te ontvangen. De hotkey fn+f4 kan ook de weergave overschakelen van en naar tussen
    andere apparaten die van de computer weergavegegevens ontvangen.
    De volgende video-overdrachtstypen (inclusief voorbeelden van de apparaten die deze gebruiken)
    worden ondersteund door de hotkey fn+f4:


    LCD (beeldscherm van de computer)



    externe VGA (de meeste externe monitoren)



    HDMI (televisies, camcorders, dvd-spelers, videorecorders en video-opnamekaarten met een
    HDMI-poort)



    Samengestelde video (televisies, camcorders, dvd-spelers, videorecorders en videoopnamekaarten met een samengestelde-video-ingang)
    OPMERKING: Samengestelde videoapparaten kunnen alleen op het systeem worden
    aangesloten via een optioneel dockingapparaat of optioneel uitbreidingsproduct.

    Toetsenbord gebruiken

    31



  • Page 44

    Slaapstand activeren (fn+f5)
    VOORZICHTIG: Sla uw werk op voordat u de slaapstand activeert, om het risico van gegevensverlies
    te beperken.
    Druk op fn+f5 om de slaapstand te activeren.
    Wanneer de slaapstand wordt geactiveerd, worden de gegevens in het systeemgeheugen opgeslagen,
    wordt het scherm leeggemaakt en energie bespaard. Wanneer de computer in de slaapstand staat,
    knipperen de aan/uit-lampjes.
    De computer moet zijn ingeschakeld om de slaapstand te kunnen activeren.
    OPMERKING: Als de acculading een kritiek laag niveau bereikt terwijl de computer in de slaapstand
    staat, wordt automatisch de hibernationstand geactiveerd en worden de gegevens die zich in het
    geheugen bevinden op de vaste schijf opgeslagen. Standaard is ingesteld dat de hibernationstand wordt
    geactiveerd als de acculading kritiek laag is, maar u kunt deze instelling wijzigen met behulp van de
    optie Energiebeheer in het Configuratiescherm van Windows.
    Druk kort op de aan/uit-knop om de slaapstand te beëindigen.
    De functie van de hotkey fn+f5 kan worden gewijzigd. U kunt bijvoorbeeld de hotkey fn+f5 zodanig
    instellen dat u hiermee de hibernationstand activeert in plaats van de slaapstand.
    OPMERKING: In alle vensters in het besturingssysteem Windows verwijst de term slaapstandknop
    naar de hotkey fn+f5.

    QuickLock activeren (fn+f6) (alleen bepaalde modellen)
    Druk op fn+f6 om de beveiligingsvoorziening QuickLock te activeren.
    QuickLock beschermt uw gegevens door het aanmeldvenster van het besturingssysteem weer te geven.
    Als het aanmeldingsvenster wordt weergegeven, kan de computer pas worden gebruikt nadat een
    gebruikerswachtwoord of beheerderswachtwoord voor Windows is ingevoerd.
    OPMERKING: Het is noodzakelijk dat u een gebruikerswachtwoord of een beheerderswachtwoord
    voor Windows instelt voordat u QuickLock gaat gebruiken. Raadpleeg Help en ondersteuning voor
    instructies.
    Als u QuickLock wilt activeren, drukt u op fn+f6. Het aanmeldingsvenster wordt weergegeven en de
    computer wordt vergrendeld. Volg vervolgens de aanwijzingen op het scherm om uw Windowsgebruikerswachtwoord of Windows-beheerderswachtwoord in te voeren en toegang te krijgen tot de
    computer.

    Webbrowser starten (fn+f7) (alleen bepaalde modellen)
    Druk op fn+f7 om uw standaardwebbrowser te starten.

    Printer starten (fn+f8) (alleen bepaalde modellen)
    Om het weergegeven item af te drukken, drukt u op fn+f8 om uw printer te activeren.

    Geluid in- en uitschakelen (fn+f7) (alleen bepaalde modellen)
    Druk op fn+f7 om het geluid uit te schakelen. Druk nogmaals op de hotkey om het geluidsvolume te
    herstellen.

    32

    Hoofdstuk 3 Cursorbesturing en toetsenbord



  • Page 45

    Geluidsvolume verlagen (fn+f8) (alleen bepaalde modellen)
    Druk op fn+f8 om het geluidsvolume te verlagen. Houd beide toetsen ingedrukt om het geluidsvolume
    steeds verder te verlagen.

    Geluidsvolume verhogen (fn+f9) (alleen bepaalde modellen)
    Druk op fn+f9 om het geluidsvolume te verhogen. Houd beide toetsen ingedrukt om het geluidsvolume
    steeds verder te verhogen.

    Vorige muziekstuk of hoofdstuk op een audio-cd of een dvd of (fn+f10) (alleen bepaalde
    modellen)
    Als een audio-cd of dvd wordt afgespeeld, drukt u op fn+f10 om het vorige muziekstuk van de cd of het
    vorige gedeelte van de dvd af te spelen.

    Audio-cd of dvd afspelen, onderbreken of hervatten (fn+f11) (alleen bepaalde modellen)
    De sneltoets fn+f11 werkt alleen als er een audio-cd of een dvd is geplaatst.


    Als de audio-cd of dvd niet wordt afgespeeld, drukt u op fn+f11 om het afspelen te starten of te
    hervatten.



    Als de audio-cd of dvd wordt afgespeeld, drukt u op fn+f11 om het afspelen te onderbreken.

    Volgende muziekstuk of hoofdstuk op een audio-cd of een dvd (fn+f12) (alleen bepaalde
    modellen)
    Als een audio-cd of dvd wordt afgespeeld, drukt u op fn+f12 om het volgende muziekstuk van de cd of
    het volgende gedeelte van de dvd af te spelen.

    Geïntegreerd numeriek toetsenblok gebruiken
    U kunt de vijftien toetsen van het geïntegreerde numerieke toetsenblok op dezelfde manier gebruiken
    als de toetsen van een extern toetsenblok. Wanneer het geïntegreerde numerieke toetsenblok is
    ingeschakeld, voert u met elke toets van dit toetsenblok de functie uit die wordt aangegeven door het
    pictogram in de rechterbovenhoek van de toets.

    Geïntegreerd numeriek toetsenblok in- en uitschakelen
    Druk op fn+num lk om het geïntegreerde numerieke toetsenblok in te schakelen. Druk nogmaals op fn
    +num lk om de toetsen weer in hun standaardwerking te gebruiken.
    OPMERKING: Het geïntegreerde numerieke toetsenblok functioneert niet wanneer een extern
    toetsenbord of een extern numeriek toetsenblok is aangesloten op de computer.

    Geïntegreerd numeriek toetsenblok gebruiken

    33



  • Page 46

    Schakelen tussen functies van toetsen op het geïntegreerde toetsenblok
    U kunt tijdelijk schakelen tussen de standaardwerking van de toetsen van het geïntegreerde numerieke
    toetsenblok en de numerieke functie. Gebruik hiervoor de toets fn of de toetsencombinatie fn+shift.


    Als u de toetsenblokfunctie van een toetsenbloktoets wilt activeren wanneer het toetsenblok is
    uitgeschakeld, houdt u de fn-toets ingedrukt terwijl u op de toetsenbloktoets drukt.



    Wanneer het toetsenblok is ingeschakeld, gebruikt u de toetsenbloktoetsen als volgt tijdelijk als
    standaardtoetsen:


    Houd de fn-toets ingedrukt en druk op de toetsenbloktoets om kleine letters te typen.



    Houd de toetsen fn+shift ingedrukt om hoofdletters te typen.

    Optioneel extern numeriek toetsenblok gebruiken
    Bij de meeste externe numerieke toetsenblokken is de werking van de toetsen afhankelijk van het wel
    of niet ingeschakeld zijn van num lock. (Num lock is standaard uitgeschakeld.) Bijvoorbeeld:


    Wanneer num lock is ingeschakeld, kunt u met de meeste toetsenbloktoetsen cijfers typen.



    Wanneer num lock is uitgeschakeld, werken de meeste toetsenbloktoetsen als pijltoetsen, page
    up-toets of page down-toets.

    Wanneer num lock op een extern toetsenblok wordt ingeschakeld, gaat het num lock-lampje op de
    computer branden. Wanneer num lock op een extern toetsenblok wordt uitgeschakeld, gaat het num
    lock-lampje op de computer uit.
    U schakelt als volgt num lock in of uit tijdens het werken op een extern toetsenblok:


    34

    Druk op de toets num lock op het externe toetsenblok, niet op het toetsenbord van de computer.

    Hoofdstuk 3 Cursorbesturing en toetsenbord



  • Page 47

    4

    Multimedia

    Multimediavoorzieningen
    De computer bevat multimediavoorzieningen waarmee u muziek kunt beluisteren, naar films kunt kijken
    en afbeeldingen en foto's kunt bekijken. De computer beschikt mogelijk over de volgende
    multimediacomponenten:


    Optischeschijfeenheid voor het afspelen van audio- en videoschijven



    Geïntegreerde luidsprekers om muziek te beluisteren



    Geïntegreerde microfoon om zelf geluid op te nemen



    Geïntegreerde webcam waarmee u video kunt opnemen en delen



    Vooraf geïnstalleerde multimediasoftware waarmee u muziek, films, afbeeldingen en foto's kunt
    weergeven en beheren



    Hotkeys voor snelle toegang tot multimediataken

    OPMERKING: De computer beschikt mogelijk niet over alle vermelde componenten.
    In de volgende gedeelten wordt uitgelegd hoe u de multimediacomponenten van uw computer herkent
    en gebruikt.

    Multimediacomponenten herkennen
    De volgende afbeelding en tabel geven informatie over de multimediavoorzieningen van de computer.
    OPMERKING: Uw computer kan er iets anders uitzien dan de in dit gedeelte afgebeelde computer.

    Multimediavoorzieningen

    35



  • Page 48

    Onderdeel

    Beschrijving

    (1)

    Webcamlampje (alleen bepaalde modellen)

    Aan: de webcam is in gebruik.

    (2)

    Webcam

    Hiermee kunt u videobeelden vastleggen en foto's maken.

    (3)

    Geïntegreerde microfoon

    Hiermee kunt u geluid opnemen.

    (4)

    Audio-uitgang (hoofdtelefoon)

    Hierop kunt u een audioapparaat aansluiten, zoals optionele
    stereoluidsprekers met eigen voeding, een hoofdtelefoon, een
    oortelefoon, een headset of een televisietoestel, om het
    computergeluid via dat apparaat weer te geven.
    OPMERKING: Wanneer u een extern audioapparaat aansluit op
    de hoofdtelefoonuitgang, worden de computerluidsprekers
    uitgeschakeld.

    36

    (5)

    Audio-ingang (microfoon)

    Hierop kunt u een optionele headsetmicrofoon,
    stereomicrofoonarray of monomicrofoon aansluiten.

    (6)

    Luidspreker

    Hiermee wordt het geluid van de computer weergegeven.

    Hoofdstuk 4 Multimedia



  • Page 49

    Geluidsvolume aanpassen
    U kunt het geluidsvolume regelen met de volgende voorzieningen:




    Volumetoetsen van de computer (alleen bepaalde modellen):


    Om het geluid te dempen of te herstellen houdt u de fn-toets (1) ingedrukt en drukt u
    vervolgens op de f7-toets (2) Dempen.



    Om het geluid zachter te zetten, houdt u de fn-toets (1) ingedrukt en tikt u vervolgens op de
    f8-toets (3) Geluid zachter tot u het gewenste geluidsvolume bereikt.



    Om het volume harder te zetten houdt u de fn-toets ingedrukt (1), en tikt u vervolgens op de
    f9-toets (4) toets Geluid harder tot u het gewenste geluidsvolume bereikt.

    Volumeregeling van Windows:
    a.

    Klik op het pictogram Luidsprekers in het systeemvak aan de rechterkant van de taakbalk.

    b.

    Zet het geluid harder of zachter door de schuifregelaar omhoog of omlaag te bewegen. Klik
    op het pictogram Het luidsprekervolume dempen om het geluid te dempen.

    – of –
    a.

    Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Luidsprekers in het systeemvak en klik op
    Volumemixer openen.

    b.

    In de kolom Luidsprekers zet u het geluid harder of zachter door de schuifregelaar omhoog
    of omlaag te bewegen. U kunt het geluid ook uitschakelen door op het pictogram Het
    luidsprekervolume dempen te klikken.

    Ga als volgt te werk om het pictogram Luidsprekers weer te geven in het systeemvak, als dat niet
    het geval is:
    a.

    Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Verborgen pictogrammen weergeven (de
    pijl aan de linkerkant van het systeemvak).

    b.

    Klik op Meldingspictogrammen aanpassen.

    Multimediavoorzieningen

    37



  • Page 50



    c.

    Selecteer Pictogram en meldingen weergeven voor het pictogram Luidsprekers onder
    Gedrag.

    d.

    Klik op OK.

    Volumeregeling van programma:
    Het volume kan ook binnen bepaalde programma’s worden geregeld.

    Multimediasoftware
    Op de computer staat vooraf geïnstalleerde multimediasoftware. Sommige modellen worden geleverd
    met aanvullende multimediasoftware op een optische schijf.
    Afhankelijk van de hardware en software die bij de computer is geleverd, kunnen de volgende
    multimediataken worden ondersteund:


    Digitale media afspelen, waaronder audio- en video-cd's, dvd's en bd's en internetradio.



    Gegevens-cd's samenstellen of kopiëren.



    Audio-cd's samenstellen, bewerken en branden.



    Video's of films maken, bewerken en branden op een dvd of video-cd.

    VOORZICHTIG: Neem de volgende richtlijnen in acht om het risico van verlies van gegevens of
    schade aan een schijf te beperken:
    Sluit de computer aan op een betrouwbare externe voedingsbron voordat u naar een schijf schrijft.
    Schrijf niet naar een schijf als de computer op accuvoeding werkt.
    Sluit alle programma's voordat u naar de schijf begint te schrijven, behalve de schrijfsoftware die u
    gebruikt.
    Kopieer niet rechtstreeks van een bronschijf naar een doelschijf of van een netwerkschijf naar een
    doelschijf. Kopieer eerst van een bronschijf of netwerkschijf naar uw vaste schijf en kopieer vervolgens
    van de vaste schijf naar de doelschijf.
    Gebruik het toetsenbord van de computer niet en verplaats de computer niet terwijl de computer naar
    een schijf schrijft. Het schrijfproces is gevoelig voor trillingen.

    Toegang tot vooraf geïnstalleerde multimediasoftware
    U krijgt als volgt toegang tot vooraf geïnstalleerde software:


    Selecteer Start > Alle programma's en open vervolgens het multimediaprogramma dat u wilt
    gebruiken.

    OPMERKING: Sommige programma’s bevinden zich mogelijk in submappen.

    Multimediasoftware gebruiken
    1.

    Selecteer Start > Alle programma's en open vervolgens het multimediaprogramma dat u wilt
    gebruiken. Als u bijvoorbeeld Windows Media Player wilt gebruiken voor het afspelen van een
    audio-cd, klik dan op Windows Media Player.
    OPMERKING: Sommige programma’s bevinden zich mogelijk in submappen.

    38

    2.

    Plaats de schijf, bijvoorbeeld een audio-cd, in de optischeschijfeenheid.

    3.

    Volg de instructies op het scherm.

    Hoofdstuk 4 Multimedia



  • Page 51

    – of –
    1.

    Plaats de schijf, bijvoorbeeld een audio-cd, in de optischeschijfeenheid.
    Het dialoogvenster Automatisch afspelen wordt geopend.

    2.

    Klik op een taak in de lijst met multimediataken.

    Multimediasoftware vanaf een schijf installeren
    1.

    Plaats de schijf in de optischeschijfeenheid.

    2.

    Volg de installatie-instructies die worden gegeven in de installatiewizard.

    3.

    Start de computer opnieuw op als daarom wordt gevraagd.

    OPMERKING: Raadpleeg de instructies van de softwarefabrikant voor informatie over de software
    die bij de computer is geleverd. Deze instructies kunnen worden geleverd op schijf, als online Helpbestanden, of op de website van de fabrikant.

    Audio
    Uw computer biedt de mogelijkheid uiteenlopende audiovoorzieningen te gebruiken:


    Muziek afspelen via de computerluidsprekers en/of aangesloten externe luidsprekers



    Geluid opnemen met de interne microfoon of een externe microfoon aansluiten



    Muziek downloaden van internet



    Multimediapresentaties maken met beeld en geluid



    Beeld en geluid overbrengen met expresberichtenprogramma's



    Radioprogramma's als audiostream ontvangen (alleen bepaalde modellen) of FM-radiosignalen
    ontvangen



    Audio-cd's maken of ‘branden’ (alleen bepaalde modellen)

    Externe audioapparatuur aansluiten
    WAARSCHUWING! Zet het volume laag voordat u de hoofdtelefoon, oortelefoon of headset opzet.
    Zo beperkt u het risico van gehoorbeschadiging. Raadpleeg Informatie over voorschriften, veiligheid en
    milieu voor aanvullende informatie over veiligheid.
    Als u externe apparaten zoals externe luidsprekers, een hoofdtelefoon of een microfoon wilt aansluiten,
    raadpleegt u de bij het apparaat verstrekte informatie. Voor optimale resultaten zijn de volgende tips
    van belang:


    Zorg dat de apparaatkabel correct is aangesloten op de juiste connector van de computer.
    (Kabelconnectoren hebben normaliter een kleurcodering die overeenkomt met de
    corresponderende connectoren op de computer.)



    Installeer alle stuurprogramma's die zijn vereist voor het externe apparaat.
    OPMERKING: Een stuurprogramma is een vereist programma dat fungeert als "vertaler" tussen
    het apparaat en de programma's die gebruikmaken van het apparaat.

    Audio

    39



  • Page 52

    Audiofuncties controleren
    U controleert het systeemgeluid van de computer als volgt:
    1.

    Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Volume op de taakbalk en selecteer vervolgens
    Geluiden.
    – of –
    Selecteer Start > Configuratiescherm > Hardware en geluiden > Geluid.

    2.

    Wanneer het venster Geluid verschijnt, klikt u op het tabblad Geluiden. Selecteer onder
    Programmagebeurtenissen het gewenste geluid, zoals een pieptoon of een alarmsignaal, en klik
    op de knop Test.
    Als het goed is, hoort u het geluid door de luidsprekers of de aangesloten hoofdtelefoon.

    U controleert de opnamefuncties van de computer als volgt:
    1.

    Selecteer Start > Alle programma's > Bureau-accessoires > Geluidsrecorder.

    2.

    Klik op Begin met opnemen en spreek in de microfoon. Sla het bestand op het bureaublad op.

    3.

    Open Windows Media Player en speel het geluid af.

    OPMERKING: Voor optimale resultaten tijdens het opnemen spreekt u rechtstreeks in de microfoon
    en neemt u geluid op in een omgeving die vrij is van achtergrondruis.
    Als u de audio-instellingen van de computer wilt bevestigen of wijzigen, selecteert u Start >
    Configuratiescherm > Hardware en geluiden > Geluid.

    Video
    Uw computer biedt de mogelijkheid uiteenlopende videovoorzieningen te gebruiken:


    Films bekijken



    Spelletjes spelen via internet en offline



    Afbeeldingen en video's bewerken voor presentaties



    Externe videoapparatuur aansluiten

    Externe monitor of projector aansluiten
    Uw computer heeft een externe-monitorpoort waarmee u een externe monitor of projector kunt
    aansluiten.

    Externemonitorpoort gebruiken
    Via de externemonitorpoort kunt u een extern weergaveapparaat aansluiten op de computer, zoals een
    externe monitor of projector.

    40

    Hoofdstuk 4 Multimedia



  • Page 53



    Als u een weergaveapparaat wilt aansluiten op de computer, sluit u de kabel van het apparaat aan
    op de externemonitorpoort.

    OPMERKING: Als een extern weergaveapparaat op de juiste wijze is aangesloten maar geen beeld
    geeft, drukt u op fn+f4 om het beeld naar het apparaat te schakelen. Druk meerdere malen op fn+f4 om
    het beeld te schakelen van het computerbeeldscherm naar het apparaat en terug.

    HDMI-poort gebruiken
    Bepaalde computermodellen beschikken over een HDMI-poort (High Definition Multimedia Interface).
    Hiermee kan de computer worden aangesloten op een optioneel video- of audioapparaat, zoals een
    high-definitiontelevisie en andere compatibele digitale video- of audioapparatuur.
    De computer kan gelijktijdig beelden weergeven op één op de HDMI-poort aangesloten HDMI-apparaat,
    en op het beeldscherm van de computer of een ander ondersteund extern weergaveapparaat.
    OPMERKING: Als u videosignalen wilt verzenden via de HDMI-poort, heeft u een HDMI-kabel nodig.
    Deze kunt u aanschaffen bij een elektronicazaak.

    Video

    41



  • Page 54

    U sluit als volgt een video- of audioapparaat aan op de HDMI-poort:
    1.

    Sluit het ene uiteinde van de HDMI-kabel aan op de HDMI-poort van de computer.

    2.

    Sluit het andere uiteinde van de kabel aan op het videoapparaat volgens de instructies van de
    fabrikant.

    3.

    Druk op fn+f4 om het beeld te schakelen tussen de weergaveapparaten die zijn aangesloten op
    de computer.

    Audio configureren voor HDMI
    Als u HDMI-audio wilt configureren, sluit u eerst een audio- of videoapparaat, zoals een high-definition
    televisie, aan op de HDMI-poort op de computer. Configureer vervolgens het standaardapparaat voor
    audioweergave.
    1.

    Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Luidspreker in het systeemvak aan de rechterkant
    van de taakbalk en klik vervolgens op Afspeelapparaten.

    2.

    Klik op het tabblad Afspelen op Digitale uitvoer of Apparaat voor digitale uitvoer (HDMI).

    3.

    Klik op Als standaard instellen en klik op OK.

    Ga als volgt te werk om de audio weer via de luidsprekers van de computer weer te geven:
    1.

    Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Luidspreker in het systeemvak aan de rechterkant
    van de taakbalk en klik vervolgens op Afspeelapparaten.

    2.

    Klik op het tabblad Afspelen op Luidsprekers.

    3.

    Klik op Als standaard instellen en klik op OK.

    Optischeschijfeenheid (alleen bepaalde modellen)
    Met de optische-schijfeenheid kunt u cd's, dvd's of bd's afspelen, kopiëren en samenstellen, afhankelijk
    van het type optische-schijfeenheid van de computer en de software die op uw computer is
    geïnstalleerd.

    Geïnstalleerde optischeschijfeenheid herkennen


    42

    Selecteer Start > Computer.

    Hoofdstuk 4 Multimedia



  • Page 55

    U ziet een lijst met alle apparaten die zijn geïnstalleerd op de computer, waaronder de
    optischeschijfeenheid. U kunt een van de volgende typen schijfeenheden hebben:


    Dvd-romstation



    dvd±r SuperMulti DL LightScribe-station

    OPMERKING: Beide hierboven vermelde schijfeenheden worden mogelijk niet ondersteund door de
    computer.

    Optische schijven (cd's, dvd's en bd's) gebruiken
    Een optische-schijfeenheid, zoals een dvd-romstation, ondersteunt optische schijven (cd's en dvd's).
    Deze schijven worden gebruikt voor het opslaan van gegevens, zoals muziek, foto’s en films. Dvd's
    hebben een grotere opslagcapaciteit dan cd's.
    De optischeschijfeenheid kan standaard cd- en dvd-schijven lezen. Als de optischeschijfeenheid een
    Blu-ray Disc (BD)-drive is, kan deze ook bd's lezen.
    OPMERKING: Sommige vermelde optischeschijfeenheden worden mogelijk niet ondersteund door
    de computer. De vermelde schijfeenheden zijn niet per definitie alle optischeschijfeenheden die worden
    ondersteund.
    In de volgende tabel kunt u zien naar welke optische schijven de verschillende typen optischeschijfeenheden kunnen schrijven.
    Type optische
    schijfeenheid

    Dvd-romstation
    Dvd±r SuperMulti DL
    LightScribe-station*†

    Schrijven
    naar cd-rw

    Schrijven
    naar
    dvd±rw/r

    Schrijven naar
    dubbellaags dvd+r

    Etiket schrijven
    naar LightScribe-cd
    of dvd±rw/r

    Schrijven naar
    bd r/re

    Nee

    Nee

    Nee

    Nee

    Nee

    Ja

    Ja

    Ja

    Ja

    Nee

    *Op schijven met dubbele laag kunnen meer gegevens worden opgeslagen dan op schijven met enkele laag. Schijven met
    dubbele laag die zijn gebrand met deze schijfeenheid, zijn echter mogelijk niet compatibel met veel stuurprogramma's en spelers
    voor dvd's met enkele laag.

    LightScribe-schijven moeten apart worden aangeschaft. LightScribe maakt een afbeelding met grijstinten die lijkt op een zwartwitfoto.

    VOORZICHTIG: Activeer de slaapstand of hibernationstand niet terwijl er wordt gelezen van een cd,
    dvd of bd, of wordt geschreven naar een cd of dvd. Zo voorkomt u mogelijke audio- of
    videoverslechtering, gegevensverlies of verlies van audio- of video-afspeelfunctionaliteit.

    Juiste type schijf kiezen (cd's, dvd's en bd's)
    Een optische-schijfeenheid ondersteunt optische schijven (cd's, dvd's en bd's). Cd's, die worden
    gebruikt voor de opslag van digitale gegevens, worden ook gebruikt voor commerciële audio-opnamen
    en zijn handig voor persoonlijke opslagbehoeften. Dvd's en bd's worden hoofdzakelijk gebruikt voor
    films, software en back-ups van gegevens. Dvd's en bd's hebben hetzelfde formaat als cd's, maar
    hebben een veel grotere opslagcapaciteit.
    OPMERKING: Mogelijk ondersteunt de optischeschijfeenheid in uw computer niet alle typen optische
    schijven die in dit gedeelte worden beschreven.

    Optischeschijfeenheid (alleen bepaalde modellen)

    43



  • Page 56

    Cd-r-schijven
    Gebruik cd-r-schijven (één keer schrijven) om permanente archieven aan te leggen en bestanden uit te
    wisselen. Kenmerkende toepassingen zijn:


    Distributie van grote presentaties



    Uitwisseling van gescande en digitale foto's, videoclips en geschreven gegevens



    Maken van eigen muziek-cd's



    Permanente archieven aanleggen van computerbestanden en gescande privé-bestanden



    Bestanden van de vaste schijf elders opslaan om schijfruimte vrij te maken

    Nadat de gegevens naar de schijf zijn geschreven, kunnen ze niet meer worden gewist of overschreven.

    Cd-rw-schijven
    Gebruik een cd-rw-schijf (een herschrijfbare versie van een cd) om grote projecten op te slaan die vaak
    moeten worden bijgewerkt. Kenmerkende toepassingen zijn:


    Ontwikkeling en beheer van grote documenten en projectbestanden



    Vervoer van werkbestanden



    Maken van wekelijkse backups van bestanden op de vaste schijf



    Continu bijwerken van foto's, video, audio en gegevens

    Dvd±r-schijven
    Gebruik lege dvd±r-schijven om grote hoeveelheden gegevens permanent op te slaan. Nadat de
    gegevens naar de schijf zijn geschreven, kunnen ze niet meer worden gewist of overschreven.

    Dvd±rw-schijven
    Met dvd±rw-schijven kunt u eerder opgeslagen gegevens wissen of overschrijven. Dit type schijf is
    ideaal voor het testen van audio- of video-opnamen voordat u ze op een cd of dvd brandt die niet kan
    worden gewijzigd.

    44

    Hoofdstuk 4 Multimedia



  • Page 57

    LightScribe dvd+r-schijven
    Met LightScribe dvd+r-schijven kunt u gegevens, video’s en foto’s delen met anderen en opslaan. Deze
    schijven kunnen worden gelezen door de meeste dvd-romstations en dvd-spelers. Met een dvdromstation dat LightScribe ondersteunt en LightScribe-software kunt u gegevens naar de schijf schrijven
    en vervolgens een zelf ontworpen label aanbrengen op de buitenkant van de schijf.

    Blu-ray Discs (bd’s)
    Bd is een type high-density optische schijf voor de opslag van digitale informatie, waaronder highdefinition video. Op een Blu-ray-schijf met enkele laag kan 25 GB worden opgeslagen, meer dan vijf
    keer zoveel als op een dvd met enkele laag (4,7 GB). Op een Blu-ray-schijf met dubbele laag kan 50 GB
    worden opgeslagen, bijna zes keer zoveel als op een dvd met dubbele laag (8,5 GB).
    Kenmerkende toepassingen zijn:


    Opslag van grote hoeveelheden gegevens



    Weergave en opslag van high-definition video



    Videospellen

    OPMERKING: Aangezien Blu-ray een nieuwe indeling is met nieuwe technologieën, kunnen zich
    bepaalde problemen voordoen met schijven, digitale aansluiting, compatibiliteit en/of prestaties. Het
    gaat hierbij niet om gebreken in het product. Een perfecte weergave op alle systemen is niet
    gegarandeerd.

    Cd, dvd of bd afspelen
    1.

    Zet de computer aan.

    2.

    Druk op de ejectknop (1) op het voorpaneel van de schijfeenheid om de lade te openen.

    3.

    Trek de lade uit (2).

    4.

    Houd de cd of dvd bij de randen vast om te voorkomen dat u het oppervlak aanraakt en plaats de
    schijf op de as in de lade met het label naar boven.
    OPMERKING: Als de lade niet volledig kan worden uitgetrokken, houdt u de schijf enigszins
    schuin zodat u deze voorzichtig op de as kunt plaatsen.

    Optischeschijfeenheid (alleen bepaalde modellen)

    45



  • Page 58

    5.

    Druk de schijf voorzichtig op de as van de lade totdat de schijf vastklikt (3).

    6.

    Sluit de lade.

    Als u Automatisch afspelen nog niet heeft geconfigureerd, wordt het dialoogvenster Automatisch
    afspelen geopend. In dit venster kunt u selecteren hoe u de inhoud van het medium wilt gebruiken.
    OPMERKING: Bij het afspelen van een bd bereikt u het beste resultaat als de netvoedingsadapter is
    aangesloten op een externe voedingsbron.

    Automatisch afspelen configureren
    1.

    Selecteer Start > Standaardprogramma's > Instellingen voor Automatisch afspelen
    wijzigen.

    2.

    Controleer of de optie Automatisch afspelen voor alle media en apparaten gebruiken is
    ingeschakeld.

    3.

    Klik op Kies een standaardinstelling en selecteer daarna een van de beschikbare opties voor
    elk weergegeven mediatype.
    OPMERKING: Kies WinDVD voor het afspelen van dvd's.

    4.

    Klik op Opslaan.

    OPMERKING: Raadpleeg Help en ondersteuning voor meer informatie over Automatisch afspelen.

    Regio-instelling van dvd's wijzigen
    De meeste dvd's met auteursrechtelijk beschermde bestanden bevatten ook regiocodes. Regiocodes
    zijn een hulpmiddel voor de internationale bescherming van auteursrechten.
    U kunt een dvd met regiocode alleen afspelen als de regiocode op de dvd overeenkomt met de regioinstelling van uw dvd-drive.
    VOORZICHTIG: U kunt de regio-instelling van de dvd-drive slechts vijf keer wijzigen.
    De vijfde regio-instelling die u selecteert, wordt de permanente regio-instelling van de dvd-drive.
    Op het tabblad dvd-regio kunt u zien hoe vaak u de regio-instelling nog kunt wijzigen.

    46

    Hoofdstuk 4 Multimedia



  • Page 59

    Ga als volgt te werk om de instelling te wijzigen met het besturingssysteem:
    1.

    Selecteer Start > Configuratiescherm > Systeem en beveiliging. Klik vervolgens in het veld
    Systeem op Apparaatbeheer.
    OPMERKING: Windows bevat de functie Gebruikersaccountbeheer om de beveiliging van de
    computer te verbeteren. Mogelijk wordt om uw toestemming of wachtwoord gevraagd bij taken als
    het installeren van software, het uitvoeren van hulpprogramma's of het wijzigen van Windowsinstellingen. Raadpleeg Help en ondersteuning in Windows voor meer informatie.

    2.

    Klik op het plusteken (+) naast Dvd-/cd-romstations.

    3.

    Klik met de rechtermuisknop op de dvd-drive waarvan u de regio-instelling wilt wijzigen en klik
    vervolgens op Eigenschappen.

    4.

    Klik op het tabblad Dvd-regio en wijzig de instellingen.

    5.

    Klik op OK.

    Waarschuwing met betrekking tot auteursrecht
    Het illegaal kopiëren van auteursrechtelijk beschermd materiaal, waaronder computerprogramma's,
    films, uitzendingen en geluidsopnamen, vormt op grond van het van toepassing zijnde auteursrecht een
    strafrechtelijke overtreding. Gebruik deze computer niet voor dergelijke doeleinden.
    OPMERKING: Raadpleeg de instructies van de softwarefabrikant voor informatie over de software
    die bij de computer is geleverd. Deze instructies kunnen worden verstrekt bij de software of op schijven,
    of kunnen op de website van de fabrikant staan.

    Cd of dvd kopiëren
    1.

    Selecteer Start > Alle programma's > Roxio > Creator Business.
    OPMERKING: Als u Roxio voor het eerst gebruikt, moet u eerst de licentieovereenkomst voor
    het programma accepteren voordat u dit proces kunt voltooien.

    2.

    Klik in het rechterdeelvenster op Copy Disc (Schijf kopiëren).

    3.

    Plaats de schijf die u wilt kopiëren in de optischeschijfeenheid.

    4.

    Klik op Copy Disc (Schijf kopiëren) rechtsonder op het scherm.
    Creator Business leest de bronschijf en kopieert de gegevens naar een tijdelijke map op de vaste
    schijf.

    5.

    Verwijder, wanneer u hier om wordt verzocht, de bronschijf uit de optischeschijfeenheid en plaats
    een lege schijf in de schijfeenheid.
    Nadat de informatie is gekopieerd, wordt de gemaakte schijf automatisch uitgeworpen.

    Cd of dvd maken ('branden')
    VOORZICHTIG: Neem de auteursrechtwaarschuwing in acht. Het illegaal kopiëren van
    auteursrechtelijk beschermd materiaal, waaronder computerprogramma's, films, uitzendingen en
    geluidsopnamen, is een strafrechtelijke overtreding op grond van toepasselijk auteursrecht. Gebruik
    deze computer niet voor dergelijke doeleinden.
    Als de optische-schijfeenheid van het type cd-rw, dvd-rw of dvd±-rw is, kunt u met behulp van software
    zoals Windows Media Player gegevens- en audiobestanden branden, waaronder MP3- en WAVmuziekbestanden.

    Optischeschijfeenheid (alleen bepaalde modellen)

    47



  • Page 60

    Neem de volgende richtlijnen in acht bij het branden van een cd of dvd:


    Sla open bestanden op en sluit alle programma's af voordat u een schijf brandt.



    Een cd-r of dvd-r is gewoonlijk het meest geschikt voor het branden van audiobestanden, omdat
    de informatie na het kopiëren niet meer kan worden gewijzigd.



    Omdat sommige stereo-installaties in huis of in de auto geen cd-rw's kunnen afspelen, kunt u het
    beste cd-r's gebruiken om muziek-cd's te branden.



    Een cd-rw of dvd-rw is over het algemeen het meest geschikt voor het branden van
    gegevensbestanden of voor het testen van audio- of video-opnamen voordat u ze op een cd of dvd
    brandt die niet kan worden gewijzigd.



    Dvd-spelers in huiskamersystemen ondersteunen gewoonlijk niet alle dvd-indelingen. Raadpleeg
    de handleiding bij de dvd-speler voor een overzicht van ondersteunde indelingen.



    Een MP3-bestand neemt minder ruimte in beslag dan muziekbestanden met andere indelingen,
    en het proces voor het maken van een MP3-schijf is gelijk aan het proces voor het maken van een
    gegevensbestand. MP3-bestanden kunnen alleen worden afgespeeld op MP3-spelers of op
    computers waarop MP3-software is geïnstalleerd.

    Ga als volgt te werk om een cd of dvd te branden:
    1.

    Download of kopieer de bronbestanden naar een map op de vaste schijf.

    2.

    Plaats een lege schijf in de optische-schijfeenheid.

    3.

    Selecteer Start > Alle programma's en selecteer de software die u wilt gebruiken.

    4.

    Selecteer het type schijf dat u wilt maken: gegevens, audio of video.

    5.

    Klik met de rechtermuisknop op Start, klik op Open Windows Explorer (Windows Verkenner
    openen) en ga naar de map waarin de bronbestanden zijn opgeslagen.

    6.

    Open de map en sleep de bestanden naar de schijfeenheid die de lege schijf bevat.

    7.

    Start het brandproces, zoals aangegeven door het programma dat u heeft gekozen.

    Raadpleeg de instructies van de softwarefabrikant voor specifiekere instructies. Deze instructies kunnen
    worden geleverd bij de software, op schijf of op de website van de fabrikant.

    Optische schijf (cd, dvd of bd) verwijderen
    1.

    48

    Druk op de ejectknop (1) op de schijfeenheid om de lade te ontgrendelen en trek de lade voorzichtig
    zo ver mogelijk uit (2).

    Hoofdstuk 4 Multimedia



  • Page 61

    2.

    Verwijder de schijf (3) uit de lade door voorzichtig op de as te drukken terwijl u de schijf aan de
    randen optilt. Houd de schijf bij de randen vast en raak het oppervlak niet aan.
    OPMERKING: Als de lade niet volledig kan worden uitgetrokken, houdt u de schijf voorzichtig
    enigszins schuin bij het verwijderen.

    3.

    Sluit de lade en berg de schijf op in het bijbehorende doosje.

    Problemen oplossen
    In de volgende gedeelten worden enkele veelvoorkomende problemen en mogelijke oplossingen
    beschreven.

    De lade van de optische-schijfeenheid gaat niet open bij het verwijderen van een cd, dvd
    of bd
    1.

    Steek het uiteinde van een paperclip (1) in de ontgrendelingsopening in het voorpaneel van de
    schijfeenheid.

    2.

    Druk voorzichtig op de paperclip om de lade te ontgrendelen en trek de lade vervolgens zo ver
    mogelijk uit (2).

    Optischeschijfeenheid (alleen bepaalde modellen)

    49



  • Page 62

    3.

    Verwijder de schijf (3) uit de lade door voorzichtig op de as te drukken terwijl u de schijf aan de
    randen optilt. Houd de schijf bij de randen vast en raak het oppervlak niet aan.
    OPMERKING: Als de lade niet volledig kan worden uitgetrokken, houdt u de schijf voorzichtig
    enigszins schuin bij het verwijderen.

    4.

    Sluit de lade en berg de schijf op in het bijbehorende doosje.

    De computer herkent de optische-schijfeenheid niet
    Als Windows een aangesloten apparaat niet detecteert, kan het zijn dat het apparaatstuurprogramma
    ontbreekt of is beschadigd. Als u vermoedt dat het dvd/cd-romstation niet wordt herkend, controleert u
    of de optische-schijfeenheid wordt vermeld in Apparaatbeheer.

    50

    1.

    Verwijder eventuele schijven uit de optische-schijfeenheid.

    2.

    Selecteer Start > Configuratiescherm > Systeem en beveiliging > Apparaatbeheer. Klik op
    Doorgaan als u door Gebruikersaccountbeheer wordt verzocht dat te doen.

    3.

    Klik in het venster Apparaatbeheer op het plusteken (+) naast Schijfstations of dvd-/cdromstations, tenzij er al een minteken (-) voor staat. Zoek naar de vermelding van een optischeschijfeenheid.

    4.

    Klik met de rechtermuisknop op het optische apparaat om de volgende taken uit te voeren:


    Het stuurprogramma bijwerken.



    Het apparaat verwijderen.

    Hoofdstuk 4 Multimedia



  • Page 63



    Zoeken naar gewijzigde apparaten. Windows scant het systeem op geïnstalleerde hardware
    en installeert vereiste standaardstuurprogramma's.



    Klik op Eigenschappen om te controleren of het apparaat correct werkt.


    In het venster Eigenschappen wordt gedetailleerde informatie over het apparaat
    weergegeven, waarmee u problemen kunt oplossen.



    Klik op het tabblad Stuurprogramma om de stuurprogramma's voor dit apparaat bij te
    werken, uit te schakelen of te verwijderen.

    Onderbrekingen tijdens het afspelen voorkomen
    U voorkomt als volgt dat het afspelen wordt onderbroken:


    Sla uw werk op en sluit alle geopende programma's af voordat u een cd, dvd of bd afspeelt.



    Sluit geen hardware aan en koppel geen hardware los tijdens het afspelen van een schijf.

    Activeer de hibernationstand of de slaapstand niet tijdens het afspelen van een schijf. Anders krijgt u
    een waarschuwingsbericht te zien met de vraag of u wilt doorgaan. Als dit bericht wordt weergegeven,
    klikt u op Nee. Zodra u op Nee heeft geklikt, reageert de computer op een van de volgende manieren:


    Het afspelen wordt hervat.
    – of –



    Mogelijk wordt het afspeelscherm van het multimediaprogramma gesloten. U kunt verdergaan met
    het afspelen van de cd, dvd of bd door op de knop Afspelen te klikken in het multimediaprogramma.
    In uitzonderlijke gevallen moet u het programma mogelijk afsluiten en opnieuw starten.

    Een schijf wordt niet afgespeeld


    Sla uw werk op en sluit alle geopende programma’s af voordat u een cd, dvd of bd afspeelt.



    Verbreek de verbinding met internet voordat u een cd, dvd of bd afspeelt.



    Controleer of de schijf juist is geplaatst.



    Controleer of de schijf schoon is. Maak de schijf zo nodig schoon met gefilterd water en een
    pluisvrije doek. Veeg van het midden van de schijf naar de buitenrand.



    Controleer de schijf op krassen. Als u krassen vindt, behandel de schijf dan met een reparatieset
    voor optische schijven. Dergelijke sets zijn te koop in veel elektronicazaken.



    Schakel de slaapstand uit alvorens de schijf af te spelen.
    Activeer de hibernationstand of slaapstand niet tijdens het afspelen van een schijf. Als u dat wel
    doet, verschijnt mogelijk een waarschuwing waarin u wordt gevraagd of u door wilt gaan. Als dit
    bericht verschijnt, klikt u op Nee. Nadat u op Nee heeft geklikt, kan het volgende gebeuren:


    Het afspelen wordt hervat.

    – of –




    Mogelijk wordt het afspeelscherm van het multimediaprogramma gesloten. Klik op de knop
    Afspelen in uw multimediaprogramma om de schijf weer af te spelen. Heel soms komt het
    voor dat u het programma moet afsluiten en opnieuw moet starten.

    Maak systeembronnen vrij:
    Schakel externe apparaten zoals printers en scanners uit. Door deze apparaten los te koppelen,
    maakt u systeembronnen vrij, waardoor de afspeelprestaties zullen verbeteren.

    Optischeschijfeenheid (alleen bepaalde modellen)

    51



  • Page 64

    Wijzig de kleureigenschappen van het bureaublad. Omdat het menselijk oog nauwelijks verschil
    waarneemt tussen 16-bits kleuren en kleuren boven 16-bits, ziet u als het goed is geen verschil bij het
    bekijken van een film als u de kleureigenschappen van het systeem terugbrengt tot 16-bits kleuren. Ga
    hiervoor als volgt te werk:
    1.

    Klik met de rechtermuisknop op het bureaublad (maar niet op een pictogram) en selecteer
    Schermresolutie.

    2.

    Klik op Geavanceerde instellingen > tabblad Beeldscherm.

    3.

    Klik op Hoge kleuren (16-bits) als deze instelling nog niet is geselecteerd.

    4.

    Klik op OK.

    Een schijf wordt niet automatisch afgespeeld
    1.

    Selecteer Start > Configuratiescherm > Hardware en geluiden > Automatisch afspelen.

    2.

    Controleer of het selectievakje Automatisch afspelen voor alle media en apparaten
    gebruiken is ingeschakeld.

    3.

    Klik op Opslaan.

    Als u een cd, dvd of bd in de optischeschijfeenheid plaatst, moet die nu automatisch starten.

    Een film stopt, slaat stukken over of wordt niet naar behoren afgespeeld


    Maak de schijf schoon.



    Maak systeembronnen vrij. Enkele suggesties hiervoor zijn:


    Verbreek de verbinding met internet.



    Wijzig de kleureigenschappen van het bureaublad:
    1. Klik met de rechtermuisknop op een leeg gedeelte van het bureaublad en selecteer
    vervolgens Aanpassen > Beeldscherminstellingen.
    2. Stel Kleuren in op Normaal (16-bits), als deze instelling nog niet is geselecteerd.



    Koppel externe apparaten los, zoals een printer, scanner, camera of draagbaar apparaat.

    Een film is niet zichtbaar op een extern beeldscherm
    1.

    Als zowel het beeldscherm van de computer als een extern beeldscherm zijn ingeschakeld, drukt
    u een of meer keren op fn+f4 om te schakelen tussen de twee beeldschermen.

    2.

    Configureer de monitorinstellingen zodanig dat het externe beeldscherm het primaire beeldscherm
    wordt:
    a.

    Klik met de rechtermuisknop op een leeg gedeelte van het bureaublad en selecteer
    vervolgens Aanpassen > Beeldscherminstellingen.

    b.

    Geef een primair en een secundair beeldscherm op.

    OPMERKING: Als beide beeldschermen worden gebruikt, verschijnt het dvd-beeld niet op een
    beeldscherm dat is ingesteld als secundair beeldscherm.
    Als u informatie wilt over een multimediaonderwerp dat niet is behandeld in deze handleiding, selecteert
    u Start > Help en ondersteuning.

    52

    Hoofdstuk 4 Multimedia



  • Page 65

    Het branden van een schijf begint niet of stopt voordat het gereed is


    Controleer of alle programma's zijn afgesloten.



    Schakel de slaapstand en de hibernationstand uit.



    Controleer of u het juiste type schijf voor uw schijfeenheid gebruikt. Raadpleeg de
    gebruikershandleidingen voor meer informatie over schijftypen.



    Controleer of de schijf correct is geplaatst.



    Selecteer een lagere schrijfsnelheid en probeer het opnieuw.



    Als u een schijf kopieert, slaat u de informatie van de bronschijf op de vaste schijf op voordat u
    probeert de inhoud te branden op een nieuwe schijf. Brand daarna de nieuwe schijf vanaf de vaste
    schijf.



    Installeer het stuurprogramma voor het apparaat waarmee u schijven brandt opnieuw. Dit
    stuurprogramma bevindt zich in de categorie Dvd/cd-rom-stations in Apparaatbeheer.

    Een apparaatstuurprogramma moet opnieuw worden geïnstalleerd
    1.

    Verwijder eventuele schijven uit de optischeschijfeenheid.

    2.

    Klik op Start > Configuratiescherm > Systeem en beveiliging > Apparaatbeheer.

    3.

    Klik in het venster Apparaatbeheer op het plusteken (+) naast het type stuurprogramma dat u wilt
    verwijderen en opnieuw installeren (bijvoorbeeld Dvd/cd-rom's of Modems), tenzij er al een
    minteken (-) voor staat.

    4.

    Klik met de rechtermuisknop op de vermelding van het apparaat en klik op Verwijderen. Wanneer
    u hierom wordt gevraagd, bevestigt u dat u het stuurprogramma wilt verwijderen. Start de computer
    echter niet opnieuw op.
    Herhaal dit voor eventuele andere stuurprogramma's die u wilt verwijderen.

    5.

    Klik in het venster Apparaatbeheer op Actie en klik vervolgens op Zoeken naar gewijzigde
    apparaten. Windows scant het systeem op geïnstalleerde hardware en installeert
    standaardstuurprogramma's voor alle apparaten waarvoor stuurprogramma’s zijn vereist.
    OPMERKING: Wanneer u wordt verzocht de computer opnieuw te starten, slaat u alle open
    bestanden op en start u de computer opnieuw.

    6.

    Open indien nodig Apparaatbeheer opnieuw en controleer of de stuurprogramma's nu wel staan
    vermeld.

    7.

    Probeer het apparaat te gebruiken.

    Als het probleem niet is opgelost door het verwijderen en opnieuw installeren van de
    apparaatstuurprogramma's, moet u mogelijk de stuurprogramma's bijwerken middels de procedures die
    in het volgende gedeelte worden beschreven.
    Recentste apparaatstuurprogramma’s van HP verkrijgen
    Volg een van de onderstaande procedures om apparaatstuurprogramma's van HP te verkrijgen.

    Optischeschijfeenheid (alleen bepaalde modellen)

    53



  • Page 66

    Ga als volgt te werk om HP Support Assistant te gebruiken:
    1.

    Selecteer Start > Alle programma's > HP > HP Support Assistant > Onderhoud: Softwareupdates.

    2.

    Klik op het HP welkomstscherm op Settings (Instellingen) en selecteer een tijdstip waarop het
    hulpprogramma moet controleren op software-updates op internet.

    3.

    Klik op Next (Volgende) om onmiddellijk te controleren op HP software-updates.

    Ga als volgt te werk om HP apparaatstuurprogramma's van de HP website te verkrijgen:
    1.

    Open een internetbrowser, ga naar http://www.hp.com/support en selecteer uw land of regio.

    2.

    Klik op de optie voor het downloaden van software en stuurprogramma's en typ het nummer van
    uw computermodel in het productvak.

    3.

    Druk op enter en volg de instructies op het scherm.

    Apparaatstuurprogramma’s van Microsoft verkrijgen
    U kunt de meest recente Windows-apparaatstuurprogramma's verkrijgen via Windows Update. U kunt
    instellen dat deze Windows-voorziening automatisch moet controleren of er updates zijn voor uw
    apparaatstuurprogramma's en voor het besturingssysteem Windows en andere producten van
    Microsoft, en deze updates vervolgens moet installeren.
    Ga als volgt te werk om Windows Update te gebruiken:
    1.

    Klik op Start > Alle programma's > Windows Update.
    OPMERKING: Als u Windows Update nog niet eerder heeft ingesteld, wordt u gevraagd om een
    aantal instellingen op te geven voordat u kunt zoeken naar updates.

    2.

    Klik op Naar updates zoeken.

    3.

    Volg de instructies op het scherm.

    Webcam
    OPMERKING: In dit gedeelte worden de voorzieningen beschreven die op de meeste modellen
    beschikbaar zijn. Mogelijk zijn niet alle voorzieningen op uw computer beschikbaar.
    De computer heeft een geïntegreerde webcam, die zich boven aan het beeldscherm bevindt. In
    combinatie met de vooraf geïnstalleerde software kunt u de webcam gebruiken om een foto te maken,
    een video op te nemen of een geluidsopname te maken. U kunt de gemaakte foto, video-opname of
    geluidsopname weergeven en op de vaste schijf van de computer opslaan.
    Als u de webcam en de HP Webcam-software wilt gebruiken, selecteert u Start >
    Alle programma's > HP > HP Webcam.
    Met behulp van de webcamsoftware kunt u de volgende voorzieningen uitproberen:

    54



    Video: u kunt webcamvideobeelden opnemen en afspelen.



    Audio: u kunt geluid opnemen en afspelen.



    Streaming video: deze voorziening kunt u gebruiken in combinatie met expresberichtensoftware
    die UVC-camera's (Universal Video Class) ondersteunt.



    Snapshots: hiermee kunt u foto's maken.

    Hoofdstuk 4 Multimedia



  • Page 67

    Tips voor de webcam
    Neem voor de beste resultaten de volgende richtlijnen in acht bij het gebruik van de webcam:


    Zorg dat u de recentste versie van een expresberichtenprogramma heeft voordat u een
    videogesprek begint.



    De firewalls van sommige netwerken kunnen het functioneren van de webcam belemmeren.
    OPMERKING: Als u problemen ondervindt bij het weergeven of verzenden van
    multimediabestanden naar iemand in een ander lokaal netwerk of buiten uw netwerkfirewall,
    schakelt u de firewall tijdelijk uit. Voer de gewenste taak uit en schakel daarna de firewall weer in.
    Om het probleem definitief op te lossen, configureert u de firewall zo nodig opnieuw en past u de
    regels en instellingen van andere systemen voor detectie van computeraanvallen aan. Neem
    contact op met uw netwerkbeheerder of IT-afdeling voor verdere informatie.



    Plaats heldere lichtbronnen zo mogelijk achter de webcam en buiten het beeldveld.

    OPMERKING: Voor meer informatie over het gebruik van de webcam klikt u op het menu Help in de
    helpfunctie van de webcamsoftware.

    Webcameigenschappen aanpassen
    U kunt eigenschappen van de webcam aanpassen in het dialoogvenster Eigenschappen, dat kan
    worden geopend vanuit verschillende programma's die met de geïntegreerde webcam kunnen werken.
    Meestal kunt u dit dialoogvenster openen vanuit een configuratie-, instellingen- of eigenschappenmenu.


    Brightness (Helderheid): regelt de hoeveelheid licht in het beeld. Een hogere instelling voor
    helderheid zorgt voor een lichter beeld. Een lagere instelling voor helderheid zorgt voor een
    donkerder beeld.



    Contrast: Hiermee stelt u het verschil tussen lichtere en donkerdere delen van het beeld in. Een
    hogere instelling voor contrast zorgt voor een scherper beeld. Een lagere instelling voor contrast
    behoudt het oorspronkelijke dynamische bereik, maar zorgt voor een vlakker beeld.



    Hue (Kleurtint): regelt het aspect van een kleur dat de kleur onderscheidt van andere kleuren
    (waardoor een kleur bijvoorbeeld als rood, groen of blauw wordt waargenomen). Kleurtint is niet
    hetzelfde als verzadiging. Verzadiging is de intensiteit van de kleurtint.



    Saturation (Verzadiging): regelt de kracht van een kleur in het uiteindelijke beeld. Een hogere
    instelling voor verzadiging zorgt voor een meer uitgesproken beeld. Een lagere instelling voor
    verzadiging zorgt voor een subtieler beeld.



    Sharpness (Scherpte): regelt de definitie van randen in een beeld. Een hogere instelling voor
    scherpte zorgt voor een sterker gedefinieerd beeld. Een lagere instelling voor scherpte zorgt voor
    een zachter beeld.



    Gamma (Kleurgamma): regelt het contrast dat van invloed is op de middelste grijswaarden of
    middentonen van het beeld. Met deze optie kunt u de helderheid van de middelste grijswaarden
    en middentonen instellen, zonder de donkere en lichte plekken drastisch aan te passen. Een lagere
    instelling voor gamma zorgt ervoor dat grijstinten in de richting van zwart gaan en donkere kleuren
    nog donkerder worden.

    Selecteer Start > Help en ondersteuning voor informatie over het gebruik van de webcam.

    Webcam

    55



  • Page 68

    5

    Energiebeheer

    Opties voor energiebeheer instellen
    Energiebesparende standen gebruiken
    Standaard zijn twee energiebesparende voorzieningen ingeschakeld: de slaapstand en de
    hibernationstand.
    Wanneer de slaapstand wordt geactiveerd, knipperen de aan/uit-lampjes en wordt het scherm
    leeggemaakt. Uw werk wordt in het geheugen opgeslagen. Het beëindigen van de slaapstand gaat
    sneller dan het beëindigen van de hibernationstand. Als de slaapstand gedurende lange tijd geactiveerd
    is of als de acculading een kritiek laag niveau bereikt terwijl de slaapstand is geactiveerd, wordt de
    hibernationstand geactiveerd.
    Wanneer de hibernationstand wordt geactiveerd, wordt uw werk opgeslagen in een hibernationbestand
    op de vaste schijf en wordt de computer afgesloten.
    VOORZICHTIG: Activeer de slaapstand of de hibernationstand niet terwijl er wordt gelezen van of
    geschreven naar een schijf of een externe mediakaart. Zo voorkomt u mogelijke verslechtering van de
    audio- of videokwaliteit, verlies van audio- of video-afspeelfunctionaliteit of verlies van gegevens.
    OPMERKING: Wanneer de computer in de slaapstand of de hibernationstand staat, is het niet
    mogelijk om netwerkverbindingen te maken of de computer te gebruiken.

    Slaapstand activeren of beëindigen
    Standaard is het systeem zo ingesteld dat de slaapstand wordt geactiveerd als de computer 15 minuten
    inactief is geweest en op accuvoeding werkt, of als de computer 30 minuten inactief is geweest als en
    op een externe voedingsbron werkt.
    U kunt de instellingen voor energiebeheer en de wachttijden wijzigen in het onderdeel Energiebeheer
    van het Configuratiescherm van Windows®.
    Wanneer de computer is ingeschakeld, kunt u op een van de volgende manieren de slaapstand
    activeren:


    Druk op fn+f5.



    Klik op Start, klik op de pijl naast de knop Afsluiten en klik vervolgens op Slaapstand.

    U beëindigt als volgt de slaapstand:


    Druk kort op de aan/uit-knop.
    Wanneer de slaapstand wordt beëindigd, gaan de aan/uit-lampjes branden en verschijnt uw werk
    op het punt waar u was gestopt met werken en de slaapstand werd geactiveerd.

    OPMERKING: Als u heeft ingesteld dat een wachtwoord nodig is om de slaapstand te beëindigen,
    moet u uw Windows-wachtwoord invoeren voordat uw werk weer op het scherm verschijnt.

    56

    Hoofdstuk 5 Energiebeheer



  • Page 69

    Hibernationstand activeren of beëindigen
    Standaard is het systeem zo ingesteld dat de hibernationstand wordt geactiveerd als de computer 1.080
    minuten (18 uur) inactief is geweest en op accuvoeding of netvoeding werkt, of wanneer de acculading
    een kritiek laag niveau bereikt.
    U kunt de instellingen voor energiebeheer en de wachttijden wijzigen in het onderdeel Energiebeheer
    van het Configuratiescherm van Windows.
    U activeert als volgt de hibernationstand:
    1.

    Klik op Start en klik op de pijl naast de knop Afsluiten.

    2.

    Klik op Sluimerstand.

    U beëindigt als volgt de hibernationstand:


    Druk kort op de aan/uit-knop.

    De aan/uit-lampjes gaan branden en uw werk verschijnt op het scherm op het punt waar u was gestopt
    met werken en de hibernationstand werd geactiveerd.
    OPMERKING: Als u heeft ingesteld dat een wachtwoord nodig is om de hibernationstand te
    beëindigen, moet u uw Windows-wachtwoord invoeren voordat uw werk weer op het scherm verschijnt.

    Accumeter gebruiken
    De accumeter bevindt zich in het systeemvak aan de rechterkant van de taakbalk. Met de accumeter
    heeft u snel toegang tot Energiebeheer, kunt u de acculading bekijken en een ander
    energiebeheerschema selecteren.


    Beweeg de cursor over het pictogram van de Accumeter om de acculading en het huidige
    energiebeheerschema weer te geven.



    Klik op het pictogram van de Accumeter en selecteer een item in de lijst om toegang te krijgen tot
    Energiebeheer.

    Verschillende accumeters geven aan of de computer op accuvoeding of netvoeding werkt. Het
    pictogram geeft ook een bericht weer wanneer de accu bijna leeg is, de acculading een kritiek laag
    niveau bereikt of overschakelt op reservevoeding.
    Ga als volgt te werk om het pictogram van de Accumeter te verbergen of weer te geven:
    1.

    Klik op het pictogram Verborgen pictogrammen weergeven (de pijl aan de linkerkant van het
    systeemvak).

    2.

    Klik op Meldingspictogrammen aanpassen.

    3.

    Selecteer Pictogrammen en meldingen weergeven naast het pictogram Energiebeheer onder
    Gedrag.

    4.

    Klik op OK.

    Energiebeheerschema's gebruiken
    Een energiebeheerschema bestaat uit een reeks systeeminstellingen waarmee het energieverbruik van
    de computer wordt beheerd. U kunt energiebeheerschema's gebruiken om energie te besparen of de
    prestaties van de computer te maximaliseren.
    U kunt de instellingen van energiebeheerschema's aanpassen of uw eigen energiebeheerschema
    maken.

    Opties voor energiebeheer instellen

    57



  • Page 70

    Huidig energiebeheerschema weergeven


    Klik op het accupictogram in het systeemvak aan de rechterkant van de taakbalk.
    – of –
    Klik op Start > Configuratiescherm > Systeem en beveiliging > Energiebeheer.

    Ander energiebeheerschema selecteren


    Klik op het pictogram Accumeter in het systeemvak en selecteer een energiebeheerschema in de
    lijst.
    – of –
    Selecteer Start > Configuratiescherm > Systeem en beveiliging > Energiebeheer en selecteer
    een energiebeheerschema in de lijst.

    Energiebeheerschema’s aanpassen
    1.

    Klik op het pictogram Energiemeter in het systeemvak en klik vervolgens op Meer opties.
    – of –
    Klik op Start > Configuratiescherm > Systeem en beveiliging > Energiebeheer.

    2.

    Selecteer een energiebeheerschema en klik vervolgens op Instellingen voor schema wijzigen.

    3.

    Breng de gewenste wijzigingen aan.

    4.

    Klik op Geavanceerde energie-instellingen wijzigen om meer instellingen te wijzigen.

    Wachtwoordbeveiliging instellen voor beëindigen slaapstand
    Ga als volgt te werk om in te stellen dat een wachtwoord moet worden opgegeven bij het beëindigen
    van de slaapstand of de hibernationstand:
    1.

    Klik op Start > Configuratiescherm > Systeem en beveiliging > Energiebeheer.

    2.

    Klik in het linkerdeelvenster op Wachtwoord vereisen bij uit slaapstand komen.

    3.

    Klik op Instellingen wijzigen die momenteel niet beschikbaar zijn.

    4.

    Klik op Een wachtwoord vereisen (aanbevolen).
    OPMERKING: Als u een wachtwoord voor uw gebruikersaccount wilt maken of het bestaande
    wachtwoord wilt wijzigen, klikt u op Het wachtwoord voor uw gebruikersaccount instellen of
    wijzigen en volgt u de instructies op het scherm. Anders gaat u verder met stap 5.

    5.

    Klik op Wijzigingen opslaan.

    Externe netvoeding gebruiken
    Externe netvoeding wordt geleverd door een van de volgende apparaten:
    WAARSCHUWING! Gebruik om veiligheidsredenen alleen de bij de computer geleverde
    netvoedingsadapter, een door HP geleverde vervangende adapter, of een compatibele adapter die als
    accessoire is aangeschaft bij HP.

    58



    Goedgekeurde netvoedingsadapter



    Optioneel dockingapparaat of optioneel uitbreidingsproduct

    Hoofdstuk 5 Energiebeheer



  • Page 71

    Sluit de computer aan op een externe netvoedingsbron in de volgende situaties:
    WAARSCHUWING! Laad de accu van de computer niet op aan boord van een vliegtuig.


    Wanneer u een accu oplaadt of kalibreert



    Wanneer u systeemsoftware installeert of aanpast



    Wanneer u informatie naar een cd of dvd schrijft.

    Als u de computer aansluit op externe netvoeding, gebeurt het volgende:


    De accu laadt op.



    Als de computer is ingeschakeld, verandert het accupictogram in de taakbalk van vorm.

    Als u de computer loskoppelt van externe netvoeding, gebeurt het volgende:


    De computer schakelt over op accuvoeding.



    De helderheid van het beeldscherm wordt automatisch verlaagd om accuvoeding te besparen. Als
    u de helderheid van het beeldscherm wilt verhogen, drukt op de hotkey fn+f3 of sluit u de
    netvoedingsadapter opnieuw aan.

    Netvoedingsadapter aansluiten
    WAARSCHUWING! Ga als volgt te werk om het risico van een elektrische schok en schade aan de
    apparatuur te beperken:
    Sluit het netsnoer aan op een geaard stopcontact dat altijd gemakkelijk te bereiken is.
    Ontkoppel de netvoeding van de computer door de stekker uit het stopcontact te halen (niet door het
    netsnoer los te koppelen van de computer).
    Als bij het product een geaard netsnoer met een geaarde stekker is geleverd, sluit u het netsnoer aan
    op een geaard stopcontact. Probeer niet de aarding te omzeilen door bijvoorbeeld adapters of
    stekkerdozen zonder aarding te gebruiken. De aarding is een belangrijke veiligheidsvoorziening.
    Ga als volgt te werk om de computer aan te sluiten op een externe netvoedingsbron:
    1.

    Sluit de netvoedingsadapter aan op de voedingsconnector van de computer (1).

    2.

    Sluit het ene uiteinde van het netsnoer aan op de netvoedingsadapter (2).

    Externe netvoeding gebruiken

    59



  • Page 72

    3.

    Steek het andere uiteinde van het netsnoer in een stopcontact (3).
    OPMERKING: Uw computer kan er iets anders uitzien dan de in dit gedeelte afgebeelde
    computer.

    Accuvoeding gebruiken
    Wanneer er zich een opgeladen accu in de computer bevindt en de computer niet is aangesloten op
    een externe voedingsbron, werkt de computer op accuvoeding. Wanneer de computer is aangesloten
    op een externe netvoedingsbron, werkt de computer op netvoeding.
    Als er een opgeladen accu in de computer is geplaatst en de computer op externe voeding werkt via
    de netvoedingsadapter, schakelt de computer over op accuvoeding wanneer de netvoedingsadapter
    wordt losgekoppeld van de computer.
    OPMERKING: De helderheid van het beeldscherm wordt verlaagd om accuvoeding te besparen
    wanneer u de computer loskoppelt van de netvoeding. Als u de helderheid van het beeldscherm wilt
    verhogen, drukt op de hotkey fn+f3 of sluit u de netvoedingsadapter opnieuw aan.
    U kunt een accu in de computer laten zitten of de accu verwijderen en opbergen. Dit is afhankelijk van
    de manier waarop u de computer gebruikt. Als u de accu in de computer laat zitten wanneer de computer
    is aangesloten op een netvoedingsbron, wordt de accu opgeladen. Bovendien wordt zo uw werk
    beschermd in geval van een stroomstoring. Een accu in de computer wordt echter langzaam ontladen
    wanneer de computer is uitgeschakeld en niet is aangesloten op een externe voedingsbron.
    WAARSCHUWING! Gebruik om veiligheidsredenen alleen de bij de computer geleverde accu, een
    door HP geleverde vervangende accu of een compatibele accu die als accessoire is aangeschaft bij
    HP.
    De accuwerktijd van de accu van een computer kan verschillen, afhankelijk van de instellingen voor
    energiebeheer, geopende programma's, de helderheid van het beeldscherm, externe apparatuur die
    op de computer is aangesloten en andere factoren.

    Accucontrole gebruiken
    Accucontrole biedt informatie over de status van de in de computer geïnstalleerde accu.

    60

    Hoofdstuk 5 Energiebeheer



  • Page 73

    Ga als volgt te werk om Accucontrole uit te voeren:
    1.

    Sluit de netvoedingsadapter aan op de computer.
    OPMERKING:
    voedingsbron.

    2.

    Accucontrole werkt alleen goed als de computer is aangesloten op een externe

    Selecteer Start > Help en ondersteuning > Problemen oplossen: Diagnostics (Diagnostische
    gegevens)> Power, Thermal and Mechanical (Voeding, thermisch en mechanisch)>
    Power (Voeding)> Battery Check (Accucontrole).

    Accucontrole onderzoekt de accu en de cellen ervan om te kijken of ze goed functioneren, en rapporteert
    vervolgens de resultaten van het onderzoek.

    Acculading weergeven


    Beweeg de cursor over het pictogram Accumeter in het systeemvak aan de rechterkant van de
    taakbalk.

    Accu plaatsen of verwijderen
    VOORZICHTIG: Als u een accu verwijdert die de enige voedingsbron is, kunnen er gegevens verloren
    gaan. Sla uw werk op en activeer de hibernationstand of schakel de computer uit voordat u een accu
    verwijdert die de enige voedingsbron is. Zo voorkomt u dat er gegevens verloren gaan.
    U plaatst de accu als volgt:
    1.

    Leg de computer ondersteboven op een vlak oppervlak neer, met de accuruimte naar u toe.

    2.

    Schuif de accu in de accuruimte (1) totdat de accu goed op zijn plaats zit.
    De accuvergrendeling (2) vergrendelt de accu automatisch.

    Accuvoeding gebruiken

    61



  • Page 74

    U verwijdert de accu als volgt:
    1.

    Leg de computer ondersteboven op een vlak oppervlak neer, met de accuruimte naar u toe.

    2.

    Verschuif de accuvergrendeling (1) om de accu los te koppelen.

    3.

    Verwijder de accu (2).

    Accu opladen
    WAARSCHUWING! Laad de accu van de computer niet op aan boord van een vliegtuig.
    De accu wordt opgeladen wanneer de computer is aangesloten op een externe voedingsbron via een
    netvoedingsadapter, een optionele voedingsadapter of een optioneel dockingapparaat.
    De accu wordt opgeladen ongeacht of de computer in gebruik is of uit staat, maar het opladen verloopt
    sneller wanneer de computer is uitgeschakeld.
    Het opladen kan langer duren wanneer de accu nieuw is, langer dan twee weken niet is gebruikt of veel
    warmer of kouder is dan de normale kamertemperatuur.
    Ga als volgt te werk om de accuwerktijd te verlengen en de nauwkeurigheid van de weergave van de
    acculading te optimaliseren:


    Als u een nieuwe accu oplaadt, wacht u tot de accu volledig is opgeladen voordat u de computer
    inschakelt.



    Laad de accu op tot het acculampje van de computer uit gaat.
    OPMERKING: Als de computer is ingeschakeld wanneer de accu wordt opgeladen, is het
    mogelijk dat de Energiemeter in de taakbalk aangeeft dat de accu voor 100 procent is opgeladen,
    terwijl dit nog niet het geval is.

    62



    Laad de accu pas op wanneer deze door normaal gebruik is ontladen tot ongeveer 5 procent van
    de volledige lading.



    Als de accu één maand of langer niet is gebruikt, is het noodzakelijk de accu te kalibreren in plaats
    van op te laden.

    Hoofdstuk 5 Energiebeheer



  • Page 75

    Het acculampje geeft als volgt de status van de acculading aan:


    Aan: de accu wordt opgeladen.



    Knipperend: de accu heeft een lage of kritiek lage acculading bereikt en wordt niet opgeladen.



    Uit: de accu is volledig opgeladen, is in gebruik, of is niet geïnstalleerd.

    Accuwerktijd maximaliseren
    De accuwerktijd varieert, afhankelijk van de functies die u gebruikt terwijl de computer op de accu werkt.
    De maximale accuwerktijd neemt geleidelijk af omdat de capaciteit van de accu afneemt ten gevolge
    van bepaalde natuurlijke processen.
    Tips voor het maximaliseren van de accuwerktijd:


    Verlaag de helderheid van het scherm.



    Controleer de instelling van Energiebesparing in Energiebeheer.



    Verwijder de accu uit de computer als deze niet wordt gebruikt of opgeladen.



    Bewaar de accu op een koele, droge plaats.

    Omgaan met een lage acculading
    In dit gedeelte worden de waarschuwingen en systeemreacties beschreven die standaard zijn ingesteld.
    Sommige waarschuwingen voor een lage acculading en de manier waarop het systeem daarop
    reageert, kunt u wijzigen in het onderdeel Energiebeheer van het Configuratiescherm van Windows
    (Start > Configuratiescherm > Systeem en beveiliging > Energiebeheer). Voorkeuren die u in
    Energiebeheer instelt, zijn niet van invloed op de werking van de lampjes.

    Lage acculading herkennen
    Als een accu die de enige voedingsbron van de computer is bijna leeg is, gaat het acculampje
    knipperen.
    Als u niets onderneemt wanneer de accu bijna leeg is, wordt het niveau van de acculading kritiek en
    gaat het acculampje snel knipperen.
    Wanneer de acculading een kritiek laag niveau bereikt, gebeurt het volgende:


    Als de hibernationvoorziening is ingeschakeld en de computer aanstaat of in de slaapstand staat,
    wordt de hibernationstand geactiveerd.



    Als de hibernationvoorziening is uitgeschakeld en de computer aanstaat of in de slaapstand staat,
    blijft de computer nog even in de slaapstand staan. Vervolgens wordt de computer uitgeschakeld,
    waarbij niet-opgeslagen werk verloren gaat.

    Lage acculading verhelpen
    VOORZICHTIG: Wacht met het herstellen van de voeding totdat de aan/uit-lampjes uit zijn. Zo beperkt
    u het risico van gegevensverlies wanneer de hibernationstand is geactiveerd doordat het ladingsniveau
    van de accu in de computer kritiek laag is geworden.

    Accuvoeding gebruiken

    63



  • Page 76

    Lage acculading verhelpen wanneer een externe voedingsbron beschikbaar is


    Sluit een van de volgende apparaten aan:


    netvoedingsadapter



    Optioneel uitbreidingsproduct of optioneel dockingapparaat



    optionele voedingsadapter

    Lage acculading verhelpen wanneer een opgeladen accu beschikbaar is
    1.

    Schakel de computer uit of activeer de hibernationstand.

    2.

    Verwijder de lege accu en plaats vervolgens een volle accu.

    3.

    Schakel de computer in.

    Lage acculading verhelpen wanneer geen voedingsbron beschikbaar is


    Activeer de hibernationstand.
    – of –
    Sla uw werk op en sluit de computer af.

    Lage acculading verhelpen wanneer de computer de hibernationstand niet kan beëindigen
    Als de computer niet voldoende acculading heeft om de hibernationstand te beëindigen, gaat u als volgt
    te werk:
    1.

    Plaats een opgeladen accu of sluit de computer aan op een externe voedingsbron.

    2.

    Beëindig de hibernationstand door kort op de aan/uit-knop te drukken.

    Accu kalibreren
    Kalibreer een accu in de volgende gevallen:


    als de weergegeven acculading onjuist lijkt te zijn



    als u constateert dat de werktijd van de accu duidelijk anders is dan tevoren

    Zelfs als een accu intensief wordt gebruikt, is het niet nodig om de accu vaker dan eens per maand te
    kalibreren. Het is ook niet nodig om een nieuwe accu te kalibreren.

    Stap 1: laad de accu volledig op
    WAARSCHUWING! Laad de accu van de computer niet op aan boord van een vliegtuig.
    OPMERKING: De accu wordt opgeladen ongeacht of de computer in gebruik is of uit staat, maar het
    opladen verloopt sneller wanneer de computer is uitgeschakeld.
    U laadt als volgt de accu volledig op:
    1.

    Plaats de accu in de computer.

    2.

    Sluit de computer aan op een netvoedingsadapter, optionele voedingsadapter of optioneel
    dockingapparaat, en sluit de adapter of het apparaat aan op een externe netvoedingsbron.
    Het acculampje van de computer gaat branden.

    3.

    64

    Zorg dat de computer op de externe voedingsbron aangesloten blijft totdat de accu volledig is
    opgeladen.

    Hoofdstuk 5 Energiebeheer



  • Page 77

    Het acculampje van de computer gaat uit.

    Stap 2: schakel de energiebesparende voorzieningen uit
    1.

    Klik op het pictogram Energiemeter in het systeemvak en klik vervolgens op Meer opties.
    – of –
    Klik op Start > Configuratiescherm > Systeem en beveiliging > Energiebeheer.

    2.

    Klik onder het huidige energiebeheerschema op De schema-instellingen wijzigen.

    3.

    Noteer de instellingen in de kolommen Het beeldscherm uitschakelen na en De computer in
    slaapstand zetten na, zodat u deze instellingen na de kalibratie weer kunt opgeven.

    4.

    Selecteer voor zowel Het beeldscherm uitschakelen na als De computer in slaapstand zetten
    na de instelling Nooit.

    5.

    Klik op Geavanceerde energie-instellingen wijzigen.

    6.

    Klik op het plusje naast Slaapstand en klik vervolgens op het plusje naast Hibernationstand
    na.

    7.

    Noteer de instelling voor Op accu onder Sluimerstand na, zodat u deze instelling na de kalibratie
    weer kunt opgeven.

    8.

    Wijzig de instelling voor Op accu naar Nooit.

    9.

    Klik op OK.

    10. Klik op Wijzigingen opslaan.

    Stap 3: ontlaad de accu
    Tijdens het ontladen van de accu moet de computer ingeschakeld blijven. De accu wordt ontladen,
    ongeacht of de computer in gebruik is. Wanneer u de computer gebruikt, verloopt het ontladen echter
    sneller.


    Als u de computer onbeheerd wilt achterlaten tijdens het ontladen, slaat u uw gegevens op voordat
    u de ontladingsprocedure start.



    Als u de computer incidenteel gebruikt tijdens de ontladingsprocedure en u wachttijden voor
    energiebesparing heeft ingesteld, kunnen de volgende verschijnselen optreden tijdens het
    ontladingsproces:


    De monitor wordt niet automatisch uitgeschakeld.



    De snelheid van de vaste schijf neemt niet automatisch af wanneer de computer inactief is.



    De hibernationstand wordt niet automatisch geactiveerd.

    Ga als volgt te werk om accu te ontladen:
    1.

    Koppel de computer los van de externe voedingsbron, maar schakel de computer niet uit.

    2.

    Laat de computer op accuvoeding werken totdat de accu volledig is ontladen. Het acculampje gaat
    knipperen wanneer de accu bijna ontladen is. Wanneer de accu volledig is ontladen, gaat het
    acculampje uit en wordt de computer afgesloten.

    Accuvoeding gebruiken

    65



  • Page 78

    Stap 4: laad de accu volledig op
    Ga als volgt te werk om de accu op te laden:
    1.

    Zorg dat de computer op een externe voedingsbron aangesloten blijft totdat de accu volledig is
    opgeladen. Wanneer de accu volledig is opgeladen, gaat het acculampje op de computer uit.
    U kunt de computer gewoon gebruiken terwijl de accu wordt opgeladen, maar het opladen gaat
    sneller wanneer de computer is uitgeschakeld.

    2.

    Als de computer is uitgeschakeld, schakelt u deze in wanneer de accu volledig is opgeladen en
    het acculampje uit is.

    Stap 5: schakel de energiebesparende voorzieningen weer in
    VOORZICHTIG: Als u de hibernationvoorziening niet opnieuw inschakelt nadat u de accu heeft
    gekalibreerd, kan de accu volledig worden ontladen. Hierdoor kunt u gegevens verliezen wanneer de
    acculading van de computer een kritiek laag niveau bereikt.
    1.

    Klik op het pictogram Energiemeter in het systeemvak en klik vervolgens op Meer opties.
    – of –
    Klik op Start > Configuratiescherm > Systeem en beveiliging > Energiebeheer.

    2.

    Klik onder het huidige energiebeheerschema op Instellingen voor schema wijzigen.

    3.

    Voer de instellingen die u heeft genoteerd voor de items in de kolom Op accu opnieuw in.

    4.

    Klik op Geavanceerde energie-instellingen wijzigen.

    5.

    Klik op het plusje naast Slaapstand en klik vervolgens op het plusje naast Hibernationstand
    na.

    6.

    Voer de instelling die u heeft genoteerd voor Op accu opnieuw in.

    7.

    Klik op OK.

    8.

    Klik op Wijzigingen opslaan.

    Accuvoeding besparen


    Selecteer het energiebeheerschema Energiebesparing via het onderdeel Energiebeheer onder
    Systeem en beveiliging in het Configuratiescherm van Windows.



    Schakel draadloze verbindingen en LAN-verbindingen uit en sluit modemapplicaties af wanneer u
    deze niet gebruikt.



    Ontkoppel externe apparatuur die niet is aangesloten op een externe voedingsbron wanneer u
    deze apparatuur niet gebruikt.



    Zet alle optionele externemediakaarten die u niet gebruikt stop, schakel ze uit of verwijder ze.



    Gebruik de hotkeys fn+f2 en fn+f3 om de helderheid van het scherm aan te passen aan de
    omstandigheden.



    Activeer de slaap- of de hibernationstand of sluit de computer af zodra u stopt met werken.

    Accu opbergen
    VOORZICHTIG: Stel een accu niet gedurende langere tijd bloot aan hoge temperaturen, om
    beschadiging van de accu te voorkomen.

    66

    Hoofdstuk 5 Energiebeheer



  • Page 79

    Verwijder de accu en bewaar deze afzonderlijk als de computer meer dan 2 weken niet wordt gebruikt
    en niet is aangesloten op een externe voedingsbron.
    Bewaar de accu op een koele en droge plaats, zodat de accu langer opgeladen blijft.
    OPMERKING: Een opgeborgen accu moet elke 6 maanden worden gecontroleerd. Wanneer de
    capaciteit minder is dan 50 procent, laadt u de accu op voordat u deze weer opbergt.
    Kalibreer een accu die een maand of langer opgeborgen is geweest voordat u deze in gebruik neemt.

    Afvoeren van afgedankte accu's
    WAARSCHUWING! Probeer de accu niet uit elkaar te halen, te pletten of te doorboren, zorg dat u
    geen kortsluiting veroorzaakt tussen de externe contactpunten en laat de accu niet in aanraking komen
    met water of vuur.
    Raadpleeg de bij de computer geleverde Informatie over voorschriften, veiligheid en milieu voor
    aanvullende veiligheidsinformatie.

    Accu vervangen
    De levensduur van de accu van een computer kan verschillen, afhankelijk van de instellingen voor
    energiebeheer, geopende programma’s, de helderheid van het beeldscherm, externe apparatuur die
    op de computer is aangesloten en andere factoren.
    Accucontrole waarschuwt dat de accu moet worden vervangen wanneer een interne cel niet correct
    wordt opgeladen of wanneer de opslagcapaciteit van de accu de status 'Zwak' heeft bereikt. Er verschijnt
    een bericht waarin u wordt verwezen naar de website van HP voor meer informatie over het bestellen
    van een vervangende accu. Als de accu wordt gedekt door een HP garantie, wordt bij de instructies een
    garantie-id geleverd.
    OPMERKING: Om er zeker van te zijn dat u altijd over accuvoeding kunt beschikken als u die nodig
    heeft, raadt HP u aan een nieuwe accu te kopen als de capaciteitsindicator groen-geel wordt.

    Netvoedingsadapter testen
    Test de netvoedingsadapter als de computer een of meer van de volgende symptomen vertoont:


    De computer start niet als deze is aangesloten op de netvoedingsadapter.



    Het beeldscherm gaat niet aan terwijl de computer is aangesloten op de netvoedingsadapter en
    externe voeding.



    De aan/uit-knop brandt niet wanneer de computer wordt aangesloten op de netvoedingsadapter.

    U test de netvoedingsadapter als volgt:
    1.

    Verwijder de accu uit de computer.

    2.

    Sluit de netvoedingsadapter aan op de computer en een stopcontact.

    3.

    Zet de computer aan.


    Als de aan/uit-knop aan gaat, werkt de netvoedingsadapter naar behoren.



    Als de aan/uit-knop uit gaat, werkt de netvoedingsadapter niet en moet deze worden
    vervangen.

    Neem contact op met de technische ondersteuning voor informatie over het verkrijgen van een
    vervangende netvoedingsadapter. Selecteer Start > Help en ondersteuning > Hulp vragen.

    Netvoedingsadapter testen

    67



  • Page 80

    Computer afsluiten
    VOORZICHTIG: Wanneer u de computer uitschakelt, gaat alle informatie verloren die u niet heeft
    opgeslagen.
    Met de opdracht Afsluiten worden alle geopende programma's gesloten, inclusief het
    besturingssysteem, en vervolgens het beeldscherm en de computer uitgeschakeld.
    Sluit de computer af in de volgende gevallen:


    Als u de accu wilt vervangen of toegang wilt tot onderdelen in de computer



    als u externe hardware aansluit die niet op een USB-poort kan worden aangesloten



    Als u de computer langere tijd niet gebruikt en loskoppelt van de externe voedingsbron

    Hoewel u de computer kunt uitschakelen met de aan/uit-knop, is het aan te raden om de opdracht
    Afsluiten van Windows te gebruiken.
    Ga als volgt te werk om de computer af te sluiten:
    OPMERKING: Als de computer in de slaapstand of in de hibernationstand staat, moet u eerst de
    slaapstand of de hibernationstand beëindigen voordat u de computer kunt afsluiten.
    1.

    Sla uw werk op en sluit alle geopende programma's af.

    2.

    Klik op Start.

    3.

    Klik op Afsluiten.

    Als de computer niet reageert en het niet mogelijk is de hierboven genoemde afsluitprocedures te
    gebruiken, probeert u de volgende noodprocedures in de volgorde waarin ze hier staan vermeld:

    68



    Druk op ctrl+alt+delete en klik op de Aan/uit-knop.



    Druk op de aan/uit-knop en houd deze minimaal vijf seconden ingedrukt.



    Koppel de externe voedingsbron los en verwijder de accu uit de computer.

    Hoofdstuk 5 Energiebeheer



  • Page 81

    6

    Schijfeenheden

    Geïnstalleerde schijfeenheden herkennen
    Selecteer Start > Computer om een overzicht weer te geven van de schijfeenheden die in de computer
    zijn geïnstalleerd.
    OPMERKING: Windows bevat de functie Gebruikersaccountbeheer om de beveiliging van de
    computer te verbeteren. Mogelijk wordt om uw toestemming of wachtwoord gevraagd bij taken als het
    installeren van software, het uitvoeren van hulpprogramma's of het wijzigen van Windows-instellingen.
    Raadpleeg Help en ondersteuning in Windows voor meer informatie.

    Schijfeenheden hanteren
    Schijfeenheden zijn kwetsbare computeronderdelen, die voorzichtig moeten worden behandeld. Lees
    de volgende waarschuwingen voordat u schijfeenheden hanteert. Waarschuwingen die betrekking
    hebben op specifieke procedures worden vermeld bij de desbetreffende procedures.

    Geïnstalleerde schijfeenheden herkennen

    69



  • Page 82

    VOORZICHTIG: Neem de volgende voorschriften in acht om het risico van schade aan de computer
    of een schijfeenheid, of verlies van gegevens te beperken:
    Activeer de slaapstand en wacht tot het scherm leeg is of koppel de externe vaste schijf los voordat u
    een computer verplaatst die op een externe vaste schijf is aangesloten.
    Raak voordat u de schijfeenheid aanraakt, eerst het ongeverfde metalen oppervlak van de schijfeenheid
    aan, zodat u niet statisch geladen bent.
    Raak de connectorpinnen op een verwisselbare schijf of op de computer niet aan.
    Behandel een schijfeenheid voorzichtig. Laat de schijfeenheid niet vallen en zet er niets op.
    Schakel de computer uit voordat u een schijfeenheid plaatst of verwijdert. Als u niet zeker weet of de
    computer is afgesloten of in de hibernationstand staat, schakelt u de computer in en vervolgens via het
    besturingssysteem weer uit.
    Gebruik niet te veel kracht wanneer u een schijfeenheid in een schijfruimte plaatst.
    Gebruik het toetsenbord niet en verplaats de computer niet als de optischeschijfeenheid (alleen
    bepaalde modellen) naar een schijf schrijft. Het schrijfproces is gevoelig voor trillingen.
    Zorg ervoor dat de accu voldoende is opgeladen alvorens naar een medium te schrijven wanneer de
    accu de enige voedingsbron is.
    Stel schijfeenheden niet bloot aan extreme temperaturen of extreme vochtigheid.
    Stel schijfeenheden niet bloot aan vloeistoffen. Spuit geen reinigingsmiddelen op een schijfeenheid.
    Verwijder het medium uit een schijfeenheid alvorens de schijfeenheid uit de schijfruimte te verwijderen,
    of voordat u een schijfeenheid meeneemt op reis, verzendt of opbergt.
    Verzend een schijfeenheid in goed beschermend verpakkingsmateriaal, zoals noppenfolie. Vermeld op
    de verpakking dat het om breekbare apparatuur gaat.
    Stel schijfeenheden niet bloot aan magnetische velden. Voorbeelden van beveiligingsapparatuur met
    magnetische velden zijn detectiepoortjes op vliegvelden en detectorstaven. In de
    beveiligingsapparatuur waarmee handbagage wordt gescand, bijvoorbeeld op een lopende band,
    worden röntgenstralen gebruikt in plaats van magnetische velden. Deze beveiligingsapparatuur brengt
    geen schade toe aan schijfeenheden.

    Prestaties van vaste schijf verbeteren
    Schijfdefragmentatie gebruiken
    Wanneer u de computer gebruikt, raken de bestanden op de vaste schijf gefragmenteerd. Met
    Schijfdefragmentatie worden de gefragmenteerde bestanden en mappen samengevoegd op de vaste
    schijf zodat het systeem efficiënter werkt.
    Nadat u Schijfdefragmentatie hebt gestart, werkt het zelfstandig verder. Al naargelang de grootte van
    de vaste schijf en het aantal gefragmenteerde bestanden kan de defragmentatie meer dan een uur in
    beslag nemen. U kunt instellen dat de schijfdefragmentatie ’s nachts wordt uitgevoerd, of op een ander
    tijdstip waarop u de computer niet hoeft te gebruiken.
    HP adviseert u om de vaste schijf minstens één keer per maand te defragmenteren. U kunt instellen
    dat Schijfdefragmentatie maandelijks wordt uitgevoerd, maar u kunt ook op elk gewenst moment
    Schijfdefragmentatie handmatig starten.

    70

    Hoofdstuk 6 Schijfeenheden



  • Page 83

    U gebruikt Schijfdefragmentatie als volgt:
    1.

    Selecteer Start > Alle programma's > Bureau-accessoires > Systeemwerkset >
    Schijfdefragmentatie.

    2.

    Klik op Schijf defragmenteren.
    OPMERKING: Windows bevat de functie Gebruikersaccountbeheer om de beveiliging van de
    computer te verbeteren. Mogelijk wordt om uw toestemming of wachtwoord gevraagd bij taken als
    het installeren van software, het uitvoeren van hulpprogramma's of het wijzigen van Windowsinstellingen. Raadpleeg Help en ondersteuning in Windows voor meer informatie.

    Raadpleeg voor meer informatie de Help bij de Schijfdefragmentatie-software.

    Schijfopruiming gebruiken
    Met Schijfopruiming wordt op de vaste schijf gezocht naar overbodige bestanden, die u veilig kunt
    verwijderen om schijfruimte vrij te maken, zodat de computer efficiënter werkt.
    U gebruikt Schijfopruiming als volgt:
    1.

    Selecteer Start > Alle programma's > Bureau-accessoires > Systeemwerkset >
    Schijfopruiming.

    2.

    Volg de instructies op het scherm.

    Externe schijfeenheden gebruiken
    Verwisselbare externe schijfeenheden bieden u meer mogelijkheden voor het opslaan en gebruiken
    van informatie.
    Verwisselbare USB-schijfeenheden zijn er van de volgende typen:


    1,44-MB diskettestation



    Vasteschijfmodule (een vaste schijf met een adapter)



    Dvd-romstation



    Dvd+/-rw SuperMulti dubbellaagse LightScribe-station



    Blu-ray ROM dvd+/-rw SuperMulti dubbellaags LightScribe-station

    Optionele externe apparaten gebruiken
    OPMERKING: Raadpleeg de instructies van de fabrikant voor informatie over benodigde software,
    stuurprogramma's en de te gebruiken poort op de computer.
    Ga als volgt te werk om een extern apparaat op de computer aan te sluiten:
    VOORZICHTIG: Als u een apparaat met een eigen netvoedingsaansluiting aansluit, kunt u het risico
    van schade aan de apparatuur beperken door ervoor te zorgen dat het apparaat is uitgeschakeld en de
    stekker uit het stopcontact is gehaald.
    1.

    Sluit het apparaat aan op de computer.

    2.

    Als u een apparaat met een eigen netvoedingsaansluiting aansluit, steekt u de stekker van het
    apparaat in een geaard stopcontact.

    3.

    Zet het apparaat aan.

    Externe schijfeenheden gebruiken

    71



  • Page 84

    Als u een apparaat zonder eigen netvoedingsaansluiting wilt verwijderen, schakelt u het apparaat uit
    en verwijdert u het uit de computer. Als u een apparaat met eigen netvoedingsaansluiting wilt
    verwijderen, schakelt u het apparaat uit, verwijdert u het uit de computer en haalt u vervolgens de stekker
    uit het stopcontact.

    Vaste schijf vervangen
    VOORZICHTIG: U voorkomt als volgt dat het systeem vastloopt en gegevens verloren gaan:
    Sluit de computer af voordat u de vaste schijf uit de vasteschijfruimte verwijdert. Verwijder de vaste
    schijf niet wanneer de computer aanstaat of in de slaapstand of de hibernationstand staat.
    Als u niet weet of de computer is uitgeschakeld of in de hibernationstand staat, zet u de computer aan
    door op de aan/uit-knop te drukken. Sluit de computer vervolgens af via het besturingssysteem.
    U verwijdert als volgt een vaste schijf:

    72

    1.

    Sla uw werk op.

    2.

    Schakel de computer uit en sluit het beeldscherm.

    3.

    Ontkoppel alle externe hardware die op de computer is aangesloten.

    4.

    Haal de stekker van het netsnoer uit het stopcontact.

    5.

    Leg de computer ondersteboven op een vlakke ondergrond neer, met de vasteschijfruimte naar u
    toe.

    6.

    Verwijder de accu uit de computer.

    7.

    Draai de schroeven van de onderste klep (1) los.

    Hoofdstuk 6 Schijfeenheden



  • Page 85

    8.

    Schuif de onderste klep naar voren (2) en til de klep vervolgens weg van de computer (3).
    OPMERKING:

    9.

    raadpleeg de afbeelding die het meest overeenkomt met uw computer.

    Verwijder de 2 schroeven aan de achterkant van de vaste schijf (1).

    10. Draai de schroef van de vaste schijf los (2).
    11. Trek het lipje van de vaste schijf naar links (3) om de vaste schijf los te koppelen.

    Vaste schijf vervangen

    73



  • Page 86

    12. Til de vaste schijf (4) uit de vasteschijfruimte.

    U installeert als volgt een vaste schijf:

    74

    1.

    Plaats de vaste schijf in de vasteschijfruimte (1).

    2.

    Trek het lipje van de vaste schijf (2) naar rechts om de vaste schijf aan te sluiten.

    3.

    Draai de schroef van de vaste schijf vast (3).

    4.

    Plaats de 2 schroeven terug in de achterkant van de vaste schijf en draai ze vast.

    5.

    Plaats de onderste klep (1) terug door deze voorzichtig op zijn plaats (2) te schuiven.

    Hoofdstuk 6 Schijfeenheden



  • Page 87

    6.

    Draai de schroeven van de onderste klep (3) vast.
    OPMERKING:

    raadpleeg de afbeelding die het meest overeenkomt met uw computer.

    Vaste schijf vervangen

    75



  • Page 88

    7

    Externe apparatuur

    USB-apparaat gebruiken
    USB (Universal Serial Bus) is een hardwarematige interface die kan worden gebruikt om een optioneel
    extern apparaat aan te sluiten, zoals een USB-toetsenbord, -muis, -drive, -printer, -scanner of -hub.
    Voor bepaalde USB-apparatuur is extra ondersteunende software nodig. Deze wordt meestal met het
    apparaat meegeleverd. Raadpleeg de instructies van de fabrikant voor meer informatie over
    apparaatspecifieke software.
    Uw computermodel heeft 3 USB-poorten die ondersteuning bieden voor USB 1.0-, USB 1.1- en USB
    2.0-apparaten. Een USB-hub biedt extra USB-poorten die met de computer kunnen worden gebruikt.

    USB-apparaat aansluiten
    VOORZICHTIG: Gebruik niet te veel kracht bij het aansluiten van een USB-apparaat, om
    beschadiging van de USB-connector te voorkomen.


    Als u een USB-apparaat wilt aansluiten op de computer, sluit u de USB-kabel van het apparaat
    aan op de USB-poort.

    Wanneer het apparaat is gedetecteerd, geeft het systeem dit aan met een geluidssignaal.
    OPMERKING: De eerste keer dat u een USB-apparaat aansluit, verschijnt er een bericht in het
    systeemvak dat het apparaat door de computer wordt herkend.

    USB-apparaat verwijderen
    VOORZICHTIG: Gebruik de volgende procedure voor het veilig verwijderen van een USB-apparaat,
    om te voorkomen dat gegevens verloren gaan of het systeem vastloopt.
    VOORZICHTIG: Trek niet aan de kabel om een USB-apparaat los te koppelen, om beschadiging van
    de USB-connector te voorkomen.

    76

    Hoofdstuk 7 Externe apparatuur



  • Page 89

    Ga als volgt te werk om een USB-apparaat te verwijderen:
    1.

    Klik op het pictogram Hardware veilig verwijderen en media uitwerpen in het systeemvak aan
    de rechterkant van de taakbalk.
    OPMERKING: U kunt het pictogram Hardware veilig verwijderen en media uitwerpen weergeven
    door te klikken op het pictogram Verborgen pictogrammen weergeven (de pijl aan de linkerkant
    van het systeemvak).

    2.

    Klik in de lijst op de naam van het apparaat.
    Er verschijnt een melding dat de hardware veilig kan worden verwijderd.

    3.

    Koppel het apparaat los.

    Ondersteuning voor oudere USB-systemen
    Ondersteuning voor oudere USB-systemen (standaard ingeschakeld) biedt de volgende
    mogelijkheden:


    Het gebruik van een USB-toetsenbord, -muis of -hub die is aangesloten op een USB-poort op de
    computer, tijdens het opstarten of in een MS-DOS-programma.



    Het starten of opnieuw opstarten van de computer vanaf een optioneel extern MultiBay apparaat
    of een optioneel USB-apparaat met voorzieningen om als opstarteenheid te fungeren.

    Ondersteuning voor oudere USB-systemen is standaard ingeschakeld. U schakelt als volgt
    ondersteuning voor oudere USB-systemen in of uit:
    1.

    Open Computer Setup (Computerinstellingen) door de computer in te schakelen of opnieuw op te
    starten en vervolgens op f10 te drukken wanneer het HP-logo wordt weergegeven in de
    linkerbenedenhoek van het scherm.

    2.

    Gebruik de tabtoets om System Configuration (Systeemconfiguratie) > Device configurations
    (Apparaatconfiguraties) te selecteren en druk vervolgens op enter.

    3.

    Druk op enter en gebruik de pijltoetsen om USB-ondersteuning voor verouderde onderdelen in of
    uit te schakelen en druk vervolgens op f10.

    4.

    Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save changes and exit (Afsluiten en wijzigingen
    opslaan) om uw voorkeuren op te slaan en Computer Setup (Computerinstellingen) af te sluiten.
    Volg vervolgens de instructies op het scherm.

    De voorkeursinstellingen zijn van kracht zodra de computer opnieuw is opgestart.

    Externe schijfeenheden gebruiken
    Verwisselbare externe schijfeenheden bieden u meer mogelijkheden voor het opslaan en gebruiken
    van informatie. U kunt een USB-schijfeenheid toevoegen door de schijfeenheid aan te sluiten op een
    USB-poort op de computer.
    Er zijn een aantal typen USB-schijfeenheden:


    1,44-MB diskettedrive



    vasteschijfmodule (een vasteschijfeenheid met een gekoppelde adapter)



    Dvd-romstation



    Dvd±rw SuperMulti DL LightScribe-station



    Blu-ray-rom dvd+/-rw met LightScribe SuperMulti DL-station

    Externe schijfeenheden gebruiken

    77



  • Page 90

    Optionele externe apparaten gebruiken
    OPMERKING: Raadpleeg de instructies van de fabrikant voor informatie over benodigde software,
    stuurprogramma's en de te gebruiken poort op de computer.
    Ga als volgt te werk om een extern apparaat op de computer aan te sluiten:
    VOORZICHTIG: Als u een apparaat met een eigen netvoedingsaansluiting aansluit, kunt u het risico
    van schade aan de apparatuur beperken door ervoor te zorgen dat het apparaat is uitgeschakeld en de
    stekker uit het stopcontact is gehaald.
    1.

    Sluit het apparaat aan op de computer.

    2.

    Als u een apparaat met een eigen netvoedingsaansluiting aansluit, steekt u de stekker van het
    apparaat in een geaard stopcontact.

    3.

    Zet het apparaat aan.

    Als u een apparaat zonder eigen netvoedingsaansluiting wilt verwijderen, schakelt u het apparaat uit
    en verwijdert u het uit de computer. Als u een apparaat met eigen netvoedingsaansluiting wilt
    verwijderen, schakelt u het apparaat uit, verwijdert u het uit de computer en haalt u vervolgens de stekker
    uit het stopcontact.

    78

    Hoofdstuk 7 Externe apparatuur



  • Page 91

    8

    Externemediakaarten

    Mediakaartlezer-kaarten gebruiken
    Met optionele digitale kaarten kunt u gegevens veilig opslaan en gemakkelijk uitwisselen. Deze kaarten
    worden vaak gebruikt om gegevens uit te wisselen tussen computers of tussen een computer en
    apparatuur met digitale media, zoals camera's en PDA's.
    Het digitalemediaslot ondersteunt de volgende typen digitale kaarten:


    MultiMediaCard (MMC)



    MultiMedia Card 4.2



    Secure Digital-geheugenkaart (SD)



    Secure Digital High Capacity-geheugenkaart (SDHC)



    Secure Digital High Speed-geheugenkaart (SDHS)

    Digitale kaart plaatsen
    VOORZICHTIG: Voorkom beschadiging van de digitale kaart of de computer en plaats geen adapter,
    van welk type dan ook, in de SD Card-lezer.
    VOORZICHTIG: Oefen zo min mogelijk kracht uit bij het plaatsen van een digitale kaart, om
    beschadiging van de connectoren van de digitale kaart te voorkomen.
    1.

    Houd de digitale kaart met het label naar boven, terwijl de connectoren naar de computer zijn
    gericht.

    2.

    Plaats de kaart in de mediakaartlezer en druk de kaart vervolgens aan totdat deze goed op zijn
    plaats zit.

    Wanneer het apparaat is gedetecteerd, geeft de computer dit aan met een geluidssignaal. Mogelijk
    wordt een menu met beschikbare opties weergegeven.

    Mediakaartlezer-kaarten gebruiken

    79



  • Page 92

    Digitale kaart verwijderen
    VOORZICHTIG: Gebruik de volgende procedure voor het veilig verwijderen van de digitale kaart, om
    te voorkomen dat gegevens verloren gaan of het systeem vastloopt.
    Sla uw gegevens op en sluit alle applicaties af die gebruikmaken van de digitale kaart.
    OPMERKING: Als u een gegevensoverdracht wilt stoppen, klikt u op Annuleren in het kopieervenster
    van het besturingssysteem.
    Ga als volgt te werk om een digitale kaart te verwijderen:


    Als u de digitale kaart wilt uitwerpen, drukt u op de digitale kaart (1) en verwijdert u deze vervolgens
    uit het slot (2).

    ExpressCards gebruiken (alleen bepaalde modellen)
    Een ExpressCard is een hoogwaardige PC Card die in het ExpressCard-slot wordt geplaatst.
    Net als bij standaard PC Cards voldoet de functionaliteit van ExpressCards aan de specificaties van de
    Personal Computer Memory Card International Association (PCMCIA).

    ExpressCard configureren
    Installeer alleen de software die voor uw apparaat is vereist. Ga als volgt te werk als u volgens de
    instructies van de fabrikant van de ExpressCard stuurprogramma's moet installeren:


    Installeer alleen de stuurprogramma's voor uw besturingssysteem.



    Installeer geen andere software zoals card services, socket services of enablers die door de
    fabrikant van de ExpressCard zijn geleverd.

    ExpressCard plaatsen
    VOORZICHTIG: Plaats een PC Card niet in een ExpressCard-slot, om beschadiging van de computer
    of externemediakaarten te voorkomen.
    VOORZICHTIG: Neem de volgende richtlijnen in acht om het risico van beschadiging van de
    connectoren te beperken:
    Oefen zo min mogelijk kracht uit bij het plaatsen van een ExpressCard.
    Verplaats of vervoer de computer niet wanneer er een ExpressCard in gebruik is.
    In het ExpressCard-slot kan een beschermplaatje zijn geplaatst. Ga als volgt te werk om het
    beschermplaatje te verwijderen:
    1.

    80

    Druk het beschermplaatje (1) iets naar binnen om het te ontgrendelen.

    Hoofdstuk 8 Externemediakaarten



  • Page 93

    2.

    Haal het plaatje uit het slot (2).

    Ga als volgt te werk om een ExpressCard te plaatsen:
    1.

    Houd de kaart met het label naar boven en de connectoren naar de computer gericht.

    2.

    Plaats de kaart voorzichtig in het ExpressCard-slot en druk de kaart aan tot deze stevig op zijn
    plaats zit.

    Wanneer het apparaat is gedetecteerd, geeft de computer dit aan met een geluidssignaal. Mogelijk
    wordt een menu met beschikbare opties weergegeven.
    OPMERKING: De eerste keer dat u een ExpressCard plaatst, verschijnt er een bericht in het
    systeemvak dat het apparaat door de computer wordt herkend.
    OPMERKING: Wanneer er een ExpressCard is geplaatst, verbruikt deze stroom, zelfs wanneer de
    kaart niet wordt gebruikt. Wanneer een ExpressCard niet in gebruik is, kunt u energie besparen door
    de kaart stop te zetten of te verwijderen.

    ExpressCard verwijderen
    VOORZICHTIG: Gebruik de volgende procedure voor het veilig verwijderen van de ExpressCard, om
    te voorkomen dat gegevens verloren gaan of het systeem vastloopt.
    Sla uw gegevens op en sluit alle applicaties die gebruikmaken van de ExpressCard.
    OPMERKING: Als u een gegevensoverdracht wilt stoppen, klikt u op Annuleren in het kopieervenster
    van het besturingssysteem.

    ExpressCards gebruiken (alleen bepaalde modellen)

    81



  • Page 94

    Ga als volgt te werk om een ExpressCard te verwijderen:
    1.

    Klik op het pictogram Hardware veilig verwijderen en media uitwerpen in het systeemvak aan
    de rechterkant van de taakbalk.
    OPMERKING: U kunt het pictogram Hardware veilig verwijderen en media uitwerpen weergeven
    door te klikken op het pictogram Verborgen pictogrammen weergeven (de pijl aan de linkerkant
    van het systeemvak).

    2.

    Klik in de lijst op de naam van de ExpressCard.
    OPMERKING: Er verschijnt een melding dat de hardware veilig kan worden verwijderd.

    3.

    82

    Ga als volgt te werk om de ExpressCard te ontgrendelen en verwijderen:
    a.

    Druk de ExpressCard (1) voorzichtig iets naar binnen om de kaart te ontgrendelen.

    b.

    Haal de ExpressCard uit het slot (2).

    Hoofdstuk 8 Externemediakaarten



  • Page 95

    9

    Geheugenmodules
    De computer heeft één geheugenmodulecompartiment, dat zich aan de onderkant van de computer
    bevindt.
    U kunt de geheugencapaciteit van de computer vergroten door een geheugenmodule in het beschikbare
    slot voor geheugenuitbreidingsmodules te plaatsen of door een upgrade van de bestaande
    geheugenmodule in het slot voor de primaire geheugenmodule uit te voeren.
    Alle geheugenmodules die in de computer worden geïnstalleerd moeten van hetzelfde type zijn.
    Wanneer u de geheugencapaciteit van de computer uitbreidt, moet u controleren of de upgrademodules
    dezelfde zijn als de modules die al in de computer geïnstalleerd waren.
    WAARSCHUWING! Haal vóór het installeren van een geheugenmodule de stekker uit het stopcontact
    en verwijder alle accu’s om het risico van een elektrische schok, brand of schade aan de apparatuur te
    beperken.
    VOORZICHTIG: Door elektrostatische ontlading kunnen elektronische onderdelen beschadigd raken.
    Zorg ervoor dat u vrij bent van statische elektriciteit door een goed geaard metalen voorwerp aan te
    raken voordat u een procedure start.

    Geheugenmodule in het geheugenuitbreidingsslot
    toevoegen of terugplaatsen
    Het slot voor de geheugenuitbreidingsmodule bevindt zich boven het slot voor de primaire
    geheugenmodule. Ga als volgt te werk om een geheugenmodule toe te voegen aan het slot voor de
    geheugenuitbreidingsmodule of deze te vervangen:
    1.

    Sla uw werk op.

    2.

    Schakel de computer uit en sluit het beeldscherm.
    Als u niet weet of de computer is uitgeschakeld of in de hibernationstand staat, zet u de computer
    aan door op de aan/uit-knop te drukken. Sluit de computer vervolgens af via het besturingssysteem.

    3.

    Ontkoppel alle externe apparaten die op de computer zijn aangesloten.

    4.

    Haal de stekker van het netsnoer uit het stopcontact.

    5.

    Leg de computer ondersteboven op een vlakke ondergrond.

    6.

    Verwijder de accu uit de computer.

    7.

    Draai de schroeven van de onderste klep (1) los.

    Geheugenmodule in het geheugenuitbreidingsslot toevoegen of terugplaatsen

    83



  • Page 96

    8.

    Schuif de onderste klep naar voren (2) en til de klep vervolgens weg van de computer (3).
    OPMERKING: raadpleeg de afbeelding die het meest overeenkomt met uw computer.

    9.

    Verwijder de geheugenmodule uit het geheugenuitbreidingsslot.
    a.

    Trek de borgklemmetjes (1) aan beide zijden van de geheugenmodule weg.
    De geheugenmodule kantelt naar boven.
    VOORZICHTIG: Houd de geheugenmodule bij de randen vast, om te voorkomen dat de
    geheugenmodule wordt beschadigd. Raak de onderdelen van de geheugenmodule niet aan.

    84

    Hoofdstuk 9 Geheugenmodules



  • Page 97

    b.

    Pak de geheugenmodule aan de rand vast (2) en trek de module voorzichtig uit het
    geheugenmoduleslot.
    Bewaar verwijderde geheugenmodules in een antistatische verpakking om de module te
    beschermen.

    10. Plaats een geheugenmodule in het geheugenuitbreidingsslot:
    a.

    Breng de inkeping (1) in de geheugenmodule op één lijn met het nokje in het
    geheugenmoduleslot.
    VOORZICHTIG: Houd de geheugenmodule bij de randen vast, om te voorkomen dat de
    geheugenmodule wordt beschadigd. Raak de onderdelen van de geheugenmodule niet aan
    en buig de geheugenmodule niet.

    b.

    Houd de geheugenmodule onder een hoek van 45 graden boven het oppervlak van het
    geheugenmodulecompartment en druk de module (2) in het geheugenmoduleslot tot hij op
    zijn plaats zit.

    Geheugenmodule in het geheugenuitbreidingsslot toevoegen of terugplaatsen

    85



  • Page 98

    c.

    Druk de geheugenmodule (3) voorzichtig naar beneden en oefen daarbij druk uit op zowel de
    linker- als de rechterkant van de geheugenmodule totdat de borgklemmetjes vastklikken.

    11. Plaats de onderste klep (1) terug door deze voorzichtig op zijn plaats (2) te schuiven.

    86

    Hoofdstuk 9 Geheugenmodules



  • Page 99

    12. Draai de schroeven van de onderste klep (3) vast.
    OPMERKING:

    raadpleeg de afbeelding die het meest overeenkomt met uw computer.

    13. Plaats de accu terug.
    14. Keer de computer weer om en sluit de externe voeding en de externe apparaten weer aan.
    15. Schakel de computer in.

    Geheugenmodule in het geheugenuitbreidingsslot toevoegen of terugplaatsen

    87



  • Page 100

    Geheugenmodule in het slot voor de primaire
    geheugenmodule upgraden
    Het slot voor de geheugenuitbreidingsmodule bevindt zich boven het slot voor de primaire
    geheugenmodule. Ga als volgt te werk om een geheugenmodule in het slot voor de primaire
    geheugenmodule te upgraden:
    1.

    Sla uw werk op.

    2.

    Schakel de computer uit en sluit het beeldscherm.
    Als u niet weet of de computer is uitgeschakeld of in de hibernationstand staat, zet u de computer
    aan door op de aan/uit-knop te drukken. Sluit de computer vervolgens af via het besturingssysteem.

    3.

    Ontkoppel alle externe apparaten die op de computer zijn aangesloten.

    4.

    Haal de stekker van het netsnoer uit het stopcontact.

    5.

    Leg de computer ondersteboven op een vlakke ondergrond.

    6.

    Verwijder de accu uit de computer.

    7.

    Draai de schroeven van de onderste klep (1) los.

    8.

    Schuif de onderste klep naar voren (2) en til de klep vervolgens weg van de computer (3).
    OPMERKING: raadpleeg de afbeelding die het meest overeenkomt met uw computer.

    OPMERKING: Als een geheugenmodule is geïnstalleerd in het slot voor de
    geheugenuitbreidingsmodule, verwijdert u eerst de geheugenuitbreidingsmodule.

    88

    Hoofdstuk 9 Geheugenmodules



  • Page 101

    9.

    Verwijder de geheugenmodule uit het primaire geheugenslot:
    a.

    Trek de borgklemmetjes (1) aan beide zijden van de geheugenmodule weg.
    De geheugenmodule kantelt naar boven.
    VOORZICHTIG: Houd de geheugenmodule bij de randen vast, om te voorkomen dat de
    geheugenmodule wordt beschadigd. Raak de onderdelen van de geheugenmodule niet aan.

    b.

    Pak de geheugenmodule aan de rand vast (2) en trek de module voorzichtig uit het
    geheugenmoduleslot.
    Bewaar verwijderde geheugenmodules in een antistatische verpakking om de module te
    beschermen.

    10. Plaats een geheugenmodule in het slot voor de primaire geheugenmodule:
    a.

    Breng de inkeping (1) in de geheugenmodule op één lijn met het nokje in het
    geheugenmoduleslot.
    VOORZICHTIG: Houd de geheugenmodule bij de randen vast, om te voorkomen dat de
    geheugenmodule wordt beschadigd. Raak de onderdelen van de geheugenmodule niet aan
    en buig de geheugenmodule niet.

    b.

    Houd de geheugenmodule onder een hoek van 45 graden boven het oppervlak van het
    geheugenmodulecompartment en druk de module (2) in het geheugenmoduleslot tot hij op
    zijn plaats zit.

    Geheugenmodule in het slot voor de primaire geheugenmodule upgraden

    89



  • Page 102

    c.

    Druk de geheugenmodule (3) voorzichtig naar beneden en oefen daarbij druk uit op zowel de
    linker- als de rechterkant van de geheugenmodule totdat de borgklemmetjes vastklikken.

    OPMERKING: Als u een geheugenmodule heeft verwijderd uit het geheugenuitbreidingsslot
    voordat u de primaire geheugenmodule heeft verwijderd, plaatst u de geheugenmodule terug in
    het slot voor de geheugenuitbreidingsmodule.
    11. Plaats de onderste klep (1) terug door deze voorzichtig op zijn plaats (2) te schuiven.

    90

    Hoofdstuk 9 Geheugenmodules



  • Page 103

    12. Draai de schroeven van de onderste klep vast. (3).
    OPMERKING:

    raadpleeg de afbeelding die het meest overeenkomt met uw computer.

    13. Plaats de accu terug.
    14. Keer de computer weer om en sluit de externe voeding en de externe apparaten weer aan.
    15. Schakel de computer in.

    Geheugenmodule in het slot voor de primaire geheugenmodule upgraden

    91



  • Page 104

    10 Beveiliging
    Computer beveiligen
    OPMERKING: Van beveiligingsfuncties moet op de eerste plaats een ontmoedigingseffect uitgaan.
    Dergelijke maatregelen kunnen echter niet altijd voorkomen dat een product verkeerd wordt gebruikt of
    gestolen.
    OPMERKING: Uw computer ondersteunt CompuTrace, een online service voor opsporing en herstel
    in het kader van beveiliging die beschikbaar is in bepaalde landen en regio's. Als de computer wordt
    gestolen, kan CompuTrace deze opsporen wanneer de onbevoegde gebruiker internet op gaat. U kunt
    CompuTrace gebruiken door de software aan te schaffen en een abonnement op de service te nemen.
    Informatie over het bestellen van de CompuTrace-software vindt u op de website van HP op
    http://www.hpshopping.com.
    De beveiligingsfuncties van uw computer beschermen uw computer, persoonlijke informatie en
    gegevens tegen diverse gevaren. De manier waarop u de computer gebruikt, bepaalt welke
    beveiligingsfuncties u nodig heeft.
    Het Windows-besturingssysteem biedt bepaalde beveiligingsvoorzieningen. In de volgende tabel vindt
    u extra beveiligingsvoorzieningen. De meeste van deze extra beveiligingsvoorzieningen kunnen
    geconfigureerd worden in het hulpprogramma Computer Setup (Computerinstellingen) (dat hierna
    vermeld wordt als Computer Setup (Computerinstellingen)).
    Ter beveiliging tegen

    Deze beveiligingsfunctie gebruiken

    Onbevoegd gebruik van de computer

    HP ProtectTools Security Manager, in combinatie met een
    wachtwoord, Smart Card (alleen bepaalde modellen) en/of
    vingerafdruklezer (alleen bepaalde modellen)

    Onbevoegde toegang tot Computer Setup (f10)

    BIOS-beheerderswachtwoord in Computer Setup*

    Onbevoegde toegang tot de inhoud van een vaste schijf

    DriveLock-wachtwoord in Computer Setup*

    Onbevoegd opstarten vanaf een optischeschijfeenheid,
    diskettedrive of interne netwerkadapter

    Functie voor opstartopties in Computer Setup*

    Onbevoegde toegang tot Windows-gebruikersaccounts

    HP ProtectTools Security Manager

    Onbevoegde toegang tot gegevens



    Firewall-software



    Windows-updates



    Drive encryption for HP ProtectTools

    Onbevoegde toegang tot de instellingen van Computer Setup
    en andere identificatiegegevens van het systeem

    BIOS-beheerderswachtwoord in Computer Setup*

    Onbevoegd meenemen van de computer

    Slot voor een beveiligingskabel (voor een optionele
    beveiligingskabel)

    *Computer Setup is een vooraf geïnstalleerd programma in het ROM-geheugen, dat zelfs kan worden gebruikt wanneer het
    besturingssysteem niet werkt of niet kan worden geladen. U kunt navigeren door Computer Setup en selecties maken met
    behulp van een aanwijsapparaat (zoals het touchpad, de EasyPoint-muisbesturing of een USB-muis) of het toetsenbord.

    92

    Hoofdstuk 10 Beveiliging



  • Page 105

    Wachtwoorden gebruiken
    De meeste beveiligingsfuncties maken gebruik van een wachtwoord. Noteer een wachtwoord nadat u
    het heeft ingesteld en bewaar het op een veilige plaats uit de buurt van de computer. Op wachtwoorden
    zijn onderstaande overwegingen van toepassing:


    Het instelwachtwoord en het DriveLock-wachtwoord worden ingesteld in Computer Setup
    (Computerinstellingen) en beheerd door het systeem-BIOS.



    Het wachtwoord voor geïntegreerde beveiliging is een wachtwoord van HP ProtectTools Security
    Manager. Het kan worden geactiveerd in Computer Setup om het BIOS te voorzien van
    wachtwoordbeveiliging naast de gebruikelijke functies van HP ProtectTools. Het wachtwoord voor
    geïntegreerde beveiliging wordt gebruikt in combinatie met de optionele geïntegreerde
    beveiligingschip.



    Wachtwoorden voor Windows kunnen uitsluitend worden ingesteld in het besturingssysteem
    Windows.



    Als u het in Computer Setup ingestelde BIOS-beheerderswachtwoord vergeet, kunt u HP SpareKey
    gebruiken om toegang te krijgen tot het programma.



    Als u zowel het gebruikerswachtwoord als het hoofdwachtwoord voor DriveLock vergeet, is de
    vaste schijf die met die wachtwoorden is beveiligd permanent vergrendeld en kan deze niet meer
    worden gebruikt.

    U kunt hetzelfde wachtwoord gebruiken voor een functie van Computer Setup en een
    beveiligingsvoorziening van Windows. U kunt hetzelfde wachtwoord gebruiken voor meerdere functies
    van Computer Setup.
    Gebruik de volgende tips voor het maken en opslaan van wachtwoorden:


    Volg, bij het maken van wachtwoorden, de vereisten die zijn ingesteld door het programma.



    Noteer uw wachtwoorden en bewaar deze op een veilige plaats uit de buurt van de computer.



    Bewaar de wachtwoorden niet in een bestand op de computer.

    In de volgende tabellen worden veelgebruikte Windows- en BIOS-beheerderswachtwoorden
    beschreven in combinatie met de bijbehorende functies.

    Wachtwoorden instellen in Windows
    Windows-wachtwoorden

    Functie

    Beheerderswachtwoord*

    Beveiligt de toegang tot een Windows-account op
    beheerdersniveau.

    Gebruikerswachtwoord*

    Beveiligt de toegang tot een Windows-gebruikersaccount.

    *Selecteer voor informatie over het instellen van een beheerders- of gebruikerswachtwoord voor Windows Start > Help en
    ondersteuning.

    Wachtwoorden instellen in Computer Setup (Computerinstellingen)
    BIOS-beheerderswachtwoorden

    Functie

    BIOS-beheerderswachtwoord

    Beveiligt de toegang tot Computer Setup.

    Wachtwoorden gebruiken

    93



  • Page 106

    BIOS-beheerderswachtwoorden

    Functie

    DriveLock-hoofdwachtwoord

    Beveiligt de toegang tot de interne vaste schijf die wordt
    beschermd door DriveLock. Het wordt tevens gebruikt om de
    DriveLock beveiliging te verwijderen. Dit wachtwoord wordt
    ingesteld onder DriveLock wachtwoorden tijdens het
    inschakelproces.

    DriveLock-gebruikerswachtwoord

    Beveiligt de toegang tot de interne vaste schijf die wordt
    beschermd door DriveLock en wordt ingesteld onder
    DriveLock wachtwoorden tijdens het inschakelproces.

    BIOS-beheerderswachtwoord
    Met het BIOS-beheerderswachtwoord van Computer Setup (Computerinstellingen) beveiligt u de
    configuratie-instellingen en systeemidentificatiegegevens in Computer Setup. Nadat dit wachtwoord is
    ingesteld, moet u het elke keer opgeven als u Computer Setup opent en hier instellingen wijzigt.
    Een BIOS-beheerderswachtwoord heeft de volgende kenmerken:


    Het is niet hetzelfde als het beheerderswachtwoord dat in Windows is ingesteld, hoewel beide
    wachtwoorden hetzelfde mogen zijn.



    Het wordt niet weergegeven als het wordt ingesteld, opgegeven, gewijzigd of verwijderd.



    Het moet met dezelfde toetsen worden opgegeven als waarmee het wachtwoord is ingesteld. Als
    u bijvoorbeeld een BIOS-beheerderswachtwoord instelt met de cijfertoetsen boven aan het
    toetsenbord, wordt het niet herkend wanneer u het daarna opgeeft met de cijfertoetsen van het
    geïntegreerde numerieke toetsenblok.



    Het kan bestaan uit een willekeurige combinatie van maximaal 32 letters en cijfers. Daarbij wordt
    geen onderscheid gemaakt tussen hoofdletters en kleine letters tenzij dit door de beheerder is
    ingesteld.

    BIOS-beheerderswachtwoord beheren
    Het BIOS-beheerderswachtwoord wordt ingesteld, gewijzigd en verwijderd in Computer Setup.
    Ga als volgt te werk om dit wachtwoord in te stellen of te wijzigen in Computer Setup:
    1.

    Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
    ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
    weergegeven.

    2.

    Druk op f10 om BIOS Setup te openen.

    3.

    Selecteer met behulp van een aanwijsapparaat of de pijltoetsen Security (Beveiliging) > Change
    Password (Wachtwoord wijzigen) en druk vervolgens op enter.

    4.

    Typ uw huidige wachtwoord wanneer u daarom wordt gevraagd.

    5.

    Typ uw nieuwe wachtwoord wanneer u daarom wordt gevraagd.

    6.

    Typ opnieuw uw nieuwe wachtwoord ter bevestiging wanneer u daarom wordt gevraagd.

    7.

    Als u uw wijzigingen wilt opslaan en Computer Setup (Computerinstellingen) wilt afsluiten, klikt u
    op het pictogram Save (Opslaan) linksonder in het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
    – of –

    94

    Hoofdstuk 10 Beveiliging



  • Page 107

    Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
    afsluiten) en druk daarna op enter.
    De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.
    Ga als volgt te werk om dit wachtwoord te verwijderen in Computer Setup:
    1.

    Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
    ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
    weergegeven.

    2.

    Druk op f10 om BIOS Setup te openen.

    3.

    Selecteer met behulp van een aanwijsapparaat of de pijltoetsen Security (Beveiliging) > Change
    Password (Wachtwoord wijzigen) en druk vervolgens op enter.

    4.

    Typ uw huidige wachtwoord wanneer u daarom wordt gevraagd.

    5.

    Wanneer u wordt gevraagd om het nieuwe wachtwoord, laat u het vak leeg en drukt u op enter.

    6.

    Lees de waarschuwing. Selecteer YES (JA) om verder te gaan.

    7.

    Wanneer u wordt gevraagd uw nieuwe wachtwoord opnieuw te typen, laat u het vak leeg en drukt
    u op enter.

    8.

    Als u uw wijzigingen wilt opslaan en Computer Setup (Computerinstellingen) wilt afsluiten, klikt u
    op het pictogram Save (Opslaan) linksonder in het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
    – of –
    Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
    afsluiten) en druk daarna op enter.

    De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.

    BIOS-beheerderswachtwoord invoeren
    Naast de prompt BIOS-beheerderswachtwoord typt u uw wachtwoord (met behulp van dezelfde soort
    toetsen die u gebruikt hebt om het wachtwoord in te stellen), en druk daarna op enter. Na drie mislukte
    pogingen om het BIOS-beheerderswachtwoord op te geven moet u de computer opnieuw opstarten en
    het opnieuw proberen.

    DriveLock gebruiken in Computer Setup (Computerinstellingen)
    VOORZICHTIG: Noteer het gebruikerswachtwoord en het hoofdwachtwoord voor DriveLock
    zorgvuldig en bewaar dit uit de buurt van uw computer om te voorkomen dat de met DriveLock
    beschermde vaste schijf permanent onbruikbaar wordt. Als u beide DriveLock-wachtwoorden vergeet,
    is de vaste schijf permanent vergrendeld en kan deze niet meer worden gebruikt.
    Met DriveLock voorkomt u onbevoegde toegang tot de inhoud van een vaste schijf. DriveLock kan alleen
    worden toegepast op de interne vaste schijf of schijven van de computer. Als DriveLock-beveiliging op
    een schijf wordt toegepast, moet een wachtwoord worden ingevoerd om toegang tot deze schijf te
    krijgen. U krijgt alleen toegang tot de schijf met behulp van de DriveLock-wachtwoorden als de schijf in
    de computer of een geavanceerde poortreplicator is geplaatst.

    Wachtwoorden gebruiken

    95



  • Page 108

    Om DriveLock-beveiliging toe te passen op een interne vaste schijf, moeten in Computer Setup een
    gebruikerswachtwoord en een hoofdwachtwoord worden ingesteld. Op DriveLock-beveiliging zijn de
    volgende overwegingen van toepassing:


    Nadat DriveLock beveiliging is toegepast op een vaste schijf, kan deze alleen nog maar worden
    gebruikt wanneer eerst het gebruikers- of hoofdwachtwoord wordt ingevoerd.



    Het gebruikerswachtwoord is voor de dagelijkse gebruiker van de beveiligde vaste schijf. Het
    hoofdwachtwoord is voor de systeembeheerder of gebruiker.



    Het gebruikerswachtwoord en het hoofdwachtwoord mogen hetzelfde zijn.



    U kunt een gebruikers- of hoofdwachtwoord uitsluitend verwijderen door de DriveLock-beveiliging
    van de vaste schijf te verwijderen. DriveLock-beveiliging kan alleen met het hoofdwachtwoord van
    een schijf worden verwijderd.

    DriveLock-wachtwoord instellen
    Ga als volgt te werk om een DriveLock-wachtwoord in te stellen in Computer Setup:
    1.

    Schakel de computer in en druk op esc wanneer de melding ‘Press the ESC key for Startup
    Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt weergegeven.

    2.

    Druk op f10 om BIOS Setup te openen.

    3.

    Selecteer met een aanwijsapparaat of met de pijltoetsen Security (Beveiliging) > DriveLock
    Password (DriveLock-wachtwoord) en druk vervolgens op enter.

    4.

    Klik met een aanwijsapparaat op de vaste schijf die u wilt beveiligen.
    – of –
    Selecteer met de pijltoetsen de vaste schijf die u wilt beveiligen en druk vervolgens op enter.

    5.

    Lees de waarschuwing. Selecteer YES (JA) om verder te gaan.

    6.

    Typ het hoofdwachtwoord in de velden New password (Nieuw wachtwoord) en Verify new
    password (Nieuw wachtwoord bevestigen) en druk vervolgens op enter.

    7.

    Typ het gebruikerswachtwoord in de velden New password (Nieuw wachtwoord) en Verify new
    password (Nieuw wachtwoord bevestigen) en druk vervolgens op enter.

    8.

    Bevestig de DriveLock-beveiliging op de geselecteerde schijf door in het bevestigingsveld
    DriveLock te typen en vervolgens op enter te drukken.
    OPMERKING: De DriveLock-bevestiging maakt onderscheid tussen hoofdletters en kleine
    letters.

    9.

    Als u uw wijzigingen wilt opslaan en Computer Setup (Computerinstellingen) wilt afsluiten, klikt u
    op het pictogram Save (Opslaan) linksonder in het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
    – of –
    Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
    afsluiten) en druk daarna op enter.

    De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.

    DriveLock-wachtwoord invoeren
    Zorg ervoor dat de vaste schijf in de computer zelf is ondergebracht (niet in een optioneel
    dockingapparaat of externe MultiBay).

    96

    Hoofdstuk 10 Beveiliging



  • Page 109

    Wanneer u wordt gevraagd een DriveLock-wachtwoord op te geven, typt u het gebruikerswachtwoord
    of het hoofdwachtwoord (met hetzelfde type toetsen als waarmee u het wachtwoord heeft ingesteld).
    Druk daarna op enter.
    Na twee verkeerde pogingen om het wachtwoord op te geven moet u de computer afsluiten en het
    opnieuw proberen.

    DriveLock-wachtwoord wijzigen
    Ga als volgt te werk om een DriveLock-wachtwoord te wijzigen in Computer Setup:
    1.

    Schakel de computer in en druk op esc wanneer de melding ‘Press the ESC key for Startup
    Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt weergegeven.

    2.

    Druk op f10 om BIOS Setup te openen.

    3.

    Selecteer met een aanwijsapparaat of met de pijltoetsen Security (Beveiliging) > DriveLock
    Password (DriveLock-wachtwoord) en druk vervolgens op enter.

    4.

    Selecteer met een aanwijsapparaat een interne vaste schijf.
    – of –
    Selecteer met de pijltoetsen een interne vaste schijf en druk vervolgens op enter.

    5.

    Selecteer met een aanwijsapparaat of de pijltoetsen het wachtwoord dat u wilt wijzigen.

    6.

    Typ uw huidige wachtwoord in het veld Old password (Oud wachtwoord), typ uw nieuwe
    wachtwoord in de velden New password (Nieuw wachtwoord) en Verify new password (Nieuw
    wachtwoord bevestigen) en druk op enter.

    7.

    Als u uw wijzigingen wilt opslaan en Computer Setup (Computerinstellingen) wilt afsluiten, klikt u
    op het pictogram Save (Opslaan) linksonder in het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
    – of –
    Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
    afsluiten) en druk daarna op enter.

    De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.

    DriveLock-beveiliging verwijderen
    Ga als volgt te werk om de DriveLock-beveiliging te verwijderen in Computer Setup:
    1.

    Schakel de computer in en druk op esc wanneer de melding ‘Press the ESC key for Startup
    Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt weergegeven.

    2.

    Druk op f10 om BIOS Setup te openen.

    3.

    Selecteer met een aanwijsapparaat of met de pijltoetsen Security (Beveiliging) > DriveLock
    Password (DriveLock-wachtwoord) en druk vervolgens op enter.

    4.

    Selecteer met een aanwijsapparaat of de pijltoetsen een interne vaste schijf en druk vervolgens
    op enter.

    5.

    Selecteer met een aanwijsapparaat of de pijltoetsen Disable protection (Beveiliging
    uitschakelen).

    6.

    Typ uw hoofdwachtwoord en druk vervolgens op enter.

    7.

    Als u uw wijzigingen wilt opslaan en Computer Setup (Computerinstellingen) wilt afsluiten, klikt u
    op het pictogram Save (Opslaan) linksonder in het scherm en volgt u de instructies op het scherm.

    Wachtwoorden gebruiken

    97



  • Page 110

    – of –
    Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
    afsluiten) en druk daarna op enter.
    De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.

    Auto DriveLock gebruiken in Computer Setup (Computerinstellingen)
    In een omgeving met meerdere gebruikers kunt u een wachtwoord voor Automatische DriveLock
    instellen. Wanneer het wachtwoord voor Automatische DriveLock wordt geactiveerd, worden een
    willekeurig gebruikerswachtwoord en een DriveLock-hoofdwachtwoord voor u aangemaakt. Wanneer
    een gebruiker het juiste wachtwoord opgeeft, worden hetzelfde willekeurige gebruikerswachtwoord en
    DriveLock-hoofdwachtwoord gebruikt om de schijf te ontgrendelen.
    OPMERKING: U heeft een BIOS-beheerderswachtwoord nodig om toegang te krijgen tot de
    voorzieningen van Automatische DriveLock.

    Wachtwoord voor Automatische DriveLock invoeren
    Ga als volgt te werk om een wachtwoord voor Automatische DriveLock in te schakelen in Computer
    Setup:
    1.

    Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
    ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
    weergegeven.

    2.

    Druk op f10 om BIOS Setup te openen.

    3.

    Selecteer met een aanwijsapparaat of de pijltoetsen Security (Beveiliging) > Automatic
    DriveLock (Automatische DriveLock) en druk vervolgens op enter.

    4.

    Selecteer met een aanwijsapparaat of de pijltoetsen een interne vaste schijf en druk vervolgens
    op enter.

    5.

    Lees de waarschuwing. Selecteer YES (JA) om verder te gaan.

    6.

    Als u uw wijzigingen wilt opslaan en Computer Setup (Computerinstellingen) wilt afsluiten, klikt u
    op het pictogram Save (Opslaan) linksonder in het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
    – of –
    Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
    afsluiten) en druk daarna op enter.

    Beveiliging met Automatische DriveLock verwijderen
    Ga als volgt te werk om de DriveLock-beveiliging te verwijderen in Computer Setup:

    98

    1.

    Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
    ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
    weergegeven.

    2.

    Druk op f10 om BIOS Setup te openen.

    3.

    Selecteer met een aanwijsapparaat of de pijltoetsen Security (Beveiliging) > Automatic
    DriveLock (Automatische DriveLock) en druk vervolgens op enter.

    4.

    Selecteer met een aanwijsapparaat of de pijltoetsen een interne vaste schijf en druk vervolgens
    op enter.

    Hoofdstuk 10 Beveiliging



  • Page 111

    5.

    Selecteer met een aanwijsapparaat of de pijltoetsen Disable protection (Beveiliging
    uitschakelen).

    6.

    Als u uw wijzigingen wilt opslaan en Computer Setup (Computerinstellingen) wilt afsluiten, klikt u
    op het pictogram Save (Opslaan) linksonder in het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
    – of –
    Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
    afsluiten) en druk daarna op enter.

    Beveiligingsvoorzieningen van Computer Setup gebruiken
    Systeemapparaten beveiligen
    U kunt systeemapparaten in- of uitschakelen vanuit de volgende menu’s in Computer Setup:


    Boot Options (Opstartopties)



    Device Configurations (Apparaatconfiguraties)



    Built-In Device Options (Opties voor geïntegreerde apparaten)



    Port Options (Poortopties)

    U kunt als volgt systeemapparaten uit- en weer inschakelen in Computer Setup:
    1.

    Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
    ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
    weergegeven.

    2.

    Druk op f10 om BIOS Setup te openen.

    3.

    Gebruik een aanwijsapparaat of de pijltoetsen om System Configuration (Systeemconfiguratie)
    > Boot Options (Opstartopties) of System Configuration (Systeemconfiguratie) > Device
    Configurations (Apparaatconfiguraties) of System Configuration (Systeemconfiguratie) > Builtin Device Options (Opties voor geïntegreerde apparaten) of System Configuration
    (Systeemconfiguratie) > Port Options (Poortopties) te selecteren.

    4.

    Druk op enter.

    5.

    Doe het volgende om een optie uit te schakelen: gebruik een aanwijsapparaat om het selectievakje
    naast de optie uit te schakelen.
    – of –
    Schakel de optie met de pijltoetsen in en druk daarna op enter.

    6.

    Doe het volgende om een optie opnieuw in te schakelen: gebruik een aanwijsapparaat om het
    selectievakje naast de optie in te schakelen.
    – of –
    Schakel de optie met de pijltoetsen in en druk daarna op enter.

    7.

    Als u uw wijzigingen wilt opslaan en Computer Setup (Computerinstellingen) wilt afsluiten, klikt u
    op het pictogram Save (Opslaan) linksonder in het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
    – of –
    Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
    afsluiten) en druk daarna op enter.

    Beveiligingsvoorzieningen van Computer Setup gebruiken

    99



  • Page 112

    De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.

    Systeeminformatie weergeven in Computer Setup (Computerinstellingen)
    De functie System Information (Systeeminformatie) in Computer Setyp (Computerinstellingen) biedt
    twee soorten systeeminformatie:


    Identificatiegegevens over het computermodel en de accu's



    Specificaties van de processor, cache, het geheugen, het ROM, de revisie van de videokaart en
    de revisie van de toetsenbordcontroller

    Ga als volgt te werk om deze algemene systeeminformatie in Computer Setup weer te geven:
    1.

    Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
    ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
    weergegeven.

    2.

    Druk op f10 om BIOS Setup te openen.

    3.

    Selecteer met een aanwijsapparaat of de pijltoetsen File (Bestand) > System Information
    (Systeeminformatie) en druk vervolgens op enter.

    OPMERKING: Als u wilt voorkomen dat onbevoegden toegang hebben tot deze gegevens, stelt u in
    Computer Setup een BIOS-beheerderswachtwoord in.

    Systeem-id’s gebruiken in Computer Setup (Computerinstellingen)
    Met de functie voor systeem-id's in Computer Setup kunt u labels invoeren voor de computer en de
    eigenaar.
    OPMERKING: Als u wilt voorkomen dat onbevoegden toegang hebben tot deze gegevens, stelt u in
    Computer Setup een BIOS-beheerderswachtwoord in.
    Ga als volgt te werk om deze voorziening te gebruiken in Computer Setup:
    1.

    Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
    ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
    weergegeven.

    2.

    Druk op f10 om BIOS Setup te openen.

    3.

    Selecteer met een aanwijsapparaat of de pijltoetsen Security (Beveiliging) > System IDs
    (Systeemidentificatie) en druk vervolgens op enter.

    4.

    Selecteer met een aanwijsapparaat of de pijltoetsen Notebook Asset Tag (Inventarisnummer
    notebookcomputer) of Notebook Ownership Tag (Eigendomslabel notebookcomputer) en voer
    vervolgens de gegevens in.

    5.

    Druk als u klaar bent op enter.

    6.

    Als u uw wijzigingen wilt opslaan en Computer Setup (Computerinstellingen) wilt afsluiten, klikt u
    op het pictogram Save (Opslaan) linksonder in het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
    – of –
    Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
    afsluiten) en druk daarna op enter.

    De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.

    100 Hoofdstuk 10 Beveiliging



  • Page 113

    Antivirussoftware gebruiken
    Als u de computer gebruikt om toegang te krijgen tot e-mail, een netwerk of internet, stelt u de computer
    bloot aan computervirussen. Computervirussen kunnen het besturingssysteem, programma’s en
    hulpprogramma’s onklaar maken of de werking hiervan verstoren.
    Met antivirussoftware kunnen de meeste virussen worden opgespoord en vernietigd. In de meeste
    gevallen kan ook schade die door virussen is aangericht, worden hersteld. Het is noodzakelijk om
    antivirussoftware regelmatig bij te werken, zodat deze ook bescherming biedt tegen nieuw ontdekte
    virussen.
    De antivirussoftware McAfee Total Protection is vooraf geïnstalleerd of vooraf geladen op de
    computer.
    Als de antivirussoftware vooraf is geïnstalleerd, selecteert u Start > Alle programma’s > McAfee >
    Managed Services (Beheerde services) > Total Protection.
    Als de software vooraf is geladen, selecteert u Start > Alle programma’s > HP Software Setup en
    volgt u de instructies op het scherm om de McAfee Total Protection-software te laden.
    Voor meer informatie over computervirussen typt u virussen in het zoekvak in Help en ondersteuning.

    Firewallsoftware gebruiken
    Wanneer u de computer gebruikt om toegang te krijgen tot e-mail, een netwerk of internet, kunnen
    onbevoegden mogelijk toegang krijgen tot de computer, uw persoonlijke bestanden en gegevens over
    u. Bescherm uw privacy met de firewallsoftware die vooraf op de computer is geïnstalleerd. De
    antivirussoftware McAfee Total Protection is vooraf geïnstalleerd op de computer. U kunt deze software
    openen door Start > Alle programma’s > McAfee > Managed Services (Beheerde services) > Total
    Protection te selecteren.
    Firewallvoorzieningen omvatten onder andere logboek- en rapportagefunctionaliteit voor
    netwerkactiviteit en automatische bewaking van al het inkomende en uitgaande gegevensverkeer.
    Raadpleeg de instructies van de softwarefabrikant voor meer informatie. Deze instructies kunnen
    worden geleverd bij de software, op schijf of op de website van de fabrikant.
    OPMERKING: In bepaalde situaties kan een firewall toegang tot spelletjes op internet blokkeren, het
    delen van printers of bestanden in een netwerk tegenhouden of toegestane bijlagen bij e-mailberichten
    blokkeren. U kunt dit probleem tijdelijk oplossen door de firewall uit te schakelen, de gewenste taak uit
    te voeren en de firewall weer in te schakelen. Als u het probleem permanent wilt oplossen, configureert
    u waar nodig de firewall opnieuw en past u het beleid en de instellingen van andere
    inbraakdetectiesystemen aan. Neem voor meer informatie contact op met uw netwerkbeheerder of ITafdeling.

    Essentiële updates installeren
    VOORZICHTIG: Microsoft verstuurt waarschuwingen over essentiële updates. Installeer alle
    essentiële updates van Microsoft zodra u een waarschuwing ontvangt, om de computer te beschermen
    tegen beveiligingsschendingen en computervirussen.

    Antivirussoftware gebruiken 101



  • Page 114

    Wellicht zijn er, nadat de computer is geleverd, updates voor het besturingssysteem en andere software
    beschikbaar gesteld. Neem de volgende richtlijnen in acht om te controleren of alle beschikbare updates
    op de computer zijn geïnstalleerd:


    Voer Windows Update maandelijks uit om de recentste software van Microsoft te downloaden.



    Haal de updates zodra deze worden vrijgegeven op van de Microsoft-website en via de koppeling
    voor updates in Help en ondersteuning.

    HP ProtectTools Security Manager gebruiken (alleen
    bepaalde modellen)
    De HP ProtectTools Security Manager software is vooraf geïnstalleerd op bepaalde computermodellen.
    U heeft toegang tot deze software via het Configuratiescherm van Windows. De software is voorzien
    van beveiligingsfuncties die u beschermen tegen onbevoegde toegang tot de computer, het netwerk en
    kritieke gegevens. Raadpleeg de online Help van HP ProtectTools voor meer informatie.

    Beveiligingskabel aanbrengen
    OPMERKING: Van de beveiligingskabel moet op de eerste plaats een ontmoedigingseffect uitgaan.
    Deze voorziening kan echter niet voorkomen dat de computer verkeerd wordt gebruikt of wordt gestolen.
    1.

    Leg de beveiligingskabel om een stevig verankerd voorwerp heen.

    2.

    Steek de sleutel (1) in het kabelslot (2).

    3.

    Steek het kabelslot in het slot voor de beveiligingskabel op de computer (3) en vergrendel het
    kabelslot met de sleutel.

    OPMERKING: De plaats van het bevestigingspunt voor de beveiligingskabel verschilt per model
    computer.

    102 Hoofdstuk 10 Beveiliging



  • Page 115

    11 Software-updates
    Software-update uitvoeren
    Updates van de software die bij de computer is geleverd, zijn beschikbaar via het hulpprogramma HP
    Assistant of op de website van HP.
    HP Assistant zoekt automatisch naar software-updates van HP. Het hulpprogramma wordt met een
    bepaald interval uitgevoerd en biedt een lijst met ondersteuningsmeldingen, zoals verbeteringen van
    de beveiliging en optionele updates van software en stuurprogramma's.
    U kunt op elk gewenst moment controleren op updates door Start > Help en ondersteuning >
    Onderhoud te selecteren en daarna de instructies op het scherm te volgen.
    De meeste software op de website van HP is verpakt in gecomprimeerde bestanden die SoftPaqs
    worden genoemd. Sommige BIOS-updates zijn verpakt in gecomprimeerde bestanden die ROMPaq's
    worden genoemd.
    Sommige downloadpakketten bevatten een bestand met de naam Readme.txt. Dit bestand bevat
    informatie over de installatie en het oplossen van problemen. (Readme.txt-bestanden die bij ROMPaq's
    worden geleverd, zijn in het Engels.)
    U kunt ook software-updates verkrijgen via de schijf met Ondersteunende software (apart verkrijgbaar).
    Op deze schijf staan apparaatstuurprogramma’s, BIOS-updates en hulpprogramma’s.
    Volg de onderstaande stappen om de huidige schijf met Ondersteunende software aan te schaffen
    waarop u zowel de huidige versie als toekomstige versies van de schijf vindt:
    1.

    Open uw internetbrowser en ga naar http://www.hp.com/support.

    2.

    Selecteer uw land/regio.

    3.

    Klik op de optie voor het downloaden van software en stuurprogramma's en typ vervolgens het
    nummer van uw computermodel in het productvak.

    4.

    Druk op enter.

    5.

    Volg de instructies op het scherm.

    Ga als volgt te werk om de software bij te werken met een schijf met Ondersteunende software:
    1.

    Plaats de schijf met Ondersteunende software in het optische schijfstation.

    2.

    Volg de instructies op het scherm.

    Software-update uitvoeren 103



  • Page 116

    Ga als volgt te werk om een update van de software uit te voeren via de website van HP:
    1.

    Ga na wat het model, de productcategorie en de serie of het type van uw computer is. Bereid een
    update van het systeem-BIOS voor door na te gaan wat de versie is van het huidige BIOS dat op
    de computer is geïnstalleerd. Raadpleeg het gedeelte "BIOS-versie bepalen" voor nadere
    informatie.
    Als de computer op een netwerk is aangesloten, raadpleegt u de netwerkbeheerder voordat u
    software-updates installeert, vooral als het gaat om updates van het systeem-BIOS.
    OPMERKING: In het systeem-ROM van de computer wordt het systeem-BIOS van de computer
    opgeslagen. Het BIOS initialiseert het besturingssysteem, regelt de interactie tussen de computer
    en de hardwareapparaten en voorziet in de overdracht van gegevens tussen hardwareapparaten,
    waaronder de tijd en datum.
    OPMERKING: Windows bevat de functie Gebruikersaccountbeheer om de beveiliging van de
    computer te verbeteren. Mogelijk wordt om uw toestemming of wachtwoord gevraagd bij taken als
    het installeren van software, het uitvoeren van hulpprogramma's of het wijzigen van Windowsinstellingen. Raadpleeg Help en ondersteuning in Windows voor meer informatie.

    2.

    Open uw internetbrowser en ga naar http://www.hp.com/support.

    3.

    Selecteer uw land/regio.

    4.

    Klik op de optie voor het downloaden van software en stuurprogramma's en typ vervolgens het
    nummer van uw computermodel in het productvak.

    5.

    Druk op enter.

    6.

    Volg de instructies op het scherm.

    BIOS bijwerken
    Als u het BIOS wilt bijwerken, bepaalt u eerst welke BIOS-versie u momenteel heeft. Download en
    installeer vervolgens het nieuwe BIOS.

    BIOS-versie bepalen
    BIOS-versie-informatie (ook wel ROM-datum en Systeem-BIOS genoemd) kan worden weergegeven
    door op fn+esc te drukken (als u zich al in Windows bevindt) of door Computer Setup
    (Computerinstellingen) te openen.
    Ga als volgt te werk om Computer Setup (Computerinstellingen) te gebruiken voor het weergeven van
    BIOS-gegevens:
    1.

    Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer "Press the ESC key for
    Startup Menu" (Druk op esc voor het startmenu) onder in het scherm verschijnt.

    2.

    Druk op f10 om BIOS Setup (BIOS-instellingen) te openen.

    3.

    Selecteer met het aanwijsapparaat of met de pijltoetsen File (Bestand)> System Information
    (Systeeminformatie).

    4.

    Druk op esc om terug te keren naar het menu File (Bestand).

    5.

    Klik op Exit (Afsluiten) in de linkerbenedenhoek van het scherm en volg de instructies op het
    scherm.
    – of –

    104 Hoofdstuk 11 Software-updates



  • Page 117

    Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Ignore changes and exit (Wijzigingen negeren en
    afsluiten) en druk daarna op enter.

    BIOS bijwerken 105



  • Page 118

    BIOS-update downloaden
    VOORZICHTIG: Om schade aan de computer of een mislukte installatie te voorkomen, downloadt en
    installeert u een BIOS-update alleen terwijl de computer met de netvoedingsadapter is aangesloten op
    een betrouwbare externe voedingsbron. Download of installeer een BIOS-update niet wanneer de
    computer op accuvoeding werkt of wanneer het apparaat is aangesloten op een optioneel
    dockingapparaat of een optionele voedingsbron. Volg de onderstaande richtlijnen tijdens het
    downloaden en installeren:
    Schakel de stroomvoorziening van de computer niet uit door de stekker van het netsnoer uit het
    stopcontact te halen.
    Sluit de computer niet af en activeer de slaapstand of de hibernationstand niet.
    Zorg dat u geen apparaten, kabels of snoeren plaatst, verwijdert, aansluit of loskoppelt.
    Ga als volgt te werk om een BIOS-update te downloaden:
    OPMERKING: BIOS-updates worden beschikbaar gemaakt wanneer dat nodig is. Mogelijk is er geen
    recentere BIOS-update voor uw computer beschikbaar. U wordt geadviseerd regelmatig op de website
    van HP te controleren of er BIOS-updates zijn.
    1.

    Open een internetbrowser, ga naar http://www.hp.com/support en selecteer uw land of regio.

    2.

    Klik op de optie voor het downloaden van software en stuurprogramma’s, typ het nummer van uw
    computermodel in het productvak en druk vervolgens op enter.

    3.

    Klik bij de weergegeven modellen op uw specifieke product.

    4.

    Klik op uw besturingssysteem.

    5.

    Volg de instructies op het scherm om de BIOS-update te zoeken die u wilt downloaden. Noteer de
    datum, naam of andere informatie waaraan u de download kunt herkennen. Aan de hand van deze
    gegevens kunt u de update terugvinden nadat deze naar de vaste schijf is gedownload.

    6.

    Voer de volgende stappen uit in het downloadgebied:
    a.

    Zoek de BIOS-update die recenter is dan de BIOS-versie die momenteel op de computer is
    geïnstalleerd.

    b.

    Volg de instructies op het scherm om uw selectie naar de vaste schijf te downloaden.
    Noteer het pad naar de locatie op de vaste schijf waar de BIOS-update wordt gedownload. U
    heeft dit pad nodig wanneer u klaar bent om de update te installeren.

    OPMERKING: Als uw computer is aangesloten op een netwerk, raadpleegt u de netwerkbeheerder
    voordat u software-updates installeert, vooral als het gaat om updates van het systeem-BIOS.
    De procedures voor de installatie van BIOS-updates kunnen verschillen. Volg de instructies die op het
    scherm verschijnen nadat het downloaden is voltooid. Als er geen instructies worden weergegeven,
    gaat u als volgt te werk:
    1.

    Open Windows Verkenner door Start > Computer te selecteren.

    2.

    Dubbelklik op de aanduiding van de vaste schijf. De vaste-schijfaanduiding is gewoonlijk Lokaal
    station (C:).

    3.

    Maak gebruik van het eerder genoteerde pad en open de map op de vaste schijf die de update
    bevat.

    4.

    Dubbelklik op het bestand met de extensie .exe (bijvoorbeeld bestandsnaam.exe).
    De installatie van het BIOS begint.

    106 Hoofdstuk 11 Software-updates



  • Page 119

    OPMERKING: Windows bevat de functie Gebruikersaccountbeheer om de beveiliging van de
    computer te verbeteren. Mogelijk wordt om uw toestemming of wachtwoord gevraagd bij taken als
    het installeren van software, het uitvoeren van hulpprogramma's of het wijzigen van Windowsinstellingen. Raadpleeg Help en ondersteuning in Windows voor meer informatie.
    5.

    Volg de instructies op het scherm om de installatie te voltooien.

    OPMERKING: Nadat op het scherm wordt aangegeven dat de installatie is geslaagd, kunt u het
    gedownloade bestand van de vaste schijf verwijderen.

    Applicaties en stuurprogramma's bijwerken
    1.

    Open een internetbrowser, ga naar http://www.hp.com/support en selecteer uw land of regio.

    2.

    Klik op de optie voor het downloaden van software en stuurprogramma’s, typ het nummer van uw
    computermodel in het productvak en druk vervolgens op enter.
    – of –
    Als u een specifiek SoftPaq wilt, typt u het nummer van het SoftPaq in het vak Zoeken rechtsboven
    op het scherm. Druk daarna op enter en volg de instructies op het scherm. Ga door naar stap 6.

    3.

    Klik bij de weergegeven modellen op uw specifieke product.

    4.

    Klik op uw besturingssysteem.

    5.

    Wanneer de lijst met updates verschijnt, klikt u op een update om een venster met extra informatie
    te openen.

    6.

    Klik op Nu downloaden.

    7.

    Klik op Run (Uitvoeren) om de bijgewerkte software te installeren zonder het bestand te
    downloaden.
    – of –
    Klik op Opslaan om het bestand op te slaan op uw computer. Wanneer u hierom wordt verzocht,
    selecteert u een opslaglocatie op de vaste schijf.
    Nadat het bestand is gedownload, gaat u naar de map waarin het bestand is opgeslagen.
    Dubbelklik vervolgens op het bestand om de update te installeren.

    8.

    Start na de installatie de computer opnieuw op wanneer u daarom wordt gevraagd.

    SoftPaq Download Manager gebruiken
    HP SoftPaq Download Manager (SDM) is een hulpprogramma dat snel toegang verschaft tot SoftPaqinformatie voor zakelijke computers van HP zonder dat het SoftPaq-nummer benodigd is. Met dit
    hulpprogramma kunt u eenvoudig zoeken naar SoftPaqs en deze vervolgens downloaden en uitpakken.
    SoftPaq Download Manager leest en downloadt een op de FTP-site van HP gepubliceerd
    databasebestand dat informatie bevat over het model computer en de SoftPaqs. SoftPaq Download
    Manager biedt u de mogelijkheid een of meer computermodellen in te voeren, om vast te stellen welke
    SoftPaqs beschikbaar zijn om te downloaden.
    SoftPaq Download Manager zoekt op de FTP-site van HP naar updates voor de database en software.
    Als er updates worden gevonden, worden deze automatisch gedownload en toegepast.
    SoftPaq Download Manager is beschikbaar op de website van HP. Om SoftPaq Download Manager te
    kunnen gebruiken voor het downloaden van SoftPaqs, moet u eerst het programma downloaden en

    Applicaties en stuurprogramma's bijwerken 107



  • Page 120

    installeren. Ga naar de website van HP op http://www.hp.com/go/sdm, en volg de instructies voor het
    downloaden en installeren van SoftPaq Download Manager.
    Ga als volgt te werk om SoftPaqs te downloaden:
    1.

    Selecteer Start > Alle programma's > HP Software Setup > HP SoftPaq Download Manager.

    2.

    Wanneer SoftPaq Download Manager voor het eerst wordt geopend, verschijnt een venster waarin
    u wordt gevraagd of u wilt dat alleen software wordt weergegeven voor de computer die u gebruikt,
    of dat de software voor alle ondersteunde modellen wordt weergegeven. Selecteer Show software
    for all supported models (Software voor alle ondersteunde modellen weergeven) Als u HP
    SoftPaq Download Manager eerder hebt gebruikt, gaat u naar Stap 3.
    a.

    Selecteer uw besturingssysteem en taalfilters in het venster Configuration Options
    (Configuratieopties. De filters beperken het aantal opties dat wordt weergegeven in het
    deelvenster Product Catalog (Productcatalogus). Als bijvoorbeeld alleen Windows 7
    Professional wordt geselecteerd in het besturingssysteemfilter, wordt alleen Windows 7
    Professional als besturingssysteem weergegeven in de productcatalogus.

    b.

    Als u andere besturingssystemen wilt toevoegen, wijzigt u de filterinstellingen in het venster
    Configuration Options (Configuratieopties). Raadpleeg de Help bij de HP SoftPaq Download
    Manager-software voor meer informatie.

    3.

    Klik in het linkerdeelvenster op het plusteken (+) om de lijst met modellen uit te vouwen en selecteer
    een of meer modellen van de producten die u wilt updaten.

    4.

    Klik op Find Available SoftPaqs (Beschikbare SoftPaqs zoeken) om een lijst met beschikbare
    SoftPaqs te downloaden voor de geselecteerde computer.

    5.

    Selecteer een SoftPaq in de lijst met beschikbare SoftPaqs en klik vervolgens op Download
    Only (Alleen downloaden) als u veel SoftPaqs wilt downloaden, omdat de SoftPaq-selectie en
    internetverbinding bepalen hoe lang het downloadproces duurt.
    Als u slechts één of twee SoftPaqs wilt downloaden en een internetverbinding met hoge snelheid
    hebt, klikt u op Download & Unpack (Downloaden en uitpakken).

    6.

    Klik met de rechtermuisknop op Install SoftPaq (SoftPaq installeren) in de SoftPaq Download
    Manager-software om de geselecteerde SoftPaqs op de computer te installeren.

    108 Hoofdstuk 11 Software-updates



  • Page 121

    12 Back-up en herstel
    Ga als volgt te werk om uw informatie te beschermen: gebruik Windows Back-up maken en terugzetten
    om een back-up te maken van uw individuele bestanden en mappen en uw volledige vaste schijf (alleen
    bepaalde modellen), systeemherstelschijven te creëren (alleen bepaalde modellen), of
    systeemherstelpunten te creëren. U kunt de back-upbestanden gebruiken om de inhoud van uw
    computer te herstellen als het systeem niet meer werkt.
    Windows Back-up maken en terugzetten biedt de volgende opties:


    Een systeemherstelschijf maken (alleen bepaalde modellen)



    Het maken van een back-up van individuele bestanden en mappen



    Een systeemimage maken (alleen bepaalde modellen)



    Automatische back-ups plannen (alleen bepaalde modellen)



    Systeemherstelpunten maken



    Individuele bestanden herstellen



    De computer in een vorige staat herstellen



    Informatie herstellen met behulp van hulpprogramma’s voor herstel

    OPMERKING: Zoek deze onderwerpen in Help en ondersteuning voor meer gedetailleerde
    instructies.
    OPMERKING: In het geval van een onstabiel systeem raadt HP aan om de herstelprocedures af te
    drukken en deze te bewaren voor toekomstig gebruik.

    Backup maken van gegevens
    Het herstel na een systeemfout is zo volledig als uw recentste back-up. Maak onmiddellijk nadat u de
    software hebt geïnstalleerd een set systeemherstelschijven (alleen bepaalde modellen) en uw initiële
    back-up. Als u nieuwe software en gegevensbestanden toevoegt, moet u periodiek back-ups van het
    systeem blijven maken om altijd een redelijk actuele back-up achter de hand te hebben. Met de
    systeemherstelschijven (alleen bepaalde modellen) kunt u de computer opstarten en de
    fabrieksinstellingen van het besturingssysteem en de software herstellen wanneer het systeem instabiel
    is geworden of niet meer werkt. Met uw initiële en navolgende back-ups kunt u uw gegevens en
    instellingen herstellen in geval van een systeemstoring.
    U kunt een backup maken van uw gegevens op een optionele externe vaste schijf, op een
    netwerkschijfeenheid of op schijven.
    Houd bij het maken van backups rekening met het volgende:


    Sla persoonlijke bestanden op in de map Documenten en maak periodiek een back-up van deze
    map.



    Maak een backup van sjablonen die zijn opgeslagen bij de bijbehorende programma's.



    Sla aangepaste instellingen in een venster, werkbalk of menubalk op door een schermopname van
    uw instellingen te maken. Een schermopname kan veel tijd besparen als u voorkeuren opnieuw
    moet instellen.

    Backup maken van gegevens 109



  • Page 122

    U maakt als volgt een schermopname:
    1.

    Geef het scherm weer dat u wilt opslaan.

    2.

    Kopieer de schermafbeelding:
    Als u alleen het actieve venster wilt kopiëren, drukt u op alt+fn+prt sc
    Als u het volledige scherm wilt kopiëren, drukt u op fn+prt sc.

    3.

    Open een tekstverwerkingsdocument en selecteer Bewerken > Plakken.
    De schermafbeelding wordt toegevoegd aan het document.

    4.


    Sla het document op.

    Gebruik bij het maken van backups schijven van een de volgende typen (afzonderlijk aan te
    schaffen): cd-r, cd-rw, dvd+r, dubbellaags dvd+r, dvd-r, dubbellaags dvd-r of dvd±rw. Welk type
    schijven u nodig heeft, hangt af van het type optische-schijfeenheid dat in de computer is
    geïnstalleerd.
    OPMERKING: Op dvd's of dubbellaags dvd's (DL) kunnen meer gegevens worden opgeslagen
    dan op cd's, zodat u minder schijven nodig heeft voor het maken van backups.



    Als u backups maakt op schijven, nummert u elke schijf voordat u de schijf in de optischeschijfeenheid van de computer plaatst.

    Ga als volgt te werk om een back-up te maken met het hulpprogramma Windows Back-up maken en
    terugzetten:
    OPMERKING: Zorg dat de computer is aangesloten op een netvoedingsbron voordat u het
    backupproces start.
    OPMERKING: Het backupproces kan meer dan een uur in beslag nemen, afhankelijk van de
    bestandsgrootte en de snelheid van de computer.
    1.

    Klik op Start > Alle programma's > Onderhoud > Back-up maken en terugzetten.

    2.

    Volg de instructies op het scherm om uw back-up in te stellen, een systeemimage te maken (alleen
    bepaalde modellen) of een systeemherstelschijf te maken (alleen bepaalde modellen).
    OPMERKING: Windows bevat de functie Gebruikersaccountbeheer om de beveiliging van de
    computer te verbeteren. Mogelijk wordt om uw toestemming of wachtwoord gevraagd bij taken als
    het installeren van software, het uitvoeren van hulpprogramma's of het wijzigen van Windowsinstellingen. Raadpleeg Help en ondersteuning in Windows voor meer informatie.

    Herstelactie uitvoeren
    Als het systeem niet meer werkt of instabiel is geworden, biedt de computer de volgende hulpmiddelen
    om uw bestanden te herstellen:


    Hulpprogramma’s voor herstel in Windows: U kunt ‘Back-up maken en terugzetten’ van Windows
    gebruiken om informatie te herstellen waarvan u eerder een back-up heeft gemaakt. U kunt ook
    Windows Opstartherstel gebruiken om problemen te herstellen die mogelijk verhinderen dat
    Windows correct opstart.



    f11-herstelprogramma's: u kunt de f11-herstelprogramma's gebruiken om de oorspronkelijke
    image van de vaste schijf te herstellen. De image bevat het besturingssysteem Windows en
    programma's die in de fabriek zijn geïnstalleerd.

    110 Hoofdstuk 12 Back-up en herstel



  • Page 123

    OPMERKING: Als u de computer niet kunt opstarten en de eerder gemaakte herstelschijven niet kunt
    gebruiken (alleen bepaalde modellen), dient u een dvd met het Windows 7-besturingssysteem te kopen
    om de computer opnieuw op te starten en het besturingssysteem te herstellen. Raadpleeg de sectie
    “Een dvd met het Windows 7-besturingssysteem gebruiken (apart verkrijgbaar)” voor meer informatie.

    Windows-herstelprogramma's gebruiken
    U herstelt als volgt informatie waarvan u een eerder een backup heeft gemaakt:
    1.

    Klik op Start > Alle programma's > Onderhoud > Back-up maken en terugzetten.

    2.

    Volg de instructies op het scherm om uw systeeminstellingen, uw computer (alleen bepaalde
    modellen) of uw bestanden te herstellen.

    OPMERKING: Windows bevat de functie Gebruikersaccountbeheer om de beveiliging van de
    computer te verbeteren. Mogelijk wordt om uw toestemming of wachtwoord gevraagd bij taken als het
    installeren van software, het uitvoeren van hulpprogramma's of het wijzigen van Windows-instellingen.
    Raadpleeg Help en ondersteuning in Windows voor meer informatie.
    U herstelt als volgt informatie met Opstartherstel:
    VOORZICHTIG: Met Opstartherstel wordt de inhoud van de vaste schijf volledig gewist en wordt de
    vaste schijf geformatteerd. Alle bestanden die u heeft gemaakt en alle software die u heeft geïnstalleerd
    op de computer, worden definitief verwijderd. Wanneer het formatteren gereed is, worden het
    besturingssysteem, de stuurprogramma's, de software en de hulpprogramma's hersteld middels de
    backup.
    1.

    Maak indien mogelijk een backup van al uw persoonlijke bestanden.

    2.

    Controleer indien mogelijk of de Windows-partitie en de HP Herstelpartitie aanwezig is.
    Selecteer Start > Computer om de Windows-partitie te zoeken.
    Selecteer Start, klik met de rechtermuisknop op Computer, klik op Beheren en klik vervolgens op
    Schijfbeheer om te controleren of de HP Herstelpartitie aanwezig is.
    OPMERKING: Indien de Windows-partitie en de HP Herstelpartitie niet in de lijst vermeld staan,
    moet u uw besturingssysteem en programma’s herstellen met behulp van de dvd met het Windows
    7-besturingssysteem en de cd Driver Recovery (Stuurprogrammaherstel) (beide apart
    verkrijgbaar). Raadpleeg de sectie “Een dvd met het Windows 7-besturingssysteem gebruiken
    (apart verkrijgbaar)” voor meer informatie.

    3.

    Start de computer opnieuw op en druk vervolgens op f8 voordat het Windows-besturingssysteem
    wordt geladen indien de Windows-partitie en de HP Herstelpartitie in de lijst vermeld worden.

    4.

    Selecteer Opstartherstel.

    5.

    Volg de instructies op het scherm.

    OPMERKING: Voor aanvullende informatie over het herstellen van gegevens met de
    hulpprogramma's van Windows, zoekt u deze onderwerpen op in Help en ondersteuning.

    F11 gebruiken
    VOORZICHTIG: Met f11 wordt de inhoud van de vaste schijf volledig gewist en wordt de vaste schijf
    geformatteerd. Alle bestanden die u heeft gemaakt en alle software die u heeft geïnstalleerd op de
    computer, worden definitief verwijderd. Het f11-herstelprogramma installeert het besturingssysteem en
    programma's en stuurprogramma's van HP die in de fabriek waren geïnstalleerd opnieuw. Software die
    niet in de fabriek was geïnstalleerd, moet opnieuw worden geïnstalleerd.

    Herstelactie uitvoeren 111



  • Page 124

    U herstelt als volgt de oorspronkelijke image van de vaste schijf met f11:
    1.

    Maak indien mogelijk een backup van al uw persoonlijke bestanden.

    2.

    Controleer indien mogelijk of de HP Herstelpartitie aanwezig is. Selecteer Start, klik met de
    rechtermuisknop op Computer, klik op Beheren en klik vervolgens op Schijfbeheer.
    OPMERKING: Indien de HP Herstelpartitie niet in de lijst vermeld staat, moet u uw
    besturingssysteem en programma’s herstellen met behulp van de dvd met het Windows 7besturingssysteem en de cd Driver Recovery (Stuurprogrammaherstel) (beide apart verkrijgbaar).
    Raadpleeg de sectie “Een dvd met het Windows 7-besturingssysteem gebruiken (apart
    verkrijgbaar)” voor meer informatie.

    3.

    Doe het volgende indien de HP Herstelpartitie in de lijst vermeld staat: schakel de computer in of
    start deze opnieuw op en druk op esc wanneer "Press the ESC key for Startup Menu" (Druk op
    Esc voor het startmenu) onder in het scherm verschijnt.

    4.

    Druk op f11 terwijl "Press <F11> for recovery" (Druk op <F11> voor herstel) op het scherm wordt
    weergegeven.

    5.

    Volg de instructies op het scherm.

    Een dvd met het Windows 7-besturingssysteem gebruiken (apart
    verkrijgbaar)
    Als u de computer niet kunt opstarten en de eerder gemaakte herstelschijven niet kunt gebruiken (alleen
    bepaalde modellen), dient u een dvd met het Windows 7-besturingssysteem te kopen om de computer
    opnieuw op te starten en het besturingssysteem te herstellen. Controleer of uw recentste back-up
    (opgeslagen op schijven of op een extern station) eenvoudig toegankelijk is. Ga naar http://www.hp.com/
    support, selecteer uw land of regio en volg de instructies op het scherm om een dvd met het Windows
    7-besturingssysteem te bestellen. U kunt ook de dvd bestellen door de technische ondersteuning te
    bellen. U kunt ook het boekje Worldwide Telephone Numbers (Wereldwijde telefoonnummers)
    raadplegen voor contactgegevens. Dit boekje is meegeleverd bij de computer.
    VOORZICHTIG: Met een dvd met het Windows 7-besturingssysteem wordt de inhoud van de vaste
    schijf volledig gewist en wordt de vaste schijf opnieuw geformatteerd. Alle bestanden die u hebt gemaakt
    en alle software die u hebt geïnstalleerd op de computer, worden definitief verwijderd. Wanneer het
    herformatteren is voltooid, helpt de herstelprocedure u om het besturingssysteem en ook
    stuurprogramma’s, software en hulpprogramma’s te herstellen.
    U kunt als volgt een herstelactie starten met een dvd met het Windows 7-besturingssysteem:
    OPMERKING: Dit proces neemt een paar minuten in beslag.
    1.

    Maak indien mogelijk een backup van al uw persoonlijke bestanden.

    2.

    Start de computer opnieuw op en plaats vervolgens de dvd met het Windows 7-besturingssysteem
    in de optische schijfeenheid voordat het Windows-besturingssysteem wordt geladen.

    3.

    Druk op een willekeurige toets op het toetsenbord wanneer hierom wordt gevraagd.

    4.

    Volg de instructies op het scherm.

    5.

    Klik op Volgende.

    6.

    Selecteer Uw computer herstellen.

    7.

    Volg de instructies op het scherm.

    112 Hoofdstuk 12 Back-up en herstel



  • Page 125

    13 Computer Setup
    Computer Setup starten
    Computer Setup is een vooraf geïnstalleerd programma in het ROM-geheugen, dat zelfs kan worden
    gebruikt wanneer het besturingssysteem niet werkt of niet kan worden geladen.
    OPMERKING: Mogelijk worden niet alle in deze handleiding genoemde menuopties voor Computer
    Setup door uw computer ondersteund.
    OPMERKING: Een op een USB-poort aangesloten toetsenbord of muis kan in Computer Setup
    uitsluitend worden gebruikt wanneer de ondersteuning voor oudere USB-systemen is ingeschakeld.
    Ga als volgt te werk om Computer Setup te starten:
    1.

    Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
    ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
    weergegeven.

    2.

    Druk op f10 om BIOS Setup te openen.

    Computer Setup gebruiken
    Navigeren en selecteren in Computer Setup
    De informatie en instellingen in Computer Setup (Computerinstellingen) zijn toegankelijk via de menu's
    File (Bestand), Security (Beveiliging) en System Configuration (Systeemconfiguratie).
    Ga als volgt te werk om te navigeren in Computer Setup en items te selecteren:
    1.

    Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
    ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
    weergegeven.


    Doe het volgende om een menu of een menu-item te selecteren: gebruik de tabtoets en de
    pijltoetsen en druk vervolgens op enter, of gebruik een aanwijsapparaat om op het item te
    klikken.



    Klik op de pijl-omhoog of pijl-omlaag in de rechterbovenhoek van het scherm of gebruik de
    toetsen pijl-omhoog of pijl-omlaag om omhoog of omlaag te bladeren.



    Druk op esc om alle open dialoogvensters te sluiten en terug te keren naar het hoofdscherm
    van Computer Setup. Volg daarna de instructies op het scherm.

    OPMERKING: U kunt navigeren door Computer Setup en selecties maken met behulp van een
    aanwijsapparaat (zoals het touchpad, de EasyPoint-muisbesturing of een USB-muis) of het
    toetsenbord.
    2.

    Druk op f10 om BIOS Setup te openen.

    3.

    Selecteer het menu Bestand, Beveiliging, of Systeemconfiguratie

    Computer Setup starten 113



  • Page 126

    Ga als volgt te werk om de menu's van Computer Setup af te sluiten:


    Klik op het pictogram Exit (Afsluiten) linksonder in het scherm en volg de instructies op het scherm
    om de menu's van Computer Setup te sluiten zonder uw wijzigingen op te slaan.
    – of –
    Selecteer met de tabtoets en de pijltoetsen Bestand > Wijzigingen negeren en afsluiten en druk
    vervolgens op enter
    – of –



    Klik op het pictogram Save (Opslaan) linksonder in het scherm en volg de instructies op het scherm
    om de menu's van Computer Setup te sluiten en uw wijzigingen op te slaan.
    – of –
    Selecteer met de tabtoets en de pijltoetsen Bestand > Wijzigingen opslaan en afsluiten en druk
    vervolgens op enter

    De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.

    Fabrieksinstellingen in Computer Setup (Computerinstellingen) herstellen
    OPMERKING: Het herstellen van de standaardwaarden is niet van invloed op de vasteschijfmodus.
    Ga als volgt te werk om alle instellingen in Computer Setup terug te zetten op de fabriekswaarden:
    1.

    Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
    ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
    weergegeven.

    2.

    Druk op f10 om BIOS Setup te openen.

    3.

    Selecteer met de cursorbesturing of met de pijltoetsen Bestand > Standaardinstellingen
    herstellen.

    4.

    Volg de instructies op het scherm.

    5.

    Om de wijzigingen op te slaan en af te sluiten, klikt u op het pictogram Save (Opslaan) in de
    linkerbenedenhoek van het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
    – of –
    Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
    afsluiten) en druk daarna op enter.

    De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.
    OPMERKING: Uw wachtwoord- en beveiligingsinstellingen blijven ongewijzigd wanneer u de
    oorspronkelijke fabrieksinstellingen herstelt.

    Menu’s van Computer Setup
    De menutabellen in dit onderdeel geven een overzicht van de opties in Computer Setup.
    OPMERKING: Mogelijk worden niet alle menuopties voor Computer Setup die in dit hoofdstuk worden
    genoemd door uw computer ondersteund.

    114 Hoofdstuk 13 Computer Setup



  • Page 127

    Menu File (Bestand)
    Optie

    Actie

    System Information (Systeeminformatie)



    Hiermee kunt u identificatie-informatie weergeven over
    de computer en de accu's in het systeem.



    Hiermee kunt u informatie weergeven over de
    specificaties van de processor, de grootte van de cache
    en het geheugen, het systeem-ROM, de revisie van de
    videokaart en de versie van de toetsenbordcontroller.

    Set System Date and Time (Systeemdatum en -tijd instellen)

    Hiermee kunt u de tijd en datum op de computer instellen of
    wijzigen.

    System Diagnostics (Systeemdiagnose)

    Hiermee geeft u de volgende informatie weer:


    System Information (Systeeminformatie)


    Identificatiegegevens over het computermodel en
    de accu’s in het systeem.



    Specificatie-informatie voor de processor, cache en
    geheugengrootte, systeem-ROM, videorevisie en
    toetsenbordcontrollerversie.



    Start-up Test (Opstarttest): hiermee controleert u de
    systeemonderdelen die nodig zijn voor het opstarten van
    de computer.



    Run-In Test (Run-in-test): hiermee voert u een
    omvangrijke controle uit van het systeemgeheugen.



    Hard Disk Test (Vasteschijftest): hiermee voert u een
    omvangrijke zelftest uit van elke vaste schijf in het
    systeem.



    Memory Test (Geheugentest): hiermee voert u een
    omvangrijke test uit van het geheugen op de computer.



    Battery Test (Accutest): hiermee voert u een omvangrijke
    test uit van de accu’s op de computer.



    Error Log (Foutenlogboek): weergave van een
    logbestand als er fouten zijn opgetreden.

    Restore Defaults (Standaardinstellingen herstellen)

    Hiermee kunt u de configuratie-instellingen in Computer Setup
    vervangen door de oorspronkelijke fabrieksinstellingen. De
    vasteschijfmodus, wachtwoordinstellingen en
    beveiligingsinstellingen blijven ongewijzigd wanneer u de
    oorspronkelijke fabrieksinstellingen herstelt.

    Reset BIOS security to factory default (Standaardinstellingen
    BIOS-beveiliging herstellen)

    Herstel de BIOS-beveiligingsinstellingen op de
    fabrieksinstelling.

    Ignore Changes and Exit (Wijzigingen negeren en afsluiten)

    Hiermee kunt u wijzigingen annuleren die tijdens de huidige
    sessie zijn ingevoerd. Vervolgens wordt Computer Setup
    afgesloten en wordt de computer opnieuw opgestart.

    Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en afsluiten)

    Hiermee kunt u wijzigingen opslaan die tijdens de huidige
    sessie zijn ingevoerd. Vervolgens wordt Computer Setup
    afgesloten en wordt de computer opnieuw opgestart. De
    wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer
    opnieuw wordt gestart.

    Menu’s van Computer Setup 115



  • Page 128

    Menu Security (Beveiliging)
    OPMERKING: Mogelijk worden niet alle in dit gedeelte genoemde menuopties door uw computer
    ondersteund.
    Optie

    Actie

    Setup BIOS Administrator Password (BIOSbeheerderswachtwoord instellen)

    Hiermee kunt u een BIOS-beheerderswachtwoord instellen.

    User Management > Create a New BIOS User Account
    (Gebruikersbeheer > Account voor nieuwe BIOS-gebruiker
    maken) (BIOS beheerderswachtwoord vereist)



    Hiermee kunt u selecteren uit een lijst met BIOSgebruikers.



    Hiermee kunt u selecteren uit een lijst met ProtectToolsgebruikers.

    Password Policy (Wachtwoordbeleid, BIOS-wachtwoord
    vereist)

    Hiermee kunt u de criteria voor het wachtwoordbeleid
    instellen.

    HP SpareKey

    Hiermee kunt u HP SpareKey inschakelen of uitschakelen
    (standaard ingeschakeld).

    Always Prompt for HP SpareKey Enrollment (Altijd vragen om
    inschrijving bij HP SpareKey)

    Hiermee kunt u de inschrijving bij HP SpareKey inschakelen
    of uitschakelen (standaard ingeschakeld).

    Vingerafdrukherstel bij opnieuw opstarten (indien aanwezig)

    Hiermee kunt u de eigenaar van de vingerafdruklezer opnieuw
    instellen of wissen (alleen bepaalde modellen, standaard
    uitgeschakeld).

    Change Password (Wachtwoord wijzigen)

    Hiermee kunt u een BIOS-beheerderswachtwoord opgeven,
    wijzigen of verwijderen.

    HP SpareKey Enrollment (Inschrijving bij HP SpareKey)

    Hiermee kunt u zich bij HP SpareKey inschrijven of
    HP SpareKey opnieuw instellen. Dit is een reeks
    beveiligingsvragen en -antwoorden die worden gebruikt
    wanneer u uw wachtwoord bent vergeten.

    Anti Theft > AT-p (diefstalpreventie > AT-p)(alleen bepaalde
    modellen)

    Hiermee kunt u de bescherming tegen diefstal in- of
    uitschakelen.

    DriveLock Password (DriveLock wachtwoord)



    Hiermee kunt u DriveLock in- of uitschakelen op een
    vaste schijf van de computer (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u het gebruikers- of hoofdwachtwoord van
    DriveLock wijzigen.

    OPMERKING: De DriveLock-instellingen zijn uitsluitend
    toegankelijk als u Computer Setup opent door de computer in
    te schakelen (en niet door deze opnieuw op te starten).
    Automatic DriveLock (Automatische DriveLock)

    Hiermee kunt u Automatische DriveLock-ondersteuning in- of
    uitschakelen (standaard uitgeschakeld).

    Disk Sanitizer

    Voer Disk Sanitizer uit om alle bestaande gegevens op de
    primaire vaste schijf of het station in de upgraderuimte te
    vernietigen.
    VOORZICHTIG: Wanneer u Disk Sanitizer uitvoert, worden
    de gegevens op het geselecteerde station permanent
    vernietigd.

    Systeem-id’s

    116 Hoofdstuk 13 Computer Setup

    Hiermee kunt u een door de gebruiker gedefinieerd
    inventarisnummer voor computer en eigenaar invoeren.



  • Page 129

    Menu System Configuration (Geavanceerd)
    OPMERKING: Sommige opties in System Configuration (Geavanceerd) worden mogelijk niet
    ondersteund door uw computer.
    Optie

    Actie

    Language (Taal)

    Hiermee kunt u de taal van Computer Setup wijzigen.

    Boot Options (Opstartopties)



    Stel een wachttijd voor het menu opstarten in (in
    seconden).



    Stel Wachttijd Express Boot-menu (in seconden) in voor
    MultiBoot.



    Hiermee kunt u aangepast logo in-/uitschakelen
    (standaard uitgeschakeld).



    Hiermee kunt u weergave diagnostische URL in- of
    uitschakelen (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u opstarten vanaf cd-rom-drive in-/
    uitschakelen (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u opstarten vanaf SD-kaart in-/uitschakelen
    (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u het opstarten vanaf een diskette in- of
    uitschakelen (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u het opstarten vanaf een PXE interne
    netwerkadapter in- of uitschakelen (standaard
    ingeschakeld).



    Hiermee kunt u de UEFI-opstartmodus (Unified
    Extensible Firmware Interface) in- of uitschakelen
    (standaard uitgeschakeld).



    Hiermee kunt u de verouderde opstartvolgorde instellen.



    Hiermee kunt u de ondersteuning van oudere USBsystemen in- of uitschakelen (standaard ingeschakeld).
    Als ondersteuning van oudere USB-systemen is
    ingeschakeld, kunt u het volgende doen:

    Device Configurations (Apparaatconfiguraties)



    USB-muis of –toetsenbord gebruiken in Computer
    Setup (Computerinstellingen), ook als een
    Windows®-besturingssysteem niet actief is.



    Opstarten vanaf USB-apparaten met voorzieningen
    om als opstarteenheid te fungeren, waaronder een
    vaste schijf, diskettedrive of optischeschijfeenheid,

    Menu’s van Computer Setup 117



  • Page 130

    Optie

    Actie
    die via een USB-poort zijn aangesloten op de
    computer.


    Hiermee kunt u een modus voor de parallelle poort
    selecteren: ECP (Enhanced Capabilities Port),
    standaard, bidirectioneel of EPP (Enhanced Parallel
    Port).



    Hiermee kunt u in- of uitschakelen dat de ventilator altijd
    aan is bij aansluiting op netvoeding (standaard
    ingeschakeld).



    Hiermee kunt u Data Execution Prevention (Preventie van
    uitvoering van gegevens) in- of uitschakelen (alleen
    bepaalde modellen). Wanneer deze optie is
    ingeschakeld, kan de processor de uitvoering van
    sommige viruscodes uitschakelen, wat de beveiliging van
    de computer verbetert (standaard ingeschakeld).



    Selecteer een SATA (Serial Advanced Technology
    Attachment) apparaatmodus. De volgende opties zijn
    beschikbaar:


    AHCI (Advanced Host Controller Interface)



    IDE (Integrated Drive Electronics)



    RAID-apparaten (Redundant Array of Independent
    Disks)(alleen bepaalde modellen)

    OPMERKING: De beschikbaarheid van deze opties
    verschilt per model computer.

    118 Hoofdstuk 13 Computer Setup



    Hiermee kunt u het snel opladen van de tweede accu inof uitschakelen (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u HP QuickLook in- of uitschakelen
    (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u de Verificatie voorafgaand aan opstarten
    met HP QuickLook in- of uitschakelen (standaard
    ingeschakeld).



    Hiermee kunt u HP QuickWeb in- of uitschakelen
    (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u HP QuickWeb schrijfbeveiliging in- of
    uitschakelen (standaard uitgeschakeld).



    Hiermee kunt u Virtualization Technology
    (Virtualisatietechnologie) in- of uitschakelen (alleen
    bepaalde modellen; standaard uitgeschakeld).



    Hiermee kunt u Intel TXT (Trusted Execution Technology)
    in- of uitschakelen (alleen bepaalde modellen; standaard
    uitgeschakeld).



    Hiermee kunt u Multi Core CPU in- of uitschakelen
    (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u Intel HT technology in- of uitschakelen
    (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u Via USB uit slaapstand halen in- of
    uitschakelen (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u status van num lock bij opstarten in- of
    uitschakelen (standaard uitgeschakeld).



  • Page 131

    Optie

    Actie

    Built-In Device Options (Opties voor geïntegreerde
    apparaten)



    Hiermee kunt u de knop voor draadloze communicatie inof uitschakelen (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u geïntegreerd WWAN-apparaat in- of
    uitschakelen (alleen bepaalde modellen, standaard
    ingeschakeld).



    Hiermee kunt u geïntegreerd WLAN-apparaat in- of
    uitschakelen (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u het geïntegreerd Bluetooth-apparaat inof uitschakelen (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u de network interface controller (LAN) inof uitschakelen (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u schakelen tussen LAN/WLAN in- of
    uitschakelen (standaard uitgeschakeld).



    Hiermee kunt u opgeven of de computer via het LAN uit
    de slaapstand kan worden gehaald. De volgende opties
    zijn beschikbaar:


    Disabled (Gedeactiveerd)



    Opstarten via netwerk (standaardinstelling)



    Follow Boot Order (Opstartvolgorde volgen)



    De omgevingslichtsensor in-/uitschakelen (standaard
    ingeschakeld).



    Hiermee kunt u apparaat upgraderuimte van
    notebookcomputer in- of uitschakelen (standaard
    ingeschakeld).



    Hiermee kunt u de vingerafdruklezer in- of uitschakelen
    (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u de geïntegreerde camera in- of
    uitschakelen (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u de voedingsbewaking in- of uitschakelen
    (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u het audioapparaat in- of uitschakelen
    (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u een modem in- of uitschakelen (standaard
    ingeschakeld).



    Hiermee kunt u de microfoon in- of uitschakelen
    (standaard ingeschakeld).



    Hiermee kunt u de interne luidsprekers in- of uitschakelen
    (standaard ingeschakeld).

    Menu’s van Computer Setup 119



  • Page 132

    Optie

    Actie

    Poortopties

    OPMERKING:

    Alle poortopties zijn standaard ingeschakeld.



    Hiermee kunt u de seriële poort in- of uitschakelen (alleen
    bepaalde modellen).



    Hiermee kunt u de parallelle poort in- of uitschakelen
    (alleen bepaalde modellen).



    Hiermee kunt u de Flash-medialezer in- of uitschakelen.



    Hiermee kunt u de USB-poort in- of uitschakelen.
    VOORZICHTIG: Als u de USB-poort uitschakelt,
    worden ook de MultiBay- en ExpressCard-apparaten op
    de geavanceerde poortreplicator uitgeschakeld.

    AMT-opties (alleen bepaalde modellen.



    Hiermee kunt u de 1394 poort in- of uitschakelen (alleen
    bepaalde modellen).



    Hiermee kunt u het ExpressCard-slot in- of
    uitschakelen.



    Hiermee kunt u de eSATA-poort in- of uitschakelen.

    OPMERKING:
    uitgeschakeld.

    Alle AMT-opties zijn standaard



    Hiermee kunt u firmware-wijdlopigheid in-/uitschakelen.



    Hiermee kunt u prompt voor AMT Setup (Ctrl-P)in-/
    uitschakelen.



    Hiermee kunt u ondersteuning van USBsleutelvoorziening in-/uitschakelen.



    Hiermee kunt u inschakelen/uitschakelen van het
    ongedaan maken van de configuratie van AMT bij de
    volgende keer opstarten.



    Selecteer Terminalemulatiemodus. De opties omvatten:


    Draadloos netwerk (standaardinstelling)



    VT100



    Hiermee kunt u de ondersteuning van firmwarevoortgangsgebeurtenis in-/uitschakelen.



    Hiermee kunt u de Initiate Intel CIRA in-/uitschakelen.

    Set Security Level (Beveiligingsniveau instellen)

    Hiermee kunt u het beveiligingsniveau voor alle items in het
    BIOS-menu wijzigen, bekijken of verbergen.

    Restore Security Defaults (beveiligingsstandaarden
    herstellen)

    Hiermee kunt u de standaardbeveiligingsinstellingen
    herstellen.

    120 Hoofdstuk 13 Computer Setup



  • Page 133

    14 MultiBoot
    Opstartvolgorde van apparaten
    Als de computer wordt opgestart, probeert het systeem op te starten vanaf ingeschakelde
    opstartapparaten. Het hulpprogramma MultiBoot, dat standaard is ingeschakeld, bepaalt de volgorde
    waarin het systeem een opstartapparaat selecteert. Bij opstartapparaten kan het gaan om
    optischeschijfeenheden, diskettedrives, een netwerkkaart (NIC), vaste schijven of USB-apparaten.
    Opstartapparaten bevatten opstartmedia of bestanden die de computer nodig heeft om correct te
    kunnen opstarten en werken.
    OPMERKING: Sommige opstartapparaten moeten worden ingeschakeld in Computerinstellingen
    voordat u deze kunt opnemen in de opstartvolgorde.
    Fabrieksmatig is de computer zodanig ingesteld dat het opstartapparaat wordt geselecteerd door in de
    onderstaande volgorde te zoeken naar ingeschakelde opstartapparaten en schijfeenheidruimten:
    OPMERKING: Sommige van de aangegeven opstartapparaten en schijfeenheidruimten worden
    mogelijk niet ondersteund op uw computer.


    Upgraderuimte van notebookcomputer



    Interne vaste schijf



    USB-diskettedrive



    USB-cd-romstation



    Vaste USB-schijf



    Notebook Ethernet



    SD-geheugenkaart (Secure Digital)



    Dockingstation, upgraderuimte



    Externe SATA-schijfeenheid

    U kunt de volgorde wijzigen waarin de computer naar een opstartapparaat zoekt, door de
    opstartvolgorde te wijzigen in Computer Setup (Computerinstellingen). U kunt ook op esc drukken terwijl
    het bericht "Press the ESC key for Startup Menu" (Druk op de ESC-toets voor het startmenu) onderaan
    het scherm verschijnt en druk vervolgens op f9. Door op f9 te drukken verschijnt een menu met de
    huidige opstartapparaten en kunt u een opstartapparaat selecteren. Of, u kunt MultiBoot Express
    gebruiken om de computer zodanig in te stellen dat u om een opstartlocatie gevraagd wordt telkens
    wanneer de computer inschakelt of opnieuw opstart.
    Als MultiBoot is uitgeschakeld, gebruikt de computer een vaste opstartvolgorde die begint met het
    zoeken naar een opstartapparaat in station A. Als deze daar niet wordt gevonden, zoekt de computer
    naar een opstartapparaat in station C. Mogelijke opstartapparaten in station A zijn onder andere
    optische-schijfstations en diskettestations. Mogelijke opstartapparaten in station C zijn optischeschijfstations en vaste schijven.
    Er is geen stationsaanduiding toegekend aan de netwerkkaart.
    OPMERKING: Een optische-schijfstation (zoals een cd-romspeler) kan zowel als station A als station
    C worden opgestart, afhankelijk van de indeling van de opstart-cd-rom.

    Opstartvolgorde van apparaten 121



  • Page 134

    In de volgende lijst wordt de fabrieksinstelling voor de opstartvolgorde beschreven waarbij de
    schijfaanduidingen A en C worden toegewezen als MultiBoot is uitgeschakeld. (De werkelijke volgorde
    varieert per configuratie.)




    Opstartvolgorde van opstartapparaten met schijfaanduiding A:
    1.

    Optische-schijfeenheid in een optioneel dockingapparaat of in een optioneel externe MultiBay
    die een schijf bevat die is geformatteerd als station A

    2.

    Optische-schijfeenheid in de interne MultiBay (alleen bepaalde modellen) die een schijf bevat
    die is geformatteerd als station A

    3.

    Diskettestation in een optioneel dockingapparaat of in een optionele externe MultiBay

    Opstartvolgorde van opstartapparaten met schijfaanduiding C:
    1.

    Optische-schijfeenheid in een optioneel dockingapparaat of in een optionele externe MultiBay
    die een schijf bevat die is geformatteerd als station C

    2.

    Optische-schijfeenheid in de interne MultiBay (alleen bepaalde modellen) die een schijf bevat
    die is geformatteerd als station C

    3.

    Vaste schijf in de vaste-schijfruimte van de computer

    4.

    Vaste schijf in een optioneel dockingapparaat of in een optionele externe MultiBay

    OPMERKING: Omdat geen stationsaanduiding is toegekend aan de netwerkkaart, heeft het wijzigen
    van de opstartvolgorde van een netwerkkaart geen gevolgen voor de stationsaanduidingen van de
    andere apparaten.

    Opstartapparaten inschakelen in Computer Setup
    (Computerinstellingen)
    De computer start alleen op vanaf een USB-apparaat of netwerkkaart als dat betreffende apparaat eerst
    is ingeschakeld in Computerinstellingen.
    Ga als volgt te werk om Computer Setup (Computerinstellingen) te starten en een USB-apparaat of
    netwerkkaart te gebruiken als opstartapparaat:
    1.

    Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer ‘Press the ESC key for
    Startup Menu’ (Druk op Esc voor het startmenu) onder in het scherm verschijnt.

    2.

    Druk op f10 om naar de BIOS-instellingen te gaan.

    3.

    Om opstartbare media in USB-stations of in stations in een optioneel dockingapparaat in te
    schakelen (alleen bepaalde modellen), gebruikt u een aanwijsapparaat of de pijltoetsen om
    Systeemconfiguratie > Apparaatconfiguraties te selecteren. Bevestig dat ondersteuning voor
    oudere USB-systemen is geselecteerd.
    OPMERKING: De optie USB-poort moet ingeschakeld zijn om ondersteuning voor oudere USBsystemen te gebruiken. Dit is standaard ingeschakeld. Wanneer de poort uitgeschakeld wordt, kunt
    u deze opnieuw activeren door Systeemconfiguratie > Poortopties en daarna USB-poort te
    selecteren.
    – of –
    Als u een NIC-apparaat wilt inschakelen, selecteert u Systeemconfiguratie > Opstartopties en
    selecteert u vervolgens Opstarten vanaf PXE interne netwerkadapter.

    4.

    Als u uw wijzigingen wilt opslaan en Computer Setup (Computerinstellingen) wilt afsluiten, klikt u
    op het pictogram Save (Opslaan) linksonder in het scherm en volgt u de instructies op het scherm.

    122 Hoofdstuk 14 MultiBoot



  • Page 135

    – of –
    Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
    afsluiten) en druk daarna op enter.
    De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.
    OPMERKING: Ga als volgt te werk om een NIC aan te sluiten op een PXE-server (Preboot eXecution
    Environment) of RPL-server (Remote Program Load) zonder MultiBoot te gebruiken: druk op esc
    wanneer ‘Press the ESC key for Startup Menu’ (Druk op Esc voor het startmenu) onder in het scherm
    verschijnt en druk vervolgens snel op f12.

    Wijzigingen in de opstartvolgorde overwegen
    Houd bij het wijzigen van de opstartvolgorde rekening met het volgende:


    Als de computer opnieuw wordt opgestart nadat de opstartvolgorde is gewijzigd, probeert de
    computer met de nieuwe opstartvolgorde op te starten.



    In het geval dat er meer dan één soort opstartapparaat is, probeert de computer om op te starten
    via het eerste van ieder type opstartapparaat (met uitzondering van optische apparaten). Wanneer
    de computer bijvoorbeeld is aangesloten op een optioneel dockingapparaat (alleen bepaalde
    modellen) dat een vaste schijf bevat, wordt deze vaste schijf weergegeven in de opstartvolgorde
    als een USB vaste schijf. Indien het systeem probeert op te starten vanaf deze USB-drive en dit
    mislukt, zal deze niet proberen opstarten op de vaste schijf in de vasteschijfruimte. In plaats hiervan
    zal het proberen opstarten op het volgende type apparaat in het opstartvolgordemenu. Wanneer
    er echter twee optische apparaten zijn, en het eerste optische apparaat start niet op (ofwel omdat
    het geen media bevat of omdat de media geen opstartschijf is) zal het systeem proberen opstarten
    op het tweede optische apparaat.



    Als u de opstartvolgorde wijzigt, verandert u daarmee ook de logische stationsaanduidingen. Als
    u bijvoorbeeld opstart vanaf een cd-romstation met daarin een in de vorm van station C
    geformatteerde schijf, wordt dat cd-romstation station C en de vaste schijf in de vaste-schijfruimte
    station D.



    De computer wordt alleen opgestart vanaf een netwerkkaart als het apparaat is ingeschakeld in
    het menu Ingebouwde apparaatopties van Computerinstellingen en als opstarten van dit apparaat
    is ingeschakeld in het menu Opstartopties van Computerinstellingen. Opstarten vanaf een
    netwerkkaart heeft geen invloed op de logische stationstoewijzingen omdat er geen
    stationsaanduiding is gekoppeld aan de netwerkkaart.



    Stations in een optioneel dockingapparaat (alleen bepaalde modellen) worden voor de
    opstartvolgorde beschouwd als externe USB-apparaten.

    MultiBoot-voorkeursinstellingen kiezen
    U kunt MultiBoot op de volgende manieren gebruiken:


    Om een nieuwe opstartvolgorde die door de computer wordt gebruikt telkens wanneer deze wordt
    opgestart in te stellen door de opstartvolgorde in Computerinstellingen te wijzigen.



    Op dynamische wijzen het opstartapparaat kiezen door op esc te drukken wanneer ‘Press the ESC
    key for Startup Menu’ (Druk op Esc voor het startmenu) onder in het scherm verschijnt en
    vervolgens op f9 drukken om het menu Boot Device Options (Opties opstartapparaat) te openen.



    Om MultiBoot Express te gebruiken om een variabele opstartvolgorde in te stellen. Bij deze functie
    wordt u gevraagd om een opstartapparaat telkens wanneer de computer wordt ingeschakeld of
    opnieuw wordt opgestart.

    Wijzigingen in de opstartvolgorde overwegen 123



  • Page 136

    Nieuwe opstartvolgorde instellen in Computerinstellingen
    Voer de volgende stappen uit om Computer Setup (Computerinstellingen) te starten en een volgorde
    voor opstartapparaten in te stellen die wordt gebruikt telkens wanneer de computer wordt ingeschakeld
    of opnieuw wordt opgestart:
    1.

    Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer ‘Press the ESC key for
    Startup Menu’ (Druk op Esc voor het startmenu) onder in het scherm verschijnt.

    2.

    Druk op f10 om naar de BIOS-instellingen te gaan.

    3.

    Selecteer met een aanwijsapparaat of met de pijltoetsen de lijst verouderde opstartvolgorde en
    druk vervolgens op enter.

    4.

    Gebruik een aanwijsapparaat om op de pijltoets omhoog te klikken om het apparaat omhoog te
    verplaatsen in de opstartvolgorde, of druk op de +-toets.
    – of –
    Als u het apparaat omlaag wilt verplaatsen in de opstartvolgorde, klikt u op de pijltoets omlaag of
    drukt u op de --toets.

    5.

    Als u uw wijzigingen wilt opslaan en Computer Setup (Computerinstellingen) wilt afsluiten, klikt u
    op het pictogram Save (Opslaan) linksonder in het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
    – of –
    Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
    afsluiten) en druk daarna op enter.

    De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.

    Dynamisch een opstartapparaat kiezen via F9
    U kunt als volgt op dynamische wijze een opstartapparaat voor de huidige opstartprocedure kiezen:
    1.

    Zet de computer aan of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer het bericht "Press the ESC
    key for Startup Menu" (Druk op de ESC-toets voor het startmenu) onderaan het scherm verschijnt.

    2.

    Open het menu Opties opstartapparaat door te drukken op f9.

    3.

    Gebruik een aanwijsapparaat of de pijltoetsen om een opstartapparaat te selecteren en druk
    vervolgens op enter.

    De wijzigingen worden onmiddellijk geactiveerd.

    MultiBoot Express instellen
    Ga als volg te werk om Computer Setup (Computerinstellingen) te starten en het menu voor de
    MultiBoot-opstartlocatie weer te geven telkens wanneer de computer wordt ingeschakeld of opnieuw
    wordt opgestart:
    1.

    Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer ‘Press the ESC key for
    Startup Menu’ (Druk op Esc voor het startmenu) onder in het scherm verschijnt.

    2.

    Druk op f10 om naar de BIOS-instellingen te gaan.

    3.

    Gebruik een aanwijsapparaat of de pijltoetsen om System Configuration
    (Systeemconfiguratie) > Boot Options (Opstartopties) te selecteren en druk vervolgens op
    enter.

    124 Hoofdstuk 14 MultiBoot



  • Page 137

    4.

    In het veld Wachttijd Express Boot-menu (in seconden) voert u in seconden in hoelang u wilt
    dat de computer het opstartlocatiemenu weergeeft, voordat het standaard naar de huidige
    MultiBoot-instelling gaat. (Wanneer u 0 selecteert, wordt het menu van Express Boot opstartlocatie
    niet weergegeven.)

    5.

    Als u uw wijzigingen wilt opslaan en Computer Setup (Computerinstellingen) wilt afsluiten, klikt u
    op het pictogram Save (Opslaan) linksonder in het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
    – of –
    Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
    afsluiten) en druk daarna op enter.

    De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.

    Voorkeuren MultiBoot Express invoeren
    Als het menu Express Boot wordt weergegeven tijdens het opstarten, hebt u de volgende
    mogelijkheden:


    Om een opstartapparaat uit het menu van Express Boot op te geven selecteert u uw voorkeur
    binnen de opgegeven tijd en drukt u op enter.



    Ter voorkoming dat de computer de huidige MultiBoot-instelling gebruikt, drukt u op een toets
    voordat de wachttijd verstrijkt. De computer start niet op voordat u een opstartapparaat selecteert
    en op enter drukt.



    Om ervoor te zorgen dat de computer de huidige MultiBoot-instelling gebruikt, wacht u totdat de
    wachttijd verstrijkt.

    MultiBoot-voorkeursinstellingen kiezen 125



  • Page 138

    15 Beheer en afdrukken
    Client Management Solutions gebruiken
    Client Management Solutions software biedt op standaarden gebaseerde oplossingen voor het beheren
    van clientcomputers (gebruikerscomputers), variërend van desktopcomputers en werkstations tot
    notebookcomputers en tablet-pc’s, in een netwerkomgeving.
    Clientbeheer omvat de volgende basismogelijkheden en voorzieningen:


    Initiële implementatie van software-image



    Installatie van systeemsoftware op afstand



    Beheer en updates van software



    ROM-updates



    Behouden en beveiligen van computermiddelen (de hardware en software die op de computer zijn
    geïnstalleerd)



    Foutberichten en herstel van bepaalde onderdelen van de systeemsoftware en -hardware

    OPMERKING: De ondersteuning van specifieke functies die in dit onderdeel worden beschreven kan
    variëren per model computer en/of de op de computer geïnstalleerde versie van de beheersoftware.

    Software-images configureren en distribueren
    De computer wordt geleverd met een tevoren geïnstalleerde "image" van de systeemsoftware. Deze
    initiële software-image wordt geconfigureerd tijdens de eerste installatie van de computer. Nadat de
    software is "uitgepakt", is de computer klaar voor gebruik.
    U kunt een eigen software-image op een van de volgende manieren implementeren (verspreiden):


    Aanvullende softwareapplicaties installeren na het uitpakken van de vooraf geïnstalleerde
    software-image



    Hulpmiddelen voor de distributie van software gebruiken, zoals Altiris Deployment Solutions, om
    de vooraf geïnstalleerde software te vervangen door een eigen software-image



    Met een procedure voor "disk cloning" de inhoud van één vaste schijf naar een andere kopiëren

    De methode die u daarvoor gebruikt, is afhankelijk van de technologische omgeving en processen van
    uw organisatie.
    OPMERKING: Het hulpprogramma Computer Setup (Computerinstellingen) en diverse andere
    systeemvoorzieningen bieden aanvullende hulp bij configuratiebeheer, probleemoplossing,
    energiebeheer en het herstel van systeemsoftware.

    126 Hoofdstuk 15 Beheer en afdrukken



  • Page 139

    Software beheren en updaten
    HP biedt verschillende hulpmiddelen voor het beheren en updaten van de software op clientcomputers:


    HP Client Manager voor Altiris (alleen bepaalde modellen)
    OPMERKING: Als u de HP Client Manager voor Altiris wilt downloaden of als u meer informatie
    wilt over HP Client Manager voor Altiris, raadpleegt u de website van HP op http://www.hp.com.



    HP Client Configuration Manager (CCM) (alleen bepaalde modellen)



    HP System Software Manager (SSM)

    HP Client Manager voor Altiris (alleen bepaalde modellen)
    HP Client Manager voor Altiris combineert ‘Intelligent Manageability’-technologie met software van
    Altiris. HP Client Manager voor Altiris biedt superieure functionaliteit voor hardwarebeheer voor HP
    apparaten:


    Gedetailleerde overzichten van de hardware (voor activabeheer)



    Observatie en diagnostiek door middel van System Checkup



    Webtoegankelijke rapportage van bedrijfskritieke gegevens, zoals thermische waarschuwingen en
    geheugenwaarschuwingen



    Updaten op afstand van systeemsoftware, zoals apparaatstuurprogramma’s en het systeem-BIOS

    OPMERKING: Aanvullende functionaliteit wordt toegevoegd wanneer HP Client Manager voor Altiris
    wordt gebruikt in combinatie met optionele software van Altiris Solutions (afzonderlijk verkrijgbaar).
    Als HP Client Manager voor Altiris (geïnstalleerd op een clientcomputer) wordt gebruikt in combinatie
    met software van Altiris Solutions (geïnstalleerd op een beheercomputer), biedt HP Client Manager voor
    Altiris extra beheerfunctionaliteit en gecentraliseerd hardwarebeheer van clientapparatuur voor de
    volgende aspecten van de IT-levensduur:




    Voorraad- en activabeheer


    Softwarelicentiecontrole



    Opsporing en rapportage van computers



    Informatie over leasecontracten en controle vaste activa

    Distributie en migratie van systeemsoftware


    Windows-migratie



    Systeemimplementatie



    Migratie persoonlijkheid (persoonlijke instellingen gebruiker)

    Client Management Solutions gebruiken 127



  • Page 140





    Helpdesk en probleemoplossing


    Beheer van helpdesktickets



    Probleemoplossing op afstand



    Oplossing van problemen op afstand



    Herstel client na noodsituatie

    Software- en taakbeheer


    Doorlopend clientbeheer



    Distributie van HP-systeemsoftware



    "Self-healing" van applicaties (het vermogen om bepaalde problemen met applicaties te
    herkennen en te herstellen)

    De software van Altiris Solutions biedt gebruiksvriendelijke functies voor softwaredistributie. HP Client
    Manager voor Altiris ondersteunt communicatie met de software van Altiris Solutions, die kan worden
    gebruikt voor de implementatie van nieuwe hardware of persoonlijkheidsmigratie naar een nieuw
    besturingssysteem met behulp van gebruiksvriendelijke wizards. HP Client Manager voor Altiris kan
    worden gedownload van de website van HP.
    Als de software van Altiris Solutions wordt gebruikt in combinatie met HP System Software Manager of
    HP Client Manager voor Altiris, kunnen beheerders tevens het systeem-BIOS en de
    apparaatstuurprogramma's bijwerken vanaf een centrale console.

    HP Client Configuration Manager (CCM) (alleen bepaalde modellen)
    HP CCM automatiseert het beheer van software zoals besturingssystemen, programma’s, softwareupdates en de content- en configuratie-instellingen om ervoor te zorgen dat de configuratie van alle
    computers gehandhaafd blijft. Met deze geautomatiseerde beheeroplossingen kunt u software beheren
    over de gehele levensduur van de computer.
    Met CCM kunt u de volgende taken uitvoeren:


    De hardware en software in allerlei verschillende platformen in kaart brengen



    Een softwarepakket maken en een analyse van de gevolgen maken alvorens dit te distribueren



    Beleidsconforme distributie en onderhoud van software uitvoeren op specifieke individuele
    computers, werkgroepen of gehele computerpopulaties



    De besturingssystemen, applicaties en content op verschillende computers vanaf een willekeurige
    locatie controleren en beheren



    CCM integreren met helpdesks en andere hulpmiddelen voor systeembeheer voor een
    probleemloze afhandeling



    De vruchten plukken van een gezamenlijke infrastructuur voor het beheren van software en content
    op de standaardcomputers van alle zakelijke gebruikers binnen een netwerk



    De schaal afstemmen op de behoeftes van het bedrijf

    HP System Software Manager (SSM)
    Met HP SSM kunt u op afstand en op meerdere systemen tegelijk systeemsoftware bijwerken. Wanneer
    SSM wordt uitgevoerd op een clientcomputer, worden de versies van hardware en software
    gedetecteerd en wordt geselecteerde software bijgewerkt vanuit een centrale locatie, die een filestore
    wordt genoemd. Versies van stuurprogramma's die worden ondersteund door SSM worden op de
    website van HP voor het downloaden van stuurprogramma's en op de cd Support Software
    128 Hoofdstuk 15 Beheer en afdrukken



  • Page 141

    (Ondersteunende software) aangegeven met een speciaal pictogram. Als u het hulpprogramma SSM
    wilt downloaden of als u meer informatie wilt over SSM, raadpleegt u de website van HP op
    http://www.hp.com/go/ssm (alleen Engels).

    Client Management Solutions gebruiken 129



  • Page 142

    16 Reinigingsrichtlijnen
    Dit hoofdstuk bevat informatie over de beste praktijken en aanbevelingen met betrekking tot het veilig
    reinigen en desinfecteren van de notebookcomputer of tablet-pc.

    Reinigingsproducten
    Gebruik de volgende producten voor het veilig reinigen en desinfecteren van de notebookcomputer of
    tablet-pc.


    Dimethylbenzylammoniumchloride met een maximum concentratie van 0,3 procent (bijvoorbeeld,
    wegwerpdoekjes met bacteriedodend reinigingsmiddel. Deze doekjes zijn onder veel merknamen
    in de handel verkrijgbaar.)



    Glasreinigingsmiddel zonder alcohol



    Water met milde zeepoplossing



    Droge microvezel-reinigingsdoek of een zeemlap (statischvrije doek zonder olie)



    Statischvrije veegdoekjes

    VOORZICHTIG: Gebruik de volgende reinigingsproducten niet:
    Sterk aromatische oplosmiddelen, zoals aceton, ammoniumchloride, methyleenchloride en
    koolwaterstoffen kunnen het oppervlak van de notebookcomputer of tablet-pc permanent beschadigen.
    Vezelachtig materiaal, zoals papieren doekjes, die de notebookcomputer of tablet-pc kunnen
    bekrassen. In de loop van de tijd kunnen er vuildeeltjes en reinigingsmiddelen in de krassen
    achterblijven.

    Reinigingsprocedures
    Volg de in dit gedeelte beschreven procedures voor het veilig reinigen en desinfecteren van de
    notebookcomputer of tablet-pc.
    WAARSCHUWING! Om elektrische schokken of schade aan onderdelen te voorkomen, reinigt u de
    notebookcomputer of tablet-pc niet wanneer deze ingeschakeld is. Schakel voordat u de
    notebookcomputer of tablet-pc gaat reinigen de voeding van de notebookcomputer of tablet-pc uit door
    de computer uit te schakelen, de externe voeding los te koppelen en vervolgens alle externe apparaten
    met een eigen voeding los te koppelen.
    VOORZICHTIG: Sproei geen reinigingsmiddelen of vloeistoffen rechtstreeks op een
    notebookcomputer of tablet-pc. Als er vloeistoffen op de notebookcomputer of tablet-pc terecht komen,
    kunnen er interne onderdelen beschadigd raken.

    Beeldscherm reinigen
    Veeg het display met een zacht, pluisvrij en met een alcoholvrij glasreinigingsmiddel bevochtigd doekje
    schoon. Controleer of het display droog is voordat u de computer sluit.

    130 Hoofdstuk 16 Reinigingsrichtlijnen



  • Page 143

    Zijkanten en deksel reinigen
    Gebruik voor het reinigen en desinfecteren van de zijkanten en het deksel een zachte microvezel-doek
    of een zeemlap die bevochtigd is met een van de eerder genoemde reinigingsmiddelen, of gebruik een
    aanvaardbaar bacteriedodend wegwerpdoekje.
    OPMERKING: Verwijder wanneer u het deksel van de notebookcomputer reinigt, vuil door een
    ronddraaiende beweging te maken.

    Touchpad en toetsenbord reinigen
    VOORZICHTIG: Zorg er tijdens het reinigen van het touchpad en toetsenbord voor dat er geen
    vloeistoffen tussen de toetsen terecht komt. Als er vloeistoffen op de notebookcomputer of tablet-pc
    terecht komen, kunnen er interne onderdelen beschadigd raken.


    Gebruik voor het reinigen en desinfecteren van het touchpad en toetsenbord een zachte
    microvezel-doek of een zeemlap die bevochtigd is met een van de eerder genoemde
    reinigingsmiddelen, of gebruik een aanvaardbaar bacteriedodend wegwerpdoekje.



    Om te voorkomen dat de toetsen vast komen te zitten en om vuil, pluizen en vuildeeltjes te
    verwijderen, gebruikt u een spuitbus met perslucht en een rietje.
    WAARSCHUWING! Gebruik geen stofzuigeraccessoires om het toetsenbord te reinigen, om het
    risico van een elektrische schok of schade aan interne onderdelen te beperken. Een stofzuiger kan
    stofdeeltjes op het oppervlak van het toetsenbord achterlaten.

    Tablet-pc-pen en penhouder reinigen
    Bevochtig een zacht microvezel-doekje of een zeemlap met een van de eerder genoemde
    reinigingsmiddelen, of gebruik een aanvaardbaar bacteriedodend wegwerpdoekje.


    U reinigt vuil van de pen door de pen omhoog en omlaag bewegend te wrijven.



    Om de penhouder te reinigen maakt u met de pen een draaiende beweging rond de opening van
    de penhouder.

    VOORZICHTIG: Plaats geen vloeistoffen of steek geen enkel materiaal anders dan de tablet-pc-pen
    in de penhouder. De penhouder is niet afgeschermd van enkele interne elektronische onderdelen van
    de tablet-pc.

    Reinigingsprocedures 131



  • Page 144

    Index
    A
    aan/uit-knop, herkennen 4
    Aan/uit-lampje, herkennen 3
    Aansluiten, externe
    netvoedingsbron 59
    Aanwijsapparaten
    voorkeuren instellen 28
    accu
    lage acculading 63
    opbergen 66
    vervangen 67
    verwijderen 61
    voeding besparen 66
    Accu
    afvoeren 67
    kalibreren 64
    opladen 62, 64
    opnieuw opladen 66
    plaatsen 61
    Accu, herkennen 12
    Accu, temperatuur 66
    accucontrole 67
    accu laden, maximaliseren 63
    Acculampje 62, 63
    Acculampje, herkennen 8
    Accuruimte 9, 13
    accuvergrendelingen,
    herkennen 9, 61
    Accuvoeding 60
    afsluiten 68
    Afsluiten 68
    Altiris Deployment Solutions 126
    AMT Options (AMT-opties)
    Configuratie van AMT ongedaan
    maken bij volgende keer
    opstarten 120
    Initiate Intel CIRA 120
    Ondersteuning van firmwarevoortgangsgebeurtenis 120
    Ondersteuning van USBsleutelvoorziening 120
    Prompt voor AMT Setup (CtrlP) 120

    132 Index

    Terminalemulatiemodus 120
    Wijdlopigheid firmware 120
    antennes 11
    Antennes voor draadloze
    communicatie 11
    Anti Theft (Diefstalpreventie) 116
    Apparaatbeveiliging 99
    Apparaatconfiguraties 117
    Apparaatstuurprogramma's
    opnieuw installeren 53
    apparaatstuurprogramma’s
    HP-stuurprogramma´s 53
    Microsoft,
    stuurprogramma's 54
    apparaten voor draadloze
    communicatie, typen 14
    Applicatietoets, Windows 5, 6
    audio, configureren 42
    Audioapparatuur, aansluiten van
    externe 39
    Audiofuncties, controleren 40
    audio-ingang (microfooningang),
    herkennen 11, 36
    Audio-ingang (microfooningang),
    herkennen 7
    audio-uitgang
    (hoofdtelefoonuitgang),
    herkennen 11, 36
    Audio-uitgang
    (hoofdtelefoonuitgang),
    herkennen 7
    Auteursrecht 47
    Automatisch afspelen 46
    Automatische DriveLock,
    wachtwoord
    invoeren 98
    verwijderen 98
    B
    Back-up maken en
    terugzetten 109, 110
    Backup maken van
    bestanden 109

    bd
    afspelen 45, 51
    verwijderen 48, 49
    Bedrijfsnetwerk, verbinding 18
    Beeldscherm
    beeld, schakelen 31
    helderheid instellen,
    hotkeys 31
    reinigen 130
    Beeldscherm, schakelen 31
    Beheerderswachtwoord 93
    Beschrijfbare media 56
    Besparen, voeding 66
    besturingssysteem 68
    Besturingssysteem
    label met certificaat van echtheid
    van Microsoft 13
    productcode 13
    Beveiliging, draadloze
    communicatie 17
    beveiligingskabel,
    bevestigingspunt, herkennen 8
    Beveiligingsniveau instellen 120
    BIOSbeheerderswachtwoord 116
    BIOS-update
    downloaden 106
    installeren 106
    Bluetooth
    apparaat 14
    label 13
    Bluetooth-apparaat 19
    C
    caps lock, herkennen 2
    cd
    afspelen 45, 51
    kopiëren 47
    verwijderen 48, 49
    Cd
    beveiligen 38
    schrijven naar 38
    cd-station 71, 77
    Certificaat van Echtheid, label

    13



  • Page 145

    Coderen 18
    Compartiment
    geheugenmodule 10
    computerinformatie 104
    Computerinstellingen
    instellen MultiBoot
    Express 124
    opstartapparaten
    inschakelen 122
    opstartvolgorde instellen 124
    computer reageert niet 68
    Computer Setup
    BIOSbeheerderswachtwoord 94
    menu File (Bestand) 115
    menu Security
    (Beveiliging) 116
    navigeren en selecteren 113
    System Configuration
    (Geavanceerd), menu 117
    Computer Setup
    (Computerinstellingen)
    apparaatbeveiliging 99
    DriveLock-wachtwoord 95
    herstellen,
    fabrieksinstellingen 114
    Configureren, ExpressCards 80
    connector, netvoeding 8
    Controleren, audiofuncties 40
    D
    digitale kaart
    stopzetten 80
    verwijderen 80
    Digitale kaart
    plaatsen 79
    Diskettedrive 77
    diskettestation 71
    Disk Sanitizer 116
    Distributie, software 126
    draadloos netwerk (WLAN)
    omschreven 14
    Draadloos netwerk (WLAN)
    aansluiten 18
    bedrijfsnetwerk, verbinding 18
    benodigde apparatuur 17
    beveiliging 17
    effectief bereik 19

    gebruiken 16
    openbaar draadloos netwerk,
    verbinding 18
    Draadloosnetwerkmodule,
    compartiment herkennen 10
    Draadloze communicatie,
    bedieningselementen
    besturingssysteem 15
    Connection Managersoftware 15
    toets 15
    Wireless Assistantsoftware 15
    draadloze communicatie, label met
    keurmerk 13
    Draadloze communicatie, lampje,
    herkennen 3
    draadloze communicatie,
    pictogram 14
    Draadloze communicatie,
    toets 15
    DriveLock, automatisch 116
    DriveLock-wachtwoord
    beschrijving 95
    instellen 96
    invoeren 96
    verwijderen 97
    wijzigen 97
    dvd
    afspelen 45, 51
    kopiëren 47
    regio-instelling wijzigen 46
    verwijderen 48, 49
    Dvd
    beveiligen 38
    schrijven naar 38
    Dvd, regio-instelling 46
    dvd met besturingssysteem
    Windows 7 112
    dvd-station 71, 77
    E
    Esc-toets, herkennen
    ExpressCard
    beschermplaatje
    verwijderen 80
    configureren 80
    plaatsen 80
    stopzetten 81
    verwijderen 81

    5, 6

    ExpressCard-slot, herkennen 8
    Externe audioapparatuur,
    aansluiten 39
    Externemonitorpoort 40
    externe-monitorpoort,
    herkennen 8
    externe schijfeenheid 71, 77
    F
    f11-herstel 111
    File (Bestand), menu 115
    Firewall 18
    Fn-toets 28
    Fn-toets, herkennen 5, 6
    functietoetsen, herkennen 5, 6,
    28
    G
    Gebruiken, webcam 54
    Gebruikerswachtwoord 93
    geheugen, geheugenmodules
    terugplaatsen 83, 88
    geheugenmodule
    plaatsen 89
    toevoegen 83
    upgraden, primaire 88
    vervangen 83, 88
    verwijderen 84, 89
    Geheugenmodulecompartiment,
    herkennen 10
    Geïntegreerd apparaat
    draadloze communicatie,
    knop 119
    modem 119
    via LAN uit slaapstand
    halen 119
    vingerafdruklezer 119
    geïntegreerd toetsenblok, toetsen,
    herkennen 5, 6
    geluidsvolume
    geluid uit, sneltoets 37
    sneltoetsen 37
    Geluidsvolume, aanpassen 37
    geluid uit, sneltoets 37
    H
    Hardware, herkennen 1
    HDMI-poort 31, 41
    Helderheid instellen, hotkeys 31
    Help en ondersteuning,
    hotkey 31

    Index 133



  • Page 146

    herstellen
    Fabrieksinstellingen 115
    Security Defaults
    (beveiligingsstandaarden
    ) 120
    vaste schijf 111
    herstelpartitie 111
    herstel van vaste schijf 111
    hibernationstand
    geactiveerd bij kritiek lage
    acculading 63
    Hibernationstand
    activeren 57
    beëindigen 57
    hoofdtelefoon 11, 36
    hoofdtelefoonuitgang (audiouitgang) 11, 36
    Hoofdtelefoonuitgang (audiouitgang) 7
    Hotkeys
    gebruiken 30
    geluid in- en uitschakelen 32
    helderheid van beeldscherm
    verhogen 31
    helderheid van beeldscherm
    verlagen 31
    Help en ondersteuning
    openen 31
    schakelen tussen
    beeldschermen 31
    HP Client Configuration
    Manager 127, 128
    HP Client Manager voor
    Altiris 127
    HP QuickLook 118
    HP System Software
    Manager 127, 128
    Hubs 76
    I
    Image, computer 126
    in-/uitgangen
    audio-ingang
    (microfooningang) 36
    audio-uitgang
    (hoofdtelefoon) 36
    RJ-11 (modem) 7
    RJ-45 (netwerk) 8

    134 Index

    In-/uitgangen
    audio-ingang (microfoon) 7
    audio-uitgang
    (hoofdtelefoon) 7
    Ingebouwd apparaat
    Audioapparaat 119
    Bluetooth-apparaat 119
    geïntegreerde camera 119
    Interne luidsprekers 119
    microfoon 119
    network interface controller
    (LAN) 119
    omgevingslichtsensor 119
    schakelen tussen LAN/
    WLAN 119
    Voedingsbewaking 119
    WLAN-apparaat 119
    WWAN-apparaat 119
    Inschrijving bij HP SpareKey 116
    Installatie, computer 1
    Installatie van draadloos
    netwerk 17
    Instellingen Computer Setup
    herstellen,
    fabrieksinstellingen 114
    menu File (Bestand) 115
    menu Security
    (Beveiliging) 116
    navigeren en selecteren 113
    System Configuration
    (Geavanceerd), menu 117
    Intel HT-technologie 118
    Interferentie, minimaliseren 22
    interne beeldschermschakelaar,
    herkennen 4
    Internetverbinding, instellen 17
    K
    kabel
    LAN 27
    modem 23
    Kabels
    USB 76
    Kalibreren, accu 64
    kennisgevingen
    labels met keurmerken voor
    draadloze communicatie 13

    Kennisgevingen
    label met goedkeuringen voor
    modem 13
    label met kennisgevingen 13
    klep, onderste
    vervangen 86, 90
    verwijderen 84
    knoppen
    touchpad 1
    voeding 4
    Kritiek lage acculading 63
    L
    Label met goedkeuringen voor
    modem 13
    labels
    Bluetooth 13
    keurmerk voor draadloze
    communicatie 13
    Servicelabel 12
    WLAN 13
    Labels
    certificaat van echtheid van
    Microsoft 13
    goedkeuringen voor
    modem 13
    kennisgevingen 13
    Lage acculading 63
    lampjes
    accu 8
    Caps Lock 2
    draadloze communicatie 3
    voeding 3
    lampje voor draadloze
    communicatie 15
    LAN, aansluiten 27
    Leesbare media 56
    Logische
    stationsaanduidingen 123
    lokaal netwerk (LAN)
    kabel aansluiten 27
    kabel vereist 27
    luchthavenbeveiliging 70
    Luidspreker, herkennen 3, 11,
    36
    M
    Maken, backup 109
    McAfee Total Protection 101



  • Page 147

    mediabedieningselementen,
    sneltoetsen 33
    microfoon, herkennen 11, 36
    Microfooningang (audioingang) 7
    Microsoft certificaat van echtheid,
    label 13
    Minimaliseren, interferentie 22
    modemkabel
    aansluiten 23
    ruisonderdrukkingscircuit 23
    specifieke landen,
    kabeladapter 23
    modemsoftware
    Locatie instellen/
    toevoegen 24
    problemen met
    reisverbinding 26
    Monitor, aansluiten 40
    monitorpoort, extern 8
    Muis, extern
    aansluiten 28
    voorkeuren instellen 28
    MultiBoot Express 121, 124
    Multicore-processor 118
    Multimediacomponenten,
    herkennen 35
    multimediasoftware
    gebruiken 38
    N
    Netsnoer 12
    Netsnoer, herkennen 12
    netvoedingsadapter
    aansluiten 59
    Netvoedingsadapter,
    herkennen 12
    netvoedingsconnector,
    herkennen 8
    netwerk, pictogram 21
    Netwerkbeveiligingscodes
    netwerksleutel 21
    SSID 21
    Netwerkkaart als
    opstartapparaat 122
    netwerkkabel
    aansluiten 27
    ruisonderdrukkingscircuit 27
    Netwerksleutel 21
    netwerkstatus, pictogram 14

    Network Service Boot (Opstarten
    via netwerkservice) 123
    numeriek toetsenblok 5, 6
    num lock, extern toetsenblok 34
    O
    Onderdelen
    aanvullende hardware 12
    Antennes voor draadloze
    communicatie 11
    bovenkant 1
    linkerkant 8
    multimedia 10
    onderkant 9
    rechterkant 7
    voorkant 6
    Onderhoud
    schijfdefragmentatie 70
    schijfopruiming 71
    ontgrendelen, accu 9, 61
    oortelefoon 11, 36
    Opbergen, accu 66
    Openbaar draadloos netwerk,
    verbinding 18
    Opladen, accu 62, 64
    Opstartapparaat, netwerkkaart
    (NIC) 121
    Opstartapparaten,
    inschakelen 122
    Opstartopties 117
    opstartvolgorde 117
    Opstartvolgorde wijzigen 124
    Opties voor geïntegreerde
    apparaten 119
    optische schijf
    verwijderen 48
    Optische schijf
    gebruiken 43
    schrijven naar 38
    Optischeschijfeenheid
    beveiligen 38
    optische-schijfeenheid
    afspelen 51
    optische-schijfeenheid,
    herkennen 7
    P
    Parallelle poort, modus 118
    pictogram Connection
    Manager 14

    pictogrammen
    Connection Manager 14
    draadloze communicatie 14
    netwerk 21
    netwerkstatus 14
    poorten
    externe monitor 8
    HDMI 8, 41
    USB 7, 8
    Poorten
    externe monitor 40
    USB 76
    Poortopties
    1394-poort 120
    eSATA-poort 120
    ExpressCard-slot 120
    flash-medialezer 120
    Parallelle poort 120
    Seriële poort 120
    USB-poort 120
    problemen met draadloos netwerk
    oplossen 20
    problemen oplossen
    Automatisch afspelen 52
    extern beeldscherm 52
    film afspelen 52
    HPapparaatstuurprogramma’
    s 53
    Microsoft,
    apparaatstuurprogramma’
    s 54
    modem 26
    optische schijf, lade 49
    optische-schijfeenheid,
    detectie 50
    problemen met draadloos
    netwerk 20
    Problemen oplossen
    apparaatstuurprogramma's 53
    schijf branden 53
    schijf wordt niet
    afgespeeld 51
    Productcode 13
    Productnaam en productnummer,
    computer 12
    programma's
    multimedia gebruiken 38
    Projector, aansluiten 40
    PXE-server 123

    Index 135



  • Page 148

    Q
    QuickLock, hotkey 32
    R
    Regiocode, dvd 46
    reinigen
    Beeldscherm 130
    Penhouder 131
    tablet-pc-pen 131
    toetsenbord 131
    touchpad 131
    reinigingsprocedures 130
    reinigingsproducten 130
    reinigingsrichtlijnen 130
    reizen met computer 13, 66
    Reizen met de computer
    label met goedkeuringen voor
    modem 13
    RJ-11-modemconnector,
    herkennen 7
    RJ-45-netwerkconnector,
    herkennen 8
    Ruimten
    accu 9
    vaste schijf 10
    Ruimtes
    accu 13
    ruisonderdrukkingscircuit
    modemkabel 23
    netwerkkabel 27
    S
    Samengestelde video 31
    SATA (Serial Advanced
    Technology Attachment)
    apparaten 118
    SATA-apparaten (Serial Advanced
    Technology Attachment)
    AHCI (Advanced Host Controller
    Interface) 118
    IDE (Integrated Drive
    Electronics) 118
    Schijfdefragmentatie, software 70
    schijfeenheden
    diskette 71
    dvd±r SuperMulti DL
    LightScribe-station 43
    dvd-rom 43
    externe 71, 77
    opstartvolgorde 121

    136 Index

    optische 71, 77
    vaste 71, 77
    Schijfeenheden
    diskette 77
    onderhoud 69
    opstartvolgorde 117
    vaste 72, 74
    Zie ook Vaste schijf,
    Optischeschijfeenheid
    Schijfmedia 56
    Schijfopruiming, software 71
    Schuifzone, van touchpad 1
    SD-kaartlezer, herkennen 7
    Security (Beveiliging), menu
    Always Prompt for HP SpareKey
    Enrollment (Altijd vragen om
    inschrijving bij
    HP SpareKey) 116
    Automatic DriveLock
    (Automatische
    DriveLock) 116
    DriveLock 116
    HP SpareKey 116
    HP SpareKey,
    inschrijving 116
    instellen, BIOSbeheerderswachtwoord 116
    Systeem-id’s 116
    vingerafdruklezerherstel 116
    wachtwoordbeleid 116
    wachtwoord wijzigen 116
    Serienummer, van computer 12
    Servicelabel 12
    Slaapstand
    activeren 56
    beëindigen 56
    Slaapstand, hotkey 32
    slots
    beveiligingskabel 8
    ExpressCard 8
    geheugen 83
    geheugenmodule 10
    WLAN 10
    Snelladen secundaire accu 118
    sneltoetsen
    bedieningselementen voor
    audio-cd of dvd 33
    beschrijving 28
    geluidsvolume verhogen 33
    geluidsvolume verlagen 33

    geluid uit 37
    QuickLock activeren 32
    slaapstand activeren 32
    Sneltoetsen
    systeeminformatie
    weergeven 30
    Sneltoetsen op toetsenbord,
    herkennen 28
    SoftPaqs, downloaden 107
    software
    gebruiken 38
    Software
    applicaties en
    stuurprogramma's
    bijwerken 107
    BIOS-update 106
    distributie 126
    herstel 126
    schijfdefragmentatie 70
    schijfopruiming 71
    updates 127
    Wireless Assistant 16
    specifieke landen,
    modemkabeladapter 23
    Systeem
    datum en tijd 115
    Diagnostics (Diagnostische
    gegevens) 115
    ID’s 116
    informatie 115
    ventilator 118
    systeeminformatie
    sneltoets 30
    System Configuration
    (Geavanceerd), menu 117
    T
    Taal, wijzigen in Computer
    Setup 117
    Temperatuur 66
    Tips, webcam 55
    toetsen
    draadloze communicatie 5, 6
    esc 6
    fn 6
    functie 5, 6
    toetsenblok, geïntegreerd 5,
    6
    Windows-applicaties 6
    Windows-logo 6



  • Page 149

    Toetsen
    esc 5
    fn 5
    Windows-applicaties 5
    Windows-logo 5
    toetsenblok, extern
    gebruiken 34
    Toetsenblok, extern
    num Lock 34
    toetsenblok, geïntegreerd
    gebruiken 33
    in- en uitschakelen 33
    schakelen tussen functies van
    toetsen 34
    Toetsenbord reinigen 131
    toets voor draadloze communicatie,
    herkennen 5, 6
    touchpad
    reinigen 131
    Touchpad
    gebruiken 28
    Touchpad, herkennen 1
    Touchpad-knop, herkennen 1
    Touchpadschuifzone,
    herkennen 1
    TXT (Trusted Execution
    Technology) 118
    U
    UEFI-modus (Unified Extensible
    Firmware Interface) 117
    uitschakelen, computer 68
    Uitvoeren ingeschakeld 118
    Updates, software 127
    USB, ondersteuning voor oudere
    systemen 77, 113, 117
    USB-apparaten
    verwijderen 76
    USB-apparatuur
    aansluiten 76
    beschrijving 76
    USB-hubs 76
    USB-kabel, aansluiten 76
    USB-poorten, herkennen 7, 8,
    76
    V
    vaste schijf
    externe 71, 77

    Vaste schijf
    installeren 74
    vervangen 72
    Vasteschijfeenheid
    vervangen 72
    Vasteschijfruimte, herkennen 10
    ventilatieopeningen,
    herkennen 8, 10
    Verbinding maken met een
    draadloos netwerk 18
    verbinding maken met een
    LAN 27
    vergrendelingen, accu 61
    Vergrendelingen, accu 9
    Video-overdrachtstypen 31
    Virtualization Technology
    (Virtualisatietechnologie) 118
    voeding
    aansluiten 59
    besparen 66
    voorzorgsmaatregelen, voor
    afspelen 51

    WLAN-label

    13

    W
    Wachtwoorden
    beheerder 93
    BIOS-beheerder 94
    DriveLock 95
    gebruiker 93
    webcam
    herkennen 36
    Webcam
    gebruiken 54
    tips 55
    Webcam, herkennen 11
    Webcameigenschappen,
    aanpassen 55
    Webcamlampje, herkennen 11
    websites
    HP System Software
    Manager 129
    Windows-applicatietoets,
    herkennen 6
    Windows-applicatietoets
    herkennen 5
    Windows-logotoets, herkennen 6
    Windows-logotoets herkennen 5
    Wireless Assistant software 16
    Wireless Assistant-software 15
    WLAN-apparaat 13, 14, 16

    Index 137



  • Page 150






Missbrauch melden von Frage und/oder Antwort

Libble nimmt den Missbrauch seiner Dienste sehr ernst. Wir setzen uns dafür ein, derartige Missbrauchsfälle gemäß den Gesetzen Ihres Heimatlandes zu behandeln. Wenn Sie eine Meldung übermitteln, überprüfen wir Ihre Informationen und ergreifen entsprechende Maßnahmen. Wir melden uns nur dann wieder bei Ihnen, wenn wir weitere Einzelheiten wissen müssen oder weitere Informationen für Sie haben.

Art des Missbrauchs:

Zum Beispiel antisemitische Inhalte, rassistische Inhalte oder Material, das zu einer Gewalttat führen könnte.

Beispielsweise eine Kreditkartennummer, persönliche Identifikationsnummer oder unveröffentlichte Privatadresse. Beachten Sie, dass E-Mail-Adressen und der vollständige Name nicht als private Informationen angesehen werden.

Forenregeln

Um zu sinnvolle Fragen zu kommen halten Sie sich bitte an folgende Spielregeln:

Neu registrieren

Registrieren auf E - Mails für HP 620 wenn:


Sie erhalten eine E-Mail, um sich für eine oder beide Optionen anzumelden.


Holen Sie sich Ihr Benutzerhandbuch per E-Mail

Geben Sie Ihre E-Mail-Adresse ein, um das Handbuch zu erhalten von HP 620 in der Sprache / Sprachen: Holländisch als Anhang in Ihrer E-Mail.

Das Handbuch ist 5,81 mb groß.

 

Sie erhalten das Handbuch in Ihrer E-Mail innerhalb von Minuten. Wenn Sie keine E-Mail erhalten haben, haben Sie wahrscheinlich die falsche E-Mail-Adresse eingegeben oder Ihre Mailbox ist zu voll. Darüber hinaus kann es sein, dass Ihr ISP eine maximale Größe für E-Mails empfangen kann.

Das Handbuch wird per E-Mail gesendet. Überprüfen Sie ihre E-Mail.

Wenn Sie innerhalb von 15 Minuten keine E-Mail mit dem Handbuch erhalten haben, kann es sein, dass Sie eine falsche E-Mail-Adresse eingegeben haben oder dass Ihr ISP eine maximale Größe eingestellt hat, um E-Mails zu erhalten, die kleiner als die Größe des Handbuchs sind.

Ihre Frage wurde zu diesem Forum hinzugefügt

Möchten Sie eine E-Mail erhalten, wenn neue Antworten und Fragen veröffentlicht werden? Geben Sie bitte Ihre Email-Adresse ein.



Info