Zoom out
Zoom in
Vorherige Seite
1/88
Nächste Seite
TS-570D
4 6
2
L
O
W
C
U
T
4 6
2
PF
ATT PRE-AMP
VOX PROC
SEND
CH1
MIC
CW
FSK
LSB
USB
FM
AM
AT TUNE
HF TRANSCEIVER TS-570D
PHONES
1
CH2
2
CH3
3
ANT
4
REC
5
FINE
6
NB
7
AGC/TONE
8
REV
9
CLR
F.LOCK
0
ENT
MIC
PWR
KEY
DELAY MENU
1MHz
SPLIT
M/V
DOWN
UP
MR
TF-SET
A=B
SCAN M>VFO M.IN
M.IN
FILTER
CW TUNE
B.C.
N.R.
A/B
CLEAR
RIT
XIT
RIT/XIT
IF SHIFT SQL
CH
0 10
8
A F R F
HIGH
DSP SLOPE
LOW
0 10
8
+
© B62-1547-00 (E)(MC)
09 08 07 06 05 04 03 02 01 00
KENWOOD CORPORATION
GEBRUIKSAANWIJZING
HF ZENDONTVANGER
1

Brauchen Sie Hilfe? Stellen Sie Ihre Frage.

Forenregeln

Inhalt der Seiten


  • Page 1

    GEBRUIKSAANWIJZING

    PF

    HF TRANSCEIVER TS-570D

    B.C.

    VOX

    PROC

    CW TUNE

    SEND

    AT TUNE

    FILTER

    MIC

    CH1

    CH2

    CH3

    1

    2

    3

    ANT

    REC

    FINE

    4

    5

    6

    NB AGC/TONE REV

    7

    8
    0

    PWR

    KEY

    9

    F.LOCK

    CLR

    MIC

    DELAY

    LSB
    USB

    AF

    RIT/XIT

    UP

    PHONES

    DSP SLOPE
    HIGH
    LOW

    N.R.

    PRE-AMP

    LOW CUT

    ATT

    DOWN

    4

    M.IN



    +

    MENU

    8

    0

    SPLIT

    TF-SET

    A/B

    RIT

    M/V

    A=B

    CLEAR

    XIT

    CH

    IF SHIFT
    4

    1MHz

    ENT

    TS-570D

    KENWOOD CORPORATION
    © B62-1547-00 (E)(MC)
    09 08 07 06 05 04 03 02 01 00

    10

    SQL
    6

    8

    2

    SCAN

    M>VFO

    M.IN
    0

    HF ZENDONTVANGER

    6

    2

    CW
    FSK

    FM
    AM

    RF

    MR

    10



  • Page 2

    BESCHREVEN MODEL
    Deze gebruiksaanwijzing is van toepassing op het volgende
    model:

    Bij dit produkt zijn batterijen geleverd. Wanneer deze
    leeg zijn, moet u ze niet weggooien maar inleveren
    als KCA

    TS-570D: HF Zendontvanger

    BIJGELEVERDE ACCESSOIRES
    Pak de zendontvanger voorzichtig uit. Controleer of de
    accessoires vermeld in de onderstaande lijst aanwezig zijn.
    Het verdient aanbeveling de doos en het
    verpakkingsmateriaal te bewaren voor het geval u de
    zendontvanger in de toekomst nogmaals moet vervoeren.

    Onderdeelnummer

    Aantal

    Microfoon

    T91-0352-XX

    1

    Gelijkstroom-voedingskabel

    E30-3157-XX

    1

    7-polige DIN stekker

    E07-0751-XX

    1

    13-polige DIN stekker

    E07-1351-XX

    1

    Zekering (25 A)

    F05-2531-XX

    1

    Zekering (4 A)

    F06-4027-XX

    1

    Gebruiksaanwijzing

    B62-1547-XX

    1

    Schematisch diagram/
    blokschema1
    (alleen voor de V.S. en
    Canada)



    1

    Garantiebewijs
    (alleen voor Europa, de V.S.
    en Canada)



    1

    Accessoire

    1

    Voor andere landen zijn de schematische diagrammen en
    blokschema’s los verkrijgbaar.

    Deze zendontvanger heeft een staaf aan de onderzijde om de
    zendontvanger in de gewenste stand te draaien. Trek de staaf
    helemaal naar voren, zoals afgebeeld:

    Breng deze zender/ontvanger terug naar uw KENWOOD
    dealer, zodat de lege lithium battery kan worden vervangen.
    Wanneer de zender/ontvanger niet langer nodig is, breng
    deze dan terug naar uw dealer zodat deze battery veilig kan
    opruimen.



  • Page 3

    HARTELIJK DANK
    Hartelijk dank voor uw keuze van de KENWOOD TS-570D.
    Dit “Intelligent communicatiesysteem met digitale
    signaalverwerkingsfuncties” werd ontwikkeld door ons
    technisch team in een streven naar perfectie, en kwaliteit, dat
    tot uiting komt bij alle vernieuwingen die KENWOOD
    realiseert op het gebied van HF zendontvangers.
    In deze zendontvanger is een 16-bit DSP digitale
    signaalprocessor ondergebracht voor het verwerken van de
    audiofrequenties. Volledig profijt trekkend van de DSP
    technologie, introduceert de zendontvanger geavanceerde
    interferentie-onderdrukkingsfuncties en een verbeterde
    audiokwaliteit van het signaal dat u uitzendt. U beschikt over
    een indrukwekkend technisch arsenaal in het komend
    gevecht met de QRM en QRN effecten van de nieuwe
    zonnevlekken-cyclus. Naarmate u vertrouwd raakt met het
    gebruik van de zendontvanger, zult u ontdekken dat bij
    KENWOOD een gebruikersvriendelijke bediening hoog in het
    vaandel staat. Telkens wanneer u bijvoorbeeld bij gebruik van
    de menufunctie het menu-nummer verandert, verschijnen in
    het display meerdere meldingen die u vertellen wat u aan het
    kiezen bent.
    Maar ondanks het grote bedieningsgemak is en blijft deze
    zendontvanger een technisch geavanceerd apparaat en het is
    mogelijk dat diverse functies wellicht nieuw voor u zijn.
    Beschouw deze gebruiksaanwijzing als een persoonlijke
    introductie van het toestel door de ontwerpers ervan; volg de
    tekst eerst stap voor stap in een leerproces en dan zult u deze
    gebruiksaanwijzing in de toekomst alleen nog nodig hebben
    om af en toe eens iets op te zoeken.

    TOELICHTING BIJ HET GEBRUIK VAN DEZE
    HANDLEIDING
    Om de aanwijzingen in deze handleiding zo eenvoudig
    mogelijk te houden en onnodige herhalingen te voorkomen, is
    gekozen voor de hieronder aangegeven beknopte schrijfstijl.
    Dit overzichtelijk formaat zal u als lezer tijd besparen bij het
    vertrouwd raken met de bediening van het toestel. Het
    voornaamste is dat u spoedig praktisch met het toestel leert
    omgaan, zodat u de handleiding niet meer voortdurend hoeft
    te raadplegen, en dit boek als naslagwerk achter de hand
    kunt houden.
    Belangrijke opmerkingen zijn als volgt in de tekst
    aangegeven:

    WAARSCHUWING! ➡ Ter voorkoming van lichamelijk
    letsel
    LET OP:

    ➡ Ter voorkoming van schade aan het
    toestel

    Opmerking:

    ➡ Belangrijke informatie of
    bedieningsaanwijzing

    Aanwijzing
    Druk op [TOETS].

    Druk op de TOETS en laat deze
    los.

    Druk op
    [TOETS1]+[TOETS2].

    Houd TOETS1 ingedrukt en druk
    daarbij tevens TOETS2 in. Waar
    het om meer dan twee toetsen
    gaat, houdt u alle genoemde
    toetsen ingedrukt totdat u ook de
    laatste toets hebt ingedrukt.

    Druk op
    [TOETS1], [TOETS2].

    Druk TOETS1 even kort in, laat
    TOETS1 los en druk vervolgens
    TOETS2 in.

    Druk op
    [TOETS]+[ ].

    Met de zendontvanger
    uitgeschakeld, houdt u de TOETS
    ingedrukt en dan schakelt u de
    zendontvanger in met een druk
    op de [ ] (STROOM) schakelaar.

    KENMERKEN
    De DSP technologie biedt u de volgende voorzieningen en
    eigenschappen:


    Topprestatie ontvangst-filters.



    Verbeterde Beat Cancel zwevingsonderdrukking en Noise
    Reducer ruisonderdrukking.



    Volledige bijregeling van het verzonden audiosignaal door
    voorzieningen zoals de TX Equalizer.



    Mogelijkheid tot automatische Zero-beating voor de CW
    mode.

    Voor een vriendelijke bediening beschikt de zendontvanger
    over:


    Een hulpfunctie, die bestaat uit meldingen die in het
    display verschijnen en vertellen wat u kiest bij gebruik van
    de menu’s.



    Een snel-toegangsgeheugen om de huidige instellingen
    van de zendontvanger op snelle en gemakkelijke wijze in
    een geheugenkanaal vast te leggen.



    Een groot, duidelijke afleesbaar LCD display.

    Ga als volgt te werk

    Opmerking: De basisaanwijzingen zijn genummerd in de vereiste
    volgorde om u stap-voor-stap bij de bediening te begeleiden.
    Aanvullende informatie die wel van belang is, maar niet essentieel
    voor het volbrengen van de bedieningsprocedure, wordt na alle
    stappen van de basisbediening puntsgewijs aangegeven.

    N-i



  • Page 4

    INHOUDSOPGAVE
    VOORZORGEN

    IV

    HOOFDSTUK 1
    INSTALLATIE
    1
    AANSLUITEN VAN DE ANTENNE ................................... 1
    AANSLUITEN VAN EEN AARDING .................................. 2
    INSTALLEREN VAN EEN BLIKSEMAFLEIDER ............... 2
    AANSLUITEN VAN DE
    GELIJKSTROOMVOORZIENING .................................... 2
    VERVANGEN VAN ZEKERINGEN .............................. 2
    AANSLUITEN VAN ACCESSOIRES ................................ 3
    VOORPANEEL ............................................................ 3
    HOOFDTELEFOON-AANSLUITING (PHONES) .... 3
    MICROFOON-AANSLUITING (MIC) ...................... 3
    ACHTERPANEEL ........................................................ 3
    EXTERNE LUIDSPREKER-UITGANG (EXT SP) ... 3
    AANSLUITINGEN VOOR EEN SEINSLEUTEL EN
    TOETSENBORD VOOR DE CW BEDIENING
    (PADDLE EN KEY) ................................................ 3
    HOOFDSTUK 2
    UW EERSTE QSO
    4
    ONTVANGST ................................................................... 4
    ZENDEN .......................................................................... 5
    HOOFDSTUK 3
    EERSTE VERKENNING
    6
    VOORPANEEL ................................................................. 6
    MICROFOON ................................................................... 9
    ACHTERPANEEL ........................................................... 10
    DISPLAY ......................................................................... 11
    HOOFDSTUK 4
    BASISBEDIENING
    13
    IN/UITSCHAKELEN VAN DE SPANNING ...................... 13
    INSTELLEN VAN DE GELUIDSSTERKTE ..................... 13
    AUDIO-FREQUENTIE (AF) VERSTERKING ............. 13
    RADIO-FREQUENTIE (RF) VERSTERKING ............. 13
    KIEZEN VAN VFO A OF VFO B ..................................... 13
    KIEZEN VAN EEN BAND ................................................ 13
    KIEZEN VAN DE MODE .................................................. 14
    INSTELLEN VAN DE SQUELCH .................................... 14
    KIEZEN VAN EEN FREQUENTIE .................................. 14
    VOORPANEEL METER .................................................. 14
    ZENDEN ......................................................................... 15
    KIEZEN VAN HET ZENDVERMOGEN ...................... 15
    MICROFOON-GEVOELIGHEID/ VERSTERKING ..... 15
    HOOFDSTUK 5
    MENU-INSTELLINGEN
    16
    WAARVOOR DIENEN DE MENU’S? ............................. 16
    MENU A/ MENU B ........................................................... 16
    TOEGANG TOT DE MENU’S .......................................... 16
    MENU-CONFIGURATIE .................................................. 17
    MENUFUNCTIES GERANGSCHIKT PER
    ONDERWERP ................................................................ 19
    HOOFDSTUK 6
    VERBINDINGEN MAKEN
    20
    ZENDEN OP SSB ........................................................... 20
    ZENDEN OP CW ............................................................ 21
    AUTOMATISCHE ZERO-BEATING ........................... 21
    TX MEELUISTER-ZIJTOON/ RX TOONHOOGTEFREQUENTIE ............................................................ 21
    ZENDEN OP FM ............................................................. 22
    KIEZEN VAN DE FM ZEND-AFWIJKING ................... 22
    ZENDEN OP AM ............................................................. 22

    N-ii

    HOOFDSTUK 7
    SPECIALE COMMUNICATIEFUNCTIES
    23
    DUPLEX-BEDIENING
    (GESCHEIDEN FREQUENTIES) ................................... 23
    TF-SET (ZENDFREQUENTIE INSTELLEN) .............. 23
    FM ZENDEN MET REPETEERZENDERS
    (REPEATERS) ................................................................ 24
    KIEZEN VAN DE SUBTOON-FREQUENTIE ............. 25
    CONTINUE OF BURST SUBTOON? ......................... 25
    GEBRUIK VAN HET FM CTCSS SYSTEEM .................. 25
    DIGITALE FUNCTIES ..................................................... 26
    RTTY (SEINEN MET
    FREQUENTIEVERSCHUIVING) ............................... 26
    AMTOR/ PACKET/ PACTOR/ G-TOR™/ CLOVER .... 27
    “SLOW SCAN TV”/ FACSIMILE ..................................... 28
    SATELLIET-AFSTEMMING ............................................. 28
    HOOFDSTUK 8
    NUTTIGE VOORZIENINGEN
    29
    ONTVANGST .................................................................. 29
    KIEZEN VAN DE GEWENSTE FREQUENTIE ........... 29
    DIRECTE FREQUENTIEKEUZE .......................... 29
    GEBRUIK VAN HET 1 MHz INTERVAL ................ 29
    SNEL DOORLOPEN VAN FREQUENTIES .......... 29
    FIJNAFSTEMMING ............................................... 29
    GELIJKSCHAKELEN VAN DE VFO
    FREQUENTIES (A=B) .......................................... 30
    RIT (RECEIVE INCREMENTAL TUNING) ................. 30
    AGC (AUTOMATISCHE GEVOELIGHEIDTIJDINSTELLING) ...................................................... 30
    RX ONTVANGST-EQUALIZER .................................. 30
    ZENDEN ......................................................................... 31
    VOX (STEMGESCHAKELD ZENDEN) ...................... 31
    MICROFOON-INGANGSNIVEAU ........................ 31
    WACHTTIJD VOOR HET TERUGSCHAKELEN ... 31
    SPRAAKPROCESSOR .............................................. 32
    XIT (TRANSMIT INCREMENTAL TUNING) ............... 32
    AANPASSEN VAN UW ZENDSIGNAAL .................... 33
    AANPASSEN VAN DE ZENDBANDBREEDTE
    (SSB/AM) .............................................................. 33
    EQUALIZER VOOR HET VERZONDEN
    AUDIOSIGNAAL (SSB/FM/AM) ........................... 33
    MONITORFUNCTIE VOOR VERZONDEN SIGNAAL .... 33
    ZENDBLOKKERING ................................................... 33
    VERANDEREN VAN DE FREQUENTIE
    TIJDENS HET ZENDEN ............................................. 33
    CW BREAK-IN ................................................................ 34
    GEBRUIK VAN SEMI BREAK-IN OF FULL BREAK-IN ... 34
    ELEKTRONISCHE SLEUTEL ......................................... 34
    VERANDEREN VAN DE SEINSNELHEID ................. 34
    AUTOMATISCHE GEWICHTSAFSTELLING ............. 34
    OMGEKEERDE GEWICHTSAFSTELLING .......... 34
    WIJZIGEN VAN DE VERGRENDELDE
    GEWICHTSAFSTELLING ........................................... 35
    “BUG-KEY” FUNCTIE ................................................. 35
    CW BERICHTENGEHEUGEN ................................... 35
    VASTLEGGEN VAN EEN CW BERICHT ............. 35
    CONTROLEREN VAN EEN CW BERICHT
    ZONDER DIT TE VERZENDEN ........................... 35
    VERZENDEN VAN EEN CW BERICHT ............... 35
    HOOFDSTUK 9
    ONDERDRUKKEN VAN INTERFERENTIE
    36
    IF FILTER ........................................................................ 36
    VERANDEREN VAN DE IF FILTER-BANDBREEDTE .... 36
    “IF SHIFT” MIDDENFREQUENTIE-VERSCHUIVING.... 36



  • Page 5

    NOISE BLANKER STOORPULS-ONDERDRUKKING ... 36
    ATT VERZWAKKINGSREGELING ................................. 37
    VOORVERSTERKER ..................................................... 37
    DSP BEDIENINGSFUNCTIES ....................................... 37
    AANPASSEN VAN DE ONTVANGSTBANDBREEDTE ......................................................... 37
    SSB/ FM/ AM MODE ............................................. 37
    CW/ FSK MODE ................................................... 38
    BEAT CANCEL ZWEVINGSONDERDRUKKING ....... 38
    N.R. RUISONDERDRUKKING .................................. 38
    WIJZIGEN VAN HET NR1 NIVEAU ...................... 38
    INSTELLEN VAN DE TIJDCONSTANTE VOOR
    RUISONDERDRUKKING 2 .................................. 38
    HOOFDSTUK 10 GEHEUGENFUNCTIES
    39
    VOEDING VAN HET MICROPROCESSOR-GEHEUGEN ... 39
    CONVENTIONEEL GEHEUGEN ................................... 39
    VASTLEGGEN VAN GEGEVENS IN DE
    GEHEUGENKANALEN .............................................. 39
    SIMPLEX KANALEN ............................................. 39
    DUPLEX KANALEN, VOOR GESCHEIDEN
    FREQUENTIES .................................................... 40
    OPROEPEN VAN GEGEVENS UIT EEN
    GEHEUGENKANAAL, DOORLOPEN VAN HET
    GEHEUGEN ............................................................... 40
    GEHEUGEN-OPROEPFUNCTIE ......................... 40
    GEHEUGEN-DOORLOOPFUNCTIE ................... 41
    TIJDELIJK VERANDEREN VAN DE
    FREQUENTIE ....................................................... 41
    GEHEUGEN-VFO DUPLEX GEBRUIK ................ 41
    GEHEUGENGEGEVENS-OVERDRACHT ................ 42
    GEHEUGEN ➡ VFO GEGEVENSOVERDRACHT .. 42
    KANAAL ➡ KANAAL GEGEVENSOVERDRACHT ... 42
    VASTLEGGEN VAN FREQUENTIEBEREIKEN ......... 43
    CONTROLEREN VAN DE BEGIN/
    EINDFREQUENTIES ............................................ 43
    PROGRAMMEERBARE VFO .............................. 43
    WISSEN VAN GEHEUGENKANALEN ....................... 43
    VOLLEDIG TERUGSTELLEN VAN ALLE
    GEHEUGENKANALEN (RESET) ......................... 43
    OVERSLAAN VAN GEHEUGENKANALEN
    (LOCKOUT) .......................................................... 44
    SNEL TOEGANKELIJK GEHEUGEN ............................. 44
    VASTLEGGEN VAN GEGEVENS IN HET
    SNELLE-TOEGANGSGEHEUGEN ........................... 44
    OPROEPEN VAN GEGEVENS UIT HET
    SNELLE-TOEGANGSGEHEUGEN ........................... 45
    TIJDELIJK VERANDEREN VAN DE FREQUENTIE ... 45
    SNELGEHEUGEN ➡ VFO
    GEGEVENSOVERDRACHT ...................................... 45
    HOOFDSTUK 11 SCAN DOORLOOPFUNCTIES
    46
    PROGRAMMA-SCAN ..................................................... 46
    SCAN-ONDERBREKING ............................................ 46
    GEHEUGEN-SCAN ........................................................ 47
    ALLE-KANALEN SCANFUNCTIE .............................. 47
    GROEPSSCAN .......................................................... 47
    HOOFDSTUK 12 HANDIGE EXTRA FUNCTIES
    48
    TERUGSTELLEN VAN DE MICROPROCESSOR
    (RESET) .......................................................................... 48
    OORSPRONKELIJKE INSTELLINGEN ..................... 48
    DEELS TERUGSTELLEN ........................................... 48
    VOLLEDIG TERUGSTELLEN .................................... 48

    OVERSCHAKELEN TUSSEN ANT 1 EN ANT 2 ............. 48
    F.LOCK TOETSBLOKKEERFUNCTIE ........................... 48
    PIEPTOONFUNCTIE ...................................................... 49
    DIMMEN VAN DE DISPLAY-VERLICHTING .................. 49
    PROGRAMMEERBARE FUNCTIETOETSEN ................ 49
    SNELLE GEGEVENSOVERDRACHT ............................ 50
    OPSTELLEN .............................................................. 50
    VEREISTE APPARATUUR ................................... 50
    AANSLUITINGEN ................................................. 50
    GEBRUIK VAN DE SNELLE
    GEGEVENSOVERDRACHT ...................................... 50
    OVERBRENGEN VAN GEGEVENS .................... 50
    ONTVANGST VAN GEGEVENS .......................... 50
    COMPUTER-BESTURING .............................................. 51
    OPSTELLEN .............................................................. 51
    VEREISTE APPARATUUR ................................... 51
    AANSLUITINGEN ................................................. 51
    COMMUNICATIE-PARAMETERS .............................. 51
    GEBRUIK VAN EEN TRANSVERTER ............................ 51
    AUTOMATISCHE ANTENNETUNER ............................. 52
    VOORINSTELLEN VAN BANDEN ............................. 52
    DRU-3A DIGITAAL OPNAMESYSTEEM
    (LOS VERKRIJGBAAR) .................................................. 53
    OPNEMEN VAN BERICHTEN ................................... 53
    WEERGAVE VAN EEN BERICHT ............................. 53
    CONTROLEREN VAN BERICHTEN .................... 53
    VERZENDEN VAN BERICHTEN ......................... 54
    VERANDEREN VAN DE PAUZE TUSSEN DE
    BERICHTEN ......................................................... 54
    VERANDEREN VAN DE GELUIDSSTERKTE ..... 54
    VS-3 STEMSYNTHESIZER (LOS VERKRIJGBAAR) ..... 55
    HOOFDSTUK 13

    LOS VERKRIJGBARE ACCESSOIRES

    56

    HOOFDSTUK 14 INSTALLEREN VAN ACCESSOIRES
    57
    VERWIJDEREN VAN HET ONDERPANEEL .................. 57
    DRU-3A DIGITALE OPNAME-EENHEID ........................ 57
    VS-3 STEMSYNTHESIZER-EENHEID ........................... 58
    YK-88C-1/ YK-88CN-1/ YK-88SN-1 FILTERS ................. 58
    SO-2 TEMPERATUUR-GECOMPENSEERDE
    KRISTAL-OSCILLATOR (TCXO) .................................... 59
    HOOFDSTUK 15 AANSLUITEN VAN RANDAPPARATUUR
    60
    COMPUTER ................................................................... 60
    COMPATIBELE ZENDONTVANGER ............................. 60
    RTTY APPARATUUR ...................................................... 61
    LINEAIRE VERSTERKER ............................................... 61
    ANTENNETUNER ........................................................... 61
    MCP EN TNC .................................................................. 62
    HOOFDSTUK 16 ONDERHOUD
    63
    ALGEMENE INFORMATIE .............................................. 63
    ONDERHOUD ............................................................ 63
    BIJ TECHNISCHE VRAGEN ..................................... 63
    REINIGING ................................................................. 63
    INTERNE BIJSTELLINGEN ............................................ 64
    IJKEN VAN DE REFERENTIE-FREQUENTIE ........... 64
    VERVANGEN VAN DE INTERNE ZEKERING ........... 64
    OPLOSSEN VAN PROBLEMEN .................................... 65
    SPECIFICATIES

    68

    AANHANGSEL

    70

    N-iii



  • Page 6

    VOORZORGEN
    U wordt verzocht alle veiligheidsvoorschriften en
    gebruiksaanwijzingen goed door te lezen alvorens u het
    toestel in gebruik neemt. U kunt zondermeer een optimale
    werking van het toestel verwachten als u de
    veiligheidswenken en aanwijzingen in de handleiding goed
    opvolgt. Bewaar de handleiding goed. U zult deze later vast
    nogmaals willen raadplegen.

    7

    1

    8

    Gebruik alleen een voorgeschreven voedingsbron

    Plaats het toestel zodanig dat een goede
    luchtdoorstroming mogelijk is. Plaats geen boeken of
    andere voorwerpen op het toestel die de ventilatie kunnen
    belemmeren. Houd een minimale afstand van 10 cm
    tussen de achterzijde van het toestel en de muur of de
    kast aan.

    Sluit dit toestel alleen aan op een voorgeschreven
    voedingsbron welke is aangegeven in de
    gebruiksaanwijzing of op het toestel zelf.
    2

    3

    Aarding en polarisatie
    Negeer de in deze handleiding gevolgde methode voor
    aarding en elektrische polarisatie niet. Dit geldt in het
    bijzonder voor het stroomsnoer.

    5

    Aard de buitenantenne goed
    De met dit toestel gebruikte buitenantenne’s dienen op
    afdoende wijze te worden geaard. Een goede aarding zal
    het systeem beschermen tegen spanningspieken zoals bij
    onweer. Juiste aarding zal tevens de kans tot statische
    ontladingen verminderen.
    Voorbeeld aarden van antenne
    Antenneaansluitdraad

    Vreemde geur of rook
    Schakel het toestel onmiddellijk uit als een vreemde geur
    of rook wordt waargenomen. Neem zo spoedig mogeljk
    contact op met een KENWOOD service-centrum of uw
    dealer.

    Houd het toestel uit de buurt van warmtebronnen als
    verwarmingselementen, versterkers of andere apparaten
    die veel warmte kunnen opwekken.
    11 Reiniging
    Gebruik geen vluchtige stoffen zoals alcohol, thinner of
    wasbenzine om de behuizing van het toestel te reinigen.
    Gebruik hiervoor een schone, zachte doek gedrenkt in
    een oplossing van water met een mild
    schoonmaakmiddel.
    12 Als het toestel lang niet wordt gebruikt
    Trek de stekker uit het stopcontact als u denkt het toestel
    voor langere tijd niet te zullen gebruiken.
    13 Onderhoud
    Verwijder de ombouw van dit toestel alleen als dit voor
    aansluiting van een accessoire of dergelijke in deze
    handleiding of in aanverwante documentatie wordt
    gevraagd. Volg de bijgeleverde aanwijzingen strikt op.
    Indien u niet vertrouwd bent met dit soort
    werkzaamheden, dan raden wij u aan de hulp van een
    meer ervaren persoon in te schakelen, of de
    werkzaamheden toe te vertrouwen aan een deskundig
    vakman.
    14 Beschadiging waarvoor service is vereist

    Aardeklem
    Antenneontlaadeenheid
    Aarden van
    geleiders
    Elektrisch
    onderhoudtoestel

    9

    10 Vermijd hoge temperaturen

    Voorkom elektrische schokken
    Pas op dat er geen voorwerpen of vloeistoffen via de
    ventilatieroosters in het toestel terecht komen. Als er
    metalen voorwerpen als haarspelden of naalden in het
    inwendige van het toestel terecht komen, kan elektrische
    sluiting worden veroorzaakt, hetgeen zal leiden tot een
    gevaarlijke elektrische schok. Pas op dat kinderen geen
    voorwerpen in het toestel steken.

    4

    Pas op voor water en vocht
    Gebruik het toestel niet in de buurt van water of andere
    vochtige plaatsen. Houd het toestel uit de buurt van een
    doucheruimte, het aanrecht of het zwembad, en stel het
    toestel niet op in een vochtige kelder of zolderkamer.

    Wees voorzichtig met de stroomsnoeren
    Breng de stroomsnoeren op een veilige manier aan. Zorg
    dat er niet op de snoeren gestaan wordt, en dat de
    snoeren niet door voorwerpen worden afgeklemd. Let hier
    in het bijzonder goed op in de buurt van het stopcontact,
    een verloopstekker of op het punt waar de snoeren op het
    toestel zijn aangesloten.

    Ventilatie

    Aardeklemmen
    Spanning aarden van
    elektrode systeem

    Raadpleeg een deskundig vakman in de volgende
    gevallen:
    a) Als de stroomvoorziening of het netsnoer is
    beschadigd.
    b) Als er voorwerpen of vloeistoffen in het toestel terecht
    zijn gekomen.
    c) Als het toestel door regen nat is geworden.

    6

    Afstand van antenne tot elektriciteitsleidingen
    De afstand van een buitenantenne tot een
    elektriciteitsleiding dient tenminste anderhalf maal de
    verticale hoogte van de antenne inclusief steunstructuur te
    zijn. Mocht de antenne bij een dergelijke afstand
    omvallen, dan kan met zekerheid worden aangenomen
    dat de elektriciteitsleiding niet wordt geraakt.

    N-iv

    d) Als het toestel abnormaal of zeer slecht werkt.
    e) Als het toestel is gevallen of als de ombouw is
    beschadigd.



  • Page 7

    INSTALLATIE

    1
    Installeren en aansluiten van een
    antennesysteem {zie blz. 1}.

    Installeren en aansluiten van een gelijkstroomvoedingssysteem {zie blz. 2}.

    Installeren van een aardingssysteem
    dat voldoet aan de vereisten van
    gelijkstroom- en RF-aarding {zie blz. 2}.

    Aansluiten van alle accessoires op de transceiver
    {zie blz. 3 en 60}. Op deze zendontvanger kunt u de
    volgende accessoires aansluiten:

    Inatalleren van een bliksemafleider ter
    beveiliging van het antennesysteem,
    uw persoon en uw bezittingen {zie blz. 2}.

    AANSLUITEN VAN DE ANTENNE
    Het gebruikte soort antennesysteem, bestaande uit de
    antenne, het aardvlak en de voedingslijn, heeft grote invloed
    op de kwaliteit van uw verbindingen. Gebruik een correct
    afgeregelde 50 Ω antenne van goede kwaliteit, opdat uw
    zendontvanger maximale prestaties zal kunnen leveren.
    Gebruik voor de 50 Ω coaxkabel en de coaxiale
    aansluitstekker slechts materialen van de beste kwaliteit. Zorg
    dat de aanpassing tussen de coaxkabel en de antenne
    zodanig is dat de staande-golf verhouding (SWR) beter is dan
    1,5:1. Alle verbindingen moeten degelijk en stevig
    aangesloten worden.
    Hoewel het beveiligingscircuit van de zendontvanger in
    werking treedt wanneer de SWR groter wordt dan 2,5:1, mag
    u dit niet beschouwen als een afdoende remedie voor een
    slecht werkend antennesysteem. Door een hoge SWR
    waarde zal het uitgangsvermogen van de zender afnemen.
    Het kan tevens storing veroorzaken in radio-toestellen en
    andere huiskamer-apparatuur zoals een TV-toestel en een
    stereo-installatie. Het kan zelfs leiden tot HF-storingen in de
    zendontvanger zelf. Rapporten dat uw signaal vervormd of
    onverstaanbaar klinkt, met name bij maximale modulatie,
    kunnen een aanwijzing vormen dat uw antennesysteem het
    vermogen van de zender niet efficiënt uitstraalt in de ruimte.
    Als u tijdens het moduleren een prikkelende tinteling voelt bij
    het aanraken van de transceiver of metalen delen van de
    microfoon, kunt u aannemen dat op z’n minst de coaxaansluiting aan de achterkant van de zendontvanger is
    losgeraakt.
    Sluit uw antenneleiding aan op ANT 1. Gebruikt u twee
    antennes, sluit de tweede antenne dan aan op ANT 2.
    LET OP:


    ALS U GAAT ZENDEN ZONDER EERST EEN ANTENNE OF
    ANDERE BELASTING AAN TE SLUITEN, KAN ER SCHADE
    AAN DE ZENDONTVANGER ONTSTAAN. ZORG VOOR HET
    ZENDEN ALTIJD DAT ER EEN ANTENNE NAAR BEHOREN
    OP DE ZENDONTVANGER IS AANGESLOTEN.
    ◆ SLUIT OOK ALTIJD EEN BLIKSEMAFLEIDER AAN, OM HET
    GEVAAR VOOR BRAND, EEN ELEKTRISCHE SCHOK OF
    SCHADE AAN DE ZENDONTVANGER TE VOORKOMEN.







    Microfoon
    Antennetuner
    CW seinsleutel
    Computer
    TNC/ Multimode
    communicatie-processor

    • Hoofdtelefoon
    • Externe luidspreker
    • RTTY radio-teletype
    apparatuur
    • Lineaire versterker

    SIGNAALVERLIES (IN DB, BIJ BENADERING) PER
    30 METER TRANSMISSIELIJN VAN 50 Ω MET JUISTE
    AANPASSING


    Gebruik de onderstaande tabel slechts als algemene
    richtlijn. De specificaties kunnen voor verschillende
    merken nogal uiteenlopen.

    Transmissielijn

    3,5 MHz

    RG-174, -174A

    2,3

    4,3

    6,4

    RG-58A, -58C

    0,75

    1,6

    2,6

    3D-2V

    0,80

    1,5

    2,3

    RG-58, -58B

    0,65

    1,5

    2,3

    RG-58 schuim

    0,70

    1,4

    2,1

    RG-8X

    0,50

    1,0

    2,0

    5D-2V

    0,45

    0,93

    1,4

    RG-8, -8A, -9, -9A, -9B,
    -213, -214, -215

    0,38

    0,80

    1,2

    5D-FB

    NV

    0,80

    1,0

    RG-8 schuim

    0,29

    0,60

    0,90

    8D-2V

    0,29

    0,60

    0,90

    10D-2V

    0,24

    0,50

    0,72

    9913

    0,24

    0,48

    0,70

    8D-FB

    NV

    0,48

    0,68

    10D-FB

    NV

    0,37

    0,54

    12D-FB

    NV

    0,33

    0,45

    RG-17, -17A

    0,13

    0,29

    0,48

    13 mm harde kabel

    0,12

    0,26

    0,40

    20D-2V

    < 0,10

    0,25

    0,39

    19 mm harde kabel

    < 0,10

    0,21

    0,32

    22 mm harde kabel

    < 0,10

    0,16

    0,26

    14 MHz

    30 MHz

    NV: Niet verkrijgbaar

    N-1



  • Page 8

    1 INSTALLATIE

    1

    AANSLUITEN VAN EEN AARDING
    Een goede aarding is een minimale vereiste om de gebruiker
    te beschermen tegen eventuele elektrische schokken, en om
    te voorkomen dat andere elektronische apparatuur in de
    nabije omgeving door de zendontvanger kan worden
    gestoord. Voor een echt optimaal communicatieresultaat (RF)
    verbindt u best uw antenne met een goede hoogfrequent
    aarding. Breng hiervoor een of meerdere aardstaven of
    koperplaten aan onder de grond en verbind dezemet de GND
    aansluiting van de transceiver. Gebruik voor de verbinding
    een zo kort mogelijk stevig stuk draad of koperen strook. Let
    op dat alle verbindingen zuiver zijn en stevig contact maken.

    Sluit eerst de gelijkstroomvoedingskabel aan op de
    gelijkstroomvoedingsbron en controleer de polariteit
    (rood: positief, zwart: negatief). Sluit vervolgens de stekker
    van de gelijkstroomvoedingskabel aan op de “DC 13.8 V”
    gelijkstroomingang op het achterpaneel van de
    zendontvanger. Druk de gelijkstroomstekker stevig in de
    aansluitbus van de zendontvanger tot het vergrendelnokje
    vastklikt.
    Zekeringhouders

    Zwart

    Rood

    INSTALLEREN VAN EEN
    BLIKSEMAFLEIDER
    Ga zorgvuldig te werk bij het beveiligen van uw apparatuur en
    uw woning tegen blikseminslag. Ook in gebieden waar maar
    zelden onweer is, zal er toch enkele malen per jaar sprake
    zijn van kans op onweer en blikseminslag. Neem het zekere
    voor het onzekere, raadpleeg een expert of vraag officiële
    informatie aan en bestudeer deze om de beste beveiliging
    tegen blikseminslag voor uw installatie te bepalen.
    Het installeren van een bliksemafleider is een goed begin,
    maar er is meer dat u kunt doen. Zo kunt u bijvoorbeeld de
    transmissielijnen van uw antennesysteem aansluiten op een
    ingangspaneel dat u buitenshuis installeert. Zorg voor een
    goede aarding van het ingangspaneel en sluit uw
    zendontvanger dan met geschikte leidingen aan op dit paneel.
    Als er dan onweer dreigt of losbarst, kunt u voor de beste
    beveiliging de leidingen van het paneel op uw transceiver
    losmaken.

    TS-570
    Gelijkstroomvoeding

    VERVANGEN VAN ZEKERINGEN
    Als er een zekering doorslaat, dient u de oorzaak daarvan op
    te sporen en het probleem te verhelpen. Pas daarna mag u
    de zekering door een nieuwe vervangen. Als er herhaaldelijk
    zekeringen doorslaan, ontkoppel dan de voedingsstekker en
    raadpleeg uw dealer of de dichtstbijzijnde onderhoudsdienst
    voor technische bijstand.
    Plaats van de zekering

    Stroomsterkte van de zekering

    TS-570

    4A
    (Voor een externe antennetuner)

    LET OP: PROBEER NIET OM VOOR AARDING GEBRUIK TE

    MAKEN VAN EEN GASBUIS (HETGEEN UITERAARD
    GEVAARLIJK IS), VAN EEN PLASTIC WATERLEIDINGSBUIS OF
    DE RANDAARDE VAN HET ELEKTRICITEITSNET, DIE
    VERBONDEN IS MET DE BEDRADING VAN DE GEHELE WONING
    EN DERHALVE ALS ANTENNE KAN GAAN WERKEN.

    DC 13,8 V

    Bijgeleverde
    gelijkstroom-voedingskabel

    25 A

    LET OP: VERVANG EEN DOORGESLAGEN ZEKERING PAS

    AANSLUITEN VAN DE
    GELIJKSTROOMVOORZIENING
    Voor gebruik van deze zendontvanger als een vast station
    dient u een in de handel verkrijgbare 13,8 V gelijkstroomvoedingsbron aan te sluiten. Sluit de transceiver NIET
    rechtstreeks op het lichtnet aan. Gebruik de bijgeleverde
    gelijkstroom-voedingskabel om de zendontvanger op een
    passende voedingsbron aan te sluiten. Vervang de kabel niet
    door een snoer met kleinere diameter. De
    stroomleveringscapaciteit van uw voedingsbron moet 20,5 A
    of meer bedragen.
    LET OP:


    ALVORENS DE VOEDING OP DE ZENDONTVANGER AAN TE
    SLUITEN, DIENT U EERST ZOWEL DE VOEDING ALS DE
    ZENDONTVANGER UIT TE SCHAKELEN.
    ◆ STEEK DE NETSNOERSTEKKER VAN DE
    GELIJKSTROOMVOEDING PAS IN HET STOPCONTACT
    NADAT ALLE AANSLUITINGEN TOT STAND ZIJN GEBRACHT.

    N-2

    DOOR EEN NIEUWE NADAT U DE OORZAAK VAN HET
    DOORSLAAN HEBT OPGESPOORD EN VERHOLPEN. GEBRUIK
    TER VERVANGING UITSLUITEND EEN NIEUWE ZEKERING VAN
    HET AANGEGEVEN AMPERAGE.



  • Page 9

    1 INSTALLATIE

    AANSLUITEN VAN ACCESSOIRES

    1

    VOORPANEEL
    ■ HOOFDTELEFOON-AANSLUITING (PHONES)

    Hoofdtelefoon

    Gebruik een hoofdtelefoon met een impedantie van 4 tot
    32 Ω. U kunt ook een stereo hoofdtelefoon aansluiten.
    Zodra u de hoofdtelefoon aansluit, zal de ingebouwde
    luidspreker (en een optionele externe luidspreker) geen
    geluid meer geven. Sluit een hoofdtelefoon aan met een
    6,0 mm diameter 2-polige (mono) of 3-polige (stereo)
    stekker.

    ■ MICROFOON-AANSLUITING (MIC)
    TS-570

    Voor het voeren van gesprekken sluit u op de MIC
    aansluiting een microfoon aan met een impedantie van
    250 tot 600 Ω. Steek de stekker van uw microfoon stevig
    in de aansluitbus en draai vervolgens de borgring vast.
    Geschikte microfoons zijn bijvoorbeeld de modellen
    MC-43S, MC-47, MC-60A, MC-80, MC-85 en MC-90.
    Gebruik niet de modellen MC-44, MC-44DM, MC-45,
    MC-45E, MC-45DM, MC-45DME, MC-52DM of
    MC-53DM, want deze microfoons zijn niet geschikt.

    iGND (STBY)
    MICq

    uGND (MIC)

    PTTw

    yNC

    DOWNe

    t8 V
    (max. 10 mA)
    MIC aansluiting (vooraanzicht)
    UPr

    Microfoon

    ACHTERPANEEL
    ■ EXTERNE LUIDSPREKER-UITGANG (EXT SP)
    Voor het aansluiten van een externe luidspreker dient u te
    controleren of deze een impedantie van 8 Ω heeft.
    Gebruik voor het aansluiten een 2-polige (mono)
    ministekker met een diameter van 3,5 mm. Bij gebruik van
    een externe luidspreker zal de ingebouwde luidspreker
    geen geluid weergeven.

    Externe luidspreker

    WAARSCHUWING! SLUIT OP DE LUIDSPREKERUITGANG
    GEEN HOOFDTELEFOON AAN. HET HOGE AUDIOUITGANGSVERMOGEN ZOU UW GEHOOR KUNNEN
    BESCHADIGEN.

    ■ AANSLUITINGEN VOOR EEN SEINSLEUTEL EN
    TOETSENBORD VOOR DE CW BEDIENING
    (PADDLE EN KEY)
    Voor de CW bediening met de interne elektronische
    sleutel sluit u een “paddle” bedieningseenheid aan op de
    PADDLE aansluitbus. Voor CW bediening zonder de
    interne elektronische sleutel sluit u een gewone
    seinsleutel, een halfautomatische sleutel (“Bug”), een
    losse elektronische sleutel of de CW seinsleutel-uitgang
    van een MCP multimode communicatie-processor aan op
    de KEY aansluiting. Deze aansluitbussen zijn geschikt
    voor resp. een 6,0 mm 3-polige stekker en een 3,5 mm
    2-polige stekker. Een externe elektronische sleutel moet
    positieve signalen kunnen leveren om geschikt te zijn voor
    deze zendontvanger. Sluit de seinsleutel e.d. aan op de
    zendontvanger met een afgeschermd snoer.
    Opmerking: Dankzij de veelzijdige functionaliteit van de interne
    elektronische sleutel, zult u wellicht besluiten dat het niet nodig is
    zowel een “paddle” bedieningseenheid als een ander type sleutel
    aan te sluiten, tenzij u speciaal een toetsenbord wilt gebruiken
    voor de CW bediening. Het is aanbevolen dat u zich vertrouwd
    maakt met de werking van de interne elektronische sleutel, door
    het doorlezen van de beschrijving onder “ELEKTRONISCHE
    SLEUTEL” {zie blz. 34}, alvorens u besluit een andere
    bedieningseenheid aan te sluiten.

    TS-570

    Aarde

    +

    • Rechte sleutel
    • Bug
    • Elektronische sleutel
    • MCP CW uitgangssignaal

    Aarde Strepen Punten

    • Paddle

    N-3



  • Page 10

    2 UW EERSTE QSO

    UW EERSTE QSO

    ZENDEN

    ro
    DSP SLOPE
    HIGH
    LOW

    PF

    HF TRANSCEIVER TS-570D

    ti
    we

    ATT

    PRE-AMP

    B.C.

    VOX

    PROC

    CW TUNE

    SEND

    AT TUNE

    FILTER

    MIC

    CH1

    CH2

    CH3

    1

    2

    3

    ANT

    REC

    FINE

    4

    5

    6

    MIC

    8
    F.LOCK

    CLR

    0



    +

    SPLIT

    DELAY

    MENU

    TF-SET

    A/B

    RIT

    CH

    IF SHIFT
    4

    M/V

    A=B

    CLEAR

    10

    SQL
    6

    XIT

    1MHz

    2

    ENT

    SCAN

    M>VFO

    8

    M.IN
    0

    10

    u

    q
    Nadat u hebt afgestemd op enkele zenders, zoals
    beschreven in de voorgaande paragraaf “ONTVANGST”,
    kunt u proberen om zelf contact te leggen.

    6

    8

    0

    FM
    AM

    RF

    2

    CW
    FSK

    KEY

    9

    4

    MR
    M.IN

    PWR

    NB AGC/TONE REV

    7

    DOWN

    LSB
    USB

    AF

    RIT/XIT

    UP

    PHONES

    LOW CUT

    N.R.

    r SSB: Druk op de [MIC] toets om de microfoonsterkteregeling in te schakelen.


    De aanduiding “MIC-50” verschijnt.

    q Laten we aannemen dat u al heeft ingesteld op de juiste
    afstemband en de juiste afstemmode (zie de stappen
    1 t/m 7 in “ONTVANGST”), dan kunt u met de centrale
    Afstemknop afstemmen op een zender of instellen op
    een vrije frequentie.
    w Druk even kort op de [AT TUNE] toets.


    De aanduiding “AT” verschijnt.
    CW: Deze stap kan worden overgeslagen.
    t Druk op de [SEND] toets.


    De aanduiding “TX” verschijnt.

    y Nu kunt u in de microfoon spreken of voor de CW band
    met uw seinsleutel gaan seinen.
    e Druk op de [AT TUNE] toets en houd de toets ingedrukt
    om de ingebouwde antennetuner in te schakelen.


    u SSB: Terwijl u in de microfoon spreekt, stelt u de
    MULTI/CH regelaar zodanig in dat de ALC meter uitslaat
    overeenkomstig het niveau van uw stem.

    De aanduiding “AT” knippert en de aanduiding “TX”
    verschijnt.

    CW: Deze stap kan worden overgeslagen.
    i Druk nogmaals op de [SEND] toets wanneer u wilt
    terugkeren naar ontvangst.


    Het afstemmen hoort in minder dan 20 seconden
    voltooid te zijn. De aanduiding “AT” stopt met
    knipperen en de aanduiding “TX” verdwijnt.

    o Druk nogmaals op de [MIC] toets om de microfoonsterkteregeling uit te schakelen.



    Als het afstemmen niet in ongeveer 20 seconden is
    voltooid, hoort u pieptonen die u hierop attent
    maken. Druk op de [AT TUNE] toets om de
    pieptonen uit te schakelen en te stoppen met
    afstemmen. Controleer vervolgens eerst uw
    antennesysteem voordat u verder gaat.

    Hiermee is uw eerste kennismaking met de TS-570
    compleet, maar natuurlijk is er nog enorm veel te ontdekken.
    In het hoofdstuk “BASISBEDIENING” {zie blz. 13} en de
    eropvolgende hoofdstukkken vindt u een volledige
    beschrijving van alle functies van de zendontvanger, te
    beginnen met de meest essentiële en meest gebruikte
    functies.

    Opmerking: Na 60 seconden wordt automatisch met afstemmen
    gestopt. De aanduiding “AT” zal dan doven en pieptonen stoppen.

    N-5



  • Page 11

    2 UW EERSTE QSO
    Nu u de TS-570 hebt geïnstalleerd, kunt u het toestel gaan uitproberen. De onderstaande aanwijzingen zijn zo kort mogelijk
    gehouden en dienen slechts ter kennismaking met de functies. Als er iets niet geheel duidelijk is of niet naar wens verloopt,
    maakt u zich geen zorgen, u zult de betreffende functie later weer tegenkomen in een veel uitgebreideer beschrijving.

    ONTVANGST
    w

    t
    DSP SLOPE
    HIGH
    LOW

    PF

    HF TRANSCEIVER TS-570D
    ATT

    PRE-AMP

    B.C.

    VOX

    PROC

    CW TUNE

    SEND

    AT TUNE

    FILTER

    MIC

    CH2

    CH3

    1

    2

    3

    ANT

    REC

    FINE

    4

    5

    6

    NB AGC/TONE REV

    7

    8
    0

    DOWN

    LSB
    USB



    +

    MENU

    SPLIT

    TF-SET

    A/B

    RIT

    M/V

    A=B

    CLEAR

    XIT

    CH

    IF SHIFT
    4

    1MHz
    SCAN

    M>VFO

    q Stel de volgende regelaars in als aangegeven:


    AF regelaar:

    geheel naar links



    RF regelaar:

    geheel naar rechts



    DSP SLOPE (HIGH) regelaar:
    geheel naar rechts



    DSP SLOPE (LOW) regelaar:
    geheel naar links



    IF SHIFT regelaar:

    middelste stand



    SQL regelaar:

    geheel naar links

    UW EERSTE QSO

    w Schakel de gelijkstroomvoeding in en druk vervolgens
    de [ ] (STROOM) schakelaar in en houd deze even
    ingedrukt.

    N-4



    De zendontvanger zal nu inschakelen. De
    aanduidingen en frequentiecijfers zullen in het
    display oplichten.



    Als u de [ ] (STROOM) schakelaar langer dan
    2 seconden ingedrukt houdt, wordt de
    zendontvanger weer uitgeschakeld.

    qr
    q

    SQL
    6

    8

    M.IN
    0

    Opmerking: Hieronder worden alleen de toetsen en regelaars
    behandeld die nodig zijn voor een vluchtige eerste kennismaking
    met de zendontvanger.

    10

    2

    ENT

    y

    6

    8

    0

    FM
    AM

    RF

    2

    CW
    FSK

    KEY

    DELAY

    4

    MR
    M.IN

    PWR

    9

    F.LOCK

    CLR

    MIC

    AF

    RIT/XIT

    UP
    CH1

    PHONES

    q
    q

    LOW CUT

    N.R.

    10

    q
    q

    e

    u

    e VFO A moet nu ingesteld zijn voor zenden en ontvangen,
    en u dient “tA” in het display te zien. Is dit niet het geval,
    druk dan op de [A/B] toets.
    r Draai nu de AF regelaar geleidelijk naar rechts tot u een
    redelijk niveau van achtergrondruis hoort.
    t Stel in op een amateurband door indrukken van de [UP]
    of [DOWN] toets.
    y Kies een afstemmode door indrukken van de
    [LSB/USB] toets of de [CW/FSK] toets.


    Druk nogmaals op dezelfde toets om in te stellen op
    de tweede functie van de toets. Door meermalen
    indrukken van de [LSB/USB] toets bijvoorbeeld, kunt
    u heen en weer schakelen tussen de onderste
    zijband en de bovenste zijband.

    u Draai aan de centrale Afstemknop om op een zender af
    te stemmen.


    Als u geen zender kunt horen terwijl er wel een
    antenne op de zendontvanger is aangesloten, staat
    er wellicht ingesteld op de verkeerde antenneaansluiting. Door indrukken van de [ANT] toets
    schakelt u over tussen de antenne 1 en de antenne 2
    antenne-aansluiting.



  • Page 12

    EERSTE VERKENNING
    VOORPANEEL
    w q
    DSP SLOPE
    HIGH
    LOW

    PF
    N.R.

    ATT

    PRE-AMP

    B.C.

    VOX

    PROC

    CW TUNE

    SEND

    AT TUNE

    FILTER
    CH1

    MIC

    !0

    CH2

    CH3

    1

    2

    3

    ANT

    REC

    FINE

    4

    5

    6

    NB AGC/TONE REV

    7

    8
    0

    PWR

    DOWN

    LSB
    USB

    DELAY

    4

    M.IN



    +

    MENU

    8

    TF-SET

    A/B

    RIT

    CH

    IF SHIFT
    4

    M/V

    6

    2

    0

    FM
    AM

    RF

    MR

    CW
    FSK

    SPLIT
    KEY

    9

    F.LOCK

    CLR

    MIC

    AF

    RIT/XIT

    UP

    PHONES

    LOW CUT

    e
    rt
    y
    i
    u
    o

    HF TRANSCEIVER TS-570D

    A=B

    CLEAR

    10

    SQL
    6

    XIT

    1MHz

    2

    ENT

    SCAN

    M>VFO

    8

    M.IN
    0

    10

    !1

    q

    (STROOM) aan/uit-schakelaar

    !0 MIC microfoon-aansluiting

    Druk deze schakelaar in en houd de knop even ingedrukt om
    de zendontvanger in te schakelen. Nogmaals indrukken om
    het toestel weer uit te schakelen {zie blz. 13}.

    Steek de stekker van een geschikte microfoon in deze
    stekkerbus en draai dan de borgring van de stekker stevig
    vast {zie blz. 3}.

    w PF programmeerbare functietoets

    !1 Multifunctioneel cijfertoetsenpaneel

    Zie “PROGRAMMEERBARE FUNCTIETOETSEN”
    {op blz. 49} om een door u gewenste functie aan deze toets
    toe te wijzen. De oorspronkelijk ingestelde functie voor de
    toets is stem 1 {zie blz. 55}.

    Deze dubbele rij toetsen (in totaal 10 toetsen) links van de
    Afstemknop dient onder andere voor het invoeren van
    numerieke gegevens. De toetsen hebben daarnaast nog een
    aantal andere functies.

    e PRE-AMP voorversterkertoets



    Gebruik deze toetsen voor de keuze van functies die te
    maken hebben met de interne elektronische sleutel
    {zie blz. 34} en de DRU-3A digitale opnamesysteem
    {zie blz. 53}.

    Druk op deze toets om de ontvangst-voorversterker
    {zie blz. 37} in of uit te schakelen.
    r ATT verzwakkingstoets
    Druk op deze toets om de ontvangst-verzwakkingsregeling
    {zie blz. 37} in of uit te schakelen.







    i SEND zend/ontvangtoets
    Druk op deze toets om de transceiver over te schakelen
    tussen zenden en ontvangen {zie blz. 15}.
    o PHONES hoofdtelefoon-aansluiting
    Sluit op deze stekkerbus een hoofdtelefoon aan. Bij het
    insteken van de stekker in deze aansluitbus wordt het geluid
    van de luidspreker automatisch uitgeschakeld {zie blz. 3}.

    N-6

    FINE fijnafstemtoets
    Druk op deze toets om het afsteminterval van de
    Afstemknop tot een-tiende van de standaardwaarde te
    verminderen, voor een nauwkeuriger afstemming
    {zie blz. 29}.

    u AT TUNE antennetuner-inschakeltoets
    Gebruik deze toets voor het inschakelen van de inwendige
    antennetuner {zie blz. 52} of een externe antennetuner.

    REC opnametoets
    Druk op deze toets om de opnamefunctie voor het CW
    berichtengeheugen {zie blz. 35} of voor de los verkrijgbare
    DRU-3A digitale opnamesysteem in te schakelen
    {zie blz. 53}.

    y VOX stemgeschakelde zendstarttoets
    Bij alle spraakmodes, dient deze toets voor het in- en
    uitschakelen van de Voice-Operated Transmit (VOX) functie
    om te beginnen met zenden wanneer u spreekt {zie blz. 31}.
    In de CW mode dient de toets voor het in- en uitschakelen
    van de Break-in functie {zie blz. 34}.

    ANT antennekeuzetoets
    Druk op deze toets om te kiezen voor antenne 1 of
    antenne 2, aangesloten op de ANT 1 of ANT 2 antenneaansluiting op het achterpaneel {zie blz. 1 en 48}.

    t PROC spraakprocessortoets
    Druk op deze toets om de spraakprocessor voor zenden
    {zie blz. 32} in of uit te schakelen.

    CH 1, CH 2, CH 3 toetsen



    NB stoorpuls-dempingstoets
    Druk op deze toets om de analoge Noise Blanker
    stoorpuls-onderdrukking in of uit te schakelen {zie blz. 36}.



    AGC/TONE toets
    Druk op deze toets om de AGC automatische
    gevoeligheid-tijdinstelling om te schakelen tussen ‘Traag’
    en ‘Snel’ {zie blz. 30}. Deze toets dient ook voor het in- en
    uitschakelen van de subtoon {zie blz. 24} of de CTCSS
    functie {zie blz. 25}.



  • Page 13

    3 EERSTE VERKENNING

    PF

    HF TRANSCEIVER TS-570D
    PRE-AMP

    B.C.

    PROC

    CW TUNE

    SEND

    AT TUNE

    LOW CUT

    ATT
    VOX

    FILTER
    CH1

    CH2

    CH3

    1

    2

    3

    ANT

    REC

    FINE

    4

    5

    6

    PHONES

    NB AGC/TONE REV

    7

    8
    0

    PWR

    KEY

    9

    F.LOCK

    CLR

    MIC

    DELAY

    DOWN

    LSB
    USB

    AF

    RIT/XIT

    UP

    MIC

    DSP SLOPE
    HIGH
    LOW

    N.R.

    4

    M.IN



    MENU

    8

    0

    SPLIT

    TF-SET

    A/B

    RIT

    M/V

    A=B

    CLEAR

    XIT

    CH

    IF SHIFT
    4

    1MHz
    SCAN

    M>VFO



    8

    Met deze toetsen kiest u de gewenste mode {zie blz. 14}.

    ENT invoertoets

    MIC microfoon-sterkteregelaar
    Voor het instellen van de gevoeligheid van de microfoon
    {zie blz. 15}.
    PWR zendvermogentoets
    Voor het instellen van het uitgangsvermogen {zie blz. 15}.
    KEY seinsnelheidsregelaar
    Voor het instellen van de snelheid van de interne
    elektrische sleutel {zie blz. 34}.



    DELAY vertragings-regelaar

    LSB/USB zijband-keuzetoets
    Druk op deze toets voor het kiezen van de onderste
    zijband of de bovenste zijband voor de spraakfuncties of
    de digitale bediening {zie blz. 20 en 27}.



    CW/FSK toets
    Druk op deze toets om CW of frequentieverschuivingsinstelling {zie blz. 21 en 26} te kiezen.

    F.LOCK frequentie-vergrendelingstoets

    Gebruik deze toetsen in combinatie met de MULTI/CH
    regelaar voor het instellen van de diverse zendfuncties.





    CLR annuleertoets

    !2 Insteltoetsen voor zenden



    !6

    In de CW of FSK mode drukt u op deze toets voor het
    kiezen van de bovenste of onderste zijband voor
    ontvangst {zie blz. 21 en 26}.

    Druk op deze toets voor het invoeren van frequenties via
    het toetsenpaneel {zie blz. 29}.



    10

    !3 Mode toetsen

    Druk op deze toets om de frequentievergrendelingsfunctie in of uit te schakelen {zie blz. 48}.


    6

    REV omkeertoets

    Druk op deze toets voor het verlaten, annuleren of
    terugstellen van diverse functies. Tevens voor het wissen
    van geheugenkanalen {zie blz. 43} of voor het uitsluiten
    van geheugenkanalen van de scan-lijst {zie blz. 44}.


    SQL

    M.IN
    0



    10

    2

    ENT

    !2 !4 !5
    !3

    6

    2

    +

    CW
    FSK

    FM
    AM

    RF

    MR



    FM/AM toets
    Druk op deze toets voor het kiezen van de FM of de AM
    mode {zie blz. 22}.

    !4 MENU oproeptoets
    Voor het instellen op, of uitschakelen van het instelmenu
    waarmee u een aantal ingebouwde functies kunt in- en
    uitschakelen en naar wens instellen {zie blz. 16}.
    !5 1MHz instelkeuzetoets
    Druk op deze toets om over te schakelen tussen de 1 MHz
    intervalfunctie en de amateurbandkeuze {zie blz. 29}.
    !6 Afstemknop
    Draai aan deze knop om de gewenste frequentie te kiezen
    {zie blz. 14}. Door een vingertop in de uitholling te plaatsen
    kunt u de knop continu doordraaien voor het zoeken over een
    groter afstembereik.
    Met het hendeltje achter de knop kunt u het draaimoment van
    de knop instellen; draai het hendeltje volledig naar rechts voor
    licht draaien en volledig naar links voor zwaar draaien.

    Bij het gebruik van de VOX stemgeschakelde zendfunctie
    of de CW Break-in functie stelt u hiermee de tijdsduur in
    die de zendontvanger wacht, alvorens van het zenden
    terug te schakelen naar ontvangst {zie blz. 31 en 34}.

    N-7



  • Page 14

    3 EERSTE VERKENNING

    @1 @2 @3 @4 @5
    PF

    HF TRANSCEIVER TS-570D
    PRE-AMP

    B.C.

    PROC

    CW TUNE

    SEND

    AT TUNE

    FILTER

    CH1

    CH2

    CH3

    1

    2

    3

    ANT

    REC

    FINE

    4

    5

    6

    NB AGC/TONE REV

    7

    8
    0

    LSB
    USB

    DOWN



    SPLIT

    TF-SET

    A/B

    RIT

    MENU

    CH

    IF SHIFT
    4

    M/V

    6

    8

    0

    FM
    AM

    RF

    2

    +

    CW
    FSK

    KEY

    DELAY

    4

    MR
    M.IN

    PWR

    9

    F.LOCK

    CLR

    MIC

    AF

    RIT/XIT

    UP

    MIC

    LOW CUT

    ATT
    VOX

    PHONES

    DSP SLOPE
    HIGH
    LOW

    N.R.

    A=B

    CLEAR

    10

    SQL
    6

    XIT

    1MHz

    2

    ENT

    SCAN

    M>VFO

    8

    M.IN
    0

    !7 !8 !9

    10

    @0

    !7 Frequentie-regeltoetsen

    !8 SCAN zoektoets

    Deze toetsen zijn voor het instellen van functies die
    betrekking hebben op het kiezen van een, een VFO of een
    geheugenkanaal.

    Druk op deze toets voor het starten en stoppen van de Scanfuncties {zie blz. 46 en 47}.





    UP/DOWN instel/afstemtoetsen
    Druk op deze toetsen om alle amateurbanden in volgorde
    te doorlopen {zie blz. 13} of om de frequentie van de
    zendontvanger in stappen van 1 MHz te verhogen of
    verlagen {zie blz. 29}. V
    erder dienen deze toetsen voor het
    maken van een keuze uit het Instelmenu {zie blz. 16} en
    voor het controleren van de begin- en eindfrequenties
    voor de scan-functie {zie blz. 43}.
    SPLIT gescheiden frequentie-toets
    Druk op deze toets om op duplex-bediening in te stellen
    voor gebruik van verschillende zend- en
    ontvangstfrequenties {zie blz. 23}.

    !9 M>VFO gegevensoverdrachttoets
    Druk op deze toets voor het overbrengen van gegevens van
    een geheugenkanaal naar een VFO {zie blz. 42}.
    @0 M.IN geheugenvastlegtoets
    Voor het vastleggen van gegevens in de geheugenkanalen
    {zie blz. 39} of het kiezen van de geheugendoorloopfunctie
    {zie blz. 41}.
    @1 Snelgeheugentoetsen
    Gebruik deze toetsen voor de bediening van het
    snelgeheugen {zie blz. 44}.



    M/V toets
    Kies met deze toets voor de geheugen- of VFO mode
    {zie blz. 40}.



    M.IN snelgeheugen-vastlegtoets
    Druk op deze toets voor het vastleggen van gegevens in
    het snelle-toegangsgeheugen {zie blz. 44}.



    TF-SET zendfrequentie-insteltoets
    Bij duplex-bediening met gescheiden frequenties drukt u
    op deze toets om de zendfrequentie te controleren
    {zie blz. 23}.



    MR snelgeheugen-oproeptoets
    Druk op deze toets voor het oproepen van gegevens uit
    het snelle-toegangsgeheugen {zie blz. 45}.



    A=B toets
    Druk op deze toets om de gegevens in de op dat moment
    gekozen VFO te kopiëren naar de andere VFO
    {zie blz. 30}.

    @2 FILTER keuzetoets









    A/B toets
    Kies met deze toets VFO A of VFO B {zie blz. 13}. Bij
    gebruik van het instelmenu kiest u met deze toets menu A
    of menu B {zie blz. 16}.
    CLEAR terugsteltoets
    Druk hierop om de RIT/XIT frequentieverschuiving op nul
    terug te stellen {zie blz. 30 en 32}.
    RIT ontvangstfrequentietoets
    Druk op deze toets om de Receive Incremental Tuning
    functie in of uit te schakelen {zie blz. 30}.
    XIT zendfrequentietoets
    Druk op deze toets om de Transmit Incremental Tuning
    functie in of uit te schakelen {zie blz. 32}.

    N-8

    Voor het kiezen van de ontvangstfilter-bandbreedte in de
    SSB, CW, FSK of AM mode {zie blz. 36 en 38} of voor het
    kiezen van de smalband of breedband zend-afwijking in de
    FM mode {zie blz. 22}.
    Opmerking: Om de smalfilter-bandbreedte in de SSB mode te
    kunnen kiezen, hebt u het los verkrijgbare YK-88SN-1 filter
    {zie blz. 36} nodig.

    @3 CW TUNE afstemfunctietoets
    Druk op deze toets voor het inschakelen van de automatische
    Zero-beat functie voor de CW mode {zie blz. 21}.
    @4 B.C. zwevingsonderdrukkingstoets
    Druk op deze toets om de DSP Beat Cancel
    zwevingsonderdrukking in of uit te schakelen {zie blz. 38}.
    @5 N.R. ruisonderdrukkingtoets
    Druk op deze toets voor het omschakelen tussen
    ruisonderdrukking 1, ruisonderdrukking 2 en OFF {zie blz. 38}.



  • Page 15

    3 EERSTE VERKENNING
    @8
    DSP SLOPE
    HIGH
    LOW

    PF

    HF TRANSCEIVER TS-570D
    ATT

    PRE-AMP

    B.C.

    VOX

    PROC

    CW TUNE

    SEND

    AT TUNE

    FILTER

    MIC

    CH1

    CH2

    CH3

    1

    2

    3

    ANT

    REC

    FINE

    4

    5

    6

    NB AGC/TONE REV

    7

    8
    0

    PWR

    KEY

    9

    F.LOCK

    CLR

    MIC

    DELAY

    LSB
    USB

    AF

    RIT/XIT

    UP

    PHONES

    LOW CUT

    N.R.

    DOWN

    4

    M.IN

    MENU

    RF
    6

    MR


    2

    +

    8

    CW
    FSK

    0

    SPLIT

    TF-SET

    A/B

    RIT

    M/V

    A=B

    CLEAR

    XIT

    CH

    IF SHIFT
    4

    FM
    AM

    1MHz

    ENT

    10

    SQL

    M>VFO

    @9
    #0

    6

    2

    SCAN

    @6
    @7

    8

    M.IN
    0

    10

    #1
    #2

    #3
    @6 DSP SLOPE (HIGH) doorlaatbandregelaar
    In de SSB of AM mode gebruikt u deze regelaar om de
    bovenste afsnijfrequentie van de ontvangst-doorlaatband te
    veranderen. Gebruik de regelaar om de duidelijkheid van het
    gewenste signaal te verbeteren wanneer er interferentie van
    aangrenzende hogere frequenties is {zie blz. 37}.
    @7 DSP SLOPE (LOW) doorlaatbandregelaar
    In de SSB of AM mode gebruikt u deze regelaar om de
    onderste afsnijfrequentie van de ontvangst-doorlaatband te
    veranderen. Gebruik de regelaar om de duidelijkheid van het
    gewenste signaal te verbeteren wanneer er interferentie van
    aangrenzende lagere frequenties is {zie blz. 37}.

    MICROFOON
    q UP/DWN toetsen
    Gebruik deze toetsen om de VFO frequentie hoger of
    lager in te stellen, of om een hoger of lager
    geheugenkanaal of menu-nummer te kiezen. De instelling
    blijft voortdurend veranderen wanneer u de toets ingedrukt
    houdt.
    w PTT (Push-To-Talk) praatschakelaar
    De zendontvanger blijft in de zendstand zolang u deze
    schakelaar (die geen vaste klikstand heeft) ingedrukt
    houdt. Bij loslaten van de schakelaar keert de
    zendontvanger terug in de ontvangststand.

    @8 RIT/XIT frequentieregelaar
    Na inschakelen van de RIT of XIT, zendfrequentie- of
    ontvangstfrequentie-regeling, draait u aan deze regelaar om
    de gewenste verschuiving te kiezen {zie blz. 30 en 32}.
    @9 AF audio-sterkteregelaar
    Voor instellen van de audio-versterking of -gevoeligheid
    {zie blz. 13}.

    q
    DWN

    UP

    w
    PTT

    #0 RF radiofrequentie-sterkteregelaar
    Voor instellen van de radiofrequentie-versterking of
    gevoeligheid {zie blz. 13}.
    #1 IF SHIFT middenfrequentie-verschuivingsregelaar
    Gebruik deze regelaar om de ontvangst-doorlaatband naar
    boven of beneden te verschuiven wanneer er interferentie van
    aangrenzende frequenties aanwezig is {zie blz. 36}.
    #2 SQL squelch-regelaar
    De squelch-regelaar wordt gebruikt om de bandruis te
    onderdrukken (“squelching”) {zie blz. 14}.
    #3 MULTI/CH kanaal/frequentie-regelaar
    In de VFO mode draait u aan deze regelaar om de frequentie
    hoger of lager in te stellen {zie blz. 29}. Bij het gebruik van
    geheugenkanalen kiest u met de regelaar het gewenste
    geheugenkanaal {zie blz. 40}. Verder dient de regelaar voor
    de keuze van menu-nummers bij gebruik van het Instelmenu
    {zie blz. 16} en voor de keuze van instellingen van bepaalde
    functies die geactiveerd worden met de toetsen op het
    voorpaneel.

    N-9



  • Page 16

    3 EERSTE VERKENNING

    ACHTERPANEEL
    q

    e

    w

    DC 13.8V
    ANT 2

    ANT 1
    AT
    GND

    r
    COM

    KEY

    t

    PADDLE

    ACC 2

    y

    u

    EXT.SP
    8Ω REMOTE

    i

    o

    q ANT 1 en ANT 2 antenne-aansluitingen

    i EXT SP luidspreker-aansluiting

    Sluit de voedingslijnen van uw antennes aan op deze twee
    aansluitingen. Zie voor nadere bijzonderheden blz. 1 en 48.

    Geschikt voor een 3,5 mm, 2-polige (mono) stekker voor het
    aansluiten van een externe luidspreker {zie blz. 3}. Overigens
    wordt bij aansluiten van een externe luidspreker automatisch
    de weergave via de ingebouwde luidspreker uitgeschakeld.

    w AT antennetuner-aansluiting
    Hierop past de stekker van de kabel die wordt bijgeleverd bij
    de externe antennetuner. Raadpleeg voor nadere
    bijzonderheden de gebruiksaanwijzing van de antennetuner.
    e DC 13.8 V gelijkstroom-voedingsingang
    Sluit hierop een 13,8 V gelijkstroomvoeding aan {zie blz. 2}.
    Gebruik de bijgeleverde kabel met een DC voedingsbron.
    r GND aansluiting
    Verbind deze aansluiting via een stevig stuk draad of een
    koperen strook met het dichtstbijzijnde aardingspunt
    {zie blz. 2}.
    t COM computer-aansluiting
    Geschikt voor een 9-polige RS-232C contrastekker, voor het
    aansluiten van de seriële communicatiepoort van een
    computer {zie blz. 60}. Ook dient deze aansluiting voor
    gebruik van de Quick Data Transfer gegevensoverdrachtfunctie {zie blz. 60}.
    y PADDLE en KEY seinsleutel-aansluitingen
    De PADDLE aansluiting is geschikt voor een 6,0 mm 3-polige
    stekker voor het aansluiten van een “paddle” voor de interne
    elektronische Sleutel. De KEY aansluiting is geschikt voor een
    3,5 mm 2-polige stekker voor het aansluiten van een externe
    sleutel voor de CW bediening. Lees eerst de beschrijving
    onder “AANSLUITINGEN VOOR EEN SEINSLEUTEL EN
    TOETSENBORD VOOR DE CW BEDIENING” {op blz. 3}
    alvorens u een aansluiting maakt op deze stekkerbussen.
    u ACC 2 accessoire-aansluiting
    Geschikt voor een 13-polige DIN penstekker, voor het
    aansluiten van verschillende accessoires {zie blz. 61 en 62}.

    N-10

    o REMOTE aansluiting
    Hierop kunt u via een snoer met een 7-polige DIN penstekker
    een lineaire versterker aansluiten {zie blz. 61}.
    Alleen Europese modeluitvoeringen: Verwijder de
    beschermkapjes voordat u de ACC 2 en COM aansluitingen gebruikt.



  • Page 17

    3 EERSTE VERKENNING

    DISPLAY

    q

    wer

    t

    y

    u

    i o !0 !2 !4 !5
    !1 !3

    !6 !7

    @0 !9 !8

    q METER

    !1 SPLIT

    Bij ontvangst dient deze als een S-meter voor het meten en
    aangeven van de sterkte van het ontvangen signaal. Tijdens
    het zenden dient de meter als geijkte vermogenmeter plus
    ALC meter, SWR meter of compressiemeter voor de
    spraakprocessor. De piek-vasthoudfunctie van de meter zorgt
    ervoor dat elke hogere uitslag ca. 2,5 seconden wordt
    vastgehouden.

    Deze aanduiding licht op als de zendfrequentie verschilt van
    de ontvangstfrequentie {zie blz. 23}.
    !2 F A S T
    Deze aanduiding licht op als de ‘snelle’ tijdconstante is
    ingesteld voor de AGC automatische gevoeligheidsregeling
    {zie blz. 30}.

    w

    !3 RIT

    Deze aanduiding licht op als de zendontvanger in de zendstand staat.

    Deze aanduiding licht op wanneer de Receive Incremental
    Tuning functie is ingeschakeld {zie blz. 30}.

    e

    !4 XIT

    Deze aanduiding licht op als de squelch geopend is in de
    ontvangst-stand.

    Deze aanduiding licht op wanneer de Transmit Incremental
    Tuning functie is ingeschakeld {zie blz. 32}.

    r

    !5 TX EQ.

    Deze aanduiding licht op als de ingebouwde antennetuner
    {zie blz. 52} of de externe antennetuner is ingeschakeld (de
    tuner wordt niet gepasseerd).

    Deze aanduiding licht op als de TX Equalizer functie is
    ingeschakeld {zie blz. 33}.

    t

    !6

    De “ANT 1” of “ANT 2” aanduiding licht op afhankelijk van de
    gekozen antenne: antenne 1 of antenne 2 {zie blz. 48}.

    De “N.R. 1” of “N.R. 2” aanduiding licht op afhankelijk van de
    gekozen ruisonderdrukking: ruisonderdrukking 1 of
    ruisonderdrukking 2 {zie blz. 38}.

    y AT T

    !7

    Deze aanduiding licht op als de verzwakkingsregeling voor
    het ontvangen signaal is ingeschakeld {zie blz. 37}.

    Deze aanduiding licht op als de Beat Cancel
    zwevingsonderdrukking is ingeschakeld {zie blz. 38}.

    u PRE-AMP

    !8 M E N U

    Deze aanduiding licht op als de ontvangst-voorversterker is
    ingeschakeld {zie blz. 37}.

    Deze aanduiding licht op wanneer de instelmenu-functie is
    ingeschakeld {zie blz. 16}.

    i VOX

    !9 M. CH

    Deze aanduiding licht op wanneer de Voice-Operated
    Transmit functie is ingeschakeld, voor zenden wanneer u
    spreekt {zie blz. 31}. In de CW mode licht deze aanduiding op
    bij inschakelen van de Break-in functie {zie blz. 34}.

    Deze aanduiding licht op wanneer de geheugenkanaaloproepfunctie of de geheugendoorloopfunctie is ingeschakeld
    {zie blz. 40}.

    o PROC
    Deze aanduiding licht op wanneer de spraakprocessor is
    ingeschakeld {zie blz. 32}.

    @0
    Hier wordt informatie bestaande uit twee cijfers aangegeven,
    zoals het menu-nummer of het geheugenkanaalnummer.

    !0 N B
    Deze aanduiding licht op wanneer de Noise Blanker
    stoorpuls-demping is ingeschakeld {zie blz. 36}.

    N-11



  • Page 18

    3 EERSTE VERKENNING

    @3 @2 @4

    @1

    @6

    @7 @8 @9 #0 #1 #2 #3

    #4

    #5

    @5

    #6 #7

    #8

    #9

    @1

    #0 R

    Hier wordt de afstemfrequentie aangegeven. Tevens worden
    hier bij menu-instelling de menu-onderdelen aangegeven.

    Deze aanduiding licht op als de zijband wordt omgekeerd in de
    CW mode {zie blz. 21}. De aanduiding licht tevens op wanneer
    de mark- en space-frequenties worden omgekeerd in de FSK
    mode {zie blz. 26}.

    @2
    De aanduiding “tA” of “As ” licht op wanneer VFO A wordt
    gekozen {zie blz. 13}. “A” licht ook op wanneer men gebruik
    maakt van menu A {zie blz. 16}.
    @3

    #1 F S K
    Deze aanduiding licht op bij gebruik van de FSK
    (frequentieverschuiving) mode {zie blz. 26} of als u een van de
    filters met digitale bediening kiest via menu-nummer 32 in de
    SSB mode {zie blz. 27}.

    De aanduiding “tB” of “Bs” licht op wanneer VFO B wordt
    gekozen {zie blz. 13}. “B” licht ook op wanneer men gebruik
    maakt van menu B {zie blz. 16}.

    #2 F M

    @4

    Deze aanduiding licht op bij gebruik van de FM mode
    {zie blz. 14}.

    De aanduiding “tM” of “Ms” licht op wanneer een simplex
    geheugenkanaal wordt gekozen {zie blz. 40}. tMs”

    verschijnt wanneer een duplex geheugenkanaal (gescheiden
    frequenties) wordt gekozen {zie blz. 40}.

    #3 A M

    @5

    #4 F.LOCK

    Hier worden de menu-onderdelen aangegeven bij gebruik van
    menu A of menu B. Tevens verschijnt hier de zendfrequentie
    bij gebruik van gescheiden frequenties en de RIT/XIT
    frequentie-verschuiving wanneer deze functies zijn
    ingeschakeld.

    Deze aanduiding licht op wanneer de frequentievergrendeling
    is ingeschakeld {zie blz. 48}.

    @6 M.SCR
    Deze aanduiding licht op als de geheugendoorloopfunctie
    wordt gebruikt {zie blz. 41}.
    @7 L S B
    Deze aanduiding licht op bij gebruik van de onderste zijband
    mode {zie blz. 14}.
    @8 U S B
    Deze aanduiding licht op bij gebruik van de bovenste zijband
    mode {zie blz. 14}.
    @9 C W
    Deze aanduiding licht op bij gebruik van de CW mode
    {zie blz. 14}.

    N-12

    Deze aanduiding licht op bij gebruik van de AM mode
    {zie blz. 14}.

    #5 F I N E
    Deze aanduiding licht op wanneer de fijnafstemming is
    ingeschakeld {zie blz. 29}.
    #6 1 MHz
    Deze aanduiding licht op wanneer de 1-MHz-Intervalfunctie is
    ingeschakeld {zie blz. 29}.
    #7 T
    Deze aanduiding licht op wanneer de subtoonfunctie is
    ingeschakeld {zie blz. 24}.
    #8 C T C S S
    Deze aanduiding licht op wanneer de CTCSS is ingeschakeld
    {zie blz. 25}.
    #9 C T R L
    Deze aanduiding licht op wanneer de snelle
    gegevensoverdracht-functie {zie blz. 50} of de computerbesturing {zie blz. 51} wordt gebruikt.



  • Page 19

    BASISBEDIENING
    IN/UITSCHAKELEN VAN DE SPANNING
    Schakel de gelijkstroomvoeding in en druk dan de
    [ ] (STROOM) schakelaar in en houd deze ingedrukt tot in
    het display de begroeting “HELLO” wordt aangegeven. Laat
    de [ ] (STROOM) schakelaar los wanneer u “HELLO” ziet
    verschijnen.

    PF

    ATT

    PRE-AMP

    RADIO-FREQUENTIE (RF) VERSTERKING
    Gewoonlijk kunt u de RF sterkteregelaar geheel naar rechts
    gedraaid laten staan. Als het gewenste signaal echter moeilijk
    te horen is vanwege extreme atmosferische storing of
    interferentie van andere zenders, kan het terugdraaien van de
    radio-frequentie versterking wel eens uitkomst brengen.
    Hiervoor let u op de piek-aanduiding van de S-meter voor het
    gewenste signaal en dan draait u de RF sterkteregelaar naar
    links totdat de S-meter deze piek-aanduiding aangeeft. De
    signalen die zwakker doorkomen dan het niveau dat u hebt
    ingesteld zullen verzwakt worden. De ontvangst van de
    gewenste zender zal hierdoor minder problemen opleveren.
    AF
    4

    RF
    6

    8

    2



    Na de eerste “HELLO” begroeting verschijnen de
    frequentiecijfers en de andere aanduidingen in het display.

    QUICK MEMO

    0

    10

    Om de zendontvanger uit te schakelen drukt u weer op de
    [ ] (STROOM) schakelaar.


    Nadat de zendontvanger eenmaal is ingeschakeld, kunt u
    het apparaat ook uitschakelen met behulp van de aan/uitschakelaar van de gelijkstroomvoeding.

    INSTELLEN VAN DE GELUIDSSTERKTE

    Afhankelijk van het type en de gevoeligheid van uw antenne
    en de omstandigheden op de afstemband kan het wel eens
    aanbevolen zijn de RF sterkteregelaar niet geheel naar rechts
    te laten staan, maar iets teruggedraaid. In de FM mode moet
    de RF sterkteregelaar altijd volledig naar rechts gedraaid
    worden.

    AUDIO-FREQUENTIE (AF) VERSTERKING

    KIEZEN VAN VFO A OF VFO B

    Draai de AF sterkteregelaar naar rechts om het geluidsniveau
    hoger in te stellen en naar links om het geluidsniveau lager in
    te stellen.
    AF
    4

    RF
    6

    QUICK MEMO

    8

    2

    0

    VFO A en VFO B zijn modes waarvoor u iedere willekeurige
    frequentie in het frequentiebereik van de zendontvanger kunt
    kiezen. VFO A en VFO B functioneren onafhankelijk van
    elkaar, zodat u voor de beide VFO’s zowel verschillende als
    dezelfde frequenties kunt kiezen.
    Druk op de [A/B] toets voor het omschakelen tussen VFO A
    en VFO B.
    • De aanduiding “tA” of “tB” verschijnt om aan te geven
    welke VFO gekozen is.

    10

    SPLIT

    Opmerking: De stand van de AF sterkteregelaar is niet van invloed
    op de geluidssterkte van de pieptonen die klinken bij het indrukken
    van de toetsen, evenmin als op de meeluister-zijtoon bij het CW
    zenden. Ook het geluidsniveau bij het Packet-zenden is onafhankelijk
    van de stand van de AF sterkteregelaar.

    TF-SET

    A/B

    RIT
    QUICK MEMO

    M/V

    A=B

    CLEAR

    XIT

    KIEZEN VAN EEN BAND
    UP
    LSB
    USB

    DOWN

    CW
    FSK

    QUICK MEMO

    FM
    AM

    MENU

    1

    2

    SPLIT

    TF-SET

    M/V

    A=B

    1MHz

    Als de aanduiding “1MHz” in het display oplicht, drukt u
    eerst op de [1MHz] toets om de 1 MHz intervalfunctie uit
    te schakelen.
    • De aanduiding “1MHz” verdwijnt.
    Druk op de [UP] of [DOWN] toets.
    • Bij langer ingedrukt houden van één van deze toetsen
    zal de zendontvanger de beschikbare banden sneller
    doorlopen.

    N-13



  • Page 20

    4 BASISBEDIENING

    KIEZEN VAN DE MODE

    KIEZEN VAN EEN FREQUENTIE

    Druk op de [LSB/USB], [CW/FSK] of [FM/AM] toets
    afhankelijk van de mode die u wilt gebruiken. De tweede
    functie van iedere toets kunt u inschakelen door tweemaal op
    die toets te drukken. Door bijvoorbeeld meermalen op de
    [LSB/USB] toets te drukken wordt omgeschakeld tussen de
    LSB en USB moden.

    Dit apparaat biedt twee methoden voor het kiezen van een
    frequentie.
    A Handmatige afstemming
    Draai aan de Afstemknop of druk op de
    [UP]/[DWN] toetsen van de microfoon voor het
    nauwkeurig kiezen van de gewenste frequentie.

    LSB
    USB

    CW
    FSK
    QUICK MEMO

    FM
    AM

    In de SSB mode zal de zendontvanger automatisch de LSB
    onderste zijband kiezen voor frequenties onder de 9,5 MHz
    en de USB bovenste zijband voor de 9,5 MHz en hogere
    frequenties, als u de centrale Afstemknop, de MULTI/CH
    regelaar of de [UP]/[DWN] toetsen van de microfoon gebruikt
    voor het overschrijden van de 9,5 MHz. Hetzelfde geldt ook bij
    gebruik van de [UP] of [DOWN] toets op het voorpaneel in de
    1 MHz intervalstand.

    B Directe frequentiekeuze (via het toetsenpaneel)
    Druk op de [ENT] toets en voer dan de waarde van de
    gewenste frequentie rechtstreeks in met de
    nummertoetsen. Zie “DIRECTE FREQUENTIEKEUZE”
    {op blz. 29} voor nadere bijzonderheden.

    INSTELLEN VAN DE SQUELCH

    CH1

    CH2

    1

    2

    3

    ANT

    REC

    FINE

    4

    5

    6

    NB AGC/TONE REV

    7

    De squelch dient voor het onderdrukken van het geluid dat uit
    de luidspreker komt wanneer er geen signaal wordt
    ontvangen. Bij een juiste instelling van de squelch hoort u
    alleen geluid wanneer er ook werkelijk een zender ontvangen
    wordt. Het punt waarbij de achtergrondruis op een frequentie
    net niet meer hoorbaar is (de squelch-drempel) hangt af van
    de frequentie.
    Draai de SQL regelaar naar rechts totdat de
    achtergrondstoring net niet hoorbaar is wanneer er geen
    signaal doorkomt. Veel radio-operators geven er de voorkeur
    aan, de squelch regelaar geheel naar links te draaien en daar
    te laten staan, behalve bij het gebruik van volledige-draaggolf
    afstemming zoals voor FM of AM.

    4

    9

    CLR

    0

    ENT

    VOORPANEEL METER
    De multifunctionele meter dient voor het meten van de
    parameters in de volgende tabel. De diverse meters worden
    automatisch ingeschakeld afhankelijk van de bedrijfstoestand
    van de zendontvanger. De piekwaarden voor de S-meter en
    de ALC, SWR, COMP en PWR functies worden even
    vastgehouden.

    Aanduiding

    SQL

    Ingeschakelde
    functies

    6

    S

    QUICK MEMO

    8

    2

    PWR
    0

    8
    F.LOCK

    Schaal
    IF SHIFT

    CH3

    10

    ALC
    SWR

    Sterkte van het ontvangen
    signaal

    Ontvangst

    Uitgangsvermogen bij zenden Zenden
    Toestand automatische
    Zenden
    niveauregeling
    Staande-golfverhouding
    antennesysteem

    COMP Spraakcompressie-niveau bij
    gebruik van de
    spraakprocessor {zie blz. 32}

    Zenden
    Zenden plus
    SSB/AM/FM mode
    plus [PROC]
    functie AAN

    Opmerking:


    De COMP meter zal alleen werken wanneer de spraakprocessor
    is ingeschakeld bij de SSB, FM of AM mode. Als de COMP meter
    verschijnt, zal de SWR meter verdwijnen.
    ◆ De piek-vasthoudfunctie van deze zendontvanger kan niet
    worden uitgeschakeld.

    N-14



  • Page 21

    4 BASISBEDIENING

    ZENDEN

    3

    De werkwijze voor het zenden verloopt als volgt:

    Opmerking: Het zendvermogen voor de AM mode kan afzonderlijk
    van de andere modes worden ingesteld.

    Druk op de [PWR] toets om de procedure af te sluiten.



    Druk op de [SEND] toets.



    Druk op de [PTT] schakelaar van de microfoon en houd
    deze ingedrukt.

    MICROFOON-GEVOELIGHEID/ VERSTERKING



    Sluit een seinsleutel of “paddle” aan, kies de CW mode,
    druk op de [VOX] toets om de Break-in functie in te
    schakelen en druk op de seinsleutel of de “paddle”.

    De microfoon-gevoeligheid kan nauwkeurig worden ingesteld
    in de SSB of de AM mode. Er kan een apart niveau worden
    ingesteld voor wanneer de spraakprocessor {zie blz. 32}
    ingeschakeld is en wanneer de spraakprocessor
    uitgeschakeld is.
    1

    PF

    ATT

    PRE-AMP

    VOX

    PROC

    SEND

    AT TUNE

    Druk op de [MIC] toets.


    De huidige microfoon-gevoeligheid wordt aangegeven.
    De standaardwaarde is 50.
    MIC

    PWR

    Zie voor nadere bijzonderheden over het zenden de
    beschrijving onder “VERBINDINGEN MAKEN” beginnend
    op blz. 20.

    KEY

    DELAY

    Opmerking: In de CW, FSK of AM mode wordt het draaggolf-niveau

    voor het zenden automatisch ingesteld overeenkomstig de gekozen
    mode.

    2

    KIEZEN VAN HET ZENDVERMOGEN



    Het is verstandig en bovendien bij de wet voorgeschreven,
    om het laagste vermogen te kiezen dat nog een betrouwbare
    communicatie mogelijk maakt. Door het beperkt houden van
    het vermogen vermindert u het risico van interferentie met
    anderen op dezelfde frequentie. Deze zendontvanger biedt de
    mogelijkheid ook tijdens het zenden het uitgangsvermogen
    nog aan te passen.
    1

    Druk op de [SEND] toets of houd de [PTT] schakelaar van
    de microfoon ingedrukt.

    3

    De aanduiding “TX” verschijnt.

    SSB: Terwijl u in de microfoon spreekt, stelt u de
    MULTI/CH regelaar zodanig in dat de ALC meter uitslaat
    overeenkomstig het niveau van uw stem.
    AM: Spreek in de microfoon en stel dan de MULTI/CH
    regelaar zodanig in dat de geijkte vermogenmeter een
    weinig overeenkomstig het niveau van uw stem uitslaat.

    Druk op de [PWR] toets.


    Het huidige zendvermogen wordt aangegeven.

    CH

    MIC

    QUICK MEMO

    PWR

    KEY

    4

    DELAY

    2

    Draai de MULTI/CH regelaar naar links om het
    zendvermogen te verlagen en naar rechts om het
    zendvermogen te verhogen.


    Het zendvermogen verandert zoals aangegeven.

    Druk op de [SEND] toets of laat de [PTT] schakelaar van
    de microfoon los.


    5

    De aanduiding “TX” verdwijnt.

    Druk nogmaals op de [MIC] toets.

    De microfoon-gevoeligheid voor de FM mode wordt ingesteld
    door menu-nummer 17 op te roepen {zie blz. 17} en dan de
    “L” (laag) of “H” (hoog) instelling te kiezen.
    Opmerking:

    CH

    ?
    QUICK MEMO

    ?



    SSB/CW/FSK/FM: Het zendvermogen kan worden
    ingesteld van 5 W t/m 100 W, in stappen van 5 W.



    AM: Het zendvermogen kan worden ingesteld van
    5 W t/m 25 W, in stappen van 5 W.

    Bij gebruik van de los verkrijgbare MC-90 microfoon in de FM
    mode dient de “H” (hoog) instelling te worden gekozen. De
    microfoon-gevoeligheid is namelijk laag in de FM mode waardoor
    de modulatie misschien niet voldoende is.
    Bij gebruik van een microfoon met een ingebouwde versterker
    dient u er goed op te letten dat het uitgangsniveau van de
    versterker niet te hoog is.

    N-15



  • Page 22

    MENU-INSTELLINGEN
    WAARVOOR DIENEN DE MENU’S?

    TOEGANG TOT DE MENU’S

    Diverse functies van deze zendontvanger worden gekozen of
    bijgesteld via een eenvoudige programmering met behulp
    van Instelmenu’s, in plaats van met toetsen op het paneel
    van de zendontvanger. Wanneer u zich eenmaal vertrouwd
    hebt gemaakt met de bediening via het Menusysteem, zult u
    de veelzijdigheid ervan leren waarderen. Het aantal
    mogelijkheden en de aanpassing ervan aan uw eisen is
    immers niet langer gebonden aan de beperkingen van het
    aantal toetsen en regelaars dat op het Voorpaneel van het
    toestel past.

    Volg de onderstaande procedure voor het controleren of
    veranderen van menu-instellingen.
    1

    Druk op de [MENU] toets.


    De aanduiding “MENU” verschijnt.

    MENU A/ MENU B
    Deze zendontvanger beschikt over twee afzonderlijke
    menu’s, aangeduid als menu A en menu B. Deze beide
    instelmenu’s omvatten precies dezelfde functies; ze zijn
    echter geheel afzonderlijk in te stellen.

    2

    Stel dat u bijvoorbeeld uw zendontvanger het liefst gebruikt
    voor twee verschillende activiteiten, waarvoor de
    zendontvanger het best op een ander stel waarden kan
    worden ingesteld. Dan kunt u voor menu A een configuratie
    kiezen met bepaalde zendsignaal-karakteristieken, DSP
    instellingen, programmeerbare toetsen, frequentieintervallen, enz. menu B stelt u voor de andere functie op
    geheel andere eigenschappen en waarden in. Vervolgens
    kunt u de zendontvanger overschakelen tussen menu A en
    menu B, om zo onmiddellijk de configuratie te kiezen die het
    best bij uw activiteit van dat moment past. Ook kunnen deze
    dubbele instellingen bijzonder goed van pas komen als u de
    zendontvanger met een ander deelt. Ieder heeft zijn of haar
    eigen voorkeuren; u zult beiden tot volle tevredenheid met
    het toestel kunnen werken met elk uw eigen menu, voor uw
    persoonlijke configuratie.

    3

    Opmerking: De instelling voor de COM communicatie-parameter
    in menu-nummer 35 geldt voor menu A en menu B.

    N-16

    Druk op de [A/B] toets voor het omschakelen tussen
    menu A en menu B.


    De aanduiding “A” of “B” licht op om aan te geven welk
    menu gekozen is.

    Draai aan de MULTI/CH regelaar om het gewenste menunummer te kiezen.


    Telkens wanneer u een ander menu-nummer kiest,
    verschijnt er een korte beschrijving van het gekozen
    menu-nummer in het display.

    4

    Druk op de [UP] of [DOWN] toets op het voorpaneel of de
    [UP] of [DWN] toets op de microfoon om de geldende
    instellingen voor het gekozen menu-onderdeel te wijzigen.

    5

    Druk op de [MENU] of op de [CLR] toets om het
    instelmenu te verlaten.



  • Page 23

    5 MENU-INSTELLINGEN

    MENU-CONFIGURATIE
    Groep
    Gebruikervoorzieningen

    Menunummer

    Functie

    Keuzemogelijkheden

    Oorspronkelijke
    stand

    Zie
    blz.

    OFF/ d4/ d3/ d2/ d1

    d2

    49

    OFF, 1 t/m 9

    4

    49

    00

    Helderheid van display
    d1: maximaal, d4: minimaal

    01

    Geluidssterkte van pieptonen
    1: minimaal, 9: maximaal

    02

    Frequentiestap voor de [UP]/[DOWN] toetsen in de
    1 MHz intervalstand

    100/ 500/ 1000 kHz

    1000 kHz

    29

    03

    Frequentiestap voor de MULTI/CH regelaar voor de
    SSB, CW, FSK of AM mode

    1/ 5/ 10 kHz

    10 kHz

    29

    04

    Frequentiestap voor de MULTI/CH regelaar voor de
    FM mode

    1/ 5/ 10/ 12,5/
    20/ 25 kHz

    10 kHz

    29

    05

    Afronding van de VFO frequentiewaarden die
    veranderd zijn door gebruik van de MULTI/CH
    regelaar

    ON/ OFF

    ON

    29

    06

    Frequentiestap voor de MULTI/CH regelaar voor de
    AM mode in de AM band

    9 kHz/ 10 kHz

    Zie
    verwijzingsbladzijde

    29

    07

    Geheugen-VFO duplex gebruik (gescheiden
    frequenties)

    ON/ OFF

    OFF

    41

    08

    Instelbare (ON) of vaste (OFF) geheugenkanaalfrequenties

    ON/ OFF

    OFF

    41

    09

    Programma-scan hold

    ON/ OFF

    OFF

    46

    10

    Scan hervattingsmethode

    Tijdsbepaald/
    draaggolf-bepaald

    Tijdsbepaald

    47

    Antennetuner

    11

    Bediening van de antennetuner tijdens de ontvangst
    van signalen

    ON/ OFF

    OFF

    52

    DSP

    12

    Tijdconstante voor ruisonderdrukking 2

    7,5/ 20 ms

    20 ms

    38

    TX

    13

    TX filter-bandbreedte voor SSB of AM mode

    2,4/ 2,0 kHz

    2,4 kHz

    33

    14

    TX equalizer
    OFF: neutraal, Hb: hoog-versterking, FP: formantdoorlaat, bb: laag-versterking, c: conventioneel

    OFF/ Hb/ FP/ bb/ c
    (U: nog niet beschikbaar)

    OFF

    33

    15

    Compressieniveau van de spraakprocessor

    0 t/m 25 dB, in stappen
    van 5 dB

    10 dB

    32

    16

    VOX gevoeligheid/versterking
    0: minimaal, 9: maximaal

    0 t/m 9

    4

    31

    17

    Microfoon-gevoeligheid voor FM mode
    L: laag, H: hoog

    L/ H

    L

    22

    18

    Onhoorbare subtoonfrequentie voor FM mode

    Zie verwijzingsbladzijde

    88,5 Hz

    25

    19

    Type subtoon voor FM mode
    B: burst, C: continu

    B/ C

    Zie
    verwijzingsbladzijde

    25

    20

    CW RX toonhoogte/ TX meeluistertoon-frequentie

    400 t/m 1000 Hz,
    stapjes van 50 Hz

    800 Hz

    21

    21

    TX meeluistertoon-geluidssterkte

    OFF, 1 t/m 9

    5

    21

    22

    Halfautomatische sleutel (“Bug”) functie

    ON/ OFF

    OFF

    35

    23

    Herhaalde weergave

    ON/ OFF

    OFF

    35 en 53

    24

    Tussentijd bij herhaalde weergave

    0 t/m 60 sec.

    10 sec.

    54

    25

    Weergavevolume
    1: minimaal, 9: maximaal

    OFF, 1 t/m 9

    4

    54

    Encorder

    Geheugenkanaal

    Scannen

    CW

    DRU

    N-17



  • Page 24

    5 MENU-INSTELLINGEN
    Keuzemogelijkheden

    Oorspronkelijke
    stand

    Zie
    blz.

    CW automatische gewichtsafstelling

    ON/ OFF

    ON

    34

    27

    CW omgekeerde automatische gewichtsafstelling

    ON/ OFF

    OFF

    34

    28

    Sein-prioriteit boven weergave

    ON/ OFF

    OFF

    35

    29

    FSK verschuiving

    170/ 200/ 425/ 850 Hz

    170 Hz

    26

    30

    Sleuteltoets (ingedrukt) polariteit voor FSK mode

    ON (space)/
    OFF (mark)

    OFF

    26

    31

    Toonfrequenties voor FSK mode
    2125: 2125 Hz mark, 1275: 1275 Hz mark

    2125/ 1275 Hz

    2125 Hz

    26

    32

    Filter-bandbreedte voor digitale bediening
    (alleen SSB en FM mode)

    OFF/ 1200 bps/
    300 bps/ PSK

    OFF

    27

    33

    Audiofrequentie-ingangsniveau voor digitale
    bediening (behalve CW en FSK mode)
    0: minimaal, 2: maximaal

    0/ 1/ 2

    2

    27

    34

    Audiofrequentie-uitgangsniveau voor digitale
    bediening
    0: minimaal, 9: maximaal

    0 t/m 9

    4

    27

    35

    Communicatie-parameters voor COM aansluiting
    Instelling Overdrachtsnelheid (bps) Stop-bits
    1
    1200
    12-1
    1
    2400
    24-1
    1
    4800
    48-1
    2
    4800
    48-2
    1
    9600
    96-1
    1
    19200
    192-1
    1
    38400
    384-1
    1
    57600
    576-1

    96-1

    51

    Groep

    Menunummer

    CW

    26

    Digitale
    functies

    Computerverbinding

    Functie

    12-1/ 24-1/ 48-1/ 48-2/
    96-1/ 192-1/ 384-1/
    576-1
    Opmerking: Voor een
    betrouwbare werking van
    de 38400 en 57600 bps
    overdrachtsnelheden moet
    de seriële poort van uw
    computer deze snelle
    communicatie-parameters
    ondersteunen.

    Gegevensoverdracht

    36

    Inschakelen van de gegevensoverdracht-functie

    ON/ OFF

    OFF

    50

    37

    Methode van ontvangst voor overgebrachte
    gegevens
    ON: Overdracht naar VFO
    OFF: Overdracht naar snelle-toegangsgeheugen

    ON/ OFF

    OFF

    50

    TX

    38

    TX Inhibit (zendblokkering)

    ON/ OFF

    OFF

    33

    39

    Stuurrelais van lineaire versterker

    ON/ OFF

    OFF

    61

    Transverter

    40

    In/uitschakelen van de 50, 144 of 430 MHz
    transverterfunctie

    OFF/ 50/ 144/ 430 MHz

    OFF

    51

    PF

    41

    Programmeren van de [PF] toets op het voorpaneel.

    Zie verwijzingsbladzijde

    51
    (Stem 1)

    49

    42

    Programmeren van de [PF1] toets van de microfoon.

    Zie verwijzingsbladzijde

    64
    ([A/B])

    49

    43

    Programmeren van de [PF2] toets van de microfoon.

    Zie verwijzingsbladzijde

    62
    ([SPLIT])

    49

    44

    Programmeren van de [PF3] toets van de microfoon.

    Zie verwijzingsbladzijde

    65
    ([M/V])

    49

    45

    Programmeren van de [PF4] toets van de microfoon.

    Zie verwijzingsbladzijde

    50
    (Monitor)

    49

    46

    IF filter-bandbreedte

    OFF/
    1800/ 500/ 270 Hz

    OFF

    36

    RX

    N-18



  • Page 25

    5 MENU-INSTELLINGEN
    Groep

    Menunummer

    Functie

    Keuzemogelijkheden

    47

    Geluidssterkte van monitorgeluid van verzonden signaal
    1: minimaal, 9: maximaal

    OFF, 1 t/m 9

    OFF

    33

    48

    Automatische Zero-beating met RIT

    ON/ OFF

    OFF

    21

    49

    Vergrendelde gewichtsafstelling van seinsleutel wijzigen

    2,5:1 t/m 4,0:1

    3,0:1

    35

    50

    RX equalizer
    OFF: neutraal, Hb: hoog-versterking,
    FP: formant-doorlaat, bb: laag-versterking,
    c: conventioneel

    OFF/ Hb/ FP/ bb/ c
    (U: nog niet beschikbaar)

    OFF

    30

    51

    Niveau van ruisonderdrukking 1 wijzigen

    Automatisch, 1 t/m 9

    Automatisch

    38

    Versterking

    OorspronkeZie blz.
    lijke stand

    MENUFUNCTIES GERANGSCHIKT PER
    ONDERWERP
    Gebruik deze tabel om de functie op te zoeken die u wilt
    controleren of veranderen. Raadpleeg “MENUCONFIGURATIE” {op blz. 17} voor nadere bijzonderheden
    betreffende iedere functie.
    Functie

    Menunummer

    VERSTERKER
    Lineaire versterker relais
    ANTENNETUNER (AT)
    RX in/uitschakelen
    PIEPTOON-FUNCTIES
    Geluidssterkte van pieptonen
    CW
    Automatische gewichtsafstelling
    Omgekeerde automatische gewichtsafstelling
    Sein-prioriteit boven weergave
    RX toonhoogte
    Halfautomatische sleutel (“Bug”) functie
    TX meeluistertoon-frequentie
    TX meeluistertoon-geluidssterkte
    GEGEVENSOVERDRACHT
    Inschakelen van gegevensoverdracht
    Overdrachtmethode
    DIGITALE FUNCTIES
    Audiofrequentie-ingangsniveau (MCP/TNC TX)
    Audiofrequentie-uitgangsniveau (MCP/TNC RX)
    Filter-bandbreedte
    DISPLAY
    Helderheid van display
    DRU-3A DIGITAAL OPNAMESYSTEEM (DRS)
    Herhaalde weergave
    Tussentijd bij herhaalde weergave
    Weergavevolume
    DIGITALE SIGNAALVERWERKING (DSP)
    Tijdconstante voor ruisonderdrukking 2
    FM
    Microfoon-gevoeligheid
    Subtoonfrequentie
    Type subtoon

    39
    11
    01
    26
    27
    28
    20
    22
    20
    21
    36
    37
    33
    34
    32
    00
    23
    24
    25
    12
    17
    18
    19

    Functie

    Menunummer

    FREQUENTIESTAPPEN
    MULTI/CH regelaar (SSB, CW, FSK, AM)
    MULTI/CH regelaar (FM)
    MULTI/CH regelaar (alleen voor AM en AM
    uitzending)
    MULTI/CH regelaar (afronding van frequenties)
    [UP]/[DOWN] toetsen
    FSK
    Polariteit (space/mark)
    Verschuiving
    Toon
    GEHEUGENKANALEN
    Geheugen-VFO duplex gebruik (gescheiden frequenties)
    Instelbare/vaste frequenties
    PROGRAMMEERBARE TOETSEN
    [PF] toets
    [PF1] toets van microfoon
    [PF2] toets van microfoon
    [PF3] toets van microfoon
    [PF4] toets van microfoon
    ONTVANGST
    IF filter-bandbreedte
    ACHTERPANEEL
    COM communicatie-parameters
    SCANNEN
    Scan-hold (programma-scan)
    Hervatten (tijdsbepaald/draaggolf-bepaald)
    SPRAAKPROCESSOR
    Compressieniveau
    ZENDEN (TX)
    Bandbreedte (SSB of AM)
    Equalizer
    Inhibit (zendblokkering)
    TRANSVERTER
    In/uitschakelen
    VOX (STEMGESCHAKELDE ZENDFUNCTIE)
    Gevoeligheid/versterking

    03
    04
    06
    05
    02
    30
    29
    31
    07
    08
    41
    42
    43
    44
    45
    46
    35
    09
    10
    15
    13
    14
    38
    40
    16

    N-19



  • Page 26

    VERBINDINGEN MAKEN
    ZENDEN OP SSB
    De SSB of enkele zijband vormt tegenwoordig de meest
    populaire mode op de HF amateurbanden. Dit is niet zo
    verwonderlijk, gezien de beperkte vereisten wat betreft
    bandbreedte en de uitstekende geschiktheid voor langeafstands communicatie bij een minimaal zendvermogen,
    vergeleken met andere spraak-modes. Om deze redenen,
    plus het feit dat de hedendaagse amateur-zendontvangers
    een zeer genietbare geluidskwaliteit leveren, is de SSB de
    keuze van zeer velen op HF.
    Zie tevens “BASISBEDIENING” vanaf blz. 13 voor een
    algemene beschrijving van de ontvangst op de diverse
    moden.
    1

    Kies de gewenste frequentie.

    2

    Druk op de [LSB/USB] toets om te kiezen voor de
    onderste of bovenste zijband.


    3

    Druk op de [MIC] toets om de microfoon-sterkteregeling in
    te schakelen.


    4

    5

    De aanduiding “LSB” of “USB” licht op om aan te
    geven welke zijband gekozen is.

    De huidige microfoon-gevoeligheid wordt aangegeven.

    Houd de [PTT] schakelaar van de microfoon ingedrukt of
    druk op de [SEND] toets.


    De aanduiding “RX” verdwijnt en “TX” licht op.



    Zie “VOX” {op blz. 31} voor nadere bijzonderheden
    over het automatisch overschakelen tussen zenden en
    ontvangen (TX/RX).

    Terwijl u in de microfoon spreekt, stelt u de MULTI/CH
    regelaar zodanig in dat de ALC meter uitslaat
    overeenkomstig het niveau van uw stem.


    Spreek op normale toonhoogte en met normaal
    stemvolume in de microfoon. Als u te luid of te dicht in
    de microfoon spreekt, kan het geluid gaan vervormen,
    waardoor de luisteraar aan de ontvangstkant u minder
    goed zal kunnen volgen.



    Indien gewenst, kunt u de spraakprocessor gebruiken.
    Zie “SPRAAKPROCESSOR” {op blz. 32} voor nadere
    bijzonderheden.

    N-20

    6

    Laat de [PTT] schakelaar van de microfoon los of druk
    weer op de [SEND] toets wanneer u wilt terugschakelen
    naar ontvangst.


    7

    De aanduiding “TX” verdwijnt en “RX” licht op.

    Druk nogmaals op de [MIC] toets om de microfoonsterkteregeling uit te schakelen.

    Zie “NUTTIGE VOORZIENINGEN” vanaf blz. 29 voor nadere
    bijzonderheden betreffende een aantal functies die de
    bediening kunnen vergemakkelijken.



  • Page 27

    6 VERBINDINGEN MAKEN

    ZENDEN OP CW

    AUTOMATISCHE ZERO-BEATING

    De gebruikers van CW mode weten dat deze vorm van
    communicatie ook onder de moeilijkste omstandigheden
    prima blijft werken. En alhoewel de nieuwe digitale functies de
    CW naar de kroon steken als betrouwbaar vervoermiddel bij
    zwaar weer, hebben die digitale functies nog niet zo’n
    jarenlange goede staat van dienst en evenaren ze ook het
    simpele bedieningsgemak van de CW mode nog niet.

    Wanneer u op een CW zender moet afstemmen, gebruikt u
    automatische Zero-beating alvorens u begint te zenden. Bij
    gebruik van deze functie wordt uw zendfrequentie
    automatisch precies aangepast aan de frequentie van het
    station dat u ontvangt. Indien u dit niet doet, is de kans dat het
    andere station u hoort kleiner.
    1

    Deze zendontvanger is uitgerust met een interne
    elektronische sleutel met talrijke functies. Zie
    “ELEKTRONISCHE SLEUTEL” {op blz. 34} voor nadere
    bijzonderheden betreffende het gebruik van deze functies.

    Druk op de [CW TUNE] toets om de automatische Zerobeating in te schakelen.
    • De aanduiding “CW TUNE” verschijnt.

    Zie tevens “BASISBEDIENING” vanaf blz. 13 voor een
    algemene beschrijving van de ontvangst op de diverse
    modes.
    1

    Kies de gewenste frequentie.

    2

    Druk op de [CW/FSK] toets om de CW mode te kiezen.




    De aanduiding “CW” verschijnt.






    3

    4

    Indien gewenst, kunt u op de [REV] toets drukken om
    de ontvangst over te schakelen van de bovenste
    zijband (standaard instelling) naar de onderste zijband.
    De aanduiding “R” licht op.


    2

    Om de automatische Zero-beating te onderbreken, drukt u
    op de [CW TUNE] toets of de [CLR] toets.

    Opmerking:


    Indien RIT {zie blz. 30} gebruikt wordt, kunt u menu-nummer 48
    oproepen en de functie op ON zetten. De automatische Zerobeating zal dan de RIT-verschuivingsfrequentie aanpassen aan
    de zender die u ontvangt. Als de functie op OFF staat, zal de
    automatische Zero-beating de zendfrequentie wijzigen.
    ◆ De automatische Zero-beating kan niet worden ingeschakeld als
    u 1,0 kHz of 2,0 kHz hebt gekozen voor de DSP filterbandbreedte.
    ◆ Bij gebruik van automatische Zero-beating is de aanpassingsfout
    in de meeste gevallen binnen het ±50 Hz bereik.
    ◆ Het is mogelijk dat de automatisch Zero-beating niet werkt als de
    seinsnelheid van de andere zender te langzaam is.

    Druk op de [SEND] toets.


    De aanduiding “RX” verdwijnt en “TX” licht op.



    Instellen van het draaggolf-niveau voor het zenden is
    niet nodig.



    Zie “CW BREAK-IN” {op blz. 34} voor nadere
    bijzonderheden over het automatisch overschakelen
    tussen zenden en ontvangen (TX/RX).

    Begin met zenden.


    5

    Gebruik Zero-beating om uw zendfrequentie precies
    aan te passen aan de frequentie van het station dat u
    ontvangt. Zie “AUTOMATISCHE ZERO-BEATING”.

    Uw zendfrequentie wordt automatisch veranderd zodat
    de toonhoogte van het ontvangen signaal precies
    gelijk is aan de TX meeluister-zijtoon/RX toonhoogtefrequentie die u in de menu-configuratie van uw
    zendontvanger heeft ingesteld. Zie “TX MEELUISTERZIJTOON/ RX TOONHOOGTE-FREQUENTIE”
    hieronder voor verdere informatie.
    Wanneer de aanpassing is voltooid, verdwijnt de “CW
    TUNE” aanduiding.
    Als de aanpassing niet met succes kan worden
    uitgevoerd, wordt de vorige frequentie weer hersteld.

    Bij het zenden hoort u een zijtoon aan de hand
    waarvan u kunt meeluisteren naar hetgeen u uitzendt.
    Zie “TX MEELUISTER-ZIJTOON/ RX
    TOONHOOGTE-FREQUENTIE”.

    Druk nogmaals op de [SEND] toets wanneer u wilt
    terugkeren naar ontvangst.


    De aanduiding “TX” verdwijnt en “RX” licht op.

    Opmerking: Het is mogelijk dat de automatische Zero-beating niet

    werkt als er andere storende signalen op de frequentie aanwezig zijn.

    Zie “NUTTIGE VOORZIENINGEN” vanaf blz. 29 voor nadere
    bijzonderheden betreffende een aantal functies die de
    bediening kunnen vergemakkelijken.

    TX MEELUISTER-ZIJTOON/ RX TOONHOOGTEFREQUENTIE
    De zijtoon bij het zenden is de monitor- of meeluistertoon die
    uw zendontvanger laat horen terwijl u een CW uitzending
    verzorgt. Natuurlijk is het van belang dat u hoort wat u
    uitzendt. Bovendien kunt u hieraan controleren of uw
    seinsleutel-contacten goed sluiten en of de ingebouwde
    elektronische sleutel goed werkt. Ook kunt u zich in het
    seinen oefenen zonder een signaal uit te zenden.
    De ontvangsttoonhoogte is de frequentie van de CW toon die
    u hoort na het afstemmen van uw zendontvanger op de
    maximaal te ontvangen signaalsterkte.
    Bij deze zendontvanger zijn de frequentie van de
    meeluistertoon en de toonhoogte bij ontvangst gelijk en
    samen instelbaar. Kies de frequentie die u het meest
    comfortabel in de oren klinkt via menu-nummer 20.
    Gebruik menu-nummer 21 om de geluidssterkte van de TX
    zijtoon te veranderen. De mogelijke instellingen zijn OFF en
    1 t/m 9. De oorspronkelijke instelling is 4.
    Opmerking: De instelling van de AF regelaar heeft geen invloed op
    de geluidssterkte van de TX zijtoon.

    N-21



  • Page 28

    6 VERBINDINGEN MAKEN

    ZENDEN OP FM

    ZENDEN OP AM

    De FM mode op HF frequenties vormt de oplossing van het
    vraagstuk, hoe bij lange-afstands communicatie via het
    gesproken woord de beste geluidskwaliteit te bereiken.
    Gekoppeld aan het volledig-dempende aspect van FM
    signalen, dat achtergrondruis op de frequentie onderdrukt, is
    FM de beste mode voor het onderhouden van regelmatige
    verbindingen met vrienden.

    Elk van de mode-functies op de HF amateurbanden heeft zo
    haar eigen voordelen. Hoewel de DX lange-afstandscontacten
    op de AM band minder in gebruik zijn, is de geluidskwaliteit bij
    de AM vaak zo goed dat velen daarom deze mode kiezen.

    Zie tevens “BASISBEDIENING” vanaf blz. 13 voor een
    algemene beschrijving van de ontvangst op de diverse modes.



    Op zoek naar anderen die de AM band gebruiken, kunt u het
    beste eerst de volgende frequenties uitproberen:
    3885, 7290, 14286, 21390 en 29000 ~ 29200 kHz

    1

    Kies de gewenste frequentie.

    2

    Druk op de [FM/AM] toets om de FM mode te kiezen.

    Zie tevens “BASISBEDIENING” vanaf blz. 13 voor een
    algemene beschrijving van de ontvangst op de diverse
    modes.



    1

    Kies de gewenste frequentie.

    2

    Druk op de [FM/AM] toets om de AM mode te kiezen.

    De aanduiding “FM” verschijnt.



    3

    4

    De aanduiding “AM” verschijnt.

    Houd de [PTT] schakelaar van de microfoon ingedrukt of
    druk op de [SEND] toets.


    De aanduiding “RX” verdwijnt en “TX” licht op.



    Zie “VOX” {op blz. 31} voor nadere bijzonderheden
    over het automatisch overschakelen tussen zenden en
    ontvangen (TX/RX).

    Spreek op normale toonhoogte en met normaal
    stemvolume in de microfoon.




    3


    4

    Als u te luid of te dicht in de microfoon spreekt, kan het
    geluid gaan vervormen, waardoor de luisteraar aan de
    ontvangstkant u minder goed zal kunnen volgen.
    De FM microfoon-gevoeligheid is instelbaar op “L”
    voor laag of op “H” voor hoog, via menu-nummer 17.
    De oorspronkelijke instelling is “L” voor laag. Deze
    stand zal gewoonlijk voldoende zijn; stel echter in op
    “H” als uit de ontvangen berichten van andere stations
    blijkt dat uw geluidssignaal erg zwak is. De MULTI/CH
    regelaar werkt niet in de FM mode.

    5

    KIEZEN VAN DE FM ZEND-AFWIJKING
    Kies de breedband of smalband zend-afwijking instelling
    overeenkomstig de ontvangst-afwijking selectie van het
    andere station. Zorg dat de juiste instelling wordt gemaakt, om
    vervorming van het geluid of een niet goed verstaanbaar
    signaal aan de ontvangstzijde te voorkomen.
    1

    Druk op de [FM/AM] toets om de FM mode te kiezen.

    2

    Druk op de [FILTER] toets.


    Druk op de [MIC] toets om de microfoon-sterkteregeling in
    te schakelen.

    6

    De huidige filter-instelling wordt aangegeven.

    Houd de [PTT] schakelaar van de microfoon ingedrukt of
    druk op de [SEND] toets.


    De aanduiding “RX” verdwijnt en “TX” licht op.



    Instellen van het draaggolf-niveau voor het zenden is
    niet nodig.



    Zie “VOX” {op blz. 31} voor nadere bijzonderheden
    over het automatisch overschakelen tussen zenden en
    ontvangen (TX/RX).

    Spreek in de microfoon en stel de MULTI/CH regelaar
    zodanig in dat de geijkte vermogenmeter een weinig
    overeenkomstig het niveau van uw stem uitslaat.


    Spreek op normale toonhoogte en met normaal
    stemvolume in de microfoon. Als u te luid of te dicht in
    de microfoon spreekt, kan het geluid gaan vervormen,
    waardoor de luisteraar aan de ontvangstkant u minder
    goed zal kunnen volgen.



    Indien gewenst, kunt u de spraakprocessor gebruiken.
    Zie “SPRAAKPROCESSOR” {op blz. 32} voor nadere
    bijzonderheden.

    Laat de [PTT] schakelaar van de microfoon los of druk
    weer op de [SEND] toets wanneer u wilt terugschakelen
    naar ontvangst.


    7

    3

    Draai aan de MULTI/CH regelaar en kies breed
    (“FM-WID”) of smal (“FM-NAR”).

    4

    Druk op de [FILTER] toets om de procedure af te sluiten.

    Zie “NUTTIGE VOORZIENINGEN” vanaf blz. 29 voor nadere
    bijzonderheden betreffende een aantal functies die de
    bediening kunnen vergemakkelijken.

    N-22

    De huidige microfoon-gevoeligheid wordt aangegeven.

    De aanduiding “TX” verdwijnt en “RX” licht op.

    Druk nogmaals op de [MIC] toets om de microfoonsterkteregeling uit te schakelen.

    Zie “NUTTIGE VOORZIENINGEN” vanaf blz. 29 voor nadere
    bijzonderheden betreffende een aantal functies die de
    bediening kunnen vergemakkelijken.



  • Page 29

    SPECIALE COMMUNICATIEFUNCTIES
    DUPLEX-BEDIENING
    (GESCHEIDEN FREQUENTIES)
    Bij de communicatie met andere zenders kunt u gewoonlijk
    dezelfde frequentie gebruiken voor ontvangst en zenden. U
    kiest dan slechts één frequentie op VFO A of VFO B.
    Wanneer u echter duplex-bediening toepast, kiest u een
    frequentie voor ontvangst en een andere frequentie voor
    zenden. Dit vereist twee VFO’s. Hieronder wordt een geval
    beschreven waarbij duplex-bediening met gescheiden
    frequenties gewenst is.
    Wanneer er een zeldzaam of interessant DX-station gehoord
    wordt, is de kans groot dat het station antwoord krijgt van
    talrijke tegenstations op hetzelfde tijdstip. Zo’n grote DX
    toeloop is natuurlijk opwindend, maar kan ook erg inefficiënt
    en frustrerend werken, aangezien het DX-station vaak
    verloren gaat in de storing en verwarring van de vele
    aanroepende stations. Wanneer de zaak uit de hand loopt, is
    het de verantwoordelijkheid van het DX-station om de orde te
    herstellen door aan te kondigen dat men “5 kHz hoger gaat
    luisteren” (gerekend vanaf de huidige zendfrequentie) of
    “tussen de 5 en 10 kHz lager gaat luisteren”.
    1

    Druk op de [A/B] toets om VFO A of VFO B te kiezen.


    2

    De aanduiding “tA” of “tB” verschijnt om aan te
    geven welke VFO gekozen is.

    Kies de gewenste frequentie.


    De gekozen frequentie wordt de zendfrequentie.

    3

    Druk op de [A/B] toets om de andere VFO te kiezen.

    4

    Kies de gewenste frequentie.


    5

    De frequentie gekozen op deze VFO wordt de
    ontvangstfrequentie.

    Druk op de [SPLIT] toets.


    De aanduiding “SPLIT” verschijnt.

    TF-SET (ZENDFREQUENTIE INSTELLEN)
    Met behulp van de TF-SET functie kunt u de zend- en
    ontvangstfrequentie tijdelijk omwisselen. Wanneer de functie
    wordt uitgeschakeld, worden de oorspronkelijke zend- en
    ontvangstfrequenties weer meteen hersteld. Door de TF-SET
    functie te activeren kunt u luisteren op uw zendfrequentie en
    de frequentie veranderen terwijl u ernaar luistert. Dit maakt
    het mogelijk om te controleren of er geen interferentie op de
    nieuw gekozen zendfrequentie is.
    1

    Schakel de hiernaast beschreven duplex-bediening in.

    2

    Houd de [TF-SET] toets ingedrukt. Terwijl u de [TF-SET]
    toets ingedrukt houdt, verandert u de frequentie met de
    Afstemknop of de [UP]/[DWN] toetsen van de microfoon.


    3

    Het toestel ontvangt de frequentie die u kiest. De
    frequentie die wordt aangegeven in het sub-display
    verandert echter niet.

    Laat de [TF-SET] toets los.


    Nu ontvangt u weer op uw oorspronkelijke
    ontvangstfrequentie.

    Het succesvol contact maken met een DX-station in een
    toeloop, of “DX pile-up”, is vaak afhankelijk van uw timing bij
    het aanroepen, op een vrije frequentie. En de beste manier
    om er achter te komen of een bepaalde frequentie vrij is, is
    met de TF-SET functie. Druk op TF-SET toets om uw
    ontvangst- en zendfrequentie om te wisselen, en luister. Na
    de functie enkele malen gebruikt te hebben, zult u het ritme
    van het DX-station en de omringende filevorming al gauw
    doorzien.
    Kies aan de hand van uw ondervinding dan een relatief
    ongebruikte zendfrequentie en tracht daarop te zenden op
    een moment dat het DX-station luistert, maar dat er maar
    weinig andere stations zenden. Hoe verder u zich bekwaamt
    in het gebruik van deze functie, des te meer kans zult u
    hebben op succesvolle DX contacten.
    Opmerking:






    6

    Druk op de [A/B] toets voor het omwisselen van de
    ontvangst- en zendfrequentie.

    Druk op de [SPLIT] toets om te stoppen met duplexbediening (gescheiden frequenties).


    De aanduiding “SPLIT” verdwijnt.





    Door op de [F.LOCK] toets te drukken voor u de TF-SET functie
    gebruikt, voorkomt u dat de ontvangstfrequentie ongewild wordt
    veranderd door indrukken van een verkeerde toets.
    Tijdens het zenden zal de TF-SET functie niet werken.
    Als u een geheugenkanaal (uitgezonderd kanaal 90 t/m 99) hebt
    opgeroepen, dient u menu-nummer 08 op ON te zetten alvorens
    u de TF-SET functie kunt gebruiken om de frequentie van het
    geheugenkanaal te veranderen.
    Een RIT frequentieverschuiving wordt niet toegevoegd; een XIT
    frequentieverschuiving zal echter wel aan de zendfrequentie
    worden toegevoegd.
    De TF-SET functie is ook te gebruiken tijdens het werken met
    dezelfde TX/RX zend/ontvangstfrequentie (“non-split”).

    Als u menu-nummer 07 op ON instelt, kunt u een
    geheugenkanaal oproepen om te gebruiken voor ontvangst of
    zenden. Zie de paragraaf “GEHEUGEN-VFO DUPLEX
    GEBRUIK” onder “GEHEUGENFUNCTIES” {op blz. 41} voor
    nadere bijzonderheden.
    Opmerking: Als u gescheiden frequenties van twee verschillende
    banden instelt voor CW bediening, kies dan Semi Break-in.

    N-23



  • Page 30

    7 SPECIALE COMMUNICATIEFUNCTIES

    FM ZENDEN MET REPETEERZENDERS
    (REPEATERS)
    De meeste amateurradio-repeteerzenders maken gebruik van
    een verschillende ontvangst- en zendfrequentie. De
    zendfrequentie kan hoger of lager zijn dan de
    ontvangstfrequentie. Ook vereisen sommige repeteerzenders
    dat de zendontvanger een subtoon uitzendt voordat de
    repeteerzender gebruikt kan worden.
    Vergeleken met de gebruikelijke simplex communicatie, zult u
    via repeteerzenders vaak veel verder komen.
    Repeteerzenders staan meestal opgesteld op een berg, een
    heuvelrug of tenminste een hoge mast. Ze werken met een
    hoger ERP vermogen (Effective Radiated Power) dan het
    doorsnee amateurstation. Deze combinatie van hoogte en
    ERP vermogen zorgt voor een veel grotere draag- en
    reikwijdte van de communicatie.
    De HF repeteerzenders werken alleen op de 29 MHz FM subband. Deze speciale dienstverlening verenigt de voordelen
    van FM afstemming, heldere ontvangst met nauwelijks ruis en
    interferentie, met het opwindende aspect van de HF DX
    (lange-afstands) communicatie. Zelfs op een rustige dag biedt
    de 10-meter FM betrouwbare lokale communicatie, met
    daarbij het potentieel om over te schakelen, wanneer u maar
    wilt, op DX contacten met andere landen en de halve wereld
    rond.

    1

    Druk op de [A/B] toets om VFO A of VFO B te kiezen.


    2

    Kies de gewenste frequentie.


    3

    29,620 MHz

    29,620 MHz

    Om de frequentie die u in stap 2 gekozen heeft te
    kopiëren naar de andere VFO, drukt u op de [A=B]
    toets alvorens op de [A/B] toets te drukken.

    Kies de gewenste frequentie.


    De frequentie gekozen op deze VFO wordt de
    ontvangstfrequentie.

    6

    Druk op de [FM/AM] toets om de FM mode te kiezen.

    7

    Druk op de [SPLIT] toets.

    8



    De aanduiding “SPLIT” verschijnt.



    Druk op de [A/B] toets voor het omwisselen van de
    ontvangst- en zendfrequentie.

    Kies de subtoon-frequentie via menu-nummer 18 en 19.


    29,520 MHz
    88,5 Hz

    De aanduiding “FM” verschijnt.

    Druk op de [A/B] toets om de andere VFO te kiezen.


    5

    De gekozen frequentie wordt de zendfrequentie.

    Druk op de [FM/AM] toets om de FM mode te kiezen.


    4

    De aanduiding “tA” of “tB” verschijnt om aan te
    geven welke VFO gekozen is.

    9

    Zie “KIEZEN VAN DE SUBTOON-FREQUENTIE” en
    “CONTINUE OF BURST SUBTOON?” voor nadere
    bijzonderheden betreffende de subtoon.

    Druk op de [AGC/TONE] toets om de subtoon-functie te
    activeren.


    De aanduiding “T” verschijnt.



    Druk tweemaal op de [AGC/TONE] toets om de
    subtoon-functie uit te schakelen.

    29,520 MHz
    88,5 Hz

    10 Druk op de [SPLIT] toets om te stoppen met duplexbediening (gescheiden frequenties).

    ARRL 10-METER BAND TOEWIJZING

    1

    Frequentiegebied (kHz)

    Afstemfunctie/Activiteit

    28000~28070

    CW

    28070~28150

    RTTY

    28120~28189

    Packet-radio

    28190~28300

    Bakens

    28300~29300
    (29000~29200)

    Telefoon
    (AM)

    29300~29510

    Satelliet-downlinks

    29510~29590

    Omzetter-ingangssignalen1

    29600

    FM simplex oproepen

    29610~29700

    Omzetter-uitgangssignalen1

    Repeteer-frequentieparen (in/uitgangssignaal):
    29520/29620, 29540/29640, 29560/29660,
    29580/29680

    N-24

    De aanduiding “SPLIT” verdwijnt.

    Als u menu-nummer 07 op ON instelt, kunt u een
    geheugenkanaal oproepen om te gebruiken voor ontvangst of
    zenden. Zie de paragraaf “GEHEUGEN-VFO DUPLEX
    GEBRUIK” onder “GEHEUGENFUNCTIES” {op blz. 41} voor
    nadere bijzonderheden.
    De gegevens die u gekozen heeft in stap 1 t/m 9, met
    uitzondering van de tijdsduur van de subtoon, kunt u in het
    geheugen vastleggen. Zie “DUPLEX KANALEN, VOOR
    GESCHEIDEN FREQUENTIES” {op blz. 40}.
    Opmerking:


    Bij het zenden via een repeteerzender kan het luid in de
    microfoon spreken een overmatige uitslag veroorzaken,
    waardoor uw signaal via de repeteerzender door “talk-off” weg
    kan vallen.
    ◆ Om de subtoon-frequentie te controleren die in een
    geheugenkanaal is vastgelegd, roept u het gewenste
    geheugenkanaal op en kiest dan menu-nummer 18.



  • Page 31

    7 SPECIALE COMMUNICATIEFUNCTIES
    KIEZEN VAN DE SUBTOON-FREQUENTIE

    GEBRUIK VAN HET FM CTCSS SYSTEEM

    Sommige 10-meter FM repeteerzenders vereisen dat de
    zendontvanger een subtoon uitzendt, om te voorkomen dat
    andere repeteerzenders op dezelfde frequentie in elkanders
    vaarwater geraken. Deze subtoon-frequentie hangt af van de
    repeteerzender waar u toegang tot wilt krijgen. In Europa
    wordt over het algemeen een toon van 1750 Hz gebruikt voor
    de toegang tot repeteerzenders.

    CTCSS is de afkorting voor Continuous Tone Coded Squelch
    System. De CTCSS maakt gebruik van een door u gekozen,
    niet hoorbare toon die tijdens het zenden over het
    uitgezonden signaal wordt gemoduleerd.

    Kies de vereiste subtoon-frequentie via menu-nummer 18. De
    oorspronkelijke instelling is 88,5 Hz. De beschikbare
    frequenties staan in onderstaande tabel aangegeven.
    Nr.

    Freq.
    (Hz)

    Nr.

    Freq.
    (Hz)

    Nr.

    Freq.
    (Hz)

    Nr.

    Freq.
    (Hz)

    01

    67,0

    11

    97,4

    21

    136,5

    31

    192,8

    02

    71,9

    12

    100,0

    22

    141,3

    32

    203,5

    03

    74,4

    13

    103,5

    23

    146,2

    33

    210,7

    04

    77,0

    14

    107,2

    24

    151,4

    34

    05

    79,7

    15

    110,9

    25

    156,7

    06

    82,5

    16

    114,8

    26

    07

    85,4

    17

    118,8

    27

    08

    88,5

    18

    123,0

    09

    91,5

    19

    10

    94,8

    20

    Veronderstel dat de stations “A”, “B” en “C” zijn
    geprogrammeerd met een bepaalde subtoon-frequentie.
    Wanneer nu station “A” een oproep uitzendt, opent de squelch
    alleen op station “B” en “C”. Er kan zo dus op een eenvoudige
    wijze worden bepaald welke stations een bepaalde uitzending
    zullen ontvangen.
    1

    Druk op de [A/B] toets om VFO A of VFO B te kiezen.


    De aanduiding “tA” of “tB” verschijnt om aan te
    geven welke VFO gekozen is.

    2

    Kies de gewenste subtoon-frequentie via
    menu-nummer 18.

    218,1

    3

    Kies de frequentie.

    35

    225,7

    4

    Druk op de [FM/AM] toets om de FM mode te kiezen.

    162,2

    36

    233,6

    167,9

    37

    241,8

    28

    173,8

    38

    250,3

    127,3

    29

    179,9

    39

    1750

    131,8

    30

    186,2



    De aanduiding “FM” verschijnt.

    5

    Draai aan de SQL regelaar om de squelch in te stellen.

    6

    Druk meermalen op de [AGC/TONE] toets totdat de
    aanduiding “CTCSS” verschijnt.

    Opmerking: Gebruik nr. 01 t/m 39 aangegeven in de bovenstaande
    tabel bij het kiezen van subtoon-frequenties via de computer
    {zie blz. 51}.

    CONTINUE OF BURST SUBTOON?
    Naast de keuze van een frequentie voor de subtoon, dient u
    tevens de juiste duur van de subtoon te kiezen. De continue
    instelling geeft de subtoon voortdurend door, zolang de
    zendontvanger blijft zenden. De burst subtoon-instelling zendt
    slechts een 500 ms korte subtoon, telkens wanneer de
    zendontvanger begint met zenden.


    7

    Druk nogmaals op de [AGC/TONE] toets om de
    CTCSS functie uit te schakelen.

    Als u een oproep ontvangt:
    De squelch in uw zendontvanger opent alleen wanneer de
    gekozen subtoon wordt ontvangen.

    Kies voor de continue of burst subtoon via menu-nummer 19.
    De oorspronkelijke instelling is continue subtoon (behalve
    voor sommige Europese uitvoeringen).

    Als u zelf een oproep wilt maken:
    Houd de [PTT] schakelaar van de microfoon ingedrukt of
    druk op de [SEND] toets.


    De gekozen subtoon wordt samen met het signaal
    uitgezonden.

    Opmerking:


    Bij duplex-bediening (gescheiden frequenties) dient u de FM
    mode op beide VFO’s in te schakelen om de CTCSS te kunnen
    gebruiken.
    ◆ Tijdens het kiezen van de 1750 Hz subtoon kan de CTCSS niet
    worden ingeschakeld.
    ◆ Bij het zenden van een 1750 Hz subtoon wordt het
    ingangssignaal van de microfoon gedempt.

    N-25



  • Page 32

    7 SPECIALE COMMUNICATIEFUNCTIES

    DIGITALE FUNCTIES

    6

    Sedert de Multimode Communication Processors (MCP) een
    zekere populariteit hebben verworven, houden veel radioamateurs zich enthousiast bezig met de diverse digitale
    functies. Als radio-amateur beschinkt u nu over meer kracht
    en flexibiliteit dan ooit, met de functies van de MCP en de
    zendontvanger als uw communicatiebasis.
    U kunt bijvoorbeeld deelnemen aan de informele sfeer van
    kameraadschap die op de RTTY te vinden is, met een
    uitstapje via de Packet-radio naar een RBBS (Radio Bulletin
    Board System) om een “shareware” programma waarover u
    gehoord hebt op te pikken, en dan doorgaan naar de AMTOR
    of PacTOR om een brief te posten in de regionale postbus.
    Daarna schakelt u vlot even door naar G-TOR™ of Clover
    voor een supersnelle uitwisseling van bestanden met een
    vriend.
    7

    RTTY (SEINEN MET FREQUENTIEVERSCHUIVING)
    Bij radio-teletype gebruik worden frequentieverschuiving
    (FSK) en de 5-bit Baudot-code of de 7-bit ASCII-code
    toegepast om informatie te verzenden.
    Zie “RTTY” {op blz. 61} onder “AANSLUITEN VAN
    RANDAPPARATUUR” voor nadere bijzonderheden
    betreffende het aansluiten van de radio-teletype apparatuur.
    1

    2



    De aanduiding “R” verschijnt naast “FSK”.



    Gewoonlijk wordt de onderste zijband gebruikt voor
    FSK.



    Druk nogmaals op de [REV] toets om terug te
    schakelen naar de onderste zijband.

    Volg de aanwijzingen van uw MCP of RTTY apparatuur
    voor de intoets-volgorde op uw RTTY toetsenbord om in
    te stellen op de zendfunctie.


    De aanduiding “RX” verdwijnt en “TX” licht op.



    Om handmatig op zenden in te stellen, drukt u op de
    [SEND] toets.

    Start het verzenden van gegevens vanaf het toetsenbord.


    Instellen van de zenddraaggolf of het audiofrequentieingangsniveau is niet nodig.



    Gebruik menu-nummer 34 om het audiofrequentieuitgangsniveau in te stellen. Hiervoor kunt u niet de AF
    sterkteregelaar gebruiken.

    Kies de FSK verschuiving via menu-nummer 29.


    De FSK verschuiving is het frequentie-verschil tussen
    ‘mark’ en ‘space’.



    De 170 Hz oorspronkelijke instelling wordt gebruikt op
    de amateur-banden.

    Roep menu-nummer 30 op en kies voor overzenden van
    “ON” (space) of “OFF” (mark) bij indrukken van de
    sleuteltoets.


    3

    8

    Druk op de [REV] toets om over te schakelen op de
    bovenste zijband indien dit nodig is om compatibel te zijn
    met het station waarmee u contact wilt leggen.

    De oorspronkelijke instelling is “OFF” (mark).

    Roep menu-nummer 31 op en kies hoge toon (2125 Hz)
    of lage toon (1275 Hz) voor mark.


    Tegenwoordig wordt gewoonlijk de hoge toon
    (oorspronkelijke instelling) gebruikt.

    4

    Kies de gewenste afstemfrequentie.

    5

    Druk op de [CW/FSK] toets om FSK te kiezen.


    N-26

    De aanduiding “FSK” verschijnt.

    9

    Na afloop van het zenden voert u op het toetsenbord de
    toetsvolgorde in voor het terugkeren naar de ontvangststand.


    De aanduiding “TX” verdwijnt en “RX” licht op.



    Als u in stap 7 op de [SEND] toets heeft gedrukt, druk
    dan nogmaals op de [SEND] toets.
    RTTY FREQUENTIES
    IARU gebied 1
    (Europa/Afrika)
    frequentie (in kHz)

    V.S./Canada
    frequentie (in kHz)

    1838~1842

    1800~1840

    3580~3620

    3605~3645
    (DX: 3590)

    7035~7045

    7080~7100
    (DX: 7040)

    10140~10150

    10140~10150

    14080~14099,5

    14070~14099,5

    18101~18109

    18100~18110

    21080~21120

    21070~21100

    24920~24929

    24920~24930

    28050~28150

    28070~28150



  • Page 33

    7 SPECIALE COMMUNICATIEFUNCTIES
    AMTOR/ PACKET/ PACTOR/ G-TORTM/ CLOVER
    Dankzij hun ingebouwd foutcorrectie-vermogen en grote
    overdrachtsnelheid werken deze protocols veel efficiënter dan
    eerdere vormen van digitale communicatie per machine. De
    G-TOR™ werd speciaal ontwikkeld voor het communiceren
    onder de moeilijkste omstandigheden met ruimtevaartuigen
    tijdens hun missies in het zonnestelsel.

    Betekenis

    Mode
    AMTOR

    AMateur Teleprinting Over Radio

    Packet

    Pakketvormige gegevensoverdracht per
    AX.25 protocol

    PacTOR
    TM

    Packet Teleprinting Over Radio

    G-TOR

    Golay-coded Teleprinting Over Radio

    Clover

    Klaverblad, naar de vorm van een accuraat
    afgestemd signaal bij weergave op een
    monitorscherm.

    Op de meeste HF banden wordt gebruik gemaakt van de
    audiofrequentie-verschuiving seinmethode (AFSK). Zoals de
    naam al zegt, werkt deze modulatiemethode met
    audiosignalen, zodat u dient af te stemmen op de LSB of USB
    zijband. Gewoonlijk wordt de LSB onderste zijband gebruikt,
    net als voor RTTY, met uitzondering echter van het AMTOR
    protocol, dat de USB zijband benut.
    In een aantal landen staan de autoriteiten het F2 gebruik op
    bepaalde frequenties van de 10-meter band toe. Voor deze
    toepassing kiest u de FM afstemming.
    Zie “MCP EN TNC” {op blz. 62} onder “AANSLUITEN VAN
    RANDAPPARATUUR” voor nadere bijzonderheden
    betreffende het aansluiten van de apparatuur.
    Opmerking:
    ◆ Bij gebruik van de SSB of FM mode voor digitale functies dient u

    de spraakprocessor uit te schakelen. Tevens moet bij gebruik van
    de SSB mode een snelle AGC instelling worden gekozen.
    ◆ Wanneer u een van de filters kiest (niet de OFF instelling) in
    menu-nummer 32, mag u niet de RX equalizer via menu-nummer
    50 inschakelen. De oorspronkelijke instelling voor menu-nummer
    50 is OFF.
    ◆ Zet menu-nummer 32 op OFF voor een spraakfunctie, aangezien
    de beschikbare filters hier te smal voor zijn.

    1

    Kies de geschikte filter-bandbreedte via
    menu-nummer 32.


    De oorspronkelijke instelling is OFF.

    2

    Kies de gewenste frequentie.

    3

    Druk op de [LSB/USB] toets om te kiezen voor de
    onderste of bovenste zijband.

    4



    Voor gebruik van de F2 functie stelt u in op de FM
    mode met een druk op de [FM/AM] toets.



    Als u in stap 1 een van de filters heeft gekozen, (niet
    de OFF instelling), verschijnt “FSK” bij de aanduiding
    “LSB”, “USB”, of “FM”.

    Verlaat de calibratie of ijkingsfunctie.


    7

    Gebruik menu-nummer 34 om het audiofrequentieuitgangsniveau in te stellen.


    8

    De aanduiding “TX” verdwijnt en “RX” licht op.

    Hiervoor kunt u niet de AF sterkteregelaar gebruiken.

    Start het verzenden van opdrachten en gegevens.


    De zendontvanger zal telkens even kort gaan zenden
    voor het doorsturen van uw opdrachten en gegevens,
    en ook wanneer het toestel de uitzending van een
    ander station ontvangt.

    Hieronder ziet u de snelheid van de gegevensoverdracht en
    het type modulatie dat wordt toegepast voor de HF Packetcommunicatie.

    Mode

    Overdracht-snelheid

    Type modulatie

    USB & LSB

    300 bps
    (AFSK)

    F1

    USB & LSB

    1200 bps
    (PSK)

    F1

    FM

    1200 bps
    (AFSK)

    F2

    Opmerking: In een aantal landen kan F2 modulatie bij 1200 bps
    gebruikt worden op de 10-meter band. Neem contact op met de
    nationale vereniging voor radio-amateurs voor een overzicht van de
    afstembanden dat de toewijzing van de verschillende soorten
    modulatie aangeeft.

    PACKET-FREQUENTIES
    IARU gebied 1
    (Europa/Afrika)
    frequentie (in kHz)

    V.S./Canada
    frequentie (in kHz)



    1800~1830

    3590~3600

    3620~3635

    Digitale band

    7080~7100

    Digitale band

    10140~10150

    14089~14099, 14101~14112

    14095~14099,5

    Digitale band

    18105~18110

    21100~21120

    21090~21100

    Digitale band



    28120~28150, 29200~29300

    28120~28189

    De AMTOR activiteit treft u aan op of bij de 14075 en
    3637,5 kHz. Dit zijn ook de beste frequenties om te zoeken
    naar PacTOR, G-TOR™, en Clover stations.

    Volg de aanwijzingen van uw TNC of MCP apparatuur en
    schakel de calibratie of ijkingsfunctie in om een markconditie te genereren.


    5

    6

    De aanduiding “RX” verdwijnt en “TX” licht op.

    Gebruik menu-nummer 33 voor het instellen van het juiste
    audiofrequentie-ingangsniveau.


    Kies het laagste ingangsniveau waarbij de ALC meter
    nog uitslaat.

    N-27



  • Page 34

    7 SPECIALE COMMUNICATIEFUNCTIES

    “SLOW SCAN TV”/ FACSIMILE

    SATELLIET-AFSTEMMING

    De SSTV beleeft de laatste tijd een periode van groeiende
    populariteit, door het sterk toenemend aantal personal
    computers. Met behulp van deze techniek kunt u stilstaande
    zwart-wit of kleurenbeelden overzenden en ontvangen. Waar
    u tot dusverre uw best deed om een passende beschrijving
    van uw station te geven, kunt u nu uw shack vol trots aan den
    volke tonen. Om dit te doen, heeft u een scan-converter nodig
    om de videobeelden om te zetten in audiosignalen, die
    vervolgens naar de zendontvanger worden gestuurd. Of, om
    eenvoudiger te beginnen, gebruik enkel uw computer samen
    met in de handel verkrijgbare programmatuur om deze taak
    uit te voeren. Een TV-toestel en videocamera, komen tevens
    van pas.

    Alhoewel deze minder gebruikt wordt dan de VHF/UHF
    satelliet-afstemming, zult u zonder bezwaar ook op de HF
    banden satelliet-afstemming kunnen gebruiken, afhankelijk
    van welke satellieten er op dat moment in omloop rond de
    aarde zijn. Wanneer de HF propagatie niet goed is, kunnen de
    satellieten een goede oplossing bieden voor een betrouwbare
    verbinding. Zelfs zo betrouwbaar, dat u wellicht de satellietverbinding gaat verkiezen boven de uiteindelijk nogal lukrake
    “gewone” communicatie via de ionosfeer.

    SSTV FREQUENTIES

    IARU gebied 1
    (Europa/Afrika)
    frequentie (in kHz)

    V.S./Canada
    frequentie (in kHz)

    3730~3740

    3845

    7035~7045

    7171

    14225~14235

    14230

    21335~21345

    21340

    28675~28685

    28680

    De hoge resolutie die mogelijk is met facsimile (fax) stelt u in
    staat scherpere gedetailleerde beelden uit te wisselen dan de
    SSTV kan bieden. Vanwege de langere tijd die het verzenden
    van een fax vereist, is het aanbevolen deze zendmethode
    slechts te gebruiken wanneer de omstandigheden op de band
    gunstig zijn, met krachtig doorkomende signalen.
    Volgende frequenties zijn populair voor de fax:


    7245, 14245, 21345 (Internationaal Net), 28945 kHz

    Voor de bediening van de SSTV of fax is het voornamelijk van
    belang dat u de functies van de computer-programmatuur of
    de speciale apparatuur voor deze toepassingen leert
    gebruiken. Raadpleeg hiervoor de handleiding die bij de
    programmatuur of de apparatuur wordt geleverd.
    Opmerking: Zowel voor de SSTV als voor de fax kunt u het best
    een snelle AGC instelling kiezen en de spraakprocessor uitschakelen
    om de beste resultaten te verkrijgen.

    N-28

    Een voorbeeld van een “Mode K” satelliet met zowel zend- als
    ontvangstfrequenties (“uplink en downlink”) op de HF band is
    de Radio Sputnik 12 (RS-12). Gelanceerd in het begin van de
    jaren 90, bevindt deze satelliet zich nu in een lage
    omloopbaan rond de aarde, met korte gelegenheid tot
    communicatie terwijl hij vliegensvlug bij u overkomt. Deze
    satelliet accepteert SSB enkele-zijband en CW signalen op de
    15-meter band en geeft ze weer op de 10-meter band.
    Uw zendontvanger is ook geschikt voor communicatie met de
    “Mode A” satellieten, die werken met een VHF uplink en een
    HF downlink, mits u beschikt over een SSB/CW
    zendontvanger voor de VHF.
    Bent u geïnteresseerd in de “Mode K” satelliet-afstemming,
    neem dan rechtstreeks of via de internet home-page contact
    op met de AMSAT (Radio Amateur Satellite Corporation).
    Deze wereldwijde groep satelliet-exploitanten steunt de bouw
    en het veelzijdig gebruik van satellieten. Via de AMSAT kunt u
    zich op de hoogte stellen van de meest recente
    ontwikkelingen omtrent de “Mode K” en “Mode A” satellieten
    die op het moment hun banen om de aarde trekken.



  • Page 35

    NUTTIGE VOORZIENINGEN
    ONTVANGST

    2

    Druk op de [UP] of [DOWN] toets.


    KIEZEN VAN DE GEWENSTE FREQUENTIE
    Naast het gebruik van de Afstemknop of het indrukken van
    de [UP]/[DWN] toetsen op de microfoon zijn er diverse
    andere methoden voor het kiezen van de gewenste
    frequentie. Hieronder worden deze methoden, die u zowel
    moeite als tijd kunnen besparen, beschreven.

    3

    2

    Druk op de nummertoetsen [0] ~ [9] om de gewenste
    frequentie in te voeren.
    • Wanneer u tijdens het invoeren op de [ENT] toets
    drukt, wordt er automatisch voor de nog niet
    ingevoerde cijfers een reeks nullen toegevoegd,
    waarmee de frequentie-invoer dan compleet is.
    • Om bijvoorbeeld 1,85 MHz in te voeren, moet u
    eerst op [0] drukken voor de 10 MHz tientallen
    (eerste cijfer), aangezien het ook mogelijk is om
    18,5 MHz in te voeren.
    • Als u op een verkeerde cijfertoets drukt, kunt u
    terugkeren naar de vorige frequentie met een druk
    op de [CLR] toets.

    Opmerking:








    Sommige cijfers kunnen niet worden ingevoerd op de plaats
    voor de 10 MHz tientallen (eerste cijfer). Wanneer u als
    eerste een cijfer invoert dat niet toegestaan is op die plaats,
    komt dit automatisch op de plaats voor de 1 MHz eenheden
    te staan.
    Bij invoeren van het laatste cijfer voor de 10 Hz zal er
    automatisch voor het 1 Hz cijfer een 0 worden toegevoegd,
    zodat de frequentie-invoer compleet is. Het 1 Hz cijfer zal
    niet worden aangegeven.
    Als u een frequentie invoert die buiten het afstembereik van
    de zendontvanger valt, klinkt er een waarschuwingstoon. De
    ingevoerde frequentie wordt niet geaccepteerd.
    Bij het accepteren van een ingevoerde frequentie worden de
    RIT en de XIT automatisch uitgeschakeld, maar de RIT of
    XIT frequentie zal niet veranderen.
    Na het oproepen van geheugenkanaal nummer 90 t/m 99
    waarin de begin- en eindfrequenties zijn vastgelegd, kunt u
    de ontvangstfrequentie binnen het geprogrammeerde bereik
    wijzigen met de directe frequenfiekeuze.

    Druk nogmaals op de [1MHz] toets om de
    oorspronkelijke functie te herstellen.


    De aanduiding “1MHz” verdwijnt.

    Indien u de voorkeur geeft aan 100 of 500 kHz
    intervallen in plaats van 1 MHz, kunt u dit via menunummer 02 instellen. De oorspronkelijke instelling is
    1 MHz.

    ■ DIRECTE FREQUENTIEKEUZE
    Rechtstreeks invoeren van de frequentie met de
    nummertoetsen is de snelste manier om over te schakelen
    naar een frequentie die ver verwijderd is van uw huidige
    frequentie.
    1 Druk op de [ENT] toets.
    • De aanduiding “- - . - - - . - -” verschijnt.

    Bij het ingedrukt houden van één van deze toetsen
    zal de zendontvanger de frequenties sneller
    doorlopen.

    ■ SNEL DOORLOPEN VAN FREQUENTIES
    Om de frequentie snel te verhogen of te verlagen, draait u
    aan de MULTI/CH regelaar. Bij gebruik van deze regelaar
    verandert de frequentie in stappen van 10 kHz.


    Om de grootte van de frequentiestap te veranderen,
    gebruikt u menu-nummer 03 en 04. Voor FM kan
    gekozen worden uit 1 kHz, 5 kHz, 10 kHz, 12,5 kHz,
    20 kHz of 25 kHz; voor de andere moden kan gekozen
    worden uit 1 kHz, 5 kHz en 10 kHz. De oorspronkelijke
    instelling voor beide menu-nummers is 10 kHz.



    Als de frequentie met de MULTI/CH regelaar wordt
    veranderd, worden de frequenties zodanig afgerond
    dat deze een veelvoud zijn van de grootte van de
    frequentiestap. Om deze functie uit te schakelen, zet u
    menu-nummer 05 op OFF.



    Op de AM band wordt de frequentiestap automatisch
    op 9 kHz ingesteld (10 kHz bij de modellen voor V.S./
    Canada) voor de AM mode. De frequentiestap kan via
    menu-nummer 06 worden omgeschakeld tussen
    9 kHz en 10 kHz.

    ■ FIJNAFSTEMMING
    Bij gebruik van de centrale Afstemknop verspringt de
    frequentie gewoonlijk in stappen van 10 Hz voor de SSB,
    CW en FSK modes en in stappen van 100 Hz voor de FM
    en AM modes. Indien gewenst, kunt u deze frequentiestap
    omschakelen naar 1 Hz voor de SSB, CW en FSK modes
    en 10 Hz voor de FM en AM modes.
    1

    Druk op de [FINE] toets.


    De aanduiding “FINE” verschijnt.

    ■ GEBRUIK VAN HET 1 MHz INTERVAL
    Bij indrukken van de [UP]/[DOWN] toetsen op het
    voorpaneel veranderen de amateurbanden. U kunt de
    [UP]/[DOWN] toetsen tevens gebruiken om de frequentie
    in stappen van 1 MHz te veranderen.
    1 Druk op de [1MHz] toets.
    • De aanduiding “1MHz” verschijnt.

    2

    Draai aan de Afstemknop om op de gewenste
    frequentie af te stemmen.

    3

    Druk nogmaals op de [FINE] toets om de
    fijnafstemmingsfunctie uit te schakelen.


    De aanduiding “FINE” verdwijnt.

    N-29



  • Page 36

    8 NUTTIGE VOORZIENINGEN
    ■ GELIJKSCHAKELEN VAN DE VFO FREQUENTIES

    (A=B)
    Druk op de [A=B] toets om de frequentie en de
    modulatietoestand van de actieve VFO over te brengen
    naar deactieve VFO.
    1 Kies de frequentie en mode op VFO A of VFO B.
    2 Druk op de [A=B] toets.
    • De frequentie en mode gekozen in stap 1 worden
    gekopieerd naar de inactieve VFO.
    3 Druk op de [A/B] toets als u wilt controleren of de
    frequentie inderdaad gekopieerd is.

    De oorspronkelijke instellingen zijn traag voor SSB, snel voor
    CW, snel voor FSK en traag voor AM.
    1

    We gaan ervan uit dat USB is gekozen.

    2

    Druk op de [AGC/TONE] toets.


    De aanduiding “FAST” verschijnt wat betekent dat een
    snelle schakeltijdfactor is gekozen.

    RIT (RECEIVE INCREMENTAL TUNING)
    RIT biedt u de mogelijkheid uw ontvangstfrequentie tot
    ±9,99 kHz te verstellen, in stappen van 10 Hz tegelijk, zonder
    dat dit invloed heeft op uw zendfrequentie. Wanneer de
    ([FINE]) fijnafstemming is ingeschakeld, zijn de stappen met
    1 Hz nog preciezer. De RIT werkt bij alle modulatie-modes
    even goed en ook zowel voor de VFO afstemming als voor
    frequenties uit de geheugenkanalen.
    1 Druk op de [RIT] toets.
    • De aanduiding “RIT” verschijnt, samen met de RIT
    verschuiving.

    3

    Druk nogmaals op de [AGC/TONE] toets om een trage
    schakeltijdfactor in te stellen.

    RX ONTVANGST-EQUALIZER
    Gebruik de RX equalizer om de ontvangstfrequentie
    karakteristiek van het ontvangen signaal bij te regelen zodat
    het signaal zo duidelijk mogelijk gehoord wordt. Via menunummer 50 kunt u kiezen uit vijf verschillende ontvangstprofielen, met inbegrip van de standaard neutraal-instelling
    (geen bijregeling). Bij het kiezen van een van de volgende
    menu-onderdelen verschijnt “ ” naast het menu-nummer.


    Hogetonen-versterking (Hb):
    Voor het versterken van de hoge tonen; deze instelling
    kunt u gebruiken als uw stem erg laag is.

    2
    3

    Druk op de [CLEAR] toets als u de RIT verschuiving op
    nul wilt terugstellen.
    Draai aan de RIT/XIT regelaar om uw ontvangstfrequentie
    te wijzigen.



    Formant-doorlaat (FP):
    Voor het verbeteren van de helderheid door onderdrukking
    van de audiofrequenties die buiten het normale stemfrequentiebereik vallen.



    Lagetonen-versterking (bb):
    Voor het versterken van de lage tonen; deze instelling
    kunt u gebruiken als u een hoge stem heeft.


    4

    Om de RIT functie uit te schakelen, drukt u nogmaals op
    de [RIT] toets.
    • De ontvangstfrequentie keert terug naar de frequentie
    die gekozen was voordat u stap 1 uitvoerde.

    Conventionele versterking (c):
    3 dB versterking van de audiofrequenties in het bereik
    boven 600 Hz.

    Amplitude
    Conventionele
    versterking
    Formant-doorlaat

    Opmerking:


    Bij gebruik van de geheugenoproepfunctie werkt de RIT alleen bij
    geheugens waarin gegevens zijn vastgelegd.
    ◆ De frequentieverschuiving die u instelt met de RIT/XIT regelaar
    zal ook gelden voor de XIT functie. Bij wijzigen of wissen van de
    RIT frequentiewaarde zal dus ook de XIT frequentieverschuiving
    veranderen.

    Hogetonenversterking
    UIT
    Lagetonenversterking

    AGC (AUTOMATISCHE GEVOELIGHEIDTIJDINSTELLING)
    Wanneer een andere mode als FM is ingeschakeld, kan de
    AGC functie gebruikt worden voor het instellen van de
    tijdconstante voor de automatische gevoeligheidsregeling.
    Bij kiezen van een “trage” schakeltijdfactor zullen de
    gevoeligheidsregeling en de S-meter van de zendontvanger
    traag reageren op grote wisselingen van het ingangssignaal.
    Bij een snelle schakeltijdfactor reageren de gevoeligheid en
    de S-meter sneller. Keuze van een AGC tijdconstante voor
    een snelle reactie is vooral nuttig voor de volgende gevallen:
    • Snel afstemmen
    • Ontvangst van zwakke signalen
    • Ontvangst van snelle CW signalen

    N-30

    0,7

    2,2

    Audiofrequentie
    (kHz)

    Opmerking:


    De keuzemogelijkheid “U” in menu-nummer 50 is nog niet
    beschikbaar. Deze keuzemogelijkheid is in het menu opgenomen
    voor eventueel toekomstig gebruik.
    ◆ Gebruik de bovenstaande afbeelding als referentie. De feitelijke
    profielen kunnen enigszins afwijken als gevolg van factoren zoals
    de IF ontvangstfilters.



  • Page 37

    8 NUTTIGE VOORZIENINGEN

    ZENDEN
    VOX (STEMGESCHAKELD ZENDEN)
    De VOX functie voor stemgeschakeld zenden zorgt dat u niet
    telkens voor het zenden een knop hoeft in te drukken. De
    zendontvanger schakelt hierbij automatisch over op zenden
    zodra het VOX circuit waarneemt dat u in de microfoon
    spreekt.
    Bij het gebruik van de VOX stem-zendfunctie kunt u zich beter
    de gewoonte aankweken om tussen uw zinnen even te
    pauzeren, om de zendontvanger kort te laten terugschakelen
    naar ontvangst. Dan kunt u horen of er al een reactie van
    iemand doorkomt, en u kunt uw gedachten ordenen voor de
    volgende zin. De luisteraar zal ongetwijfeld waarderen dat u
    hem of haar de gelegenheid geeft u van repliek te dienen, en
    denkbeelden die u beter formuleert zullen ook beter
    overkomen.

    ■ WACHTTIJD VOOR HET TERUGSCHAKELEN
    Als de zendontvanger te snel terugschakelt naar
    ontvangst nadat u gestopt bent met praten, is het mogelijk
    dat uw laatste woorden niet worden uitgezonden. Om dit
    te voorkomen, stelt u de wachttijd zodanig in dat uw
    woorden tot het einde toe worden uitgezonden, zonder dat
    de wachttijd echter storend lang is.
    1

    Kies de SSB, FM of AM mode.

    2

    Schakel de VOX functie in.

    3

    Druk op de [DELAY] toets.


    De huidige instelling verschijnt. De oorspronkelijke
    instelling is 50.

    De VOX kan afzonderlijk voor de CW en de andere modes,
    met uitzondering van FSK, worden in- en uitgeschakeld.
    Druk op de [VOX] toets om de VOX stem-zendfunctie
    beurtelings in en uit te schakelen.


    4

    De aanduiding “VOX” licht op wanneer de functie is
    ingeschakeld.

    Spreek in de microfoon op uw normale
    conversatietoon en stel de MULTI/CH regelaar zo in
    dat de zendontvanger overschakelt op ontvangst, kort
    nadat u stopt met praten.


    5

    Het instelbereik loopt van 5 t/m 100 (150 t/m
    3000 ms), in stappen van 5, en er is een OFF
    stand.

    Druk nogmaals op de [DELAY] toets.

    ■ MICROFOON-INGANGSNIVEAU
    Voor een effectief gebruik van de VOX stem-zendfunctie
    dient u eerst de gevoeligheid van het VOX circuit op het
    juiste niveau in te stellen. Dit niveau is de geluidssterkte
    waarbij het VOX circuit de aan- of afwezigheid van
    stemgeluid waarneemt. Bij gebruik van de CW mode kan
    dit niveau niet worden ingesteld.
    1

    Kies de SSB, FM of AM mode.

    2

    Schakel de VOX functie in.

    3

    Roep menu-nummer 16 op.

    4

    Spreek in de microfoon op uw normale
    conversatietoon en bepaal door uitproberen de beste
    instelling (de oorspronkelijke instelling is 4), waarbij de
    zendontvanger vlot overschakelt op zenden, telkens
    wanneer u begint te praten.


    Het instelbereik loopt van 0 t/m 9.



    Bij de beste instelling mag de zendontvanger uw
    eerste woorden niet missen; het toestel mag
    evenwel niet reageren op toevallige
    achtergrondgeluiden.

    Opmerking: U kunt dit menu-onderdeel ook instellen wanneer
    de VOX functie is uitgeschakeld en zelfs tijdens het zenden kan
    dit nog.

    N-31



  • Page 38

    8 NUTTIGE VOORZIENINGEN
    SPRAAKPROCESSOR

    XIT (TRANSMIT INCREMENTAL TUNING)

    De spraakprocessor dient om de aanzienlijke fluctuaties in de
    dynamiek van het stemgeluid naar een gemiddelde waarde af
    te vlakken. Hierdoor kan bij het zenden op de SSB, FM of AM
    een groter gemiddeld uitgangsvermogen voor het zenden
    worden toegepast, hetgeen resulteert in een duidelijker
    signaal. De sterkte van de afvlakking (compressie) kunt u
    naar wens instellen. In de praktijk zult u merken dat het
    inschakelen van de spraakprocessor een beter verstaanbare
    verbinding geeft met verafgelegen stations.

    Net als RIT dat doet voor ontvangst, biedt de XIT functie u bij
    het zenden de mogelijkheid uw frequentie tot ±9,99 kHz te
    verstellen, in stappen van 10 Hz tegelijk, zonder dat dit
    invloed heeft op uw ontvangstfrequentie. Wanneer de ([FINE])
    fijnafstemming is ingeschakeld, zijn de stappen met 1 Hz nog
    preciezer.
    1

    Druk op de [XIT] toets.


    De aanduiding “XIT” verschijnt, samen met de XIT
    verschuiving.

    Spraakprocessor OFF

    Zendvermogen

    Tijd

    2

    Druk op de [CLEAR] toets als u de XIT verschuiving op
    nul wilt terugstellen.

    3

    Draai aan de RIT/XIT regelaar om uw zendfrequentie te
    wijzigen.

    4

    Om de XIT functie uit te schakelen, drukt u nogmaals op
    de [XIT] toets.

    Spraakprocessor ON

    Zendvermogen

    Tijd

    1

    Kies de SSB, FM of AM mode.

    2

    Druk op de [PROC] toets om de spraakprocessor in te
    schakelen.


    De aanduiding “PROC” verschijnt. De SWR meter
    verdwijnt en de COMP meter verschijnt.



    De zendfrequentie keert terug naar de frequentie die
    gekozen was voordat u stap 1 uitvoerde.

    Opmerking: De frequentieverschuiving die u instelt met de RIT/XIT

    regelaar zal ook gelden voor de RIT functie. Bij wijzigen of wissen
    van de XIT frequentiewaarde zal dus ook de RIT
    frequentieverschuiving veranderen.

    3

    4

    Roep menu-nummer 15 op en kies het gewenste
    compressieniveau.


    Het instelbereik loopt van 0 t/m 25 dB, in stappen van
    5 dB. De aanbevolen en oorspronkelijke instelling is
    10 dB.



    Het gebruik van een hogere compressie zal geen
    verdere verbetering in de helderheid of hoorbare
    signaalsterkte opleveren. Extreem gecomprimeerde
    signalen zijn minder verstaanbaar, door het optreden
    van vervorming, en klinken minder prettig dan signalen
    met minder compressie.

    Om de spraakprocessor uit te zetten, drukt u nogmaals op
    de [PROC] toets.


    N-32

    De aanduiding “PROC” verdwijnt. De COMP meter
    verdwijnt en de SWR meter verschijnt.



  • Page 39

    8 NUTTIGE VOORZIENINGEN
    AANPASSEN VAN UW ZENDSIGNAAL

    MONITORFUNCTIE VOOR VERZONDEN SIGNAAL

    De kwaliteit van uw verzonden signaal is belangrijk, ongeacht
    met welke zendactiviteit u zich bezighoudt. Toch is deze factor
    gemakkelijk over het hoofd te zien, omdat u helaas uw eigen
    signaal na uitzending niet kunt horen. De hierna volgende
    paragrafen trachten u echter behulpzaam te zijn bij het zo
    goed mogelijk afregelen van uw zendsignaal.

    Bij communicatie in de SSB, FM of AM mode kunt u
    meeluisteren naar de signalen die u uitzendt, om te
    controleren of de andere stations u duidelijk kunnen horen.
    Deze functie is bijvoorbeeld handig bij het kiezen van een
    geschikt profiel van de TX equalizer.

    ■ AANPASSEN VAN DE ZENDBANDBREEDTE

    (SSB/AM)

    Roep menu-nummer 47 op en kies een getal tussen 1 en 9.
    Hoe groter het getal, hoe hoger het volume van het
    meeluistergeluid. De oorspronkelijke instelling is OFF.
    Opmerking:

    Gebruik menu-nummer 13 om de bandbreedte voor het
    zenden in te stellen op 2,4 kHz (normaal) of 2,0 kHz
    (smal). De oorspronkelijke instelling is 2,4 kHz.
    Ondergrensfrequentie

    Bovengrensfrequentie

    2,4 kHz (normaal)

    300 Hz

    2,7 kHz

    2,0 kHz (smal)

    500 Hz

    2,5 kHz

    Bandbreedte



    Wanneer het volume van het meeluistergeluid erg hoog is of als
    de spraakprocessor ingeschakeld is, bestaat de mogelijkheid dat
    het geluid van de luidspreker door de microfoon wordt opgepikt,
    wat kan resulteren in een rondzingende toon (akoestische
    terugkoppeling). Indien dit gebeurt, dient u de hoofdtelefoon te
    gebruiken.
    ◆ Via de luidspreker hoort u het geluid dat wordt opgepikt voordat
    modulatie heeft plaatsgevonden. De kwaliteit van dit geluid kan
    daarom een weinig verschillen van de kwaliteit van het geluid dat
    de andere stations horen.
    ◆ Deze functie is niet beschikbaar in de CW of FSK mode.
    ◆ De stand van de AF regelaar heeft geen invloed op het volume
    van het meeluistergeluid.

    ■ EQUALIZER VOOR HET VERZONDEN

    AUDIOSIGNAAL (SSB/FM/AM)
    Gebruik menu-nummer 14 om de zendfrequentie
    karakteristiek van uw signaal bij te regelen. U kunt kiezen
    uit vijf verschillende profielen, met inbegrip van de
    standaard neutraal-instelling (geen bijregeling). Bij het
    kiezen van een van de volgende menu-onderdelen
    verschijnt de aanduiding “TX EQ.” op het display.




    Hogetonen-versterking (Hb):
    Voor het versterken van de hoge tonen; deze instelling
    kunt u gebruiken als uw stem erg laag is.
    Formant-doorlaat (FP):
    Voor het verbeteren van de helderheid door
    onderdrukking van de audiofrequenties die buiten het
    normale stem-frequentiebereik vallen.



    Lagetonen-versterking (bb):
    Voor het versterken van de lage tonen; deze instelling
    kunt u gebruiken als u een hoge stem heeft.



    Conventionele versterking (c):
    3 dB versterking van de audiofrequenties in het bereik
    boven 600 Hz.

    Amplitude
    Conventionele
    versterking
    Formant-doorlaat
    Hogetonenversterking

    ZENDBLOKKERING
    De “TX Inhibit” zendblokkering maakt het onmogelijk om de
    zendontvanger op zenden in te stellen. Met deze functie in de
    ON stand kunnen er geen signalen worden uitgezonden.


    Zendblokkering OFF: Zenden is mogelijk.



    Zendblokkering ON: Zenden is niet mogelijk.

    Deze functie kunt u ON en OFF schakelen via menunummer 38. De oorspronkelijke instelling is OFF
    .

    VERANDEREN VAN DE FREQUENTIE TIJDENS HET
    ZENDEN
    Het bijregelen of aanpassen van uw frequentie tijdens het
    zenden is meestal niet aanbevolen, gezien de kans op
    interferentie met andere stations. Indien dit echter toch nodig
    is, kunt u de centrale Afstemknop gebruiken om de
    frequentie te veranderen terwijl u zendt. U kunt tijdens het
    zenden tevens de XIT verschuivingsfrequentie wijzigen.
    Als u tijdens het zenden een frequentie kiest buiten het
    toegestane zendfrequentiebereik, wordt de zendontvanger
    automatisch overgeschakeld op ontvangst. Als u het zenden
    had gestart met een druk op de [SEND] toets, zal de
    uitzending niet hervat worden tot u een nieuwe frequentie
    kiest binnen het toegestane bereik, en tot u weer op de
    [SEND] toets drukt.

    UIT
    Lagetonenversterking

    0,7

    2,2

    Audiofrequentie
    (kHz)

    Opmerking:


    De keuzemogelijkheid “U” in menu-nummer 14 is nog niet
    beschikbaar. Deze keuzemogelijkheid is in het menu opgenomen
    voor eventueel toekomstig gebruik.
    ◆ Gebruik de bovenstaande afbeelding als referentie. De feitelijke
    profielen kunnen enigszins afwijken als gevolg van factoren zoals
    de IF zendfilters.

    N-33



  • Page 40

    8 NUTTIGE VOORZIENINGEN

    CW BREAK-IN

    ELEKTRONISCHE SLEUTEL

    De Break-in functie voor de CW mode stelt u in staat te
    zenden zonder handmatig om te schakelen tussen zenden en
    ontvangst. Er zijn twee verschillende Break-in functies: Semi
    Break-in en Full Break-in.

    Deze zendontvanger is uitgerust met een ingebouwde
    elektronische sleutel die u kunt gebruiken door een “paddle”
    bedieningseenheid aan te sluiten op het achterpaneel van de
    zendontvanger. Zie “AANSLUITINGEN VOOR EEN
    SEINSLEUTEL EN TOETSENBORD VOOR DE CW
    BEDIENING” {op blz. 3} voor nadere bijzonderheden
    betreffende het aansluiten. De ingebouwde sleutel is geschikt
    voor jambische bediening.

    Semi Break-in:
    Met de contacten van de sleutel open wacht de
    zendontvanger automatisch tot de tijd is verstreken die u hebt
    ingesteld. Dan keert de zendontvanger terug naar de
    ontvangst-stand.
    Full Break-in:
    Zodra de contacten van de seinsleutel open gaan, keert de
    zendontvanger terug naar ontvangst.

    GEBRUIK VAN SEMI BREAK-IN OF FULL
    BREAK-IN
    1

    Druk op de [CW/FSK] toets om de CW mode te kiezen.


    2

    De seinsnelheid van de elektronische sleutel kan naar wens
    worden ingesteld. Zorg dat u de juiste snelheid instelt zodat
    de CW berichten foutloos verstuurd worden en deze aan de
    andere zijde zonder problemen kunnen worden gekopieerd.
    Bij een te hoge snelheid bestaat de kans dat er fouten
    ontstaan. Het verdient aanbeveling een snelheid in te stellen
    die zo dicht mogelijk in de buurt is van de snelheid van het
    andere station.
    1

    Druk op de [VOX] toets.


    3

    De aanduiding “CW” verschijnt.

    VERANDEREN VAN DE SEINSNELHEID

    De aanduiding “VOX” verschijnt.


    2

    Druk op de [DELAY] toets.




    Draai aan de MULTI/CH regelaar om Full Break-in te
    kiezen of een wachttijd voor Semi Break-in in te stellen.


    5

    Start het zenden van uw bericht.

    Het instelbereik loopt van 0 t/m 100, in stappen van 2.
    Hoe groter het getal, hoe hoger de snelheid.

    Druk nogmaals op de [KEY] toets om de instelling te
    voltooien.



    De zendontvanger schakelt automatisch over op
    zenden.

    Opmerking: Bij gebruik van de halfautomatische “Bug” functie geldt
    de ingestelde snelheid alleen voor het zenden van punten.



    Als Full Break-in gekozen is: De zendontvanger
    keert meteen terug naar ontvangst zodra de contacten
    van de sleutel open gaan.

    AUTOMATISCHE GEWICHTSAFSTELLING



    6

    4

    De huidige snelheid wordt aangegeven. De
    oorspronkelijke instelling is 20.

    Terwijl u de paddle bedient en naar de zend-zijtoon
    luistert, draait u aan de MULTI/CH regelaar om de juiste
    snelheid in te stellen.


    Het instelbereik voor de wachttijden loopt van 5 t/m
    100 (50 t/m 1000 ms), in stappen van 5.

    De aanduiding “CW” verschijnt.

    Druk op de [KEY] toets.

    De huidige instelling (Full of een wachttijd) verschijnt.
    De oorspronkelijke instelling is Full (“FBk”).

    3
    4

    Druk op de [CW/FSK] toets om de CW mode te kiezen.

    Als Semi Break-in gekozen is: De zendontvanger
    keert terug naar ontvangst nadat de wachttijd die u
    hebt ingesteld is verstreken.

    Druk nogmaals op de [DELAY] toets.

    Opmerking: Full Break-in kan niet worden gebruikt met de

    TL-922/922A versterker.

    De elektronische sleutel kan automatisch de punt/streep ratio
    veranderen, d.w.z. de verhouding van de streep-lengte tot de
    punt-lengte. De afstelling verandert afhankelijk van de
    seinsnelheid zodat men uw seinberichten gemakkelijker kan
    kopiëren.
    Gebruik menu-nummer 26 om de automatische
    gewichtsafstelling op ON of OFF te zetten. De oorspronkelijke
    stand is ON. Wanneer de functie op OFF staat, ligt de
    verhouding automatisch vast op 3:1.

    ■ OMGEKEERDE GEWICHTSAFSTELLING
    Bij de automatische gewichtsafstelling neemt de
    verhouding toe wanneer uw seinsnelheid toeneemt. De
    elektronische sleutel kan de verhouding echter ook laten
    afnemen wanneer de seinsnelheid toeneemt.
    Om deze functie in te schakelen, roept u menunummer 27 op en kiest dan de ON stand. De
    oorspronkelijke stand is OFF.

    N-34



  • Page 41

    8 NUTTIGE VOORZIENINGEN
    WIJZIGEN VAN DE VERGRENDELDE
    GEWICHTSAFSTELLING
    Wanneer de automatische gewichtsafstelling op OFF wordt
    gezet, wordt de punt/streep ratio op 3:1 vergrendeld. Indien
    gewenst, kunt u de waarde van de vergrendelde
    gewichtsafstelling wijzigen. Roep hiervoor menu-nummer 49 op
    en kies de gewenste verhouding. Er zijn 16 instellingen, van 2,5:1
    t/m 4,0:1, die in verkorte vorm op het display worden
    aangegeven. Wanneer bijvoorbeeld “2.7” wordt getoond,
    betekent dit 2,7:1.
    Opmerking: Als de automatische gewichtsafstelling of de Bug-key
    functie ingeschakeld is, geldt de instelling gemaakt in menu-nummer
    49 niet.

    “BUG-KEY” FUNCTIE
    De ingebouwde elektronische sleutel kan tevens gebruikt
    worden als een halfautomatische sleutel. Halfautomatische
    sleutels worden ook wel “Bugs” genoemd. Wanneer de Bugkey functie op ON staat, worden punten op de normale wijze
    door de elektronische sleutel gegenereerd. Strepen worden
    echter handmatig gegenereerd door de gebruiker wanneer
    deze de paddle sluit voor de tijdsduur vereist voor een streep.
    Om deze functie in te schakelen, roept u menu-nummer 22 op en
    kiest dan de ON instelling. De oorspronkelijke instelling is OFF.
    Opmerking: Als de Bug-key functie is ingeschakeld, kan het CW
    berichtengeheugen (zie onder) niet gebruikt worden.

    CW BERICHTENGEHEUGEN
    Deze zendontvanger heeft drie geheugenkanalen voor het
    vastleggen van CW berichten. In ieder geheugenkanaal
    kunnen ongeveer 50 tekens worden vastgelegd. Deze
    geheugenkanalen kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden voor
    het vastleggen van wedstrijd-uitwisselingen die u herhaaldelijk
    wilt uitzenden. U kunt de vastgelegde berichten weergeven
    om deze te controleren of om deze te verzenden.
    De elektronische sleutel is voorzien van een functie voor het
    onderbreken van de weergave en het handmatig invoegen
    van uw eigen seinbericht. Om deze functie in te schakelen,
    roept u menu-nummer 28 op en kiest dan de ON instelling. De
    oorspronkelijke instelling is OFF.
    De elektronische sleutel kan ook het bericht dat u hebt
    vastgelegd herhaaldelijk weergeven. Om deze functie in te
    schakelen, roept u menu-nummer 23 op en kiest dan de ON
    instelling. De oorspronkelijke instelling is OFF.
    Bij herhaalde weergave van berichten kunt u de pauze tussen de
    herhalingen van de berichten-serie veranderen. Roep menunummer 24 op en stel de gewenste tijd in (0 t/m 60 seconden).
    Opmerking:


    Deze functie kan niet worden gebruikt als de Bug-key functie is
    ingeschakeld.
    ◆ Bij de bediening van de sleutel-paddle met menu-nummer 28 op
    OFF wordt de bericht-weergave geannuleerd. Wanneer de berichtweergave niet stopt vanwege de timing van de sein-start, kunt u de
    weergave uitschakelen door op de [CLR] toets te drukken.

    ■ VASTLEGGEN VAN EEN CW BERICHT
    1
    2

    3

    Druk op de [CW/FSK] toets om de CW mode te kiezen.
    • De aanduiding “CW” verschijnt.
    Druk op de [VOX] toets als de aanduiding “VOX” in het
    display oplicht.
    • De aanduiding “VOX” verdwijnt.
    Druk op de [REC] toets.

    4

    Druk op de [CH 1], [CH 2] of [CH 3] toets om het
    gewenste geheugenkanaal te kiezen.

    Begin met zenden met de sleutel-paddle.
    • Het bericht dat u zendt wordt in het geheugen
    vastgelegd.
    6 Druk op de [REC] of [CLR] toets om de procedure af
    te sluiten.
    • Het opnemen stopt automatisch wanneer het
    geheugen vol is.
    Opmerking: Als de paddle niet bediend wordt nadat een
    geheugenkanaaltoets is ingedrukt, zal er een pauze in het kanaal
    worden vastgelegd.
    5

    ■ CONTROLEREN VAN EEN CW BERICHT ZONDER

    DIT TE VERZENDEN
    1

    2

    3

    Druk op de [CW/FSK] toets om de CW mode te
    kiezen.
    • De aanduiding “CW” verschijnt.
    Druk op de [VOX] toets als de aanduiding “VOX” in het
    display oplicht.
    • De aanduiding “VOX” verdwijnt.
    Druk op de [CH 1], [CH 2] of [CH 3] toets om het
    geheugenkanaal te kiezen waarin het bericht is
    vastgelegd.
    • Het bericht wordt weergegeven.
    • Om hierna een bericht weer te geven dat in een
    ander kanaal is vastgelegd, drukt u tijdens de
    weergave van het eerste bericht op de andere
    kanaalnummertoets(en). Op deze wijze kunt u de
    berichten in de drie kanalen achter elkaar
    weergeven.
    • Druk op de [CLR] toets om de weergave te
    onderbreken.

    ■ VERZENDEN VAN EEN CW BERICHT
    U kunt de berichten verzenden met Semi Break-in/
    Full Break-in of met handmatige TX/RX omschakeling.
    1 Druk op de [CW/FSK] toets om de CW mode te
    kiezen.
    • De aanduiding “CW” verschijnt.
    2 Druk op de [VOX] toets om Semi Break-in/Full Breakin te gebruiken. Druk op [SEND] voor handmatige
    TX/RX omschakeling.
    3 Druk op de [CH 1], [CH 2] of [CH 3] toets om het
    geheugenkanaal te kiezen waarin het bericht is
    vastgelegd.
    • Het bericht wordt verzonden.
    • Om hierna een bericht te verzenden dat in een
    ander kanaal is vastgelegd, drukt u tijdens de
    verzending van het eerste bericht op de andere
    kanaalnummertoets(en). Op deze wijze kunt u de
    berichten in de drie kanalen achter elkaar
    verzenden.
    • Druk op de [CLR] toets om het verzenden te
    onderbreken.
    4 Als in stap 2 op de [SEND] is gedrukt, drukt u
    nogmaals op de [SEND] toets om weer over te
    schakelen op ontvangst.

    N-35



  • Page 42

    ONDERDRUKKEN VAN INTERFERENTIE
    IF FILTER

    “IF SHIFT” MIDDENFREQUENTIE-VERSCHUIVING

    IF filters zijn ontworpen om nauwkeurig het bereik van de
    middenfrequenties te kiezen die naar de volgende trap in het
    ontvangstcircuit worden gestuurd. Door een smalle
    bandbreedte in te stellen en/of de middenfrequentie van het
    filter te verschuiven kunt u interferentie van aangrenzende
    zenders op effectieve wijze onderdrukken.

    In de SSB, CW of FSK mode kunt u de middenfrequentie van
    de filter-doorlaatband verschuiven, zonder dat u hiermee de
    ingestelde ontvangstfrequentie verandert. Op deze wijze kunt
    u de interferentie op de aangrenzende zenders verder
    onderdrukken.

    Voor een meer effectieve interferentie-eliminatie gebruikt u de
    IF filters samen met de DSP filters beschreven op blz. 37 en
    38.

    Draai de IF SHIFT regelaar naar links om interferentie te
    elimineren van frequenties die hoger liggen dan het gewenste
    signaal. Draai de IF SHIFT regelaar naar rechts om
    interferentie te elimineren van frequenties die lager liggen dan
    het gewenste signaal.

    VERANDEREN VAN DE IF FILTER-BANDBREEDTE
    Wanneer er interferentie van aangrenzende zenders
    aanwezig is aan beide zijden van het gewenste signaal, kan
    een smalle filter-bandbreedte de beste oplossing zijn om de
    interferentie te elimineren. Veranderen van de filterbandbreedte heeft geen invloed op de ingestelde
    ontvangstfrequentie.
    Om een smal filter te gebruiken in de SSB, CW of FSK mode,
    installeert u de juiste los verkrijgbare filter {zie blz. 58} en kiest
    dan de vereiste instelling in menu-nummer 46.
    In de CW of FSK mode wordt de breed/smal-filter selectie
    automatisch gemaakt overeenkomstig de bandbreedte van de
    DSP filter die u kiest. Zie “AANPASSEN VAN DE
    ONTVANGST-BANDBREEDTE” {op blz. 37} voor nadere
    bijzonderheden. De oorspronkelijke instelling in de SSB of AM
    mode is de ‘brede’ bandbreedte. In de FM mode kan de filterbandbreedte niet worden veranderd.
    Opmerking: Bij gebruik van menu B dient u de juiste filterbandbreedte in te stellen via menu-nummer 46 van menu B.

    Gewenst
    signaal

    NOISE BLANKER STOORPULSONDERDRUKKING
    De Noise Blanker ontstoringsfunctie werd ontwikkeld voor het
    onderdrukken van stoorpulsen zoals die van een autoontsteking. De Noise Blanker werkt niet in de FM mode.
    Druk op de [NB] toets om de Noise Blanker stoorpulsonderdrukking in of uit te schakelen.


    Stoorsignaal

    1

    Kies de SSB of AM mode.

    2

    Druk op de [FILTER] toets.


    Gewenst
    signaal

    Stoorsignaal

    De huidige filter-instelling verschijnt.

    3

    Draai aan de MULTI/CH regelaar om breed (“FIL-WID”) of
    smal (“FIL-NAR”) te kiezen.

    4

    Druk op de [FILTER] toets om de procedure af te sluiten.

    N-36

    Stoorsignaal

    De aanduiding “NB” verschijnt wanneer de Noise Blanker
    wordt ingeschakeld.



  • Page 43

    9 ONDERDRUKKEN VAN INTERFERENTIE

    ATT VERZWAKKINGSREGELING

    DSP BEDIENINGSFUNCTIES

    De verzwakkingsregeling vermindert het niveau van de
    ontvangen signalen. Deze functie is handig voor het
    onderdrukken van interferentie van nabijgelegen frequenties.

    De functies die hierna worden beschreven maken gebruik van
    de KENWOOD DSP digitale signaalverwerkings-technologie.

    Druk op de [ATT] toets om de verzwakkingsregeling in of uit
    te schakelen.


    De aanduiding “ATT” verschijnt wanneer de functie wordt
    ingeschakeld.

    De ON/OFF instelling voor de verzwakkingsregeling wordt
    automatisch voor de huidige band in het geheugen
    vastgelegd. Telkens wanneer u deze band kiest, zal de
    bijbehorende ON/OFF instelling worden gemaakt.
    Het frequentiebereik van de banden is als volgt.
    Frequentiebereik (MHz)

    Frequentiebereik (MHz)

    0,03 ~ 2,50

    14,50 ~ 18,50

    2,50 ~ 4,10

    18,50 ~ 21,50

    4,10 ~ 7,50

    21,50 ~ 25,50

    7,50 ~ 10,50

    25,50 ~ 30,00

    10,50 ~ 14,50

    AANPASSEN VAN DE ONTVANGST-BANDBREEDTE
    Om de interferentie-onderdrukking nog verder te verbeteren,
    is de zendontvanger uitgerust met audiofrequentie (AF) filters
    die gebruik maken van de DSP technologie. Wanneer u in de
    SSB, FM of AM mode bent, kunt u de filter-bandbreedte
    veranderen door de onderste en/of bovenste afsnij-frequentie
    te wijzigen. In de CW en FSK mode kunt u de filterbandbreedte wijzigen door de gewenste bandbreedte
    rechtstreeks aan te geven. Het veranderen van de
    bandbreedte heeft geen invloed op de gekozen
    ontvangstfrequentie.
    U kunt ook luisteren naar de signalen die door de
    bovenstaande DSP filters zijn afgesneden. Zie
    “PROGRAMMEERBARE FUNCTIETOETSEN” {op blz. 49}
    om de DSP filtermonitorfunctie (nr. 53) aan een van de [PF]
    toetsen toe te wijzen. Houd dan de betreffende [PF] toets
    ingedrukt voor het meeluisteren naar de afgesneden signalen;
    de DSP filters zullen de oorspronkelijke bandbreedten
    herstellen. Laat de toets los om de monitorfunctie te
    annuleren. U kunt deze functie gebruiken om de
    aangrenzende frequenties te controleren.

    ■ SSB/ FM/ AM MODE
    1
    2

    Kies de SSB, FM of AM mode.
    Draai de DSP SLOPE (LOW) regelaar naar rechts om
    de onderste afsnijfrequentie te verhogen, of naar links
    om de onderste afsnijfrequentie te verlagen.
    USB doorlaatband

    VOORVERSTERKER

    f

    Uitschakelen van de voorversterker kan eveneens zorgen
    voor vermindering van interferentie van nabijgelegen
    frequenties.
    Druk op de [PRE-AMP] toets om de voorversterker in of uit te
    schakelen.


    De aanduiding “PRE-AMP” verschijnt wanneer de
    voorversterker wordt ingeschakeld.

    USB doorlaatband

    f

    Draai de DSP SLOPE (HIGH) regelaar naar rechts om
    de bovenste afsnijfrequentie te verhogen, of naar links
    om de bovenste afsnijfrequentie te verlagen.
    USB doorlaatband

    f
    USB doorlaatband

    f
    De ON/OFF instelling voor de voorversterker wordt
    automatisch voor de huidige band in het geheugen
    vastgelegd. Telkens wanneer u deze band kiest, zal de
    bijbehorende ON/OFF instelling worden gemaakt.
    Het frequentiebereik van de banden is hetzelfde als bij de
    verzwakkingsregeling. De oorspronkelijke instelling voor de
    voorversterker is OFF voor de banden vanaf 30 kHz t/m
    7,5 MHz, en ON voor de banden vanaf 7,5 MHz t/m
    30,0 MHz.
    Opmerking: Uitschakelen van de voorversterker heeft hetzelfde
    effect als activeren van de AIP functie op andere KENWOOD

    zendontvangers.

    Regelaar

    Beschikbare frequenties

    DSP SLOPE
    (LOW)
    regelaar

    10, 50, 100, 150, 200, 250, 300, 350,
    400, 450, 500, 550, 600, 650, 700, 750,
    800, 850, 900, 950, 1000 Hz

    DSP SLOPE
    (HIGH)
    regelaar

    1,0, 1,1, 1,2, 1,3, 1,4, 1,5, 1,6, 1,7, 1,8,
    2,0, 2,2, 2,4, 2,6, 2,8, 3,0, 3,2, 3,4, 3,6,
    4,0, 4,4, 5,0 kHz

    De oorspronkelijke instellingen voor de afsnij-frequenties
    worden bepaald door de huidige standen van de
    DSP SLOPE regelaars.

    N-37



  • Page 44

    9 ONDERDRUKKEN VAN INTERFERENTIE
    Druk op de [B.C.] toets om de Beat Cancel functie in of uit te
    schakelen.
    • De aanduiding “BEAT CANCEL” verschijnt wanneer de
    functie wordt ingeschakeld.

    ■ CW/ FSK MODE
    1

    Kies de CW of FSK mode.

    2

    Druk op de [FILTER] toets.


    3

    De huidige filter-instelling verschijnt.

    Draai de MULTI/CH regelaar naar rechts om de
    bandbreedte te vergroten en naar links om de
    bandbreedte te verkleinen.
    Opmerking: Bij ontvangst van onderbroken CW signalen, maakt de
    zendontvanger een klikgeluid. Dit duidt niet op een storing.

    Als de onderdrukking niet voldoende is, houdt u de [B.C.]
    toets langer dan 1 seconde ingedrukt om het
    verzwakkingseffect te versterken; u hoort een pieptoon, maar
    de aanduiding op het display blijft hetzelfde. Druk de [B.C.]
    toets nogmaals langer dan 1 seconde in om het
    oorspronkelijke verzwakkingsniveau weer in te stellen.
    Stoorsignaal

    4

    Gewenst signaal

    Stoorsignaal

    Druk op de [FILTER] toets om de procedure af te
    sluiten.

    Mode

    Beschikbare bandbreedteinstellingen (Hz)

    Oorspronkelijke
    instelling (Hz)

    CW

    50, 80, 100, 150, 200, 300,
    400, 500, 600, 1,0 k, 2,0 k

    600

    FSK

    250, 500, 1,0 k, 1,5 k

    1,5 k

    Afhankelijk van de bandbreedte die u gekozen hebt voor
    de DSP filter en het type optionele filter dat u hebt
    geïnstalleerd, zal automatisch de ‘brede’ IF filter of de
    ‘smalle’ IF filter worden gekozen.

    Optionele
    filter

    Mode
    CW

    YK-88SN-1
    SSB (1,8 kHz)
    FSK

    CW
    YK-88C-1
    CW (500 Hz)
    FSK
    YK-88CN-1
    CW (270 Hz)

    CW

    Bandbreedte
    DSP filter
    2,0 kHz

    Bandbreedte
    IF filter
    Breed

    1,0 kHz of lager

    Smal

    1,5 kHz
    250 Hz, 500 Hz,
    1,0 kHz

    Breed



    De verhoogde Beat Cancel komt te vervallen wanneer de
    zendontvanger wordt uitgeschakeld.
    ◆ De verhoogde Beat Cancel kan een ongunstige invloed hebben
    op de gewenste signalen, als gevolg van het sterkere
    verzwakkingseffect.

    N.R. RUISONDERDRUKKING
    Deze zendontvanger biedt twee types ruisonderdrukking (1 en
    2) om ruis van onbepaalde oorsprong te onderdrukken en op
    deze wijze de interferentie in het gewenste signaal te
    verminderen. Probeer beide types uit en kijk welk type het
    beste resultaat geeft onder de heersende omstandigheden.
    Gewoonlijk dient ruisonderdrukking 1 in de SSB mode te
    worden gekozen en ruisonderdrukking 2 in de CW mode.
    Opmerking: Bij gebruik van ruisonderdrukking 2 in de SSB mode is
    het mogelijk dat de signalen minder helder zijn of kunnen er
    pulsstoringen geïnduceerd worden.
    Druk op de [N.R.] toets voor het omschakelen tussen
    ruisonderdrukking 1, ruisonderdrukking 2 en OFF.
    • De aanduiding “N.R. 1” of “N.R. 2” verschijnt wanneer
    ruisonderdrukking 1 of 2 wordt ingeschakeld.

    Smal

    1,0 kHz, 2,0 kHz

    Breed

    600 Hz of lager

    Smal

    1,0 kHz, 1,5 kHz

    Breed

    250 Hz, 500 Hz

    Smal

    300 Hz of hoger

    Breed

    Opmerking: Er kan een verschillende instelling worden gemaakt
    voor twee mode-groepen: de ene groep bestaat uit SSB, FM en AM,
    en de andere groep bestaat uit CW en FSK. U hoeft daarom niet
    telkens de instelling te wijzigen wanneer u omschakelt van een mode
    in de ene groep naar een mode in de andere groep.

    50 Hz, 100 Hz,
    200 Hz

    Smal

    ■ WIJZIGEN VAN HET NR1 NIVEAU

    BEAT CANCEL ZWEVINGSONDERDRUKKING
    De Beat Cancel zwevingsonderdrukking maakt gebruik van
    een aanpassingsfilter en zorgt voor verzwakking van
    cyclische interferentie binnen de ontvangst-doorlaatband. De
    eigenschappen van de aanpassingsfilter veranderen
    afhankelijk van de aard van het signaal dat op een bepaald
    moment wordt ontvangen. De Beat Cancel functie kan
    gebruikt worden in de SSB, FM of AM mode.
    Ontvangst-doorlaatband

    Gebruik menu-nummer 51 om het niveau van
    ruisonderdrukking 1 te wijzigen. Schakel ruisonderdrukking 1
    in en kies dan het niveau, 1 t/m 9, terwijl u signalen ontvangt.
    De oorspronkelijke instelling is “Automatisch”. In deze stand
    wordt een optimaal niveau ingesteld overeenkomstig de
    sterkte van de ontvangen signalen.
    Opmerking:


    Bij gelijktijdig gebruik van een hoog NR1 niveau en een hoge
    Beat Cancel instelling is het mogelijk dat de ruis sterk
    doorkomt. Dit duidt niet op een storing.
    ◆ Wanneer u het NR1 niveau in het menu wijzigt, produceert
    het toestel korstondig een schakelgeluid. Dit duidt niet op
    een storing.

    ■ INSTELLEN VAN DE TIJDCONSTANTE VOOR

    Storende
    tonen

    RUISONDERDRUKKING 2

    Gewenst signaal
    Vóór bijregeling

    N-38

    Opmerking:

    Na bijregeling

    Met deze functie kunt u de correlatietijd voor
    ruisonderdrukking 2 veranderen. Wanneer u in de SSB
    mode bent, kiest u de correlatietijd waarbij de helderste
    ontvangst wordt verkregen. In de CW mode stelt u in op
    de langste correlatietijd die nog betrouwbare ontvangst
    biedt. Hoe langer u de correlatietijd kiest, des te beter zal
    de signaal/ruisverhouding zijn.
    Roep menu-nummer 12 op en kies 7,5 ms of 20 ms. De
    oospronkelijke instelling is 20 ms.



  • Page 45

    GEHEUGENFUNCTIES
    VOEDING VAN HET MICROPROCESSORGEHEUGEN
    De in het geheugen van de zendontvanger vastgelegde
    gegevens blijven bewaard, ook wanneer u het toestel
    uitschakelt, doordat een lithiumbatterij het microprocessorgeheugen van stroom blijft voorzien. Zo blijven de instellingen
    voor alle menu’s en de geprogrammeerde geheugenkanalen
    permanent intact. De levensduur van de lithiumbatterij
    bedraagt ongeveer vijf jaar.
    Als de zendontvanger bij inschakelen blijkt te zijn teruggezet in
    de basisstand, en de gegevens voor de VFO en
    geheugenkanalen zijn gewist, dan dient u de lithiumbatterij
    door een nieuwe te vervangen. Neem hiervoor contact op met
    een bevoegde KENWOOD onderhoudsdienst of met uw
    dealer.

    Er zijn twee methoden om de zend/ontvangstfrequenties
    (TX/RX frequenties) en de bijbehorende gegevens in de
    geheugenkanalen 00 t/m 89 vast te leggen. Gebruik de
    gewenste methode afhankelijk van de relatie tussen de zenden ontvangstfrequenties.


    Simplex kanalen:
    RX frequentie = TX frequentie



    Duplex kanalen:
    RX frequentie ≠ TX frequentie

    De geheugenkanalen 90 t/m 99 kunnen ook gebruikt worden
    als simplex kanalen.
    Opmerking: Als de RIT of XIT is ingeschakeld, wordt de frequentie
    vastgelegd waarbij de RIT of XIT verschuiving is opgeteld.

    ■ SIMPLEX KANALEN

    CONVENTIONEEL GEHEUGEN

    1

    Het conventionele geheugen is geschikt voor het opslaan van
    gegevens die u in de toekomst regelmatig nodig zult hebben.
    Zo is dit geheugen bijvoorbeeld de aangewezen plaats voor
    opslag van de frequentie waarop u regelmatig de leden van
    uw club ontmoet.
    Er zijn in totaal 100 conventionele geheugenkanalen. Deze
    kanalen zijn genummerd van 00 t/m 99. De kanalen 90 t/m 99
    zijn gereserveerd voor het programmeren van het VFO
    afstembereik en het doorloopbereik voor het scannen.
    Hieronder staan de gegevens die u in de kanalen kunt
    vastleggen.

    1

    VASTLEGGEN VAN GEGEVENS IN DE
    GEHEUGENKANALEN

    Druk op de [A/B] toets om VFO A of VFO B te kiezen.


    De aanduiding “tA” of “tB” verschijnt om aan te
    geven welke VFO gekozen is.

    2

    Kies de gewenste frequentie, mode etc. die u wilt
    vastleggen.

    3

    Druk op de [M.IN] toets om de geheugendoorloopfunctie in te schakelen.

    Parameter

    Kanaal
    00 ~ 89

    Kanaal
    90 ~ 99

    RX frequentie

    Ja

    TX frequentie

    Ja

    Ja1
    (simplex)

    Mode voor RX

    Ja

    Mode voor TX

    Ja

    Ja 1
    (simplex)

    Begin/eindfrequenties

    Nee

    Ja

    Draai aan de MULTI/CH regelaar of druk op de [UP] of
    [DWN] toets van de microfoon om een
    geheugenkanaal te kiezen.

    Subtoon-frequentie

    Ja

    Ja



    Toon ON/OFF

    Ja

    Ja

    CTCSS ON/OFF

    Ja

    Ja

    Geheugenkanaal overslaan
    (Lockout) ON/OFF

    Ja 1

    Ja 1



    4

    Om de geheugen-doorloopfunctie te verlaten en
    het opslaan van gegevens te annuleren, drukt u op
    de [CLR] toets.

    U kunt het kanaal ook kiezen door met de
    nummertoetsen een nummer bestaande uit
    2 cijfers, zoals 05, in te voeren.

    Als u het geheugenkanaal oproept en dan de instelling
    verandert, wordt de oude instelling vervangen door de
    nieuwe.
    5

    Druk nogmaals op de [M.IN] toets om de gegevens in
    het gekozen geheugenkanaal vast te leggen.


    Eventuele aanwezige gegevens in het
    geheugenkanaal worden overschreven.

    N-39



  • Page 46

    10 GEHEUGENFUNCTIES
    ■ DUPLEX KANALEN, VOOR GESCHEIDEN

    FREQUENTIES
    1

    Druk op de [A/B] toets om VFO A of VFO B te kiezen.


    2

    De aanduiding “tA” of “tB” verschijnt om aan te
    geven welke VFO gekozen is.

    Kies de frequentie, mode enz. die u wilt vastleggen.


    De frequentie en mode die u hier kiest worden
    gebruikt voor zenden.

    3

    Druk op de [A/B] toets om de andere VFO te kiezen.

    4

    Kies de ontvangstfrequentie en de mode.

    5

    Druk op de [SPLIT] toets.


    De aanduiding “SPLIT” verschijnt.

    OPROEPEN VAN GEGEVENS UIT EEN
    GEHEUGENKANAAL, DOORLOPEN VAN HET
    GEHEUGEN
    Gebruik de geheugen-oproepfunctie of de geheugendoorloopfunctie als u de in het geheugen vastgelegde
    frequenties en bijbehorende gegevens wilt oproepen om deze
    te gebruiken of om deze enkel te controleren.
    Geheugen-oproepfunctie:
    Bij gebruik van deze functie ontvangt en zendt het toestel
    overeenkomstig de frequentie die u oproept. U kunt de
    frequentie en bijbehorende gegevens tijdelijk wijzigen zonder
    dat hierdoor de geheugen-inhoud wordt overschreven.
    Geheugen-doorloopfunctie:
    Bij gebruik van deze functie kunt u de geheugenkanalen
    doorlopen zonder uw huidige ontvangstfrequentie te wijzigen.
    De frequenties die u oproept worden niet gebruikt voor
    ontvangst of zenden.

    ■ GEHEUGEN-OPROEPFUNCTIE
    1
    6

    Druk op de [M.IN] toets om de geheugendoorloopfunctie in te schakelen.



    7

    Om de geheugen-doorloopfunctie te verlaten en
    het opslaan van gegevens te annuleren, drukt u op
    de [CLR] toets.



    2

    Draai aan de MULTI/CH regelaar of druk op de [UP] of
    [DWN] toets van de microfoon om een
    geheugenkanaal te kiezen.


    Druk op de [M/V] toets om de geheugen-oproepfunctie
    in te schakelen.

    U kunt het kanaal ook kiezen door met de
    nummertoetsen een nummer bestaande uit
    2 cijfers, zoals 05, in te voeren.
    3

    Het laatst gekozen geheugenkanaal verschijnt.

    Draai aan de MULTI/CH regelaar of druk op de [UP] of
    [DWN] toets van de microfoon om het
    geheugenkanaal te kiezen.


    Bij ingedrukt houden van de [UP] of [DWN] toets
    op de microfoon doorloopt de zendontvanger de
    geheugenkanalen tot u de toets loslaat.



    De geheugenkanalen die geen gegevens bevatten
    worden automatisch overgeslagen.



    Tijdens het zenden zult u niet van geheugenkanaal
    kunnen wisselen.

    Druk op de [M/V] toets om de geheugen-oproepfunctie
    te verlaten.

    Opmerking: U kunt wel van geheugenkanaal wisselen bij
    gebruik van de TF-SET functie.

    8

    Druk nogmaals op de [M.IN] toets om de gegevens in
    het gekozen geheugenkanaal vast te leggen.


    Eventuele aanwezige gegevens in het
    geheugenkanaal worden overschreven.

    Opmerking: Als de subtoon-frequenties verschillend zijn voor
    TX en RX tijdens het uitvoeren van een geheugen-VFO duplex
    bediening, zal de subtoon-frequentie voor RX in het
    geheugenkanaal worden vastgelegd.

    N-40



  • Page 47

    10 GEHEUGENFUNCTIES
    ■ GEHEUGEN-DOORLOOPFUNCTIE
    1

    Druk op de [M.IN] toets om de geheugendoorloopfunctie in te schakelen.


    Het laatst gekozen geheugenkanaal verschijnt.

    ■ GEHEUGEN-VFO DUPLEX GEBRUIK
    In het hoofdstuk “SPECIALE
    COMMUNICATIEFUNCTIES” {op blz. 23} heeft u de
    duplex-bediening (gescheiden frequenties) geleerd bij
    gebruik van twee VFO’s. U kunt de duplex-bediening
    echter ook uitvoeren door een duplex geheugenkanaal op
    te roepen. Wanneer u menu-nummer 07 op ON instelt, is
    het bovendien mogelijk om een geheugenkanaal samen
    met een VFO voor dit doel te gebruiken. Dit gebeurt als
    volgt:


    RX: Geheugenkanaal
    TX: VFO A of VFO B

    2

    3

    Draai aan de MULTI/CH regelaar of druk op de [UP] of
    [DWN] toets van de microfoon om de
    geheugenkanalen te doorlopen.





    Gebruik van een geheugenkanaal voor ontvangst:

    U kunt ook van kanaal veranderen door met de
    nummertoetsen een nummer bestaande uit
    2 cijfers, zoals 05, in te voeren.

    TX: Geheugenkanaal

    1

    Druk op de [CLR] toets om de geheugendoorloopfunctie te verlaten.


    De zendontvanger geeft nu weer het
    geheugenkanaal of de VFO frequentie aan waarop
    u had ingesteld vóór u de geheugendoorloopfunctie inschakelde.

    RX: VFO A of VFO B

    Druk op de [A/B] toets om de VFO te kiezen die u
    voor zenden wilt gebruiken.


    De aanduiding “tA” of “tB” verschijnt om aan te
    geven welke VFO gekozen is.

    2

    Kies de zendfrequentie.

    3

    Roep het geheugenkanaal op.

    4

    Druk op de [SPLIT] toets om te beginnen met de
    duplex-bediening met gescheiden frequenties.

    ■ TIJDELIJK VERANDEREN VAN DE FREQUENTIE
    Nadat u de frequentie en bijbehorende gegevens uit een
    geheugenkanaal hebt opgeroepen, kunt u de frequentie
    en bijbehorende gegevens wijzigen, zonder dat hierbij de
    in het geheugenkanaal opgeslagen informatie wordt
    veranderd.
    1

    Roep menu-nummer 08 op en kies de ON instelling.


    Deze stap kan worden overgeslagen indien alleen
    de bijbehorende gegevens worden gewijzigd.


    5

    Als u in stap 1 VFO B gekozen hebt, druk dan
    nogmaals op de [SPLIT] toets.

    Druk op de [M/V] toets om de duplex-bediening uit te
    schakelen.

    2

    Roep het gewenste geheugenkanaal op.

    3

    Verander de frequentie en bijbehorende gegevens.

    Gebruik van een geheugenkanaal voor zenden:



    1

    Roep het geheugengeheugenkanaal op.

    2

    Druk op de [M/V] toets.

    3

    Druk op de [A/B] toets om de VFO te kiezen die u
    voor ontvangst wilt gebruiken.

    4

    Kies de ontvangstfrequentie.

    5

    Druk op de [SPLIT] toets om te beginnen met de
    duplex-bediening met gescheiden frequenties.

    6

    Druk nogmaals op de [SPLIT] toets om het
    geheugenkanaal te gebruiken dat u hebt opgeroepen
    in stap 1.

    7

    Druk nogmaals op de [SPLIT] toets om de duplexbediening uit te schakelen.

    4

    Gebruik alleen de Afstemknop om de frequentie
    te veranderen.

    Indien u de nieuwe instellingen in de toekomst
    nogmaals wilt gebruiken, kunt u deze in een ander
    geheugenkanaal vastleggen. Zie “KANAAL ➡
    KANAAL GEGEVENSOVERDRACHT” {zie blz. 42}.

    Opmerking: U kunt de geheugen-gegevens ook veranderen bij

    gebruik van de TF-SET functie.

    N-41



  • Page 48

    10 GEHEUGENFUNCTIES
    GEHEUGENGEGEVENS-OVERDRACHT
    ■ GEHEUGEN a VFO GEGEVENSOVERDRACHT
    Nadat u de frequentie en bijbehorende gegevens met de
    geheugen-oproepfunctie hebt opgeroepen, kunt u deze
    gegevens kopiëren naar de VFO. Deze functie is handig
    wanneer u bijvoorbeeld naar een frequentie wilt luisteren
    die dicht bij een frequentie is die in het geheugenkanaal is
    vastgelegd.
    1

    Roep het gewenste geheugenkanaal op.

    2

    Druk op de [M>VFO] toets.




    Als een simplex kanaal is opgeroepen, worden de
    gegevens gekopieerd naar VFO A of VFO B,
    afhankelijk van de VFO die gebruikt werd voor het
    oproepen van het kanaal.
    Als een duplex kanaal is opgeroepen, worden de
    RX gegevens gekopieerd naar de VFO A en de TX
    gegevens naar de VFO B.

    De onderstaande tabellen geven aan hoe gegevens uit
    het ene geheugenkanaal naar het andere
    geheugenkanaal worden overgebracht:
    Kanaal 00 ~ 89



    Kanaal 00 ~ 89

    RX frequentie
    TX frequentie









    RX frequentie
    TX frequentie

    Mode voor RX
    Mode voor TX
    Subtoon-frequentie
    Toon ON/OFF
    CTCSS ON/OFF

    De Lockout-instelling (Geheugenkanaal overslaan) en de
    subtoon-frequentie worden niet gekopieerd.
    ◆ Als u op de [M>VFO] toets drukt nadat u de opgeroepen
    gegevens tijdelijk hebt gewijzigd, zullen de nieuwe gegevens
    naar de VFO worden gekopieerd.

    ■ KANAAL a KANAAL GEGEVENSOVERDRACHT
    U kunt ook de inhoud van een geheugenkanaal kopiëren
    naar een ander geheugenkanaal. Deze functie is handig
    wanneer u frequenties en bijbehorende gegevens wilt
    vastleggen die u tijdelijk gewijzigd hebt, maar ook de
    oorspronkelijke gegevens wilt behouden.

    CTCSS ON/OFF

    Geheugenkanaal overslaan
    (Lockout) ON/OFF



    Geheugenkanaal overslaan
    (Lockout) OFF

    Kanaal 00 ~ 89



    Kanaal 90 ~ 99

    RX frequentie



    TX frequentie
    Mode voor RX
    Mode voor TX
    Subtoon-frequentie
    Toon ON/OFF
    CTCSS ON/OFF
    Geheugenkanaal overslaan
    (Lockout) ON/OFF








    TX/RX frequentie
    Beginfrequentie
    Eindfrequentie
    Mode voor TX/RX

    Subtoon-frequentie
    Tono ON/OFF
    CTCSS ON/OFF



    Geheugenkanaal overslaan
    (Lockout) OFF

    Kanaal 90 ~ 99



    Kanaal 00 ~ 89

    Opmerking:


    Mode voor RX
    Mode voor TX
    Subtoon-frequentie
    Toon ON/OFF

    1

    Roep het gewenste geheugenkanaal op.

    TX/RX frequentie



    RX frequentie
    TX frequentie

    2

    Druk op de [M.IN] toets om de geheugendoorloopfunctie in te schakelen.

    Mode voor TX/RX



    Mode voor RX
    Mode voor TX

    Subtoon-frequentie
    Toon ON/OFF





    Subtoon-frequentie
    Toon ON/OFF



    CTCSS ON/OFF
    Geheugenkanaal overslaan
    (Lockout) OFF

    Kanaal 90 ~ 99



    Kanaal 90 ~ 99

    TX/RX frequentie
    Mode voor TX/RX
    Beginfrequentie









    TX/RX frequentie
    Mode voor TX/RX
    Beginfrequentie

    CTCSS ON/OFF
    Geheugenkanaal overslaan
    (Lockout) ON/OFF



    Druk op de [CLR] toets om de geheugendoorloopfunctie te verlaten.

    3

    Kies het geheugenkanaal waarnaar u de gegevens
    wilt kopiëren.

    4

    Druk nogmaals op de [M.IN] toets.

    Eindfrequentie
    Subtoon-frequentie
    Toon ON/OFF
    CTCSS ON/OFF
    Geheugenkanaal overslaan
    (Lockout) ON/OFF

    N-42



    Eindfrequentie
    Subtoon-frequentie
    Toon ON/OFF
    CTCSS ON/OFF
    Geheugenkanaal overslaan
    (Lockout) OFF



  • Page 49

    10 GEHEUGENFUNCTIES
    VASTLEGGEN VAN FREQUENTIEBEREIKEN

    ■ CONTROLEREN VAN DE BEGIN/EINDFREQUENTIES
    Gebruik de onderstaande procedure om de begin- en
    eindfrequenties te controleren die u hebt vastgelegd in de
    geheugenkanalen 90 t/m 99.

    In de geheugenkanalen 90 t/m 99 kunt u frequentiebereiken
    voor VFO afstemming en programma-scan vastleggen. De
    programma-scanfunctie wordt in het volgende hoofdstuk
    beschreven. Ga als volgt te werk om de begin- en
    eindfrequentie van het gewenste bereik in het geheugen vast
    te leggen zodat bij afstemmen of scannen enkel dit bereik
    wordt gebruikt.
    1

    Druk op de [M/V] toets om de geheugen-oproepfunctie
    in te schakelen.

    2

    Draai aan de MULTI/CH regelaar of druk op de [UP] of
    [DWN] toets van de microfoon om het
    geheugenkanaal te kiezen.

    3

    Druk op de [DOWN] toets om de beginfrequentie te
    controleren en druk op de [UP] toets om de
    eindfrequentie te controleren.

    Druk op de [A/B] toets om VFO A of VFO B te kiezen.


    De aanduiding “tA” of “tB” verschijnt om aan te
    geven welke VFO gekozen is.

    2

    Kies de eindfrequentie en de mode.

    3

    Druk op de [A/B] toets om de andere VFO te kiezen.

    4

    Kies de beginfrequentie.

    5

    Druk op de [SPLIT] toets.


    6

    1

    ■ PROGRAMMEERBARE VFO
    Met de programmeerbare VFO functie beperkt u het
    bereik van de Afstemknop tot die frequenties die binnen
    het geprogrammeerde afstembereik vallen, dus tussen de
    begin- en eindfrequenties vastgelegd in kanaal 90 t/m 99.
    Een van de toepassingen van deze functie is om te
    zorgen dat u bij het afstemmen binnen de bevoegdheden
    van uw machtiging blijft.

    De aanduiding “SPLIT” verschijnt.

    Druk op de [M.IN] toets om de geheugen-doorloopfunctie
    in te schakelen.

    1

    Druk op de [M/V] toets om de geheugen-oproepfunctie
    in te schakelen.

    2

    Draai aan de MULTI/CH regelaar of druk op de [UP] of
    [DWN] toets van de microfoon om het
    geheugenkanaal te kiezen.

    U kunt nu alleen afstemmen vanaf de beginfrequentie tot
    de eindfrequentie.

    WISSEN VAN GEHEUGENKANALEN



    7

    Druk op de [CLR] toets om de geheugendoorloopfunctie te verlaten en het vastleggen van het
    frequentiebereik af te breken.

    Als er geheugenkanalen zijn die u niet van plan bent om in de
    toekomst weer op te roepen, kunt u de inhoud van deze
    kanalen beter wissen.
    1

    Druk op de [M/V] toets om de geheugen-oproepfunctie in
    te schakelen.

    Draai aan de MULTI/CH regelaar of druk op de [UP] of
    [DWN] toets van de microfoon om geheugenkanaal
    90 t/m 99 te kiezen.

    2

    Draai aan de MULTI/CH regelaar of druk op de [UP] of
    [DWN] toets van de microfoon om het geheugenkanaal te
    kiezen waaruit u de gegevens wilt wissen.



    3

    Houd de [CLR] toets ongeveer twee seconden lang
    ingedrukt.

    U kunt het kanaal ook kiezen door met de
    nummertoetsen een nummer bestaande uit 2 cijfers,
    zoals 90, in te voeren.



    Er klinkt een pieptoon om te bevestigen dat de
    gegevens uit het geheugenkanaal zijn gewist.

    ■ VOLLEDIG TERUGSTELLEN VAN ALLE

    GEHEUGENKANALEN (RESET)

    8

    Druk nogmaals op de [M.IN] toets om de gegevens in het
    gekozen geheugenkanaal vast te leggen.


    Eventuele aanwezige gegevens in het
    geheugenkanaal worden overschreven.

    Het volledig terugstellen van alle geheugenkanalen is
    slechts aanbevolen als u alle geprogrammeerde
    gegevens in één keer wilt wissen. Bij volledig terugstellen
    worden alle instellingen (menu-instellingen, snelletoegangsgeheugen etc.) die u gemaakt hebt, teruggesteld
    op de oorspronkelijke waarden.
    Druk op [A=B]+[ ] (voor inschakelen) voor volledig
    terugstellen.

    N-43



  • Page 50

    10 GEHEUGENFUNCTIES
    ■ OVERSLAAN VAN GEHEUGENKANALEN (LOCKOUT)
    De geheugenkanalen waarin u niet geïnteresseerd bent,
    kunt u bij gebruik van de geheugen-scanfunctie overslaan.
    De geheugen-scanfunctie wordt in het volgende hoofdstuk
    beschreven.
    1

    Druk op de [M/V] toets om de geheugen-oproepfunctie
    in te schakelen.

    2

    Draai aan de MULTI/CH regelaar of druk op de [UP] of
    [DWN] toets van de microfoon om een
    geheugenkanaal te kiezen.

    3

    Druk op de [CLR] toets.






    Laat de [CLR] toets weer meteen los. Als u de
    toets langer dan twee seconden ingedrukt houdt,
    wordt de inhoud van het geheugenkanaal gewist.

    SNEL TOEGANKELIJK GEHEUGEN
    Het snelle-toegangsgeheugen is bedoeld voor het snel en
    tijdelijk vastleggen van gegevens zonder dat u hiervoor een
    bepaald geheugenkanaal hoeft aan te geven. Gebruik het
    snelle-toegangsgeheugen om gegevens vast te leggen die u
    alleen nu nodig hebt. Stel dat u bijvoorbeeld de band
    doorloopt op zoek naar een DX station, dan kunt u de stations
    die u tegenkomt zo lang in dit geheugen opslaan om er later
    contact mee te leggen. U kunt op deze wijze snel tussen de
    verschillende geheugenkanalen omschakelen om deze te
    beluisteren.
    Er zijn 5 kanalen in het snelle-toegangsgeheugen waarin u de
    volgende gegevens kunt vastleggen:

    Er verschijnt een stip naast het rechter cijfer van
    het geheugenkanaalnummer, om aan te geven dat
    dit kanaalnummer zal worden overgeslagen.

    Bij meermaals indrukken van de [CLR] toets wordt
    het geheugenkanaal beurtelings uitgesloten en
    weer opgenomen in de lijst voor het scannen.

    RX frequentie

    TX frequentie

    Mode voor RX

    Mode voor TX

    RIT/XIT frequentieverschuiving

    Microfoon-gevoeligheid/versterking

    Zendvermogen

    Seinsnelheid

    VOX wachttijd

    Break-In wachttijd

    Ontvangstfilter-bandbreedte1

    VOX ON/OFF

    Spraakprocessor ON/OFF

    Noise Blanker ON/OFF

    Subtoon ON/OFF

    CTCSS ON/OFF

    1 MHz intervalfunctie ON/OFF

    Fijnafstemming ON/OFF

    RIT ON/OFF

    XIT ON/OFF

    1

    De instellingen van de DSP SLOPE regelaars worden niet
    vastgelegd.

    VASTLEGGEN VAN GEGEVENS IN HET SNELLETOEGANGSGEHEUGEN
    Bij het vastleggen van een nieuwe frequentie zullen alle
    voorgaande frequenties automatisch een plaats opschuiven,
    naar het volgende kanaal van het snelle-toegangsgeheugen.
    Wanneer reeds in alle kanalen een frequentie is vastgelegd,
    zal bij het opslaan van een nieuwe frequentie, de frequentie in
    snelgeheugen-kanaal 5 komen te vervallen.
    24,911 ➤ 14,235 ➤ 18,111 ➤ 7,082 ➤ 3,545
    Geheugen 1 Geheugen 2 Geheugen 3 Geheugen 4 Geheugen 5


    21,200 ➤ 24,911 ➤ 14,235 ➤ 18,111 ➤ 7,082
    Geheugen 1 Geheugen 2 Geheugen 3 Geheugen 4 Geheugen 5


    10,103 ➤ 21,200 ➤ 24,911 ➤ 14,235 ➤ 18,111
    Geheugen 1 Geheugen 2 Geheugen 3 Geheugen 4 Geheugen 5

    U kunt alleen gegevens in het snelle-toegangsgeheugen
    vastleggen wanneer zowel voor zenden als ontvangst VFO
    frequenties worden gebruikt.
    1

    Kies de frequentie, mode etc.

    2

    Druk op de QUICK MEMO [M.IN] toets.


    Telkens wanneer u op de [M.IN] toets drukt, worden
    de huidige VFO gegevens in het snelletoegangsgeheugen vastgelegd.

    Opmerking: Als de RIT of XIT op ON staat, worden de ON instelling
    en de verschuiving eveneens in het geheugen vastgelegd.

    N-44



  • Page 51

    10 GEHEUGENFUNCTIES
    OPROEPEN VAN GEGEVENS UIT HET SNELLETOEGANGSGEHEUGEN

    SNELGEHEUGEN ➡ VFO
    GEGEVENSOVERDRACHT

    U kunt alleen gegevens uit het snelle-toegangsgeheugen
    oproepen wanneer zowel voor zenden als ontvangst VFO
    frequenties worden gebruikt.

    Met deze functie kunt u de inhoud van het gekozen
    geheugenkanaal kopiëren naar de VFO.

    1

    Druk op de QUICK MEMO [MR] toets.




    2

    Roep het snelgeheugen-kanaal op.

    2

    Druk op de [M>VFO] toets.

    Opmerking: Als u op de [M>VFO] toets drukt nadat u de

    opgeroepen gegevens tijdelijk hebt gewijzigd, zullen de nieuwe
    gegevens naar de VFO worden gekopieerd.

    Als er nog geen gegevens zijn vastgelegd in het
    snelle-toegangsgeheugen, zal er bij deze stap geen
    geheugenkanaal verschijnen.

    Draai aan de MULTI/CH regelaar om het gewenste
    snelgeheugen-kanaal (1 t/m 5) te kiezen.


    3

    Het nummer van het huidige snelgeheugen-kanaal
    verschijnt.

    1

    Tijdens het zenden zult u niet van geheugenkanaal
    kunnen wisselen.

    Om deze functie te verlaten, drukt u weer op de QUICK
    MEMO [MR] toets.

    Opmerking: U kunt wel van geheugenkanaal wisselen bij gebruik

    van de TF-SET functie.

    TIJDELIJK VERANDEREN VAN DE FREQUENTIE
    Nadat u een snelgeheugen-kanaal hebt opgeroepen, kunt u
    de gegevens tijdelijk veranderen zonder dat hierdoor de
    inhoud van het kanaal wordt overschreven. U kunt de
    frequentie ook veranderen wanneer voor menu-nummer 08
    de OFF instelling is gekozen.
    1

    Druk op de QUICK MEMO [MR] toets.

    2

    Draai aan de MULTI/CH regelaar om het gewenste
    snelgeheugen-kanaal (1 t/m 5) te kiezen.

    3

    Verander de frequentie en bijbehorende gegevens.

    4

    Om de gewijzigde gegevens in het snelletoegangsgeheugen vast te leggen, drukt u op de QUICK
    MEMO [M.IN] toets.


    5

    De gewijzigde gegevens worden dan in het huidige
    kanaal vastgelegd en de oude gegevens verschuiven
    naar het eerstvolgende hogere snelgeheugen-kanaal.

    Om deze functie te verlaten, drukt u weer op de QUICK
    MEMO [MR] toets.

    Opmerking: U kunt de snelgeheugen-gegevens ook veranderen bij

    gebruik van de TF-SET functie.

    N-45



  • Page 52

    SCAN DOORLOOPFUNCTIES
    De Scan-functies zijn bijzonder handig voor het controleren
    van alleen uw favoriete frequenties, zonder hiervoor speciale
    instellingen te hoeven maken. Wanneer u zich eenmaal
    vertrouwd hebt gemaakt met de verschillende Scan-functies,
    zult u merken hoe deze flexibele functies uw omgang met de
    zendontvanger veel efficiënter zullen maken.



    Als u de [SCAN] toets loslaat zonder dat er
    kanaalnummers zijn ingevoerd, worden de kanalen
    ingesteld die u gekozen hebt toen de programmascanfunctie de laatste keer gebruikt werd.



    Om tijdens het scannen naar een gewenste frequentie
    te springen, draait u aan de Afstemknop of de
    MULTI/CH regelaar, of u drukt op de [UP]/[DWN]
    toetsen van de microfoon.



    Wanneer een andere mode dan FM is ingesteld, zal
    de scan-snelheid afnemen wanneer de RIT/XIT
    regelaar naar rechts wordt gedraaid en toenemen
    wanneer de regelaar naar links wordt gedraaid. De
    aanduiding “P1” t/m “P9” in het display toont de
    ingestelde snelheid (P1: maximaal, P9: minimaal).



    In de FM mode stopt het scannen automatisch bij de
    kanalen waar een signaal aanwezig is. De
    zendontvanger zal dan bij het betreffende
    geheugenkanaal blijven wachten, off voor korte tijd
    (tijdsbepaalde hervatting), off net zolang totdat het
    signaal wegvalt (draaggolf-bepaalde hervatting),
    afhankelijk van welke instelling u gekozen hebt bij
    menu-nummer 10. Zie “GEHEUGEN-SCAN” voor
    nadere bijzonderheden.

    Deze zendontvanger biedt de volgende Scan
    doorloopfuncties:
    Toepassing

    Type scan-functie
    Programma-scan

    Geheugenscanfuncties

    Controleren van de frequenties
    in het gekozen bereik.

    Allekanalen
    scan

    Controleren van alle RX
    frequenties opgeslagen in de
    conventionele geheugenkanalen.

    Groepsscan

    Controleren van alle RX
    frequenties opgeslagen in een
    geselecteerde groep van de
    conventionele geheugenkanalen.

    PROGRAMMA-SCAN

    4

    De programma-scanfunctie doorloopt het gehele afstembereik
    tussen de begin- en eindfrequenties die zijn vastgelegd in
    geheugenkanaal 90 t/m 99. Zie “VASTLEGGEN VAN
    FREQUENTIEBEREIKEN” {op blz. 43} voor nadere
    bijzonderheden betreffende het opslaan van de begin- en
    eindfrequentie.
    U kunt maximaal 10 geheugenkanalen kiezen en automatisch
    achter elkaar de frequentiebereiken scannen die u voorheen
    in deze kanalen hebt vastgelegd. De programma-scan begint
    bij het kanaal met het laagste nummer en verloopt daarna
    zoals hieronder aangegeven.

    Opmerking:






    14,150 (Beginfrequentie) 14,300 (Eindfrequentie)

    Ch 93



    7,030 (Eindfrequentie)

    7,070 (Beginfrequentie)

    Ch 95
    21,200 (Beginfrequentie) 21,350 (Eindfrequentie)





    Ch 97


    1

    Druk op de [A/B] toets om VFO A of VFO B te kiezen.

    2

    Houd de [SCAN] toets ingedrukt en gebruik vervolgens de
    nummertoetsen om het tweede cijfer in te voeren van
    ieder geheugenkanaal dat u wilt scannen, bijv. 3 voor
    kanaal 93, 357 voor kanaal 93/kanaal 95/kanaal 97, etc.

    3

    Laat de [SCAN] toets los om te beginnen met de
    programma-scan.

    Druk op de [SCAN] of [CLR] toets om met scannen te
    stoppen.



    Als u in de FM mode de SQL regelaar naar rechts hebt gedraaid
    tot ver voorbij de squelch-drempel, is het mogelijk dat het
    scannen niet stopt bij een kanaal waarop een signaal aanwezig
    is. Draai de SQL regelaar in dit geval een weinig naar links.
    Als u op de [SCAN] toets drukt zonder dat er frequentiebereiken
    zijn vastgelegd, zullen automatisch de onderste en bovenste
    grensfrequentie van de zendontvanger in geheugenkanaal 90
    worden opgeslagen en wordt de programma-scan op dit kanaal
    uitgevoerd.
    Als de huidige ontvangstfrequentie binnen een van de
    frequentiebereiken van de gekozen kanaalnummers valt, begint
    het scannen bij de huidige frequentie. De mode die is vastgelegd
    in het kanaal met het betreffende bereik wordt ingesteld.
    Als de huidige ontvangstfrequentie buiten alle frequentiebereiken
    van de gekozen kanaalnummers valt, begint het scannen bij de
    beginfrequentie van het laagste kanaalnummer.
    Tijdens het scannen kunt u van mode veranderen, maar dit heeft
    wel tot gevolg dat de inhoud van het geheugenkanaal wordt
    overschreven door de gewijzigde mode.
    Als het huidige Scan-bereik kleiner is dan één stap van de
    MULTI/CH regelaar zal de scan naar de beginfrequentie springen
    wanneer de regelaar naar rechts wordt gedraaid en naar de
    eindfrequentie wanneer de regelaar naar links wordt gedraaid.
    Bij inschakelen van de programma-scanfunctie worden de RIT en
    XIT functies uitgeschakeld.
    In de FM mode controleert de programma-scanfunctie de
    afgeronde frequenties ongeacht de instelling van menunummer 05.

    SCAN-ONDERBREKING
    Als deze functie is ingeschakeld, stopt de programma-scan
    ongeveer vijf seconden en wordt daarna weer hervat,
    wanneer u aan de Afstemknop of de MULTI/CH regelaar
    draait, of op de [UP]/[DWN] toetsen van de microfoon drukt,
    om naar een gewenste frequentie te springen.
    Om de functie in te schakelen, roept u menu-nummer 09 op
    en kiest dan de ON instelling. De oorspronkelijke instelling is
    OFF.

    N-46



  • Page 53

    11 SCAN DOORLOOPFUNCTIES

    GEHEUGEN-SCAN

    GROEPSSCAN

    De geheugen-scanfuncties doorlopen alle geheugenkanalen
    die frequenties bevatten (Alle-kanalen scan) of alleen een
    door u gekozen groep geheugenkanalen (Groepsscan).

    Voor de groepsscan zijn de 100 conventionele
    geheugenkanalen verdeeld in 10 groepen van 10 kanalen elk.
    Deze groepen bevatten de volgende geheugenkanalen:

    Het scannen stopt automatisch bij de kanalen waar een
    signaal aanwezig is. De zendontvanger zal dan bij het
    betreffende geheugenkanaal blijven wachten, off voor korte
    tijd (Tijdsbepaalde hervatting), off net zolang totdat het signaal
    wegvalt (Draaggolf-bepaalde hervatting). Gebruik menunummer 10 om de gewenste instelling te kiezen. De
    oorspronkelijke instelling is tijdsbepaalde hervatting.

    Groep 0 Ch 00, Ch 01, Ch 02, • • • • Ch 09

    Tijdsbepaalde hervatting:
    Nadat bij een actieve frequentie is gestopt en ongeveer drie
    seconden is gewacht, controleert de Scanfunctie het kanaal
    opnieuw. Als het kanaal nog steeds actief is, wacht de
    Scanfunctie weer drie seconden en vervolgt dan het scannen.
    Als het kanaal na de eerste drie seconden niet meer actief is,
    wordt het scannen onmiddellijk hervat.

    Groep 9 Ch 90, Ch 91, Ch 92, • • • • Ch 99

    Draaggolf-bepaalde hervatting:
    De scanfunctie begint ongeveer twee seconden nadat het
    signaal wegvalt automatisch weer met scannen.
    De geheugenkanalen waarin u niet geïnteresseerd bent, kunt
    u bij het scannen overslaan. Zie “OVERSLAAN VAN
    GEHEUGENKANALEN (LOCKOUT)” {zie blz. 44} voor de
    vereiste procedure.

    ALLE-KANALEN SCANFUNCTIE

    Groep 1 Ch 10, Ch 11, Ch 12, • • • • Ch 19
    Groep 2 Ch 20, Ch 21, Ch 22, • • • • Ch 29

    Kies tijdsbepaalde hervatting of draaggolf-bepaalde
    hervatting via menu-nummer 10.

    2

    Druk op de [M/V] toets om de geheugen-oproepfunctie in
    te schakelen.

    3

    Draai aan de SQL regelaar om de squelch in te stellen op
    de gewenste squelch-drempel.

    4

    Druk op de [SCAN] toets om te beginnen met het
    scannen van alle kanalen.

    5

    Er wordt bij het huidige kanaal begonnen met scannen
    waarna de kanaalnummers in oplopende richting
    worden doorlopen (u kunt deze richting niet
    veranderen).



    Om tijdens het scannen naar een gewenst kanaal te
    springen, draait u aan de afstemknop of de
    MULTI/CH regelaar, of u drukt op de [UP]/[DWN]
    toetsen van de microfoon.

    Druk op de [SCAN] of [CLR] toets om met scannen te
    stoppen.

    Opmerking:


    Als u de SQL regelaar naar rechts hebt gedraaid tot ver voorbij
    de squelch-drempel, is het mogelijk dat het scannen niet stopt bij
    een kanaal waarop een signaal aanwezig is. Draai de SQL
    regelaar in dit geval een weinig naar links.
    ◆ Bij het starten met scannen worden de RIT en XIT functies
    automatisch uitgeschakeld.





    • • • •
    • • • •
    • • • •





    1

    Kies tijdsbepaalde hervatting of draaggolf-bepaalde
    hervatting via menu-nummer 10.

    2

    Druk op de [MR] toets om de geheugen-oproepfunctie in
    te schakelen.

    3

    Draai aan de SQL regelaar om de squelch in te stellen op
    de gewenste squelch-drempel.

    4

    Houd de [SCAN] toets ingedrukt en gebruik vervolgens de
    nummertoetsen om de groepnummers in te voeren van de
    groepen die u wilt scannen, bijv. 3 voor groep 3, 35 voor
    groep 3 en 5, etc.

    5

    Laat de [SCAN] toets los om te beginnen met
    groepsscannen.

    6






    Bij het groepsscannen doorloopt de zendontvanger alleen de
    geheugenkanalen die deel uitmaken van de gekozen groepen
    (maximaal kunnen 10 groepen worden gekozen). Het
    scannen begint bij de groep met het laagste nummer en wordt
    opnieuw vanaf het begin herhaald zodra alle gekozen
    groepen zijn doorlopen, bijv. groep 3 ➞ groep 5 ➞ groep 7 ➞
    groep 3.

    De alle-kanalen scanfunctie doorloopt alle geheugenkanalen
    waarin frequentiegegevens zijn vastgelegd.
    1











    De kanaalnummers worden in oplopende richting
    doorlopen (u kunt deze richting niet veranderen).



    Om tijdens het scannen naar een gewenst kanaal te
    springen, draait u aan de afstemknop of de
    MULTI/CH regelaar, of u drukt op de [UP]/[DWN]
    toetsen van de microfoon.

    Druk op de [SCAN] of [CLR] toets om met scannen te
    stoppen.

    Na gebruik van groepsscan moet u alle groepnummers in
    stap 4 invoeren of volledig terugstellen {zie blz. 48} om de
    alle-kanalen scanfunctie (oorspronkelijke instelling) te kunnen
    gebruiken. Houd er rekening mee dat bij volledig terugstellen
    alle instellingen die uzelf gemaakt hebt op de oorspronkelijke
    waarden worden teruggesteld.
    Opmerking:


    Als u de SQL regelaar naar rechts hebt gedraaid tot ver voorbij
    de squelch-drempel, is het mogelijk dat het scannen niet stopt bij
    een kanaal waarop een signaal aanwezig is. Draai de SQL
    regelaar in dit geval een weinig naar links.
    ◆ Als het huidige kanaal in een van de gekozen groepen valt,
    begint het scannen bij het huidige kanaal.
    ◆ Als het huidige kanaal niet in een van de gekozen groepen valt,
    begint het scannen vanaf het groepsnummer dat zo dicht
    mogelijk (in oplopende richting) is bij het groepsnummer van het
    huidige kanaal.
    ◆ Bij het starten met scannen worden de RIT en XIT functies
    automatisch uitgeschakeld.

    N-47



  • Page 54

    HANDIGE EXTRA FUNCTIES
    TERUGSTELLEN VAN DE MICROPROCESSOR
    (RESET)
    Wanneer uw zendontvanger niet naar behoren lijkt te werken,
    zult u vaak het probleem kunnen verhelpen door de
    microprocessor en het geheugen daarvan terug te stellen in
    de uitgangsstand.

    De keuze van ANT 1 of ANT 2 wordt automatisch voor de
    ingeschakelde band in het geheugen vastgelegd. Telkens
    wanneer u daarna dezelfde band kiest, zal ook dezelfde
    antenne worden gekozen.
    Het frequentiebereik van de afstembanden is als volgt.

    OORSPRONKELIJKE INSTELLINGEN

    Frequentiebereik (MHz)

    Frequentiebereik (MHz)

    0,03 ~ 2,50

    14,50 ~ 18,50

    2,50 ~ 4,10

    18,50 ~ 21,50

    De oorspronkelijke instellingen voor de frequentie en de mode
    voor elk van de VFO’s is als volgt:

    4,10 ~ 7,50

    21,50 ~ 25,50



    VFO A: 14,000,000 MHz/ USB

    7,50 ~ 10,50

    25,50 ~ 30,00



    VFO B: 14,000,000 MHz/ USB

    10,50 ~ 14,50

    In de conventionele geheugenkanalen en het snelletoegangsgeheugen zijn geen gegevens vastgelegd.

    Opmerking: Een externe antennetuner mag u alleen aansluiten op
    de ANT 1 aansluiting. Wanneer deze antennetuner naar behoren is
    aangesloten, zal de ingebouwde antennetuner automatisch worden
    uitgeschakeld wanneer u instelt op ANT 1.

    DEELS TERUGSTELLEN
    U kunt het toestel deels op de oorspronkelijke waarden
    terugstellen als een toets of regelaar niet precies werkt
    volgens de beschrijving in deze handleiding. Bij het deels
    terugstellen blijven de volgende gegevens ongewijzigd intact.


    Geheugenkanaal-gegevens



    Menu-instellingen



    Voorinstelgegevens voor de antennetuner



    ANT 1/ANT 2 antenne-gegevens

    F.LOCK TOETSBLOKKEERFUNCTIE
    De F.LOCK toetsblokkeerfunctie zorgt dat bepaalde toetsen
    worden vergrendeld, om te voorkomen dat er per ongeluk een
    verkeerde functie wordt ingeschakeld of de instellingen ten
    onrechte veranderd worden.
    Druk op de [F.LOCK] toets om de toetsblokkeerfunctie
    beurtelings in en uit te schakelen.


    Druk op [A/B]+[ ] om de zendontvanger in te schakelen en
    deels terug te stellen.


    De aanduiding “F.LOCK” licht op wanneer de
    toetsblokkeerfunctie is ingeschakeld.

    De begroeting “HELLO” verschijnt in het display.

    VOLLEDIG TERUGSTELLEN
    Het volledig terugstellen van de zendontvanger op de
    oorspronkelijke instellingen is slechts aanbevolen als u alle
    geprogrammeerde gegevens in één keer wilt wissen. Bij
    gebruik van deze functie worden alle instellingen (menuinstellingen, voorinstelgegevens van de antennetuner, etc.)
    teruggesteld op de oorspronkelijke waarden.
    Druk op [A=B]+[ ] voor inschakelen en volledig terugstellen
    van de zendontvanger.


    De begroeting “HELLO” verschijnt in het display.

    Opmerking: De keuze van het IF filter in menu-nummer 46 wordt

    niet teruggesteld.

    OVERSCHAKELEN TUSSEN ANT 1 EN ANT 2
    Als u zowel op de ANT 1 als de ANT 2 aansluiting op het
    achterpaneel een antenne hebt aangesloten, kunt u door-het
    kiezen van ANT 1 of ANT 2, bepalen welke antenne voor het
    zenden en ontvangen wordt gebruikt.
    Druk op de [ANT] toets en kies ANT 1 of ANT 2.


    De aanduiding “ANT 1” of “ANT 2” verschijnt om aan te
    geven welke antenne gekozen is.

    N-48

    De volgende toetsen en regelaars worden vergrendeld door
    het beveiligen van het toestel met de toetsblokkeerfunctie:









    Afstemknop
    QUICK MEMO [MR]
    [FINE]
    • [REV]
    [ENT]
    • [LSB/USB]
    [FM/AM]
    • [1MHz]
    [SPLIT]
    • [A/B]
    [A=B]
    • [SCAN]
    [M.IN]




    MULTI/CH regelaar
    QUICK MEMO [M.IN]
    • [CLR]
    • [CW/FSK]
    • [UP]/[DOWN]
    • [M/V]
    • [M>VFO]

    Opmerking:


    Nadat de toetsblokkeerfunctie is ingeschakeld, kunt u de
    MULTI/CH regelaar en de [UP]/[DOWN] toetsen nog wel
    gebruiken voor het maken van instellingen in de instelmenu’s.
    ◆ Nadat de toetsblokkeerfunctie is ingeschakeld, kunt u de
    Afstemknop nog wel gebruiken voor het wijzigen van uw
    zendfrequentie wanneer de TF-SET functie wordt gebruikt.
    ◆ Nadat de toetsblokkeerfunctie is ingeschakeld, kunt u de
    MULTI/CH regelaar nog wel gebruiken voor andere instellingen
    dan frequentie- en geheugenkanaal-instellingen.
    ◆ Nadat de toetsblokkeerfunctie is ingeschakeld, kan de [CLR]
    toets in sommige gevallen toch nog gebruikt worden.



  • Page 55

    12 HANDIGE EXTRA FUNCTIES

    PIEPTOONFUNCTIE
    De pieptoon dient om um aandacht te vestigen op een
    bepaalde toestand of handeling. Er zijn drie soorten pieptonen
    met verschillende functies:


    Ter bevestiging na het indrukken van een toets.



    Ter rapportering van een fout; voor het aangeven van
    sommige fouten worden morse-codes gebruikt.



    Ter bevestiging dat de selectie voltooid werd door
    nogmaals indrukken van de [MIC], [PWR], [KEY],
    [DELAY] of [FILTER] toets.

    Raadpleeg de onderstaande tabel voor het kiezen van de
    gewenste functie. Indien u OFF instelt, wordt er geen
    functie aan de toets toegewezen.
    Functienummer

    69

    [M.IN]

    70

    [CW TUNE]

    71

    [CH 1]

    72

    [CH 2]

    53

    DSP filtermonitor

    73

    [CH 3]

    QUICK
    MEMO [MR]

    74

    [FINE]

    75

    [F.LOCK]

    61

    QUICK
    MEMO [M.IN]

    76

    [CLR]

    62

    [SPLIT]

    USB

    ··–

    (U)

    CW

    –·–·

    (C)

    63

    [TF-SET]

    CW –R

    –·–·

    (CR)

    64

    [A/B]

    (R)

    65

    [M/V]

    66

    [A=B]

    (RR)

    [M>VFO]

    Stem 2

    (L)

    ·–·

    [SCAN]

    68

    Stem 1

    ·–··

    ·–·

    67

    52

    LSB

    FSK

    Functie

    51

    60

    Morse-code die u hoort

    ·–·

    Functienummer

    Rechtstreekse keuze
    00 t/m 40 van menu-nummer
    00 t/m 40. Zie “MENUCONFIGURATIE”.
    Monitor
    50

    Bij het kiezen van een mode hoort u een morse-code, die een
    afkorting vormt van de gekozen mode.
    Mode

    Functie

    Kiezen van
    menu-nummer
    48 t/m 51.
    80 t/m 83 Voorbeeld:
    82 kiest menunummer 50.
    99

    OFF

    FSK –R

    ·–·

    AM

    ·–

    (A)

    1

    Druk op de [MENU] toets.

    FM

    ··–·

    (F)

    2

    Druk op de [A/B] toets om menu A of menu B te
    kiezen.

    3

    Draai aan de MULTI/CH regelaar om menu-nummer
    41, 42, 43, 44 of 45 te kiezen.

    4

    Druk op de [UP] of [DOWN] toets op het voorpaneel of
    de [UP] of [DWN] toets van de microfoon om het
    gewenste functienummer in te stellen.

    De geluidssterkte van de pieptoon is instelbaar via menunummer 01.

    DIMMEN VAN DE DISPLAY-VERLICHTING
    Voor de helderheid van het display kunt u kiezen uit
    5 niveaus, via menu-nummer 00.

    PROGRAMMEERBARE FUNCTIETOETSEN
    Aan de [PF] toets op het voorpaneel kunt u zelf een gewenste
    functie toewijzen. Bij gebruik van de los verkrijgbare MC-47
    microfoon, kunt u tevens de functies van de [PF1], [PF2],
    [PF3] en [PF4] toetsen op de microfoon zelf kiezen. Gebruik
    menu-nummer 41 t/m 45 om een van de volgende functies
    aan de toetsen toe te wijzen:

    5





    Zie de bovenstaande tabel.

    Druk op de [MENU] toets om het instelmenu te
    verlaten.

    De oorspronkelijke instellingen zijn als volgt:

    Rechtstreekse keuze van menu-nummer 00 t/m 40,
    48 t/m 51. U hoeft dan niet meer op de [MENU] toets te
    drukken en aan de MULTI/CH regelaar te draaien voor het
    betreffende menu-nummer.



    [PF] toets op voorpaneel: Stem 1



    [PF1] toets van microfoon: [A/B]



    [PF2] toets van microfoon: [SPLIT]



    Activeren van een functie waarvoor geen toets op het
    voorpaneel aanwezig is.



    [PF3] toets van microfoon: [M/V]



    Activeren van een functie op de microfoon waarvoor
    tevens een toets op het voorpaneel aanwezig is.



    [PF4] toets van microfoon: Monitor

    Opmerking:


    Bij het volledig terugstellen van de zendontvanger worden de
    functies van de PF toetsen weer op de oorspronkelijke
    instellingen teruggesteld.
    ◆ Functienummer 84, instelbaar in stap 4, is op het ogenblik
    nog niet beschikbaar. Wanneer u op de PF toets drukt
    waaraan functienummer 84 is toegewezen, zal de
    zendontvanger een reeks foutcodes op het display tonen.

    N-49



  • Page 56

    12 HANDIGE EXTRA FUNCTIES

    SNELLE GEGEVENSOVERDRACHT

    OVERBRENGEN VAN GEGEVENS
    ?

    De TS-570 is in dit geval de “Master” zendontvanger die
    gegevens overbrengt naar de “Slave” zendontvanger.

    Deze zendontvanger biedt de mogelijkheid om snel en
    gemakkelijk de ontvangstfrequentie en de mode over te
    brengen naar een andere, daarvoor geschikte zendontvanger.
    geschikte zendontvangers zijn:


    TS-570D



    TS-870S



    TS-950SDX



    TS-850S



    TS-690S



    TS-450S

    1



    Deze gegevensoverdrachtfunctie kan goed van pas komen
    voor wedstrijden. Een spotting-station dat op zoek is naar
    nieuwe wedstrijd-vermenigvuldigers kan snel een frequentie
    overbrengen naar het hoofdstation.

    Kies, met de “Master” zendontvanger in de VFO
    mode, een frequentie en mode.

    3

    Druk bij de “Master” zendontvanger op de QUICK
    MEMO [M.IN] toets.

    VEREISTE APPARATUUR



    Als een andere TS-570 als “Slave” zendontvanger
    wordt gebruikt, verschijnt de aanduiding “CTRL” op
    de “Slave” zendontvanger.



    De aangegeven ontvangstgegevens worden
    vastgelegd in het snelgeheugen-kanaal 1 van de
    “Master” zendontvanger en vervolgens
    overgebracht naar de “Slave” zendontvanger.

    Naast een andere, compatibele transceiver is tevens de
    volgende apparatuur vereist:
    Gegevensoverdracht naar een TS-570 of TS-870S:

    Opmerking: Als de RIT functie van de “Master” is ingeschakeld,



    zal de RIT frequentie-verschuiving worden toegevoegd aan de
    over te brengen ontvangstfrequentie.

    Kabel met gekruiste draden
    Deze kabel moet aan beide uiteinden een 9-polige
    RS-232C contrastekker hebben.

    ONTVANGST VAN GEGEVENS
    ?

    Gegevensoverdracht naar een andere transceiver dan
    een TS-570 of TS-870S:


    KENWOOD IF-232C interface-eenheid



    Kabel met gekruiste draden

    De TS-570 is in dit geval de “Slave” zendontvanger die
    gegevens ontvangt van de “Master” zendontvanger.
    Wanneer de TS-570 als “Slave” zendontvanger
    functioneert, kan deze de gegevens ontvangen via
    snelgeheugen-kanaal 1 of de VFO.

    Deze kabel moet aan een uiteinde een 9-polige
    RS-232C contrastekker hebben en aan het andere
    uiteinde een 25-polige RS-232C contrastekker.


    1

    Schakel de overdrachtfunctie op beide
    zendontvangers in.


    Recht doorverbonden kabel
    Deze kabel moet aan beide uiteinden een 6-polige DIN
    pen-stekker hebben.
    2

    ?

    Op de TS-570 roept u menu-nummer 36 op en
    kiest dan ON. Voor de aangesloten compatibele
    transceiver volgt u de aanwijzingen in de
    handleiding van dat apparaat.

    2

    OPSTELLEN
    ?

    Schakel de overdrachtfunctie op beide
    zendontvangers in.

    Op de TS-570 roept u menu-nummer 36 op en
    kiest dan ON. Voor de aangesloten compatibele
    transceiver volgt u de aanwijzingen in de
    handleiding van dat apparaat.

    AANSLUITINGEN

    Roep op de “Slave” zendontvanger menu-nummer 37
    op en kies OFF (snelgeheugen-kanaal 1) of ON
    (de VFO).

    Zie “AANSLUITEN VAN RANDAPPARATUUR”
    {op blz. 60} voor de aansluitschema’'s.


    3

    GEBRUIK VAN DE SNELLE
    GEGEVENSOVERDRACHT

    N-50

    Voer op de “Master” zendontvanger de vereiste
    bediening uit voor het overbrengen van gegevens.


    Volg de aanwijzingen in de handleiding van dat
    apparaat.

    Opmerking:

    Indien deze zendontvanger is aangesloten op een andere
    TS-570 of op een TS-870S, moeten beide transceivers
    ingesteld staan op dezelfde overdrachtsnelheid in baud voor
    de COM aansluitpoort. Voor de gegevensoverdracht naar of
    vanaf andere KENWOOD zendontvangers stelt u de TS-570
    in op 4800 bps en 2 stop-bits. Gebruik menu-nummer 35 om
    deze parameters in te stellen.
    Opmerking: Tijdens de gegevensoverdracht kunnen de andere
    functies wat langzamer werken.

    De oorspronkelijke instelling is snelgeheugen.

    ?

    ?

    ?

    Indien u de TS-570 uitsluitend voor ontvangst van gegevens
    gebruikt, schakel dan de TX Inhibit zendblokkering in via
    menu-nummer 38, om per ongeluk zenden te voorkomen.
    Als de “Slave” zendontvanger gegevens ontvangt in een
    VFO geprogrammeerd met een simplex frequentie, zullen de
    ontvangen gegevens de gegevens in beide VFO’s
    vervangen. Bij de “Slave” zendontvanger worden zowel de
    RIT als de XIT op OFF geschakeld.
    Als de “Slave” zendontvanger gegevens ontvangt in VFO’s
    geprogrammerd met gescheiden frequenties, zullen de
    ontvangen gegevens alleen de gegevens aan de TX zijde
    van de VFO vervangen. Bij de “Slave” zendontvanger wordt
    de XIT op OFF geschakeld maar de RIT zal niet veranderen.



  • Page 57

    12 HANDIGE EXTRA FUNCTIES

    COMPUTER-BESTURING

    Menu-instelling

    Overdrachtsnelheid
    (bps)

    Stop-bits

    12 – 1

    1200

    1

    24 – 1

    2400

    1

    48 – 1

    4800

    1

    48 – 2

    4800

    2

    96 – 1

    9600

    1

    192 – 1

    19200

    1

    384 – 1

    38400

    1

    576 – 1

    57600

    1

    Wanneer u de zendontvanger op een computer aansluit, kunt
    u de computer gebruiken als een elektronische
    bedieningsconsole voor het op afstand bedienen van de
    zendontvanger, zonder dat u de toetsen op het voorpaneel
    hoeft aan te raken. Zo kunt u de zendontvanger bedienen
    vanuit een andere kamer of zelfs, waar de programmatuur dit
    mogelijk maakt en de wet het toestaat, vanuit een geheel
    andere plaats, via de telefoonlijn.
    Opmerking:


    Tijdens de bediening met de computer kunt u de
    bedieningsorganen op het voorpaneel nog gewoon blijven
    gebruiken. Alle instellingen die u op het voorpaneel maakt, zijn
    onmiddellijk geldig.
    ◆ Na het loskoppelen of uitschakelen van de computer worden
    alle waarden en functies teruggesteld op de instellingen die u op
    het voorpaneel hebt gemaakt.

    GEBRUIK VAN EEN TRANSVERTER
    OPSTELLEN
    ■ VEREISTE APPARATUUR


    Computer uitgerust met RS-232C seriële poort.



    Recht doorverbonden kabel
    Deze kabel moet aan een uiteinde een 9-polige
    RS-232C contrastekker hebben en aan het andere
    uiteinde een 9-polige of 25-polige RS-232C
    contrastekker die past op de RS-232C poort van uw
    computer.



    Programmatuur voor de bediening van de
    zendontvanger

    Als u een transverter hebt die HF frequenties kan omzetten in
    VHF/UHF frequenties, en omgekeerd, kunt u deze HF
    transverter gebruiken als een VHF of UHF transceiver. Zie de
    handleiding van de transverter voor verdere informatie.
    1

    Sluit de transverter aan op de ANT 1 of ANT 2 aansluiting
    van deze zendontvanger.

    2

    Kies de gewenste frequentie.

    3

    U moet uw eigen programma’s ontwerpen. Zie
    “AANHANGSEL” {op blz. 70} voor verdere informatie.

    ■ AANSLUITINGEN
    Het aansluiten van de zendontvanger op de computer is
    gemakkelijk. Zie het schema in “AANSLUITEN VAN
    RANDAPPARATUUR” {op blz. 60}.
    Opmerking: Alvorens de zendontvanger op de computer aan
    te sluiten, dient u zowel de zendontvanger als de computer uit te
    schakelen.

    COMMUNICATIE-PARAMETERS



    De transverter gebruikt deze frequentie als referentie
    voor de omzetting van frequenties.



    De normale instelling is 1 kHz en de lagere cijfers op 0
    (“0.00” op het display).

    Roep menu-nummer 40 op en kies de 50 MHz, 144 MHz
    of 430 MHz instelling, afhankelijk van de band die u gaat
    gebruiken. De oorspronkelijke instelling is OFF.


    Bij het veranderen van de oorspronkelijke instelling
    (OFF) wordt automatisch het zendvermogen op
    ongeveer 5 W ingesteld.



    Bij 50 MHz geeft de zendontvanger de frequentie tot
    10 Hz nauwkeurig aan en bij 144 MHz en 430 MHz tot
    100 Hz nauwkeurig.

    Opmerking:


    Bij gebruik van een transverter zijn niet alle functies van de
    zendontvanger beschikbaar.
    ◆ Bij gebruik van de los verkrijgbare VS-3 eenheid zullen de
    gekozen VHF of UHF frequenties niet worden aangekondigd.

    Om de zendontvanger via uw computer te bedienen, zult u
    hiervoor eerst de vereiste communicatie-parameters moeten
    kiezen.
    1

    In het computerprogramma stelt u de
    gegevensoverdracht in op 8 data-bits, zonder pariteit.

    2

    Bij de zendontvanger roept u menu-nummer 35 op en
    stelt dan de juiste overdrachtsnelheid en het aantal stopbits in.


    De oorspronkelijke instellingen zijn 9600 bps en
    1 stop-bit.

    Opmerking: Voor een betrouwbare werking van de 38400 en

    57600 bps overdrachtsnelheden moet de RS-232C seriële poort van
    uw computer deze snelle communicatie-parameters ondersteunen.

    N-51



  • Page 58

    12 HANDIGE EXTRA FUNCTIES

    AUTOMATISCHE ANTENNETUNER
    Zoals beschreven in de paragraaf “AANSLUITEN VAN DE
    ANTENNE” {op blz. 1} is een juiste aanpassing tussen de
    coaxkabel en de antenne van groot belang. Om deze
    aanpassing optimaal uit te voeren, hebt u de keuze uit het
    gebruik van de ingebouwde tuner of een externe tuner. In deze
    paragraaf wordt het gebruik van de ingebouwde tuner
    beschreven. Voor het gebruik van een externe tuner wordt
    verwezen naar de daarbij behorende gebruiksaanwijzing.
    1

    Kies de gewenste frequentie.

    2

    Druk op de [ANT] toets om ANT 1 of ANT 2 te kiezen.


    3

    Als op de ANT 1 aansluiting een externe tuner is
    aangesloten, kan ANT 1 niet gekozen worden. Wordt
    toch ANT 1 gekozen, dan zal de ingebouwde tuner
    worden uitgeschakeld.

    Opmerking:











    Druk op de [AT TUNE] toets en laat deze meteen weer los.


    De aanduiding “AT” verschijnt om aan te geven dat de
    ingebouwde tuner is ingeschakeld (de tuner wordt niet
    gepasseerd).





    De antennetuner zal niet werken buiten de officieel
    voorgeschreven zend-beperkingen voor de amateurbanden.
    Als u de [AT TUNE] toets tijdens zenden langer dan 1 seconde
    ingedrukt houdt, wordt het zenden onderbroken en start het
    afstemmen.
    Wanneer verschillende antenne-afstembanden gebruikt worden
    voor zenden en ontvangst met menu-nummer 11 op ON, zullen
    de ontvangen signalen niet via de ingebouwde tuner lopen.
    Bij gebruik van CW Full Break-in is de interne tuner voor zowel
    zenden als ontvangst ingeschakeld.
    Na 60 seconden wordt automatisch met afstemmen gestopt. De
    aanduiding “AT” zal dan doven en pieptonen stoppen.
    Het is mogelijk dat het afstemmen nog steeds doorgaat wanneer
    de SWR meter 1:1 aangeeft. Dit is normaal en duidt niet op een
    defect van het apparaat.
    Alhoewel de SWR meter meer dan een segment toont, is het
    mogelijk dat de ingebouwde antennetuner niet opnieuw afstemt.
    Dit duidt niet op een defect maar wordt veroorzaakt door een
    onvermijdelijke SWR berekeningsalgoritmefout tussen 10 W (bij
    benadering) zendvermogen voor afstemming en 100 W
    zendvermogen.
    Als de afstemming niet wordt voltooid alhoewel de SWR meter
    minder dan 3:1 aangeeft, stel dan het antennesysteem zo af dat
    een lagere SWR wordt verkregen en voer de afstemming
    vervolgens opnieuw uit.
    Afhankelijk van de condities is het mogelijk dat de afstemming de
    SWR niet tot 1:1 verlaagt.

    VOORINSTELLEN VAN BANDEN
    4

    5

    Houd de [AT TUNE] toets langer dan 1 seconde ingedrukt.


    De CW mode wordt automatisch gekozen en het
    afstemmen begint.



    De aanduiding “AT” knippert en de aanduidingen “TX”
    en “CW” lichten op.



    Als u de afstemming om enige reden wilt uitschakelen,
    drukt u op de [AT TUNE] toets.



    Als de staande-golf verhouding (SWR) van het
    antennesysteem erg hoog is, hoort u een alarmsignaal
    (morsecode “SWR”) en wordt de ingebouwde tuner
    gepasseerd. Alvorens u probeert om opnieuw af te
    stemmen, dient u het antennesysteem bij te stellen
    zodat een lagere staande-golf verhouding wordt
    verkregen.

    Na elke succesvolle afstemsessie legt de voorinstelfunctie de
    gegevens voor de stand van de afstemcondensator in het
    geheugen vast. De stand van de afstemcondensator wordt
    voor elk van de antenne-afstembanden (zie onderstaande
    tabel) en voor elk van beide antenne-aansluitingen (ANT 1 en
    ANT 2) afzonderlijk vastgelegd.
    Druk op de [AT TUNE] toets en laat deze meteen weer los.


    De aanduiding “AT” verschijnt om aan te geven dat de
    ingebouwde tuner is ingeschakeld (de tuner wordt niet
    gepasseerd).



    Telkens wanneer u de antenne-afstemband doorloopt, zal
    de voorinstelfunctie automatisch de stand van de
    afstemcondensator bijstellen, zodat fijnregelen of
    herafstemmen niet nodig is. Als er nog geen gegevens
    bestaan voor een bepaalde combinatie van afstemband
    en antenne, dan worden de gegevens voor 50 Ω
    vastgelegd.

    Opmerking: Het kan gebeuren dat de afstemming opnieuw
    geactiveerd wordt om de optimale aanpassingsconditie te verkrijgen,
    alhoewel er voor de ingestelde antennetunerband reeds gegevens
    zijn vastgelegd. Dit duidt niet op een storing.

    Frequentiebereik (MHz)

    Frequentiebereik (MHz)

    Kijk naar het display om te controleren of de afstemming
    juist is uitgevoerd.

    0,03 ~ 1,85

    7,50 ~ 10,50

    1,85 ~ 2,50

    10,50 ~ 14,10



    2,50 ~ 3,525

    14,10 ~ 14,50

    3,525 ~ 3,575

    14,50 ~ 18,50

    3,575 ~ 3,725

    18,50 ~ 21,15

    3,725 ~ 4,10

    21,15 ~ 21,50

    4,10 ~ 7,03

    21,50 ~ 25,50

    7,03 ~ 7,10

    25,50 ~ 29,00

    7,10 ~ 7,50

    29,00 ~ 30,00



    Als de afstemming met succes is uitgevoerd, stopt de
    aanduiding “AT” met knipperen en verdwijnen de
    aanduidingen “TX” en “CW”.
    Als de afstemming niet binnen 20 seconden is voltooid,
    zal er een waarschuwingstoon klinken. Druk op de
    [AT TUNE]toets om deze toon en de afstemming uit te
    schakelen.

    Als u menu-nummer 11 oproept en de ON instelling kiest,
    zullen de ontvangen signalen ook via de ingebouwde tuner
    lopen. Hierdoor kan interferentie in de ontvangstfrequentie
    worden verminderd.

    N-52



  • Page 59

    12 HANDIGE EXTRA FUNCTIES

    DRU-3A DIGITAAL OPNAMESYSTEEM
    (LOS VERKRIJGBAAR)

    5

    De DRU-3A digitale opname-eenheid stelt u in staat om op
    maximaal 3 kanalen ingesproken berichten vast te leggen.
    Nadat u de berichten via de microfoon van de zendontvanger
    hebt opgenomen, kunt u deze uitzenden.
    De maximale opnametijd voor ieder kanaal is als volgt:

    6

    Kanaal 1: Ongeveer 30 sec.
    Kanaal 2: Ongeveer 15 sec.
    Kanaal 3: Ongeveer 15 sec.

    DX wedstrijden e.d., waar geruime tijd lang herhaalde
    oproepen nodig zijn;



    Controleren van interferentie op andere apparatuur (bij het
    afspelen van uw opgenomen stem bent u als het ware op
    twee plaatsen tegelijk);



    Controleren of bijregelen van uw zendsignaal of uw
    antenne(s), waarbij u niet achter uw microfoon kunt blijven
    zitten;



    Een vriend helpen bij het instellen van zijn of haar
    ontvanger of antenne, door herhaaldelijk test-uitzendingen
    van uw kant door te geven.

    Kies de SSB, FM of AM mode.




    De inhoud van het geheugenkanaal wordt
    overschreven door het nieuwe bericht.

    Herhaal de aanwijzingen vanaf stap 3 om in een ander
    geheugenkanaal een bericht op te nemen.

    Om een bericht te wissen, houdt u de bijbehorende kanaaltoets
    ingedrukt en drukt dan tegelijkertijd op de [CLR] toets.
    ◆ Als de [ ] (STROOM) schakelaar tijdens opnemen wordt
    ingedrukt, wordt het opnemen onderbroken en het
    geheugenkanaal gewist.

    WEERGAVE VAN EEN BERICHT
    U kunt de berichten in geheugenkanaal 1, 2 of 3 weergeven
    om deze te controleren of daadwerkelijk te verzenden.
    Bovendien is het mogelijk langere berichten samen te stellen
    door de inhoud van verscheidene bericht-geheugenkanalen
    achtereen te verzenden.
    En dergelijke langere berichten kunt u herhaaldelijk uitzenden
    door inschakelen van de herhaalfunctie. Roep hiervoor menunummer 23 op en kies de ON instelling. De oorspronkelijke
    instelling is OFF.
    Opmerking:

    ?

    Als de [ ] (STROOM) schakelaar tijdens weergave wordt
    ingedrukt, wordt de weergave onderbroken.
    De instellingen in menu-nummer 23 en 24 gelden tevens voor de
    weergave van CW berichten beschreven in “CW
    BERICHTENGEHEUGEN” {zie blz. 35}.

    ?

    CONTROLEREN VAN BERICHTEN

    OPNEMEN VAN BERICHTEN

    1

    Als de maximale opnametijd is bereikt, zal het
    opnemen automatisch stoppen.



    Zie “INSTALLEREN VAN ACCESSOIRES” {op blz. 57} voor
    informatie betreffende het installeren van de DRU-3A
    eenheid.

    Volg de onderstaande aanwijzingen voor het opnemen van
    een bericht.



    Opmerking:

    De DRU-3A digitale opname-eenheid is handig voor de
    volgende doeleinden:


    Laat na afloop van uw bericht de in stap 4 ingedrukte toets
    los.

    1

    Kies de SSB, FM of AM mode.


    Gebruik dezelfde mode voor zenden en ontvangst.

    Gebruik dezelfde mode voor zenden en ontvangst.

    2

    Als de VOX functie is ingeschakeld, druk dan op de [VOX]
    toets om deze functie uit te schakelen.

    2

    Als de VOX functie is ingeschakeld, druk dan op de
    [VOX] toets om deze functie uit te schakelen.

    3

    Druk op de [REC] toets om de opnamepauzestand in te
    schakelen.

    3

    Druk op de [CH 1], [CH 2] of [CH 3] toets om het
    bericht van het betreffende geheugenkanaal weer te
    geven.

    4



    De aanduiding “AP –” verschijnt.



    Druk op de [CLR] toets wanneer u bij nader inzien
    geen bericht wilt opnemen, om de opnamepauzestand
    weer uit te schakelen.

    Houd de [CH-1], [CH-2] of [CH-3] toets ingedrukt en
    spreek in de microfoon.


    Er zijn drie geheugenkanalen voor het opnemen van
    berichten. Druk op de toets voor het geheugenkanaal
    dat u wilt gebruiken.

    4



    Bij weergave van bijvoorbeeld het bericht in
    geheugenkanaal 1 verschijnt er “AP 1– –” in het
    display.



    Druk op de [CLR] toets om de weergave af te
    breken.

    Wilt u meerdere berichten achter elkaar weergeven,
    drukt dan tijdens weergave van het eerste bericht op
    de [CH-1], [CH-2] of [CH-3] toets.


    Op deze wijze kunt u de berichten van maximaal
    drie kanalen achter elkaar weergeven.

    N-53



  • Page 60

    12 HANDIGE EXTRA FUNCTIES
    VERZENDEN VAN BERICHTEN
    ?

    1

    Kies de SSB, FM of AM mode.


    2

    Gebruik dezelfde mode voor zenden en ontvangst.

    Druk op de [VOX] toets om de VOX functie in of uit te
    schakelen.


    De hiernavolgende procedure verschilt afhankelijk
    van de in deze stap gemaakte instelling.

    3

    Als u de VOX functie in stap 2 hebt ingeschakeld, druk
    dan op de [SEND] toets of houd de [PTT] schakelaar
    van de microfoon ingedrukt.

    4

    Druk op de [CH-1], [CH-2] of [CH-3] toets om het
    bericht van het betreffende geheugenkanaal weer te
    geven.

    5



    Bij weergave van bijvoorbeeld het bericht in
    geheugenkanaal 1 verschijnt er “AP 1– –” in het
    display.



    Druk op de [CLR] toets om de weergave af te
    breken.

    Wilt u meerdere berichten achter elkaar weergeven,
    drukt dan tijdens weergave van het eerste bericht op
    de [CH1], [CH2] of [CH3] toets.


    6

    Op deze wijze kunt u de berichten van maximaal
    drie kanalen achter elkaar weergeven.

    Als u in stap 3 op de [SEND] toets of op de [PTT]
    schakelaar van de microfoon hebt gedrukt, drukt u nu
    nogmaals op de [SEND] toets of u laat de [PTT]
    schakelaar los.

    VERANDEREN VAN DE PAUZE TUSSEN DE
    BERICHTEN
    ?

    ?

    Bij herhaalde weergave van berichten kunt u de pauze
    tussen de herhalingen van de berichten-serie veranderen.
    Roep menu-nummer 24 op en stel de gewenste tijd in
    (0-tot 60 seconden).

    VERANDEREN VAN DE GELUIDSSTERKTE
    De AF regelaar heeft geen invloed op de geluidssterkte
    van de weergave. Gebruik menu-nummer 25 om de
    geluidssterkte naar wens in te stellen.

    N-54



  • Page 61

    12 HANDIGE EXTRA FUNCTIES
    Bediening:

    VS-3 STEMSYNTHESIZER
    (LOS VERKRIJGBAAR)
    Door op uw zendontvanger de VS-3 stemsynthesizer aan te
    sluiten, zal de zendontvanger telkens wanneer u de mode
    verandert, zoals VFO A/B of geheugen-oproep, de nieuwe
    mode aankondigen. Bovendien kunt u de [PF] toets op het
    voorpaneel zodanig programmeren dat de zendontvanger bij
    indrukken van deze toets de aangegeven informatie
    uitspreekt. Indien u de los verkrijgbare MC-47 microfoon hebt,
    kunt u deze functie ook aan een van de [PF] toetsen op de
    microfoon toewijzen.
    Zie “INSTALLEREN VAN ACCESSOIRES” {op blz. 57} voor
    informatie betreffende het installeren van de VS-3 eenheid.

    1

    Wijs stem 1 of stem 2 toe aan de [PF] toets op het
    voorpaneel of gebruik een van de [PF] toetsen op de los
    verkrijgbare MC-47 microfoon. Zie
    “PROGRAMMEERBARE FUNCTIETOETSEN”
    {op blz. 49} voor nadere bijzonderheden.

    2

    Druk op de [PF] toets waaraan u de functie hebt
    toegewezen.


    De aankondigingen worden gemaakt overeenkomstig
    de stem 1 of stem 2 selectie.



    Om de aankondiging te onderbreken, drukt u
    nogmaals op de [PF] toets.

    De onderstaande tabel toont de aankondiging van de
    zendontvanger wanneer een nieuwe mode wordt
    ingeschakeld.
    Toets die wordt
    ingedrukt
    [A/B]
    [M/V]
    QUICK MEMO
    [MR]

    Nieuwe mode

    Hoorbare
    aankondiging

    VFO A

    VFO A frequentie

    VFO B

    VFO B frequentie

    Geheugenoproepfunctie 1

    Kanaalnummer en
    frequentie

    Snelle-toegangs- “Q”, kanaaknummer
    geheugen
    en frequentie
    1
    oproepfunctie
    1

    [MENU]

    Menu

    [ENT]

    Invoer van
    nummers 2

    “MENU”, menu-nummer
    en menu-instelling
    “enter”

    1

    Als u in deze mode het kanaal- of menu-nummer verandert,
    kondigt de zendontvanger het nieuwe nummer aan.

    2

    Als u in de nummer-Invoer mode of de geheugen-doorloop
    mode een nummer invoert met de nummertoetsen, kondigt
    de zendontvanger het ingevoerde nummer aan.

    Bij gebruik van de [PF] toets kondigt de zendontvanger
    afhankelijk van de gekozen stem, stem 1 of stem 2,
    verschillende informatie aan.
    Stem 1:


    De VFO of geheugenkanaal-frequenties worden
    aangekondigd met als eerste het 10 MHz cijfer, enzovoort
    tot en met het 10 Hz cijfer. Als er geen gegevens in het
    geheugenkanaal zijn vastgelegd, zal er “open” worden
    aangekondigd. Om het MHz decimaalteken aan te
    kondigen, hoort u “point”; om het kHz decimaalteken aan
    te geven, is er een korte pauze (200 ms). Er is ook een
    200 ms pauze tussen het kanaalnummer en de frequentie.



    De menu-nummers en instellingen worden aangekondigd
    met een korte pauze (200 ms) tussen het menu-nummer
    en de instelling.

    Opmerking: Als tijdens het uitspreken van een mededeling een
    toets of regelaar bediend wordt waardoor de informatie aangegeven
    op het display verandert, zal de aankondiging onmiddellijk stoppen.

    Stem 2:


    De piekwaarden voor de S-meter worden aangekondigd,
    bijv. “S5” of “20dB”.

    N-55



  • Page 62

    LOS VERKRIJGBARE ACCESSOIRES
    PS-53
    Gereguleerde
    gelijkstroomvoeding (22,5 A)

    MC-43S
    Handmicrofoon

    MC-47
    Multifunctie microfoon

    MC-60A
    Luxe tafelmicrofoon

    MC-80
    Tafelmicrofoon

    MC-85
    Multifunctie tafelmicrofoon

    MC-90
    DSP-geschikte tafelmicrofoon

    HS-5
    Luxe hoofdtelefoon

    De microfoon-gevoeligheid is laag
    in FM mode.

    HS-6
    Compacte hoofdtelefoon

    SP-23
    Externe luidspreker

    SP-50B
    Luidspreker voor mobiel
    gebruik

    MB-430
    Montagebeugel voor mobiel
    gebruik

    DRU-3A
    Digitale opname-eenheid

    SO-2
    Temperatuurgecompenseerde kristaloscillator (TCXO)

    VS-3
    Stemsynthesizer-eenheid

    PC-1A
    Telefoon-patch regelaar

    Het gebruik van de PC-1A in
    combinatie met de zendontvanger
    voldoet niet aan de Europese
    EMC norm.

    IF-232C
    Interface-aansluiteenheid

    LF-30A
    Laagdoorlaatfilter

    YK-88C-1
    CW filter (500 Hz)

    YK-88SN-1
    SSB filter (1,8 kHz)

    PG-2Z
    Gelijkstroomkabel

    MA-5
    5-band antenne voor mobiel
    gebruik

    N-56

    YK-88CN-1
    CW filter (270 Hz)



  • Page 63

    INSTALLEREN VAN ACCESSOIRES
    Voor het installeren van de los verkrijgbare accessoires hebt u
    het volgende gereedschap nodig.


    Grote kruiskop-schroevendraaier



    Kleine kruiskop-schroevendraaier



    Fijne soldeerbout, 25 W (alleen voor de SO-2 eenheid)

    4

    Steek de DRU-3A aansluitstekker (CN901) in de CN17
    aansluiting.


    De grote IC op de DRU-3A moet tegen het kussentje
    op de printplaat aanliggen.

    DRU-3A

    VERWIJDEREN VAN HET ONDERPANEEL
    Om de DRU-3A, VS-3 of SO-2 eenheid te installeren, moet
    eerst het onderpaneel worden verwijderd:
    1

    Verwijder de 8 schroeven.
    CN17

    2

    5

    Sluit de platte kabel op de CN15 aansluiting aan.

    6

    Breng het onderpaneel weer aan (8 schroeven).

    Til het onderpaneel van het apparaat af.

    DRU-3A DIGITALE OPNAME-EENHEID
    LET OP: SCHAKEL DE STROOM UIT EN VERBREEK DE

    AANSLUITING VAN DE GELIJKSTROOMVOEDING ALVORENS U
    DEZE EENHEID GAAT INSTALLEREN.

    1

    Verwijder het onderpaneel (8 schroeven).

    2

    Maak de platte kabel los van de CN15 aansluiting.

    CN15

    3

    Verwijder de papieren afdekking van het kussentje op de
    printplaat van de zendontvanger.

    Kussentje

    N-57



  • Page 64

    14 INSTALLEREN VAN ACCESSOIRES

    VS-3 STEMSYNTHESIZER-EENHEID

    3

    Verwijder de 2 schroeven uit het OPTION FILTER
    gedeelte van de printplaat in de zendontvanger.

    4

    Lijn de pennen van de CN8 en CN9 aansluitingen in de
    zendontvanger uit met de twee contrastekkers van het
    filter.

    LET OP: SCHAKEL DE STROOM UIT EN VERBREEK DE

    AANSLUITING VAN DE GELIJKSTROOMVOEDING ALVORENS U
    DEZE EENHEID GAAT INSTALLEREN.

    1

    Verwijder het onderpaneel (8 schroeven).

    2

    Pak de VS-3 eenheid met de componentzijde naar binnen
    gekeerd vast en steek de aansluitstekker in de CN16
    aansluiting van de zendontvanger.
    Componentzijde
    VS-3

    CN16



    Zorg dat de pennen juist zijn uitgelijnd.
    Filter

    3

    Breng het onderpaneel weer aan (8 schroeven).

    Opmerking: Met de VR8 kunt u de geluidssterkte van de

    aankondigingen afstellen. Gebruik de VR8 alleen wanneer het geluid
    te hard of te zacht is.

    CN8
    CN9

    VR8

    5

    Duw het filter voorzichtig in deze positie omlaag totdat het
    op zijn plaats vastklikt.

    6

    Breng de 2 schroeven weer aan die u in stap 3 hebt
    verwijderd.

    7

    Breng het deksel weer aan (2 schroeven).

    YK-88C-1/ YK-88CN-1/ YK-88SN-1
    FILTERS
    LET OP: SCHAKEL DE STROOM UIT EN VERBREEK DE
    AANSLUITING VAN DE GELIJKSTROOMVOEDING ALVORENS U
    DEZE EENHEID GAAT INSTALLEREN.

    1

    Verwijder de 2 schroeven uit het deksel van het
    onderpaneel.
    Deksel van
    onderpaneel

    Opmerking: Nadat het filter is aangebracht, dient in menunummer 46 de juiste instelling te worden gekozen, aangezien het
    filter anders niet functioneert.

    2

    Verwijder het deksel.

    N-58



  • Page 65

    14 INSTALLEREN VAN ACCESSOIRES

    SO-2 TEMPERATUUR-GECOMPENSEERDE
    KRISTAL-OSCILLATOR (TCXO)

    7

    Knip de draden door van de R503 en R504 weerstanden.
    Hier doorknippen

    LET OP: SCHAKEL DE STROOM UIT EN VERBREEK DE
    AANSLUITING VAN DE GELIJKSTROOMVOEDING ALVORENS U
    DEZE EENHEID GAAT INSTALLEREN.

    1

    Verwijder het onderpaneel (8 schroeven).

    2

    Verwijder het beschermdeksel van de printplaat
    (6 schroeven).

    R504
    R503

    8

    Steek de SO-2 eenheid op de juiste plaats in de printplaat.

    SO-2

    9

    Draai de printplaat om.


    3

    Verwijder de 13 schroeven waarmee de printplaat aan het
    chassis is bevestigd.

    Wees voorzichtig dat u de platte kabels die op de
    printplaat zijn aangesloten niet beschadigd en let op
    dat u de SO-2 eenheid niet laat vallen.
    1

    4

    2

    Verwijder de klem waarmee de hitte-opnemer tegen de
    chassis wordt gehouden.
    Klem
    Hitte-opnemer

    10 Soldeer de vijf aansluitpennen van de SO-2 eenheid aan
    de printplaat vast en knip de SO-2 pennen die uit de
    printplaat steken af.
    11 Breng de printplaat weer op zijn plaats aan.
    12 Draai de 13 schroeven in de printplaat.

    5

    Maak de kabel los van de CN1 aansluiting.

    CN1

    13 Breng het beschermdeksel aan op de printplaat
    (6 schroeven).
    14 Breng de klem aan.


    Let op dat de klem in de juiste richting wordt
    gemonteerd. Zie de afbeelding in stap 4.

    15 Sluit de kabel aan op de CN1 aansluiting.
    16 Trek lichtjes aan de kabel en maak deze vast in de
    kabelhouder.
    6

    Neem de kabel uit de kabelhouder.

    17 Breng het onderpaneel weer aan (8 schroeven).

    N-59



  • Page 66

    AANSLUITEN VAN RANDAPPARATUUR
    COMPUTER
    De COM aansluiting stelt u in staat de zendontvanger rechtstreeks aan te sluiten op een computer of een processorloze terminal
    met behulp van een RS-232C kabel voorzien van een 9-polige contrastekker.
    Voor deze verbinding is geen extra apparatuur vereist. Zie “AANHANGSEL” op blz. 70 voor nadere bijzonderheden over deze
    aansluiting.
    TS-570
    RS-232C
    seriële poort

    COM aansluiting
    Personal computer/
    processorloze terminal

    Recht doorverbonden kabel

    COMPATIBELE ZENDONTVANGER
    Bij gegevensoverdracht naar of vanaf een andere TS-570 of een TS-870S, kunt u de zendontvangers rechtstreeks via de COM
    aansluitingen met elkaar verbinden.
    Bij gegevensoverdracht naar andere KENWOOD zendontvangers dient de los verkrijgbare IF-232C interface-eenheid te worden
    gebruikt. Sluit de IF-232C aan op de ACC 1 aansluiting van de compatibele zendontvanger. 6-polige DIN stekkers (E07-0654-XX)
    zijn los verkrijgbaar. Neemt u hiervoor contact op met uw dealer of KENWOOD onderhoudsdienst.

    TS-570

    TS-450S/690S/850S/950SDX

    Kabel met gekruiste draden

    TS-570

    COM aansluitkabel

    TS-570/870S

    Zie de gebruiksaanwijzing
    van de IF-232C.

    DIN (6P)

    ANT

    DIN (6P)

    IF-232C
    RS-232C (25P)

    Kabel met gekruiste draden

    Recht doorverbonden
    kabel

    ACC 1
    Achterpaneelaanzicht van de
    TS-450S/ 690S/
    850S/ 950SDX

    15

    N-60

    ACC 1
    Pen
    nr.

    Benaming

    1

    GND

    2

    TXD

    3

    RXD

    4

    CTS

    5

    RTS

    6

    NC



  • Page 67

    15 AANSLUITEN VAN RANDAPPARATUUR

    RTTY APPARATUUR
    Sluit de RTTY seinapparatuur aan op de ACC 2 aansluiting. Verbind de RTTY toetssignaal-uitgang van uw RTTY apparatuur met
    pen 2 van de ACC 2 aansluiting. Verbind de demodulatie-ingang van uw RTTY apparatuur met pen 3 van de ACC 2 aansluiting.
    Opmerking: Gebruik niet hetzelfde voedingsapparaat voor de stroomvoorziening van de zendontvanger en de RTTY apparatuur. Houd een zo

    groot mogelijke afstand open tussen de zendontvanger en de RTTY apparatuur, om het oppikken van stoorsignalen door de zendontvanger te
    voorkomen.

    TS-570

    Voeding voor MCP

    ACC 2

    MCP
    Personal computer/
    processorloze terminal

    LINEAIRE VERSTERKER
    De REMOTE aansluiting stelt u in staat een externe eindversterker voor het zenden aan te sluiten. Bij gebruik van een dergelijke
    versterker dient het stuurrelais voor de lineaire versterker te worden ingeschakeld via menu-nummer 39.
    Als u CW Full Break-in hebt gekozen, is de responstijd van het TX/RX relais 10 ms; bij CW Semi Break-in is de responstijd
    25 ms.
    Opmerking: De TX/RX bedieningsmethode verschilt afhankelijk van de gebruikte externe versterker. Bij sommige versterkers wordt de TX mode
    ingeschakeld wanneer de bedieningsaansluiting geaard wordt. Bij die versterkers verbindt u pen 2 van de REMOTE aansluiting met de GND
    aansluiting van de versterker en pen 4 van de REMOTE aansluiting met de bedieningsaansluiting van de versterker.

    REMOTE aansluiting

    Pen
    nr.
    Lineaire
    versterker

    TS-570
    Netsnoer

    1

    Luidspreker-uitgang

    2

    Gemeenschappelijke aansluiting

    3

    Standby; bij aarden komt de
    zendontvanger in de TX mode te staan.

    4

    Bij verbinding met de gemeenschappelijke aansluiting
    komt de versterker in de TX mode te staan.

    5

    Bij verbinding met de gemeenschappelijke aansluiting
    komt de versterker in de RX mode te staan.

    6

    ALC ingangssignaal vanaf versterker

    7

    Ca. +12 V gelijkspanning wordt afgegeven in
    de TX mode (max. 10 mA).

    RF uitgangssnoer

    R
    T

    Stuurrelais
    4

    2

    5

    1

    3
    6

    7

    Aarde (GND)

    Functie

    REMOTE aansluiting
    (aanzicht vanaf achterpaneel)

    ANTENNETUNER
    Sluit de externe antennetuner aan op de ANT 1 aansluiting en de AT aansluiting. Als u de externe tuner op de ANT 2 aansluiting
    aansluit, zal deze niet werken.

    Externe antennetuner

    15

    TS-570

    N-61



  • Page 68

    15 AANSLUITEN VAN RANDAPPARATUUR

    MCP EN TNC
    Gebruik de ACC 2 aansluiting om de zendontvanger te verbinden met de in/uitgangsaansluitingen van een Terminal Node
    Controller (TNC) voor packetradio, een Multimode Communications Processor (MCP) voor gebruik met Packet, PacTOR, AMTOR,
    G-TOR™ of FAX, of om deze te verbinden met een Clover interface. SSTV en telefoon-patch apparatuur kunnen ook op de ACC 2
    aansluiting worden aangesloten.


    Sluit de TNC of MCP aan op de ACC 2 aansluiting met behulp van een kabel met 13-polige DIN stekker.



    Om de TNC of MCP op een computer of processorloze terminal aan te sluiten, hebt u een RS-232C kabel nodig.

    Opmerking:


    Gebruik niet hetzelfde voedingsapparaat voor de stroomvoorziening van de zendontvanger en de TNC of MCP. Houd een zo groot mogelijke
    afstand open tussen de zendontvanger en de personal computer, om het oppikken van stoorsignalen door de zendontvanger te voorkomen.
    ◆ De uitgangsspanning van pen nr. 6 (SMET) is niet 0 V, ook als er geen signaal aanwezig is. Ook is de uitgangsspanning verschillend bij FM
    (ca. 2,8 ~ 3,8 V) en de andere modes (ca. 0,5 ~ 3,8 V). Wanneer deze pen wordt verbonden met randapparatuur zoals een personal computer
    moet de ingangsimpedantie van de betreffende apparatuur hoger zijn dan 1 MΩ. Als de impedantie lager is, zal de indicatie van de S-meter niet
    nauwkeurig zijn.

    Pen nr.

    Benaming

    1

    Functie-omschrijving

    NC

    Niet aangesloten

    2

    RTK

    RTTY toets-ingangssignaal

    3

    ANO

    Audiofrequentie-uitgangssignaal van ontvanger
    • Aansluiting op de TNC of MCP data-ontvangst stekkerpen voor digitale bediening.
    • Het audiofrequentie-uitgangsniveau is onafhankelijk van de instelling van de AF regelaar.
    • Het audiofrequentie-uitgangsniveau kan worden ingesteld via menu-nummer 34.
    • Uitgangsimpedantie: 4,7 kΩ

    4

    GND

    Afscherming voor stekkerpen 3

    5

    PSQ

    Squelch regeling
    • Aansluiting op de TNC of MCP squelch-regeling stekkerpen voor digitale bediening.
    • Voorkomt dat de TNC kan zenden terwijl de squelch van de ontvanger open staat.
    • Squelch open: lage impedantie
    • Squelch dicht: hoge impedantie

    6

    SMET

    7

    NC

    8

    GND

    Chassis-aarde

    9

    PKS

    Zendontvanger spreekcircuit (Push-to-talk) besturing
    • Aansluiting op de TNC of MCP zend/ontvangst schakel-pen voor digitale bediening.
    • Het microfoon audio-ingangssignaal wordt gedempt wanneer u de zendontvanger overschakelt op
    zenden.

    10

    NC

    Niet aangesloten

    11

    PKD

    Microfoon audio-ingangssignaal
    • Aansluiting op de TNC of MCP data-verzending stekkerpen voor digitale bediening.

    12

    GND

    Afscherming voor stekkerpen 11

    13

    SS

    S-meter uitgangssignaal
    Niet aangesloten

    Spreekcircuit (Push-to-talk, parallel met de MIC microfooningang) voor het aansluiten van een
    voetschakelaar of andere externe bedieningseenheid
    Zwart

    Voeding voor
    TNC/MCP

    15

    TNC/MCP

    Rood

    TS-570

    PS-53

    Personal computer/
    processorloze terminal

    N-62

    13
    9

    10

    11

    12

    5

    6

    7

    8

    1

    2

    3

    4

    ACC 2 aansluiting
    (aanzicht vanaf achterpaneel)



  • Page 69

    ONDERHOUD
    ALGEMENE INFORMATIE

    BIJ TECHNISCHE VRAGEN

    Uw transceiver is alvorens verscheping uitvoerig in de fabriek
    getest. Indien gebruikt overeenkomstig de voorschriften, zal
    uw transceiver geheel volgens de beschrijvingen in deze
    handleiding functioneren. Alle regelbare trimmers, spoelen en
    weerstanden in de transceiver zijn reeds in de fabriek
    afgeregeld. Afregeling van deze onderdelen mag alleen
    worden uitgevoerd door een terzake deskundige vakman die
    beschikt over de benodigde test- en meetapparatuur. Let er
    op dat indien u zelf, zonder toestemming van de fabrikant,
    aan het het toestel knutselt, de garantie zal komen te
    vervallen.

    Mocht u schriftelijk vragen willen stellen omtrent een
    technisch of bedieningsprobleem, dan verzoeken wij u zo
    bondig, volledig en ter zake mogelijk te zijn. Wij verzoeken u
    ons daarbij de volgende informatie te verschaffen:

    Bij een goed en verantwoord gebruik zal de transceiver vele
    jaren uitstekend dienst doen zonder dat daarvoor enig
    onderhoud vereist is. In dit hoofdstuk worden enkele
    eenvoudige serviceproceduren beschreven waarvoor weinig
    of geen testapparatuur vereist is.

    1

    Model- en serienummer van het betreffende toestel

    2

    Het probleem of de vraag waar u mee zit

    3

    Is er andere apparatuur in uw station die met het
    probleem verband houdt

    4

    Meterwaarden

    5

    Overige informatie

    LET OP: VERPAK HET TOESTEL NIET IN EEN DOOS MET
    KRANTENPROPPEN. HIERDOOR KAN HET TIJDENS
    TRANSPORT OF VERSCHEPING ERNSTIG BESCHADIGEN.
    Opmerking:

    ONDERHOUD
    Mocht reparatie toch noodzakelijk zijn, pak het toestel dan
    met het originele verpakkingsmateriaal in en breng het naar
    uw dealer of het dichstbijzijnde bevoegde service-centrum.
    Voeg tevens een volledige beschrijving bij van de problemen
    of vermoede defecten. Vermeld tevens uw adres en
    telefoonnummer, zodat de reparateur indien nodig contact
    met u op kan nemen voor nadere uitleg omtrent het probleem
    waar u mee kampt. Houd de accessoires van het toestel
    thuis, tenzij u denkt dat ze met de storing verband kunnen
    houden.
    Indien reparatie nodig is, breng de transceiver dan naar de
    bevoegde KENWOOD dealer waar u het toestel heeft
    gekocht, of naar een bevoegd KENWOOD service-centrum.
    Na reparatie zult u bij de transceiver tevens een afschrift van
    het reparatieraport krijgen. Bied nooit alleen onderdelen of
    circuitplaten van de transceiver voor reparatie aan. Geef de
    hele transceiver aan de reparateur.



    Registreer de datum van aankoop, het serienummer en de dealer
    waarvan u het toestel heeft gekocht.
    ◆ Houd zelf bij hoe vaak en wanneer u de transceiver voor
    onderhoud heeft weggebracht.
    ◆ Indien u het toestel onder garantie voor reparatie aanbiedt, voeg
    dan een kopie bij van de aankoopbon of dergelijk document dat
    de datum van aankoop toont.

    REINIGING
    De toetsen, regelaars en de behuizing van de transceiver
    zullen na langdurig of intensief gebruik waarschijnlijk vuil
    worden. De regelaars kunnen van het toestel worden
    losgehaald en worden gereinigd in een oplossing van een
    neutraal schoonmaakmiddel en warm water. Reinig de
    behuizing van het toestel met een goed uitgewrongen doek
    gedoopt in eenzelfde oplossing. Gebruik hiervoor nooit
    aggressieve of chemische reinigingsmiddelen.

    Bevestig een label of etiket met uw naam en telefoonnummer
    op alle voor reparatie aangeboden onderdelen. Mocht u
    correspondentie voeren over een bepaald probleem, geef dan
    altijd het model- en serienummer van de transceiver aan.

    N-63



  • Page 70

    16 ONDERHOUD

    INTERNE BIJSTELLINGEN

    6

    Verstel de TC500 trimmer nu zo dat het frequentieverschil
    tussen de ontvangen 800 Hz toon en de 800 Hz zijtoon
    minimaal is.

    IJKEN VAN DE REFERENTIE-FREQUENTIE
    Opmerking:


    De zendontvanger is in de fabriek reeds naar behoren ingesteld.
    Voer de volgende bijstellingen UITSLUITEND uit als dat strikt
    noodzakelijk is.
    ◆ Als u de los verkrijgbare SO-2 eenheid heeft geïnstalleerd, kunt u
    deze afstelling niet uitvoeren.

    1

    Maak de volgende instellingen op de zendontvanger:


    Mode: CW



    AF regelaar: middelste stand



    Menu-nummer 20 (CW RX toonhoogte): 800 Hz



    IF SHIFT regelaar: middelste stand



    Ontvangst-bandbreedte {zie blz. 38}: 600 Hz



    RIT functie: OFF



    Break-in functie (VOX): OFF

    2

    Verwijder het onderpaneel (8 schroeven) van de
    zendontvanger.

    3

    Verwijder het beschermdeksel op de printplaat
    (6 schroeven).

    4

    7

    Breng het beschermdeksel weer aan op de printplaat
    (6 schroeven).

    8

    Breng het onderpaneel weer aan (8 schroeven).

    VERVANGEN VAN DE INTERNE ZEKERING
    1

    Verwijder het bovenpaneel (8 schroeven) van de
    zendontvanger.

    2

    Verwijder de 12 schroeven waarmee het binnendeksel
    aan het chassis is bevestigd.

    3

    Maak het binnendeksel open.

    Stem af op een standaardfrequentie-station zoals WWV of
    WWVH op bijvoorbeeld 10,000 of 15,000 MHz.


    Verstel de Afstemknop zo dat het display de exacte
    frequentie van het station aangeeft.



    U dient een zwevingstoon van ongeveer 800 Hz te
    horen.



    Voor 800 Hz:
    faf = (faangegeven/20,000 × ∆freferentie) + 800 Hz
    waarbij ∆freferentie gelijk is aan de verschuiving vanaf de
    20 MHz referentie-frequentie

    5

    TC500

    Sluit nu de CW sleutel en u zult een zend-zijtoon van
    ongeveer 800 Hz horen.


    Deze zijtoon zal in combinatie met het ontvangen
    signaal een dubbele zwevingstoon te horen geven.



    Verstel de AF regelaar nu zo dat u de dubbele
    zwevingstoon duidelijk kunt horen.



    Voor 800 Hz:
    fzijtoon = 800 Hz±50 ppm (= 800 ±0,04 Hz) waarbij
    ∆freferentie gelijk is aan de verschuiving vanaf de
    20 MHz referentie-frequentie

    N-64



    Pas op dat u de luidsprekerkabel niet beschadigd die
    aan de printplaat is bevestigd.

    Zekering (4 A)



  • Page 71

    16 ONDERHOUD

    OPLOSSEN VAN PROBLEMEN
    Het overzicht hierna beschrijft een aantal veel voorkomende problemen waar een gebruiker tijdens de bediening mee te maken kan
    krijgen. Dit soort problemen vinden vaak hun oorzaak in een onjuiste aansluiting, een per ongeluk verkeerd ingestelde regelaar of
    toets, of een bedieningsfout tengevolge van een onvolledige programmering. Raadpleeg daarom eerst het overzicht hierna en de
    aangegeven gedeelten in de handleiding, in plaats van al te gauw aan te nemen dat het toestel defect is en het voor reparatie weg
    te brengen.
    Opmerking:


    Vanwege de frequentie-verhoudingen van enkele circuits in deze zendontvanger kunnen er zweeftonen optreden bij de volgende frequenties:
    10,000 MHz, 20,000 MHz en 30,000 MHz. Dit wijst niet op storing in de werking van het toestel.
    ◆ Het gebruik van een draagbare zendontvanger vlak bij deze TS-570D kan storing in de weergave van de TS-570D veroorzaken.
    Probleem

    Oplossing

    Mogelijke oorzaak

    De zendontvanger kan niet
    worden ingeschakeld, ook
    al is er een 13,8 V
    gelijkstroomvoeding
    aangesloten en is de
    [ ] (STROOM) schakelaar
    ingedrukt. Er verschijnt
    niets in het display en er is
    geen geluid hoorbaar.

    1
    2

    De gelijkstroomvoeding is uitgeschakeld.
    Er is iets mis met de voedingskabel.

    1
    2

    3

    De aansluitingen van de voedingskabel
    zijn niet in orde.
    Er is een voedingszekering doorgeslagen.

    3

    Na het inschakelen van de
    zendontvanger werkt het
    toestel niet naar behoren.
    Zo verschijnen er
    bijvoorbeeld geen cijfers of
    alleen maar onjuiste
    aanduidingen in het
    display.

    1

    De ingangsspanning ligt buiten het
    toegestane bereik van 11,7 tot 15,8 V
    gelijkstroom (13,8 V gelijkstroom ±15%).
    Er is een storing in de microprocessor
    opgetreden.

    Na het inschakelen van de
    zendontvanger wordt er
    “14.000.00 MHz USB”
    aangegeven en alle
    gegevens zijn gewist, terwijl
    u geen poging hebt gedaan
    tot “Volledig terugstellen”.

    De spanning van de lithiumbatterij voor de
    reservevoeding is te gering.

    Ga naar uw dealer of een KENWOOD
    onderhoudsdienst om een nieuwe lithiumbatterij
    te laten installeren.

    De zendontvanger
    reageert niet naar behoren
    op het indrukken van een
    toets, een combinatie van
    toetsen, of het draaien aan
    een regelaar volgens de
    aanwijzingen in deze
    handleiding.

    1

    Wellicht hebt u bij de bediening toch iets
    over ‘t hoofd gezien.

    1

    2

    De “F.LOCK” toetsblokkeerfunctie is
    ingeschakeld.
    De microprocessor en het geheugen
    daarvan moeten worden teruggesteld.

    2

    De toetsen op de zendontvanger werken niet
    wanneer de Afstemknop wordt gebruikt.

    4

    4

    2

    3

    4

    Zie
    blz.

    Schakel de gelijkstroomvoeding in.
    Controleer de voedingskabel. Kijk of de
    polariteit niet is verwisseld.
    Rood: positief (+); Zwart: negatief (–)
    Zorg dat de voedingskabel stevig is
    aangesloten.
    Spoor de oorzaak van de doorgeslagen
    zekering op. Pas nadat alle mogelijke
    problemen verholpen zijn, plaatst u een
    nieuwe zekering met het voorgeschreven
    amperage.

    13
    2

    1

    Zorg voor de juiste ingangsspanning of
    gebruik een 12 t/m 16 V accu.

    2

    2

    Zie de aanwijzingen onder
    “TERUGSTELLEN VAN DE
    MICROPROCESSOR (RESET)”. Houd er
    rekening mee welke gegevens verloren
    kunnen gaan en verricht zo mogelijk het
    “Deels terugstellen”. Als dit het probleem niet
    verhelpt, zit er niets anders op dan “Volledig
    terugstellen”.

    48

    4

    3

    Zie de aanwijzingen onder “TOELICHTING
    BIJ HET GEBRUIK VAN DEZE
    HANDLEIDING”.
    Druk op de [F.LOCK] toets om de
    toetsblokkeerfunctie uit te schakelen.
    Zie de aanwijzingen onder
    “TERUGSTELLEN VAN DE
    MICROPROCESSOR (RESET)”. Houd er
    rekening mee welke gegevens verloren
    kunnen gaan en verricht zo mogelijk het
    “Deels terugstellen”. Als dit het probleem niet
    verhelpt, zit er niets anders op dan “Volledig
    terugstellen”.
    Laat de Afstemknop los en druk dan op de
    gewenste toets.

    2
    2

    39

    i

    48
    48

    7

    Het veranderen van de
    frequentie lukt niet.

    De “F.LOCK” toetsblokkeerfunctie is
    ingeschakeld.

    Druk op de [F.LOCK] toets om de
    toetsblokkeerfunctie uit te schakelen.

    48

    De geluidskwaliteit bij SSB
    afstemming is beneden
    peil; de hoge en lage
    tonen komen nauwelijks
    door.

    1

    1

    Zet menu-nummer 32 op OFF.

    18

    2

    Draai de DSP SLOPE (LOW) regelaar naar
    links en de DSP SLOPE (HIGH) regelaar
    naar rechts.
    Druk op de [N.R.] toets om de functie uit te
    schakelen.
    Druk op de [B.C.] toets om de functie uit te
    schakelen.

    37

    2

    3
    4

    U hebt ingesteld op het filter voor digitale
    bediening.
    De DSP SLOPE (LOW) regelaar en/of de
    DSP SLOPE (HIGH) regelaar staan niet
    juist ingesteld.
    De Ruisonderdrukking 1 of 2 is
    ingeschakeld.
    De Beat Cancel zwevingsonderdrukking is
    ingeschakeld.

    3
    4

    38
    38

    N-65



  • Page 72

    16 ONDERHOUD
    Er worden geen signalen
    ontvangen of de
    ontvangst-gevoeligheid
    lijkt uiterst gering.

    1
    2
    3

    4
    5

    6

    7

    De SQL regelaar staat geheel naar rechts
    gedraaid.
    De ATT verzwakkingsfunctie is
    ingeschakeld.
    De zendontvanger staat ingesteld op
    zenden, aangezien de [SEND] toets is
    ingedrukt.
    U drukt de [PTT] schakelaar van de
    microfoon in.
    De ontvangst-bandbreedte is verkeerd
    ingesteld.

    1

    Draai de SQL regelaar naar links.

    14

    2

    Druk op de [ATT] toets om de
    verzwakkingsfunctie uit te schakelen.
    Druk op de [SEND] toets om terug te keren
    naar ontvangst.

    37

    15

    Het toestel staat ingesteld op de verkeerde
    antenne-aansluiting
    (ANT 1/ANT 2).
    De ontvangst-voorversterker is
    uitgeschakeld.

    6

    Laat de [PTT] schakelaar van de microfoon
    los.
    Zie de paragrafen “IF FILTER” en
    “AANPASSEN VAN DE ONTVANGSTBANDBREEDTE”. Stel de regelaars aan de
    hand hiervan juist in.
    Druk op de [ANT] toets om in te stellen op
    de andere antenne-aansluiting.

    3

    4
    5

    7

    Druk op de [PRE-AMP] toets om de
    ontvangst-voorversterker in te schakelen.

    15

    36, 37

    48

    37

    Er worden geen signalen
    ontvangen of de
    ontvangst-gevoeligheid
    lijkt gering, maar de
    S-meter geeft wel een
    goede ontvangst aan.

    De RF regelaar staat te laag ingesteld.

    Draai de RF regelaar geheel naar rechts.

    13

    De ontvangen signalen
    zijn niet te volgen.

    Er is ingesteld op de verkeerde
    modulatiefunctie.

    Druk op de [LSB/USB], [CW/FSK] of
    [FM/AM] toets om de juiste modulatiefunctie te
    kiezen.

    14

    De geheugen-scanfunctie
    begint niet met scannen.

    1

    De SQL regelaar staat niet juist ingesteld.

    1

    14

    2

    Er zijn minder dan twee geheugenkanalen
    beschikbaar (niet met “Lockout”
    overgeslagen).
    Er zijn minder dan twee geheugenkanalen
    geprogrammeerd.

    2

    Stel de SQL regelaar zo in dat er net geen
    achtergrondruis te horen is.
    Maak meer geheugenkanalen beschikbaar
    (hef de “Lockout” op).
    Leg in meer geheugenkanalen gegevens
    vast.

    39

    3

    3

    44

    De geheugen-scanfunctie
    slaat een van de kanalen
    met gegevens over, terwijl
    het betreffende kanaal
    NIET met “Lockout” is
    buitengesloten.

    Wellicht is er ingesteld op groepsscan en het
    gewenste kanaal hoort bij een andere groep.

    Schakel over naar de groep van het gewenste
    kanaal.

    47

    De programmascanfunctie begint niet
    met scannen.

    De begin- en eindfrequenties staan gelijk
    ingesteld.

    Leg verschillende begin- en eindfrequenties
    vast.

    43

    De afstemming wordt niet
    met succes uitgevoerd.

    De impedantie van de coaxkabel en de
    antenne komt niet met elkaar overeen.
    • Afhankelijk van de condities is het mogelijk
    dat de afstemming niet met succes wordt
    uitgevoerd, alhoewel de SWR meter
    minder dan 3:1 aangeeft.

    Stel het antennesysteem zo af dat een lagere
    SWR wordt verkregen.

    1

    De ingebouwde tuner
    wordt gepasseerd,
    meteen nadat met
    afstemmen begonnen is.

    De staande-golf verhouding (SWR) van het
    antennesysteem is te hoog.

    Stel het antennesysteem zo af dat een lagere
    SWR wordt verkregen.

    52

    Het zenden begint niet bij
    indrukken van de [PTT]
    schakelaar van de
    microfoon of het zenden
    resulteert niet in enig
    contact.

    1

    De stekker van de microfoon steekt niet
    ver genoeg in de MIC aansluiting op het
    voorpaneel.

    1

    3

    2
    3

    De zendblokkering is ingeschakeld.
    U hebt ingesteld op CW of FSK in plaats
    van een spraak-zendmode.
    U hebt ingesteld op het filter voor digitale
    bediening.
    Het toestel staat ingesteld op de verkeerde
    antenne-aansluiting (ANT 1/ANT 2).

    2
    3

    4
    5

    N-66

    4
    5

    Schakel de zendontvanger uit, controleer of
    er geen voorwerp of verontreinigingen in de
    MIC aansluiting op het voorpaneel zijn en
    steek dan de stekker van de microfoon
    stevig in. Draai de borgring van de stekkeraansluiting vast.
    Zet menu-nummer 38 op OFF.
    Druk op de [LSB/USB] of de [FM/AM] toets
    om in te stellen op een spraak-zendmode.
    Zet menu-nummer 32 op OFF.
    Druk op de [ANT] toets om in te stellen op
    de andere antenne-aansluiting.

    18
    14
    18
    48



  • Page 73

    16 ONDERHOUD
    Bij een poging tot zenden
    verschijnt er “HELLO” in
    het display en wordt er
    teruggeschakeld naar
    ontvangst.

    1

    De antenne is niet juist aangesloten.

    1

    2

    De antenne is niet juist aangepast aan de
    zendontvanger.
    De ingangsspanning ligt buiten het
    toegestane bereik van 11,7 tot 15,8 V
    gelijkstroom (13,8 V gelijkstroom ±15%).
    Er is een verkeerd type voedingskabel
    aangesloten.

    2

    De microfoon-gevoeligheid staat te laag
    ingesteld.
    Een zwakke antenne-aansluiting maakt de
    SWR staande-golf verhouding te hoog.

    3

    4

    Controleer de antenne-aansluiting.
    Corrigeer deze zoals vereist.
    Verminder de SWR staande-golf
    verhouding van het antennesysteem.
    Zorg voor de juiste ingangsspanning of
    gebruik een 12 tot 16 V accu.

    1

    4

    Sluit de bijgeleverde voedingskabel of een
    los verkrijgbare gelijkstroomkabel aan.

    2

    1

    Verhoog de microfoon-gevoeligheid als de
    SSB of AM mode gebruikt wordt.
    Controleer de antenne-aansluitingen. Zorg
    dat de antennetuner een lagere staandegolf verhouding aangeeft.

    15

    3

    1
    2

    De zendontvanger heeft
    bij zenden te weinig
    vermogen.

    1

    De VOX
    stemgeschakelde
    zendfunctie werkt niet.

    De VOX versterking staat te laag ingesteld.

    Verhoog de instelling in menu-nummer 16.

    17

    De lineaire versterker
    werkt niet.

    1

    Het stuurrelais van de lineaire versterker is
    uitgeschakeld.
    Er is iets mis met de REMOTE aansluiting
    of bedrading.

    1

    Stel menu-nummer 39 op ON.

    18

    2

    Controleer de REMOTE aansluiting en
    zorg dat de bedrading in orde is.

    61

    Zie onder “FM ZENDEN MET
    REPETEERZENDERS” en stel in op de
    juiste frequentie en het type subtoon.
    U dient uit te zenden op de
    ingangsfrequentie van de repeteerzender
    en te ontvangen op de uitgangsfrequentie
    van de repeteerzender. Zie onder “FM
    ZENDEN MET REPETEERZENDERS”.

    24

    2

    2

    2

    1

    De toegang of het
    gebruik van de
    10-meter band
    repeteerzenders verloopt
    niet goed.

    1

    De repeteerzenders vereisen een subtoonfrequentie voor toegang.

    1

    2

    U werkt niet in duplex, met gescheiden
    frequenties.

    2

    De digitale functies
    geven niet of nauwelijks
    verbinding of
    communicatie met
    andere stations.

    1

    Wellicht is er iets mis met de aansluitingen
    tussen de zendontvanger, de computer en
    de TNC of MCP, of de programmainstellingen voor de TNC of MCP zijn
    onjuist.
    U gebruikt verschillende zend- en
    ontvangst-requenties.

    1

    Controleer alle aansluitingen, aan de hand
    van deze handleiding, uw
    TNC/MCP handleiding en de handleiding
    van uw computer.

    62

    2

    23,30,
    32

    3

    De niveau-instelling verschilt tussen de
    zendontvanger en de TNC/MCP.

    3

    4

    Uw zendsignaal of het ontvangen signaal
    is te zwak.

    4

    5

    De TX wachttijd-parameter voor zenden
    met de TNC/MCP staat verkeerd ingesteld.

    5

    Controleer of de RIT en XIT functies zijn
    uitgeschakeld. Let ook op dat u GEEN
    duplex instelling met gescheiden
    frequenties gebruikt.
    Stel het TX en RX niveau in via de menunummers 33 en 34 en met de
    niveauregelaars van uw TNC/MCP.
    Heroriënteer of verplaats uw antenne of
    stel de antennegevoeligheid/versterking
    hoger in.
    Stel de TX wachttijd voor de
    TNC/MCP in op meer dan 300 ms.

    1

    De RS-232C kabel waarmee u de
    computer op de zendontvanger hebt
    aangesloten, is niet geschikt.
    De communicatie-parameters van uw
    programmatuur staan anders ingesteld dan
    de parameters in de zendontvanger.

    1

    Controleer de kabel en tevens de
    aansluitingen.

    60

    2

    51

    Wellicht is er iets mis met de seriële poort
    van uw computer.

    3

    Stel de parameters van het communicatieprogramma en de zendontvanger op
    dezelfde waarden in. Zie onder
    “COMMUNICATIE-PARAMETERS”.
    Verbreek de aansluiting tussen de
    computer en de zendontvanger en test de
    seriële poort van uw computer met een
    utiliteitsprogramma.

    2

    De bediening van de
    zendontvanger via een
    computer lukt niet.

    2

    3

    24

    18







    N-67



  • Page 74

    SPECIFICATIES
    ALGEMEEN

    TS-570D
    J3E (LSB, USB), A1A (CW), A3E (AM),
    F3E (FM), F1D (FSK)

    Modulatie soort
    Aantal geheugen plaatsen

    100
    50 Ω
    (met antennetuner 16,7 ~ 150 Ω)

    Antenne impedantie

    13,8 V gelijkstroom ± 15%

    Voedingsspanning
    Aadingsmethode

    Negatief
    20,5 A

    Sende (max.)

    Stroom

    2A

    Empfang (kein Signal)
    Bruikbaar temperatuur gebied

    –10°C ~ 50°C

    Frequentie stabiliteit (–10°C ~ 50°C)

    Binnen ±10 PPM

    Frequentie-nauwkeurigheid (bij kamertemperatuur)

    Binnen ±10 PPM

    Afmetingen [B × H × D]
    (Uitstekende delen mee gerekend)

    270 × 96 × 271 mm
    (281 × 107 × 314 mm)

    Gewicht

    Ongeveer 6,8 kg
    1,8

    ZENDER

    160 m Band

    3,5

    80 m Band

    Band

    5

    ~ 7,3

    MHz

    20 m Band

    14,0

    ~ 14,35 MHz

    17 m Band

    18,068 ~ 18,168 MHz

    15 m Band

    21,0

    12 m Band

    24,89 ~ 24,99 MHz

    10 m Band

    28,0

    SSB, CW,
    FSK, FM

    ~ 21,45 MHz

    ~ 29,7

    Max.

    100 W

    Min.

    5W

    Max.

    25 W

    Min.

    5W

    MHz

    SSB

    Gebalanceerd

    FM

    Reactantie

    AM

    Laag niveau

    Ongewenste uitstralingen

    –50 dB of minder

    Draaggolf onderdrukking

    40 dB of meer

    Maximale frequentieafwijking (FM)

    40 dB of meer
    Breed

    ±5 kHz of minder

    Smal

    ±2,5 kHz of minder

    Frequentiebereik van de XIT-verschuiving
    Microfoon impedantie

    N-68

    MHz

    4

    ~ 10,15 MHz

    (modulatie frequentie 1,0 kHz)

    5

    ~ 4,0

    10,1

    Ongewenste zijband onderdrukking

    4

    MHz

    3

    30 m Band

    Modulatie

    3

    2

    7,0

    AM

    2

    ~ 2,0

    40 m Band

    Uitgangs-vermogen

    1

    1

    1,81 MHz: Europa, Frankrijk, Nederland; 1,83 MHz: België, Spanje
    1,85 MHz: Frankrijk, Nederland, België, Spanje
    3,8 MHz: Europa, Frankrijk, Nederland, België, Spanje
    7,1 MHz: Europa, Frankrijk, Nederland, België, Spanje
    België, Spanje: 10 W vast ingesteld op 160 m band

    ±9,99 kHz
    600 Ω



  • Page 75

    SPECIFICATIES

    ONTVANGER

    TS-570D
    Dubbel superheterodyne
    Alleen voor FM: Drievoudige superheterodyne

    Type circuit
    Frequentiebereik

    500 kHz ~ 30 MHz

    Midden frequentie

    1ste: 73,05 MHz; 2de: 8,83 MHz;
    3rde: 455 kHz (alleen voor FM)

    SSB, CW, FSK
    (an 10 dB (S+N)/N)
    Gevoelig
    heid

    AM
    (an 10 dB (S+N)/N)
    FM (an 12 dB SINAD)

    500 kHz ~ 1,705 MHz

    4 µV of minder

    1,705 MHz ~ 24,5 MHz

    0,2 µV of minder

    24,5 MHz ~ 30 MHz

    0,13 µV of minder

    500 kHz ~ 1,705 MHz

    31,6 µV of minder

    1,705 MHz ~ 24,5 MHz

    2 µV of minder

    24,5 MHz ~ 30 MHz

    1,3 µV of minder

    28 MHz ~ 30 MHz

    0,25 µV of minder

    SSB, CW, FSK
    Selectiviteit

    –6 dB: 2,2 kHz, –60 dB: 4,4 kHz

    AM

    –6 dB: 4 kHz, –50 dB: 20 kHz

    FM

    –6 dB: 12 kHz, –50 dB: 25 kHz

    Spiegelonderdrukking (1,8 MHz ~ 30 MHz)

    70 dB of meer

    Onderdrukking van de eerste middenfrequentie (1,8 MHz ~ 30 MHz)

    70 dB of meer

    Frequentiebereik van de RIT-verschuiving
    Squelch
    gevoeligheid

    ±9,99 kHz

    SSB, CW,
    FSK, AM

    500 kHz ~ 1,705 MHz

    20 µV of minder

    1,705 MHz ~ 30 MHz

    2 µV of minder

    FM

    28 MHz ~ 30 MHz

    0,25 µV of minder

    LF uitgang (8 Ω, 10% vervorming)
    Laag frequentie belastingsimpedantie

    1,5 W of meer
    8Ω

    Specifikaties wijzigbaar zonder voorafgaande kennisgeving of verplichting om technische veranderingen door te
    voeren.

    N-69



  • Page 76

    ● AANHANGSEL

    AANHANGSEL: PROTOCOL VAN DE COM
    AANSLUITING
    BESCHRIJVING VAN DE APPARATUUR
    Deze zendontvanger gebruikt een volledig-duplex,
    asynchroon serieel interface voor de communicatie via de
    9-polige pen-bus RS-232C COM aansluiting. De bytes
    bestaan uit 1 start-bit, 8 data-bits en 1 stop-bit (de 4800 bps
    kan worden geconfigureerd voor 1 of 2 stop-bits). Er wordt
    geen pariteit toegepast. De pennen van de COM aansluiting
    en hun functies zijn als volgt:
    COM
    9

    5

    8

    4

    7

    3

    1

    Aanzicht achterpaneel

    COM COM pen naam
    pen nr. (Ref.: Computer)

    Functie
    (Ref.: Zendontvanger)

    U/I





    1

    NC

    2

    RXD

    Verzenden van gegevens Uitgang

    3

    TXD

    Ontvangst van gegevens Ingang

    4

    NC



    5

    GND

    Signaal-aarde

    6

    NC





    7

    RTS

    Gereed voor ontvangst

    Ingang

    8

    CTS

    Gereed voor zenden

    Uitgang

    9

    NC







    RXD: De verzonden gegevens bestaan uit de seriële
    gegevensoverdracht van de zendontvanger naar de
    computer.
    TXD: De ontvangen gegevens bestaan uit de seriële
    gegevensoverdracht van de computer naar de
    zendontvanger.
    GND: Signaal-aardaansluiting
    RTS: Dit signaal wordt doorgegeven aan de zendontvanger.
    Het dient om de verzending van gegevens van de
    zendontvanger naar de computer te blokkeren zolang de
    computer nog niet gereed is voor ontvangst van de gegevens.
    De verzending van gegevens wordt geblokkeerd wanneer het
    signaalniveau te laag is.
    CTS: Dit signaal wordt doorgegeven vanaf de
    zendontvanger. Het dient om de verzending van gegevens
    van de computer naar de zendontvanger te blokkeren zolang
    de zendontvanger nog niet gereed is voor ontvangst van de
    gegevens. De verzending van gegevens wordt geblokkeerd
    wanneer het signaalniveau te laag is.

    N-70

    Digitale computers verwerken hun gegevens in de vorm van
    “bits” en “bytes”. Een bit is het kleinste brokje informatie dat
    de computer kan verwerken. Een byte bestaat uit acht bits.
    Voor de meeste computer-gegevens is dit de handigste vorm.
    Deze gegevens kunnen worden verzonden in de vorm van
    seriële of parallelle data-reeksen. De parallelle methode is
    sneller maar meer gecompliceerd, terwijl de seriële methode
    trager werkt maar minder ingewikkelde apparatuur vereist.
    Daarom wordt de seriële vorm vaak toegepast als een minder
    kostbaar alternatief.
    De seriële vorm van gegevensoverdracht gebruikt een
    systeem van tijdsdeling op een enkele lijn. Het gebruik van
    een enkele lijn heeft het bijkomend voordeel, dat er minder
    fouten optreden door lijnstoring.
    Theoretisch zijn er slechts drie lijnen vereist voor de besturing
    van de zendontvanger via de computer:

    6

    2

    BEDIENING VOOR COMPUTER-BESTURING



    Verzenden van gegevens



    Ontvangst van gegevens



    Aarde

    Practisch gezien moet er daarbij nog een methode voor de
    “verkeersregeling” van de gegevens worden gevoegd. De
    computer en de zendontvanger mogen niet allebei tegelijk
    gegevens gaan zenden. Voor het bepalen wanneer de lijn vrij
    is voor gegevensoverdracht dienen nu de RTS en CTS lijnen.
    Zo zal bijvoorbeeld de zendontvanger op zenden worden
    ingesteld wanneer de opdracht “TX;” vanaf de computer
    binnenkomt. Deze reeks lettertekens “TX;” wordt een
    computerbesturingscommando genoemd. Het geeft de
    zendontvanger opdracht een bepaalde handeling te
    verrichten. Er zijn vele commando’s beschikbaar voor de
    bediening van de zendontvanger via de computer. Deze
    commando’s kunnen worden opgenomen in een programma
    dat wordt geschreven in een zogenaamde hogere taal (een
    taal die voor mensen meer begrijpelijk is). De
    programmeermethoden variëren van computer tot computer;
    voor een volledige uitleg kunt u daarom naast de handleiding
    van het besturingsprogramma wel eens de
    gebruiksaanwijzing van de computer nodig hebben.



  • Page 77

    AANHANGSEL

    COMPUTERBESTURINGSCOMMANDO’S
    Een computerbesturingscommando bestaat uit een
    lettercommando, diverse parameters en een sluitteken dat het
    einde van het commando aangeeft.
    VOORBEELD: Commando om de VFO A in te stellen op
    7 MHz

    FA

    00007000000

    ;

    ■ PARAMETERS
    De parameters dienen om informatie door te geven die
    benodigd is voor het uitvoeren van het lettercommando.
    Voor elk commando zijn de mogelijke parameters van
    tevoren vastgesteld. Ook het aantal cijfers waaruit de
    parameter kan bestaan ligt vast. Zie de “TABEL VOOR
    PARAMETERS” {op blz. 73} en de “COMMANDOTABELLEN” {op blz. 75} voor de geschikte parameters.
    Let bij het samenstellen van parameters op dat niet een
    van de volgende fouten wordt gemaakt.

    Sluitteken
    Parameters

    (juiste parameter: “IS+1000”)
    IS1000;

    Te weinig parameters gegeven
    (De richting van de IF verschuiving is niet
    aangegeven)

    IS+100;

    Niet genoeg cijfers
    (Slechts drie cijfers voor de frequentie)

    Lettercommando

    Commando’s zijn in enkele soorten onder te verdelen, als
    volgt:

    Computerbesturingscommando’s

    Ingangscommando’s
    (Ingevoerd
    naar de
    zendontvanger)

    Instelcommando’s
    (Stellen een bepaalde
    toestand in)
    Leescommando’s
    (Lezen een antwoord)

    Uitgangscommando’s
    Antwoordcommando’s
    (Uitgestuurd
    (Geven een toestand
    door de
    door)
    zendontvanger)

    Zo geldt bijvoorbeeld voor het FA commando (voor de
    frequentie van VFO A):


    Om de frequentie in te stellen op 7 MHz, geeft u vanaf de
    computer het volgende commando aan de zendontvanger
    door:
    “FA00007000000;”





    IS

    +

    IS+10000;

    Te veel cijfers
    (Vijf cijfers voor de frequentie)

    Opmerking: Als een bepaalde parameter niet van toepassing is

    op deze zendontvanger, kunt u de plaats van de cijfers opvullen
    met elk gewenst teken, behalve de ASCII besturingscodes
    (00 t/m 1Fh, hexadecimaal) en het sluitteken (;).

    ■ SLUITTEKEN
    Om het eind van een commando aan te geven gebruikt u
    een puntkomma (;). De plaats, van voren af gerekend,
    waar dit speciale teken moet staan, is afhankelijk van het
    commando.

    ■ FOUTMELDINGEN
    Naast het Antwoordcommando kan de zendontvanger zelf
    de volgende foutmeldingen doorgeven:
    Foutmelding

    ?;

    (Leescommando)

    Wanneer het bovenstaande leescommando is
    doorgegeven, antwoordt de zendontvanger het volgende
    aan de computer:
    “FA00007000000;”

    1000; Overbodige lettertekens tussen de
    parameter-cijfers

    Oorzaak van de fout

    (Instelcommando)

    Om de frequentie van VFO A af te lezen, geeft u vanaf de
    computer het volgende commando aan de zendontvanger
    door:
    “FA;”



    Opmerking:

    De ASCII besturingscodes van 00 t/m 1Fh hexadecimaal worden
    genegeerd wanneer ze deel uitmaken van de
    ontvangstgegevens.
    ◆ De verwerking van het programma kan vertraagd worden
    wanneer u snel aan de Afstemknop draait.
    ◆ De ontvangstgegevens worden niet verwerkt als de frequentie is
    ingevoerd met de nummertoetsen.

    De schrijfwijze van het commando was
    onjuist.



    Het commando is niet uitgevoerd
    vanwege de toestand van de
    zendontvanger (ook al was het
    commando op zich wel juist).

    Opmerking: Af en toe kan deze foutmelding
    verschijnen wanneer er signaalpieken zijn die
    de werking van de microprocessor in de
    zendontvanger storen.

    (Antwoordcommando)





    E;

    Er is een communicatiefout opgetreden
    tijdens de seriële gegevensoverdracht
    door een “overrun” of een leesfout.

    O;

    De ontvangstgegevens zijn verzonden
    maar de verwerking was nog niet
    compleet.

    ■ LETTERCOMMANDO’S
    Een commando bestaat uit twee letters. U kunt kleine
    letters of hoofdletters gebruiken. Zie de “TABEL VOOR
    LETTERCOMMANDO’S” {op blz. 72} voor de
    commando’s die beschikbaar zijn voor deze
    zendontvanger.

    N-71



  • Page 78

    ● AANHANGSEL
    ■ TABEL VOOR LETTERCOMMANDO’S
    Commando

    Functie

    Commando

    AC

    Antennetuner BUITEN/IN LIJN en afstemming
    STARTEN/STOPPEN

    PB

    Weergave van DRU of CW berichten

    PC

    Instellen of aflezen van het vermogen voor het zenden.

    AG

    Instellen of aflezen van de AF
    (audiofrequentie) versterking.

    PR

    Instellen of aflezen van de spraakprocessor
    (OFF/ON).

    AI

    Automatische informatie

    PS

    AN

    Instellen op antenne-aansluiting (ANT 1/ANT 2).

    Instellen of aflezen van de stroomvoorziening
    (OFF/ON).

    BC

    Instellen of aflezen van de Beat Cancel
    zwevingsonderdrukking.

    PT

    Instellen of aflezen van de CW RX ontvangsttoonhoogte.

    BY

    Lezen van actieve (Busy) signalen.

    RA

    Instellen of aflezen van de RF ATT verzwakking.

    CA

    Instellen of aflezen van CW automatische
    Zero-Beating (OFF/ON).

    RC

    Nulstellen van de RIT frequentieverschuiving.

    RD

    Verlagen van de RIT frequentieverschuiving.

    CN

    Instellen of aflezen van het CTCSS subtoonnummer (01 ~ 39).

    RG

    Instellen of aflezen van RF versterking.

    CT

    Instellen of aflezen van de CTCSS (OFF/ON).

    RM

    Keuze van een meterfunctie of aflezen van de
    meter-waarden.

    DN

    Microfoon lager-instelling (MIC DOWN)

    RT

    Instellen of aflezen van de RIT (OFF/ON).

    EX

    Instellen of aflezen van het menu.

    RU

    Verhogen van de RIT frequentieverschuiving.

    FA

    Instellen of aflezen van de VFO A frequentie.

    RX

    Keuze van de mode voor ontvangst.

    FB

    Instellen of aflezen van de VFO B frequentie.

    SC

    FR

    Instellen van ontvangst (VFO A/B, geheugenkanaal).

    Instellen of aflezen van de scan-functies
    (OFF/ON).

    FS

    Fijnafstemfunctie (OFF/ON)

    SD

    FT

    Instellen van zenden (VFO A/B, geheugenkanaal).

    Instellen of aflezen van de Semi break-in
    wachttijd.

    FW

    Instellen of aflezen van de filterbandbreedte.

    SH

    Instellen of aflezen van de bovenste
    afsnijfrequentie.

    GT

    Instellen of aflezen van de AGC tijdconstante.

    SL

    ID

    Aflezen van het modelnummer van de
    zendontvanger.

    Instellen of aflezen van de onderste
    afsnijfrequentie.

    SM

    Aflezen van S-meter.

    IF

    Aflezen van de toestand van de zendontvanger.

    SQ

    Instellen of aflezen van het squelch-niveau.

    IS

    Instellen of aflezen van de IF verschuiving.

    SR

    Terugstellen van de zendontvanger.

    KS

    Instellen of aflezen van de seinsnelheid bij
    gebruik van het KY commando of de
    ingebouwde elektronische sleutel.

    TN

    Instellen of aflezen van het subtoon-nummer
    (01 ~ 39).

    KY

    Omzetten van ingevoerde lettertekens naar
    morse-code.

    TO

    Instellen of aflezen van de subtoon (OFF/ON).

    TX

    Keuze van de mode voor het zenden.

    LK

    Instellen of aflezen van de toetsblokkering
    (F.Lock: OFF/ON).

    UP

    Microfoon hoger-instelling (MIC UP)

    VD

    Instellen of aflezen van de VOX wachttijd.

    LM

    Opname van DRU of CW berichten

    VG

    Instellen of aflezen van de VOX versterking.

    MC

    Instellen of aflezen van geheugenkanalen.

    VR

    MD

    Instellen of aflezen van modulatiemoden.

    Inschakelen van de stemsynthesizer voor het
    weergeven van een bericht.

    MG

    Instellen of aflezen van de microfoonsterkteregeling.

    VX

    Instellen van de VOX voor stemgeschakeld
    zenden (OFF/ON).

    MR

    Aflezen van het geheugen.

    XT

    Instellen van de XIT functie (OFF/ON).

    MW

    Vastleggen in het geheugen.

    NB

    Instellen of aflezen van de Noise Blanker
    stoorpuls-demping (OFF/ON).

    NR

    Instellen of aflezen van de N.R.
    ruisonderdrukking.

    PA

    Instellen of aflezen van de voorversterker
    (OFF/ON).

    N-72

    Functie



  • Page 79

    AANHANGSEL



    ■ TABEL VOOR PARAMETERS
    Formaat
    nr.

    Naam

    Aantal
    cijfers

    1

    SCHAKELSTAND

    1

    2

    MODE

    1

    3

    FREQUENTIEKEUZE

    1

    4

    FREQUENTIE

    11

    5

    RIT/XIT
    FREQUENTIEVERSCHUIVING

    5

    7

    GEHEUGENKANAAL

    2

    9

    DUPLEX VOOR
    GEHEUGENKANAAL

    1

    10
    11

    GEHEUGENKANAAL
    OVERSLAAN
    TX/RX ZENDEN/
    ONTVANGST

    1
    1

    14

    SUBTOONNUMMER

    2

    16

    MODELNUMMER

    3

    22

    METER-WAARDE

    4

    24

    27

    METER-SCHAKELAAR

    BERICHTEN-KANAAL
    VOOR WEERGAVE

    1

    1

    30

    ANTENNETUNER

    1

    31

    VERSTERKING

    3

    32

    AI NUMMER

    1

    33

    ANTENNE-NUMMER

    1

    Mogelijkheden
    0: OFF
    1: ON
    0: Niet gekozen 5: AM
    1: LSB
    6: FSK
    2: USB
    7: CW-R
    3: CW
    8: Niet gekozen
    9: FSK-R
    4: FM
    0: VFO A
    1: VFO B
    2: Geheugen
    Volledig in Hz.
    Bijv.: 00014230000
    voor 14,230 MHz
    Het eerste teken is “+” of “–”
    en de overige vier cijfers
    geven de frequentie in Hz
    aan.
    Bijv.: +5320 voor
    +5,32 kHz
    Nummer van 00~99.
    0: Ontvangst
    (Beginfrequentie)
    1: Zenden (Eindfrequentie)
    (Begin/eindfrequentie:
    Kanaal 90~99)
    0: Niet overslaan
    1: Overslaan (Lockout)
    0: Ontvangst
    1: Zenden
    Subtoon-nummer van
    01~39. Zie de subtoonfrequentie tabel op blz. 25.
    Geeft het type
    zendontvanger aan. Het
    nummer van de TS-570D is
    017.
    RM commando: 0000~0008
    SM commando: 0000~0015
    De uitgestuurde waarden
    zijn relatief.
    0: Niet gekozen
    1: SWR
    2: COMP
    3: ALC
    0: Geen weergave
    Dit instel-commando
    schakelt de weergave uit.
    1: Kanaal 1
    2: Kanaal 2
    3: Kanaal 3
    0: Antennetuner
    buitengesloten
    1: Antennetuner in lijn
    geschakeld
    Waarde van 000 (minimaal)
    t/m 255 (maximaal).
    MG commando: 000~100
    0: AI (Automatische
    informatie) OFF
    1: IF commando geeft
    regelmatig een
    antwoordcommando
    door.
    2: Voor parameter
    wijzigingen wordt het
    bijbehorende
    antwoordcommando
    doorgegeven.
    3: Zowel 1 als 2.
    1: ANT 1
    2: ANT 2

    Formaat
    nr.
    35
    36
    38
    39
    40

    Naam
    MENU-NUMMER
    MENU-KEUZE
    FILTERBANDBREEDTE
    AGC
    TIJDCONSTANTE
    IF VERSCHUIVINGSRICHTING

    Aantal
    cijfers
    3
    4
    4
    3
    1

    43

    IF VERSCHUIVINGSFREQUENTIE
    SNELHEID
    ELEKTRONISCHE
    SLEUTEL
    BERICHT SLEUTEL

    24

    44

    SLEUTEL-BUFFER

    1

    41
    42

    4
    3

    45

    KANAAL VOOR
    OPNAME BERICHT

    1

    46

    NIVEAU

    3

    47

    INSTELLING
    VERMOGEN

    3

    49

    SEMI BREAK-IN
    WACHTTIJD

    4

    50

    SYSTEEM
    TERUGSTELLEN

    1

    51

    VOX WACHTTIJD

    4

    52

    CW RX
    TOONHOOGTE

    2

    53

    DSP DOORLAATBANDREGELING

    2

    54

    VOX VERSTERKING

    3

    55

    STEM-SYNTHESIZER

    1

    56

    RUISONDERDRUKKING

    1

    57

    BEAT CANCEL

    1

    Mogelijkheden
    Nummer van 000~051.
    Zie tabel op blz. 74.
    Waarde van 0000~9999.
    002: Snel
    004: Traag
    “+”: Frequentieverhoging (ook “ ”)
    “–”: Frequentie-verlaging
    Waarde in Hz van
    0000~1100.
    In woorden per minuut van
    010 (minimaal) t/m 060
    (maximaal).
    Bevat het CW bericht.
    0: Buffer beschikbaar
    1: Buffer niet beschikbaar
    0: Geen opname. Dit instelcommando schakelt de
    opname uit.
    1: Kanaal 1
    2: Kanaal 2
    3: Kanaal 3
    Waarde van 000 (minimaal)
    t/m 255 (maximaal).
    Van 005 (minimaal) t/m 100
    (maximaal) watt, in stapjes
    van 5 W.
    Tijd in msec. van
    0000~1000, in stapjes van
    50 msec.
    1: Deels terugstellen
    ([A/B]+[ ])
    2: Volledig terugstellen
    ([A=B]+[ ])
    Tijd in msec. van
    0000~3000.
    Waarde van
    00 (400 Hz minimaal) t/m
    12 (1000 Hz maximaal).
    Waarde van 00~20.
    Bovenste afsnijfrequentie
    00: 5,0 kHz 20: 1,0 kHz
    Onderste afsnijfrequentie
    00: 10 Hz 20: 1000 Hz
    Waarde van 001 (minimaal)
    t/m 009 (maximaal).
    1: Stem 1
    2: Stem 2
    0: Ruisonderdrukking OFF
    1: Ruisonderdrukking 1
    2: Ruisonderdrukking 2
    0: Beat Cancel OFF
    1: Beat Cancel ON
    2: Verhoogde Beat Cancel
    ON

    N-73



  • Page 80

    ● AANHANGSEL
    ■ MENUKEUZE-TABEL VOOR HET “EX” COMMANDO
    Menunummer
    00
    01
    02
    03
    04

    Menu-onderdeel

    37
    38
    39
    40

    Helderheid van display
    Geluidssterkte van pieptonen
    [UP]/[DOWN]
    MULTI/CH regelaar (SSB/CW/FSK/AM)
    MULTI/CH regelaar (FM)
    MULTI/CH regelaar
    (afronding van frequenties)
    MULTI/CH regelaar
    (alleen voor AM uitzending)
    Geheugen-VFO duplex gebruik
    (gescheiden frequenties)
    Instelbare/vaste frequenties
    Programma-scan hold
    Scan hervattingsmethode
    Antennetuner in RX mode
    Tijdconstante voor Ruisonderdrukking 2
    TX filter (SSB/AM)
    TX equalizer
    Spraakprocessor
    VOX versterking
    MIC versterking (FM)
    Subtoon-frequentie
    Type subtoon
    CW RX toonhoogte/
    TX meeluistertoon-frequentie
    TX meeluistertoon-geluidssterkte
    Halfautomatische sleutel
    Herhaalde weergave
    Tussentijd bij herhaalde weergave
    Geluidssterkte van weergave
    Automatische gewichtsafstelling
    Omgekeerde automatische
    gewichtsafstelling
    Sein-prioriteit boven weergave
    FSK verschuiving
    FSK polariteit
    FSK toonfrequentie
    Filter voor digitale bediening
    Audiofrequentie-ingangsniveau
    (MCP/TNC TX)
    Audiofrequentie-uitgangsniveau
    (MCP/TNC RX)
    COM communicatie-parameters
    Gegevensoverdracht-functie
    in/uitschakelen
    Gegevensoverdracht methode
    TX Inhibit zendblokkering
    Lineaire versterker relais
    Transverter

    41

    [PF]

    42
    43
    44
    45
    46

    [PF1] toets van microfoon
    [PF2] toets van microfoon
    [PF3] toets van microfoon
    [PF4] toets van microfoon
    IF filter
    Geluidssterkte van monitorgeluid van
    verzonden signaal
    Automatische Zero-beating met RIT
    Vergrendelde gewichtsafstelling van
    seinsleutel wijzigen
    RX equalizer

    05
    06
    07
    08
    09
    10
    11
    12
    13
    14
    15
    16
    17
    18
    19
    20
    21
    22
    23
    24
    25
    26
    27
    28
    29
    30
    31
    32
    33
    34
    35
    36

    47
    48
    49
    50
    51

    N-74

    Parameter
    0000 0001 0002 0003 0004 0005 0006 0007 0008 0009 0010 0011 0012
    OFF
    OFF
    100
    1
    1

    d4
    1
    500
    5
    5

    OFF

    ON

    10

    9

    OFF

    ON

    OFF ON
    OFF ON
    TO
    CO
    OFF ON
    7, 5
    20
    2,4
    2,0
    OFF HB
    0
    5
    0
    1
    Laag Hoog

    d3
    2
    1000
    10
    10

    d2
    3

    d1
    4

    5

    12,5

    20

    25

    FP
    10
    2

    BB
    15
    3

    C
    20
    4

    25
    5

    6

    7

    8

    9

    6

    7

    8

    9

    Subtoon-frequentie nr. 01~39: 0001~0039
    B

    C

    400

    450

    500

    550

    600

    650

    700

    750

    800

    850

    OFF
    OFF
    OFF

    1
    ON
    ON

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    8

    9

    OFF
    OFF

    1
    ON

    2

    3

    4

    8

    9

    OFF

    ON
    425

    850

    300

    PSK

    8

    9

    8

    9

    8

    9

    OFF ON
    170
    200
    OFF ON
    1275 2125
    OFF 1200
    0

    1

    2

    0

    1

    2

    3

    12-1

    24-1

    48-1

    48-2

    OFF

    ON

    OF F
    OFF
    OFF
    OF F

    ON
    ON
    ON
    50

    144

    430

    4

    0~60 sec: 0000~0060
    5
    6
    7

    5

    6

    7

    96-1 192-1 384-1 576-1

    Menu-nummer 00~40: 0000~0040
    Menu-nummer 48~51: 0080~0083
    Functie-nummer 50~53: 0050~0053
    Functie-nummer: 60~76: 0060~0076
    OFF: 0099
    OFF

    1800

    500

    270

    OFF

    1

    2

    3

    OFF

    ON

    4

    5

    6

    7

    2,5:1~4,0:1: 0000~0015
    OFF

    AutoNiveau van ruisonderdrukking 1 wijzigen
    matisch

    HB

    FP

    BB

    C

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    900

    950

    1000



  • Page 81

    AANHANGSEL



    LEGENDA VOOR COMMANDO-TABELLEN
    w u
    q

    o

    i

    !0

    e

    Ingang

    r

    Uitgang

    t
    y

    Antennetuner BUITEN/IN LIJN en antenne-afstemming
    STARTEN/STOPPEN

    Antwoord Aflezen Instellen

    Functie

    AC ANTENNETUNER-REGELING (Antenna tuner Control)

    1 2

    3

    A C

    4 5

    6 7 8

    Parameter Formaat Parameter-functie

    9 10 11 12 13 14

    P2 P3 ;

    1 2

    3

    A C

    ;

    1 2

    3

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    P1

    30

    TUNER BUITEN/IN
    (alleen Antwoord)

    P2

    30

    TUNER BUITEN/IN

    P3

    1

    ANT-AFST. BUITEN/IN

    Opmerking:
    P1 dient alleen voor antwoord.
    Het afstemmen begint niet als P2 in de
    BUITEN stand is (Als P2 = “0”, dan zal
    het afstemmen niet beginnen bij keuze
    van “1” voor P3).
    P1: ONTVANGST BUITEN/IN
    P2: ZENDEN BUITEN/IN

    A C P1 P2 P3 ;

    q Commando
    w Naam
    e Functie van het commando
    r Hierachter wordt de schrijfwijze van het commando aangegeven. Als er een schuine streep staat door de eerste twee vakjes
    van de lettertekenruimte, dan is er bij dit commando geen instelcommando.
    t Hierna volgt de schrijfwijze van het commando voor het aflezen van de huidige toestand van de zendontvanger. Als er een
    schuine streep staat door de eerste twee vakjes, dan is er bij dit commando geen leescommando.
    y Hierna volgt de schrijfwijze van het commando dat ten antwoord wordt gegevens door de zendontvanger. Als er een schuine
    streep staat door de eerste twee vakjes, dan is er bij dit commando geen antwoordcommando.
    u Het maximaal aantal lettertekens voor het commando wordt aangegeven.
    i Hieronder staat het nummer van elke parameter.
    o Hieronder staat het formaatnummer uit de overzichtstabel parameters. Zie voor de vorm en het instelbereik van de parameter
    deze overzichtstabel van de parameters {zie blz. 73}.
    !0 Hieronder staat de functie van de parameter.

    COMMANDO-TABELLEN
    Opmerking: De parameters die een “NIET GEBRUIKT” parameterfunctie hebben, worden niet door de TS-570D ondersteund. Voor de
    betreffende parameters kan ieder willekeurig teken behalve de ASCII stuurcodes (00 t/m 1Fh) en het afsluitteken (;) worden ingevoerd.

    1 2

    3

    A C

    ;

    1 2

    3

    4 5

    4 5

    6 7 8

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    9 10 11 12 13 14

    A C P1 P2 P3 ;

    30

    TUNER BUITEN/IN

    P3

    1

    ANT-AFST. BUITEN/IN

    Opmerking:
    P1 dient alleen voor antwoord.
    Het afstemmen begint niet als P2 in de
    BUITEN stand is (Als P2 = “0”, dan zal
    het afstemmen niet beginnen bij keuze
    van “1” voor P3).
    P1: ONTVANGST BUITEN/IN
    P2: ZENDEN BUITEN/IN

    Functie
    Ingang
    Uitgang

    Antwoord Aflezen Instellen

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    A G

    ;

    1

    3

    2

    A G

    4

    5

    4

    4
    P1

    6 7

    8

    5

    5

    6 7

    6 7
    ;

    8

    8

    AUDIOFREQUENTIEVERSTERKING

    9 10 11 12 13 14

    ;

    P1

    31

    9 10 11 12 13 14

    9 10 11 12 13 14

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    2

    A

    I P1 ;

    1

    2

    3

    A

    I

    ;

    1

    2

    3

    A

    I P1 ;

    32

    AI NUMMER

    Opmerking: Ten dienste van andere
    commando's bepaalt deze parameter of er
    al dan niet automatisch een
    antwoordcommando terug komt na het ver
    anderen van de andere parameters.
    Voorbeeld: Voor het IF commando zal er
    eenantwoordcommando worden
    doorgegevenals u de frequentiestap of de
    RIT/XIT frequentieverschuiving wijzigt.
    Bij inschakelen van de zendontvanger
    wordt “0” ingesteld.

    ANTENNE-NUMMER

    Instellen op antenne-aansluiting (ANT 1/ANT 2).

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    A G

    Functie

    AN

    AG AUDIOFREQUENTIE-VERSTERKING (AF Gain)
    Instellen of aflezen van de AF (audiofrequentie)
    versterking.

    Ingang

    P2 P3 ;

    P2

    Uitgang

    9 10 11 12 13 14

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    6 7 8

    TUNER BUITEN/IN
    (alleen Antwoord)

    Functie

    A C

    4 5

    30

    Ingang

    3

    P1

    AUTOMATISCHE INFORMATIE

    Automatische informatie (OFF/ON)

    Parameter Formaat Parameter-functie

    Uitgang

    1 2

    AI

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Ingang
    Uitgang

    Antennetuner BUITEN/IN LIJN en antenne-afstemming
    STARTEN/STOPPEN

    Antwoord Aflezen Instellen

    Functie

    AC ANTENNETUNER-REGELING (Antenna tuner Control)

    1 2

    3

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    33

    ANTENNENUMMER

    A N P1 ;
    1 2

    3

    A N

    ;

    1 2

    3

    A N P1 ;

    N-75



  • Page 82

    ● AANHANGSEL
    DN

    3

    2

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    B C P1 ;

    ACTIVITEIT (Busy)

    EX

    Lezen van actieve (Busy) signalen.
    Functie

    3

    B Y

    ;

    1 2

    3

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    Ingang

    1 2

    3

    BUSY OFF/ON

    Uitgang

    Ingang

    1 2

    1

    B Y P1 ;

    1 2

    3

    4 5

    6 7 8

    P1

    1

    CW AUTOMATISCHE
    ZERO-BEATING
    OFF/ON

    9 10 11 12 13 14

    A P1 ;

    1 2

    3

    C A

    ;

    1 2

    3

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    C A P1 ;

    CT

    2

    3

    P1

    C N
    1

    2

    3

    C N

    ;

    1

    3

    2

    4

    4

    4
    P1

    C N

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    ;
    5

    5

    6 7

    6 7

    8

    8

    9 10 11 12 13 14

    ;

    1 2
    C

    3

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    T P1 ;

    1 2

    3

    C

    T

    ;

    1 2

    3

    C

    4 5

    4 5

    4 5

    T P1 ;

    6 7 8

    6 7 8

    CTCSS OFF/ON

    9 10 11 12 13 14

    9 10 11 12 13 14

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    MENUFUNCTIES (Extension Menu)
    Parameter Formaat Parameter-functie

    1

    2

    3

    E X
    1

    2

    3

    E X

    ;

    1

    2

    3

    E

    X

    FB

    4

    5

    6 7

    P1

    8

    4

    5

    6 7

    4

    5

    6 7

    P1

    P1

    35

    MENU-NUMMER

    P2

    36

    MENU-KEUZE

    9 10 11 12 13 14

    P2

    ;

    8

    9 10 11 12 13 14

    8

    9 10 11 12 13 14
    ;

    P2

    FREQUENTIE VFO A/ VFO B
    Parameter Formaat Parameter-functie

    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    F A/B
    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    4

    5

    6 7

    8

    4

    FREQUENTIE

    9 10 11 12 13 14
    P1

    ;

    9 10 11 12 13 14

    F A/B ;
    1

    2

    3

    FT

    9 10 11 12 13 14
    P1

    F A/B

    ;

    FUNKTIE RX, FUNKTIE TX

    1 2

    3

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    F R/T P1 ;
    1 2

    3

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    3

    FUNKTIE

    Opmerking:
    Bij gebruik van het FR commando
    komt de zendontvanger altijd in de
    simplex-bedieningsstand te staan.

    F R/T ;
    1 2

    3

    F R/T P1 ;

    FIJNAFSTEMMING (Fine Step)

    Fijnafstemfunctie (OFF/ON)

    Parameter Formaat Parameter-functie
    1

    6 7

    Instellen van ontvangst/zend-frequentiekeuze (VFO A/B,
    geheugenkanaal).

    FS

    CTCSS FUNCTIE

    Functie
    Ingang

    .Antwoord Aflezen Instellen

    CTCSS SUBTOONNUMMER

    Opmerking:
    Als nr. 39 (1750 Hz) wordt gekozen,
    wordt de CTCSS uitgeschakeld.

    P1

    N-76

    14

    9 10 11 12 13 14

    Instellen of aflezen van de CTCSS OFF/ON status.

    Uitgang

    P1

    Ingang

    1

    Parameter Formaat Parameter-functie

    Uitgang

    Functie
    Ingang
    Uitgang

    Antwoord Aflezen Instellen

    Instellen of aflezen van het CTCSS subtoon-nummer
    (01~39).

    5

    P1

    FR

    CN CTCSS SUBTOON-NUMMER

    4

    Instellen of aflezen van de VFO A/ VFO B frequentie.

    Parameter Formaat Parameter-functie

    Ingang

    C

    FA

    Uitgang

    Ingang
    Uitgang

    Instellen (OFF/ON) van de CW automatische Zerobeating of aflezen van de status.

    Antwoord Aflezen Instellen

    Functie

    CA CW AUTOMATISCHE ZERO-BEATING (CW Auto Zero-Beat)

    3

    Instellen of aflezen van het menu.

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Uitgang

    Ingang

    1

    4

    Uitgang

    ;

    2

    Functie

    3

    Antwoord Aflezen Instellen

    1

    1

    DN/UP ;

    Functie

    2

    B C

    Functie

    9 10 11 12 13 14

    Antwoord Aflezen Instellen

    8

    Antwoord Aflezen Instellen

    6 7

    Functie

    5

    Antwoord Aflezen Instellen

    4

    B C P1 ;

    Parameter Formaat Parameter-functie

    Parameter Formaat Parameter-functie

    Functie

    3

    BEAT CANCEL

    Ingang

    2

    57

    Uitgang

    BY

    1

    P1

    UP MICROFOON DOWN/UP

    Microfoon lager/hoger-instelling (DOWN/UP)

    Parameter Formaat Parameter-functie

    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Ingang
    Uitgang

    Instellen of aflezen van de Beat Cancel zwevingsonder
    drukking.

    Antwoord Aflezen Instellen

    Functie

    BC ZWEVINGSONDERDRUKKING (Beat Cancel)

    1 2
    F

    3

    1 2

    3

    F

    S

    ;

    1 2

    3

    F

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    S P1 ;

    S P1 ;

    1

    FIJNAFSTEMMING
    OFF/ON



  • Page 83

    AANHANGSEL
    FW FILTERBANDBREEDTE

    KS SLEUTELSNELHEID (Keyer Speed)

    5

    6 7

    P1
    3

    4

    8

    9 10 11 12 13 14

    ;

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    F W ;
    1

    2

    3

    4

    F W

    5

    6 7

    P1

    8

    9 10 11 12 13 14

    ;

    Functie

    1 2

    3

    G T

    ;

    1 2

    3

    G T

    6 7 8

    P1

    ;

    4 5

    6 7 8

    4 5

    6 7 8

    P1

    ;

    9 10 11 12 13 14

    9 10 11 12 13 14

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    I

    D

    ;

    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    I

    D

    P1

    Functie
    Uitgang
    Functie
    Ingang

    1 2

    3

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    1 2

    3

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    I

    F

    ;

    1 2

    3

    4 5

    6 7 8

    F

    9 10 11 12 13 14

    P1

    15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
    P4 P5

    P3

    P7

    4

    5
    1
    1

    7
    11
    2
    3
    1
    1
    1
    14


    FREQUENTIE
    NIET GEBRUIKT
    RIT/XIT FREQUENTIE
    RIT OFF/ON
    XIT OFF/ON
    NIET GEBRUIKT
    GEHEUGENKANAAL
    TX/RX ZENDEN/ONTVANGST
    MODE
    FUNKTIE
    SCAN OFF/ON
    DUPLEX OFF/ON
    SUBTOON OFF/ON
    SUBTOON-NUMMER
    NIET GEBRUIKT

    S P1

    1

    2

    3

    I

    S

    ;

    1

    2

    3

    I

    S P1

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    P1

    ;

    CW SLEUTELINVOER (KEY)

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    K Y

    9 10 11 12 13 14
    P1

    15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28

    1

    2

    3

    K Y

    ;

    1

    3

    2

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    SLEUTEL-BERICHT
    P1
    43
    SLEUTEL-BUFFER
    P2
    44
    Opmerking: Bij het instelcommando
    is er een “ ” (ASCII code 20h)
    vereist op de plaats van de derde byte.
    Voer ook “ ” in voor elke byte zonder
    letter, om het commando uit te vullen
    tot zijn vast lengte van 28 bytes.
    De “ ” bytes zullen geen letterteken
    doorgeven. De mogelijke lettertekens
    omvatten: letters, cijfers, leestekens
    " ' (( )) ( ) +, – . / : = ?
    Maximaal kan per keer een zin van 24
    lettertekens worden omgezet. De
    volgende zin mag pas worden
    ingevoerd nadat de huidige omzetting
    is voltooid.

    15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28

    29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42

    TOETSBLOKKERING (Frequency Lock)

    5

    6 7
    P2

    4

    5

    4

    5

    8

    9 10 11 12 13 14

    ;

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    P2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    2

    L

    K P1 ;

    1

    2

    3

    L

    K

    ;

    1

    2

    3

    L

    K P1 ;

    Opname van DRU of CW berichten

    Uitgang

    Functie

    I

    4

    6 7 8

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    1

    BLOKKERING
    OFF/ON

    LM BERICHT OPNEMEN (Load Message)

    ;

    Instellen of aflezen van de IF verschuiving.

    3

    Uitgang

    P1
    P2
    P3
    P4
    P5
    P6
    P7
    P8
    P9
    P10
    P11
    P12
    P13
    P14
    P15

    IF VERSCHUIVING

    2

    3

    K S

    4 5

    SLEUTELSNELHEID

    9 10 11 12 13 14

    Instellen (OFF/ON) van de toetsblokkering of aflezen
    van de status.

    Antwoord Aflezen Instellen

    Parameter Formaat Parameter-functie

    Functie
    Ingang

    Aflezen Instellen

    Uitgang

    Antwoord

    MODELNUMMER

    INFORMATIE

    1

    1 2

    ;

    42

    ;

    P8 P9 P10 P11 P12 P13 P14

    Antwoord Aflezen Instellen

    16

    LK

    29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42

    Ingang

    Parameter Formaat Parameter-functie

    Antwoord

    Functie
    Uitgang

    Ingang

    Antwoord Aflezen Instellen

    1

    Aflezen van de toestand van de zendontvanger.

    IS

    ;

    6 7 8

    ;

    IDENTIFICATIE

    I

    3

    K S

    4 5
    P1

    K Y P2 ;

    P1

    IF

    1 2

    1

    9 10 11 12 13 14

    Aflezen van het modelnummer van de zendontvanger.

    Uitgang

    Opmerking:
    In de FM mode stelt de zendontvanger
    weer “
    ” in.
    Ingang

    G T

    4 5

    Aflezen

    3

    AGC
    TIJDCONSTANTE

    3

    K S

    P1

    Parameter Formaat Parameter-functie

    Functie

    Uitgang

    Ingang

    Antwoord Aflezen Instellen

    1 2

    39

    1 2

    Parameter Formaat Parameter-functie

    Omzetten van ingevoerde lettertekens naar morse-code. Parameter Formaat Parameter-functie

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    ID

    KY

    AGC TIJDCONSTANTE (Auto Gain Control Time Constant)

    Instellen of aflezen van de AGC tijdconstante.

    Ingang

    2

    4

    Uitgang

    1

    3

    Opmerking:
    SSB/AM/FM
    CW
    0000~0079: 50 Hz 0000: Smal
    0080~0099: 80 Hz 0001~: Breed
    0100~0149: 100 Hz FSK
    0150~0199: 150 Hz 0000~0499: 250 Hz
    0200~0299: 200 Hz 0500~0999: 500 Hz
    0300~0399: 300 Hz 1000~1499: 1000 Hz
    0400~0499: 400 Hz 1500~
    : 1500 Hz
    0500~0599: 500 Hz
    0600~0999: 600 Hz
    1000~1999: 1000 Hz
    2000~
    : 2000 Hz

    Instellen of aflezen van de sleutelsnelheid bij gebruik
    van het KY commando.

    Functie

    W

    FILTERBANDBREEDTE

    Ingang

    GT

    2

    F

    38

    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Uitgang

    Ingang

    Antwoord Aflezen Instellen

    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Functie

    Parameter Formaat Parameter-functie

    Instellen

    Instellen of aflezen van de filterbandbreedte.

    1



    1 2

    3

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    45

    BERICHT OPNEMEN

    L M P1 ;
    1 2

    3

    L M

    ;

    1 2

    3

    L M P1 ;

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    40

    RICHTING IF
    VERSCHUIVING

    P2

    41

    FREQUENTIE IF
    VERSCHUIVING

    Opmerking:
    Als P2 positief is of gelijk aan nul,
    dan kan P1 zowel “+” als “ ” zijn.

    ;

    N-77



  • Page 84

    ● AANHANGSEL
    MW GEHEUGEN SCHRIJVEN (Memory Write)

    MC GEHEUGENKANAAL (Memory Channel)
    Instellen of aflezen van geheugenkanalen.

    2

    3

    M C

    ;

    1

    3

    2

    4

    5

    4

    M C

    5

    8

    P2

    7

    GEHEUGENKANAAL

    1

    9 10 11 12 13 14

    ;
    6 7

    6 7

    8

    8

    Ingang

    1

    P2

    6 7

    9 10 11 12 13 14

    9 10 11 12 13 14

    ;

    P2

    MD MODE

    3

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    MODE

    1 2

    3

    4 5

    4 5

    6 7 8

    Ingang

    ;
    9 10 11 12 13 14

    Uitgang

    M D P1 ;

    Functie

    8

    9 10 11 12 13 14
    P4

    15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
    ;
    P5 P6 P7 P8
    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    3

    M G

    ;

    1

    3

    M G

    4

    5

    6 7

    4

    8

    9 10 11 12 13 14

    8

    9 10 11 12 13 14

    Functie

    6 7

    P1

    2

    2

    5

    1
    14


    SUBTOON-NUMMER
    NIET GEBRUIKT

    Opmerking: Alle parameter moeten worden
    ingevoerd. Het geheugenkanaal wordt een
    ongebruikt kanaal als alle frequentiecijfers “0” zijn.
    Andere parameter worden genegeerd. P1 moet
    “0” zijn om de beginfrequentie vast te leggen,
    en “1” om de eindfrequentie vast te leggen.

    Instellen OFF/ON of aflezen van de Noise Blanker
    stoorpuls-demping.

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    1

    STOORPULSDEMPING OFF/ON

    5

    6 7

    P1

    8

    9 10 11 12 13 14

    ;

    Parameter Formaat Parameter-functie

    Functie

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    M R P1
    1

    2

    3

    M R P1

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    P3
    4

    1 2

    3

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    N B P1 ;
    1 2

    3

    N B

    ;

    1 2

    3

    N B P1 ;

    Instellen OFF/ON of aflezen van de N.R. ruisonderdrukking.

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    56

    RUISONDERDRUKKING

    ;

    Ingang

    M G

    4

    Uitgang

    3

    5

    ;

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14
    P4

    P3

    15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
    P5 P6 P7

    P8

    ;

    P1
    P2
    P3
    P4
    P5
    P6

    9

    7
    4
    2
    10

    P7
    P8
    P9

    1
    14


    DUPLEX
    NIET GEBRUIKT
    GEHEUGENKANAAL
    FREQUENTIE
    MODE
    GEHEUGEN
    LOCK-OUT
    SUBTOON OFF/ON
    SUBTOON-NUMMER
    NIET GEBRUIKT

    Opmerking: Bij een ongebruikt geheugenkanaal
    geeft het antwoord commando een “0” door voor
    alle parameters, behalve voor het
    geheugenkanaalnummer.
    P1 moet “0” zijn om de beginfrequentie van kanaal
    90~99 te lezen, en “1” om de eindfrequentie te lezen.

    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    N R P1 ;
    2

    3

    N R

    1

    ;

    1

    3

    2

    N R P1 ;

    PA VOORVERSTERKER
    Functie

    2

    Aflezen van het geheugen.

    Instellen (OFF/ON) van de voorversterker of aflezen
    van de status.

    PB

    1 2

    3

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    1 2

    3

    P A

    ;

    1 2

    1

    VOORVERSTERKER
    OFF/ON

    3

    P A P1 ;

    BERICHT WEERGEVEN (Playback)
    Parameter Formaat Parameter-functie

    Functie
    Ingang

    P1

    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Uitgang

    Parameter Formaat Parameter-functie

    P A P1 ;

    Weergave van DRU of CW berichten

    N-78

    P7
    P8
    P9

    DUPLEX
    NIET GEBRUIKT
    GEHEUGENKANAAL
    FREQUENTIE
    AFSTEMFUNCTIE
    GEHEUGEN
    LOCK-OUT
    SUBTOON OFF/ON

    NR RUISONDERDRUKKING (Noise Reduction)

    MICROFOONVERSTERKING

    Ingang

    1

    31

    Uitgang

    Ingang

    Antwoord Aflezen Instellen

    Uitgang

    Parameter Formaat Parameter-functie

    MR GEHEUGEN LEZEN (Memory Read)

    Ingang

    6 7
    P3

    3

    Antwoord Aflezen Instellen

    3

    P1

    Aflezen Instellen

    5

    2

    Antwoord Aflezen Instellen

    1 2
    M D

    Instellen of aflezen van de microfoon-versterking

    Uitgang

    4

    9

    7
    4
    2
    10

    M D P1 ;

    MG MICROFOON-VERSTERKING

    Antwoord

    3

    P1
    P2
    P3
    P4
    P5
    P6

    NB STOORPULS-DEMPING (Noise Blanker)
    Functie

    1 2

    2

    2

    M W P1

    1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Uitgang

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Ingang

    Functie

    Instellen of aflezen van de modulatiemoden.

    Instellen

    M C

    5

    Parameter Formaat Parameter-functie

    Aflezen

    4

    NIET GEBRUIKT

    Uitgang

    3



    Antwoord

    2

    P1

    Functie

    Functie
    Ingang
    Uitgang

    Antwoord Aflezen Instellen

    1

    Vastleggen in het geheugen.

    Parameter Formaat Parameter-functie

    1 2

    3

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    P B P1 ;
    1 2

    3

    P B

    ;

    1 2

    3

    P B P1 ;

    27

    BERICHT
    WEERGEVEN



  • Page 85

    AANHANGSEL
    PC ZENDVERMOGEN (Power Control)

    Functie

    3

    4

    5

    6 7

    8

    SPRAAKPROCESSOR
    OFF/ON

    9 10 11 12 13 14

    1

    2

    3

    P R

    ;

    1

    3

    2

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    Ingang

    P R P1 ;

    Uitgang

    Antwoord Aflezen Instellen

    2

    1

    P R P1 ;

    PS AAN/UIT-SCHAKELAAR (Power Switch)

    3

    1

    2

    3

    P S

    ;

    1

    3

    2

    4

    4

    4

    5

    5

    5

    6 7

    6 7

    6 7

    8

    8

    8

    9 10 11 12 13 14

    9 10 11 12 13 14

    9 10 11 12 13 14

    P S P1 ;

    Functie

    Parameter Formaat Parameter-functie

    2

    3

    P

    T

    1

    2

    3

    P

    T

    ;

    1

    2

    3

    P

    T

    4
    P1
    4

    4
    P1

    5

    6 7

    8

    52

    CW RX
    TOONHOOGTE

    9 10 11 12 13 14
    Ingang

    Ingang

    1

    ;
    5

    5

    6 7

    6 7

    8

    8

    9 10 11 12 13 14

    9 10 11 12 13 14

    ;

    RA RF VERZWAKKING (RF attenuator)

    Uitgang

    2

    3

    1

    2

    3

    R A

    ;

    1

    3

    2

    R A

    4

    P1
    4

    4

    P1

    5

    6 7

    8

    5
    ;

    6 7

    6 7

    8

    8



    RF VERZWAKKING

    9 10 11 12 13 14

    ;
    5

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    RU RIT LAGER/HOGER (RIT Down/Up)

    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    R D/U ;
    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    2

    3

    R G
    1

    2

    3

    R G

    ;

    1

    3

    2

    4

    5

    6 7

    P1

    Parameter Formaat Parameter-functie
    Opmerking:
    Deze commando’s stellen ook de XIT
    verschuiving (gelijk aan RIT) lager
    resp. hoger in.
    De commando’s werken onafhankelijk
    van de RIT/XIT regelaar.

    R G

    8

    9 10 11 12 13 14

    Parameter Formaat Parameter-functie

    P1

    31

    RADIOFREQUENTIEVERSTERKING

    ;

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    P1

    ;

    9 10 11 12 13 14

    9 10 11 12 13 14

    Keuze van een meterfunctie of aflezen van de
    meter-waarden.

    1 2

    3

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    24

    METER
    OMSCHAKELEN

    P2

    22

    METER AFLEZEN

    R M P1 ;
    1 2

    3

    R M

    ;

    1 2

    3

    4 5

    4 5

    R M P1

    P2

    ;

    RIT

    Instellen OFF/ON of aflezen van de RIT verschuiving.

    Parameter Formaat Parameter-functie

    00: OFF
    01: ON
    1

    4

    Instellen of aflezen van de RF (radiofrequentie)
    versterking.

    RT

    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Ingang

    Functie

    Instellen of aflezen van de RF verzwakking.

    R A

    ;

    Opmerking:
    Dit commando zet ook de XIT
    verschuiving (gelijk aan RIT) op nul.
    Het commando werkt onafhankelijk
    van de RIT/XIT regelaar.

    RM METER OMSCHAKELEN/AFLEZEN (Read Meter)

    CW RX TOONHOOGTE

    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    STROOMVOORZIENING
    OFF/ON

    Ingang

    S P1 ;

    1

    Uitgang

    2

    Instellen of aflezen van de CW RX toonhoogte.

    Uitgang

    Parameter Formaat Parameter-functie

    Uitgang

    Uitgang

    PT

    1
    P

    3

    Parameter Formaat Parameter-functie

    RG RADIOFREQUENTIE-VERSTERKING (RF Gain)

    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Ingang

    Functie

    Instellen OFF/ON of aflezen van de stroomvoorziening.

    2

    R C

    Verlagen/verhogen van de RIT frequentieverschuiving.

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    1

    Functie

    RD

    SPRAAKPROCESSOR (Speech Processor)

    Instellen OFF/ON of aflezen van de spraakprocessor.

    Ingang

    Ingang

    9 10 11 12 13 14

    ;

    Uitgang

    6 7 8

    Antwoord Aflezen Instellen

    4 5
    P1

    1

    Functie

    9 10 11 12 13 14

    Antwoord Aflezen Instellen

    6 7 8

    Functie

    3

    P C

    4 5

    Antwoord Aflezen Instellen

    1 2

    9 10 11 12 13 14

    Functie

    ;

    ;

    Antwoord Aflezen Instellen

    3

    6 7 8

    Functie

    1 2
    P C

    4 5
    P1

    ZENDVERMOGEN

    Ingang

    3

    P C

    47

    Uitgang

    1 2

    Nulstellen van de RIT frequentieverschuiving.

    Parameter Formaat Parameter-functie

    Parameter Formaat Parameter-functie

    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Uitgang

    PR

    Uitgang

    RC RIT NULSTELLEN (RIT Clear)

    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Ingang

    Functie

    Instellen of aflezen van het vermogen voor het zenden.



    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    RIT OFF/ON

    R T P1 ;
    1

    2

    3

    R T ;
    1

    2

    3

    R T P1 ;

    N-79



  • Page 86

    ● AANHANGSEL
    RX

    TX

    SM S-METER

    AFSTEMFUNCTIE ONTVANGST/ZENDEN (RX/TX)

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    Uitgang

    9 10 11 12 13 14

    5

    6 7

    8

    SCANFUNCTIES
    OFF/ON

    9 10 11 12 13 14

    3
    ;

    1

    3

    2

    4

    5

    4

    5

    6 7

    6 7

    8

    8

    9 10 11 12 13 14

    Uitgang

    2

    S C

    Ingang

    S C P1 ;
    1

    9 10 11 12 13 14

    S C P1 ;

    SD WACHTTIJD SEMI-ONDERBREKING (Semi Break-in Delay Time)

    1

    3

    5

    2

    3
    ;

    1

    3

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    ;

    P1

    S D
    2

    4

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    S D

    ;

    P1

    DSP DOORLAATBANDREGELING, BOVENSTE AFSNIJFREQUENTIE
    (DSP Slope High Cut-off)

    Uitgang

    SL

    S H

    4 5
    P1

    1 2

    3

    S H

    ;

    1 2

    3

    9 10 11 12 13 14

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    ;

    DSP DOORLAATBANDREGELING, ONDERSTE AFSNIJFREQUENTIE
    (DSP Slope Low Cut-off)

    Functie

    Instellen of aflezen van de onderste afsnijfrequentie.

    Antwoord Aflezen Instellen

    1 2
    S

    3

    1 2

    3

    S

    L

    ;

    1 2

    3

    S

    L

    4 5
    P1

    L

    4 5
    ;

    6 7 8

    6 7 8

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    P1

    ;

    1

    2

    3

    4

    S M

    53

    DSP DOORLAATBANDREGELING,
    ONDERSTE
    AFSNIJFREQUENTIE

    9 10 11 12 13 14

    9 10 11 12 13 14

    Parameter Formaat Parameter-functie

    1 2

    3

    4 5

    6 7 8

    P1

    ;

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    P1

    ;

    S Q
    1 2

    3

    S Q

    ;

    1 2

    3

    S Q

    46

    SQUELCH NIVEAU

    9 10 11 12 13 14

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    50

    SYSTEEM
    TERUGSTELLEN

    S R P1 ;
    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    SUBTOON-NUMMER
    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    1

    2

    3

    T N
    1

    P1

    2

    3

    T N

    ;

    1

    3

    2

    4

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    ;

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    P1

    T N

    5

    14

    SUBTOONNUMMER

    Opmerking:
    Als nr. 39 (1750 Hz) wordt gekozen,
    wordt de CTCSS uitgeschakeld.

    ;

    TO SUBTOON

    9 10 11 12 13 14

    ;

    4 5

    P1

    6 7 8

    1

    Opmerking:
    Tijdens zenden: aflezen van het
    uitgangsvermogen

    S M ;

    Instellen of aflezen van het subtoon-nummer (01~39).

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    N-80

    DSP DOORLAATBANDREGELING,
    BOVENSTE
    AFSNIJFREQUENTIE

    ;

    4 5

    P1

    S H

    6 7 8

    53

    Ingang

    3

    9 10 11 12 13 14

    P1

    TN

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Ingang

    Functie

    Instellen of aflezen van de bovenste afsnijfrequentie.

    1 2

    8

    Terugstellen van de zendontvanger.

    Ingang

    D

    SEMI BREAK-IN
    WACHTTIJD

    Uitgang

    2

    49

    Uitgang

    Uitgang

    SH

    1

    6 7

    S-METER WAARDE

    SR TERUGSTELLEN (System Reset)

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Ingang

    Functie

    Instellen of aflezen van de Semi Break-in wachttijd.

    S

    5

    Functie

    1

    Antwoord Aflezen Instellen

    4

    4

    Functie

    3

    3

    Instellen of aflezen van het squelch-niveau.

    Parameter Formaat Parameter-functie

    Antwoord Aflezen Instellen

    Functie
    Ingang
    Uitgang

    Antwoord Aflezen Instellen

    2

    2

    22

    SQ SQUELCH NIVEAU (Squelch Level)

    P1

    1

    1

    Functie

    6 7 8

    Antwoord Aflezen Instellen

    4 5

    Functie

    3

    RX/TX ;

    Ingang

    1 2

    3

    Uitgang

    1 2

    Ingang

    RX/TX ;

    Instellen (OFF/ON) van de subtoon of aflezen van
    de status.

    Antwoord Aflezen Instellen

    3

    Instellen OFF/ON of aflezen van de scanfuncties.

    Ingang

    Parameter Formaat Parameter-functie

    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Functie
    Ingang
    Uitgang

    Antwoord Aflezen Instellen

    1 2

    SC SCANFUNCTIES (Scan)

    Uitgang

    Aflezen van de S-meter.

    Parameter Formaat Parameter-functie
    Functie

    Keuze van de afstemfunctie voor ontvangst/zenden.

    1

    2

    T

    O P1 ;

    3

    1

    2

    3

    T O

    ;

    1

    3

    2

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    T O P1 ;

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    1

    SUBTOON OFF/ON



  • Page 87

    AANHANGSEL



    VD VOX WACHTTIJD (VOX Delay Time)

    Uitgang

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Ingang

    Functie

    Instellen of aflezen van de VOX wachttijd.

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    V D

    ;

    1

    3

    2

    5

    6 7

    P1

    V D
    4

    4

    9 10 11 12 13 14

    VOX WACHTTIJD

    ;

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    P1

    V D

    8

    51

    ;

    VG VOX VERSTERKING (VOX Gain)

    Uitgang

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Ingang

    Functie

    Instellen of aflezen van de VOX versterking.

    1 2

    3

    V G
    1 2

    3

    V G

    ;

    1 2

    3

    V G

    4 5

    6 7 8

    P1

    ;

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    P1

    ;

    54

    VOX
    VERSTERKING

    9 10 11 12 13 14

    Ingang
    Uitgang

    Inschakelen van de stemsynthesizer voor het weergeven Parameter Formaat Parameter-functie
    van een bericht.
    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    Functie

    VR STEMSYNTHESIZER

    Ingang
    Uitgang

    2

    V

    R P1 ;

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    2

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    XT

    1 2

    3

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    4 5

    6 7 8

    9 10 11 12 13 14

    1 2

    3

    V X

    ;

    1 2

    P1

    1

    VOX OFF/ON

    3

    V X P1 ;

    XIT VERSCHUIVING (XIT)

    Functie
    Ingang
    Uitgang

    Parameter Formaat Parameter-functie

    V X P1 ;

    Instellen OFF/ON van de XIT verschuivingsfunctie.

    Parameter Formaat Parameter-functie
    P1

    Antwoord Aflezen Instellen

    STEMSYNTHESIZER

    VOX STEMGESCHAKELD ZENDEN (VOX Function)

    Instellen OFF/ON van de VOX functie voor stem
    geschakeld zenden.

    Antwoord Aflezen Instellen

    Functie

    VX

    1

    55

    1

    2

    X

    T P1 ;

    3

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    2

    3

    X

    T

    ;

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    2

    3

    X

    T P1 ;

    4

    5

    6 7

    8

    9 10 11 12 13 14

    1

    XIT OFF/ON

    N-81



  • Page 88






Missbrauch melden von Frage und/oder Antwort

Libble nimmt den Missbrauch seiner Dienste sehr ernst. Wir setzen uns dafür ein, derartige Missbrauchsfälle gemäß den Gesetzen Ihres Heimatlandes zu behandeln. Wenn Sie eine Meldung übermitteln, überprüfen wir Ihre Informationen und ergreifen entsprechende Maßnahmen. Wir melden uns nur dann wieder bei Ihnen, wenn wir weitere Einzelheiten wissen müssen oder weitere Informationen für Sie haben.

Art des Missbrauchs:

Zum Beispiel antisemitische Inhalte, rassistische Inhalte oder Material, das zu einer Gewalttat führen könnte.

Beispielsweise eine Kreditkartennummer, persönliche Identifikationsnummer oder unveröffentlichte Privatadresse. Beachten Sie, dass E-Mail-Adressen und der vollständige Name nicht als private Informationen angesehen werden.

Forenregeln

Um zu sinnvolle Fragen zu kommen halten Sie sich bitte an folgende Spielregeln:

Neu registrieren

Registrieren auf E - Mails für Kenwood TS-570D wenn:


Sie erhalten eine E-Mail, um sich für eine oder beide Optionen anzumelden.


Holen Sie sich Ihr Benutzerhandbuch per E-Mail

Geben Sie Ihre E-Mail-Adresse ein, um das Handbuch zu erhalten von Kenwood TS-570D in der Sprache / Sprachen: Holländisch als Anhang in Ihrer E-Mail.

Das Handbuch ist 4,11 mb groß.

 

Sie erhalten das Handbuch in Ihrer E-Mail innerhalb von Minuten. Wenn Sie keine E-Mail erhalten haben, haben Sie wahrscheinlich die falsche E-Mail-Adresse eingegeben oder Ihre Mailbox ist zu voll. Darüber hinaus kann es sein, dass Ihr ISP eine maximale Größe für E-Mails empfangen kann.

Andere Handbücher von Kenwood TS-570D

Kenwood TS-570D Bedienungsanleitung - Deutsch - 88 seiten

Kenwood TS-570D Bedienungsanleitung - Englisch - 89 seiten

Kenwood TS-570D Bedienungsanleitung - Französisch - 88 seiten


Das Handbuch wird per E-Mail gesendet. Überprüfen Sie ihre E-Mail.

Wenn Sie innerhalb von 15 Minuten keine E-Mail mit dem Handbuch erhalten haben, kann es sein, dass Sie eine falsche E-Mail-Adresse eingegeben haben oder dass Ihr ISP eine maximale Größe eingestellt hat, um E-Mails zu erhalten, die kleiner als die Größe des Handbuchs sind.

Ihre Frage wurde zu diesem Forum hinzugefügt

Möchten Sie eine E-Mail erhalten, wenn neue Antworten und Fragen veröffentlicht werden? Geben Sie bitte Ihre Email-Adresse ein.



Info