Zoom out
Zoom in
Vorherige Seite
1/20
Nächste Seite
REMKO – sterk als een beer.
REMKO PGM 30 / 30 E
REMKO PGM 60 / 60 E
Propaangas-verwarmingsautomaten
Uitgave NL – R02
Bediening
Techniek
Onderdelen
1

Brauchen Sie Hilfe? Stellen Sie Ihre Frage.

Forenregeln

Inhalt der Seiten


  • Page 1

    REMKO PGM 30 / 30 E
    REMKO PGM 60 / 60 E
    Propaangas-verwarmingsautomaten

    Bediening
    Techniek
    Onderdelen

    Uitgave NL – R02

    REMKO – sterk als een beer.



  • Page 2



  • Page 3

    Gebruiksaanwijzing
    Voor ingebruikname / gebruik van het apparaat moet deze handleiding zorgvuldig
    worden doorgelezen!
    Bij niet-doelmatig gebruik, opstelling, onderhoud enz. of eigenmachtige
    veranderingen aan de vanuit de fabriek geleverde uitvoering
    van het apparaat vervalt elk recht op garantie.
    Wijzigingen voorbehouden!

    Mobiele propaangas-verwarmingsautomaten
    REMKO PGM 30 / 30 E
    REMKO PGM 60 / 60 E

    Inhoud

    pagina

    Inhoud

    pagina

    Veiligheidsinstructies

    4

    Schakelschema

    13

    Beschrijving van het apparaat

    4

    Klantendienst en garantie

    13

    Inzet van vloeibaar gas

    5

    Montagetekening PGM 30 / 30 E

    14

    Gasaansluiting

    9

    Onderdelenlijst

    PGM 30 / 30 E

    15

    Ingebruikname

    11

    Montagetekening PGM 60 / 60 E

    16

    Buitenbedrijfstelling

    11

    Onderdelenlijst

    17

    Veiligheidsinrichtingen

    12

    Opheffen van Storingen

    18

    Verzorging en onderhoud

    12

    Onderhoudsrapport

    19

    Technische gegevens

    13

    PGM 60 / 60 E

    Deze gebruiksaanwijzing moet altijd in de onmiddellijke
    nabijheid van het apparaat bewaard worden!

    3



  • Page 4

    Veiligheidsinstructies
    Bij de inzet van het apparaat moeten in principe altijd
    de plaatselijke bouw- en brandveiligheidsvoorschriften
    en de voorschriften van de beroepsvereniging in acht
    genomen worden. Neem bovendien de volgende veiligheidsinstructies in acht.
    Het apparaat mag alleen bediend worden door personen die geïnstrueerd zijn in de bediening.
    Het apparaat moet zo worden opgesteld en werken,
    dat personen niet in gevaar kunnen worden gebracht door afvoergassen en stralingswarmte en er
    geen brand kan ontstaan.
    Het apparaat mag alleen worden opgesteld en werken
    in ruimtes, als het apparaat een voor de verbranding
    toereikende hoeveelheid lucht wordt toegevoerd.
    Bij bedrijf op bouwwerven mogen alleen slangen
    voor vloeibaar gas volgens DIN 4815 deel 1, drukklasse 30 gebruikt worden.
    Mobiele flessen met vloeibaar gas moeten absoluut
    stabiel en rechtop worden neergezet.
    Flessen met vloeibaar gas mogen tijdens het bedrijf
    van het apparaat nooit liggend gebruikt worden.
    Explosiegevaar: gasontsnapping in de vloeibare fase.
    Veiligheidsinrichtingen mogen niet overbrugd noch
    geblokkeerd worden.
    Het apparaat mag alleen gebruikt worden in goed
    geventileerde ruimtes.
    Het voortdurende verblijf van personen in de opstellingsruimte is niet toegestaan.
    Er moeten verbodsborden worden aangebracht aan
    de ingangen.
    Het apparaat moet stabiel en op een niet-brandbare
    ondergrond worden opgesteld en werken.
    Het moet gegarandeerd zijn dat er geen brandbare
    voorwerpen resp. materialen kunnen worden aangezogen.
    Het apparaat mag niet in een omgeving werken waar
    brand- of explosiegevaar bestaat.
    Er moet een veiligheidszone van 1,5 m rondom het
    apparaat worden vrijgehouden. In principe moet bovendien een minimumafstand van 3 m tot de uitblaasopening van het apparaat worden aangehouden.
    De uitblaasopening van het apparaat mag niet vernauwd resp. van slang- of buisleidingen voorzien
    worden.
    Nooit vreemde voorwerpen in het apparaat steken.
    Het luchtaanzuigrooster moet altijd vrij van vuil en
    losse voorwerpen zijn.
    Het apparaat mag niet worden blootgesteld aan een
    directe waterstraal.
    Alle kabels van het apparaat moeten tegen beschadigingen door b.v. dieren beschermd worden.
    Voor onderhouds- of reparatiewerkzaamheden moet
    in principe de gastoevoer afgesloten en de netstekker
    uit de netcontactdoos getrokken worden.

    4

    Beschrijving van het apparaat
    Het apparaat is een transporteerbare, op vloeibaar gas
    gestookte warmeluchtgenerator (WLG) zonder warmtewisselaar met een ventilator om de warme lucht te transporteren.
    Het apparaat werkt zonder afvoergasaansluiting en mag
    uitsluitend in de industrie gebruikt worden. Het apparaat
    wordt rechtstreeks gestookt en is geconcipieerd voor een
    universele en probleemloze inzet.
    De apparaten zijn uitgerust met een ingebouwde PowerRegulation voor de traploze regeling van de verwarmingscapaciteit, een robuuste vlammenbrander, een elektrische
    magneetklep, een piëzo-ontsteker, een ontstekingsbeveiliging met thermo-elektrische vlambewaking, geluids- en
    onderhoudsarme axiale ventilator en een aansluitkabel
    met stekker.
    Het apparaat is EG bouwmodel gecontroleerd en DVGW
    geregistreerd en toegelaten voor alle landen van de EU.
    Inzetgebieden van de apparaten
    Drogen van nieuwbouw, puntverwarmen van werkplaatsen in de open lucht of in open, brandveilige fabrieksruimtes en hallen
    Continu of tijdelijk verwarmen van ruimtes met voldoende aanvoer van frisse lucht
    Ontdooien van machines, voertuigen en nietbrandbare opgeslagen goederen, tempereren van delen die kunnen bevriezen
    Voor een optimale werking van het apparaat mogen
    de apparaten niet werken bij een omgevingstemperatuur boven 25 °C.

    Werkwijze
    Nadat de bedrijfsschakelaar in stand „I” is gezet, wordt de
    luchttoevoerventilator in bedrijf gesteld en de elektrische
    magneetklep geopend. De gastoevoer naar de brander
    blijft echter nog gesloten.
    Pas door de drukpen van de thermo-elektrische gasklep
    (ontstekingsbeveiliging) in te drukken wordt de gastoevoer
    naar de brander vrijgegeven. Het vloeibaar gas wordt
    door een gasbek onder druk naar de brander getransporteerd. Hier wordt het gas verrijkt met een op de betreffende brandercapaciteit afgestemde hoeveelheid zuurstof.
    Het zo ontstane gas-luchtmengsel wordt aan de branderkop door een elektrische ontstekingsvonk ontstoken. De
    ontstekingsvonk wordt gegenereerd door manuele activering van de piëzo-ontsteker. Door verwarming van de
    thermovoeler wordt de thermo-elektrische bewaking van
    de vlam in bedrijf gesteld. De drukpen van de ontstekingsbeveiliging moet nu worden losgelaten.
    Bij eventuele onregelmatigheden of doven van de vlam
    wordt de gastoevoer onderbroken. Een veiligheidstemperatuurbegrenzer (VTB) onderbreekt bij oververhitting de
    gastoevoer en vergrendelt alle apparaatfuncties.
    De regeling van de min/max verwarmingscapaciteit kan
    tijdens het bedrijf van het apparaat traploos worden uitgevoerd aan de ingebouwde „Power-Regulation”.



  • Page 5

    Inzet van vloeibaar gas
    Uittreksel uit het voorschrift ter preventie van
    ongevallen (UVV) VBG 21 van 1 oktober 1993 voor het
    gebruik van vloeibaar gas.
    § 1 Geldigheidsgebied
    (1) Dit voorschrift ter preventie van ongevallen geldt
    voor:
    1. het gebruik van vloeibaar gas voor verbrandingsdoeleinden,
    2. installaties op vloeibaar gas voor verbrandingsdoeleinden, voorzover ze uit drukgasflessen
    gevoed worden en
    3. verbruiksinstallaties op vloeibaar gas voor
    verbrandingsdoeleinden, voorzover ze uit
    drukvaten gevoed worden.
    (2) Dit voorschrift ter preventie van ongevallen geldt
    niet, voorzover het onderwerp ervan geregeld is in
    nationale wetgeving.
    § 4 Eisen aan personen
    De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties
    volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 alleen door verzekerde
    personen bediend of onderhouden worden, die in het
    bedienen of onderhouden van deze installaties
    geïnstrueerd zijn en van wie verwacht kan worden dat
    ze hun taak op een betrouwbare manier vervullen.
    § 6 Opstelling van installaties op vloeibaar gas
    (1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties
    volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 zo gemonteerd en
    opgesteld worden, dat ze veilig werken en
    onderhouden kunnen worden.
    (2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties
    volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 zo opgesteld worden,
    dat ze tegen mechanische beschadiging beschermd
    zijn.
    (3) Drukgasflessen moeten zo opgesteld worden, dat
    ze tegen ontoelaatbare verwarming beschermd zijn.
    (4) De ondernemer moet ervoor zorgen dat rond om
    leeg te maken aangesloten drukgasflessen
    voldoende vrije ruimte wordt aangehouden, waarin
    zich geen kelderopeningen en -toegangen, kuilen
    en gelijkaardige holle ruimtes, rioolputten zonder
    vloeistofafsluiting, lucht- en lichtkanalen en brandbaar materiaal bevinden.
    (5) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties
    op vloeibaar gas zo worden opgesteld, dat ze niet
    publiekelijk toegankelijk zijn, of de veiligheidsinrichtingen, regelinrichtingen en instelelementen
    aan de voedingsinstallatie moeten tegen onbevoegde toegang van derden beveiligd zijn.
    (6) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties
    volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 niet in ruimtes onder
    de begane grond opgesteld worden.

    (7) In trappenhuizen, kleine binnenplaatsen en
    doorritten of in de onmiddellijke nabijheid daarvan
    mogen drukgasflessen alleen worden opgesteld,
    als deze daar voor de uitvoering van werkzaamheden tijdelijk noodzakelijk zijn en er door de
    ondernemer speciale veiligheidsmaatregelen
    getroffen zijn.
    (9) Bij verbruiksinstallaties met aangesloten drukgasflessen met een inhoud vanaf 1 liter, waaruit gas uit de
    gasfase ontnomen wordt, moeten de drukgasflessen rechtop staand en stabiel worden neergezet.
    (10) De ondernemer moet ervoor zorgen dat
    verbruiksinstallaties alleen aan
    – drukvaten of
    – ten hoogste 8 drukgasflessen voor de
    gelijktijdige gasontname
    aangesloten worden; deze vaten resp. flessen
    moeten in de open lucht of in een speciale
    opstellingsruimte zijn opgesteld.
    (11) Afwijkend van punt 10 mogen in werkruimtes tot
    500 m³ en voor elke verdere 500 m³ ruimte
    – één drukgasfles met een toegelaten vulgewicht
    tot 33 kg of
    – twee drukgasflessen met een toegelaten
    vulgewicht tot elk 14 kg
    opgesteld worden.
    (12) Afwijkend van de punten 10 en 11 mogen in
    werkruimtes tot 500 m³ en voor elke verdere 500 m³
    ruimte maximaal 8 drukgasflessen opgesteld
    worden:
    – om bedrijfstechnische redenen, indien de
    installatie op vloeibaar gas tijdens de
    gasontname onder permanent toezicht staat.
    (15) De ondernemer moet ervoor zorgen dat in ruimtes
    en omgevingen waarin rekening moet worden
    gehouden met explosieve atmosferen, verbruiksinrichtingen alleen met inachtneming van de
    beschermingsmaatregelen tegen explosies in
    bedrijf genomen worden.
    (16) De ondernemer moet ervoor zorgen dat
    verbruiksinstallaties waarbij een ontsnapping
    van onverbrand gas en de vorming van een
    gevaarlijke explosieve atmosfeer niet zeker
    verhinderd is, zo opgesteld worden, dat
    – mogelijke gasontsnappingsplaatsen en
    – ventilatieopeningen van opstellingsruimtes
    omgeven zijn door een voldoende grote zone
    zonder ontstekingsgevaar. De zone zonder
    ontstekingsgevaar mag door constructieve of
    gelijkwaardige maatregelen begrensd zijn, indien
    de ventilatie niet ontoelaatbaar gehinderd wordt.

    5



  • Page 6

    § 7 Aansluiting van verbruiksinstallaties aan
    voedingsinstallaties

    (1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat
    verbruiksinstallaties alleen worden aangesloten
    aan voedingsinstallaties, die in zoverre bestand
    zijn tegen de te verwachten belastingen, dat
    verzekerde personen niet in gevaar worden
    gebracht.
    (2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinstallaties alleen aan voedingsinstallaties worden
    aangesloten, indien er rekening houdend met de
    aansluitwaarden van alle verbruiksinrichtingen en
    de bedrijfsduur geen de bedrijfsafloop storende
    onderkoeling van de voedingsinstallatie optreedt.
    (3) Bevriezingen die zijn ontstaan als gevolg van een
    te hoge gasontname, mogen alleen geëlimineerd
    worden door langzaam ontdooien. Open vuur,
    gloeiende voorwerpen en stralers mogen voor het
    ontdooien niet gebruikt worden. Bevriezingen
    mogen niet eraf worden geslagen.
    (4) De ondernemer moet ervoor zorgen dat bij de aansluiting van de verbruiksinstallatie aan voedingsinstallaties gegarandeerd is dat vloeibaar gas niet
    per ongeluk in vloeibare fase bij de branders kan
    komen.
    (5) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinrichtingen niet direct aan de aansluitstomp van
    de klep van drukgasflessen worden aangesloten.
    § 9 Aansluiting van verbruiksinrichtingen met
    slangleidingen

    (1) Als er conform § 8 punt 4 slangleidingen worden
    gebruikt, dan moet de ondernemer ervoor zorgen
    dat deze geschikt zijn.
    (2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat
    slangleidingen zo gelegd worden, dat ze tegen
    chemische, thermische en mechanische
    beschadigingen beschermd zijn.

    (9) Slangleidingen moeten zo worden aangesloten,
    dat de slangverbindingen niet ontoelaatbaar
    mechanisch belast worden. Voorzover hiervoor
    speciale inrichtingen vereist zijn, moet de
    ondernemer deze ter beschikking stellen.
    (10) Beschadigde slangen mogen niet gebruikt worden.
    De ondernemer moet ervoor zorgen dat beschadigde slangen vakkundig vervangen worden.
    (12) Als bij het gebruik van mobiele verbruiksinrichtingen slangbeschadigingen niet kunnen worden
    uitgesloten, dan moet de ondernemer ervoor
    zorgen dat voor het bereik tussen drukregelapparaat en verbruiksinrichting minstens „slangen voor
    bijzondere mechanische belasting” gebruikt worden.
    (13) Verbindingen van slangleidingen moeten zo gelegd
    worden, dat ze niet onopzettelijk los kunnen komen.
    § 10 Maatregelen tegen gasontsnapping bij
    slangbeschadigingen

    De ondernemer moet ervoor zorgen dat er bij het bedrijf
    van verbruiksinstallaties waarin slangen worden
    gebruikt die blootstaan aan bijzondere chemische,
    thermische en mechanische belastingen, veiligheidsmaatregelen worden getroffen, die verhinderen dat er
    bij slangbeschadigingen gas kan ontsnappen in
    gevaarlijke hoeveelheden.
    § 11 Exploiteren van verbruiksinstallaties
    (2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat
    verbruiksinstallaties alleen werken indien
    ophopingen van onverbrand gas vermeden
    worden.
    (3) De ondernemer moet ervoor zorgen dat
    verbruiksinstallaties alleen werken met een
    gelijkmatig op de verbruiksinrichtingen
    afgestemde werkdruk.

    (3) Slangaansluitingen en slangverbindingen moeten
    zo worden uitgevoerd, dat een dichte aansluiting
    gegarandeerd is en ze niet onopzettelijk los
    kunnen komen.

    (4) De ondernemer moet ervoor zorgen dat er bij
    verbruiksinstallaties waarbij de verbruiksinrichtingen niet bestand zijn tegen de druk voor het
    drukregelapparaat, inrichtingen tegen een ontoelaatbaar hoge drukstijging gebruikt worden.

    (4) Verbruiksinrichtingen mogen alleen worden aangesloten aan slangleidingen die niet langer zijn dan
    0,4 m.

    (11) Verbruiksinrichtingen mogen alleen werken uit de
    gasfase.

    (5) Afwijkend van punt 4 mogen verbruiksinrichtingen
    worden aangesloten aan slangleidingen die langer
    zijn dan 0,4 m, indien er sprake is van speciale
    bedrijfstechnische redenen en indien er speciale
    veiligheidsmaatregelen getroffen en de slangleidingen zo kort mogelijk zijn.
    (6) Slangleidingen moeten voordat ze voor de eerste
    keer worden aangesloten, zonder gevaar worden
    uitgeblazen.
    (8) Bij mobiele verbruiksinstallaties moeten de slangen
    tegen te verwachten ontoelaatbare belastingen
    beschermd worden.

    6

    (12) De ondernemer moet ervoor zorgen dat bij
    verderleiding in de gasfase gegarandeerd is
    dat er in de leidingen geen terugcondensatie
    kan plaatsvinden.
    (13) De ondernemer moet ervoor zorgen dat
    verbruiksinrichtingen zo werken, dat de
    verbrandingslucht onberispelijk en de
    vlammenstabiliteit gegarandeerd is.
    (19) Verbruiksinstallaties mogen pas van voedingsinstallaties geïsoleerd worden, indien zeker
    gegarandeerd is dat er geen gas meer kan
    uittreden.



  • Page 7

    § 12 Oppervlaktetemperaturen

    De ondernemer moet ervoor zorgen dat hete oppervlakken die niet onmiddellijk vereist zijn voor het werk en die
    in werk- en loopzones liggen, zo tegen toevallig aanraken beschermd worden, dat verwondingen zijn uitgesloten. Dit geldt niet voor delen van verbruiksinrichtingen,
    waarbij het gevaar door verbranding herkenbaar is.
    § 13 Dichtheden / Ondichtheden

    (1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinrichtingen alleen werken als zijn onder gasdruk
    staande installatiedelen bij de op grond van de
    voorziene bedrijfswijze te verwachten chemische,
    thermische en mechanische belastingen dicht blijven.
    (2) Verbruiksinstallaties moeten dicht worden aangesloten aan toevoerleidingen.
    (3) De ondernemer moet ervoor zorgen dat voor het
    opsporen van ondichtheden alleen gasopsporingsapparaten en middelen gebruikt worden, waardoor
    het eventueel uitstromende gas niet ontstoken
    wordt.
    (4) Bij ondichtheden moet de bijhorende afsluitinrichting gesloten worden. Ontstekingsbronnen moeten
    geëlimineerd worden, tot het uitgestroomde, nietverbrande gas verwijderd is.
    (5) Ondichte drukgasflessen moeten onmiddellijk,
    voorzover dit zonder gevaar mogelijk is, uit de bedreigde zone verwijderd en dienovereenkomstig
    gekenmerkt worden.
    (6) De ondernemer moet ervoor zorgen dat drukregelapparaten met versleten of beschadigde dichtingen
    niet worden aangesloten. Versleten of beschadigde dichtingen moeten vervangen worden.
    (7) De ondernemer moet ervoor zorgen dat drukvaten
    met versleten of beschadigde dichtingen terug worden gebracht naar de gasleverancier.
    (8) Drukregelapparaten mogen alleen worden aangesloten aan drukgasflessen als de aansluitingen op
    elkaar zijn afgestemd.
    § 14 Beluchtingsinrichtingen/Gasafvoerleidingen

    (1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties
    volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 alleen in ruimtes worden opgesteld die zo be- en ontlucht zijn, dat er in
    de ruimtelucht geen gevaarlijke explosieve atmosfeer, geen voor de gezondheid schadelijk afvoergas-luchtmengsel en geen zuurstofgebrek optreden kan.
    (2) In de open lucht opgerichte installaties moeten zo
    worden opgesteld, dat de vereiste natuurlijke ventilatie niet verhinderd wordt.
    (3) Voorzover technische beluchtingsinrichtingen noodzakelijkerwijs geïnstalleerd zijn, moeten deze voor
    ingebruikname van de verbruiksinrichtingen in bedrijf gesteld worden. Voorzover natuurlijke beluchtingsinrichtingen noodzakelijkerwijs voorhanden
    zijn, moeten deze werkzaam worden gemaakt.

    (4) Tijdens het bedrijf van de verbruiksinrichtingen
    moeten beluchtingsopeningen open worden
    gehouden.
    (6) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinrichtingen die niet aangesloten hoeven te worden
    aan gasafvoerinstallaties en de verbrandingslucht
    naar de ruimte leiden, alleen werken als
    – de ruimtes goed be- en ontlucht zijn en
    – het aandeel voor de gezondheid schadelijke
    stoffen in de ingeademde lucht geen schadelijke
    concentraties bereikt.
    § 15 Buitenbedrijfstelling van verbruiksinrichtingen
    (1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat de
    gastoevoer naar de verbruiksinrichtingen onderbroken kan worden om ongecontroleerd uittreden
    van gas bij buitenbedrijfstelling en bedrijfsrust van
    de verbruiksinrichtingen te kunnen verhinderen.
    (2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat de
    gastoevoer naar de hele verbruiksinstallatie
    gemakkelijk kan worden onderbroken.
    (3) De gastoevoer naar de verbruiksinrichtingen en
    naar de verbruiksinstallatie moet:
    – aan het einde van het werk of bij langere
    werkonderbrekingen, voorzover een
    verbruiksinstallatie niet doorlopend werkt,
    – voor de beëindiging van het doorlopende
    bedrijf,
    – na verbruik van het vloeibaar gas,
    – voordat het drukregelapparaat eraf wordt
    geschroefd,
    – voor het losmaken van leidingen en
    – bij storingen of gevaar
    onderbroken worden.
    § 17 Brandbeveiliging bij verbruiksinstallaties

    (1) Verbruiksinrichtingen moeten zo werken, dat
    brandgevaar verhinderd is en verbrandingen en
    brandwonden vermeden worden.
    (2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat
    verbruiksinrichtingen in ruimtes en omgevingen
    waarin rekening moet worden gehouden met
    gevaarlijke explosieve atmosferen, alleen werken
    met inachtneming van de brand- en explosiebeveiligingsmaatregelen.
    (3) Als het brandgevaar in de omgevingen volgens
    punt 2 om constructieve of bedrijfstechnische
    redenen niet restloos geëlimineerd kan worden,
    dan moet de ondernemer de te treffen veiligheidsmaatregelen voor het afzonderlijke geval
    vastleggen in een gebruiksaanwijzing.

    7



  • Page 8

    § 18 Repareren

    (1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinstallaties alleen gerepareerd worden door
    personen die hij daar opdracht toe heeft gegeven,
    en dat voor de reparatie alleen geschikte
    vervangingsonderdelen en hulpmiddelen ter
    beschikking gesteld en gebruikt worden.
    (2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat delen van
    verbruiksinstallaties die onderhevig zijn aan slijtage
    en veroudering, ten laatste na 8 jaar vervangen
    worden. Dit geldt niet als de goede staat bevestigd
    is door een deskundige.
    § 22 Installaties op vloeibaar gas voor
    bouwwerkzaamheden

    (1) Afwijkend van § 6 punt 6 mogen voor bouwwerkzaamheden drukgasflessen en verbruiksinstallaties
    in ruimtes en omgevingen onder de begane grond
    worden opgesteld als dit om bedrijfstechnische
    redenen noodzakelijk is en natuurlijke of technische
    ventilatie de vorming van een explosieve
    atmosfeer en de vorming van een voor de
    gezondheid schadelijk afvoergas-luchtmengsel en
    zuurstofgebrek verhindert en de installatie op
    vloeibaar gas onder permanent toezicht staat.
    (2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat
    drukgasflessen voor de voeding van de
    verbruiksinstallaties onder de begane grond
    – bij langere werkonderbrekingen en
    – lege drukgasflessen
    onmiddellijk verwijderd worden.
    (3) In tunnels, mijngangen, rioleringen en ruimtes met
    een gelijkaardige constructie mogen flessen met
    een toegelaten vulgewicht van meer dan 14 kg
    alleen dan gebruikt worden, als de ondernemer
    hiervoor de volgens de plaatselijke verhoudingen
    vereiste extra veiligheidsmaatregelen vastgelegd
    en voor de installatie op vloeibaar gas een in het
    bedrijf van installaties op vloeibaar gas geïnstrueerde verzekerde persoon aangewezen heeft, die
    1. de veiligheidstechnische toestand van de
    installatie dagelijks moet controleren en
    2. moet toezien op de opstelling van de installaties
    op vloeibaar gas en op de vervanging van de
    drukgasflessen.
    (4) Als in een ruimte of in een nauwere omgeving van
    een bouwwerf het gebruik van meerdere installaties op vloeibaar gas noodzakelijk is, dan moet de
    ondernemer de onderlinge afstand en de vereiste
    extra veiligheidsmaatregelen vastleggen al naargelang de plaatselijke verhoudingen.
    (5) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinrichtingen in ruimtes alleen werken als
    – de verbruiksinrichtingen een voor de
    verbranding toereikende hoeveelheid lucht
    wordt toegevoerd en
    – de afvoergassen via gasafvoerkanalen naar de
    open lucht worden geleid.

    8

    Een voor de verbranding toereikende hoeveelheid lucht
    wordt toegevoerd als b.v.
    1. het volume van de ruimte in m³ minstens overeenkomt met de 10-voudige nominale warmtebelasting in kW van alle in de ruimte werkende
    apparaten en door ramen en deuren een
    natuurlijke luchtcirculatie gegarandeerd is of
    2. er continu open ventilatieopeningen volgens de
    uitvoeringsinstructies in § 14 punt 1 voorhanden
    zijn.
    (6) Afwijkend van punt 5 mogen verbruiksinrichtingen
    zonder gasafvoerleiding in ruimtes werken als
    – deze goed be- en ontlucht zijn en
    – het aandeel voor de gezondheid schadelijke
    stoffen in de ingeademde lucht geen
    schadelijke concentratie bereikt.
    Een goede natuurlijke be- en ontluchting is
    b.v.gegarandeerd als.
    1. het volume van de ruimte in m³ minstens overeenkomt met de 30-voudige nominale warmtebelasting in kW van alle in de ruimte werkende
    apparaten en door ramen en deuren een
    natuurlijke luchtcirculatie gegarandeerd is of
    2. continu open ventilatieopeningen voor de toeen afvoerlucht in de buurt van plafond en vloer
    voorhanden zijn, waarvan de grootte in m²
    minstens overeenkomt met de 0,003-voudige
    nominale warmtebelasting in kW van alle in de
    ruimte werkende apparaten.
    (5) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinrichtingen in ruimtes alleen werken als
    – de verbruiksinrichtingen een voor de verbranding
    toereikende hoeveelheid lucht wordt
    toegevoerd en
    – de afvoergassen via gasafvoerkanalen naar de
    open lucht worden geleid.
    (7) Afwijkend van punt 5 mogen in ruimtes met een
    voor de verbranding toereikende luchttoevoer voor
    het drogen van deze ruimtes verwarmingsapparaten
    gebruikt worden. In deze ruimtes is het voortdurende verblijf van personen verboden. Op het
    verbod moet aan de ingangen van de ruimtes door
    het algemene verbodsteken met een extra bord
    met het opschrift „Het voortdurende verblijf van
    personen in deze ruimtes is verboden” gewezen
    worden.
    (12) Bij bouwwerkzaamheden moeten verbruiksinrichtingen zo worden opgesteld, dat er door afvoergassen of stralingswarmte geen brand kan ontstaan.
    (13) In ruimtes boven de begane grond mogen verbruiksinrichtingen voor het drogen en verwarmen in het
    doorlopende bedrijf onder de volgende voorwaarden
    worden ingezet:
    1. De drukgasflessen moeten boven de begane
    grond worden opgesteld.
    2. De vloeibaar gas- en slangleidingen moeten via
    een lekgasbeveiliging worden aangesloten.



  • Page 9

    Gasaansluiting
    3. De installatie op vloeibaar gas moet door een
    verzekerde persoon die hier door de ondernemer opdracht toe heeft gekregen, dagelijks
    minstens eenmaal gecontroleerd worden, waarbij met name
    – de opstelling van de flessen met vloeibaar gas,
    – de ligging, aansluiting en dichtheid van de
    leidingen en
    – de opstelling van de verbruiksinrichtingen
    gecontroleerd moeten worden.
    (14) In ruimtes onder de begane grond mogen de verbruiksinrichtingen voor het drogen en verwarmen
    in het doorlopende bedrijf onder de volgende voorwaarden ingezet worden:
    – De in punt 13 genoemde voorwaarden moeten worden nageleefd.
    – Er mogen alleen verwarmingsapparaten met
    ventilator gebruikt worden.
    (20) Aangesloten drukgasflessen mogen na het einde
    van het werk in ruimtes alleen achterblijven als voldoende ventilatie gegarandeerd is.
    § 33 Verbruiksinstallaties op vloeibaar gas

    (1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties
    volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 door een deskundige
    als volgt gecontroleerd worden:
    – na reparatiewerkzaamheden die de bedrijfsveiligheid kunnen beïnvloeden,
    – na veranderingen die de bedrijfsveiligheid
    kunnen beïnvloeden en
    – na bedrijfsonderbrekingen van meer dan één
    jaar op
    1. goede staat,
    2. dichtheid,
    3. werking en
    4. opstelling.
    (2) Afwijkend van punt 1 regel 1 volstaat bij mobiele
    installaties op vloeibaar gas die uit niet meer dan
    één drukgasfles met een vulgewicht van niet meer
    dan 33 kg werken, de controle door een persoon
    die daar door de ondernemer opdracht toe heeft
    gekregen, onder de voorwaarde dat de verbruiksinstallatie is geassembleerd uit afzonderlijke gecontroleerde delen.
    (4) Afwijkend van punt 3 regels 1 en 2 moet de ondernemer ervoor zorgen dat installaties volgens § 1
    punt 1 nr. 2 en 3 met mobiele verbruiksinstallaties
    in intervallen van ten hoogste 2 jaar door een deskundige gecontroleerd worden.
    (5) De ondernemer moet ervoor zorgen dat de resultaten van de controles volgens de punten 1 tot 4 in
    een controleattest worden bijgehouden, dat tot de
    volgende controle bewaard moet worden. De controleattesten moeten altijd kunnen worden voorgelegd aan personen die daar recht toe hebben.

    De gasaansluiting/het bedrijf van het apparaat mag alleen gebeuren met inachtneming van het voorschrift ter
    preventie van ongevallen VBG 21 en de betreffende
    plaatselijke bouw- en brandveiligheidsvoorschriften.
    De apparaten zijn geconcipieerd voor een constante
    aansluitdruk van 1,5 bar (vloeibaar gas volgens DIN
    51622 cat I3B/P,I3+ .)
    De aansluitdruk mag niet lager of hoger liggen. Als er
    langere slang- of buisleidingen worden gebruikt, dan
    moet er rekening worden gehouden met het drukverlies.
    Er mogen uitsluitend geteste en voor het betreffende
    gebruiksdoel geschikte componenten, zoals gasslang,
    drukregelaar en slangbreukbeveiliging of lekgasbeveiliging gebruikt worden. Alleen drukregelaars met een
    vast ingestelde uitgangsdruk zijn toegelaten. De apparaten mogen uitsluitend werken uit de gasfase.
    Belangrijke instructies voor de gasaansluiting
    Een constante aansluitdruk van de apparaten van
    1,5 bar (1500 mbar) moet, ook in het continu bedrijf,
    gegarandeerd zijn.
    Bij bedrijf op bouwwerven mogen alleen slangen
    voor vloeibaar gas volgens DIN 4815 deel 1, drukklasse 30 gebruikt worden.
    Voor de eerste ingebruikname moet de gastoevoerleiding grondig gereinigd worden.
    Aansluiting van de gastoevoer
    Voer de aansluiting als volgt uit.
    1. Sluit de drukregelaar aan aan
    de gasfles(sen) resp. aan de
    toevoerinstallatie.
    Linkse schroefdraad!

    2. Open de klep van de fles resp.
    de afsluitklep van de toevoerleiding.
    Bij gelijktijdige toevoer uit
    meerdere gasflessen moeten
    alle kleppen geopend worden.
    3. Druk de ontgrendelknop van de
    slangbreukbeveiliging in na het
    openen van de klep(pen).
    Dit moet ook gebeuren na elke
    flesvervanging.
    4. Controleer na opstelling en
    aansluiting van de apparaten
    alle gasgeleidende verbindingen
    op dichtheid.
    Zeepoplossing,
    lekopsporingsspray.

    9



  • Page 10

    Belangrijke montage-instructie

    Opbouw meerflessenset

    Bij de montage resp. demontage van de gasslang moet,
    rekening houdend met de linkse schroefdraad, met een
    gaffelsleutel SW 19, aan de gasaansluitnippel van het
    apparaat tegengehouden worden.

    Om een gelijkmatige gasontname te garanderen
    moeten alle kleppen van de flessen geopend zijn.
    gasslang naar apparaat
    slangbreukbeveiliging

    Dit geldt eveneens voor de drukregelaar, de slangbreukbeveiliging en alle andere gascomponenten.
    Gasslang losdraaien

    Gasslang vastdraaien

    Draai de wartelmoer
    met de klok mee.

    Draai de wartelmoer
    tegen de klok in.

    Voor alle werkzaamheden aan de gastoevoer en bij
    een vervanging van de gasflessen moeten alle
    afsluitkleppen gesloten zijn en er mogen geen
    ontstekingsbronnen in de onmiddellijke omgeving
    aanwezig zijn.

    Belangrijke instructies bij bevroren voedingsinstallaties
    Door onvoldoende gedimensioneerde voedingsinstallaties bestaat het gevaar dat de drukgasfles of het
    drukvat bevriest. Doordat de gasdruk daalt is een
    goede toevoer naar de verbruiksinrichting met gas in
    veel gevallen niet meer gegarandeerd.
    Onvolkomen verbranding, schadelijke afvoergassen of
    het doven van de vlam zijn het gevolg. Daarom moet
    de voedingsinstallatie zo groot worden gekozen, dat
    zulke problemen niet kunnen ontstaan.
    De eliminering van de kristallijne rijpaanslag mag niet
    gebeuren door open vuur, gloeiende voorwerpen of
    stralers. Een toereikende gastoevoer voor de verbruiksinstallatie kan gegarandeerd worden door het
    gebruik van een verdamper.
    De gastoevoer moet overeenkomstig de
    aansluitwaarde van het apparaat (zie typeplaatje), de
    bedrijfsduur en de omgevingstemperatuur van de
    toevoerfles ontworpen worden.
    Om sterk bevriezen van de flessen te vermijden raden
    wij in principe het gebruik van een batterij van min. 3
    flessen aan.
    Al naargelang de capaciteit van het apparaat en de
    bedrijfsduur kan de batterij flessen met behulp van de
    meerflessenset (toebehoren) worden uitgebreid.

    10

    drukregelaar
    HD-slang 0,4m
    T-aansluiting

    Tankgasinstallaties
    Bij de aansluiting van de apparaten aan tankgasinstallaties moet afhankelijk van de buisleidinglengte voor
    een toereikende buisdimensionering gezorgd worden.
    Om een foutloze werking van het apparaat te garanderen valt het aan te bevelen om in de onmiddellijke nabijheid van het apparaat een vast ingestelde drukregelaar
    met een uitgangsdruk van 1,5 bar en een dienovereenkomstige gasstromingssnelheid (zie typeplaatje van het
    apparaat) en een op de betreffende voordruk afgestemde en toegelaten afsluitinrichting te monteren.
    Ter vermijding van functiestoringen aan de regel- en
    veiligheidsinrichtingen van het apparaat door stoffen
    zoals roest en stof aan de gastoevoerleiding resp. tank
    is de inbouw van gasfilters voor de regel- en veiliheidsinrichtingen van de apparaten noodzakelijk gebleken.
    Belangrijke instructies voor drukgasflessen
    De drukgasflessen moeten zijdelings achter het
    apparaat worden opgesteld.
    De flessen mogen nooit door de warmeluchtstroom
    van het apparaat verwarmd of ontdooid worden.
    Er bestaat explosiegevaar!
    Flessen met vloeibaar gas mogen tijdens het bedrijf
    van het apparaat nooit liggend gebruikt worden.
    Gasontsnapping in de vloeibare fase.



  • Page 11

    Ingebruikname
    Met de bediening van de apparaten en het toezicht op
    de flessen en het flessenmagazijn moet een persoon
    worden belast, die voldoende werd geïnstrueerd in de
    omgang daarmee.

    Instelling en regeling van de verwarmingscapaciteit
    1. Stel de gewenste verwarmingscapaciteit traploos in
    aan de „Power-Regulation”.
    2. Houd er rekening mee dat de verwarmingscapaciteit
    ook tijdens het bedrijf traploos kan worden veranderd.

    Neem absoluut de volgende instructies in acht:
    Het bedieningspersoneel moet geïnstrueerd worden
    over eventuele gevaren bij de omgang met vloeibaar
    gas.

    Naar links draaien:
    grotere verwarmingscapaciteit

    De apparaten mogen alleen in goed geventileerde
    ruimtes en niet in woonruimtes of gelijkaardige verblijfsruimtes worden opgesteld.

    Naar rechts draaien:
    kleinere verwarmingscapaciteit

    Voor een optimale werking van het apparaat mogen
    de apparaten niet werken bij een omgevingstemperatuur boven 25 °C.
    Veiligheidsafstanden tot brandbare en brandgevaarlijke materialen moeten aangehouden en de plaatselijke brandveiligheidsvoorschriften moeten in acht
    genomen worden.
    De elektrische aansluiting van de apparaten
    moet gebeuren via een speciaal voedingspunt
    met lekstroombeveiligingsschakelaar.
    1. Zet de bedrijfsschakelaar in stand
    „0” en verbind de netstekker van
    het apparaat met een volgens de
    voorschriften geïnstalleerde
    netcontactdoos.
    2. Zet de bedrijfsschakelaar in stand
    „I” (verwarmingsbedrijf).
    De luchttoevoerventilator start.

    3. Druk de drukpen van de thermoelektrische gasklep in en houd
    deze ingedrukt.
    Ontstekingsbeveiliging.
    4. Activeer bij ingedrukte drukpen na
    ca. 2 tot 3 sec. de piëzo-ontsteker
    tot er een vlam is gevormd.
    De piëzo-ontsteker evt.
    meermaals indrukken.
    5. Houd na de vlamvorming de drukpen nog ca. 10
    seconden ingedrukt, tot de thermo-elektrische
    vlambewaking geactiveerd is.
    6. Laat nu pas de drukpen los.

    Belangrijke instructies voor het bedrijf van het
    apparaat
    Het moet gegarandeerd zijn dat de toevoerlucht vrij
    aangezogen en de verwarmde lucht ongehinderd
    uitgeblazen kan worden.
    De aanzuig- en uitblaasopening van het apparaat
    mogen niet vernauwd resp. van slang- of buisleidingen voorzien worden.

    Ventileren
    In deze bedrijfsmodus loopt uitsluitend de luchttoevoerventilator. Het apparaat kan gebruikt worden voor de
    circulatie van de lucht.
    1. Zet de bedrijfsschakelaar in stand
    „II”.
    2. Houd er rekening mee dat bij deze
    schakelaarstand een verwarmingsbedrijf niet mogelijk is.

    Buitenbedrijfstelling
    1. Sluit de kleppen van alle flessen.
    2. Laat de vlam uitbranden.

    3. Zet de bedrijfsschakelaar in stand „0”.
    4. Trek de netstekker uit de
    netcontactdoos.

    7. Herhaal het ontstekingsproces indien de vlam na het
    loslaten van de drukpen dooft.
    Een wachttijd van ca. 1 minuut aanhouden.
    8. Houd bij nog een ontstekingsproces de drukpen
    eventueel iets langer ingedrukt.

    11



  • Page 12

    Veiligheidsinrichtingen

    Demontage en reiniging van de gasbrander

    Het apparaat is uitgerust met een veiligheidstemperatuurbegrenzer (VTB), die bij oververhitting de gastoevoer onderbreekt en de elektronica van het apparaat
    vergrendelt.

    1. Sluit de gastoevoer naar het apparaat en trek de netstekker uit de netcontactdoos.

    Elke functie van het apparaat is uitgeschakeld.

    3. Draai de klemschroef aan de houder van de gasbek
    los.

    Als de veiligheidstemperatuurbegrenzer gereageerd
    heeft, dan moet voor een ontgrendeling de oorzaak van de storing gelokaliseerd en geëlimineerd
    worden.

    Het terugzetten via „RESET” is pas mogelijk na afkoeling
    van de voeler onder ca. 90 °C.
    De ontgrendeling gebeurt nadat de beschermkap eraf is
    geschroefd door de toets „VTB-RESET” in te drukken.
    1. Neem de beschermkap 1 eraf.
    2. Druk de toets 2 in.

    1

    2

    3. Zet de beschermkap weer erop.

    2. Verwijder het uitblaasrooster, de buitenmantel en
    het inspectiedeksel.

    4. Draai de klemschroef aan de elektrodenhouder los.
    5. Trek het thermo-element en de ontstekingselektrode
    uit de elektrodenhouder.
    6. Verwijder de bevestigingsschroeven van de brander
    en trek de brander uit het apparaat.
    7. Reinig de brander met een draadborstel en perslucht.
    8. Monteer de brander weer in het apparaat en
    monteer het thermo-element en de
    ontstekingselektrode in de elektrodenhouder.
    9. Zet de ontstekingselektrode en het thermo-element
    zoals hieronder getoond erin en draai de klemschroef
    aan de elektrodenhouder vast.

    Verzorging en onderhoud

    10. Draai de klemschroef aan de houder van de gasbek
    vast.

    De bedrijfsveilige toestand van de apparaten moet al
    naargelang de inzetvoorwaarden en indien nodig, maar
    minstens om de twee jaar door een deskundige gecontroleerd worden.
    Het resultaat van de controle moet in een controleattest
    worden bijgehouden. Het controleattest moet tot aan de
    volgende controle bewaard en altijd ter inzage voorgelegd worden aan personen die daar recht toe hebben.

    A

    De regelmatige verzorging en onderhoud, ten laatste na
    elke verwarmingsperiode, garanderen een storingsvrij
    bedrijf en lange levensduur van het apparaat.

    C
    B

    Houd het apparaat vrij van stof en andere afzettingen.
    Gebruik voor het reinigen een schone of licht bevochtigde doek, waarmee u het vuil van het oppervlak afveegt.
    Gebruik geen schurende of oplosmiddelhoudende
    reinigingsmiddelen noch reinigingsmiddelen die
    schadelijk zijn voor het milieu.
    Gebruik geen waterstraal.
    Hogedrukreiniger enz.
    Controleer de aanzuigopening voor de verbrandingslucht, de daarachter gemonteerde injector en de
    gasbek regelmatig op vervuiling.
    Reinig regelmatig de gasbrander, de gasbek en de
    stuwschijf.
    Controleer regelmatig de aanzuig- en uitblaasroosters regelmatig en reinig deze indien nodig.
    Een sterk geelachtig vlambeeld duidt op onvoldoende
    toevoer van frisse lucht of op een vervuiling binnenin
    het apparaat.

    12

    thermo-element

    ontstekings
    elektrode

    Apparaat

    A

    B

    C

    PGM 30 / 30E

    ca. 3 mm

    ca. 15 mm

    ca. 20 mm

    PGM 60 / 60E

    ca. 3 mm

    ca. 15 mm

    ca. 35 mm

    11. Monteer alle overige delen van het apparaat weer
    zorgvuldig in omgekeerde volgorde.
    12. Voer een functiecontrole van het hele apparaat uit
    inclusief een dichtheidscontrole van alle gasgeleidende verbindingen met zeepoplossing resp.
    lekopsporingsspray.
    13. Voer na het onderhoud een elektrische veiligheidscontrole uit.
    Instel- en onderhoudswerkzaamheden mogen
    alleen worden uitgevoerd door geautoriseerd
    vakpersoneel!



  • Page 13

    Technische gegevens
    Bouwserie

    PGM 30 / 30 E

    PGM 60 / 60 E

    Nominale warmtebelasting
    Verwarmingscapaciteit

    kW
    kW

    26
    10 tot 26 regelbaar

    55
    25 tot 55 regelbaar

    Luchtcapaciteit

    m³/h

    800

    1.450

    Brandstof

    ——–

    Gassoort

    ——–

    vloeibaar gas
    cat. I 3 B/P , I 3+

    Aansluitdruk

    bar

    1,5

    1,5

    Aansluitwaarde

    kg/h

    0,78 tot 2,0

    1,95 tot 4,27

    Elektrische aansluiting 1~

    V

    230

    230

    Frequentie

    Hz

    50

    50

    Opgenomen vermogen

    kW

    0,07

    0,11

    Beveiliging (ter plaatse)

    A

    10

    10

    IP 44

    IP 44

    dB(A)

    56 tot 69

    62 tot 72

    kg

    12

    20

    lengte

    mm

    450

    650

    breedte

    mm

    260

    320

    hoogte

    mm

    410

    510

    Isolatieklasse
    Geluidsdrukniveau LpA 1m

    1)

    Gewicht (zonder toebehoren)
    Afmetingen

    ——–

    1) Geluidsmeting DIN 45635 - 01- KL 3

    Schakelschema
    ~

    Klantendienst en garantie
    Voorwaarde voor eventuele garantieclaims is dat de
    besteller of diens afnemer binnen een redelijke tijd ten
    aanzien van verkoop en ingebruikname het bij het apparaat gevoegde „Garantiecertificaat” volledig ingevuld
    heeft teruggezonden aan REMKO GmbH & Co. KG.
    De foutloze werking van de apparaten werd in de fabriek meermaals gecontroleerd. Zouden er toch storingen optreden, die door de exploitant niet met behulp
    van de storingseliminering kunnen worden opgeheven,
    gelieve dan contact op te nemen met uw handelaar of
    contractant.
    Een ander bedrijf / bediening dan beschreven in
    deze gebruiksaanwijzing is niet toegelaten.
    Gebeurt dit toch, dan vervalt elke aansprakelijkheid
    en het recht op garantie.

    Doelmatig gebruik
    MV = magneetklep
    M = ventilatormotor
    STB = veiligheidstemperatuurbegrenzer (VTB)
    KL = contactstrip
    S = bedrijfsschakelaar

    De apparaten zijn omwille van hun ontwerp en
    uitrusting uitsluitend geconcipieerd voor verwarmings- en
    ventilatiedoeleinden in de industrie.
    Als de opgaven van de fabrikant of de wettelijke vereisten niet in acht worden genomen of na eigenmachtige
    veranderingen aan de apparaten, is de fabrikant niet
    aansprakelijk voor de daaruit resulterende schade.

    13



  • Page 14

    Montagetekening PGM 30 / 30 E

    Maat- en constructieveranderingen die de technische vooruitgang dienen, voorbehouden.

    14



  • Page 15

    Onderdelenlijst PGM 30 / 30 E
    Nr.

    Omschrijving

    EDV-nr.

    1
    2
    2a
    3
    4
    5
    6
    7
    8
    9
    10
    11
    12
    13
    14
    15
    16
    17
    18
    19
    20
    21
    23
    24
    25
    26
    27
    28
    29
    30
    31
    32
    33
    34
    35
    36
    37

    transportgreep
    buitenmantel PGM 30
    buitenmantel PGM 30 E
    brandkamer
    afsluitscherm, voor
    uitblaasbeschermrooster
    veiligheidstemperatuurbegrenzer met voeler
    apparaatsokkel
    contactstrip, 6 contacten
    thermo-element
    ontstekingskabel
    ontstekingselektrode
    hoekschroefverbinding 1/8" x 6mm
    gasbek
    gastoevoerbuis Z/D
    gastoevoerbuis M/R
    piëzo-ontsteker
    gasregeling
    schroefverbinding M10x1
    gastoevoerbuis R/Z
    hoekkoppeling 1/8" x 6mm
    ontstekingsbeveiliging
    GE-schroefverbinding 1/4" x 6mm
    magneetklep
    gasaansluitnippel 3/8" lks.
    instelknop, cpl.
    bedrijfsschakelaar, cpl.
    trekontlasting
    aansluitkabel met stekker
    afsluitscherm, achter
    ventilatormotor
    meenemerkoppeling B 6 Ø
    ventilatorwaaier
    koppelingsschijf
    gasbrander
    beschermtule
    borgklem

    1101142
    1101405
    1101463
    1101384
    1101479
    1101383
    1101197
    1101385
    1101366
    1101164
    1101283
    1101180
    1101316
    1101159
    1101452
    1101441
    1101364
    1101411
    1101409
    1101451
    1101468
    1101169
    1101396
    1101376
    1101134
    1101192
    1101188
    1101267
    1101320
    1101480
    1108049
    1108455
    1101392
    1101375
    1101417
    1101304
    1101395

    niet afgeb. drukregelaar met slangbreukbeveiliging
    2 str. m. gasslang
    2 str. m. HD-gasslang (bouwwerfbedrijf)
    5 str. m. HD-gasslang (bouwwerfbedrijf)
    10 str. m. HD-gasslang (bouwwerfbedrijf)
    meerflessenset (2-3 flessen)
    T-aansluiting voor meerflessenset
    nylondichting voor T-aansluiting
    HD-slang 0,4 m voor meerflessenset

    1101470
    1101419
    1101174
    1108410
    1108411
    1014050
    1101177
    1101178
    1101179

    Gelieve bij een bestelling van onderdelen naast het EDV-nr. ook altijd het apparaat-nr. te vermelden!
    Zie typeplaatje.

    15



  • Page 16

    Montagetekening PGM 60 / 60 E

    Maat- en constructieveranderingen die de technische vooruitgang dienen, voorbehouden.

    16



  • Page 17

    Onderdelenlijst PGM 60 / 60 E
    Nr.

    Omschrijving

    EDV-nr.

    1
    2
    2a
    3
    4
    5
    6
    7
    8
    9
    10
    11
    12
    13
    14
    15
    16
    17
    18
    19
    20
    21
    22
    23
    24
    26
    27
    28
    29
    30
    31
    32
    33
    34
    35
    36
    37
    38
    39
    40
    41

    transportgreep
    buitenmantel PGM 60
    buitenmantel PGM 60 E
    isolatie
    brandkamer
    gasbrander
    uitblaasbeschermrooster
    gasbek
    gastoevoerbuis Z/D
    hoekschroefverbinding 1/8“ x 6mm
    ontstekingselektrode
    ontstekingskabel
    thermo-element
    steun, voor
    apparaatsokkel
    inspectiedeksel
    gastoevoerbuis R/Z
    hoekkoppeling 1/8" x 6mm
    ontstekingsbeveiliging
    GE-schroefverbinding 1/8" x 6mm
    gasregeling
    schroefverbinding M10x1
    gastoevoerbuis M/R
    steun, achter
    veiligheidstemperatuurbegrenzer met voeler
    GE-schroefverbinding 1/4" x 6mm
    magneetklep
    piëzo-ontsteker
    gasaansluitnippel 3/8" lks.
    instelknop, cpl.
    trekontlasting
    bedrijfsschakelaar, cpl.
    contactstrip, 6 contacten
    beschermtule
    aansluitkabel met stekker
    aanzuigbeschermrooster
    ventilatormotor
    meenemerkoppeling B 8 ø
    ventilatorwaaier
    borgklem
    koppelingsschijf

    1101142
    1101420
    1101461
    1101421
    1101422
    1101423
    1101424
    1101426
    1101458
    1101316
    1101280
    1101283
    1101164
    1101427
    1101428
    1101469
    1101459
    1101468
    1101169
    1101359
    1101412
    1101409
    1101441
    1101249
    1101197
    1101396
    1101376
    1101364
    1101134
    1101192
    1101267
    1101188
    1101366
    1101304
    1101320
    1101432
    1101254
    1101255
    1101150
    1101395
    1101375

    niet afgeb. drukregelaar met slangbreukbeveiliging
    2 str. m. gasslang
    2 str. m. HD-gasslang (bouwwerfbedrijf)
    5 str. m. HD-gasslang (bouwwerfbedrijf)
    10 str. m. HD-gasslang (bouwwerfbedrijf)
    meerflessenset (2-3 flessen)
    T-aansluiting voor meerflessenset
    nylondichting voor T-aansluiting
    HD-slang 0,4 m voor meerflessenset

    1101470
    1101419
    1101174
    1108410
    1108411
    1014050
    1101177
    1101178
    1101179

    Gelieve bij een bestelling van onderdelen naast het EDV-nr. ook altijd het apparaat-nr. te vermelden!
    Zie typeplaatje.

    17



  • Page 18

    Opheffen van Storingen
    Storingen:

    Oorzaak:

    – Het apparaat start niet.

    1–2–3–4–7

    – Het apparaat schakelt tijdens het bedrijf uit.

    2 – 4 – 7 – 12 – 13

    – De ventilator loopt, maar de gastoevoer is geblokkeerd
    resp. er volgt geen ontsteking.

    4 – 5 – 8 – 9 – 12

    – De vlam dooft na het loslaten van de drukpen
    van de ontstekingsbeveiliging.

    8 – 10 – 11

    – De gastoevoer wordt onderbroken resp. de vlam dooft.

    4 – 6 – 7 –10 – 11 – 12 – 13

    – Het apparaat verbruikt te veel brandstof.

    12 – 15

    – Het apparaat kan niet worden uitgeschakeld.

    3 – 14

    – De verwarmingscapaciteit neemt af bij continu bedrijf.

    13

    Voor alle werkzaamheden moet de gastoevoer gesloten en de netstekker uit de netcontactdoos
    getrokken worden. Instel- en onderhoudswerkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd door
    geautoriseerd vakpersoneel!

    Oorzaak:

    Uitkomst:

    1

    Het apparaat heeft geen elektrische aansluiting.

    -

    De netstekker verbinden met de betreffende netcontactdoos.

    2

    De ventilatormotor is overbelast.

    -

    Motor, ventilatorwaaier en meenemerkoppeling controleren en evt.
    vervangen.

    3

    De bedrijfsschakelaar is defect.

    -

    De gastoevoer sluiten, de netstekker uit de netcontactdoos
    verwijderen en de bedrijfsschakelaar vervangen.

    4. Geen gasdruk aan de magneetklep.

    -

    Controleren of er gas wordt toegevoerd naar het apparaat.
    De inhoud van de gasflessen controleren.
    De gasslang controleren op beschadigingen.
    De slangbreukbeveiliging ontgrendelen resp. vervangen.

    5

    Er wordt geen ontstekingsvonk gevormd.

    -

    De ontstekingselektrode instellen conform opgave.
    De ontstekingskabel controleren.
    De porseleinisolatie van de elektrode controleren.

    6

    Het aanzuigrooster van de toevoerluchtventilator is vervuild.

    -

    Het aanzuigbeschermrooster reinigen.

    7

    Uitschakeling door de veiligheidstemperatuurbegrenzer (VTB).

    -

    Aanzuig- en uitblaasbeschermrooster controleren (evt. reinigen).
    Controleren of de toevoer van frisse lucht voldoende is.
    VTB ontgrendelen (VTB - Reset).

    8

    De ontstekingsbeveiliging opent niet of houdt niet open.

    -

    De ontstekingsbeveiliging vervangen.

    9

    De piëzo-ontsteker is defect.

    -

    De piëzo-ontsteker vervangen.

    10. Het thermo-element wordt niet warm genoeg.

    -

    De instelling van het thermo-element controleren en
    indien nodig instellen volgens opgave.

    11 Losse of vervuilde verbinding tussen de
    ontstekingsbeveiliging en het thermo-element.

    -

    De verbinding controleren en indien nodig reinigen.

    12 De drukregelaar is defect of er is een verkeerde drukregelaar
    gemonteerd resp. de slangbreukbeveiliging heeft vergrendeld.

    -

    Een originele drukregelaar monteren.
    De slangbreukbeveiliging ontgrendelen resp. vervangen.

    13 De gasfles is door lage temperaturen en een hoge gasontname
    bevroren.

    -

    De gasfles vervangen en 2-3 flessen met de meerflessenset,
    EDV-nr. 1014050, aansluiten.

    -

    De gastoevoer sluiten.
    De vlam laten uitbranden.
    De bedrijfsschakelaar in stand „0” zetten en de netstekker uit de
    netcontactdoos verwijderen.
    De magneetklep vervangen.

    14 De magneetklep sluit niet.

    15. Ondichte gasleiding.

    18

    -

    De lekkage opsporen met een schuimvormend middel en
    elimineren.



  • Page 19

    Onderhoudsrapport
    Apparaattype

    :................................

    Apparaatnummer
    1

    2

    3

    : ......................................

    4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18

    Apparaat gereinigd – buiten
    Apparaat gereinigd – binnen
    Ventilatorwaaier gereinigd
    Brandkamer gereinigd
    Gasbrander gereinigd
    Ontstekingselektrode gejusteerd
    Gasslang gecontroleerd op beschadiging
    Gasgeleidende delen gecontroleerd op dichtheid
    Veiligheidsinrichtingen gecontroleerd
    Bescherminrichtingen gecontroleerd
    Apparaat gecontroleerd op beschadigingen
    Alle bevestigingsschroeven gecontroleerd
    Elektrische veiligheidscontrole
    Proefdraaien
    Opmerkingen: ..............................................................................................................................................................
    ......................................................................................................................................................................................
    1. Datum: ................

    2. Datum: ................

    3. Datum: ................

    4. Datum: ................

    5. Datum: ................

    ................................. .................................

    .................................

    .................................

    .................................

    Handtekening
    6. Datum: ................

    Handtekening

    Handtekening

    Handtekening

    Handtekening

    7. Datum: ................

    8. Datum: ................

    9. Datum: ................

    10. Datum: ..............

    ................................. .................................

    .................................

    .................................

    .................................

    Handtekening
    11. Datum: ..............

    Handtekening

    Handtekening

    Handtekening

    Handtekening

    12. Datum: ..............

    13. Datum: ..............

    14. Datum: ..............

    15. Datum: ..............

    ................................. .................................

    .................................

    .................................

    .................................

    Handtekening
    16. Datum: ..............

    Handtekening

    Handtekening

    Handtekening

    Handtekening

    17. Datum: ..............

    18. Datum: ..............

    19. Datum: ..............

    20. Datum: ..............

    ................................. .................................

    .................................

    .................................

    .................................

    Handtekening

    Handtekening

    Handtekening

    Handtekening

    Handtekening

    Laat het apparaat conform de wettelijke voorschriften alleen onderhouden door geautoriseerd
    vakpersoneel.

    19



  • Page 20

    REMKO GmbH & Co. KG
    Klimaat- en Warmtetechniek
    D-32791 Lage • Im Seelenkamp 12
    D-32777 Lage • Postbus 1827
    Telefoon (0 52 32) 606 - 0
    Telefax (0 52 32) 606260
    E-Mail: info@remko.de
    Internet: www.remko.de






Missbrauch melden von Frage und/oder Antwort

Libble nimmt den Missbrauch seiner Dienste sehr ernst. Wir setzen uns dafür ein, derartige Missbrauchsfälle gemäß den Gesetzen Ihres Heimatlandes zu behandeln. Wenn Sie eine Meldung übermitteln, überprüfen wir Ihre Informationen und ergreifen entsprechende Maßnahmen. Wir melden uns nur dann wieder bei Ihnen, wenn wir weitere Einzelheiten wissen müssen oder weitere Informationen für Sie haben.

Art des Missbrauchs:

Zum Beispiel antisemitische Inhalte, rassistische Inhalte oder Material, das zu einer Gewalttat führen könnte.

Beispielsweise eine Kreditkartennummer, persönliche Identifikationsnummer oder unveröffentlichte Privatadresse. Beachten Sie, dass E-Mail-Adressen und der vollständige Name nicht als private Informationen angesehen werden.

Forenregeln

Um zu sinnvolle Fragen zu kommen halten Sie sich bitte an folgende Spielregeln:

Neu registrieren

Registrieren auf E - Mails für REMKO PGM 30E wenn:


Sie erhalten eine E-Mail, um sich für eine oder beide Optionen anzumelden.


Holen Sie sich Ihr Benutzerhandbuch per E-Mail

Geben Sie Ihre E-Mail-Adresse ein, um das Handbuch zu erhalten von REMKO PGM 30E in der Sprache / Sprachen: Holländisch als Anhang in Ihrer E-Mail.

Das Handbuch ist 0,62 mb groß.

 

Sie erhalten das Handbuch in Ihrer E-Mail innerhalb von Minuten. Wenn Sie keine E-Mail erhalten haben, haben Sie wahrscheinlich die falsche E-Mail-Adresse eingegeben oder Ihre Mailbox ist zu voll. Darüber hinaus kann es sein, dass Ihr ISP eine maximale Größe für E-Mails empfangen kann.

Das Handbuch wird per E-Mail gesendet. Überprüfen Sie ihre E-Mail.

Wenn Sie innerhalb von 15 Minuten keine E-Mail mit dem Handbuch erhalten haben, kann es sein, dass Sie eine falsche E-Mail-Adresse eingegeben haben oder dass Ihr ISP eine maximale Größe eingestellt hat, um E-Mails zu erhalten, die kleiner als die Größe des Handbuchs sind.

Ihre Frage wurde zu diesem Forum hinzugefügt

Möchten Sie eine E-Mail erhalten, wenn neue Antworten und Fragen veröffentlicht werden? Geben Sie bitte Ihre Email-Adresse ein.



Info