Zoom out
Zoom in
Vorherige Seite
1/304
Nächste Seite
1
Instructieboekje
Saab 9-3
Veiligheid 15
Sloten en diefstalalarm 47
9-3 Cabriolet 63
Instrumenten en bediening 83
Interieur 123
Starten en rijden 151
Onderhoud van de auto 205
Technische gegevens 273
Trefwoordenregister 291
1

Brauchen Sie Hilfe? Stellen Sie Ihre Frage.

Forenregeln

Forum

Suche zurücksetzen

  • Das Verdeck schließt nicht.Es wird angezeigt:Verdeck prüfen. Es bewegt sich nicht. Kommen keine Geräusche. Eingereicht am 3-7-2022 11:48

    Antworten Frage melden

Inhalt der Seiten


  • Page 1

    1

    Instructieboekje
    Saab 9-3
    Veiligheid
    Sloten en diefstalalarm
    9-3 Cabriolet
    Instrumenten en bediening
    Interieur
    Starten en rijden
    Onderhoud van de auto
    Technische gegevens
    Trefwoordenregister

    15
    47
    63
    83
    123
    151
    205
    273
    291

  • Page 2

    2

    Voorwoord
    In dit instructieboekje vindt u de informatie
    en aanwijzingen die u nodig hebt voor het
    gebruik en onderhoud van uw Saab.
    In dit boekje worden weliswaar de belangrijkste verschillen tussen de modelvarianten
    weergegeven, maar het heeft niet de intentie om de specificatie van de verschillende
    modellen in detail te beschrijven. Ook vanwege verschillende wettelijke eisen kunnen
    de nodige verschillen voorkomen.

    In het boekje komen de volgende belangrijke waarschuwingsteksten voor die u altijd
    moet respecteren:

    WAARSCHUWING
    De tekst onder de kop WAARSCHUWING geeft een gevaar voor verwondingen aan, als u de waarschuwingen in de
    tekst niet opvolgt.

    N.B.
    De tekst onder de kop N.B. geeft een
    gevaar voor schade aan de auto aan, als
    u de aanwijzingen in de tekst niet opvolgt.
    U wordt geadviseerd dit instructieboekje
    nauwkeurig door te lezen, voordat u een
    eerste rit met uw nieuwe auto maakt.
    Bewaar het boekje daarna in de auto.
    Aan de hand van de acht overzichten
    (blz. 3–10) krijgt u een duidelijk beeld van
    de inhoud van dit boekje. Ieder hoofdstuk
    begint met een inhoudsopgave en achter in
    het boekje vindt u een register met trefwoorden in alfabetische volgorde.

    Bij de aflevering van de auto werd u een
    Garantie- en Onderhoudsinspectieboekje
    overhandigd waarin de gegevens over het
    periodieke onderhoud van de auto kunnen
    worden genoteerd. In dit boekje vindt u ook
    belangrijke informatie over de garantievoorwaarden die van toepassing zijn.
    Saab Automobile houdt zich voortdurend
    bezig met nieuwe ontwikkelingen op het
    gebied van autotechniek. Saab Automobile
    AB behoudt zich daarom het recht voor om
    tijdens de lopende productie zonder voorafgaande mededeling wijzigingen aan te
    brengen in de uitrusting en/of specificatie.
    3 Een sterretje geeft aan dat de uitrusting
    niet op alle auto’s is aangebracht (afhankelijk van het model, de motorvariant, de
    marktspecificatie, de gekozen opties en/of
    accessoires).

    Als u vragen hebt over de werking van de
    auto, het onderhoud, de garantievoorwaarden e.d., is een erkende Saab-dealer graag
    bereid u over het een en ander te informeren.
    Met vriendelijke groeten,
    Saab Automobile AB
    Saab Automobile AB wijst alle aansprakelijkheid
    af voor eventuele schade als gevolg van de montage van reserveonderdelen, ruilonderdelen en
    accessoires die niet zijn goedgekeurd door Saab
    Automobile AB.
    De specificaties, constructiegegevens en illustraties die in dit instructieboekje staan zijn niet
    bindend.

  • Page 3

    3

    Dashboard

    Brandstofmeter _______________
    Snelheidsmeter _______________
    Turbodrukmeter _______________
    Temperatuurmeter _____________
    Waarschuwings- en controlelampjes
    Toerenteller __________________
    Kilometer- en dagteller _________
    SID ________________________

    92
    90
    91
    91
    84
    90
    93
    92

    Richtingaanwijzers _______ 106
    Cruisecontrol ____________ 173
    Groot licht/dimlicht, hendel _ 102

    Mistachterlicht ___________
    Voorste mistlichten _______
    Groot licht/dimlicht________
    Gloeilampen vervangen ___
    Koplamphoogteregeling ___
    Stadslichten _____________

    105
    106
    102
    225
    103
    102

    Asbak ______________________
    Aansteker ___________________

    135
    135

    Wisserbladen vervangen __
    Sproeiers/wissers ________
    Sproeiervloeistof_________

    223
    108
    224

    Automatische klimaatregeling
    Onderhoud en service ____
    Bediening stoelverwarming
    Alarmlichten ____________

    112
    270
    119
    107

  • Page 4

    4

    Exterieur
    Cabriolet _______________
    Carrosserie _____________
    Lakschade herstellen _____
    Bescherming tegen corrosie
    Onderhoudsprogramma ___
    Zonnedak ______________
    Wassen ________________
    In de was zetten en
    oppoetsen _____________

    63
    267
    268
    268
    269
    130
    265

    Achterlichten ____________
    Remlichten _____________
    Gloeilampen vervangen ___
    Verlichtingsdraaiknop _____

    232
    232
    225
    102

    Bagageruimte ___________
    Verlichting ______________
    Achterbank neerklappen ___
    Doorsteekluik ___________
    Reservewiel_____________
    Gereedschap____________

    138
    232
    138
    139
    141
    141

    Max. toelaatbaar gewicht________
    Bevestigingsgaten voor imperiaal _
    Lading op het dak _____________

    274
    195
    195

    267

    Slepen _________________ 196
    Sleepogen ______________ 196
    Rijden met een aanhanger _ 192

    Remmen ____________________
    Banden _____________________
    Bandenspanning ______________
    Velgen ______________________
    Banden verwisselen ___________
    Reservewiel__________________
    Tijdens de winter rijden _________

    175
    250
    282
    279
    256
    253
    189

    Motorkap ____________________
    Motorruimte, schoonmaken ______

    206
    267

    Koplampen _____________
    Richtingaanwijzers _______
    Gloeilampen vervangen ___
    Koplamphoogteregeling ___
    Hendel, groot licht/dimlicht _
    Bediening, koplampen ____
    Koplampsproeiers _______

    227
    106
    225
    103
    102
    102
    224

    Centrale vergrendeling ____
    Slot, bagageklep_________
    Vergrendelknop _________
    Kinderslot ______________

    48
    52
    48
    53

    Brandstofkwaliteit ________
    Brandstofmeter__________
    Zuinig rijden ____________
    Tankvulklep_____________
    Tanken ________________

    277
    92
    187
    160
    160

  • Page 5

    5

    Interieur

    Achteruitkijkspiegel ____________
    Make-upspiegel _______________
    Zijspiegels ___________________

    129
    134
    128

    Airbag _________________ 35
    Stuurwielverstelling _______ 124

    Binnenverlichting, lampjes
    vervangen___________________
    Binnenverlichting, bediening _____
    Zonnedak____________________

    238
    133
    130

    Airbag _________________
    Kinderzitjes_____________
    Veiligheidsgordels _______
    Veiligheidsgordels,
    onderhoud _____________
    Kinderslot ______________

    35
    28
    16
    264
    53

    Dashboardkastje ________
    Opbergvakken __________

    136
    136

    Automaatbak ___________
    Handbak _______________
    Schakelen______________

    167
    166
    166

    Zekeringen _____________ 240

    Elektrisch bediende zijruiten

    125

    Achterbank __________________
    Kinderzitjes __________________
    Veiligheidsgordels _____________
    Achterbank neerklappen ________
    Bekleding, schoonmaken _______
    Stoelen, verstellen _____________
    Stoelverwarming ______________

    138
    28
    16
    138
    264
    22
    119

    Inrijperiode___________________
    Rijden tijdens de zomer/winter____
    Parkeren ____________________
    Motor starten _________________
    Contactslot___________________
    Handrem ____________________

    165
    189
    182
    153
    152
    181

  • Page 6

    6

    Motorruimte,
    injectiemotor 3

    Motor, beschrijving_____________
    Motorolie, verversen ___________
    Motorolie, bijvullen_____________
    Oliekwaliteit, viscositeit _________
    Technische gegevens, motor_____
    Belangrijke informatie voor het rijden

    Chassisnummer _________
    Kleurcode ______________
    Motornummer ___________
    Waarschuwingsstickers ____
    Versnellingsbaknummer ___

    283
    283
    283
    11
    283

    Uitlaatgasreiniging________
    Aandrijfriem _____________
    Eenvoudig storingzoeken
    (ACC) _________________
    Dynamo ________________
    Bougies ________________
    Ontstekingssysteem ______

    158
    222

    207
    213
    213
    276
    276
    156

    270
    222
    278
    278

    Stuurbekrachtiging________ 219
    Vloeistof controleren/bijvullen 219

    Automaatbak _________________
    Handbak ____________________

    167
    166

    Motorolie, peil controleren _______

    213

    Koelvloeistof, controleren/bijvullen
    Rijden tijdens de zomer _________
    Radiateur ____________________
    Temperatuurmeter _____________

    216
    191
    276
    91

    Anti-blokkeerremsysteem
    (ABS)_________________
    Remblokken ____________
    Remsysteem ___________
    Remvloeistof____________

    175
    218
    278
    218

    Zekeringen vervangen ____
    Relais- en zekeringhouder _
    Relais _________________
    Zekeringentabel _________

    240
    240
    245
    245

    Hendel, sproeiers/wissers _
    Vloeistof bijvullen ________
    Sproeikoppen ___________
    Sproeiervloeistof_________

    108
    224
    225
    224

    Accu________________________
    Ladingstoestand accu __________
    Starthulp met hulpaccu _________

    220
    220
    200

  • Page 7

    7

    Motorruimte,
    turbobenzinemotor

    Motor, beschrijving_____________
    Motorolie, verversen ___________
    Motorolie, bijvullen_____________
    Oliekwaliteit, viscositeit _________
    Technische gegevens, motor_____
    Belangrijke informatie voor het rijden

    207
    213
    213
    276
    276
    156

    Koelvloeistof, controleren/bijvullen 216
    Rijden tijdens de zomer _________ 191
    Radiateur____________________ 276
    Temperatuurmeter _____________
    91

    Chassisnummer _________
    Kleurcode ______________
    Motornummer ___________
    Waarschuwingsstickers ____
    Versnellingsbaknummer ___

    283
    283
    283
    11
    283

    Anti-blokkeerremsysteem
    (ABS)_________________
    Remblokken ____________
    Remsysteem ___________
    Remvloeistof____________

    175
    218
    278
    218

    Uitlaatgasreiniging________
    Aandrijfriem _____________
    Eenvoudig storingzoeken
    (ACC) _________________
    Dynamo ________________
    Turbodrukmeter __________
    Bougies ________________
    Ontstekingssysteem ______

    158
    222

    Zekeringen vervangen ____
    Relais- en zekeringhouder _
    Relais _________________
    Zekeringentabel _________

    240
    240
    245
    245

    Hendel, sproeiers/wissers _
    Vloeistof bijvullen ________
    Sproeikoppen ___________
    Sproeiervloeistof_________

    108
    224
    225
    224

    Accu________________________
    Ladingstoestand accu __________
    Starthulp met hulpaccu _________

    220
    220
    200

    270
    222
    91
    278
    278

    Motorolie, peil controleren __ 213

    Automaatbak _________________
    Handbak ____________________

    167
    166

    Stuurbekrachtiging_____________
    Vloeistof controleren/bijvullen ____

    219
    219

  • Page 8

    8

    Motorruimte,
    benzinemotor V6

    Motor, beschrijving_____________
    Motorolie, bijvullen_____________
    Oliekwaliteit, viscositeit _________
    Technische gegevens, motor_____
    Belangrijke informatie voor het rijden

    210
    213
    276
    276
    156

    Stuurbekrachtiging _______ 219
    Vloeistof controleren/bijvullen 219
    Chassisnummer _________
    Kleurcode ______________
    Motornummer ___________
    Waarschuwingsstickers ____
    Versnellingsbaknummer ___

    283
    283
    283
    11
    283

    Uitlaatgasreiniging________
    Aandrijfriem _____________
    Eenvoudig storingzoeken
    (ACC) _________________
    Dynamo ________________
    Turbodrukmeter __________
    Bougies ________________
    Ontstekingssysteem ______

    158
    222
    270
    222
    91
    278
    278

    Automaatbak _________________
    Handbak ____________________

    167
    166

    Motorolie, peil controleren _______

    213

    Koelsysteem, inhoud ___________
    Koelvloeistof, controleren/bijvullen
    Rijden tijdens de zomer _________
    Temperatuurmeter _____________

    276
    216
    191
    91

    Anti-blokkeerremsysteem
    (ABS)_________________
    Remblokken ____________
    Remsysteem ___________
    Remvloeistof____________

    175
    218
    278
    218

    Zekeringen vervangen ____
    Relais- en zekeringhouder _
    Relais _________________
    Zekeringentabel _________

    240
    240
    245
    245

    Hendel, sproeiers/wissers _
    Vloeistof bijvullen ________
    Sproeikoppen ___________
    Sproeiervloeistof_________

    108
    223
    225
    224

    Accu________________________
    Ladingstoestand accu __________
    Starthulp met hulpaccu _________

    220
    220
    200

  • Page 9

    9

    Motorruimte,
    dieselmotor 3
    Chassisnummer _________
    Kleurcode ______________
    Motornummer ___________
    Waarschuwingsstickers ____
    Versnellingsbaknummer ___

    283
    283
    283
    11
    283

    Uitlaatgasreiniging________
    Aandrijfriem _____________
    Eenvoudig storingzoeken
    (ACC) _________________
    Dynamo ________________

    158
    222

    Motor, beschrijving_____________
    Motorolie, verversen ___________
    Motorolie, bijvullen_____________
    Oliekwaliteit, viscositeit _________
    Technische gegevens, motor_____
    Belangrijke informatie voor het rijden

    207
    213
    213
    276
    276
    156

    270
    222

    Motorolie, peil controleren __ 213

    Handbak ____________________

    166

    Stuurbekrachtiging_____________
    Vloeistof controleren/bijvullen ____

    219
    219

    Koelvloeistof, controleren/bijvullen 216
    Rijden tijdens de zomer _________ 191
    Radiateur____________________ 276
    Temperatuurmeter _____________
    91

    Anti-blokkeerremsysteem
    (ABS)_________________
    Remblokken ____________
    Remsysteem ___________
    Remvloeistof____________

    175
    218
    278
    218

    Zekeringen vervangen ____
    Relais- en zekeringhouder _
    Relais _________________
    Zekeringentabel _________

    240
    240
    245
    245

    Hendel, sproeiers/wissers _
    Vloeistof bijvullen ________
    Sproeikoppen ___________
    Sproeiervloeistof_________

    108
    224
    225
    224

    Accu________________________
    Ladingstoestand accu __________
    Starthulp met hulpaccu _________

    220
    220
    200

  • Page 10

    10

    Motorruimte,
    dieselmotor TTiD 3
    Chassisnummer _________
    Kleurcode ______________
    Motornummer ___________
    Waarschuwingsstickers ____
    Versnellingsbaknummer ___

    283
    283
    283
    11
    283

    Uitlaatgasreiniging________
    Aandrijfriem _____________
    Eenvoudig storingzoeken
    (ACC) _________________
    Dynamo ________________

    158
    222

    Motor, beschrijving_____________
    Motorolie, verversen ___________
    Motorolie, bijvullen_____________
    Oliekwaliteit, viscositeit _________
    Technische gegevens, motor_____
    Belangrijke informatie voor het rijden

    207
    213
    213
    276
    276
    156

    270
    222

    Motorolie, peil controleren __ 213

    Handbak ____________________

    166

    Stuurbekrachtiging_____________
    Vloeistof controleren/bijvullen ____

    219
    219

    Koelvloeistof, controleren/bijvullen
    Rijden tijdens de zomer _________
    Radiateur ____________________
    Temperatuurmeter _____________

    216
    191
    276
    91

    Anti-blokkeerremsysteem
    (ABS)_________________
    Remblokken ____________
    Remsysteem ___________
    Remvloeistof____________

    175
    218
    278
    218

    Zekeringen vervangen ____
    Relais- en zekeringhouder _
    Relais _________________
    Zekeringentabel _________

    240
    240
    245
    245

    Hendel, sproeiers/wissers _
    Vloeistof bijvullen ________
    Sproeikoppen ___________
    Sproeiervloeistof_________

    108
    224
    225
    224

    Accu________________________
    Ladingstoestand accu __________
    Starthulp met hulpaccu _________

    220
    220
    200

  • Page 11

    11

    Waarschuwingsstickers
    Standverwarming op brandstof 3
    Koelventilator:

    Zet de verwarming uit tijdens het tanken.

    Koelventilator kan spontaan
    aanslaan.

    A/C-systeem:
    Koudemiddel onder hoge druk.
    Maak of neem geen aansluitingen van het A/C-systeem los, voordat het systeem is afgetapt. Een onjuiste werkwijze kan verwondingen veroorzaken.
    Werkzaamheden aan het A/C-systeem mogen alleen door vakkundig
    personeel worden uitgevoerd. Werkbeschrijving (zie Werkplaatshandboeken).
    Het A/C-systeem voldoet aan de norm SAE J639.
    Koudemiddel R134a: 4-cil. – 680 g; 6-cil. en Z19DTR (1.9 TTiD) – 650 g.
    Compressorolie: PAG-olie SP-10 of
    Saab-olie 4759106.
    LEVEL INDICATOR
    DARK
    CLEAR

    OK
    LOW

    Maintenance Free
    12V 60Ah 580A (EN)

    000 A-12102-EP

    P/N 127 93 955

    Accu:






    Vonken en open vuur vermijden en verboden te roken.
    Uw ogen altijd beschermen: explosieve gassen kunnen blindheid of ander letsel veroorzaken.
    Zwavelzuur kan blindheid of ernstige brandwonden veroorzaken.
    Bij ongelukken onmiddellijk schoonspoelen met water en zo spoedig mogelijk medische hulp inroepen.
    De accu nooit schuin houden of openen.








    VONKEN EN OPEN VUUR VERMIJDEN, VERBODEN TE ROKEN
    UW OGEN BESCHERMEN
    BUITEN BEREIK VAN KINDEREN HOUDEN
    BIJTEND ZUUR
    ZIE INSTRUCTIEBOEKJE
    EXPLOSIEF GAS

    Koelvloeistof:
    Nooit openen zolang de koelvloeistof nog warm is!

  • Page 12

    12

    • Een kinderzitje NOOIT op een passagiersstoel met AIRBAG aanbrengen.
    • Gevaar voor ERNSTIG of DODELIJK
    letsel.

    Banden verwisselen:
    De krik alleen voor het aangegeven model
    gebruiken. De krik niet zwaarder belasten dan
    1100 kg. De krik alleen gebruiken op een egale
    en stevige ondergrond. Niet onder een auto kruipen die slechts op een krik steunt, maar steunbokken gebruiken. Eventuele passagiers eerst
    laten uitstappen.

    U wordt geadviseerd contact op te nemen met een
    erkende Saab-werkplaats
    voor het vervangen van een
    xenonlamp 3.

  • Page 13

    13
    Voorbeelden van symbolen die u in uw auto kunt aantreffen
    Vonken en
    open vuur vermijden. Verboden te
    roken
    U vindt meer
    informatie in
    het Instructieboekje

    Veiligheidsgordel
    omdoen

    Airbag

    Uw ogen
    beschermen

    Nooit een
    naar achteren
    gericht kinderzitje op deze
    stoel plaatsen

    Buiten bereik
    van kinderen
    houden

    Elektrisch
    bediende zijruiten

    De accu bevat
    zwavelzuur

    Bediening
    achterste zijruiten buiten
    werking

    Gevaar voor
    vorming van
    explosief gas

    Centrale vergrendeling,
    vergrendelen
    Centrale vergrendeling,
    ontgrendelen
    Bagageklep
    ontgrendelen

    Koplampen

    Voorruitwissers

    Koelvloeistoftemperatuur

    Koelventilator:

    Richtingaanwijzers

    Voorruitsproeiers

    Accu word niet
    bijgeladen

    Brandstof

    Stadslichten

    Ontwaseming

    Voetrem

    Automatische
    bandenspanningscontrole 3

    Alarmlichten

    Achterruitverwarming

    Koelvloeistofpeil

    Voorste mistlichten

    Interieurventilator

    Motoroliedruk

    Mistachterlicht

    Anti-blokkeerremsysteem
    (ABS)
    ®
    TCS/ESP
    Gloeibougie
    (modellen met
    een dieselmotor)

  • Page 14

    14
    (Hier is met opzet een lege bladzijde ingevoegd.)

  • Page 15

    Veiligheid

    15

    Veiligheid
    Veiligheidsgordels _____
    Stoelen _______________
    Hoofdsteunen _________
    Kinderen en veiligheid __
    Airbag________________

    3 Een sterretje geeft aan dat de uitrusting niet op
    alle auto’s is aangebracht (afhankelijk van het
    model, het motortype, de marktspecificatie, de
    gekozen opties en/of accessoires).

    16
    22
    27
    28
    35

  • Page 16

    16

    Veiligheid

    Veiligheidsgordels
    WAARSCHUWING
    • Met het oog op de verkeersveiligheid
    moet u de veiligheidsgordels omdoen
    en afstellen, terwijl de auto stilstaat.
    • De veiligheidsgordels moeten altijd
    en door alle inzittenden van de auto
    worden gebruikt. Zie ook Kinderen en
    veiligheid (zie blz. 28).
    • Controleer of de vergrendeltong goed
    in de gordelsluiting vastklikt.
    • Bij een ongeval zullen de achterpassagiers die geen gebruik maken van
    de veiligheidsgordel tegen het ruggedeelte van de voorstoelen aan worden
    geslingerd. De kracht die inwerkt op
    de voorpassagiers en hun veiligheidsgordels wordt vele malen groter. Dit
    kan ertoe leiden dat alle inzittenden
    verwondingen oplopen met mogelijk
    dodelijke afloop.
    Alle zitplaatsen van de auto zijn voorzien
    van zogeheten driepuntsgordels met een
    automatisch oprolmechanisme.
    Onderzoek heeft aangetoond dat rijden
    zonder veiligheidsgordels op de achterbank
    net zo gevaarlijk is als rijden zonder veiligheidsgordels op de voorstoelen.

    Let erop dat het gebruik van een veiligheidsgordel in sommige landen verplicht is voor
    alle inzittenden.

    Gordelwaarschuwing
    Als het contact wordt ingeschakeld, gaat de
    gordelwaarschuwing branden als de
    bestuurder en/of de passagier voor de veiligheidsgordel niet heeft omgedaan.
    De gordelwaarschuwing voor de bestuurder
    wordt op het hoofdinstrument en voor de
    passagier op het dashboard weergegeven.
    Het volgende geldt voor zowel de
    bestuurder als een eventuele passagier
    voor: Als de gordel niet wordt omgedaan
    voordat de auto begint te rijden, verschijnt
    er een waarschuwing als de snelheid hoger
    wordt dan 25 km/h. De tekst
    Use your seatbelt.
    (Doe veiligheidsgordel(s) om.)

    gaat dan op het SID branden en het bijbehorende symbool knippert.
    Als de gordel in deze stand niet wordt omgedaan, klinkt na een tijdje een belsignaal.
    De tekst op het SID kan met stuurknop CLR
    worden gewist.

    Gordelwaarschuwing voor de bestuurder

    Gordelwaarschuwing voor de passagier
    voor

  • Page 17

    Veiligheid
    Positie van vergrendelde
    veiligheidsgordels
    WAARSCHUWING
    • Wanneer u bij een aanrijding onder de
    gordel doorglijdt, kan het heupgedeelte van de gordel snijwonden in de
    maagstreek veroorzaken. Houd het
    heupgedeelte daarom altijd voldoende strak.
    De juiste zithouding

    • Elke veiligheidsgordel mag door
    slechts één persoon tegelijk worden
    gebruikt. Wanneer twee personen van
    dezelfde gordel gebruik maken,
    kunnen ze bij een aanrijding bekneld
    raken en verwondingen oplopen.
    • Laat het diagonale gedeelte van de
    veiligheidsgordel nooit achter de rug
    langs lopen. Laat de gordel evenmin
    over of onder uw bovenarm langs
    lopen.

    17

    • Zorg dat u het heupgedeelte van de
    gordel strak en zo laag mogelijk over de
    heup trekt, zodat het net tegen uw bovenbenen aankomt. Trek het diagonale
    gedeelte van de gordel zo ver mogelijk
    over uw schouder tegen de nek aan.
    • Zorg dat de veiligheidsgordel niet
    verdraaid is of langs scherpe randen
    schuurt.
    • Zorg dat de veiligheidsgordel nergens
    slap hangt. Trek de gordel aan. Dit is
    vooral belangrijk, als u een dikke jas
    draagt.
    • Laat het ruggedeelte niet te ver achteroverhellen, daar de veiligheidsgordel de
    beste bescherming biedt wanneer u
    rechtop zit.
    • Elke gordel mag slechts door één
    persoon tegelijk worden gebruikt.
    • Bij gebruik van de veiligheidsgordel is het
    oprolmechanisme normaal gesproken
    niet vergrendeld. Dit levert een grote
    bewegingsvrijheid op. Het oprolmechanisme vergrendelt automatisch, wanneer
    de gordel snel worden uitgetrokken,
    wanneer de auto sterk vooroverhelt,
    wanneer u krachtig remt of wanneer u
    betrokken raakt bij een aanrijding.
    • Vervoer kinderen tot en met 6 jaar altijd in
    een kinderzitje. Saab adviseert het
    gebruik van een kinderzitje voor kinderen
    tot 10 jaar.
    • Kinderen die uit het kinderzitje zijn
    gegroeid moeten gebruik maken van de
    normale driepuntsgordel.

  • Page 18

    18

    Veiligheid

    Vastzetten van de veiligheidsgordel

    Veiligheidsgordels, voor
    Doe de gordel om door deze langzaam naar
    buiten te trekken en de vergrendeltong in de
    gordelsluiting te duwen. Zorg dat de vergrendeltong goed vastklikt.
    Trek het heupgedeelte zo laag mogelijk
    over de heupen.
    Pak het diagonale gedeelte van de gordel
    bij de gordelsluiting beet en trek de gordel
    naar de schouder toe omhoog om het heupgedeelte strak te trekken.

    Druk op de rode knop om de gordel los te
    maken

    Trek het diagonale gedeelte van de gordel
    zo ver mogelijk over uw schouder tegen de
    nek aan.
    Met een druk op de rode knop van de gordelsluiting kunt u de gordel losmaken.
    De onderste bevestigingspunten van de
    gordels voorin zitten op de stoelen vast en
    bewegen daardoor mee, wanneer u de
    stoelen in de lengterichting verstelt.
    Voor informatie over het controleren en
    schoonmaken van de gordels e.d.
    (zie blz. 264).

    Gordelgeleider, voor, Sport Sedan en
    Sport Estate

    Gordelgeleider, Sport Sedan en
    Sport Estate
    De gordelgeleiders voorin kennen verschillende standen. Bij de Cabriolet zijn de gordelgeleiders voorin niet verstelbaar.
    Stel de gordel zo hoog mogelijk af. Bij
    minder lange personen is het mogelijk de
    geleider zo ver omlaag te zetten, dat de
    gordel enkele centimeters van de nek af
    komt te liggen zonder dat de bescherming
    hierdoor afneemt.

  • Page 19

    Veiligheid
    U kunt de gordelgeleider hoger zetten door
    deze in de gewenste positie te duwen. Om
    de geleider lager te laten zetten moet u de
    ontgrendelknop indrukken en tegelijkertijd
    de geleider omlaagduwen. Let erop dat de
    geleider in de nieuwe positie vastklikt.

    Aanstaande moeders
    Aanstaande moeders moeten de gordel
    dusdanig omdoen, dat de gordel nooit druk
    uitoefent op de buik. Trek het heupgedeelte
    van de gordel zo laag mogelijk over de
    heupen.

    19

  • Page 20

    20

    Veiligheid

    Gordelspanners
    WAARSCHUWING
    Laat veiligheidsgordels, gordelspanners
    en bijbehorende onderdelen na een aanrijding in een Saab-werkplaats nakijken.
    U wordt geadviseerd contact op te nemen
    met een erkende Saab-werkplaats.
    Wijzig of herstel veiligheidsgordels nooit
    zelf. U wordt geadviseerd contact op te
    nemen met een erkende Saabwerkplaats.

    Sport Sedan en Sport Estate: De veiligheidsgordels voor de voorstoelen hebben
    gordelspanners en krachtbegrenzers. Deze
    worden bij een krachtige frontale aanrijding
    of bij een aanrijding van opzij geactiveerd.
    De gordelspanners worden alleen geactiveerd als de veiligheidsgordel is omgedaan.

    De gordelspanners worden niet geactiveerd, wanneer de auto over de kop slaat.
    De gordelspanners beperken de voorwaartse beweging van uw lichaam, doordat
    ze de gordel aanspannen. De krachtbegrenzers beperken de kracht die op uw
    lichaam wordt uitgeoefend doordat de veiligheidsgordel “iets wordt gevierd” om de
    voorwaartse beweging van het lichaam zo
    goed mogelijk op te vangen.

    Cabriolet: De veiligheidsgordels van de
    voorstoelen en de achterbank zijn voorzien
    van gordelspanners en krachtbegrenzers.
    De gordelspanners en krachtbegrenzers
    worden geactiveerd bij een krachtige frontale aanrijding, een aanrijding van opzij, een
    aanrijding van achteren en als de auto over
    de kop slaat. De gordelspanners van de
    voorstoelen worden alleen geactiveerd, als
    de bijbehorende gordels zijn omgedaan.

    De gordelspanners beperken de voorwaartse beweging van uw lichaam, doordat
    ze de gordel aanspannen. De krachtbegrenzers beperken de kracht die op uw
    lichaam wordt uitgeoefend doordat de veiligheidsgordel “iets wordt gevierd” om de
    voorwaartse beweging van het lichaam zo
    goed mogelijk op te vangen.

  • Page 21

    Veiligheid

    21

    Veiligheidsgordels, achterbank,
    Sport Sedan en Sport Estate
    Veiligheidsgordel, achterbank, Cabriolet
    (zie blz. 77)

    WAARSCHUWING
    • Let erop dat de veiligheidsgordels niet
    klem komen te zitten, wanneer u het
    ruggedeelte van de achterbank voorof achteroverklapt (zie blz. 138).
    • Lading op de achterbank moet u altijd
    zorgvuldig vastzetten met behulp van
    de veiligheidsgordel. Zo voorkomt u
    dat de lading in geval van een aanrijding naar voren schiet en verwondingen kan veroorzaken.
    • Zorg dat de gordel niet langs scherpe
    randen schuurt.
    • Zorg dat u gebruik maakt van de juiste
    gordelsluiting. De gordelsluitingen
    voor de middelste zitplaats en de links
    op de achterbank zitten verwarrend
    dicht bij elkaar.
    Alle drie de zitplaatsen op de achterbank
    zijn voorzien van een driepuntsgordel met
    automatisch oprolmechanisme.
    Doe de gordel om door deze langzaam naar
    buiten te trekken en de vergrendeltong in de
    gordelsluiting te duwen. Zorg dat de vergrendeltong goed in de gordelsluiting
    vastklikt.

    Veiligheidsgordels, achterbank, Sport Sedan en Sport Estate

    Pak het diagonale gedeelte van de gordel
    bij de gordelsluiting beet en trek de gordel
    naar de schouder toe omhoog om het heupgedeelte strak te trekken. Trek het heupgedeelte zo laag mogelijk over de heupen.
    Trek het diagonale gedeelte van de gordel
    zo ver mogelijk over uw schouder tegen de
    nek aan.
    Met een druk op de rode knop van de gordelsluiting kunt u de gordel losmaken.
    Voor informatie over het controleren en
    schoonmaken van de gordels e.d. (zie
    blz. 264).

    Bevestiging van lading op de achterbank

  • Page 22

    22

    Veiligheid
    Voor het verstellen van de bestuurdersstoel
    kunt u het beste de onderstaande volgorde
    aanhouden:

    Stoelen
    WAARSCHUWING
    Verstel de bestuurderstoel alleen, wanneer de auto stilstaat.

    Handmatig bediende stoelen

    1 Positie in de hoogterichting
    2 Positie in de lengterichting
    3 Helling van het ruggedeelte
    4 Hoogte van de hoofdsteun

    Voor een goede zithouding kunt u de volgende instellingen van de stoel veranderen:

    U verstelt het stuurwiel het allerlaatst
    (zie blz. 124).

    • Positie in de hoogterichting 3

    Elektrisch bediende voorstoelen 3

    • Positie in de lengterichting

    Zie blz. 24.

    • Helling van het ruggedeelte

    Elektrisch verwarmde voorstoelen 3

    • Hardheid van de lendensteun 3

    Zie blz. 119.

    • Hoogte van de hoofdsteun

    De afbeelding toont de bestuurdersstoel
    in de Sport Sedan en de Sport Estate

    Verstelling in hoogterichting 3
    Stel de hoogte in met de hendel aan de buitenkant van de stoel.
    Trek de hendel meerdere malen omhoog
    om de stoel hoger te zetten. Duw de hendel
    meerdere malen omlaag om de stoel lager
    te zetten.

  • Page 23

    Veiligheid

    Verstelling in de lengterichting

    Verstelling in de lengterichting
    WAARSCHUWING
    Controleer na het verstellen of de stoel in
    de nieuwe stand is vastgeklikt. Als dat
    niet het geval is, kan het gebeuren dat de
    stoel tijdens het rijden plotseling uit positie schiet en bij een eventuele aanrijding
    voor verwondingen zorgen.
    Stel de positie van de stoel in de lengterichting in met de hendel voor op de stoel.

    Verstelling van het ruggedeelte

    Helling van het ruggedeelte
    WAARSCHUWING
    Zorg dat het ruggedeelte tijdens het rijden
    rechtop staat, zodat de veiligheidsgordel,
    de airbag en het ruggedeelte maximale
    bescherming bieden bij een krachtige
    remmanoeuvre of een eventuele aanrijding, en dan met name bij een aanrijding
    van achteren.
    Stel de hellingshoek van het ruggedeelte in
    door aan te verstelknop te draaien.

    23

    Verstelling van de lendensteun

    Lendensteun 3
    Stel de hardheid van de lendensteun in door
    aan de verstelknop te draaien.

  • Page 24

    24

    Veiligheid

    Elektrisch bediende
    voorstoelen 3
    WAARSCHUWING
    • De elektromotoren voor de verstelling
    van de elektrisch bediende voorstoelen zijn erg krachtig. Let daarop tijdens
    het verstellen van de stoel en zorg dat
    niets bekneld raakt of beschadigingen
    oploopt.
    • Let erop dat kinderen zich kunnen
    bezeren bij het spelen met de elektrisch bediende stoelen.
    • Neem daarom altijd de autosleutel
    (afstandsbediening) uit het contactslot, als u de auto verlaat. Dit om te
    voorkomen dat kinderen bijvoorbeeld
    verwondingen kunnen oplopen bij het
    spelen met de elektrisch bediende
    stoelen. Zie blz. 25 voor informatie
    over elektrisch bediende voorstoelen
    met geheugen.
    Om veiligheidsredenen kunt u de stoelen
    alleen verstellen, wanneer het contact in
    stand ON staat.
    Om het instappen te vergemakkelijken kunt
    u, als een van de voorportieren openstaat,
    beide voorstoelen verstellen. De voorstoelen kunnen echter nog tot 2 minuten na het
    sluiten van de beide voorportieren worden
    versteld (dit geldt uitsluitend voor modellen
    zonder klembeveiliging op de elektrisch
    bediende zijruiten en het zonnedak).

    Verstelling in de hoogterichting en hellingshoek

    Verstelling in de hoogterichting
    en hellingshoek
    Zet de stoel hoger of lager met de achterkant van de voorste hendel.
    Kantel de stoel in de gewenste stand met de
    voorkant van de voorste hendel.

    Verstelling in de lengterichting

    Verstelling in de lengterichting
    Zet de stoel voor- of achteruit met de voorste hendel.

  • Page 25

    Veiligheid

    Verstelling van het ruggedeelte

    Helling van het ruggedeelte
    WAARSCHUWING
    Zorg dat het ruggedeelte tijdens het rijden
    rechtop staat, zodat de veiligheidsgordel,
    de airbag en het ruggedeelte maximale
    bescherming bieden bij een krachtige
    remmanoeuvre of een eventuele aanrijding, en dan met name bij een aanrijding
    van achteren.
    Kantel het ruggedeelte met de achterste
    hendel.

    Verstelling van de lendensteun
    De afbeelding toont de bestuurdersstoel
    in de Sport Sedan en de Sport Estate

    Lendensteun 3
    Stel de hardheid van de lendensteun in door
    aan de verstelknop te draaien.
    Cabriolet: Een elektrisch bediende
    bestuurdersstoel is voorzien van een lendensteun met een luchtpomp. De bedieningsschakelaar voor de lendensteun zit op
    de buitenkant van de stoel.

    25

    Knoppen voor geheugenfunctie

    Geheugenfunctie 3
    WAARSCHUWING
    U kunt de elektrisch bediende bestuurdersstoel met geheugen altijd vooruit- of
    achteruitzetten, of het portier nu openstaat of niet. Het maakt evenmin uit in
    welke stand het contactslot staat.

  • Page 26

    26

    Veiligheid

    Wanneer het contact ingeschakeld is, zijn
    alle verstelfuncties van de stoel te activeren. Wanneer er een portier openstaat en
    de afstandsbediening niet in het contactslot
    steekt, zijn de verstelfuncties 20 minuten
    lang te activeren.
    In het geheugen wordt ook de stand van de
    zijspiegels opgeslagen.
    Voorkeurstand opslaan en oproepen

    1 Zet de stoel en de zijspiegels in de
    gewenste stand. De lendensteun is niet
    opgenomen in de geheugenfunctie.
    2 Houd de knop M ingedrukt en druk
    gelijktijdig op een van de geheugenknoppen 1, 2 of 3. Om aan te geven dat
    de instellingen zijn opgeslagen zult u
    een belsignaal horen.
    Om de stoel en de zijspiegels in een van de
    voorkeurstanden te zetten moet u de
    gewenste geheugenknop ingedrukt houden, totdat de stoel en de zijspiegels de
    juiste stand hebben ingenomen. In het
    geheugen wordt ook de stand van de zijspiegels opgeslagen.
    Om het achteruit insteken te vereenvoudigen kunt u de zijspiegel op het passagiersportier iets omlaagkantelen (zie 128).

    Ruggedeelte passagiersstoel
    neerklappen 3
    WAARSCHUWING
    Laat niemand op de achterbank achter de
    passagiersstoel plaatsnemen, wanneer
    het ruggedeelte van de stoel neergeklapt
    is.
    Om het vervoer van lange en smalle voorwerpen te vereenvoudigen kunt u het ruggedeelte van de passagiersstoel naar voren
    toe neerklappen.
    1 Zet de hoofdsteun in de laagste stand
    (zie blz. 27).
    2 Duw de stoel naar achteren zodat het
    ruggedeelte volledig kan worden neergeklapt en daarbij niet tegen het dashboard aankomt.
    3 Til de hendel aan de buitenste zijkant
    van het ruggedeelte op om het ruggedeelte naar voren toe neer te klappen.
    Wanneer het ruggedeelte volledig neergeklapt is, wordt het automatisch
    vergrendeld.
    Rechtop zetten

    1 Ontgrendel het ruggedeelte met de
    hendel aan de buitenste zijkant van het
    ruggedeelte.
    2 Bij het rechtop zetten hoort u een klik
    wanneer het ruggedeelte weer goed
    rechtop staat.
    Lading verankeren (zie blz. 145).

    Naar voren toe neerklappen van ruggedeelte passagiersstoel

    1 Hendel om het ruggedeelte naar voren neer
    te klappen

  • Page 27

    Veiligheid

    Hoofdsteunen
    Sport Sedan en Sport Estate
    Hoofdsteun, Cabriolet (zie blz. 76)

    WAARSCHUWING
    • Stel de hoogte van de hoofdsteun dusdanig af dat deze maximale steun
    biedt en de kans op nekletsel bij een
    eventuele aanrijding beperkt.
    • Klap de hoofdsteun omhoog op de zitplaatsen die in gebruik zijn.
    De voorstoelen zijn uitgerust met SAHR
    (Saab Active Head Restraint). Dit systeem
    beperkt de kans op nekletsel bij aanrijdingen van achteren.
    SAHR is een mechanisch systeem dat door
    het lichaamsgewicht wordt geactiveerd. Het
    mechanisme is ingebouwd in het ruggedeelte en staat in verbinding met de hoofdsteun.

    Bij een aanrijding van achteren wordt het
    lichaam achteruit tegen het ruggedeelte
    aan geduwd. Het mechanisme in de stoel
    duwt de hoofdsteun tegelijkertijd naar voren
    toe omhoog. De achterwaartse beweging
    van het hoofd wordt zo beperkt.
    Normaal gesproken hoeven de SAHRhoofdsteunen na een lichte aanrijding van
    achteren niet te worden vervangen.
    De hoofdsteunen voor en achter zijn op verschillende hoogte af te stellen.
    Stel de hoofdsteunen voorin dusdanig af dat
    er minstens één groef aan de achterkant
    van de hoofdsteunpoten zichtbaar is.
    De hoofdsteunen voor en achter kunt u in de
    hoogterichting verstellen en in een groot
    aantal verschillende standen zetten.
    • Omhoog: houd de hoofdsteun aan beide
    zijden vast en trek hem recht omhoog.
    • Omlaag: duw de linker pal in en duw de
    hoofdsteun omlaag.
    Wanneer er niemand op de achterbank zit,
    kunt u de hoofdsteunen helemaal achteroverkantelen om zo het zicht naar achteren
    toe te verbeteren.

    27

  • Page 28

    28

    Veiligheid

    Kinderen en veiligheid
    WAARSCHUWING
    • Zet kinderen altijd in de gordel vast.
    • Een kinderzitje NOOIT op
    een passagiersstoel met
    AIRBAG aanbrengen.
    • Gevaar voor ERNSTIG of
    DODELIJK letsel.

    WAARSCHUWING

    WAARSCHUWING

    • Laat kleine kinderen nooit zonder toezicht in de auto achter; zelfs niet voor
    korte tijd.
    – Kleine kinderen en huisdieren raken al
    snel door de warmte bevangen en
    kunnen daaraan bezwijken.
    – Kinderen kunnen de auto in beweging
    brengen en zichzelf of anderen daarbij
    verwonden.

    Zorg dat kinderen niet ingesloten
    raken in de bagageruimte

    • Neem tijdens het tanken de afstandsbediening uit het contactslot.

    • Sluit de auto altijd af en houd de
    afstandsbediening buiten het bereik
    van kinderen.

    • Laat kinderen niet op of onder de auto
    kruipen.
    • Controleer altijd of er zich geen kinderen achter de auto ophouden, wanneer u achteruit een garage uitrijdt of
    een oprit afrijdt.
    • Laat de motor nooit stationair lopen in
    een garage wegens het gevaar voor
    koolmonoxidevergiftiging.
    • Houd kinderen altijd in de gaten tijdens het schoonmaken van de auto.
    Kleine kinderen al binnen enkele
    minuten verdrinken in geringe hoeveelheden water.

    • Leer kinderen dat ze niet in of rond de
    auto mogen spelen.
    • Houd kinderen in de gaten bij het inen uitladen van de bagageruimte om
    te voorkomen dat u ze per ongeluk
    insluit.

    • Houd de blokkering van de beide ruggedeelten van de achterbank intact
    om te voorkomen dat kinderen vanuit
    de passagiersruimte de bagageruimte
    in kunnen klimmen.

  • Page 29

    Veiligheid
    Algemene informatie over
    kinderen en veiligheid
    De veiligheid van uw kinderen is uiteraard
    net zo belangrijk als die van volwassenen.
    Kinderen moet u vervoeren in speciale veiligheidsuitrusting. Deze bescherming moet
    worden aangepast aan de lengte en het
    gewicht van het kind.
    U wordt geadviseerd contact op te nemen
    met een erkende Saab-dealer als u de auto
    wilt uitrusten met babyzitjes, kinderzitjes of
    verhogingskussens.
    Informeer naar de voorschriften in uw
    land wat het vervoer van kinderen
    betreft.

    Sommige naar achteren gerichte kinderzitjes zijn voorzien van verankeringsbanden. U moet deze banden aan bevestigingsogen onder de stoel bevestigen.
    Volg altijd de montagevoorschriften op
    die bij de uitrusting worden geleverd.
    Zorg dat de veiligheidsuitrusting op de
    voorgeschreven manier kan worden
    gemonteerd.

    Saab adviseert u kinderen tot ca. 4 jaar (of
    zolang dit mogelijk is) te vervoeren in een
    naar achteren gericht kinderzitje. Gebruik
    een kinderzitje dat goedgekeurd is voor het
    gewicht en de lengte van het kind (zie
    blz. 32).
    Saab adviseert u speciaal aangepaste veiligheidsuitrusting te gebruiken, totdat het
    kind een lengte heeft van 1,40 m.

    29

    Kinderzitjes van Saab 3
    Bij een erkende Saab-dealer zijn kinderzitjes verkrijgbaar die speciaal zijn afgestemd op uw auto. De zitjes zijn goedgekeurd door Saab Automobile AB en
    ontwikkeld om kinderen dezelfde bescherming te bieden als volwassenen.
    De kinderzitjes zijn verkrijgbaar in twee verschillende uitvoeringen, afhankelijk van het
    gewicht van het kind: zie tabel.
    Voor kinderen tot 9 maanden oud die u in
    het kleinere kinderzitje vervoert, is een
    accessoire verkrijgbaar dat het kind meer
    steun biedt. Neem voor meer informatie
    contact op met een erkende Saab-dealer.
    De kinderzitjes die een erkende Saabdealer aanbiedt zijn goedgekeurd door
    Saab Automobile AB en kunnen zonder
    extra bevestigingen met de aanwezige driepuntsgordels worden vastgezet.
    Volg altijd de montagevoorschriften van
    Saab op die bij het zitje werden geleverd.
    Zie blz. 30 voor het monteren van een
    naar achteren gericht kinderzitje op de
    achterbank.

  • Page 30

    30

    Veiligheid

    Modellen met passagiersairbag
    WAARSCHUWING
    •Een kinderzitje NOOIT op
    een passagiersstoel met
    AIRBAG aanbrengen.
    •Gevaar voor ERNSTIG of
    DODELIJK letsel.

    Achterbank, kinderzitje
    monteren
    Naar achteren gerichte kinderzitjes met verankeringsbanden moet u vastzetten aan de
    bevestigingsogen onder de bestuurders- en
    de passagiersstoel (zie afbeelding).
    ISOFIX-zitje monteren (zie blz. 34).
    Sport Sedan en Sport Estate

    Bevestig iedere verankeringsband aan de
    dichtstbijzijnde bevestigingsoog.
    Cabriolet

    1 Bevestig de buitenste verankeringsband
    aan het buitenste oog op de voorstoel
    vóór het zitje.
    2 Bevestig de binnenste verankeringsband aan het binnenste oog op de
    andere voorstoel (zie afbeelding).

    Achterste bevestigingsogen voor verankeringsbanden kinderzitje

    Kinderzitje op achterbank gemonteerd,
    Cabriolet

  • Page 31

    Veiligheid

    31

    Modellen waarbij de
    passagiersairbag buiten werking
    gesteld is 3
    Kinderzitje monteren

    De passagiersairbag van een Cabriolet kan
    niet buiten werking worden gesteld.

    WAARSCHUWING
    • Bij gebruik van een kinderzitje op een
    passagiersstoel met een passagiersairbag die buiten werking gesteld
    is, mag u het zitje niet aan de verstelknop vastzetten waarmee u de stoel in
    de lengterichting verstelt. Als u dat
    namelijk wel doet, kan de stoel in
    geval van een aanrijding uit positie
    schieten. Daarbij kan de bevestiging
    van het kinderzitje niet langer worden
    gegarandeerd. Zet het kinderzitje aan
    de bevestigingsogen onder de stoel
    vast (zie afbeelding).
    • Het is belangrijk dat u de verankeringsbanden van het kinderzitje goed
    strak trekt. De banden mogen in geen
    geval slap hangen. Voor optimale
    bescherming van het kind moet u
    het kinderzitje zo stevig mogelijk
    vastzetten.

    Bevestigingsogen voor kinderzitje met
    verankeringsbanden (modellen waarvan
    de passagiersairbag buiten werking
    gesteld is)

    Op modellen met een buiten werking
    gestelde passagiersairbag vindt u twee
    bevestigingsogen aan de voorzijde van de
    passagiersstoel. Gebruik deze twee ogen
    om een kinderzitje met verankeringsbanden aan te bevestigen (zie afbeelding).

    Voorbeeld van het gebruik van kinderzitjes
    op de achterbank

  • Page 32

    32

    Veiligheid
    Saab adviseert u overal in de auto bij voorkeur een kinderzitje van Saab te gebruiken 3.
    Bij gebruik van andere merken geldt echter het volgende:

    Groep

    Gewicht
    (leeftijd)
    lengte

    Passagiersstoel

    Buitenste zitplaats
    achterbank

    Middelste zitplaats
    achterbank

    0 en
    0+

    tot 13 kg
    (tot ca. 2 jaar)

    X 1)

    U

    L

    1

    9–18 kg
    (ca. 9 mnd–4 jaar)

    X 1)

    U

    L

    2 en
    3

    15–36 kg
    (ca. 3–12 jaar)
    korter dan 1,40 m

    X 1)

    U

    L

    X: er mogen hier geen kinderen kleiner dan 1,40 m zitten
    U: Universeel goedgekeurd zitje
    L: zie de volgende bladzijde voor aanbevolen kinderzitjes
    1) De passagiersairbag van de Saab 9-3 Sport Sedan en Sport Estate kan in een erkende Saab-werkplaats buiten
    werking worden gesteld. Er kan dan een kind in een van de door Saab geadviseerde kinderzitjes (zie volgende bladzijde) zitten.

    Hoelang u een kinderzitje moet gebruiken hangt niet alleen van het lichaamsgewicht van het kind af maar ook van de
    lengte (zie het instructieboekje bij het kinderzitje).

  • Page 33

    Veiligheid
    Groep

    Gewicht
    (leeftijd)
    lengte

    0 en
    0+

    tot 13 kg
    (tot ca. 2 jaar)

    1

    9–18 kg
    (ca. 9 mnd–4 jaar)

    2

    15–25 kg
    (ca. 3–6 jaar)

    3

    15–36 kg
    (ca. 3–12 jaar)
    korter dan 1,40 m

    Kinderzitjes 3 aanbevolen door Saab, goedgekeurd conform ECE R44.03

    Saab Child Seat (Saab-kinderzitje)
    met stoelverkleiner voor de allerkleinsten
    Saab Child Seat (Saab-kinderzitje)
    Saab Child Seat (Saab-kinderzitje),
    goedgekeurd voor groep 2 alleen op de passagiersstoel voorin, met een buiten werking
    gestelde passagiersairbag
    Saab Belt Seat (Saab-zitverhoger met rugleuning) of
    Saab Booster Cushion (Saab-zitverhoger)

    33

  • Page 34

    34

    Veiligheid

    ISOFIX
    Ter vereenvoudiging van de montage van
    kinderzitjes zijn er bevestigingspunten conform het ISOFIX-systeem in de auto aangebracht. ISOFIX vormt de norm voor montage van kinderzitjes binnen de
    automobielindustrie. Dergelijke bevestigingspunten vindt u op de beide buitenste
    zitplaatsen van de achterbank.
    De bevestigingspunten bestaan voor ieder
    kinderzitje uit twee beugels. Deze beugels
    mogen alleen worden gebruikt voor daarvoor bestemde speciale kinderzitjes. De
    bevestigingspunten zitten tussen het zit- en
    ruggedeelte. Om de bevestigingspunten
    eenvoudiger te kunnen lokaliseren zitten er
    kleine textieletiketten boven de bovenste
    bevestigingspunten. U kunt ook met uw
    hand het gebied tussen het rug- en zitgedeelte onder de etiketten aftasten om de
    bevestigingspunten te lokaliseren.
    Maak alleen gebruik van de gordel die bij
    het ISOFIX-zitje hoort.
    Volg altijd de montagevoorschriften op die
    bij het ISOFIX-zitje horen.
    Er kunnen beperkingen gelden voor de verkrijgbaarheid van kinderzitjes die voldoen
    aan de ISOFIX-norm.

    Op de afbeelding staan de bevestigingspunten conform het ISOFIX-systeem, Sport
    Sedan en Sport Estate.

    Op de afbeelding staan de bevestigingspunten conform het ISOFIX-systeem, Cabriolet.

  • Page 35

    Veiligheid
    Onderdelen van het
    airbagsysteem

    Airbag

    • stuurairbag
    • passagiersairbag

    WAARSCHUWING
    Doe het volgende om het gevaar voor
    verwondingen te beperken:
    • Maak altijd gebruik van de veiligheidsgordel.
    • Stel de stoel altijd dusdanig af dat u zo
    ver mogelijk van het stuurwiel/dashboard af zit, maar toch nog goed bij het
    stuurwiel, de bedieningselementen en
    de pedalen kunt komen.

    • zij-airbags in het ruggedeelte van de voorstoelen
    Cabriolet: de zij-airbags dragen tevens
    bij aan de bescherming tegen hoofdletsel
    • gordijnairbags aan de lange kanten van
    het plafond (tussen de voorste en de
    achterste dakstijlen) (Sport Sedan en
    Sport Estate)
    • gordelspanners op de beide voorstoelen
    Cabriolet: ook op de twee buitenste
    zitplaatsen van de achterbank.

    • Als de auto is uitgerust met een passagiersairbag, moeten kinderen tot
    1,50 m altijd plaatsnemen op de achterbank.

    Het airbagsysteem vormt een aanvulling op
    de veiligheidsgordels en biedt een verhoogde bescherming van inzittenden met
    een lengte van meer dan 1,50 m.

    • Breng nooit een kinderzitje op de passagiersstoel aan.

    Wanneer het systeem tijdens een aanrijding
    in werking treedt, wordt de airbag opgeblazen. De airbag zal vervolgens weer leeglopen via gaten aan de achterzijde. Het totale
    verloop neemt ca. 0,1 seconden in beslag,
    sneller dan een oogwenk.

    35

    De stuurairbag en de passagiersairbag zijn
    zogeheten tweetraps airbags. Dit houdt in
    dat het systeem bij een aanrijding onder
    meer rekening houdt met de kracht van de
    aanrijding.
    Wanneer het airbagsysteem in werking
    treedt, worden alle portieren vergrendeld
    terwijl de binnen- en buitenverlichting en de
    alarmknipperlichten gaan branden.
    Opmerking!

    Hoe de sensor reageert hangt af van de
    vraag of de veiligheidsgordel aan de
    bestuurderszijde of de passagierszijde wel
    of niet is omgedaan. Er kunnen zich daardoor situaties voordoen, waarbij er slechts
    een van de airbags wordt opgeblazen of
    waarbij niet de airbags maar wel de gordelspanners worden geactiveerd.
    Als bij een aanrijding alleen trap I geactiveerd werd, zal even later alsnog trap II
    worden geactiveerd om de gasgenerator in
    de airbag onschadelijk te maken.

  • Page 36

    36

    Veiligheid
    lende factoren zoals de grootte van de
    krachten die tijdens de aanrijding ontketend
    worden en waar de auto wordt geraakt.
    Als de aanrijdingssensoren krachten registreren die overeenkomen met een aanrijding op hoge snelheid (fase II van de airbags wordt geactiveerd), worden ook de
    gordijnairbags geactiveerd (Sport Sedan en
    Sport Estate) (zie blz. 41).
    Bij activering van de airbags wordt de
    pluspool van de accu losgekoppeld (geldt
    voor modellen met een V6-motor) (zie
    blz. 222).

    Opgeblazen airbag (bestuurderszijde).
    Het opblazen en leeglopen van de airbag
    neemt ca. 0,1 seconden in beslag

    De stuurairbag en de passagiersairbag
    worden opgeblazen bij een krachtige frontale aanrijding. De airbags worden echter
    niet geactiveerd, wanneer de auto betrokken raakt bij lichte frontale aanrijdingen of
    aanrijdingen van achteren, recht in de zijde
    wordt geraakt of over de kop slaat.

    Twee voorste airbags opgeblazen

    Boven op de voorbumper (onder de gelakte
    bumpermantel) zitten twee aanrijdingssensoren. Deze twee sensoren registreren in
    een vroegtijdig stadium of er sprake is van
    een aanrijding. Aan de hand van de informatie die deze twee sensoren en de
    centrale sensor binnen in de stuur-unit voor
    het airbagsysteem afgeven, bepaalt de
    stuur-unit of de airbags wel of niet geactiveerd moeten worden. De stuur-unit
    bepaalt eveneens of de overige onderdelen
    van het airbagsysteem geactiveerd moeten
    worden: de gordelspanners, de gordijnairbags (Sport Sedan en Sport Estate) en de
    rolbeugels (Cabriolet).
    Welke onderdelen van het airbagsysteem
    geactiveerd worden, hangt af van verschil-

    Als er tijdens het rijden een storing optreedt
    in het airbagsysteem, gaat het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem op het
    hoofdinstrument branden en verschijnt de
    volgende melding op het SID:
    Airbag malfunction.
    Contact service. (Storing airbags. Bezoek een werkplaats.)

  • Page 37

    Veiligheid

    Airbagsysteem
    1
    2
    3
    4
    5
    6

    Stuurwiel met airbag
    Passagiersairbag
    Zij-airbag
    Gordijnairbag (Sport Sedan en Sport Estate)
    Frontsensoren, op voorbumper
    Sensor voor bescherming bij aanrijdingen
    van opzij
    7 Sensor voor bescherming bij aanrijdingen
    van opzij (Sport Sedan en Sport Estate)
    8 Elektronica-unit met centrale sensor

    37

    Het is niet toegestaan accessoires of
    andere uitrusting te monteren in de gearceerde gebieden, waar in geval van
    een aanrijding airbags zich kunnen
    ontvouwen.

  • Page 38

    38

    Veiligheid
    WAARSCHUWING

    • Alle inzittenden van de auto moeten
    altijd gebruik maken van de veiligheidsgordels, ook al is de auto uitgerust met airbags.
    • Aangezien de airbag zeer snel wordt
    opgeblazen en weer leegloopt, zal de
    airbag bij een eventuele tweede botsing tijdens dezelfde aanrijding geen
    bescherming meer bieden. Gebruik
    daarom altijd de veiligheidsgordel.
    • Het gas waarmee de airbag bij activering wordt gevuld is zeer heet. Onder
    bepaalde omstandigheden kan het
    hete gas bij het leeglopen van de
    airbag lichte brandwonden aan de
    armen en handen veroorzaken.
    • Wanneer de airbag wordt opgeblazen,
    komt er rook vrij die ontstaat door de
    chemische reactie bij activering van
    de airbag.
    Was de huid bij tekenen van irritatie zo
    snel mogelijk schoon met water en
    een milde zeep.
    Bij irritatie van de ogen minstens
    20 minuten lang uitspoelen met een
    ruime hoeveelheid schoon water.
    Bij aanhoudende klachten moet u contact opnemen met uw huisarts.

    • Zet uw stoel altijd zo ver mogelijk naar
    achteren en zorg dat u tijdens het
    rijden met uw rug tegen het ruggedeelte zit. Als u dat niet doet, zult u
    wanneer de airbag wordt opgeblazen
    met kracht tegen het ruggedeelte
    worden geslingerd. Daarbij kunt u verwondingen met eventueel dodelijke
    afloop oplopen. Zorg dat de airbag voldoende ruimte heeft om uit te zetten.
    • Bevestig geen voorwerpen op het
    stuurwiel, het dashboard of de dakstijlen, omdat dergelijke voorwerpen verwondingen kunnen veroorzaken als
    de airbag wordt opgeblazen. Dit geldt
    eveneens voor voorwerpen, zoals een
    pijp, die u tijdens het rijden in uw mond
    hebt.
    • Zorg dat u tijdens het rijden niet met
    uw onderarmen/handen op de
    stuurairbag steunt.
    • Als het waarschuwingslampje
    niet
    dooft na het starten of tijdens het rijden
    gaat branden of knipperen, moet u de
    auto onmiddellijk laten nakijken.
    U wordt geadviseerd contact op te
    nemen met een erkende Saabwerkplaats. Een brandend airbaglampje geeft aan dat het SRS in geval
    van een aanrijding mogelijk niet wordt
    geactiveerd of spontaan wordt geactiveerd wanneer daartoe geen reden is.

  • Page 39

    Veiligheid
    Werking van de stuurairbag bij een frontale botsing

    Passagiersstoel met airbag
    WAARSCHUWING

    Begin van de botsing.

    De sensoren hebben
    de vertraging waargenomen en geven via
    de centrale sensor
    een signaal af aan de
    gasgenerator die
    ervoor zorgt dat de airbag wordt opgeblazen.

    De airbag bereikt de
    bestuurder.

    De airbag is nu helemaal opgeblazen.

    De airbag begint leeg
    te lopen.

    • Een kinderzitje NOOIT op
    een passagiersstoel met
    AIRBAG aanbrengen.
    • Gevaar voor ERNSTIG of DODELIJK
    letsel.
    • Laat kinderen kleiner dan 1,50 m
    nooit op een passagiersstoel met
    airbag plaatsnemen.
    • Laat kinderen niet voor een passagiersstoel met airbag staan of op
    schoot meerijden. Dit omdat ze bij het
    opblazen van de airbag zeer ernstige
    of dodelijke verwondingen kunnen
    oplopen.
    • Houd het dashboardkastje tijdens het
    rijden altijd gesloten. Een dashboardkastje dat openstaat kan in geval van
    een aanrijding ernstig letsel veroorzaken.

    39

    • U rijdt veiliger, als u uw voeten op de
    vloer houdt en niet op het dashboard
    of op de stoel legt of uit het raam
    steekt.
    • Neem geen voorwerpen op schoot
    mee.
    • Leg of bevestig geen voorwerpen op
    het dashboard of voor de stoel, omdat
    deze voorwerpen bij een aanrijding de
    inzittenden kunnen verwonden of de
    werking van de airbag kunnen verstoren. Monteer evenmin accessoires op
    het dashboard.
    Het airbagsysteem voor de passagiersstoel
    is identiek aan dat voor de bestuurdersstoel.
    De beide systemen zijn aan elkaar gekoppeld en voorzien van een gemeenschappelijk waarschuwingslampje. De passagiersairbag is boven het dashboardkastje in
    het dashboard weggewerkt en voorzien van
    het opschrift “AIRBAG”.
    Bij een frontale aanrijding worden beide
    systemen geactiveerd, ook al zit er niemand
    op de passagiersstoel.

  • Page 40

    40

    Veiligheid

    Bescherming tegen hoofdletsel
    De bekleding van de dakstijlen en het plafond (niet in de kap van de Cabriolet) zijn
    dusdanig vormgegeven dat ze energie
    absorberen, wanneer u er met uw hoofd
    tegenaan stoot. Na een aanrijding moet u
    de beschermende elementen verwijderen
    op de plaatsen die bezet waren. Het is niet
    toegestaan om andere onderdelen op de
    bekleding van de dakstijlen en het plafond
    aan te brengen, omdat ze de werking van de
    gordijnairbags (Sport Sedan en Sport
    Estate) negatief kunnen beïnvloeden.

    Bescherming bij aanrijdingen
    van opzij

    WAARSCHUWING
    • Breng geen extra stoelhoezen aan.
    Een slecht passende stoelhoes kan
    tot gevolg hebben dat de zij-airbags
    op de verkeerde manier worden opgeblazen en niet de gewenste bescherming bieden.
    • Plaats geen losse voorwerpen binnen
    het bereik van een opgeblazen airbag.
    • Voor de maximale bescherming moet
    u rechtop zitten en de veiligheidsgordel op de juiste manier hebben omgedaan.
    • De zij-airbags worden alleen opgeblazen bij aanrijdingen van opzij en niet
    bij aanrijdingen van achteren of wanneer de auto over de kop slaat (zie
    blz. 78 voor Roll-over-bescherming,
    Cabriolet).
    • Slijtage van de stoelbekleding of de
    naden in het gebied rond de zij-airbag
    moet u onmiddellijk laten repareren.
    U wordt geadviseerd contact op te
    nemen met een erkende Saabwerkplaats.

    De zij-airbags van de voorstoelen beschermen het bovenlichaam (in de Cabriolet
    wordt ook het hoofd beschermd) en zijn
    weggewerkt in de buitenkant van het ruggedeelte van de voorstoelen. In de Sport
    Sedan en de Sport Estate maken ook de
    gordijnairbags deel uit van de bescherming
    bij aanrijdingen van opzij (zie blz. 41).
    De zij-airbags zijn dusdanig geconstrueerd
    dat ze alleen geactiveerd worden bij
    bepaalde aanrijdingen van opzij. Bepalende factoren zijn de kracht en de snelheid
    waarmee, de plaats waar en de hoek waaronder de auto geraakt wordt.
    Er zitten aan weerszijden van de auto twee
    sensoren. De voorste zitten helemaal
    achter op de dorpel in de voorportieropening, terwijl de achterste onder op de achterste dakstijl zijn aangebracht. De bescherming bij aanrijdingen van opzij wordt alleen
    geactiveerd aan de kant die wordt aangereden.
    Cabriolet: Op een Cabriolet zitten er twee
    sensoren voor de bescherming bij aanrijdingen van opzij, aan weerszijden van de auto
    één. De sensoren zitten achteraan in de
    dorpelbalken.

  • Page 41

    Veiligheid

    41

    Gordijnairbag 3
    WAARSCHUWING
    • Het is belangrijk dat u niet met uw
    hoofd tegen de zijruit aangeleund zit.
    De gordijnairbag wordt namelijk opgeblazen in juist dit gebied tussen de
    zijruit en uw hoofd. Als u wel tegen de
    zijruit aangeleund zit, biedt de gordijnairbag mogelijk niet de juiste
    bescherming.
    Geactiveerde zij-airbag en gordijnairbag,
    Sport Sedan en Sport Estate

    Opgeblazen zij-airbag met bescherming
    tegen hoofdletsel, Cabriolet

    • Gebruik de kleerhaken op de achterste steunhandgrepen alleen om lichte
    kledingsstukken aan op te hangen.
    Zorg dat er geen zware of scherpe
    voorwerpen in de zakken van de kledingsstukken zitten. Maak geen
    gebruik van kleerhangers.
    • Plaats geen zonnekleppen e.d.
    binnen het bereik van een opgeblazen
    airbag.
    • Zet het plafond, de portierbekleding of
    de zijpanelen niet met schroeven vast
    en bevestig er evenmin andere onderdelen aan. Het kan de bescherming bij
    aanrijdingen van opzij negatief beïnvloeden.
    • Stapel de bagage niet dusdanig hoog
    op dat deze de gordijnairbags bij een
    eventuele aanrijding in de weg zit.

  • Page 42

    42

    Veiligheid

    Er zijn gordijnairbags ingebouwd in de
    lange kanten van het plafond (tussen de
    voorste en de achterste dakstijlen) om
    bescherming te bieden tegen hoofdletsel.
    Wanneer de zij-airbags in de voorstoelen
    worden opgeblazen, worden ook de gordijnairbags geactiveerd. Dit is het geval bij
    aanrijdingen van opzij.
    De gordijnairbags beperken het gevaar
    voor hoofdletsel van de inzittenden die op
    de buitenste zitplaatsen zitten. De gordijnairbags beslaan het gebied tussen de
    voorste en achterste dakstijlen.
    Als het airbagsysteem krachten registreert
    van een omvang die worden ontketend bij
    frontale aanrijdingen op hoge snelheden
    (zodat trap II van de stuur- en passagiersairbag wordt geactiveerd), zullen ook de gordijnairbags worden geactiveerd.

    Opgeblazen gordijnairbag, Sport Sedan

    De afbeelding toont hoe u niet mag zitten,
    Sport Sedan en Sport Estate

    Voor maximale bescherming mag u niet te
    dicht op het portier zitten. Houd daar rekening mee als een passagier bijvoorbeeld
    slaapt tijdens de rit. Wanneer de gordijnairbags in de plafondbekleding uitvouwen,
    bedekken ze namelijk een groot deel van de
    zijruiten tot aan de portierbekleding.

  • Page 43

    Veiligheid
    Waarschuwingslampje airbag
    WAARSCHUWING
    Als het waarschuwingslampje
    op het
    hoofdinstrument na het starten niet dooft
    of tijdens het rijden gaat branden, werkt
    het airbagsysteem niet meer naar behoren. Laat de auto dan zo spoedig mogelijk
    nakijken. U wordt geadviseerd contact op
    te nemen met een erkende Saabwerkplaats (zie blz. 88).

    Onderhoud van het
    airbagsysteem
    Het systeem moet volgens het Onderhoudsprogramma worden gecontroleerd.
    Voor het overige is het systeem onderhoudsvrij.

    43

  • Page 44

    44

    Veiligheid

    Hanteren en verschroten van
    airbags en gordelspanners
    WAARSCHUWING
    • Het is niet toegestaan om wijzigingen
    aan te brengen in het stuurwiel of in de
    elektrische installatie van het airbagsysteem.
    • Bij alle laswerkzaamheden moet u
    beide accupolen loskoppelen en
    afdekken.
    • Wanneer u na spuitwerkzaamheden
    in de nabijheid van de elektronica-unit
    de onderdelen geforceerd wilt laten
    drogen, moet u eerst de massapunten
    en de bedrading afdekken.
    • De airbag en de gordelspanners
    moeten onschadelijk worden
    gemaakt, voordat de auto naar een
    sloperij wordt gebracht of wanneer
    onderdelen van de auto voor verschroting worden gedemonteerd. Airbags en gordelspanners die tijdens
    een aanrijding werden geactiveerd,
    moeten worden vervangen.

    • De inzittendenbeveiliging van de auto
    is opgebouwd verschillende beschermende onderdelen zoals de airbags,
    de veiligheidsgordels, de stoelen, het
    stuurwiel en het dashboard. Voor optimale bescherming zijn deze onderdelen op elkaar afgestemd. Monteer
    daarom nooit een airbag uit een
    andere auto.
    Er bestaan geen garanties dat deze
    airbag maximale bescherming biedt
    bij een aanrijding.
    • Alle werkzaamheden met betrekking
    tot het vervangen of verschroten van
    airbags of gordelspanners moeten in
    een werkplaats worden uitgevoerd.
    U wordt geadviseerd contact op te
    nemen met een erkende Saabwerkplaats.

    Veel voorkomende vragen over
    de werking van airbags
    Is het nodig om de veiligheidsgordel te
    gebruiken, als de auto is uitgerust met een
    airbag?
    Ja, altijd! De airbag is uitsluitend bedoeld
    als aanvulling op de normale veiligheidssystemen van de auto. Een airbag wordt
    alleen geactiveerd bij krachtige frontale botsingen en biedt dan ook geen bescherming
    bij lichte aanrijdingen en aanrijdingen van
    achteren en evenmin wanneer de auto over
    de kop slaat.
    Het gebruik van de veiligheidsgordel kan
    voorkomen dat de inzittenden tegen het
    interieur of uit de auto worden geslingerd en
    daarbij ernstig letsel oplopen of gedood
    worden.
    De veiligheidsgordel zorgt ook dat u bij een
    frontale botsing de airbag op de beste
    manier raakt, d.w.z. recht van voren. Als u
    de airbag schuin raakt, biedt de airbag een
    minder goede bescherming.
    De airbag zal bij een eventueel tweede botsing tijdens dezelfde aanrijding geen
    bescherming meer bieden. Gebruik daarom
    altijd de veiligheidsgordels.
    Ga niet te dicht op de airbag zitten, omdat
    deze ruimte nodig heeft om uit te zetten.
    De airbag wordt zeer snel en met grote
    kracht opgeblazen om in geval van een
    krachtige frontale botsing een volwassene
    voldoende bescherming te bieden, voordat
    het hoofd naar voren beweegt.

  • Page 45

    Veiligheid
    Wanneer worden de stuurairbag en de
    passagiersairbag opgeblazen?

    Veroorzaakt de chemische reactie tijdens
    het opblazen een harde knal?

    De airbags worden alleen opgeblazen bij
    bepaalde frontale aanrijdingen afhankelijk
    van de kracht van de botsing, de hoek van
    impact, de snelheid van de auto en het
    deformatievermogen van het object dat
    wordt geraakt.

    Het opblazen van de airbag gaat gepaard
    met een krachtig geluid dat echter niet schadelijk is voor uw gehoor. U kunt echter korte
    tijd last hebben van suizende of piepende
    oren.

    Het airbagsysteem kan tijdens een botsing
    slechts eenmaal worden geactiveerd.
    Rijd niet verder met de auto, wanneer de
    airbag is opgeblazen, ook al is dit mogelijk.
    Wanneer wordt de airbag niet opgeblazen?

    Het airbagsysteem zal bij alle frontale aanrijdingen worden geactiveerd. Als de auto
    tegen een obstakel rijdt dat meegeeft (bijvoorbeeld sneeuwbanken of struiken) of bij
    lage snelheid tegen een hard obstakel rijdt,
    wordt het airbagsysteem mogelijk niet
    geactiveerd.

    De meeste mensen die een aanrijding
    hebben meegemaakt, kunnen zich het
    geluid van de airbag die wordt opgeblazen
    niet meer herinneren. De klap van de botsing blijft echter nog lang hangen.

    45

    Is het toegestaan om een kinderzitje op de
    passagiersstoel te plaatsen, als de auto is
    uitgerust met een passagiersairbag?

    Nee, nooit! De airbag wordt met zoveel
    kracht en dusdanig snel opgeblazen, dat
    het kinderzitje met grote kracht naar achteren wordt geslingerd. Daarbij kan het kind
    ernstig en mogelijk dodelijk letsel oplopen.

    Wat moet ik doen, als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem op het
    hoofdinstrument gaat branden?

    De diagnosefunctie van het airbagsysteem
    heeft in dat geval een storing ontdekt. Het is
    mogelijk dat het systeem dan niet meer feilloos werkt of spontaan wordt geactiveerd.
    Breng zo snel mogelijk een bezoek aan een
    werkplaats. U wordt geadviseerd contact op
    te nemen met een erkende Saabwerkplaats.

  • Page 46

    46

    Veiligheid

    Is het materiaal (stof/rook) dat vrijkomt
    schadelijk voor de gezondheid?

    De meeste mensen die na het opblazen van
    de airbag langere tijd hebben doorgebracht
    in een auto met weinig of geen ventilatie,
    klagen over lichte irritatie van de luchtwegen of ogen. Zorg dat zo weinig mogelijk
    van het stof in aanraking komt met uw huid
    om huidirritatie te voorkomen.
    Bij aanhoudende klachten moet u contact
    opnemen met uw huisarts.
    Astmapatiënten kunnen een astma-aanval
    krijgen en moeten in een dergelijke situatie
    handelen op de manier zoals die door hun
    arts is voorgeschreven. Daarna moeten ze
    contact opnemen met een arts.

  • Page 47

    Sloten en diefstalalarm

    47

    Sloten en diefstalalarm
    Portieren _____________
    Sloten ________________
    Diefstalalarm 3 ________
    Tankvulklep handmatig
    openen 3____________

    3 Een sterretje geeft aan dat de uitrusting niet op
    alle auto’s is aangebracht (afhankelijk van het
    model, het motortype, de marktspecificatie, de
    gekozen opties en/of accessoires).

    48
    48
    56
    62

  • Page 48

    48

    Sloten en diefstalalarm

    Portieren
    Open het portier door de portierhandgreep
    onderhands omhoog te trekken.
    De onderstaande melding verschijnt op het
    SID, wanneer een van de portieren of de
    bagageklep openstaat of niet goed dicht is
    (de bijbehorende tekst verschijnt pas, wanneer de snelheid oploopt tot boven 25 km/h
    en het portier of de klep nog steeds niet
    gesloten is).
    Close doors.
    (Sluit portieren.)

    Sloten
    WAARSCHUWING
    Wanneer u tijdens het rijden de portieren
    vergrendeld houdt, verkleint u de kans:
    • dat inzittenden, vooral kinderen, het
    portier openen en naar buiten vallen;
    • dat iemand de auto binnendringt, wanneer u langzaam rijdt of stilstaat;
    Let er echter op dat vergrendelde portieren bij een ongeval hulpverlening van buitenaf eveneens kunnen bemoeilijken.

    Afstandsbediening
    De afstandsbediening en de autosleutel
    vormen een eenheid en worden in dit
    instructieboekje voortaan aangeduid als
    afstandsbediening.

    Binnen in de afstandsbediening zit een
    mechanische sleutel die in de rest van het
    instructieboekje wordt aangeduid als de
    traditionele sleutel. U moet van deze traditionele sleutel gebruik maken om in noodgevallen het bestuurdersportier te kunnen
    openen (zie blz. 51). De traditionele sleutel
    past echter niet op het contactslot.
    Bij de auto is een sleutelnummer geleverd.
    Dit nummer hebt u nodig om een traditionele sleutel (die binnen in de afstandsbediening zit) bij te bestellen. Bewaar dit sleutelnummer daarom op een veilige plaats.
    De afstandsbediening is voorzien van een
    elektronische code die gekoppeld is aan uw
    auto. Wanneer u de afstandsbediening in
    het contactslot steekt, vindt een controle
    van deze code plaats. Als de code juist is,
    kunt u de motor starten.
    De auto wordt geleverd met twee afstandsbedieningen. U kunt maximaal vijf verschillende afstandsbedieningen tegelijk aan uw
    auto koppelen. Als er één zoek mocht
    raken, moet u zo spoedig mogelijk een
    nieuwe bijbestellen. U wordt geadviseerd
    daarvoor contact op te nemen met een
    erkende Saab-dealer. Bij het programmeren van een nieuwe afstandsbediening
    wordt de zoekgeraakte afstandsbediening
    gedeprogrammeerd.

  • Page 49

    Sloten en diefstalalarm
    Opmerking!

    Functies van de afstandsbediening

    Om een nieuwe afstandsbediening bij te
    bestellen moet u er minstens één overhebben. Dit om ervoor te zorgen dat de elektronica-unit van het vergrendelingssysteem de
    nieuwe (bijbestelde) afstandsbediening
    leert herkennen. Neem daarom bij langere
    reizen e.d. een extra afstandsbediening
    mee en houd deze apart.

    Knop

    • Bescherm de afstandsbediening
    tegen vocht.
    • Spring niet te ruw met de afstandsbediening om.
    • Leg de afstandsbediening niet op
    plaatsen waar deze blootstaat aan
    hoge temperaturen zoals boven op
    het dashboard.
    • Als de afstandsbediening erg koud is,
    kunnen er storingen optreden. Houd
    de afstandsbediening in dat geval
    enkele minuten in uw hand om deze
    op te warmen.
    • Hoe u het batterijtje vervangt leest u
    op blz. 54.

    Eenmaal indrukken

    De knop meer
    dan 2 seconden
    lang indrukken

    Alle portieren, de tankOp afstand sluivulklep en de bagageklep ten (zie blz. 126).
    vergrendelen. De portieren
    zijn niet vanaf de binnenzijde te openen.
    Alle portieren, de tankOp afstand
    vulklep en de bagageklep openen (zie
    ontgrendelen.
    blz. 125).

    N.B.
    De afstandsbediening bevat gevoelige
    elektronica.

    49

    Afstandsbediening

    1 Vergrendelen
    2 Ontgrendelen en binnenverlichting aan
    3 Bagageklep openen.
    Aantal afstandsbedieningen controleren
    (zie blz. 54).
    4 Buitenverlichting en binnenverlichting aan.
    Paniekfunctie activeren (modellen met diefstalalarm)

    Bagageklep openen.
    Aantal afstandsbedieningen controleren
    (zie blz. 54).

    _

    Buitenverlichting *) en binnenverlichting inschakelen
    (om 30 seconden lang te
    branden) of uitschakelen.
    Paniekalarm uitschakelen.

    Modellen met
    diefstalalarm:
    Paniekalarm
    inschakelen
    (alarm geforceerd activeren).

    *) stadslichten, zijrichtingaanwijzers, achterlichten en kentekenplaatverlichting. Bij
    de Sport Estate ook de sidemarkers.
    De paniekfunctie is alleen beschikbaar op
    modellen met diefstalalarm (mogelijke optie
    voor modellen zonder diefstalarm: u wordt
    geadviseerd daarvoor contact op met een
    erkende Saab-werkplaats) (zie blz. 59).

  • Page 50

    50

    Sloten en diefstalalarm

    Vergrendelen/ontgrendelen
    WAARSCHUWING
    Wanneer u de auto hebt vergrendeld, kan
    geen van de portieren (ook de bagageklep niet) vanaf de binnenzijde worden
    geopend. De TSL-functie 3 van de auto
    is geactiveerd.
    Laat bij het vergrendelen nooit personen
    in de auto achter.
    Het op afstand vergrendelen of ontgrendelen is van invloed op het diefstalalarm voor
    zover de auto daarmee uitgerust is.
    Wanneer u de portieren vanaf de buitenzijde hebt vergrendeld, zijn ze evenmin
    vanaf de binnenzijde te openen.
    Op afstand vergrendelen

    Druk eenmaal op de knop
    – om alle
    portieren en de bagageklep te vergrendelen. De TSL-functie van de auto is geactiveerd.
    De richtingaanwijzers lichten eenmaal op.
    Om de TSL-functie te kunnen activeren,
    moeten alle portieren en de bagageklep van
    de Sport Estate zijn gesloten bij het vergrendelen van de auto. Als dat niet het geval is,
    wordt de auto alleen vergrendeld en wordt
    de TSL-functie niet geactiveerd.

    TSL-functie activeren 3

    Op afstand ontgrendelen

    Activering van de TSL-functie (Theft Security Lock) houdt in dat u de portieren alleen
    vanaf de buitenzijde kunt openen met de
    afstandsbediening. Het linker voorportier is
    te ontgrendelen met de traditionele sleutel
    (zie blz. 51).

    Druk eenmaal op de knop
    – om alle
    portieren, de tankvulklep en de bagageklep
    te ontgrendelen.

    Als u in de auto zit kunt u de TSL-functie
    deactiveren door de afstandsbediening in
    het contactslot te steken. De auto blijft
    echter vergrendeld.

    Als ontgrendeling op afstand niet werkt (zie
    blz. 51).

    Als u de auto wilt vergrendelen zonder de
    TSL-functie te activeren, moet u tijdens het
    vergrendelen vanaf de afstandsbediening
    een passagiersportier openhouden. Sluit
    daarna het portier dat u openhield.

    De richtingaanwijzers lichten tweemaal op.
    SID (zie blz. 92).

  • Page 51

    Sloten en diefstalalarm
    Tijdelijke functiestoringen

    Er kunnen plaatselijk storingen in de functie
    van de afstandsbediening voorkomen
    onder invloed van interferentie door installaties of apparaten die op dezelfde frequentie als de afstandsbediening zitten. Bij eventuele storingen kunt u proberen of de
    afstandsbediening wel goed werkt vanaf
    een andere plaats rond de auto. U kunt de
    afstandsbediening ook op de ontvanger
    richten die bij het stuurwiel is aangebracht.

    Als ontgrendeling op afstand niet werkt

    1 Haal de traditionele sleutel uit de
    afstandsbediening door op het
    embleem op de achterkant van de
    afstandsbediening te drukken (de traditionele sleutel past alleen op het linker
    voorportier).
    2 Ontgrendel het portier handmatig.
    Opmerking: Als uw auto is uitgerust met
    diefstalalarm, zal het alarm vervolgens
    afgaan. Het alarmsignaal verdwijnt weer,
    wanneer u de afstandsbediening in het contactslot steekt en naar stand ON draait.

    Vergrendeling/ontgrendeling van linker
    voorportier met traditionele sleutel
    1 Vergrendelen
    2 Ontgrendelen

    51

  • Page 52

    52

    Sloten en diefstalalarm

    Vergrendelen als de accu
    uitgeput is
    U kunt het stuurslot alleen inschakelen en
    opheffen, wanneer de accuspanning hoog
    genoeg is. Als de accuspanning te laag
    wordt met de afstandsbediening in het contactslot, kunt u de afstandsbediening niet
    uitnemen.
    Om in dat geval de auto te kunnen verlaten,
    moet u het volgende doen:
    Vergrendel de auto door de vergrendelknoppen op de portieren omlaag te duwen.
    Vergrendel het linker voorportier daarna
    vanaf de buitenzijde met de traditionele
    sleutel (zie blz. 51). De auto is vervolgens
    vergrendeld. Als de auto is uitgerust met
    diefstalalarm, is het alarm echter niet geactiveerd.

    Bagageklep
    Wanneer u de portieren van de auto ontgrendelt, ontgrendelt u tegelijkertijd de
    bagageklep.
    U opent de bagageklep met de handgreep
    boven de kentekenplaat.
    Sport Sedan: U kunt de bagageklep ook
    afzonderlijk ontgrendelen en openen met
    de knop
    op de afstandsbediening.
    Sport Estate: U kunt de bagageklep ook

    afzonderlijk ontgrendelen met de knop
    op de afstandsbediening.

    Knop voor bediening van de centrale vergrendeling

    Modellen met diefstalalarm: De bewegingsmelder en de hellingssensor in de passagiersruimte zijn daarmee buiten werking
    gesteld.

    Knoppen op het
    bestuurdersportier

    Opmerking! Bij het sluiten van de bagageklep wordt deze niet vergrendeld. Vergrendel de bagageklep met een druk op de

    U kunt de centrale vergrendeling ook bedienen met de knop bij de openingshandgreep
    van het bestuurdersportier.

    knop
    op de afstandsbediening. Een
    eventueel diefstalalarm wordt dan opnieuw
    geactiveerd.

  • Page 53

    Sloten en diefstalalarm
    • Wanneer u de auto vanaf de buitenzijde
    hebt vergrendeld, werkt deze knop echter
    niet.
    • Als u zittend in de auto de portieren
    vergrendeld met de afstandsbediening,
    activeert u de TSL-functie. Dit houdt in dat
    u de bedieningsknop op het bestuurdersportier buiten werking stelt, zodat u de
    auto alleen met de afstandsbediening
    kunt ontgrendelen. Als u in dat geval de
    afstandsbediening in het contactslot
    steekt, zal de TSL-functie worden opgeheven. De bedieningsknop op het
    bestuurdersportier werkt dan weer. De
    portieren zijn niet vanaf de buitenzijde te
    openen.
    Als u één of meer portieren van de auto laat
    openstaan, zal de binnenverlichting na
    20 minuten automatisch doven. Dit om te
    voorkomen dat de accu uitgeput raakt. Ook
    de elektrisch bediende stoelen (voor zover
    aanwezig) kunnen dan niet meer worden
    bediend.

    Kinderslot
    De achterportieren zijn voorzien van een
    kinderslot, dat u in werking stelt met een
    cilindertje bij het slot van het portier.
    Steek een schroevendraaier of de traditionele sleutel (in de afstandsbediening) erin
    en draai 45°.
    Wanneer het kinderslot in werking gesteld
    is, kunt u het portier alleen vanaf de buitenzijde openen.
    Kinderslot

    53

  • Page 54

    54

    Sloten en diefstalalarm

    Vergrendelfuncties wijzigen
    Het is mogelijk enkele functies van het vergrendelingssysteem te wijzigen. U wordt
    geadviseerd contact op te nemen met een
    erkende Saab-werkplaats (zie blz. 284).

    Aantal afstandsbedieningen
    controleren
    Om te controleren hoeveel afstandsbedieningen er aan uw auto gekoppeld zijn kunt
    u het volgende doen:
    1 Steek de afstandsbediening in het
    contactslot en draai deze naar stand
    ON.
    2 Druk binnen 30 seconden nadat u het
    contact naar stand ON hebt gedraaid
    meer dan 2 seconden op de knop
    van de afstandsbediening.
    3 Op het SID verschijnt vervolgens het
    aantal afstandsbedieningen dat aan uw
    auto gekoppeld is en welke (1–5) u op
    dat moment gebruikt.
    Voorbeeld van SID-melding:
    Number of keys:
    Active key number:
    (Aantal sleutels:
    Actief sleutelnummer:)

    Batterijtje vervangen
    WAARSCHUWING
    Het batterijtje en andere kleine onderdelen van de afstandsbediening buiten het
    bereik van kinderen houden.

    Vervang het batterijtje zo snel mogelijk om
    functiestoringen te voorkomen.
    Batterijtype: Voor de beste temperatuurbestendigheid en levensduur wordt Sony of
    Panasonic CR2032, 3V Lithium geadviseerd.
    Het batterijtje gaat ca. 4 jaar lang mee.
    De type-aanduiding van het batterijtje staat
    op de binnenkant van het dekseltje. Kom
    niet aan de polen (platte zijden) van het
    batterijtje.

    N.B.
    Elektronische onderdelen zijn gevoelig
    voor statische elektriciteit. Wanneer u het
    batterijtje op de verkeerde manier vervangt, kan de afstandsbediening beschadigd raken. Raak de elektrische onderdelen van de afstandsbediening dan ook
    niet aan.
    Wanneer de spanning die het batterijtje van
    de afstandsbediening levert tot onder een
    bepaald niveau daalt, zal de volgende aanduiding op het SID verschijnen:
    Remote control battery
    low. Replace battery. (Batterijtje afstandsbediening uitgeput. Vervang batterijtje.)

  • Page 55

    Sloten en diefstalalarm

    55

    3 Vervang het batterijtje. Breng het
    nieuwe batterijtje op dezelfde manier
    aan als het oude (met de pluspool (+)
    omlaag).
    4 Monteer de beide helften van de
    afstandsbediening en druk ze zo ver aan
    (zonder de knoppen aan te raken) dat u
    meerdere klikgeluiden hoort. Breng de
    traditionele sleutel weer in de afstandsbediening aan.

    Druk op het embleem om de traditionele
    sleutel eruit te halen.

    1 Druk op het embleem op de achterkant
    van de afstandsbediening om de traditionele sleutel uit de afstandsbediening
    te halen.
    2 Steek het uiteinde van de sleutel in de
    kleine opening en draai de sleutel om de
    beide helften van de afstandsbediening
    van elkaar te halen.

    5 Na vervanging van het batterijtje in de
    afstandsbediening hebt u een beperkt
    aantal pogingen tot uw beschikking om
    de afstandsbediening af te stemmen op
    de auto. Druk daarom meteen na
    vervanging van het batterijtje niet
    herhaalde malen achtereen op de knoppen van de afstandsbediening.
    Ontgrendel de auto en steek de
    afstandsbediening in het contactslot om
    de afstandsbediening op de auto af te
    stemmen.
    Als na vervanging van het batterijtje mocht
    blijken dat de centrale vergrendeling niet
    werkt, kunt u (wanneer de auto vergrendeld
    is) het volgende doen:
    1 Ontgrendel het linker voorportier met de
    traditionele sleutel. Als de auto is uitgerust met diefstalalarm zal het alarm
    vervolgens afgaan.
    2 Open het portier en steek de afstandsbediening in het contactslot. Als de auto
    is uitgerust met diefstalalarm, zullen de
    alarmsignalen stilvallen ten teken dat de

    Vervang het batterijtje en zet vervolgens
    de beide helften van de afstandsbediening op elkaar vast.

    afstandsbediening en de ontvanger van
    de auto op elkaar zijn afgestemd.

  • Page 56

    56

    Sloten en diefstalalarm

    Elektronische startblokkering
    (immobilisatie)
    De afstandsbediening is voorzien van een
    elektronische code die gekoppeld is aan de
    auto. Wanneer u de sleutel in het contactslot steekt, vindt een controle van deze
    code plaats. De lichtdiode geeft dan
    3 seconden lang met tussenpozen twee
    korte lichtsignalen af. Als de code juist is,
    kunt u de motor starten.
    Telkens wanneer u de afstandsbediening
    uit het contact neemt, treedt de elektronische startblokkering in werking (de lichtdiode geeft om de 3 seconden twee lichtsignalen af) en wordt de auto als het ware
    “geïmmobiliseerd”. Als u de verkeerde
    afstandsbediening in het contactslot steekt
    (bijvoorbeeld die van een andere auto), blijft
    de immobilisatiefunctie actief (de lichtdiode
    geeft niet meer om de 3 seconden twee
    lichtsignalen af) en kunt u de motor niet
    starten.

    Als er een storing optreedt wanneer het
    contactslot de elektronische code van de
    afstandsbediening controleert, verschijnt
    de volgende aanduiding op het SID:
    Key not accepted.
    Contact service. (Sleutel niet
    geaccepteerd. Bezoek een
    werkplaats.)

    Neem contact op met een erkende Saabwerkplaats om het systeem te laten controleren/repareren.

    Diefstalalarm 3
    Het diefstalalarm is verkrijgbaar in twee uitvoeringen: één met en één zonder hellingssensor. Diefstalalarm met hellingssensor is
    voorzien van een aparte sirene. Diefstalalarm zonder hellingssensor maakt gebruikt
    van de claxon van de auto.

    WAARSCHUWING
    Laat kleine kinderen of huisdieren nooit in
    de auto achter. Bij warm weer kan de temperatuur in de passagiers- en bagageruimte oplopen tot maar liefst 70–80 °C.
    U activeert het diefstalalarm, wanneer u de
    auto met de afstandsbediening vergrendelt.
    Het diefstalalarm gaat niet af, als u de auto
    vergrendelt met de traditionele sleutel (zie
    blz. 51).
    Alle portieren plus de motorkap en de bagageklep worden bewaakt. Een bewegingsmelder laat het alarm afgaan, wanneer er
    bewegingen worden waargenomen in de
    passagiersruimte. Bijvoorbeeld wanneer
    dieven via een ingeslagen ruit iets uit de
    auto proberen te grissen.

  • Page 57

    Sloten en diefstalalarm
    Houd alle ruiten dicht, wanneer u het diefstalalarm activeert. De bewegingsmelder
    zou anders voorbijgangers voor potentiële
    dieven kunnen houden en het alarm laten
    afgaan.
    11 seconden nadat u de auto op afstand
    hebt vergrendeld, zal het alarm worden
    ingeschakeld.
    Gedurende de vertragingstijd brandt de
    lichtdiode (led) continu. Na afloop van de
    vertragingstijd licht de lichtdiode om de
    3 seconden eenmaal op. De lichtdiode zit
    boven op het dashboard.
    Als een van de portieren, de motorkap of de
    bagageklep openstaat terwijl u de auto (op
    afstand) vergrendelt, zal de lichtdiode
    11 seconden lang knipperen met een frequentie van 3 lichtsignalen per seconde.
    Controleer in dat geval of alle portieren, de
    motorkap en de bagageklep goed zijn
    gesloten.
    Als de lichtdiode op een storing blijft wijzen,
    moet u contact opnemen met een werkplaats om het systeem te laten controleren
    en repareren. U wordt geadviseerd contact
    op te nemen met een erkende Saab-werkplaats.
    Bagageklep vergrendelen: Als u de bagageklep vanaf de buitenzijde ontgrendelt/opent met de knop
    op de afstandsbediening, blijft de bagageklep na het
    sluiten onvergrendeld staan. Vergrendel de

    bagageklep met een druk op de knop

    op de afstandsbediening. Het diefstalalarm
    wordt vervolgens opnieuw geactiveerd.
    Om problemen te voorkomen wordt aangeraden de overige gebruikers van de auto te
    informeren over de werking van de vergrendeling en het diefstalalarm.
    Als het alarm afgegaan is sinds de laatste
    maal dat u de auto vergrendelde, verschijnt
    het volgende op het SID:
    Alarm tripped during
    last arming period. (Alarm
    afgegaan tijdens voorgaande
    activeringsduur.)

    Als er iets mis is met het diefstalalarm verschijnt de volgende aanduiding op het SID:

    57

    Wanneer gaat het alarm af?
    Het alarm gaat af, als:
    • een van de portieren, de motorkap of de
    bagageklep wordt geopend;
    • de bewegingsmelder bewegingen in de
    passagiersruimte registreert;
    • de hellingssensor een verandering in de
    helling van de auto registreert (voor zover
    het diefstalalarm over een hellingssensor
    beschikt);
    • iemand de sirene van het alarm onklaar
    tracht te maken;
    • iemand het contactslot probeert te manipuleren;
    • de accu losgekoppeld wordt.

    Theft protection failure.
    Contact service. (Storing
    diefstalbeveiliging. Bezoek
    een werkplaats.)

    Activeren van het alarm
    Het alarm wordt geactiveerd, wanneer u alle
    portieren, de motorkap en de bagageklep
    hebt gesloten en de auto met de afstandsbediening vergrendelt.

    Signalen wanneer het alarm
    afgaat
    Als het alarm afgaat, worden de volgende
    signalen afgegeven:
    • alle richtingaanwijzerlampen knipperen
    5 minuten lang;
    • de claxon/sirene klinkt 30 seconden lang
    met tussenpozen van 10 seconden en
    dat maximaal 10 keer.
    De signalen kunnen van markt tot markt
    verschillen afhankelijk van de wettelijke
    vereisten en/of de voorwaarden die verzekeringsmaatschappijen stellen.

  • Page 58

    58

    Sloten en diefstalalarm

    Alarm uitschakelen wanneer het is afgegaan

    Als het alarm is afgegaan (de richtingaanwijzers knipperen en de sirene klinkt), kunt
    u het weer uitschakelen met een druk op
    een van de knoppen op de afstandsbediening of (wanneer u in de auto zit) door de
    afstandsbediening naar stand ON te
    draaien (zie onder).
    De licht- en geluidssignalen verdwijnen. De auto wordt ontgrendeld.
    De licht- en geluidssignalen verdwijnen. De auto blijft vergrendeld
    staan.
    De licht- en geluidssignalen verdwijnen. De bagageklep wordt ontgrendeld.
    De licht- en geluidssignalen verdwijnen. De buiten- en binnenverlichting gaan aan. De auto blijft
    vergrendeld staan.
    Zittend in de auto: draai de
    afstandsbediening in het contactslot naar stand ON.

    Bewegingsmelder 3
    N.B.
    • Het is mogelijk dat u het alarm deactiveert en de auto daarmee ontgrendelt,
    wanneer u per ongeluk aan de ontgrendelingsknop op de sleutel komt
    en de auto zich binnen het bereik van
    de afstandsbediening bevindt.
    • Wanneer u de auto bij strenge vorst
    vergrendelt, moet u controleren of de
    vergrendeling daadwerkelijk plaatsvindt. De vergrendelingsknoppen van
    de portieren moeten omlaagzakken.
    Als dit niet het geval is, moet u eerst
    ontgrendelen en daarna nogmaals
    vergrendelen.

    De bewegingsmelder bewaakt de passagiersruimte van de auto. Het alarm gaat af,
    wanneer er bewegingen in de passagiersruimte worden waargenomen. Bijvoorbeeld
    wanneer dieven via een ingeslagen ruit iets
    uit de auto proberen te grissen.
    Cabriolet: De bewegingsmelder wordt
    automatisch buiten werking gesteld bij het
    openen van de kap.
    Opmerking: De bewegingsmelder reageert tevens op een losse interieurverwarming. Om vals alarm te voorkomen is het
    belangrijk dat u bij gebruik van een interieurverwarming de bewegingsmelder uitschakelt volgens de aanwijzingen op blz. 59.

    Hellingssensor 3
    De hellingssensor houdt de helling van de
    auto in de gaten. Het alarm gaat af, als er
    wijzigingen optreden in de hellingshoek die
    de auto had bij het vergrendelen (bijvoorbeeld wanneer de auto wordt opgekrikt).

  • Page 59

    Sloten en diefstalalarm
    Bewegingsmelder en hellingssensor
    buiten werking stellen

    Als u bijvoorbeeld uw hond alleen in de auto
    achterlaat, de auto op een veerpont parkeert of een interieurverwarming aansluit,
    moet u de sensoren buiten werking stellen.
    U doet dat als volgt:
    1 Kies voor Settings (Instellingen)
    met de stuurknoppen, of
    (zie ook
    blz. 98).
    2 Houd de knop SET ingedrukt totdat er
    een geluidssignaal klinkt.
    3 Kies voor Theft Alarm (Diefstalalarm).
    4 Druk de SET-knop in.
    5 Kies voor DOOR ONLY (Alleen
    portier).
    6 Sluit af met een druk op de knop SET.
    Theft Alarm (Diefstalalarm)

    FULL ALARM (Volledig alarm)
    DOOR ONLY (Alleen portier)
    De bewegingsmelder en een eventuele hellingssensor worden de volgende keer dat u
    de motor start automatisch ingeschakeld.
    Op de bovenstaande manier kunt u ze ook
    handmatig inschakelen, voordat u de motor
    start. Kies in dat geval voor FULL ALARM
    (Volledig alarm) onder punt 5.

    Uitleg bij de opties FULL ALARM (Volledig
    alarm) en DOOR ONLY (Alleen portier).
    FULL ALARM (Volledig alarm)

    Als een van de ruiten wordt ingetikt en
    dieven via de opening iets uit de auto
    proberen te grissen, zal het alarm
    afgaan. Houd alle ruiten en een eventueel zonnedak dicht bij activering van
    de functie FULL ALARM (Volledig
    alarm).
    DOOR ONLY (Alleen portier)

    Bij activering van deze functie zijn de
    bewegingsmelder en een eventuele
    hellingssensor buiten werking gesteld.
    Deze optie leent zich voor die gevallen
    dat u bij het vergrendelen bijvoorbeeld
    uw hond alleen in de auto achterlaat of
    de auto op een veerpont parkeert.

    59

    Paniekalarm
    Het diefstalalarm is voorzien van een speciale functie die wordt aangeduid als het
    paniekalarm (mogelijke optie voor modellen
    zonder diefstalarm). U wordt geadviseerd
    daarvoor contact op te met een erkende
    Saab-werkplaats. De functie maakt het
    mogelijk om het alarm geforceerd te laten
    afgaan en op die manier bijvoorbeeld de
    aandacht van anderen te trekken.
    U kunt het paniekalarm alleen activeren,
    wanneer de auto stilstaat. Als u wegrijdt valt
    het alarmsignaal stil.
    De licht- en geluidssignalen die het diefstalalarm afgeeft verdwijnen na 3 minuten of
    eerder als u op een van de knoppen van de
    afstandsbediening drukt.
    U kunt het alarm als volgt geforceerd laten
    afgaan:
    • houd de knop
    langer dan
    2 seconden lang ingedrukt of doe het
    volgende als u in de auto zit;
    • houd een van de knoppen
    of
    het bestuurdersportier meer dan
    2 seconden lang ingedrukt.

    op

    U kunt het alarm als volgt weer uitschakelen:
    • druk op een van de knoppen van de
    afstandsbediening of, als u in de auto zit,
    op de knoppen
    of
    bestuurdersportier.

    op het

  • Page 60

    60

    Sloten en diefstalalarm

    Functies, overzicht
    Vergrendelen/
    activeren

    De richtingaanwijzers lichten eenmaal op.

    Ontgrendelen/
    deactiveren

    De richtingaanwijzers lichten tweemaal op.

    Ontgrendelen/
    deactiveren van
    bagageklep

    De richtingaanwijzers lichten driemaal op.

    Het alarm gaat af

    De richtingaanwijzers knipperen 5 minuten
    lang.
    De sirene klinkt 30 seconden lang met tussenpozen van 10 seconden en dat maximaal
    10 maal achtereen. U kunt de alarmsignalen
    opheffen door op een van de knoppen van de
    afstandsbediening te drukken of de afstandsbediening in het contactslot naar stand ON te
    draaien.

    Bewegingsmelder De bewegingsmelder laat het alarm afgaan,
    als er bewegingen in de passagiersruimte
    worden geregistreerd.
    Cabriolet: De bewegingsmelder wordt automatisch buiten werking gesteld bij het openen
    van de kap.
    Hellingssensor

    De hellingssensor laat het alarm afgaan, als
    er wijzigingen optreden in de hellingshoek die
    de auto had bij het vergrendelen.

    Afstandsbediening Het bereik van de afstandsbediening is normaal gesproken 5–15 meter.
    Onder gunstige omstandigheden is het
    bereik echter aanzienlijk groter.
    Bij gebruik van de afstandsbediening voor de
    zijruiten/het zonnedak 3/de kap (Cabriolet) is
    het bereik van de afstandsbediening beperkt
    tot ongeveer de helft van het normale bereik.
    Batterijtje
    Het batterijtje gaat normaal gesproken ca.
    afstandsbediening 4 jaar mee.
    Wanneer het batterijtje aan vervanging toe is,
    verschijnt de volgende melding op het SID:
    Remote control battery
    low. Replace battery. (Batterijtje afstandsbediening uitgeput. Vervang batterijtje.)
    Zie Batterijtje vervangen (zie blz. 54).
    Accuspanning
    auto

    Als de accu wordt losgekoppeld wanneer het
    alarm geactiveerd is, zal het alarm afgaan.

    Het is mogelijk enkele functies en signalen van het diefstalalarm
    te wijzigen. Voor meer informatie wordt u geadviseerd contact op
    te nemen met een erkende Saab-werkplaats (zie blz. 284).

  • Page 61

    Sloten en diefstalalarm

    61

    Quickguide, led en SID-melding
    Activiteit

    Led-signaal

    SID-melding

    Oorzaak/Maatregel

    Activering (vertragingstijd)

    Brandt 11 seconden lang.

    Alarm geactiveerd

    Om de 3 seconden een kort
    lichtsignaal.

    Key not accepted.
    Contact service. (Sleutel niet
    geaccepteerd. Bezoek een
    werkplaats.)

    Er wordt een fout geregistreerd
    bij het insteken van de
    afstandsbediening in het contactslot.

    Deactivering

    Dooft.

    Alarm niet geactiveerd

    Brandt niet.

    Eén van de portieren, de motorkap of de bagageklep staat open
    of wordt geopend tijdens de vertragingstijd.

    Gedurende 11 seconden korte
    lichtsignalen, vervolgens om
    de 3 seconden een kort lichtsignaal.

    Auto is geïmmobiliseerd maar
    niet vergrendeld.

    Brandt niet.

    Wijziging in de status van de
    Om de 3 seconden twee lichtsimmobilisatiefunctie, geldige
    ignalen.
    afstandsbediening in contactslot
    gestoken of uitgenomen.

    Remote control battery
    Vervang het batterijtje
    low. Replace battery. (Batterij- (zie blz. 54).
    tje afstandsbediening uitgeput. Vervang batterijtje.)
    Number of keys:
    Active key number:
    (Aantal sleutels:
    Actief sleutelnummer:)

    Controle van het aantal
    afstandsbediening dat aan uw
    auto gekoppeld is (zie blz. 54).

    Alarm tripped during
    last arming period. (Alarm
    afgegaan tijdens voorgaande
    activeringsduur.)

    Het alarm is afgegaan sinds de
    laatste maal dat u de auto vergrendelde.

    Saab Automobile AB verklaart dat de originele uitrusting voor afstandsbediening van de portiersloten en het alarm alsmede de uitrusting voor het
    decoderen van het immobilisatiesignaal van de motor in overeenstemming
    zijn met de essentiële vereisten van de R&TTE-richtlijn 1999/5/EG van het
    Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning
    van hun conformiteit.

  • Page 62

    62

    Sloten en diefstalalarm

    Tankvulklep handmatig
    openen 3
    Sport Sedan
    Als u de tankvulklep die wordt aangestuurd
    door de centrale vergrendeling niet kunt
    ontgrendelen, moet u de volgende maatregelen treffen.
    Controleer zekering 7 in de zekeringhouder
    aan de korte kant van het dashboard (zie
    blz. 242). Als deze zekering kapot is of na
    vervanging opnieuw doorbrandt, kunt u de
    tankvulklep als volgt handmatig openen.
    1 Open het klepje rechts in de bagageruimte. Haal de kunststof klinknagel los
    door de centrale pen 3 mm in te drukken
    (niet meer). Pak de kraag van de klinknagel vervolgens beet en trek de klinknagel naar buiten (zie ook blz. 233).
    2 Draai de twee schroeven los (zonder ze
    te verwijderen), haal ze omhoog en duw
    ze naar buiten toe.
    U kunt de tankvulklep vervolgens op de
    gebruikelijke manier openen.
    Tankvulklep handmatig openen,
    Cabriolet (zie blz. 81).

    Handmatig openen van tankvulklep

  • Page 63

    9-3 Cabriolet

    63

    9-3 Cabriolet
    Adviezen voor de
    bediening van de kap _
    Kap bedienen_________
    Kap handmatig sluiten _
    Waarschuwingen en
    meldingen die op SID
    kunnen verschijnen __
    “Easy Entry” _________
    Hoofdsteun __________
    Veiligheidsgordel,
    achterbank, Cabriolet_

    3 Een sterretje geeft aan dat de uitrusting niet op
    alle auto’s is aangebracht (afhankelijk van het
    model, het motortype, de marktspecificatie, de
    gekozen opties en/of accessoires).

    64
    65
    70

    73
    75
    76
    77

    Roll-over-bescherming__
    Elektrisch bediende
    zijruiten _____________
    Binnenverlichting ______
    Tankvulklep handmatig
    openen, Cabriolet _____
    Bagageklep handmatig
    ontgrendelen ________

    78
    79
    80
    81
    82

  • Page 64

    64

    9-3 Cabriolet

    Adviezen voor de
    bediening van de kap
    • Nadat de kap is gesloten en voordat u
    wegrijdt, moet u altijd controleren of de
    kap goed in de plafondbalk is vergrendeld
    (zie blz. 68).
    • Nadat de kap is geopend, moet u voor het
    wegrijden controleren of de kapafdekking
    is vergrendeld (zie blz. 66).
    • Bij temperaturen lager dan –5 °C mag u
    de kap niet bedienen.
    • Let erop dat sommige automatische
    wasstraten schade aan de kap kunnen
    veroorzaken. Dit geldt in het bijzonder
    voor wasstraten waar gebruik wordt
    gemaakt van mechanische voelsprieten.
    Saab raadt u dan ook af een Cabriolet in
    een automatische wasstraat schoon te
    maken.
    • Laat de kap na het wassen en regenbuien
    eerst goed drogen, voordat u deze opent.
    Het openen van een natte of vochtige kap
    kan waterschade aan het interieur of
    schimmeling van de kap veroorzaken.

    • Monteer geen lastdragers en skidragers
    op de kap.
    • Plaats in geen geval voorwerpen in het
    opbergvak voor de kap (onder de kapafdekking), aangezien ze de kap tijdens het
    openen hinderen.
    • Zorg dat er geen voorwerpen op de afdekking van de rolbeugels liggen die de
    werking van de roll-over-bescherming
    negatief kunnen beïnvloeden.
    • Zorg dat er geen bagage tegen het
    kapomhulsel van de kap ligt, omdat de
    kap er tijdens het openen sluiten door kan
    worden gehinderd.
    • Zorg dat u de kap altijd volledig opent of
    sluit totdat SID het sein klaar (geluidssignaal) geeft. Laat de kap niet halverwege
    staan, omdat de kap na 20 seconden snel
    omlaagzakt om de aandrijving tegen
    overbelasting te beschermen.
    • Kap schoonmaken (zie blz. 266).

    WAARSCHUWING
    • Kom tijdens het openen en sluiten van
    de kap niet aan de scharnieren en de
    geleiders van de kap en/of de bovenste kokerbalk van de voorruit.
    • Bedien de kap niet wanneer er
    omstanders dicht bij de auto staan.

  • Page 65

    9-3 Cabriolet

    Kap bedienen
    WAARSCHUWING
    • Kom niet aan de scharnieren en geleiderails bij het openen van de kap. Zorg
    dat u niet met uw handen bekneld
    raakt tussen de kap en de voorruitbalk.
    • Bedien de kap niet wanneer er
    omstanders dicht bij de auto staan.
    • Controleer na het openen van de kap
    of de kapafdekking goed vergrendeld
    is.
    • Controleer na het sluiten van de kap of
    de kap goed vastzit aan de bovenkant
    van de voorruit.

    N.B.
    Als u tijdens het openen en sluiten van de
    kap wegrijdt en daarbij sneller rijdt dan
    30 km/h, wordt de beweging van de kap
    onderbroken. Deze snelheidslimiet kan
    worden ingesteld op een willekeurige
    waarde (0–30 km/h). U wordt geadviseerd daarvoor contact op te nemen met
    een erkende Saab-werkplaats. De bewegingen van de auto en de rijwind die ontstaat kunnen ernstige schade toebrengen aan de onderdelen van het
    kapsysteem.

    Voordat u de kap bedient, moet u het hoofdstuk “Adviezen voor de bediening van de
    kap” op blz. 64 doorlezen.
    U bedient de kap met de schakelaar op het
    dashboard. Houd de schakelaar in de
    gewenste stand vast zolang de kap
    beweegt.
    Een geluidssignaal geeft aan dat de kap volledig geopend of gesloten is.
    Op blz. 73 staan de storingsmeldingen die
    op het SID kunnen verschijnen.
    Knop voor bediening van de kap

    a Rechtop zetten
    b Kap openen

    65

  • Page 66

    66

    9-3 Cabriolet
    Als u de kapbedieningsknop na het geluidssignaal omlaag blijft drukken, zullen alle
    ruiten na enige vertraging worden geopend.

    Kap openen
    De kap kan alleen worden geopend wanneer:

    Kap op afstand openen 3

    • de auto niet sneller rijdt dan
    30 km/h;

    U kunt de kap ook op afstand openen wanneer u naast de auto staat door op de ont-

    • de accuspanning hoger is dan 10 V;

    grendelingsknop
    op de afstandsbediening te drukken (zie ook blz. 125).

    • de buitentemperatuur hoger is dan –5 °C;
    • de bagageklep vergrendeld is;
    • de bagageruimte ruimte biedt voor de
    kap.
    Kap openen

    1 Start de motor en laat deze stationair
    lopen. Benodigde dakhoogte bij bediening van de kap: min. 2,2 m. Benodigde
    ruimte achter de auto, min. 5 cm.
    2 Druk de kapbedieningsknop omlaag en
    houd de knop in deze stand vast, totdat
    de kap volledig geopend en de kapafdekking gesloten is. Een geluidssignaal
    geeft aan dat de kap volledig geopend
    is. Eventuele storingen verschijnen in de
    vorm van een storingsmelding op het
    SID (zie blz. 73).
    Druk tijdens het bedienen van de kap
    niet op een andere knop in de buurt van
    de kapbedieningsknop op het dashboard. De kap komt dan namelijk tot stilstand en zakt ca. 20 seconden later
    omlaag.

  • Page 67

    9-3 Cabriolet

    1 De achterruit komt iets omhoog. Het
    kapomhulsel in de bagageruimte komt
    omlaag.
    2 De kapafdekking gaat open.

    a 2,2 m
    b 5 cm

    3 De kap wordt geopend.

    4 De kapafdekking gaat dicht.

    67

  • Page 68

    68

    9-3 Cabriolet
    Alle zijruiten worden tijdens het sluiten
    van de kap automatisch iets geopend
    om de afdichtrubbers te beschermen.
    Controleer of kap met de vergrendelingshaken vastzit aan de voorruitbalk.

    Kap sluiten
    De kap kan alleen worden gesloten wanneer:
    • de auto niet sneller rijdt dan 30 km/h;

    Als u de kapbedieningsknop na het geluidssignaal omhoog blijft drukken, zullen alle
    ruiten na enige vertraging worden gesloten.

    • de accuspanning hoger is dan 10 V;
    • de bagageklep vergrendeld is.

    Rechtop zetten

    1 Start de motor en laat deze stationair
    lopen. Benodigde dakhoogte bij bediening van de kap: min. 2,2 m. Benodigde
    ruimte achter de auto, min. 5 cm.
    2 Druk de kapbedieningsknop omhoog en
    houd de knop in deze stand vast, totdat
    de kap volledig gesloten en de kapafdekking dicht is. Een geluidssignaal
    geeft aan dat de kap volledig gesloten is.
    Eventuele storingen verschijnen in de
    vorm van een storingsmelding op het
    SID (zie blz. 73).
    Druk tijdens het bedienen van de kap
    niet op een andere knop in de buurt van
    de kapbedieningsknop op het dashboard. De kap komt dan namelijk tot stilstand en zakt ca. 20 seconden later
    omlaag.

  • Page 69

    9-3 Cabriolet

    1 De kapafdekking gaat open.

    2 De kap wordt gesloten.

    3 De kapafdekking gaat dicht.
    4 De achterruit komt omlaag.

    a 2,2 m
    b 5 cm

    69

  • Page 70

    70

    9-3 Cabriolet

    Kap handmatig sluiten
    WAARSCHUWING
    U mag de kap alleen geforceerd sluiten
    om deze in noodgevallen (bijvoorbeeld bij
    een elektrische storing) te sluiten.
    Wanneer u de kap handmatig sluit, mag u
    niet aan de kapbedieningsknop op het
    dashboard komen. U kunt anders verwondingen oplopen of schade toebrengen aan het kapmechanisme.
    Wanneer u de kap handmatig hebt gesloten, mag u deze niet handmatig openen.
    Het kapmechanisme kan dan namelijk
    schade oplopen.
    U kunt de kap pas handmatig sluiten wanneer er 20 seconden zijn verstreken sinds
    de laatste normale bediening van de kap
    (het hydraulisch systeem is dan drukloos
    geworden).
    Als de auto geen stroom heeft, moet u de
    bagageklep handmatig ontgrendelen
    (zie blz. 82).

    Beugel voor ontgrendeling van kapafdekking

    1 Pak een wielsleutel, een inbussleutel en
    een schroevendraaier.
    2 Verwijder de twee dekplaten (links en
    rechts) in de zijbekleding van de bagageruimte.
    Wanneer u met zijn tweeën bent, kunt u het
    beste elk aan een kant van de auto gaan
    staan om samen de punten 3–6 en 9–10 uit
    te voeren.
    3 Ontgrendel de kapafdekking door de
    twee beugels (links en rechts) naar
    voren te duwen.

    Positie van gereedschap onder vloerplaat
    bagageruimte

  • Page 71

    9-3 Cabriolet

    De kapafdekking gaat open

    4 Sluit de bagageklep volledig om te voorkomen dat de kapafdekking tegen de
    bagageklep aankomt.

    Begin van handmatig sluiten

    WAARSCHUWING

    5 Klap de kapafdekking naar achteren toe
    open.

    • Kom niet aan de scharnieren en geleiderails bij het sluiten van de kap.

    6 Klap de ruggedeelten van de voorstoelen voorover.

    • Houd uw handen uit de buurt van de
    voorruitbalk.
    • Er bestaat anders gevaar voor
    beknelling.

    71

    Kap wordt tegen voorruitbalk getrokken

    7 Voordat u de kap optilt, moet u de twee
    vergrendelingshaken aan de voorkant
    van de kap losmaken. Ga op de achterbank staan en schuif het dekplaatje met
    een schroevendraaier opzij (het
    dekplaatje zit midden tussen de
    vergrendelingshaken). Draai de cilinder
    met de stukken gereedschap zo ver
    rechtsom dat de vergrendelingshaken
    worden geopend.
    Ga op de achterbank staan, til de kap
    omhoog en trek deze naar de voorruit
    toe. Benodigde dakhoogte bij bediening
    van de kap: 2,2 m.

  • Page 72

    72

    9-3 Cabriolet

    De kap wordt op de voorruitbalk vergrendeld

    De kapafdekking wordt gesloten

    8 Ga op de ene voorstoel zitten en
    vergrendel de kap aan de voorruitbalk.
    Maak gebruik van de wielsleutel en de
    inbussleutel. Draai deze ongeveer een
    kwartslag linksom. Controleer of de kap
    vergrendeld is door de voorkant van de
    kap te proberen omhoog te duwen. De
    kap mag daarbij niet omhoogkomen.

    9 Til de achterruit volledig omhoog en
    houd de ruit in deze stand vast. Sluit de
    kapafdekking. Bij het handmatig sluiten
    van de kap kan de kapafdekking niet
    worden vergrendeld.

    N.B.
    Om lakschade aan de kapafdekking en
    de bagageklep te voorkomen moet u
    voorzichtig zijn bij het sluiten van de kap.
    10 Duw het achterste gedeelte van de kap
    zo ver mogelijk tegen de kapafdekking
    aan.

    De achterruit wordt op de kapafdekking
    vergrendeld

    11 U moet de achterruit vervolgens aan de
    kapvergrendeling vastzetten. Ga op de
    achterbank zitten en steek het gereedschap (hetzelfde stuk gereedschap dat
    u gebruikte om de kap aan de voorruitbalk te vergrendelen) in het zeskantige
    gat van het kapmechanisme. Draai het
    gereedschap een kwartslag linksom
    aan de rechterzijde en rechtsom aan de
    linkerzijde. Houd uw ogen op de kapafdekking terwijl u de achterruit vergrendelt. De achterruit moet goed op de
    kapafdekking aansluiten.
    Laat het kapsysteem zo spoedig mogelijk
    controleren en eventueel repareren. U
    wordt geadviseerd daarvoor contact op te
    nemen met een erkende Saab-werkplaats.

  • Page 73

    9-3 Cabriolet

    73

    Waarschuwingen en meldingen die op SID kunnen verschijnen
    Op het SID kunnen de onderstaande meldingen verschijnen met betrekking tot het kapsysteem. De meldingen gaan vergezeld van een
    geluidssignaal:

    Oorzaak

    Soft top front
    not locked. (Voorkant kap
    niet vergrendeld.)

    Soft top power pack
    overheated. (Kapbedieningsmotor oververhit.)

    De automatische vergrendeling van de kap op de • Verrijd de auto zodat deze horizontaal staat,
    voorruit is mislukt.
    als de auto op een steile helling stond.
    • Druk de kapbedieningsknop zo ver omlaag
    dat de kap van de voorruit afkomt. Onderbreek de openingsfunctie en sluit de kap
    opnieuw.
    Deze melding verschijnt, als de kap meer dan
    3 minuten achtereen wordt bediend.

    Move goods away from
    soft top storage area.
    (Bagage uit de buurt van
    kapomhulsel houden.)
    Operation at low temp.
    De kap werd geopend bij een buitentemperatuur
    may damaged soft top.
    lager dan –5 °C.
    (Bediening bij lage temp. kan
    kap beschadigen.)
    Only manual operation
    possible. (Alleen handmatige bediening mogelijk.)
    Soft top cover not
    locked. Try again. (Kapafdekking niet vergrendeld.
    Probeer het opnieuw.)

    Passende maatregel

    Wacht 6 minuten om de hydraulische pomp te
    laten afkoelen.
    Verplaats het obstakel dat de kap in de weg zit.

  • Page 74

    74

    9-3 Cabriolet
    De accu van de auto levert een te lage spanning
    Battery low. (Slecht geladen
    om de kap te kunnen bedienen.
    accu.)
    Soft top obstructed.
    Clear obstacles. (Kap wordt
    mogelijk gehinderd. Verwijder obstakel.)
    Complete soft top
    operation to open boot.
    (Bediening kap afronden om
    bagageklep te openen.)

    Beëindig de kapbediening.

    Complete soft top
    operation before driving.
    (Bediening kap afronden
    alvorens weg te rijden.)

    Beëindig de kapbediening.

    Sluit de bagageklep.

    Close boot.
    (Sluit bagageklep.)
    Driver seat unlocked.
    (Bestuurdersstoel niet vergrendeld.)

    Het ruggedeelte van de voorstoel staat niet
    geblokkeerd.

    Klap het ruggedeelte volledig naar achteren tot
    in de vergrendelde stand (zie blz. 75).

    Passenger front seat
    unlocked. (Passagiersstoel
    niet vergrendeld.)

    Het ruggedeelte van de voorstoel staat niet
    geblokkeerd.

    Klap het ruggedeelte volledig naar achteren tot
    in de vergrendelde stand (zie blz. 75).

  • Page 75

    9-3 Cabriolet

    75

    “Easy Entry”
    WAARSCHUWING
    • Controleer altijd of het ruggedeelte
    geblokkeerd staat, nadat u het weer
    rechtop hebt gezet.
    • Controleer of het verstelmechanisme
    voor de positie in de lengterichting
    goed vastzit. Zowel het ruggedeelte
    als het zitgedeelte moet geblokkeerd
    staan om de kans op verwondingen bij
    een remmanoeuvre of een aanrijding
    te beperken. Dit geldt in het bijzonder
    bij gebruik van een naar achteren
    gericht kinderzitje op de achterbank.
    Om het in- en uitstappen van de achterpassagiers te vereenvoudigen kunnen de voorstoelen naar voren gezet worden.
    Handmatig bediende stoelen

    1 Trek de handgreep bij de hoofdsteun
    omhoog.
    2 Klap het ruggedeelte voorover en duw
    de stoel naar voren.
    Terugzetten
    1 Klap het ruggedeelte achterover.
    2 Duw de stoel weer in de gewenste positie terug.
    Controleer of het ruggedeelte en de stoel
    goed geblokkeerd worden.

    “Easy Entry”-functie. De afbeelding toont een elektrisch bediende stoel 3
    Elektrisch bediende voorstoelen 3

    Resetten (stoelen zonder geheugen):

    1 Trek de handgreep bij de hoofdsteun
    omhoog.

    1 Klap het ruggedeelte terug, maar niet
    naar de oorspronkelijke positie.

    2 Klap het ruggedeelte voorover.

    2 Til de handgreep op en houd het in deze
    stand vast, totdat de stoel weer in de
    oorspronkelijke stand staat.

    3 De stoel gaat in de voorste stand staan.
    Resetten (stoelen met geheugen)
    1 Klap het ruggedeelte in de oorspronkelijke positie terug.
    2 Til de handgreep op en houd deze vast
    terwijl de stoel naar achteren schuift.
    Laat de handgreep los, wanneer de
    stoel weer in de oorspronkelijke positie
    staat.

    3 Laat de handgreep los en breng het
    ruggedeelte terug naar de vergrendelde
    stand.

  • Page 76

    76

    9-3 Cabriolet

    Hoofdsteun
    WAARSCHUWING
    Stel de hoogte van de hoofdsteun dusdanig af dat deze maximale steun biedt en
    de kans op nekletsel bij een eventuele
    aanrijding beperkt.
    De voorstoelen zijn uitgerust met SAHR
    (Saab Active Head Restraint). Dit systeem
    beperkt de kans op nekletsel bij aanrijdingen van achteren.
    SAHR is een mechanisch systeem dat door
    het lichaamsgewicht wordt geactiveerd. Het
    mechanisme is ingebouwd in het ruggedeelte en staat in verbinding met de hoofdsteun.
    Bij een aanrijding van achteren wordt het
    lichaam achteruit tegen het ruggedeelte
    aan geduwd. Het mechanisme in de stoel
    duwt de hoofdsteun tegelijkertijd naar voren
    toe omhoog. De achterwaartse beweging
    van het hoofd wordt zo beperkt.
    De hoofdsteunen voor kunt u in de hoogterichting verstellen en in een groot aantal
    verschillende standen zetten.
    De hoofdsteunen achter hebben twee standen: hoog en laag.
    • Omhoog: houd de hoofdsteun aan beide
    zijden vast en trek hem recht omhoog.

    Hoofdsteunen op voorstoelen

    • Omlaag: duw de linker pal in en duw de
    hoofdsteun omlaag.
    Wanneer er niemand op de achterbank zit,
    kunt u de hoofdsteunen helemaal achteroverkantelen om zo het zicht naar achteren
    toe te verbeteren.

    Hoofdsteunen op achterbank

  • Page 77

    9-3 Cabriolet

    Veiligheidsgordel,
    achterbank, Cabriolet
    De twee zitplaatsen op de achterbank zijn
    voorzien van een driepuntsgordel met automatisch oprolmechanisme.
    Doe de gordel om door deze langzaam naar
    buiten te trekken en de vergrendeltong in de
    gordelsluiting te duwen. Zorg dat de vergrendeltong goed in de gordelsluiting
    vastklikt.
    Pak het diagonale gedeelte van de gordel
    bij de gordelsluiting beet en trek de gordel
    naar de schouder toe omhoog om het heupgedeelte strak te trekken. Trek het heupgedeelte zo laag mogelijk over de heupen.
    Trek het diagonale gedeelte van de gordel
    zo ver mogelijk over uw schouder tegen de
    nek aan.
    Met een druk op de rode knop van de gordelsluiting kunt u de gordel losmaken.
    Voor informatie over het controleren en
    schoonmaken van de gordels e.d. (zie
    blz. 264).

    Veiligheidsgordel, achterbank, Cabriolet

    WAARSCHUWING
    • Lading op de achterbank moet u altijd
    zorgvuldig vastzetten met behulp van
    de veiligheidsgordel. Zo voorkomt u
    dat de lading in geval van een aanrijding naar voren schiet en verwondingen kan veroorzaken.
    • Zorg dat de gordel niet langs scherpe
    randen schuurt.
    • Zorg dat u gebruik maakt van de juiste
    gordelsluiting.
    Zie blz. 21 voor het verankeren van lading
    op de achterbank.

    77

  • Page 78

    78

    9-3 Cabriolet

    Roll-over-bescherming
    WAARSCHUWING
    • De roll-over-bescherming werkt met
    krachtige veren die de rolbeugels bij
    een aanrijding met kracht omhoogduwen. Als de rolbeugels niet goed vergrendeld zitten, is letsel niet uitgesloten.
    • Als u de rolbeugels na activering
    handmatig terugduwt, bieden ze bij
    een volgende aanrijding geen
    bescherming meer.
    De roll-over-bescherming maakt deel uit
    van de totale inzittendenbescherming van
    de auto die bestaat uit twee rolbeugels
    achter de hoofdsteunen van de twee zitplaatsen op de achterbank, het voorruitframe en de gordelspanners.
    De rolbeugels en de gordelspanners
    worden automatisch geactiveerd, als de
    auto bij een aanrijding over de kop slaat. De
    rolbeugels worden ook geactiveerd bij een
    frontale botsing of een aanrijding van opzij.

    Rolbeugel

    Als de rolbeugels om andere redenen
    omhooggekomen zijn, kunt u ze handmatig
    terugduwen. U moet daarvoor een blokkering bij de beide rolbeugels opheffen.
    Wanneer de rolbeugels omhooggekomen
    zijn, mag u de kap niet bedienen.
    1 Hef de blokkering op en duw de rolbeugel stevig zo ver omlaag dat deze
    geblokkeerd staat.
    2 Monteer de twee dekplaten.
    Als u de rolbeugels handmatig omlaaggeduwd hebt, moet u ze zo spoedig mogelijk
    laten controleren. U wordt geadviseerd
    daarvoor contact op te nemen met een
    erkende Saab-werkplaats.

    Blokkering van de rolbeugel opheffen

  • Page 79

    9-3 Cabriolet
    Sluiten

    Elektrisch bediende
    zijruiten

    Kap gesloten – de zijruiten worden ieder
    afzonderlijk gesloten.
    Kap geopend – beide zijruiten zijn te sluiten
    met de knop voor de voorste zijruit.

    WAARSCHUWING

    Voorste zijruiten automatisch sluiten:
    Trek de knop volledig omhoog en laat deze
    weer los. De achterste zijruiten moeten volledig gesloten zijn. De voorste zijruiten zijn
    verkrijgbaar met klembeveiliging 3.

    Let op het gevaar voor beknelling tijdens
    het sluiten van de zijruiten om ernstig of
    dodelijk letsel te voorkomen.
    • Haal bij het verlaten van de auto altijd
    de afstandsbediening uit het contactslot. Dit om te voorkomen dat kinderen
    met de elektrisch bediende zijruiten
    kunnen gaan spelen en ze kunnen
    activeren.
    • Zorg dat eventuele passagiers, en dan
    met name kinderen, niet met hun
    hoofd, handen of vingers in de raamopening zitten bij het sluiten van de
    zijruiten.

    79

    Bediening, zijruiten

    Openen
    Kap gesloten – de zijruiten worden ieder
    afzonderlijk geopend.
    Kap geopend – beide zijruiten zijn te
    openen met de knop voor de voorste zijruit.
    Automatisch openen: Druk de knop volledig omlaag en laat deze weer los. Als de kap
    geopend is, worden ook de achterste zijruiten geopend.

    Zie blz. 125 voor meer informatie over de
    elektrisch bediende zijruiten.

    Elektrische bediening van zijruit
    passagiersportier buiten
    werking stellen
    Met de knop
    op het bestuurdersportier
    kunt u de knoppen voor de ruitbediening op
    het passagiersportier buiten werking stellen.
    Het symbool op de knop verandert daarbij
    van groen in oranje (buiten werking).

  • Page 80

    80

    9-3 Cabriolet

    Elektrisch bediende zijruiten
    vooraan met klembeveiliging
    afstellen 3
    De elektrisch bediende zijruiten moeten
    worden afgesteld, wanneer de automatische sluitingsfunctie niet werkt of als de
    auto stroomloos is geweest. De klembeveiliging werkt namelijk pas na afstelling.
    Voor afstelling geldt het volgende:
    1 De kap moet zijn gesloten.
    2 De portieren en de achterste zijruiten
    moeten zijn gesloten.
    3 De motor moet stationair lopen.
    4 Houd de kapbedieningsknop net zolang
    omhoog totdat u een belsignaal hoort.
    Tijdens het afstellen zullen de vier zijruiten enkele malen op en neer bewegen.
    Als de afstelling tweemaal achtereen mislukt, moet u de auto laten controleren en zo
    nodig repareren. U wordt geadviseerd daarvoor contact op te nemen met een erkende
    Saab-werkplaats.
    Klembeveiliging tijdelijk buiten werking
    stellen (zie blz. 127).

    Binnenverlichting
    De binnenverlichting bestaat uit een plafondlampje, twee leeslampjes voorin, verlichting van de voetruimte en instapverlichting in de portieren. De schakelaars zitten
    op de plafondconsole.
    De binnenverlichting licht op:
    • wanneer u een van de portieren opent
    terwijl het contact is uitgeschakeld;
    • wanneer u de afstandsbediening uit het
    contact neemt.
    De verlichting dooft:
    • wanneer u de auto vergrendelt;
    • wanneer u het contact inschakelt;
    • ca. 20 seconden na het sluiten van de
    portieren.

    Binnenverlichting voorin, Cabriolet
    1 Linker leeslampje
    2 Interieurlampje
    3 Rechter leeslampje

    De verlichting dooft geleidelijk.

    vergrendelt, gaat de verlichting weer over
    op portiergestuurde inschakeling.

    Als u de portieren laat openstaan terwijl u
    het contact hebt uitgeschakeld, zal de binnenverlichting na 5 minuten automatisch
    doven om te voorkomen dat de accu uitgeput raakt.

    De verlichting van het dashboardkastje gaat
    branden, wanneer u de klep van het kastje
    opent. De verlichting dooft weer, wanneer u
    de klep sluit.

    De binnenverlichting kan geheel worden uitgeschakeld.
    1 Open het bestuurdersportier.
    2 Schakel de binnenverlichting uit met de
    middelste knop.
    De volgende keer dat u het contact inschakelt of de auto vanaf de afstandsbediening

    Gloeilampen vervangen (zie blz. 235).

  • Page 81

    9-3 Cabriolet
    Zonneklep
    Op de zonnekleppen zit een make-upspiegeltje met verlichting. De verlichting gaat
    branden, zodra u het spiegelklepje opent.

    Bagageruimteverlichting
    De verlichting van de bagageruimte licht
    op/dooft, wanneer u de bagageklep opent of
    sluit.
    Als u de bagageklep langer dan 20 minuten
    laat openstaan, zal de verlichting automatisch doven om te voorkomen dat de accu
    uitgeput raakt.
    Gloeilampen vervangen (zie blz. 237).

    Tankvulklep handmatig
    openen, Cabriolet
    Als u de tankvulklep die wordt aangestuurd
    door de centrale vergrendeling niet kunt
    ontgrendelen, moet u de volgende maatregelen treffen.
    Controleer zekering 7 in de zekeringhouder
    aan de korte kant van het dashboard (zie
    blz. 242). Als deze zekering kapot is of
    meteen na vervanging opnieuw doorbrandt,
    kunt u de tankvulklep als volgt handmatig
    openen.
    1 Open de twee ronde inkepingen in de
    rechter zijbekleding van de bagageruimte.
    2 Draai de twee schroeven los (zonder ze
    te verwijderen).
    3 Haal de schroeven uit de gaten. U moet
    de tankvulklep nu vanaf de buitenzijde
    kunnen openen.
    Tankvulklep handmatig openen 3
    (zie blz. 62).

    Handmatig openen van tankvulklep

    81

  • Page 82

    82

    9-3 Cabriolet
    Spoiler op bagageklep 3

    Bagageklep handmatig
    ontgrendelen

    WAARSCHUWING

    Als de bagageklep niet via de centrale vergrendeling ontgrendeld wordt, kunt u de
    bagageklep handmatig ontgrendelen.

    Bij bepaalde varianten zit er een spoiler
    op de bagageklep. In dat geval bestaat
    het gevaar dat u bij het sluiten van de klep
    bekneld raakt tussen de spoiler en het
    achterspatbord.

    1 Haal de traditionele sleutel uit de
    afstandsbediening door op het
    embleem op de achterkant van de
    afstandsbediening te drukken (zie
    blz. 51).
    2 Haal het ronde dekplaatje voorzichtig
    los met bijvoorbeeld een nagel of een
    creditcard om de lak niet te beschadigen.
    3 Ontgrendel de bagageklep met de traditionele sleutel.
    U wordt geadviseerd contact op te nemen
    met een erkende Saab-werkplaats om
    het vergrendelingssysteem te laten
    controleren.

    Windscherm 3
    Bagageklep handmatig ontgrendelen

    Er is een windafbuigplaat als accessoire
    verkrijgbaar. Volg de montagevoorschriften
    die bij de windafbuigplaat geleverd worden
    nauwkeurig op.

  • Page 83

    Instrumenten en bediening

    83

    Instrumenten en bediening
    Waarschuwings- en
    controlelampjes ______
    Instrumenten __________
    SID (Saab Information
    Display) _____________
    Schakelaars ___________
    Wissers en sproeiers ___
    Automatische
    klimaatregeling (ACC) _

    3 Een sterretje geeft aan dat de uitrusting niet op
    alle auto’s is aangebracht (afhankelijk van het
    model, het motortype, de marktspecificatie, de
    gekozen opties en/of accessoires).

    84
    90
    92
    102
    108
    112

  • Page 84

    84

    Instrumenten en bediening

    Hoofdinstrument

    Waarschuwings- en
    controlelampjes
    Welke waarschuwingen en aanduidingen er
    kunnen verschijnen hangt af van de motorvariant en het uitrustingsniveau.

    Waarschuwingslampje,
    ABS
    Het waarschuwingslampje voor het ABS
    gaat branden, wanneer er een storing in het
    anti-blokkeerremsysteem optreedt.
    De volgende aanduiding verschijnt op het
    SID:

    Hoofdinstrument
    1
    2
    3
    4

    Toerenteller
    Snelheidsmeter
    Turbodrukmeter 3
    Brandstofniveaumeter

    Antilock brake malfunc.
    Contact service. (Storing
    anti-blokkeerremsysteem.
    Bezoek een werkplaats.)
    5 Temperatuurmeter, motor
    6 Informatievenster, SID
    7 Resetknop, dagteller

    Het remsysteem werkt dan weliswaar maar
    zonder ABS-regeling.

  • Page 85

    Instrumenten en bediening
    Waarschuwingslampje,
    oliedruk (motorolie)

    Waarschuwing,
    laadstroom
    Het lampje brandt, wanneer de accu niet
    wordt opgeladen door de dynamo. Als het
    lampje tijdens het rijden oplicht, moet u de
    auto zo spoedig mogelijk tot stilstand brengen en de motor afzetten.
    De volgende aanduiding verschijnt op het
    SID:
    Battery not charging.
    Make a safe stop. (Accu wordt
    niet bijgeladen. Breng auto
    veilig tot stilstand.)
    Aandrijfriem controleren (zie blz. 222).

    Waarschuwing,
    bandenspanning 3
    Het waarschuwingslampje voor de bandenspanning gaat branden, wanneer de bandenspanning van één of meer banden te
    laag is (zie blz. 247).
    Hieronder staat een voorbeeld van een
    mogelijke displaymelding op het SID:
    Tyre pressure low,
    rear left. Check tyres. (Bandenspanning laag, linksachter. Controleer banden.)

    Het waarschuwingslampje voor de oliedruk
    licht op, als de oliedruk in de motor te laag
    is. Als het waarschuwingslampje tijdens het
    rijden gaat knipperen of branden, moet u
    onmiddellijk stoppen, de motor afzetten en
    het oliepeil controleren (zie blz. 213).

    N.B.
    Wanneer het waarschuwingslampje voor
    de oliedruk brandt, mag u absoluut niet
    met de auto verder rijden. Een lage oliedruk leidt tot ernstige schade aan de
    motor.
    De volgende aanduiding verschijnt op het
    SID:
    Oil pressure low.
    Make a safe stop. (Oliedruk
    laag. Breng auto veilig tot stilstand.)

    85

    Storingsmelding, motor
    (CHECK ENGINE)
    WAARSCHUWING
    De storingsmelding CHECK ENGINE
    gaat branden, als er sprake is van een
    storing in de motorfunctie. Hoewel u
    verder kunt rijden wanneer de storingsmelding CHECK ENGINE oplicht, is het
    raadzaam de auto zo snel mogelijk te
    laten controleren. U wordt geadviseerd
    daarvoor contact op te nemen met een
    erkende Saab-werkplaats.
    Als u de storing niet laat verhelpen, kan er
    ernstige gevolgschade aan de auto ontstaan. Daarbij kunnen er problemen tijdens het rijden optreden. Als dat laatste
    het geval is, moet u de nodige maatregelen nemen (zoals voorzichtig remmen, de
    versnellingspook/keuzehendel in de neutrale stand zetten, de auto op een passende plek tot stilstand brengen en het
    contact uitschakelen).

  • Page 86

    86

    Instrumenten en bediening

    Het lampje voor de storingsmelding gaat
    branden, wanneer er een storing optreedt in
    het brandstof- of ontstekingssysteem.
    U kunt dan alleen nog voorzichtig en met
    een beperkt motorvermogen rijden
    (zie blz. 156).
    De volgende melding verschijnt op het SID:
    Reduced engine power.
    Contact service. (Beperkt
    motorvermogen. Bezoek een
    werkplaats.)

    Voorste mistlichten 3
    Het controlelampje voor de voorste mistlichten gaat branden, wanneer de mistlichten
    voor ontstoken is (zie blz. 106).

    Controlelampje,
    mistachterlicht

    N.B.

    Het controlelampje voor het mistachterlicht
    licht op, wanneer het mistachterlicht brandt
    (zie blz. 105).

    Laat de auto onmiddellijk nakijken om
    ernstige gevolgschade te voorkomen.
    U wordt geadviseerd daarvoor contact op
    te nemen met een erkende Saabwerkplaats.

    Het mistachterlicht wordt automatisch uitgeschakeld bij het afzetten van de motor.
    Als u de motor vervolgens opnieuw start,
    gaat het mistachterlicht pas weer branden
    wanneer u de schakelaar voor het mistachterlicht nogmaals indrukt.

    Controlelampje, groot
    licht
    Het controlelampje voor het groot licht gaat
    branden, wanneer het groot licht ontstoken
    is (zie blz. 102).

    Waarschuwingslampje,
    voetrem
    Het waarschuwingslampje voor de voetrem
    gaat branden, wanneer het peil in het remvloeistofreservoir te laag is (zie blz. 218).
    De volgende aanduiding verschijnt op het
    SID:
    Brake fluid level low.
    Make a safe stop. (Peil remvloeistof laag. Breng auto
    veilig tot stilstand.)

    WAARSCHUWING
    • Rijd nooit met de auto als het bovenstaande controlelampje en tekstmelding tegelijkertijd worden weergegeven. De kans bestaat dat de rem
    wegvalt.
    • Als het peil in het remvloeistofreservoir tot onder het MIN-streepje is
    gezakt, moet u de auto door een bergingsdienst laten wegslepen.
    • Laat het remsysteem onmiddellijk
    nakijken. U wordt geadviseerd daarvoor contact op te nemen met een
    erkende Saab-werkplaats.
    Stop voor de zekerheid om het remvloeistofpeil in het reservoir te controleren
    (zie blz. 218).

  • Page 87

    Instrumenten en bediening
    Als het peil in orde is moet u het rempedaal
    twee- tot driemaal stevig intrappen en vervolgens het remvloeistofpeil opnieuw controleren. Als het peil dan nog steeds in orde
    is, kunt u – heel voorzichtig – verder rijden
    naar de dichtstbijzijnde werkplaats om het
    remsysteem te laten nakijken. U wordt
    geadviseerd daarvoor contact op te nemen
    met een erkende Saab-werkplaats.
    Het remsysteem is voorzien van een speciale regeling die EBD (Electronic Brakeforce Distribution) wordt genoemd. Deze
    regeling verdeelt de remdruk dusdanig over
    de voor- en achterwielen, dat het remvermogen ongeacht de belasting altijd optimaal is.
    Bij een storing in de EBD-regeling gaan de
    volgende waarschuwingslampjes
    ,
    en
    branden. De volgende aanduiding
    verschijnt bovendien op het SID:
    Brake malfunction.
    Make a safe stop. (Storing
    remmen. Breng auto veilig tot
    stilstand.)

    Als dat gebeurt, moet u voorzichtig verder
    rijden en zo spoedig mogelijk contact opnemen met een werkplaats U wordt geadviseerd daarvoor contact op te nemen met
    een erkende Saab-werkplaats (zie Waarschuwingslampje, voetrem, blz. 86, Waarschuwingslampje, ABS, blz. 84 en Controlelampje, TCS OFF of ESP® OFF 3 ,
    blz. 89).

    Waarschuwingslampje,
    veiligheidsgordel
    Het lampje brandt als de bestuurder de veiligheidsgordel niet heeft omgedaan
    (zie blz. 16).

    87

    Waarschuwingslampje,
    handrem
    Het waarschuwingslampje voor de handrem gaat branden, wanneer u de handrem
    aanzet (zie blz. 182).
    De handrem werkt mechanisch op de achterwielen.

    WAARSCHUWING
    • Trek bij het parkeren altijd de handrem
    aan.
    • Trek altijd de handrem aan, voordat u
    de afstandsbediening uit het contact
    neemt.
    • Gebruik de handrem niet tijdens het
    rijden (zie blz. 182).
    Als u wegrijdt met de handrem aangetrokken, verschijnt de volgende melding op het
    SID:
    Release park brake.
    (Haal auto van handrem.)

  • Page 88

    88

    Instrumenten en bediening
    Controlelampje,
    brandstofreserve

    Controlelampje,
    cruisecontrol 3

    Het waarschuwingslampje voor de brandstofreserve gaat branden, wanneer er
    minder dan ca. 10 liter brandstof in de
    brandstoftank zit (zie ook de functie D.T.E.
    (actieradius) op blz. 93).

    Het lampje brandt wanneer het systeem is
    ingeschakeld. zie blz. 173.

    Waarschuwing, airbag
    Het lampje brandt wanneer er een storing in
    het airbagsysteem is ontstaan (zie blz. 35).
    De volgende aanduiding verschijnt op het
    SID:
    Airbag malfunction.
    Contact service. (Storing airbags. Bezoek een werkplaats.)

    WAARSCHUWING
    • Wanneer het waarschuwingslampje
    voor het airbagsysteem een storing
    aangeeft, werkt het airbagsysteem
    niet meer naar behoren.
    • Laat het systeem in dat geval onmiddellijk nakijken bij een werkplaats.
    U wordt geadviseerd daarvoor contact op te nemen met een erkende
    Saab-werkplaats.
    Het lampje brandt ca. 4 seconden lang,
    wanneer u het contact naar de start- of
    rijstand draait.

    N.B.
    Wanneer u de brandstoftank helemaal
    leegrijdt, bestaat het gevaar dat er met de
    brandstof mee lucht de motor in wordt
    gepompt. De temperatuur in de katalysator kan daardoor zo hoog oplopen dat
    deze beschadigd raakt.
    Modellen met een dieselmotor: Wanneer
    u de tank hebt leeggereden (zie blz.164).

    Controlelampje,
    koplampen en
    stadslichten
    Het controlelampje licht op, wanneer u de
    koplampen of de stadslichten hebt ingeschakeld.

    Het onderstaande controlelampje is
    alleen aanwezig op auto’s met een dieselmotor

    Controlelampje,
    gloeibougie
    (modellen met een
    dieselmotor)
    Het controlelampje voor de gloeibougie
    gaat branden, wanneer de koelvloeistoftemperatuur van de motor lager is dan
    +5 °C als u de afstandsbediening in het contactslot naar stand ON draait. Wacht met
    het starten van de motor, totdat het controlelampje is gedoofd (zie blz. 155).

  • Page 89

    Instrumenten en bediening
    Controlelampje.
    TCS of ESP® 3

    WAARSCHUWING

    Controlelampje,
    TCS OFF of ESP® OFF 3

    In normale rijomstandigheden verhoogt
    het TCS de veiligheid en het rijcomfort,
    maar beschouw het systeem niet als een
    vrijbrief om sneller te kunnen rijden.
    Betracht altijd de nodige voorzichtigheid
    bij het nemen van bochten en het rijden
    over gladde wegen (zie blz.177/179).

    Het controlelampje voor het TCS gaat branden, wanneer het systeem in werking
    treedt.

    Het controlelampje gaat branden wanneer
    het systeem wordt uitgeschakeld (zie
    blz. 178/180).

    Wanneer het TCS of ESP®-systeem in werking treedt, is er sprake van een verlaagde
    frictie tussen de banden en het wegdek.
    U moet dan ook extra voorzichtig rijden.

    De volgende aanduiding verschijnt op het
    SID als er een storing in een van de systemen is opgetreden:
    Traction control failure.
    Contact service. (Storing
    aandrijfregelsysteem.
    Bezoek een werkplaats.)

    WAARSCHUWING

    In normale rijomstandigheden verhoogt
    het TCS de veiligheid en het rijcomfort,
    maar beschouw het systeem niet als een
    vrijbrief om sneller te kunnen rijden.
    Betracht altijd de nodige voorzichtigheid
    bij het nemen van bochten en het rijden
    over gladde wegen (zie blz.177/179).

    Als er een storing ontstaat, kan het symbool
    niet worden gedoofd.

    89

    of
    Stability control failure.
    Contact service. (Storing
    stabiliteitsprogramma.
    Bezoek een werkplaats.)

    Laat het systeem in dat geval nakijken bij
    een werkplaats. U wordt geadviseerd daarvoor contact op te nemen met een erkende
    Saab-werkplaats.
    Zie ook het hoofdstuk Traction Control
    System (TCS), blz. 177/Electronic Stability
    Program (ESP®) 3 , blz. 179.

  • Page 90

    90

    Instrumenten en bediening

    Lampcontrole
    De bovenstaande waarschuwings- en controlelampjes moeten gaan branden, wanneer u het contact naar stand ON draait.
    De lampjes moeten ca. 4 seconden na het
    aanslaan van de motor weer doven of wanneer tijdens een interne controle gebleken
    is, dat de gecontroleerde functies/systemen
    feilloos werken.

    Instrumenten
    Toerenteller
    De toerenteller geeft het aantal duizenden
    omwentelingen aan dat de motor per minuut
    maakt.
    Een beveiligingsfunctie (de brandstoftoevoer wordt onderbroken) beperkt het motortoerental in het rode veld van de teller.

    Snelheidsmeter
    De snelheidsmeter geeft de snelheid van de
    auto aan in km/h (kilometer per uur). De
    snelheidsmeter ontvangt daartoe gegevens
    vanaf de wielsensoren van het ABS.

  • Page 91

    Instrumenten en bediening

    91

    N.B.
    Als de wijzernaald ondanks deze maatregelen in het rode gebied blijft staan, moet
    u de auto tot stilstand brengen en de
    motor enige tijd stationair laten lopen. Als
    de wijzernaald verder in het rode gebied
    uitslaat, moet u de motor afzetten.

    Temperatuurmeter
    Deze temperatuurmeter voor de motor
    geeft de koelvloeistoftemperatuur van de
    motor aan. Onder normale omstandigheden moet de wijzernaald in het midden van
    het veld staan.
    Als de wijzernaald naar het rode gebied
    kruipt (hetgeen mogelijk is bij een hoge buitentemperatuur of bij een zware belasting
    van de motor), moet u de hoogst mogelijke
    versnelling inschakelen en bij een zo laag
    mogelijk toerental en niet onnodig terugschakelen.

    Als de wijzernaald herhaaldelijk tot in het
    rode gebied uitslaat, moet u de auto zo
    spoedig mogelijk op een geschikte plaats
    tot stilstand brengen en het koelvloeistofpeil
    controleren (zie blz. 216).

    WAARSCHUWING
    Draai de dop van het expansiereservoir
    nooit in een keer helemaal los, wanneer
    de motor nog warm is. Draai de dop voorzichtig los! Door de overdruk in het koelsysteem kan er stoom en koelvloeistof
    met kracht naar buiten stromen.

    Turbodrukmeter 3
    De turbodrukmeter geeft de druk in het
    inlaatsysteem aan, hetgeen een maat vormt
    voor de belasting van de motor.
    Bij een geringe belasting van de motor
    beweegt de wijzernaald zich binnen het
    witte vak.
    In bepaalde atmosferische omstandigheden kan het gebeuren dat de wijzernaald tot
    net in het rode vak uitslaat. Dit houdt echter
    niet in dat er iets mis is.

  • Page 92

    92

    Instrumenten en bediening

    Als de wijzernaald echter herhaalde malen
    tot in het rode vak uitslaat en de motor tegelijkertijd aan vermogen verliest doordat het
    controlesysteem de laaddruk beperkt, moet
    u onmiddellijk contact opnemen met een
    werkplaats. U wordt geadviseerd daarvoor
    contact op te nemen met een erkende
    Saab-werkplaats.
    Als de snelheid oploopt tot boven 230 km/h,
    wordt een verdere snelheidstoename
    beperkt door een verlaging van de laaddruk.
    De wijzernaald van de drukmeter kruipt dan
    naar het midden van het witte gebied.
    Dit geeft aan dat het motorvermogen en
    daarmee ook de snelheid van de auto zijn
    verlaagd.

    SID (Saab Information
    Display)
    Op het SID verschijnen verschillende soorten informatie: kilometer- en dagteller,
    waarschuwingen, meldingen en boordcomputergegevens.

    Brandstofmeter
    Wanneer er minder dan ca. 10 liter in de
    tank zit, zal er een controlelampje op het
    hoofdinstrument gaan branden.
    Tanken (zie blz. 160).

    • In het linkerdeel wordt de gekozen
    versnelling weergegeven (auto’s met
    automaatbak).
    • Op de bovenste regel worden boordcomputergegevens weergegeven en op de
    onderste de kilometer- en dagtellers.
    Als er een melding wordt weergegeven

    Kilometer- en dagteller worden gedoofd
    wanneer de tekstmelding uit twee regels
    bestaat.
    • In het linkerdeel wordt het symbool weergegeven dat bij de tekstmelding hoort.
    Op blz.285 staan de verschillende waarschuwingen en aanduidingen die op het SID
    kunnen verschijnen.
    Als er meerdere meldingen zijn staat er een
    plusteken links van de tekst van de eerste
    melding. Iedere melding wordt
    10 seconden lang weergegeven.

  • Page 93

    Instrumenten en bediening

    93

    Druk op de CLR-knop om de SID-melding te
    bevestigen. Meldingen die worden bevestigd maar niet worden verholpen, verschijnen de volgende keer dat de motor wordt
    gestart opnieuw.

    Boordcomputerfuncties van SID

    Bij het afzetten van de motor verschijnen ter
    herinnering de waarschuwingen/meldingen
    die nog actief zijn. Ook ziet u dan welke
    waarschuwingen/meldingen u hebt bevestigd met de CLR-knop.

    Verricht de instellingen voor de verschillende functies van de boordcomputer in
    een stilstaande auto om te voorkomen
    dat uw aandacht voor het verkeer verslapt.

    Bepaalde systemen van de auto, zoals de
    klimaatregeling, zijn naar wens in te stellen
    (zie blz. 98).

    De boordcomputer is in twee varianten
    leverbaar: SID1 en SID2. Welke variant de
    auto heeft, wordt door de uitrustingsgraad
    bepaald.

    WAARSCHUWING

    Kilometer- en dagteller

    Resetknop

    De kilometerteller geeft de afgelegde
    afstand in kilometers en de dagteller in kilometers en honderden meters aan. Deze
    gaat branden als u de auto ontgrendelt of
    als het portier wordt geopend en de auto
    niet vergrendeld is. In de overige gevallen
    kan deze door een druk op de resetknop
    gaan branden.

    U vindt de resetknop meteen links van de
    snelheidsmeter.

    De kilometer- en dagtellers verdwijnen als
    er een melding met twee tekstregels wordt
    weergegeven.

    Reset de dagteller door op de resetknop te
    drukken als het contact is ingeschakeld.

    SID1 bevat de volgende functies:
    Temp

    Buitentemperatuur

    D.T.E.

    Actieradius met de resterende hoeveelheid brandstof. Wanneer de
    actieradius kleiner is dan
    30 km, verschijnt de tekst
    Refill fuel now. (Tanken)

    Fuel Ø

    Gemiddeld brandstofverbruik sinds laatste reset

  • Page 94

    94

    Instrumenten en bediening

    SID2 3 bevat ook de volgende functies:
    Dist

    Afstand tot punt van
    bestemming.
    Deze functie kan tevens
    dienstdoen als dagteller.
    Als u zowel de afstand als
    de berekende snelheid
    aangeeft, krijgt u een
    berekende aankomsttijd
    (zie blz. 96).

    Speed Ø

    Gemiddelde snelheid

    Speed W

    Snelheidswaarschuwing

    Settings
    Instelling van bijvoorbeeld
    (Instellingen) alarmtijd, taal,
    regensensor 3
    Phone 3
    (Telefoon)

    Verwerking van bijvoorbeeld nummerlijsten (zie
    het Infotainment-boekje).

    Bij het starten van de motor verschijnt de
    functie die u geselecteerd had toen de
    motor werd afgezet. Daarop gelden de volgende uitzonderingen:
    • Temp verschijnt als de buitentemperatuur tussen –3 °C en +3 °C ligt.
    • D.T.E. verschijnt als de actieradius overeenkomt met 50 km of minder.

    Buitentemperatuur

    WAARSCHUWING
    Let erop dat het wegdek glad kan zijn, ook
    al ligt de temperatuur boven +3 °C. Dit
    geldt met name op bruggen en in de schaduw.
    De functie Temp wordt altijd geactiveerd
    (ook wanneer NIGHTPANEL actief is), wanneer de buitentemperatuur een waarde
    tussen –3 °C en +3 °C bereikt.
    Als de temperatuursensor, die onder de
    voorbumper zit, bedekt is met sneeuw, is de
    temperatuuraanduiding minder betrouwbaar.

    Een waarde instellen

    1 Kies de functie met de stuurknoppen,
    of .
    • Dist (standaardwaarde van 100 km als
    u geen andere waarde hebt opgegeven)
    • Speed Ø

    • Speed W (standaardwaarde van
    90 km/h)
    2 Houd de knop SET ingedrukt totdat er
    een geluidssignaal klinkt.
    3 Druk op de stuurknoppen om de waarde
    te wijzigen. (U kunt de waarde op nul
    stellen met de CLR-knop.)
    4 Sluit af met een druk op de knop SET.

  • Page 95

    Instrumenten en bediening
    Dist als dagteller gebruiken

    1 Kies Dist met de stuurknoppen,
    of .
    2 Houd de CLR-knop ca. 1 seconde lang
    ingedrukt.

    Boordcomputer resetten

    1 Houd de CLR-knop ingedrukt
    (ca. 3 seconden), totdat er een geluidssignaal klinkt.
    De volgende functies worden gereset:

    Rechts op het display licht vervolgens een
    pijltje op om aan te geven dat de dagteller
    actief is.

    • Fuel Ø (de waarde wordt teruggezet naar
    10l/100 km)

    Bepaalde functie resetten

    • D.T.E. (de waarde wordt teruggezet naar
    de actieradius met de actuele hoeveelheid brandstof bij een brandstofverbruik
    van 10l/100 km; bij een lager verbruik is
    de actieradius groter)

    1 Kies met de stuurknoppen de functie die
    u op nul wilt stellen.
    • Fuel Ø (de waarde wordt teruggezet naar
    10l/100 km)
    • Speed Ø

    • Trip (Dist gebruikt als dagteller)
    2 Houd de CLR-knop ca. 1 seconde lang
    ingedrukt.
    U hebt de door u geselecteerde functie
    daarmee gereset.

    • Speed Ø

    • Trip (Dist gebruikt als dagteller)

    95

    Snelheidswaarschuwing

    De waarde is standaard ingesteld op
    90 km/h. U kunt deze waarde instellen op
    een willekeurige waarde tussen
    0-250 km/h.
    1 Kies Speed W met de stuurknoppen,
    of .
    2 Houd de knop SET ingedrukt totdat er
    een geluidssignaal klinkt.
    3 Kies de snelheid met de stuurknoppen.
    4 Sluit af met een druk op de knop SET.
    Achteruit/terug met de CLR-knop.
    Het woord ON (Aan) rechts op het display
    geeft aan dat de snelheidswaarschuwing
    actief is.
    Als u de ingestelde snelheidslimiet overschrijdt, wordt er een geluidssignaal afgegeven.
    Schakel de functie uit met de CLR- knop.
    Schakel de functie weer in met de SETknop.

  • Page 96

    96

    Instrumenten en bediening

    Aankomsttijd berekenen

    (Hoe laat kom ik op het punt van bestemming aan als ik de af te leggen afstand
    weet?)

    De berekende aankomsttijd wordt rechts op
    het display weergegeven.

    Aankomsttijd bij een bepaalde
    gemiddelde snelheid berekenen

    Als u een pauze inlast, wordt deze tijd bij de
    eerdere berekende aankomsttijd opgeteld.

    (Hoe laat kom ik op het punt van bestemming aan als ik de af te leggen afstand en
    de aan te houden gemiddelde snelheid
    weet?)

    U dient deze instelling voor het vertrek te
    verrichten.

    Tijdens de reis kunt u Dist kiezen om de
    berekende aankomsttijd af te lezen.

    Om de aankomsttijd te kunnen berekenen
    moet u eerst de afstand tot het punt van
    bestemming opgeven.

    Tegelijkertijd kunt u aflezen hoever u nog
    moet rijden.

    1 Kies Dist met de stuurknoppen,
    of .
    2 Houd de SET-knop ingedrukt totdat er
    een geluidssignaal klinkt.
    3 Stel met de stuurknoppen de afstand tot
    het punt van bestemming in.
    4 Sluit af met een druk op de SET-knop.
    Achteruit/terug met de CLR-knop.

    Nadat de afstand tot het reisdoel tot nul is
    afgeteld, werkt Dist als dagteller (zie Dist
    als dagteller gebruiken). als startwaarde
    voor de dagteller wordt nu de laatst ingestelde waarde in de functie Dist gebruikt.
    Een voorbeeld: U gaf een waarde van
    100 km aan in de functie Dist. Zodra de
    aftelling een waarde van 0 km heeft bereikt,
    werkt de Dist-functie als dagteller met als
    beginwaarde 100 km.

    U dient deze instelling voor het vertrek te
    verrichten.
    Stel eerst de afstand in onder Dist.
    1 Kies vervolgens de functie Speed Ø
    met de stuurknoppen,
    of .
    2 Houd de knop SET ingedrukt totdat er
    een geluidssignaal klinkt.
    3 Stel de berekende gemiddelde snelheid
    met de stuurknoppen in.
    4 Sluit af met een druk op de knop SET.
    Nu worden de afstand en de berekende
    aankomsttijd weergegeven.
    Achteruit/terug met de CLR-knop.

  • Page 97

    Instrumenten en bediening
    De berekende aankomsttijd wordt tijdens
    het rijden voortdurend bijgewerkt op basis
    van de gemiddelde snelheid sinds de instelling van de waarde in Dist. U moet daarbij
    wel sneller dan 20 km/h rijden.
    Wanneer u tijdens het rijden voor Dist kiest,
    kunt u zien hoeveel kilometer u nog moet rijden.
    Wanneer de functie Dist een waarde van
    0 km heeft bereikt, werkt Dist als dagteller.
    De laatst ingestelde waarde geldt daarbij
    als beginwaarde voor de dagteller.

    NIGHTPANEL
    Om bij donker een behaaglijker verlichting
    in de auto te creëren kunt u de functie
    NIGHTPANEL activeren. Deze functie
    beperkt de hoeveelheid visuele informatie,
    zodat alleen de belangrijkste wijzerinstrumenten en controlelampjes zullen worden
    verlicht.
    Wanneer u op de NIGHTPANEL-knop
    drukt, wordt alleen de snelheidsmeter verlicht.

    97

    In Settings (Instellingen) kunt u kiezen of
    de hele schaal op de snelheidsmeter moet
    branden of slechts een deel ervan in stand
    NIGHTPANEL.
    1 Kies Settings (Instellingen) met de
    stuurknoppen,
    of
    .
    2 Houd de SET-knop ingedrukt totdat er
    een geluidssignaal klinkt.
    3 Kies voor Speed scale Illumin.
    (Verlichting schaalverdeling kilometerteller).

    De verlichting van de overige instrumenten
    en displays dooft dan en de wijzers lopen
    terug naar nul.

    4 Druk de SET-knop in.

    Opmerking! Alle controlelampjes en waarschuwingslampjes zullen echter normaal
    blijven werken en oplichten om u attent te
    maken op zaken die uw aandacht vragen.

    6 Sluit af met een druk op de knop SET.

    De functies Temp (wanneer de buitentemperatuur in het interval –3 °C en +3 °C ) en
    D.T.E. (wanneer het brandstofpeil zoveel
    gedaald is dat u nog ca. 50 km kunt rijden)
    verschijnen ook wanneer NIGHTPANEL
    actief is.

    5 Kies 0–260 km/h of 0–140 km/h.

    Settings (Instellingen)

    Speed scale Illumin. (Verlichting
    schaalverdeling kilometerteller)
    0–260 km/h
    0–140 km/h

  • Page 98

    98

    Instrumenten en bediening

    Alarm
    1 Kies Settings (Instellingen) met de
    stuurknoppen,
    of
    .

    Settings (Instellingen)
    In dit menu kiest u bijvoorbeeld de taal en de
    meeteenheid.

    2 Houd de knop SET ingedrukt totdat er
    een geluidssignaal klinkt.

    1 Kies Settings (Instellingen) met de
    stuurknoppen,
    of .

    3 Kies voor Alarm Clock (Wekker) met
    de stuurknoppen.
    Nu verschijnt OFF (Uit) of ON (Aan).

    2 Houd de knop SET ingedrukt totdat er
    een geluidssignaal klinkt.

    • Als OFF (Uit) verschijnt en de alarmtijd
    moet worden ingesteld, druk dan de
    SET-knop in (deze moet niet ingedrukt
    worden gehouden) en wacht op het
    geluidssignaal. Nu wordt de tijd die was
    ingesteld weergegeven. Druk de SETknop in.
    • Als ON (Aan) verschijnt en de alarmtijd
    moet worden gedeactiveerd, druk dan
    een keer de SET-knop in, OFF (Uit)
    wordt op het display weergegeven.
    Druk nog een keer op de SET-knop om
    de functie te activeren.

    3 Kies het gewenste menu met de stuurknoppen.
    4 Druk de SET-knop in.
    5 Kies met de stuurknoppen.
    6 Sluit af door te kiezen voor EXIT (Beëindigen.
    Achteruit/terug met de CLR-knop.

    Hoeveel verschillende systemen er op het
    SID verschijnen hangt af van het uitrustingsniveau van uw auto. Hieronder ziet u
    met welke systemen uw auto kan zijn uitgerust.
    Block Heater (Motorverwarming),
    blz. 289.

    MANUAL CONTROL
    (Handmatige bediening)
    Timer A 11:30
    Park Heater (Standverwarming),
    blz. 289.

    MANUAL CONTROL
    (Handmatige bediening)
    Timer A 11:30
    Rain Sensor (Regensensor), blz. 109.

    HIGH (Hoog)
    MEDIUM (Middelhoog)
    LOW (Laag)

    4 Stel de alarmtijd met de stuurknoppen
    in.

    Theft Alarm (Diefstalalarm), blz. 56.

    5 Sluit af met een druk op de knop SET.

    FULL ALARM (Volledig alarm)

    Achteruit/terug met de CLR-knop.
    Als het alarm klinkt, kunt u dit met een van
    de linker stuurknoppen uitschakelen.

    DOOR ONLY (Alleen portier)
    Park Assistance (Parkeerhulp), blz. 186.

    ON (Aan)
    OFF (Uit)

  • Page 99

    Instrumenten en bediening
    Alarm Clock (Wekker), blz. 98.

    ON (Aan)
    OFF (Uit)
    Language (Taal)

    ENGLISH UK (Engels GB)
    DEUTSCH (Duits)
    SVENSKA (Zweeds)
    FRANCAIS (Frans)
    ITALIANO (Italiaans)
    ESPANOL (Spaans)
    Speed scale Illumin. (Verlichting
    schaalverdeling kilometerteller)

    0–260 km/h
    0–140 km/h
    Unit (Eenheid)

    METRIC (Metrisch)
    US (Amerikaans)
    IMPERIAL (Brits)
    Climate System (Klimaatregeling),
    blz. 120.

    Next Service: xx% (Volgende service:
    xx%).

    INTERMEDIATE (Klein)
    MAIN (Groot)
    Time for Service (Tijd voor onderhoud.)

    INTERMEDIATE (Klein)
    MAIN (Groot)
    MAIN & INTERMED. (Groot en klein)
    Reset Service Check? (Servicecontrole resetten?)
    YES (Ja) NO (Nee)
    TCS (zie blz. 177).

    ON (Aan)
    OFF (Uit)
    ESP (zie blz. 179).

    ON (Aan)
    OFF (Uit)
    Cornering headlights (Bochtverlichting) (zie blz.203).

    LEFT HAND TRAFFIC (LINKSRIJDEND VERKEER)
    RIGHT HAND TRAFFIC (RECHTSRIJDEND VERKEER)

    99

    Uitleg bij de verschillende opties onder
    Settings (Instellingen).
    Block Heater (Motorverwarming)
    (elektrisch)
    MANUAL CONTROL
    (Handmatige bediening) betekent dat
    de verwarming start als de keuze is
    gemaakt.
    Timer A 11:30 betekent dat de verwarming op het vermelde tijdstip start. Er
    kunnen drie verschillende starttijden
    worden geprogrammeerd. Er kan
    slechts een (1) starttijd per keer actief
    zijn.
    Park Heater (Standverwarming) (op
    brandstof aangedreven)
    MANUAL CONTROL
    (Handmatige bediening) betekent dat
    de verwarming start als de keuze is
    gemaakt.
    Timer A 11:30 betekent dat de verwarming op het vermelde tijdstip start. Er
    kunnen drie verschillende starttijden
    worden geprogrammeerd. Er kan
    slechts een (1) starttijd per keer actief
    zijn.
    Rain Sensor (Regensensor)
    De gevoeligheid van de sensor kan op
    drie niveaus worden ingesteld.

  • Page 100

    100

    Instrumenten en bediening

    Theft Alarm (Diefstalalarm)
    Als de auto een bewegingsmelder en
    een hellingssensor heeft, kunnen deze
    worden uitgeschakeld (kies DOOR
    ONLY (Alleen portier)) als u bijvoorbeeld een hond in de auto laat terwijl u
    deze vergrendelt. Ook als u aan boort
    van een veerboot parkeert, kan het handig zijn om DOOR ONLY (Alleen portier) te kiezen. Anders kan het alarm op
    zee afgaan.
    Park Assistance (Parkeerhulp)
    De parkeerhulp kan worden uitgeschakeld met OFF (Uit).
    Alarm Clock (Wekker)
    Er kan een alarmtijd naar keuze worden
    ingesteld. Bevestig het alarm met een
    van de linker stuurknoppen.
    Language (Taal)
    Kies de gewenste taal. Het aantal talen
    dat geselecteerd kan worden kan van
    markt tot markt verschillen.
    Speed scale Illumin. (Verlichting schaalverdeling kilometerteller)
    Geef het gedeelte van de snelheidsmeter aan dat verlicht moet worden in
    stand NIGHTPANEL.
    Unit (Eenheid)
    Kies de gewenste groep meeteenheden.

    Next Service: xx% (Volgende service:
    xx%)
    Hier wordt een percentage getoond dat
    ongeveer met de staat van de motorolie
    overeenkomt.
    100 % komt overeen met verse motorolie.
    Time for Service (Tijd voor onderhoud.)
    Wanneer het tijd is voor een onderhoudsbeurt, ziet u hier welk onderhoud
    actueel is.

    INTERMEDIATE (Klein)
    MAIN (Groot)
    MAIN & INTERMED. (Groot en klein)
    Een melding over Time for Service
    (Tijd voor onderhoud.) mag uitsluitend na uitgevoerd onderhoud
    worden gereset.

    Reset Service Check? (Servicecontrole
    resetten?)
    Service-indicator resetten
    (zie blz.101).

    TCS/ESP
    Geef aan of het systeem aan of uit moet
    staan. De auto is uitgerust met TCS of
    ESP.
    Cornering headlights (Bochtverlichting)
    Als u landen aandoet waar het verkeer
    niet aan dezelfde kant van de weg rijdt,
    dient u de koplampen bij te stellen om
    tegenliggers niet te verblinden.
    Voorbeeld: Als het verkeerd in uw land
    rechts rijdt, moet u bij ritten in een land
    met linksrijdend verkeer LEFT HAND
    TRAFFIC (LINKSRIJDEND VERKEER) kiezen.
    Iedere keer dat u de afstandsbediening
    naar stand ON draait, zal SID eraan
    herinneren dat u de lichtbundel van
    koplampen hebt bijgesteld en bijvoorbeeld de volgende melding verschijnen:
    Cornering headlights (Bochtverlichting)
    set to left hand traffic. (ingesteld op
    linksrijdend verkeer.)

  • Page 101

    Instrumenten en bediening
    Service-indicator resetten

    Reset de service-indicator als volgt:
    1 Draai met de motor afgezet de afstandsbediening in het contactslot naar stand
    ON.
    2 Houd het rempedaal ingedrukt (alleen
    bij modellen met een dieselmotor).
    3 Kies Settings (Instellingen) met de
    stuurknoppen,
    of
    .
    4 Houd de knop SET ingedrukt totdat er
    een geluidssignaal klinkt.
    5 Kies voor Time for Service (Tijd voor
    onderhoud.).
    6 Op de vraag Reset Service Check?
    (Servicecontrole resetten?) kiest u
    voor YES (Ja) (u kunt achteruit/terug
    met de CLR-knop).
    7 Haal uw voet van het rempedaal (alleen
    modellen met een dieselmotor).

    Klok
    Instellen in het Infotainmentsysteem.
    Zie het aparte instructieboekje.

    101

  • Page 102

    102

    Instrumenten en bediening

    Schakelaars
    Verlichting gedoofd
    De buitenverlichting is gedoofd.
    Het is mogelijk grootlichtsignalen te geven.

    Stadslichten
    U kunt de stadslichten onafhankelijk van de
    stand van het contactslot inschakelen. Als
    de verlichtingsdraaiknop in de stand voor de
    stadslichten staat, wordt er bij het openen
    van het bestuurdersportier een geluidssignaal afgegeven om u eraan te herinneren
    dat u de stadslichten moet uitschakelen.
    Rijd niet alleen met de stadslichten.
    U mag de stadslichten combineren met de
    extra mistlichten in de voorspoiler bij slecht
    zicht (zie blz. 106).

    Bij koud of vochtig weer is het mogelijk
    dat er tijdelijk condens aan de binnenkant van de koplampglazen optreedt.
    Deze condens heeft geen negatieve
    inwerking op de functie of levensduur
    van de lamparmatuur. Afhankelijk van
    de weersomstandigheden verdwijnt
    de condens na inschakeling van de
    verlichting.

    Verlichtingsdraaiknop

    Koplampen
    Het dimlicht zal gaan branden, wanneer
    u de afstandsbediening in het contactslot
    naar stand ON draait. Het dimlicht dooft
    weer, wanneer u de afstandsbediening in
    de blokkeerstand LOCK terugdraait.

    Wisselen groot licht/dimlicht
    1 Grootlichtsignalen
    2 Wisselen groot licht/dimlicht

    Wisselen groot licht/dimlicht
    U schakelt over van groot licht op dimlicht of
    andersom door de hendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe te trekken.
    Wanneer u het groot licht hebt ontstoken,
    licht
    op het hoofdinstrument op.

    Grootlichtsignalen
    Wanneer u de hendel tot halverwege naar
    het stuurwiel toetrekt, zal het groot licht
    gaan branden. Het groot licht blijft branden,
    totdat u de hendel weer loslaat.

  • Page 103

    Instrumenten en bediening

    103

    “Follow Me Home”-verlichting
    Wanneer u de functie “Follow Me Home”
    activeert, blijven het dimlicht en de achteruitrijlichten nog ca. 30 seconden lang branden nadat u het bestuurdersportier hebt
    gesloten.
    1 Neem de afstandsbediening uit.
    2 Open het bestuurdersportier.
    3 Haal de hendel voor het wisselen van
    groot licht/dimlicht naar het stuurwiel
    toe, in de eindstand.
    Het dimlicht en de achteruitrijlichten zullen
    ca. 30 seconden lang blijven branden, wanneer u het bestuurdersportier vervolgens
    sluit.

    Instrumentenverlichting

    Koplamphoogteregeling 3

    Stel de sterkte van de instrumentenverlichting bij door korte tijd op de bijbehorende
    knop te drukken.

    Het verstellingssysteem voor de koplamphoogte maakt het mogelijk om bij iedere
    beladingssituatie de koplamphoogte correct af te stellen.
    Draai de verlichtingsdraaiknop rechtsom in
    de gewenste stand. Opmerking! U kunt de
    draaiknop niet verder dan stand 3 draaien!
    Het systeem bestaat uit een stappenmotor
    bij elk van beide koplampen en een draaiknop op het dashboard. Stel de koplamphoogte af, terwijl het contact in stand ON
    staat.
    Voor de basisafstelling van de koplamphoogte is speciale apparatuur vereist.

  • Page 104

    104

    Instrumenten en bediening

    De drie verschillende standen van de bedieningsknop lenen zich voor de volgende
    beladingssituaties:
    Stand Aantal inzittenden
    1
    2–3 op achterbank en eventueel 1 op
    voorstoel.
    2
    2–3 op achterbank.
    3
    1–2
    of
    1–4

    Lading
    Max. 30 kg.

    40–80 kg in bagageruimte.
    Max. lading in
    bagageruimte.
    Max. lading in
    bagageruimte en
    een caravan of
    aanhanger.

    Modellen met xenonlampen 3

    Modellen met xenonlampen zijn uitgerust
    met automatische
    koplamphoogteregeling 3 (bepaalde markten). Het systeem wordt automatisch afgesteld bij het starten van de motor.
    Bij een storing in het verstellingssysteem
    worden de lampen lager afgesteld om
    tegenliggers niet te verblinden. Matig uw
    snelheid in dat geval, omdat de lengte van
    de lichtbundel dan beperkt is. Controleer
    zekering 20 in de relais- en zekeringhouder
    in de motorruimte (zie blz. 245).
    Bij een storing in het systeem verschijnt de
    volgende melding op het SID:
    Headlight levelling
    malfunction. (Storing koplamphoogteregeling.)

    Bochtverlichting 3
    Bij het nemen van bochten op snelheden
    vanaf ca. 10 km/h draaien de koplampen
    met het stuurwiel mee. De koplampen
    kunnen maximaal 15° naar links of rechts
    draaien.
    Als er een storing optreedt in de bochtverlichting, draaien de koplampen niet mee
    maar schijnen de lichtbundels recht naar
    voren en verschijnt de volgende melding op
    SID:
    Cornering headlights
    malfunction
    (Bochtverlichting storing)

  • Page 105

    Instrumenten en bediening

    105

    Het mistachterlicht bestaat uit één (1) gloeilamp. Bij auto’s bestemd voor landen met
    rechtshoudend verkeer zit het mistachterlicht links en bij auto’s voor landen met linkshoudend verkeer rechts.

    Lichtbundel instellen op links- of
    rechtshoudend verkeer (zie blz. 203).
    Snelweglichtregeling

    Bij rijsnelheden vanaf ca. 110 km/h worden
    de koplampen iets naar boven toe gekanteld voor een langere lichtbundel. Wanneer
    de snelheid tot ca. 100 km/h daalt, nemen
    de koplampen de normale stand weer in.

    Informeer naar de voorschriften voor het
    gebruik van het mistachterlicht.

    WAARSCHUWING

    Mistachterlicht
    Het mistachterlicht gaat branden, wanneer
    u de knop op het dashboard indrukt en de
    koplampen of de voorste mistlichten zijn
    ingeschakeld.
    Het mistachterlicht wordt automatisch uitgeschakeld bij het afzetten van de motor.
    Als u de motor vervolgens opnieuw start,
    gaat het mistachterlicht pas weer branden
    wanneer u de schakelaar voor het mistachterlicht nogmaals indrukt. Als u de motor
    minder dan 30 seconden lang afzet, wordt
    het mistachterlicht bij het starten van de
    motor echter opnieuw ontstoken.

    Bij slecht zicht moet u niet op de achterlichten rijden van de auto die voor u rijdt.
    Het gevaar bestaat dat u dan te dicht op
    de auto rijdt. Bij plotseling remmen kan dit
    ongelukken met verwondingen tot gevolg
    hebben.

  • Page 106

    106

    Instrumenten en bediening
    Prioritering van geluidssignalen
    Als twee of meer functies, bijvoorbeeld richtingaanwijzers, parkeerhulp en gordelwaarschuwing, tegelijkertijd actief zijn, wordt
    prioriteit gegeven aan de functie die op dat
    moment het belangrijkst is.

    Voorste mistlichten 3
    Bepaalde modellen zijn voorzien van extra
    mistlichten in de voorspoiler. Gebruik deze
    mistlichten alleen bij slecht zicht.
    Het mistlicht wordt automatisch uitgeschakeld bij het afzetten van de motor. Als u de
    motor vervolgens opnieuw start, gaat het
    mistlicht pas weer branden wanneer u de
    schakelaar voor het mistlicht nogmaals
    indrukt. Als u de motor minder dan
    30 seconden lang afzet, wordt het mistlicht
    bij het starten van de motor echter opnieuw
    ontstoken.
    Informeer naar de voorschriften voor het
    gebruik van de voorste mistlichten.

    Richtingaanwijzerhendel
    1 Bocht naar rechts
    2 Bocht naar links

    Richtingaanwijzerhendel
    De richtingaanwijzerhendel heeft een terugverende stand die u gebruikt, wanneer u
    van rijstrook verandert of wilt inhalen. De
    richtingaanwijzerhendel heeft bovendien
    twee vaste standen en springt automatisch
    uit deze vaste standen terug, wanneer u het
    stuurwiel terugdraait.
    Als een van de richtingaanwijzerlampen
    kapotgaat, gaan de resterende lampen
    tweemaal zo snel knipperen.
    De richtingaanwijzerlampen gaan eveneens tweemaal zo snel knipperen, als een
    van de richtingaanwijzerlampen op een
    eventuele aanhanger kapotgaat.

    Als bijvoorbeeld de richtingaanwijzers actief
    zijn wanneer u de achteruitversnelling
    inschakelt, zullen alleen de geluidssignalen
    van het parkeerhulpsysteem (voor zover
    aanwezig) te horen zijn in plaats van die van
    de richtingaanwijzers. Als de richtingaanwijzers echter nog steeds actief zijn wanneer u
    een andere versnelling inschakelt, zullen de
    geluidssignalen van de richtingaanwijzers
    weer worden afgegeven.

  • Page 107

    Instrumenten en bediening

    107

    Gevarendriehoek 3
    De gevarendriehoek is rechts in de bagageruimte aan de bekleding bevestigd.

    WAARSCHUWING
    Plaats een gevarendriehoek op ca.
    50-100 meter achter de auto, zodat achteropkomend verkeer tijdig wordt
    gewaarschuwd. Als heuvels e.d. het zicht
    belemmeren, moet u een grotere afstand
    aanhouden.

    Alarmlichten
    De knop voor de alarmlichten vindt u op het
    bedieningspaneel voor de klimaatregeling.
    Wanneer u op de knop drukt, zullen alle
    richtingaanwijzerlampen en het lampje in de
    knop zelf gaan knipperen.
    Als een van de richtingaanwijzerlampen
    kapotgaat, gaan de resterende lampen
    tweemaal zo snel knipperen.
    U mag de alarmlichten alleen gebruiken, als
    de auto na een aanrijding of bij pech op een
    plaats staat waar deze gevaar of hinder
    voor het overige verkeer oplevert.

    Achteruitrijlichten
    De achteruitrijlichten gaan branden, zodra u
    de achteruitversnelling inschakelt.

    Knop voor accessoires 3
    U kunt de bovenstaande knop gebruiken
    om accessoires zoals verstralers te
    bedienen.

  • Page 108

    108

    Instrumenten en bediening

    Wissers en sproeiers

    Ruitensproeiers

    Voorruitwissers

    U schakelt de ruitensproeiers in door de
    hendel naar het stuurwiel toe te halen.

    Stand 1 is een terugverende stand, waarbij
    de voorruitwissers één enkele slag maken.
    U kunt de intervalfunctie van de ruitenwissers instellen met de draaiknop aan het uiteinde van de ruitenwisserhendel. U kunt de
    intervalfunctie in 5 verschillende standen
    zetten variëren van 2 tot 15 seconden.
    De wissers keren altijd in de ruststand terug,
    wanneer u het contact uitschakelt.
    Als u de wissers tegen de voorruit omhoog
    wilt parkeren, moet u het volgende doen.
    1 Zet de motor af en neem de afstandsbediening uit.
    2 Schakel de ruitenwissers in door de
    ruitenwisserhendel binnen
    16 seconden omlaag te halen.
    De volgende keer dat u het contact inschakelt, gaan de wissers pas weer in de ruststand staan wanneer u de hendel eenmaal
    omlaaghaalt.
    Wisserbladen vervangen (zie blz. 223).

    Wanneer u de ruitensproeiers activeert,
    maken de wissers 3, 4 of 5 enkele slagen
    afhankelijk van de duur van de sproeifunctie. Bij snelheden lager de 20 km/h zullen de
    wissers na ca. 8 seconden nog een enkele
    slag maken.
    Wanneer er minder dan 1 liter sproeiervloeistof in het reservoir zit, worden de koplampsproeiers niet langer geactiveerd om
    de resterende vloeistof alleen voor het
    sproeien van de voorruit te gebruiken.
    Tegelijkertijd verschijnt de volgende melding op het SID:
    Washer fluid level low.
    Refill. (Peil sproeiervloeistof
    laag. Bijvullen vereist.)

    Voorruitwissers
    0
    1
    2
    3
    4
    5

    Ruststand
    Wissers maken een enkele slag
    Intervalfunctie voorruitwisser
    Lage snelheid
    Hoge snelheid
    Ruiten- en koplampsproeiers 3

  • Page 109

    Instrumenten en bediening
    Koplampsproeiers 3
    Wanneer de koplampen geactiveerd zijn,
    worden de koplampen tegelijk met de voorruit schoongesproeid. De koplampsproeiers worden 0,6 seconden na inschakeling van de ruitensproeiers geactiveerd.
    De koplampen worden iedere 5de keer dat
    u de voorruitsproeiers activeert schoongesproeid of eerder als er meer dan 2 minuten
    zijn verstreken sinds de laatste sproeibeurt
    van de voorruit.
    Draaiknop voor instelling van intervalfunctie wissers.

    Wanneer er minder dan 1 liter sproeiervloeistof in het reservoir zit, worden de koplampsproeiers niet langer geactiveerd om
    de resterende vloeistof alleen voor het
    sproeien van de voorruit te gebruiken.
    Tegelijkertijd verschijnt de volgende melding op het SID:
    Washer fluid level low.
    Refill. (Peil sproeiervloeistof
    laag. Bijvullen vereist.)

    De koplampsproeiers worden niet geactiveerd bij snelheden hoger dan 200 km/h.

    109

    Regensensor 3
    WAARSCHUWING
    Om verwondingen te voorkomen bij het
    schoonmaken of sneeuw- en ijsvrij
    maken van de voorruit, moet u, voor
    zover het contact is ingeschakeld, de
    regensensor uitschakelen.

    N.B.
    Om schade aan de wissers te voorkomen
    moet u de regensensor uitschakelen,
    voordat u de auto een automatische wasstraat inrijdt.
    Als de regensensor actief is, verschijnt het
    volgende symbool op het SID
    .
    De regensensor zorgt ervoor dat de voorruit
    automatisch wordt gewist. De sensor is op
    de voorruit aangebracht tegenover de achteruitkijkspiegel.
    Het systeem maakt afwisselend gebruik
    van enkele wisslagen en continu wissen
    afhankelijk van de hoeveelheid neerslag.

  • Page 110

    110

    Instrumenten en bediening
    Als u de hendel in stand AUTO laat staan bij
    het afzetten van de motor, moet u de hendel
    (een volgende keer dat u de motor start)
    eerst in stand 0 of 3 zetten en daarna terughalen naar stand AUTO om de regensensor
    opnieuw te activeren.
    Als er iets mis is met het systeem, wordt er
    op lage snelheid gewist wanneer u de
    hendel in stand AUTO zet.
    Instelling van de gevoeligheidsgraad
    van de regensensor

    Voorruitwissers met regensensor
    0
    1
    2
    3
    4
    5

    Ruststand
    Wissers maken een enkele slag
    AUTO, regensensor actief
    Lage snelheid
    Hoge snelheid
    Ruiten- en koplampsproeiers 3

    U stelt de gevoeligheidsgraad van de
    regensensor af onder Settings (Instellingen). Wanneer u de gevoeligheidsgraad
    van de regensensor verhoogt, maken de
    wissers altijd een referentieslag.
    1 Kies Settings (Instellingen) met de
    stuurknoppen,
    of .
    2 Houd de knop SET ingedrukt totdat er
    een geluidssignaal klinkt.

    U activeert de regensensor door de hendel
    in stand AUTO te zetten. De wissers maken
    vervolgens een referentieslag. De sensor
    vergelijkt daarna de hoeveelheid neerslag
    op de voorruit met de hoeveelheid die werd
    gemeten toen de referentieslag plaatsvond.

    3 Kies Rain Sensor (Regensensor) met
    de stuurknoppen.
    4 Druk de SET-knop in.
    5 Kies de gevoeligheid met de stuurknoppen.
    6 Sluit af met een druk op de knop SET.
    Achteruit/terug met de CLR-knop.

    Rain Sensor (Regensensor)
    HIGH (Hoog)
    MEDIUM (Middelhoog)
    LOW (Laag)
    Ook de lichtinval (dag/nacht) is van invloed
    op de gevoeligheidsgraad van de regensensor. De regensensor is in het donker iets
    gevoeliger. Deze instelling van de gevoeligheidsgraad vindt automatisch plaats.
    Uitleg bij de verschillende gevoeligheidsgraden van de regensensor.
    HIGH (Hoog)
    In deze stand is de gevoeligheidsgraad
    van de regensensor het hoogst.
    De wissers slaan al aan bij geringe
    hoeveelheden regen op de voorruit.
    MEDIUM (Middelhoog)
    Deze stand vormt de normale gevoeligheidsgraad van de regensensor. De
    stand maakt deel uit van de optie
    Default Settings (Standaardinstellingen).
    LOW (Laag)
    In deze stand is de gevoeligheidsgraad
    van de regensensor het geringst.

  • Page 111

    Instrumenten en bediening
    Achterruitwisser, 9-3 Sport
    Estate

    De sproeikop is niet afstelbaar.

    De bediening is als volgt:

    Wanneer er minder dan 1 liter sproeiervloeistof in het reservoir zit, worden de achterruitsproeiers niet langer geactiveerd om
    de resterende vloeistof alleen voor de voorruitsproeiers te gebruiken. Tegelijkertijd
    verschijnt de volgende melding op het SID:

    • een enkele slag: haal de hendel naar
    stand 2, waarna de hendel naar de ruststand terugveert.
    • intervalfunctie, 6 seconden: haal de
    hendel naar stand 2.
    Als de voorruitwissers actief zijn en de
    motor loopt, zal de achterruitwisser automatisch overschakelen op de intervalfunctie bij het inschakelen van de
    achteruitversnelling.
    • sproeien en wissen: haal de hendel naar
    stand 3.
    De hendel veert terug naar de ruststand.
    De wisser maakt na afloop van het
    sproeien nog 3 slagen. Als de auto na
    afloop van de sproeifunctie langzamer
    rijdt dan 40 km, zal de achterruitwisser na
    5 seconden een extra slag maken om
    eventuele restanten van de sproeiervloeistof te verwijderen.

    Wisserbladen vervangen (zie blz. 224).

    Washer fluid level low.
    Refill. (Peil sproeiervloeistof
    laag. Bijvullen vereist.)
    Achterruitwisser, 9-3 Sport Estate
    1 Ruststand
    2 Intervalfunctie voorruitwisser
    3 Sproeien en wissen

    111

  • Page 112

    112

    Instrumenten en bediening

    Automatische
    klimaatregeling (ACC)
    Het ACC-systeem (Automatic Climate Control) regelt automatisch de gewenste interieurtemperatuur, onafhankelijk van de
    weersomstandigheden.
    Het systeem regelt op de snelst mogelijke
    manier de ingestelde temperatuur. Let erop
    dat het niet sneller warm/koud wordt, wanneer u een hogere/lagere temperatuur
    instelt dan gewenst is.
    Voor de beste werking van het ACC-systeem moet u alle ruiten en een eventueel
    zonnedak zoveel mogelijk dicht houden.
    De lucht komt binnen via een rooster onder
    aan de voorruit. De lucht stroomt vervolgens door een filter en wordt daarna door de
    klimaatregeling de passagiersruimte in
    geleid. De lucht verlaat de passagiersruimte
    via openingen in de hoedenplank en
    stroomt naar buiten via twee roosters die
    links en rechts achter de achterbumper
    zitten.
    De binnenkomende lucht wordt in drie stappen behandeld. Eerst wordt de lucht in een
    luchtfilter gereinigd, daarna wordt de lucht
    gedroogd (ontvochtigd) en gekoeld en desgewenst nog eens verwarmd.
    Het filter vormt een combinatie van een interieurfilter en een koolstoffilter. Het filter is
    dusdanig effectief dat ook het gehalte aan

    Bedieningspaneel, ACC

    1 Temperatuurinstelling, linkerzijde
    2 AUTO, het systeem werkt automatisch
    3 Handmatige instelling van de ventilatorsnelheid
    4 Handmatige instelling van de luchtverdeling
    5 Temperatuurinstelling, rechterzijde
    6 Recirculatie uit/aan

    schadelijke gassen zoals benzeen en tolueen wordt beperkt.
    Om de kans op beslagen ruiten te verminderen, moet u de ruiten regelmatig van
    binnen schoonmaken. Hoe vaak dat nodig
    is hangt af van de kwaliteit van de lucht in de
    passagiersruimte. Als u bijvoorbeeld in de
    auto rookt, zult u de ruiten aanzienlijk vaker
    moeten schoonmaken.

    7 Stoelverwarming 3, rechts
    8 Achterruitverwarming en zijspiegelverwarming uit/aan
    9 A/C-compressor uit/aan
    10 Stoelverwarming 3, links

  • Page 113

    Instrumenten en bediening

    113

    Het systeem gebruikt informatie van zeven
    sensoren, te weten:
    • De sensor voor de buitentemperatuur.
    • De sensor voor de interieurtemperatuur
    (bij de achteruitkijkspiegel).
    • De zonnesensor (boven op het dashboard).
    • De sensoren voor de mengluchttemperatuur, 2 stuks (in de vloerroosters voorin).
    • De sensoren voor de mengluchttemperatuur, 2 stuks (in de buitenste dashboardroosters)
    Opmerking!

    Voor de juiste werking van de klimaatregeling is het van belang dat u de zonnesensor
    niet afdekt.

    Zonne- en interieursensor, Sport Sedan
    en Sport Estate
    1 Zonnesensor
    2 Binnentemperatuursensor

    Zonnesensor en binnentemperatuursensor, Cabriolet
    1 Zonnesensor
    2 Binnentemperatuursensor

  • Page 114

    114

    Instrumenten en bediening
    Temperatuurregeling
    Het interieur van de auto is in twee temperatuurzones verdeeld:
    • De bestuurdersplaats.
    • De passagierplaats en de achterbank.
    U kunt de temperatuur instellen op een
    waarde tussen 16 en 26 °C.

    Luchtrooster, dashboard

    Dashboardroosters
    U kunt de dashboardroosters afstellen om
    de richting van de luchtstroom te wijzigen. ’s
    Winters kan het bijvoorbeeld handig zijn om
    de buitenste dashboardroosters op de portierruiten te richten om te voorkomen dat de
    zijruiten beslaan.
    De hoeveelheid lucht die uit de dashboardroosters stroomt, regelt u met de knoppen
    op de roosters. De klimaatregeling werkt het
    best, wanneer u de dashboardrooster open
    zet. Als u vindt dat het tocht of de binnenkomende lucht te koud vindt, moet u de roosters bij voorkeur van u af richten.

    De ingestelde temperatuur is niet de werkelijke temperatuur, maar de zogeheten
    gevoelstemperatuur in het interieur die
    afhangt van de snelheid waarmee de lucht
    stroomt, de luchtvochtigheidsgraad, de
    ingestraalde warmte en dergelijke.

    • De normale temperatuur ligt tussen
    18-24 °C afhankelijk van hoe warm/koel u
    het wilt hebben en de kleding die u draagt.
    • U kunt de ingestelde temperatuur wijzigen in stapjes van 1 °C.
    Wanneer de gewenste temperatuur bereikt
    is, kunt u de luchtroosters op de achterkant
    van de middenconsole dichtdraaien voor
    zover u geen warme lucht in het gezicht
    wenst.
    Wanneer de auto van contact staat wordt
    een volgende keer dat de motor gestart
    wordt alleen rekening gehouden met de
    stand van de temperatuurknoppen. Het systeem zal het interieur op de ingestelde temperatuur brengen.

  • Page 115

    Instrumenten en bediening

    115

    MAX. verwarming (rood controlelampje)

    MAX. koeling, (blauw controlelampje)

    Condenswater

    MAX. verwarming wordt verkregen als de
    temperatuurknop naar de eerste stand
    langs 26 wordt gedraaid (naar rode lichtdiode).

    MAX. koeling wordt verkregen als de temperatuurknop naar de eerste stand langs
    16 wordt gedraaid (naar blauwe lichtdiode).

    Wanneer de A/C-compressor in werking is,
    zal de binnenkomende lucht van vocht
    worden ontdaan. Hierbij ontstaat condenswater dat via een opening aan de onderzijde
    van de auto wordt afgevoerd.

    De keuze aan de bestuurderszijde regelt de
    luchtverdeling en de recirculatiestatus. De
    temperatuur kan echter aan de passagierszijde worden aangepast.
    MAX. verwarming zorgt voor:
    • De verwarming is maximaal.
    • De lucht stroomt bij de voorruit en de vloer
    naar buiten.
    • Eventuele recirculatie wordt uitgeschakeld.
    • De ventilator draait op hoge snelheid.

    De keuze aan de bestuurderszijde regelt de
    luchtverdeling en de recirculatiestatus. De
    temperatuur kan echter aan de passagierszijde worden aangepast.
    MAX. koeling zorgt voor:
    • Het koelvermogen is maximaal (de A/Ccompressor wordt ingeschakeld als u
    voor AC OFF koos).
    • De lucht stroomt uit de dashboardroosters.
    • De ventilator draait op maximale snelheid.
    • De recirculatiefunctie wordt ingeschakeld.

    Wanneer de auto langere tijd stilstaat, kan
    het dan ook gebeuren dat er water uit deze
    opening druppelt. Dit is volkomen normaal.
    Bij warme en vochtige weersomstandigheden zal er uiteraard meer condenswater
    vrijkomen.

  • Page 116

    116

    Instrumenten en bediening

    Functies
    Eventueel handmatig verrichte instellingen worden niet gewijzigd
    door de automatische klimaatregeling.
    U annuleert handmatige instellingen met een druk op AUTO.
    De temperatuur wordt altijd automatisch op peil gehouden.
    De temperatuur, de luchtverdeling, de ventilator en de
    recirculatie worden automatisch geregeld.
    U annuleert een bepaalde handmatige keuze door op
    AUTO te drukken.
    Bij het starten van de motor staat het ACC-systeem
    altijd in de stand AUTO.
    De A/C-compressor wordt uitgeschakeld.
    De binnenkomende lucht wordt niet gekoeld. De temperatuur, luchtverdeling en ventilatorsnelheid worden
    nog steeds automatisch geregeld.
    Draai de ventilatorknop linksom totdat “OFF” verschijnt.
    Het ACC-systeem wordt uitgeschakeld.
    De ventilator stopt.
    De A/C-compressor wordt uitgeschakeld.
    De luchtverdeling wordt in de actuele stand geblokkeerd.
    De recirculatiefunctie kan handmatig worden ingeschakeld.
    De elektrische verwarming van de voorstoelen 3
    wordt uitgeschakeld.
    Wanneer u op de knop AUTO drukt, schakelt het systeem weer over op automatische regeling.
    Bij het opnieuw inschakelen door de ventilatorknop
    een stapje verder rechtsom te draaien hervat het systeem eventuele handmatig verrichtte instellingen.

    De achterruitverwarming en zijspiegelverwarming
    kunt u handmatig inschakelen.
    Schakel de achterruitverwarming uit, zodra de achterruit vrij is van ijs of condens om de accu niet onnodig
    te belasten. Als u niets doet, wordt de verwarming na
    een bepaalde tijd automatisch uitgeschakeld. Het
    ACC-systeem kan dusdanig worden ingesteld dat de
    verwarming automatisch wordt ingeschakeld (zie
    blz.120).
    Draai aan de ventilatorknop om de ventilatorsnelheid
    te wijzigen.
    Als u de ventilatorsnelheid instelt op 0 zal de A/Ccompressor worden uitgeschakeld en gaat de tekst
    AC OFF op de knop branden.
    Om voor optimale koeling te zorgen wordt de recirculatiefunctie automatisch ingeschakeld. U kunt de
    recirculatie echter ook handmatig in- en uitschakelen.
    Het kan handig zijn om de recirculatie korte tijd handmatig in te schakelen om bijvoorbeeld onaangename
    lucht buiten te houden.
    Door minder goede luchtkwaliteit in de auto kunt u
    sneller vermoeid raken. Houd de recirculatie daarom
    slechts korte tijd achtereen ingeschakeld.
    Als u de recirculatie inschakelt bij een buitentemperatuur lager dan +3 °C (met de A/C-compressor uitgeschakeld), neemt de luchtvochtigheidsgraad in de
    passagiersruimte toe waardoor de ruiten kunnen
    beslaan.

  • Page 117

    Instrumenten en bediening
    Luchtverdeling

    Eenmaal indrukken: Wanneer u de ontwasemingsfunctie handmatig inschakelt, worden alle
    ruiten van condens ontdaan (de luchtstroom naar
    de achterste zijruiten wordt afgesloten) en wel als
    volgt:

    Ontwaseming - vloer

    • De ventilator draait op hoge snelheid.
    • De lucht stroomt uit de ontwasemingsroosters.
    • De temperatuur wordt iets verhoogd.
    • De recirculatiefunctie wordt uitgeschakeld.
    • De achterruitverwarming/zijspiegelverwarming
    wordt ingeschakeld.
    De ontwasemingsfunctie blijft ingeschakeld tot er
    een andere keuze wordt gemaakt. De verwarming
    van de achterruit/de elektrisch verwarmde buitenspiegels wordt echter na een bepaalde tijd uitgeschakeld.
    Tweemaal indrukken: De lucht stroom bij de voorruit naar buiten zonder dat daarbij de ventilatorsnelheid toeneemt of de achterruitverwarming wordt
    ingeschakeld.
    Om de oorspronkelijke instelling te hervatten drukt
    u weer op de AUTO-knop.

    Vloer

    Vloer - dashboard

    117

  • Page 118

    118

    Instrumenten en bediening
    Starten bij koud weer
    De automatische regeling stelt om te beginnen de ontwasemingsstand, maximale verwarming en een lage ventilatorsnelheid in.
    Naarmate de temperatuur van de motor oploopt, stroomt er meer
    lucht uit de vloerroosters en gaat de ventilator sneller draaien.
    Wanneer de interieurtemperatuur de ingestelde waarde bereikt,
    worden de ventilatorsnelheid en de verwarming automatisch tot een
    bepaald niveau gereduceerd.

    Dashboard

    Starten bij warm weer
    Er wordt automatisch gekozen voor luchttoevoer naar de dashboardroosters en een hoge ventilatorsnelheid. Bovendien wordt de A/Ccompressor ingeschakeld, als de schakelaar AC OFF niet is ingedrukt.
    Als de buitentemperatuur hoger is dan 25 °C, wordt na 0–15 seconden eventueel de recirculatiefunctie ingeschakeld, voor zover dit
    nodig is om de gewenste interieurtemperatuur te bereiken.

    Wanneer de interieurtemperatuur de ingestelde waarde bereikt,
    wordt de snelheid van de ventilator automatisch verlaagd tot een
    bepaald niveau.
    Ontwaseming-vloer-dashboard

  • Page 119

    Instrumenten en bediening
    Maatregelen in speciale
    weersomstandigheden
    Problemen met condens- of ijsvorming op
    de ruiten komen normaal gesproken alleen
    in extreme omstandigheden voor zoals bij
    hevige regenval en koude in combinatie met
    een hoge luchtvochtigheid of wanneer de
    inzittenden hevig transpireren of natte kleding dragen. Bij problemen met condens- of
    ijsvorming in de bovenstaande situaties,
    kunt u de volgende maatregelen nemen:
    1 Druk op AUTO en stel een temperatuur
    van 21 °C in

    Stoelverwarming 3
    De zitting en het ruggedeelte van de beide
    voorstoelen zijn voorzien van verwarming.
    De verwarming wordt geregeld door een
    thermostaat.
    De verwarming heeft drie vermogensstanden.
    Mensen met een gevoelige huid wordt
    geadviseerd het hoogste vermogen niet
    langer dan nodig te gebruiken.

    119

    Afstellen
    Elke 40e keer dat u de motor start, wordt de
    ACC automatisch afgesteld, op voorwaarde
    dat het contact meer dan 2 uur lang uitgeschakeld of de accu losgekoppeld is
    geweest.
    Handmatig afstellen is mogelijk door tegelijkertijd op de knop “AUTO” en de knop voor
    recirculatie te drukken.

    2 Druk een keer op de ontwasemingsknop, als dit niet voldoende is ...
    3 Verhoog de snelheid van de ventilator,
    als ook dit ontoereikend is ...
    4 Verhoog de temperatuur.

    Hoe u Park Heater (Standverwarming) en
    Block Heater (Motorverwarming) kunt
    gebruiken en programmeren, leest u op
    blz. 288.

  • Page 120

    120

    Instrumenten en bediening

    ACC, Cabriolet

    Settings (Instellingen)

    Als de kap wordt geopend, worden meerdere functies in het ACC-systeem beïnvloed.

    U kunt een aantal van de functies van de
    ACC naar wens afstemmen.

    Het volgende geldt:

    1 Kies Settings (Instellingen) met de
    stuurknoppen,
    of .

    • de gevoeligheid van de temperatuurknop
    wordt gewijzigd

    2 Houd de knop SET ingedrukt totdat er
    een geluidssignaal klinkt.

    • de luchtverdeling en de ventilatorsnelheid
    worden alleen handmatig afgesteld

    3 Kies voor Climate System (Klimaatregeling).

    • de recirculatie en achterruitverwarming
    worden uitgeschakeld;

    4 Druk de SET-knop in.

    • de A/C-compressor wordt uitgeschakeld
    (met een druk op de AC-knop is handmatige inschakeling mogelijk).
    U kunt alle handmatige instellingen verrichten met uitzondering van die voor de achterruitverwarming en de ontwaseming.
    Als u de kap weer sluit, zal het systeem
    automatisch de AUTO-stand innemen en
    uitgaan van de ingestelde temperatuur.
    Opmerking! Wanneer u bij warm weer en
    een hoge luchtvochtigheidsgraad de kap of
    alle ruiten hebt geopend, kan een ingeschakelde airconditioning voor condens op
    koude oppervlakken zoals de luchtkanalen
    zorgen.

    5 Kies voor Rear Defroster (Ontwaseming achter), Heated Seats (Stoelverwarming), Fan Settings
    (Ventilatorinstellingen), A/C Mode
    (A/C-stand), of Default Settings (Standaardinstellingen).
    6 Druk de SET-knop in.
    7 Maak uw keuze.
    8 Bevestig met een druk op de SET-knop.
    Achteruit/terug met de CLR-knop.

    SETTINGS (Instellingen)
    Climate System (Klimaatregeling)
    Rear Defroster (Ontwaseming
    achter)
    AUTO
    MANUAL (Handmatig)
    Heated Seats (Stoelverwarming)
    AUTO
    MANUAL (Handmatig)
    Fan Settings (Ventilatorinstellingen)
    HIGH SPEED (Hoge snelheid)
    MEDIUM SPEED (Middelhoge snelheid)
    LOW SPEED (Lage snelheid)
    A/C Mode (A/C-stand)
    AUTO
    OFF (Uit)
    Default Settings (Standaardinstellingen)
    SELECT (Selecteren)
    Are you sure? (Weet u
    het zeker?)
    YES (Ja)

    NO (Nee)

  • Page 121

    Instrumenten en bediening
    Uitleg bij het instellen van de werking van de
    ACC onder Settings (Instellingen).
    Rear Defroster (Ontwaseming achter)
    AUTO
    De achterruitverwarming en zijspiegelverwarming verlopen automatisch. Deze optie maakt deel uit van
    Default Settings (Standaardinstellingen).
    MANUAL (Handmatig)
    De achterruitverwarming en zijspiegelverwarming worden ingeschakeld met een druk op de
    bijbehorende knop op het ACCpaneel.
    Cabriolet: U kunt de achterruitverwarming
    niet activeren, wanneer de kap openstaat.

    Heated Seats (Stoelverwarming)
    AUTO
    Het opwarmen van de voorstoelen
    wordt automatisch geregeld.
    Kies het vermogen door herhaaldelijk op de resp. knop op het ACCpaneel te drukken.
    MANUAL (Handmatig)
    Zie Stoelverwarming, blz.119.
    Deze optie maakt deel uit van
    Default Settings (Standaardinstellingen).

    121

    Fan Settings (Ventilatorinstellingen)
    HIGH SPEED (Hoge snelheid)
    Deze optie levert een iets hogere
    ventilatorsnelheid op dan het geval
    is bij selectie van MEDIUM SPEED
    (Middelhoge snelheid), zij het dat de
    automatische regeling actief blijft.
    MEDIUM SPEED (Middelhoge snelheid)
    Automatische afregeling op de normale ventilatorsnelheid. Deze optie
    maakt deel uit van Default Settings
    (Standaardinstellingen).
    LOW SPEED (Lage snelheid)
    Deze optie levert een iets lagere
    ventilatorsnelheid op dan het geval
    is bij selectie van MEDIUM SPEED
    (Middelhoge snelheid), zij het dat de
    automatische regeling actief blijft.
    Cabriolet: De ventilatorsnelheid wordt niet
    automatisch geregeld, wanneer de kap
    openstaat.

  • Page 122

    122

    Instrumenten en bediening

    A/C Mode (A/C-stand)
    AUTO
    De
    A/C-compressor wordt automatisch
    in- en uitgeschakeld. Deze optie
    maakt deel uit van Default Settings
    (Standaardinstellingen).
    OFF (Uit)
    De A/C-compressor is uitgeschakeld (zie ook blz. 116). De A/C-compressor wordt echter tijdelijk
    ingeschakeld, wanneer u tijdens het
    rijden op de AC- of AUTO-knop
    drukt bij een buitentemperatuur
    hoger dan +5 °C. Een volgende
    keer dat u de motor start en er meer
    dan 2 uur zijn verstreken sinds het
    afzetten, blijft de A/C-compressor
    uitgeschakeld.
    Cabriolet: De A/C-compressor wordt uitgeschakeld bij het openen van de kap.
    U kunt deze functie verder laten afstellen in
    een erkende Saab-werkplaats.

    • Het is mogelijk om de A/C-compressor
    ook ingeschakeld te laten zijn bij een
    geopende kap.
    • Het is tevens mogelijk om de
    A/C-compressor dezelfde stand te
    laten innemen als toen u de laatste
    keer met een geopende kap reed.

  • Page 123

    Interieur

    123

    Interieur
    Stuurwielverstelling ____
    Elektrisch bediende
    zijruiten _____________
    Achteruitkijkspiegel en
    zijspiegels ___________
    Zonnedak 3 ___________
    Binnenverlichting ______
    Bekerhouder 3 ________
    Asbakken 3 ___________
    Opbergvakken _________
    Bagageruimte _________

    3 Een sterretje geeft aan dat de uitrusting niet op
    alle auto’s is aangebracht (afhankelijk van het
    model, het motortype, de marktspecificatie, de
    gekozen opties en/of accessoires).

    124
    125
    128
    130
    133
    134
    135
    136
    138

  • Page 124

    124

    Interieur

    Stuurwielverstelling
    WAARSCHUWING
    Met het oog op de verkeersveiligheid
    moet u stuurwiel verstellen, terwijl de auto
    stilstaat.
    U kunt de stand van het stuurwiel in de
    lengte- en de hoogterichting verstellen.
    U vindt de blokkeerhendel onder de stuurkolom.
    1 Hef de blokkering op door de hendel
    naar links te halen.
    2 Zet het stuurwiel in de gewenste stand.
    3 Duw de blokkeerhendel weer van u af
    om het stuurwiel in de nieuwe stand vast
    te zetten.
    Wanneer u de blokkeerhendel weer van u af
    duwt, moet u de stand van het stuurwiel
    mogelijk nog iets bijstellen voordat het
    stuurwiel goed blokkeert.
    Stuurslot (zie blz. 153).

    Hendel voor stuurwielverstelling

    Claxon
    U claxonneert door op de drie drukvlakken
    van het stuurwiel te drukken.

  • Page 125

    Interieur

    125

    Elektrisch bediende
    zijruiten
    WAARSCHUWING
    Let op het gevaar voor beknelling tijdens
    het sluiten van de zijruiten om ernstig of
    dodelijk letsel te voorkomen.
    • Haal bij het verlaten van de auto altijd
    de afstandsbediening uit het contactslot. Dit om te voorkomen dat kinderen
    met de elektrisch bediende zijruiten
    kunnen gaan spelen en ze kunnen
    activeren.
    • Zorg dat eventuele passagiers, en dan
    met name kinderen, niet met hun
    hoofd, handen of vingers in de raamopening zitten bij het sluiten van de
    zijruiten.
    • Zorg dat geen van de inzittenden met
    zijn/haar arm, hoofd e.d. uit een geopende ruit hangt.
    U bedient de zijruiten met de knoppen op de
    armleuning op de portieren.
    U kunt zijruiten alleen bedienen, wanneer
    u de afstandsbediening in het contactslot
    naar stand ON hebt gedraaid.
    Ook wanneer de auto stilstaat en u de
    afstandsbediening hebt uitgenomen, kunt
    u de zijruiten nog steeds openen en sluiten
    zolang u geen van de voorportieren hebt
    geopend.

    Bediening, zijruiten

    Elektrisch bediende zijruiten die automatisch worden gesloten (optie), zijn, nadat
    u de afstandsbediening uit het contactslot
    hebt genomen en de auto niet hebt vergrendeld, nog max. 20 minuten lang te bedienen.

    Openen
    Duw de voorkant van de knop één positie
    omlaag.
    De neergaande beweging van de zijruit
    wordt onderbroken, wanneer de ruit volledig
    geopend is of wanneer u de knop loslaat.
    Automatisch openen: Duw de knop helemaal omlaag en laat deze vervolgens weer
    los.

    Bedieningsknop voor zijruit achterportier

    Op afstand openen 3
    Bij het op afstand openen worden de zijruiten en een eventueel zonnedak geopend.
    Cabriolet: Voor het op afstand openen 3
    van de kap (zie blz. 66).

    Houd de ontgrendelknop op de afstandsbediening ingedrukt (ca. 2 seconden), totdat
    de zijruiten en een eventueel zonnedak
    opengaan en laat de knop weer los.
    Bij gebruik van de afstandsbediening voor
    de zijruiten/het zonnedak 3/de kap (Cabriolet) is het bereik van de afstandsbediening
    beperkt tot ongeveer de helft van het normale bereik.

  • Page 126

    126

    Interieur
    Op afstand sluiten 3 , Sport
    Sedan en Sport Estate

    Sluiten
    WAARSCHUWING
    Wees uiterst voorzichtig bij het sluiten
    van de zijruiten om te voorkomen dat
    iemand bekneld raakt.
    Trek de voorkant van de knop één positie
    omhoog.
    De opgaande beweging van de zijruit wordt
    onderbroken, wanneer de ruit helemaal
    gesloten is of wanneer u de knop loslaat.
    Automatisch sluiten 3: Til de knop volledig omhoog en laat deze weer los. Zie
    Afstellen op blz. 127, als de zijruit niet automatisch sluit.

    WAARSCHUWING
    Zorg dat omstanders niet te dicht bij de
    auto staan, wanneer u de zijruiten en een
    eventueel zonnedak op afstand sluit, om
    verwondingen te voorkomen.
    Bij het afstand sluiten worden de elektrische
    bediende zijruiten vooraan en een eventueel zonnedak gesloten en de elektrisch
    bediende zijspiegels ingeklapt.
    Houd de vergrendelknop op de afstandsbediening ingedrukt, totdat de zijruiten en een
    eventueel zonnedak zijn gesloten en de zijspiegels zijn ingeklapt (het duurt ca.
    2 seconden voordat de functie wordt geactiveerd). Om van de functie gebruik te
    kunnen maken moeten de portieren
    dichtstaan.
    Bij gebruik van de afstandsbediening voor
    de zijruiten/het zonnedak 3 /de kap (Cabriolet) is het bereik van de afstandsbediening
    beperkt tot ongeveer de helft van het normale bereik.
    De richtingaanwijzerlampen lichten eenmaal op om aan te geven dat de zijruiten (en
    een eventueel zonnedak) op afstand gesloten zijn. Als u geen bevestiging krijgt,
    kunnen de zijruiten (het zonnedak) niet op
    afstand worden gesloten. Het kan bijvoor-

    beeld zijn dat een van de portieren openstaat of dat u de ruiten moet afstellen.
    Cabriolet: Bij het op afstand sluiten worden
    alleen de elektrisch bediende zijspiegels
    (optie) ingeklapt.

    Bediening achterste zijruiten
    buiten werking stellen
    Met de knop
    op het bestuurdersportier
    kunt u de bedieningsknoppen op de achterportieren buiten werking stellen.
    Het symbool op de knop verandert daarbij
    van groen in oranje (buiten werking).

    Klembeveiliging 3
    Op bepaalde varianten zijn de elektrisch
    bediende zijruiten vooraan voorzien van
    klembeveiliging. Deze beveiliging treedt in
    werking, wanneer een zijruit tijdens het sluiten in zijn beweging wordt gehinderd. De
    ruit komt in dat geval tot stilstand en zakt iets
    omlaag.

  • Page 127

    Interieur
    Als de elektrisch bediende zijruiten vooraan
    door bijvoorbeeld vuil of ijs dusdanig klemmen dat de klembeveiliging wordt geactiveerd (zodat de ruiten niet kunnen worden
    gesloten), kunt u de klembeveiliging tijdelijk
    buiten werking stellen om de ruiten toch te
    kunnen sluiten.
    1 Zorg dat het contact in stand ON staat.

    Knop om de bedieningsknoppen voor de
    achterste zijruiten op de achterportieren
    en de klembeveiliging van de zijruiten buiten werking te stellen.

    WAARSCHUWING
    Let erop dat de zijruit niet wordt gehinderd, wanneer u de zijruit zonder klembeveiliging sluit.

    2 Laat de motor stationair lopen. Zorg dat
    er geen acculader op de accu is aangesloten tijdens het afstellen.
    3 Open de zijruit volledig door de knop
    ingedrukt te houden.
    4 Sluit de ruit volledig door de knop nog
    ca. 1 seconde na het sluiten omhooggetrokken te houden.

    2 Houd de knop
    op het bestuurdersportier ingedrukt (terwijl de zijruit wordt
    gesloten).

    5 Open de ruit volledig door de knop nog
    ca. 1 seconde na het openen ingedrukt
    te houden.

    3 Sluit de zijruit.

    6 Sluit de ruit volledig en houd de knop
    omhooggetrokken, totdat een belsignaal aangeeft dat de afstelling klaar is.

    De volgende keer dat u gebruik maakt van
    de elektrisch bediende zijruiten is de klembeveiliging weer actief.

    Afstellen
    Klembeveiliging tijdelijk buiten werking
    stellen

    127

    WAARSCHUWING
    Na eventuele stroomuitval moet u de
    elektrisch bediende zijruiten afstellen,
    voordat de klembeveiliging weer actief is.
    De elektrisch bediende zijruiten vooraan
    moeten worden afgesteld, wanneer de
    automatische sluitingsfunctie niet werkt of
    als de auto stroomloos is geweest. De
    klembeveiliging 3 werkt namelijk pas na
    afstelling.
    Het afstellen gaat als volgt:
    1 Sluit de portieren.

    Herhaal de punten 3–6 voor de zijruiten die
    moeten worden afgesteld.

  • Page 128

    128

    Interieur

    Achteruitkijkspiegel en
    zijspiegels
    Zijspiegels
    Instellen

    De zijspiegels zijn elektrisch te bedienen en
    te verwarmen. De bedieningsknoppen vindt
    u op het bestuurdersportier.
    1 Kies een zijspiegel met de bovenste
    knop.
    2 Stel de zijspiegel in met het drukplaatje
    U kunt de stand van het spiegelglas ook
    handmatig instellen door het glas voorzichtig in de gewenste richting te duwen.
    De zijspiegels worden automatisch verwarmd bij inschakeling van de achterruitverwarming.
    Als uw auto is uitgerust met een elektrisch
    bediende bestuurdersstoel met geheugen,
    wordt ook de stand van de zijspiegels in dit
    geheugen opgeslagen (zie blz. 24).

    1
    2
    3
    4

    Zijspiegel kiezen
    Drukplaatje voor het instellen
    Elektrisch inklappen
    Elektrisch omlaagkantelen

    Inklappen, handmatig

    De zijspiegels worden automatisch ingeklapt, wanneer er bijvoorbeeld iemand
    tegen aanloopt. U kunt de zijspiegels tevens
    handmatig in ingeklapte stand zetten. Dit
    kan handig zijn wanneer u weinig ruimte
    hebt om te parkeren zoals op veerponten.
    Vergeet echter niet de zijspiegels weer uit te
    klappen, wanneer u met de auto verder rijdt.
    Inklappen, elektrisch 3

    Druk op de knop
    onder het drukplaatje.
    U kunt de zijspiegels alleen inklappen bij
    snelheden tot 30 km/h. Bij hogere snelheden dan 30 km/h, keren de zijspiegels automatisch terug naar de uitgangspositie. U
    kunt de zijspiegels ook vanaf de afstands-

    Inklappen van zijspiegel

    bediening inklappen (zie Op afstand
    sluiten 3 , Sport Sedan en Sport Estate op
    blz. 131).
    Omlaagkantelen 3

    U kunt het glas van de zijspiegel aan passagierszijde omlaagkantelen om het achteruit
    insteken te vereenvoudigen. Druk op
    knop
    onder het drukplaatje (zie afbeelding). De zijspiegel keert in de oorspronkelijke stand terug, wanneer u nogmaals op de
    knop drukt. Als u niets doet, keert de zijspiegel automatisch in de oorspronkelijke stand
    terug, wanneer u ca. 20 meter vooruit hebt
    gereden.

  • Page 129

    Interieur

    129

    Achteruitkijkspiegel met
    automatische
    anti-verblindingsregeling 3
    Druk op knop 2 om de automatische antiverblindingsregeling te activeren.
    De achteruitkijkspiegel is voorzien van twee
    sensoren: één aan de voorkant en één aan
    de achterkant.
    De sensor aan de voorkant registreert of het
    buiten licht of donker is.
    Kantelknop voor anti-verblindingsstand
    1 Normale stand
    2 Anti-verblindingsstand

    Achteruitkijkspiegel
    De achteruitkijkspiegel heeft een anti-verblindingsstand. U activeert deze stand met
    de kantelknop aan de onderzijde van de
    spiegel. Bepaalde varianten zijn uitgerust
    met automatische anti-verblindingsregeling.
    Stel de achteruitkijkspiegel in, wanneer de
    kantelknop in de normale stand staat.

    De sensor aan de achterkant registreert of
    een achteropkomende auto bijvoorbeeld
    het groot licht voert. De achteruitkijkspiegel
    wordt dan iets donkerder om het felle licht te
    dempen. Deze demping verloopt traploos.
    Wanneer het licht van de achterligger
    minder fel wordt, neemt de spiegel de normale stand weer in.
    Wanneer u de achteruitversnelling inschakelt, wordt de regeling buiten werking
    gesteld.
    Bij het gebruik van een hoge aanhanger
    (waarbij de lichtbundel van het achteropkomend verkeer niet op de sensor valt) werkt
    de regeling niet, omdat de lichten van de
    auto achter u dan niet op de sensor op achteruitkijkspiegel schijnen.

    1 Sensor die het licht voor de auto meet
    2 Automatische anti-verblindingsregeling
    aan/uit
    3 Sensor die het licht achter de auto meet

    Zijspiegels met automatische
    anti-verblindingsregeling 3

    Op bepaalde varianten is ook de optie van
    automatisch anti-verblindingsregeling op
    de zijspiegels leverbaar. Deze worden op
    dezelfde manier tegen verblinden
    beschermd als de achteruitkijkspiegel.

  • Page 130

    130

    Interieur

    Zonnedak 3
    WAARSCHUWING
    Let op het gevaar voor beknelling tijdens
    het sluiten van het elektrisch bediende
    zonnedak om ernstig of dodelijk letsel te
    voorkomen.
    • Haal bij het verlaten van de auto altijd
    de afstandsbediening uit het contactslot. Dit om te voorkomen dat kinderen
    met het elektrisch bediende zonnedak
    kunnen gaan spelen en het kunnen
    activeren.
    • Zorg dat eventuele passagiers, en dan
    met name kinderen, niet met hun
    hoofd, handen of vingers in de zonnedakopening zitten bij het sluiten van
    het zonnedak.
    • Zorg dat geen van de inzittenden
    zijn/haar arm, hoofd e.d. door een
    geopend zonnedak naar buiten
    steekt.
    U bedient het zonnedak met de knoppen op
    de plafondconsole. U kunt het zonnedak
    alleen bedienen, wanneer de afstandsbediening in het contactslot in stand ON staat.
    Als de auto is uitgerust met elektrisch
    bediende zijruiten die automatisch worden
    gesloten, is het zonnedak, nadat u de
    afstandsbediening uit het contactslot hebt
    genomen en de auto niet hebt vergrendeld,
    nog max. 20 minuten lang te
    openen/sluiten.

    Bediening, zonnedak

    1 Handbediend openen
    2 Automatisch openen

    Openen
    Handbediend openen

    Haal de knop tot in de eerste stand naar
    achteren. Het zonnedak komt tot stilstand,
    zodra u de knop weer loslaat. Als u de knop
    niet loslaat komt het zonnedak tot in de
    comfortstand open. Om het daarna nog
    verder te openen moet u de knop eerst loslaten en nogmaals naar achteren halen.
    Automatisch openen

    Haal de knop tot in de tweede stand naar
    achteren toe en laat de knop weer los. Het
    zonnedak komt tot in de comfortstand open.
    Om het daarna nog verder te openen moet
    u de knop nogmaals naar achteren halen.

    3 Handbediend sluiten
    4 Automatisch sluiten
    5 Ventilatiestand

    Zonnedak zonder automatische
    openingsfunctie

    Haal de knop tot in stand 1 (zie afbeelding)
    naar achteren toe. Het zonnedak komt tot
    stilstand wanneer u de knop loslaat of wanneer het helemaal openstaat.

  • Page 131

    Interieur
    Sluiten
    WAARSCHUWING
    Wees uiterst voorzichtig bij het sluiten
    van het zonnedak om te voorkomen dat
    iemand bekneld raakt.
    Handbediend sluiten

    Duw de knop tot in de eerste stand naar
    voren toe. Het zonnedak komt tot stilstand,
    zodra u de knop weer loslaat.
    Automatisch sluiten 3

    Duw de knop tot in de tweede stand naar
    voren toe en laat de knop weer los. Het zonnedak sluit dan volledig.

    131

    Ventilatiestand (achterkant zonnedak
    omhoog)

    Als het zonnedak in de ventilatiestand staat,
    kunt u het niet op afstand openen.

    • Openen – duw de knop omhoog.

    Cabriolet: Zie blz. 66 voor het op afstand
    openen van de kap.

    • Sluiten – duw de knop tot in de tweede
    stand naar voren toe.
    U kunt ook voor de ventilatiestand kiezen
    wanneer het zonnedak openstaat door de
    knop omhoog te duwen. Het zonnedak sluit
    dan eerst automatisch. Als u de knop
    daarna nogmaals omhoogduwt, gaat het
    zonnedak in de ventilatiestand staan.
    Als u het zonnedak vanuit de ventilatiestand
    volledig wilt openen, moet u het dak eerst
    sluiten (duw de knop naar voren). Haal de
    knop vervolgens naar achteren toe.
    Aan de binnenkant van het zonnedak zit
    een handbediend zonnescherm.

    De klembeveiliging van het zonnedak zorgt
    ervoor dat het zonnedak tijdens het sluiten
    tot stilstand komt, als het in zijn beweging
    gehinderd wordt.

    Zonnedak zonder automatische
    sluitingsfunctie 3

    Zonnedak zonder automatische
    sluitingsfunctie 3

    • Sluiten – duw de knop naar voren toe in
    stand 3.

    Haal de knop tot in stand 3 (zie afbeelding)
    naar voren toe. Het zonnedak komt tot stilstand wanneer u de knop loslaat of wanneer
    het helemaal dichtstaat.

    Op afstand openen 3

    • Openen – duw de knop omhoog.

    Bij het op afstand openen worden de zijruiten en een eventueel zonnedak geopend.
    Houd de ontgrendelknop op de afstandsbediening ingedrukt (ca. 2 seconden), totdat
    de zijruiten en een eventueel zonnedak
    opengaan en laat de knop weer los.

    Op afstand sluiten 3, Sport
    Sedan en Sport Estate
    WAARSCHUWING
    Zorg dat omstanders niet te dicht bij de
    auto staan, wanneer u de zijruiten en een
    eventueel zonnedak op afstand sluit, om
    verwondingen te voorkomen.
    Bij het afstand sluiten worden de elektrische
    bediende zijruiten vooraan en een eventueel zonnedak gesloten en de elektrisch
    bediende zijspiegels ingeklapt.
    Houd de vergrendelknop op de afstandsbediening ingedrukt, totdat de zijruiten en een
    eventueel zonnedak zijn gesloten en de zijspiegels zijn ingeklapt (het duurt ca.
    2 seconden voordat de functie wordt geactiveerd). Om van de functie gebruik te
    kunnen maken moeten de portieren
    dichtstaan.

  • Page 132

    132

    Interieur

    Klembeveiliging 3
    WAARSCHUWING
    Let erop dat het zonnedak niet wordt
    gehinderd, wanneer u het zonnedak
    zonder klembeveiliging sluit.
    Het zonnedak is voorzien van een klembeveiliging. Deze beveiliging treedt in werking,
    wanneer het zonnedak tijdens het sluiten in
    zijn beweging wordt gehinderd. Het zonnedak komt in dat geval tot stilstand en schuift
    weer iets verder open.
    Klembeveiliging tijdelijk buiten werking
    stellen

    Als het zonnedak door bijvoorbeeld vuil of
    ijs dusdanig klemt dat de klembeveiliging
    wordt geactiveerd (en u het zonnedak niet
    kunt sluiten), kunt u de klembeveiliging tijdelijk buiten werking stellen.
    1 Zorg dat het contact in stand ON staat.
    2 Houd de knop
    op het bestuurdersportier ingedrukt (terwijl de zijruit wordt
    gesloten).
    3 Sluit het zonnedak met de knop op de
    plafondconsole.
    De eerstvolgende keer dat u het zonnedak
    gebruikt, is de klembeveiliging weer actief.

    Knop om klembeveiliging zonnedak tijdelijk buiten werking te stellen

    Noodbediening zonnedak
    U kunt het zonnedak ook handmatig bedienen met een schroevendraaier (bijvoorbeeld bij elektrische storingen).
    Verwijder het lampglas van de plafondconsole. Duw met een schroevendraaier het
    centrale pennetje in de groef van het motorasje in en draai de schroevendraaier linksof rechtsom.
    Rechtsom draaien – zonnedak vanuit de
    ventilatiestand sluiten.
    Linksom draaien – zonnedak vanuit de geopende stand sluiten.

  • Page 133

    Interieur

    1 Binnenverlichting volledig uitgeschakeld
    2 Portieren regelen aan/uit
    3 Binnenverlichting aan, onafhankelijk van de portieren

    Binnenverlichting
    De binnenverlichting bestaat uit een voorste
    en achterste plafondlampje, vloerverlichting
    en instapverlichting in de portieren
    (bepaalde varianten). De schakelaar voor
    de binnenverlichting vindt u op de plafondconsole bij de achteruitkijkspiegel.

    Wanneer u de schakelaar in de middelste
    stand zet (aan/uit door portierschakelaar),
    zal de binnenverlichting gaan branden:
    • als de auto wordt ontgrendeld;
    • u een van de portieren opent;
    • wanneer u de afstandsbediening uit het
    contact neemt.
    De verlichting dooft:
    • wanneer u de auto vergrendelt;
    • wanneer u het contact inschakelt;
    • ca. 20 seconden na het sluiten van de
    portieren.
    De verlichting dooft geleidelijk.

    133

    Verlichting achterin
    1 Leeslampjes
    2 Plafondlampje

    Als u de portieren laat openstaan terwijl u
    het contact hebt uitgeschakeld en de knop
    in stand 2 of 3 staat, zal de binnenverlichting
    na 20 minuten automatisch doven om te
    voorkomen dat de accu uitgeput raakt.
    De verlichting van het dashboardkastje gaat
    branden, wanneer u de klep van het kastje
    opent. De verlichting dooft weer, wanneer u
    de klep sluit.

  • Page 134

    134

    Interieur
    Bagageruimteverlichting

    Bekerhouder 3

    De verlichting van de bagageruimte licht
    op/dooft, wanneer u de bagageklep opent of
    sluit.
    Als u de bagageklep langer dan 20 minuten
    laat openstaan, zal de verlichting automatisch doven om te voorkomen dat de accu
    uitgeput raakt.

    WAARSCHUWING
    • De bekerhouder is niet bedoeld om
    porseleinen of glazen bekers e.d. in te
    zetten, omdat dergelijke voorwerpen
    bij een aanrijding verwondingen
    kunnen veroorzaken.
    • Gebruik alleen papieren bekers, plastic flessen of aluminium blikjes.

    Zonneklep met spiegel

    Zonneklep
    Op de zonnekleppen zit een make-upspiegeltje met verlichting. De verlichting gaat
    branden, zodra u het spiegelklepje opent.

    • Vermijd morsen. Wees met name
    voorzichtig met warme dranken.
    • Maak geen gebruik van de bekerhouder, wanneer u zelf rijdt.

    N.B.
    Zorg dat u bij gebruik van de bekerhouder
    niet op de radiomodule morst. Frisdrank
    in het bijzonder kan aanleiding geven tot
    functiestoringen.
    De bekerhouder zit in het dashboard, in het
    opbergvak tussen de voorstoelen en in het
    zitkussen van de achterbank (Sport Sedan
    en Sport Estate). De bekerhouder tussen de
    voorstoelen kan worden opgeklapt als u de
    ruimte voor andere dingen wilt gebruiken.

  • Page 135

    Interieur

    135

    Asbakken 3
    Bij auto’s met asbakken zit de ene asbak
    voor de versnellingspook/keuzehendel en
    de andere in de achterwand van de middenconsole.

    Bekerhouder in dashboard 3

    Bekerhouder in opbergvak tussen
    voorstoelen 3

    Bekerhouder onder zitgedeelte
    achterbank 3

    Open de voorste asbak door lichtjes op de
    voorkant te duwen. Verwijder de asbak door
    het aan weerszijden beet te pakken en recht
    omhoog te tillen. Plaats de asbak terug door
    deze recht omlaag te duwen.
    Open de achterste asbak door de bovenkant voorzichtig schuin omlaag te trekken.
    Verwijder de asbak door deze te openen en
    vervolgens recht omhoog te tillen. Plaats de
    asbak terug door deze recht omlaag te
    duwen.
    De elektrische aansluiting in het
    opbergvak 3 onder de armleuning tussen
    de voorstoelen kunt u gebruiken als stroomaansluiting voor bijvoorbeeld een mobiele
    telefoon. Om te voorkomen dat het snoer
    beschadigd raakt wanneer u het deksel op
    het opbergvak sluit, kunt u het snoer in een
    van de uitsparingen aan weerszijden
    leggen.

    WAARSCHUWING
    Het maximale uitgangsvermogen van de
    aanstekeraansluiting is 240 W (20 A).
    Hetzelfde geldt voor de aansluiting die in
    het opbergvak tussen de voorstoelen is
    ondergebracht. Overbelasting kan aanleiding geven tot smeltschade en brand.

  • Page 136

    136

    Interieur

    Opbergvakken
    WAARSCHUWING
    Houd de klep van het dashboardkastje tijdens het rijden gesloten. Dit geldt in het
    bijzonder voor modellen met een passagiersairbag. De klep van het dashboardkastje kan namelijk verwondingen veroorzaken in geval van een aanrijding.

    Voorste asbak met aansteker 3

    Achterste asbak 3

    U vindt ook opbergvakken onder de asbak
    voorin en in de portieren (bij auto’s met
    Bose® Surround-system ontbreken de
    opbergvakken in de achterportieren).

    Opbergvak tussen voorstoelen

  • Page 137

    Interieur

    Open het dashboardkastje door op de
    knop links op de sierstrip te drukken.
    Het dashboardkastje van de Cabriolet is
    afsluitbaar met de traditionele sleutel
    (zie blz. 55).

    Schuifluikje in dashboardkastje voor aanvoer van koude lucht 3. Dit maakt het
    mogelijk om bijvoorbeeld chocolade ook
    bij warm weer koel te bewaren.

    137

    Opbergzak aan voorzijde voorstoelen 3

    Opbergzak aan achterzijde van
    stoelleuningen 3

  • Page 138

    138

    Interieur

    Bagageruimte
    Ruggedeelte achterbank neerklappen, Sport Sedan
    Cabriolet: Het ruggedeelte van de achterbank is niet neer te klappen.

    WAARSCHUWING
    • Rijd nooit weg wanneer het ruggedeelte niet goed geblokkeerd is, omdat dit de kans op verwondingen verhoogt bij een
    krachtige remmanoeuvre of een aanrijding.
    • Laat kinderen of huisdieren nooit zonder toezicht in de auto
    achter. Bij warm weer kan de temperatuur in de passagiersruimte/bagageruimte oplopen tot 70–80 °C. Kleine kinderen
    raken al snel door de warmte bevangen.
    • Let op het gevaar voor beknelling bij het gebruik van systemen met beweegbare onderdelen.
    • Vervoer nooit zware voorwerpen op de hoedenplank. Bij een
    krachtige remmanoeuvre of een aanrijding kunnen deze voorwerpen naar voren worden geslingerd en daarbij verwondingen veroorzaken (zie ook blz. 195).
    • Als u het ruggedeelte van de achterbank weer terugklapt,
    moet u zorgen dat het aan weerszijden goed wordt geblokkeerd. Dit is uitermate belangrijk, omdat de vervoerde voorwerpen in de bagageruimte bij een krachtige remmanoeuvre
    of een aanrijding anders de passagiersruimte binnen kunnen
    dringen.
    • Vervoer geen passagiers op de achterbank, wanneer de
    hoofdsteunen op de bezette zitplaatsen niet op de juiste
    hoogte zijn afgesteld.

  • Page 139

    Interieur

    139

    Het ruggedeelte van de achterbank is voor het gemak in tweeën
    verdeeld, zodat u het smalle en het brede gedeelte ieder apart kunt
    neerklappen.
    Dicht bij de scharnieren in de bagageruimte vindt u de hendels waarmee u de blokkering van de beide ruggedeelten kunt opheffen.
    Het neerklappen gaat gemakkelijker, wanneer u de voorstoelen niet
    te ver naar achteren hebt staan.
    1 Hef de blokkering van het neer te klappen ruggedeelte op door
    aan de bijbehorende hendel in de bagageruimte te trekken.
    2 Klap het ruggedeelte voorover.
    N.B. Na het omhoogklappen van het ruggedeelte moet u controleren of het weer goed geblokkeerd staat. Let er tevens op dat
    de veiligheidsgordel niet klem zit.
    Als het linker ruggedeelte niet goed geblokkeerd staat, verschijnt de
    volgende melding op het SID (de corresponderende aanduiding verschijnt voor het rechter ruggedeelte):
    Rear left seat
    backrest unlocked. (Linker
    ruggedeelte achterbank niet
    vergrendeld.)

    Via het smalle ruggedeelte toegang tot de
    bagageruimte verschaffen, Sport Sedan
    (zie blz. 141).

    Doorsteekluik, Sport Sedan
    Cabriolet: Er zit geen doorsteekluik op een Cabriolet.

    Voor het transport van lange, smalle voorwerpen is het ruggedeelte
    van de achterbank voorzien van een doorsteekluik.
    Bij het in- en uitladen van lange voorwerpen moet u de motor afzetten en de handrem aantrekken. Als u dat niet doet, kan het namelijk
    gebeuren dat u per ongeluk tegen de versnellingspook/keuzehendel stoot, waarbij de auto in beweging kan komen.
    • Klap de armleuning omlaag en open het doorsteekluik door de
    handgreep omhoog te trekken.
    Achter op het doorsteekluik vindt u een vergrendeling, die u moet
    verdraaien om het luik te vergrendelen of te ontgrendelen.
    Vergrendelen: Open het luik en draai de vergrendeling in de vergrendelde stand. Sluit het luik weer. U hebt het doorsteekluik daarmee vergrendeld.
    Ontgrendelen: Klap het brede ruggedeelte voorover en draai de
    vergrendeling in de ontgrendelde stand. U kunt het doorsteekluik
    ook via de bagageruimte ontgrendelen.

  • Page 140

    140

    Interieur
    Bagageruimteverlichting
    WAARSCHUWING

    • Zorg dat u de lading zorgvuldig vastzet, bijvoorbeeld met de middelste
    veiligheidsgordel. Dit om te voorkomen dat de lading bij een remmanoeuvre of een aanrijding wordt weggeslingerd en verwondingen
    veroorzaakt.
    • Voor het behoud van de normale rijeigenschappen van de auto, mag u de
    maximale laadcapaciteit van de auto
    niet overschrijden (zie blz. 274).

    De verlichting in de bagageruimte gaat
    branden, wanneer u het luik opent. De verlichting dooft weer, wanneer u het luik sluit.
    Wanneer u de bagageklep langer dan
    20 minuten laat openstaan, zal het lampje
    automatisch doven om te voorkomen dat de
    accu uitgeput raakt.

    Verankeringsogen in bagageruimte

    Verankeringsogen, Sport Sedan
    In de bagageruimte vindt u verankeringsogen waaraan u eventuele lading kunt vastzetten. Zorg dat u de lading zo ver mogelijk
    naar voren schuift en zo laag mogelijk
    houdt.

  • Page 141

    Interieur
    WAARSCHUWING
    • Leg de zware tassen en koffers plat op
    de vloer neer. Leg daarna de kleinere
    en lichtere tassen en koffers er
    bovenop.
    • Zet zware en grote voorwerpen altijd
    vast aan de verankeringsogen in de
    bagageruimte. Zo verkleint u de kans
    dat de lading bij een aanrijding of een
    krachtige remmanoeuvre wordt weggeslingerd en verwondingen veroorzaakt.
    • Zet ook kleine voorwerpen goed vast
    wanneer u het ruggedeelte van de
    achterbank hebt neergeklapt, omdat
    ook kleine voorwerpen kunnen
    worden weggeslingerd en verwondingen kunnen veroorzaken.
    • Het bagagenet 3 is uitsluitend
    bestemd om lichtere voorwerpen in de
    bagageruimte vast te zetten.
    • Belast het bagagenet nooit overmatig. Als de elastische banden knappen
    kunt u verwondingen oplopen.
    Gebruik geen bagagenet dat tekenen
    van slijtage vertoont.

    141

    • Alleen een omhooggeklapte achterbank kan bij een aanrijding voorkomen dat de lading verschuift.

    • Voor het behoud van de normale rijeigenschappen van de auto, mag u de
    maximale laadcapaciteit van de auto
    niet overschrijden (zie blz. 274).
    • Stem uw snelheid en rijstijl af op de
    belading. Bij vervoer van lading in de
    bagageruimte kan de wegligging veranderen, omdat het zwaartepunt van
    de auto verschuift.

    Deksel op noodontgrendelingsknop, op
    hoedenplank

    Via het smalle ruggedeelte
    toegang tot de bagageruimte
    verschaffen, Sport Sedan
    Als de stroom uitvalt (zodat u de bagageklep niet kunt openen), kunt u het smalle
    ruggedeelte van de achterbank geforceerd
    openen om bijvoorbeeld de gevarendriehoek uit de bagageruimte te halen.
    • Verwijder het deksel en duw de gele
    hendel naar voren.

    Gereedschap en reservewiel
    (zie blz. 253).

  • Page 142

    142

    Interieur

    Ruggedeelte achterbank neerklappen, Sport Estate
    WAARSCHUWING
    • Rijd nooit weg wanneer het ruggedeelte niet goed geblokkeerd is, omdat dit de kans op verwondingen verhoogt bij een
    krachtige remmanoeuvre of een aanrijding.
    • Laat kinderen of huisdieren nooit zonder toezicht in de auto
    achter. Bij warm weer kan de temperatuur in de passagiersruimte/bagageruimte oplopen tot 70–80 °C. Kleine kinderen
    raken al snel door de warmte bevangen.
    • Let op het gevaar voor beknelling bij het gebruik van systemen
    met beweegbare onderdelen.
    • Als u het ruggedeelte van de achterbank weer terugklapt,
    moet u zorgen dat het aan weerszijden goed wordt geblokkeerd. Dit is uitermate belangrijk, omdat de vervoerde voorwerpen in de bagageruimte bij een krachtige remmanoeuvre
    of een aanrijding anders de passagiersruimte binnen kunnen
    dringen.
    • Vervoer geen passagiers op de achterbank, wanneer de
    hoofdsteunen op de bezette zitplaatsen niet op de juiste
    hoogte zijn afgesteld.

    Het ruggedeelte van de achterbank is voor het gemak in tweeën
    verdeeld, zodat u het smalle en het brede gedeelte ieder apart kunt
    neerklappen.
    Het neerklappen gaat gemakkelijker, wanneer u de voorstoelen niet
    te ver naar achteren hebt staan.
    1 Hef de blokkering van het neer te klappen ruggedeelte op door
    de bijbehorende handgreep naar voren te halen. Een rode kleur
    geeft aan dat het ruggedeelte onvergrendeld staat.
    2 Klap het ruggedeelte voorover.
    Na het omhoogklappen van het ruggedeelte moet u controleren of
    het weer goed geblokkeerd staat. Er mag geen rode kleur bij de
    handgreep zichtbaar zijn. Let er tevens op dat de veiligheidsgordel
    niet klem zit.

  • Page 143

    Interieur
    WAARSCHUWING
    • Leg de zware tassen en koffers plat op de vloer neer. Leg
    daarna de kleinere en lichtere tassen en koffers er bovenop.
    • Belast het bagagenet nooit overmatig. Als de elastische
    banden knappen kunt u verwondingen oplopen. Gebruik geen
    bagagenet dat tekenen van slijtage vertoont.
    • Zet zware en grote voorwerpen altijd vast aan de verankeringsogen in de bagageruimte. Zo verkleint u de kans dat de
    lading bij een aanrijding of een krachtige remmanoeuvre wordt
    weggeslingerd en verwondingen veroorzaakt.
    • Zet ook kleine voorwerpen goed vast wanneer u het ruggedeelte van de achterbank hebt neergeklapt, omdat ook kleine
    voorwerpen kunnen worden weggeslingerd en verwondingen
    kunnen veroorzaken.
    • Voor het behoud van de normale rijeigenschappen van de
    auto, mag u de maximale laadcapaciteit van de auto niet overschrijden (zie blz. 274).

    143

  • Page 144

    144

    Interieur

    Doorsteekluik, Sport Estate
    Voor het transport van lange, smalle voorwerpen is het ruggedeelte
    van de achterbank voorzien van een doorsteekluik.
    Bij het in- en uitladen van lange voorwerpen moet u de motor afzetten en de handrem aantrekken. Als u dat niet doet, kan het namelijk
    gebeuren dat u per ongeluk tegen de versnellingspook/keuzehendel stoot, waarbij de auto in beweging kan komen.
    • Klap de armleuning omlaag en open het doorsteekluik door de
    handgreep omhoog te trekken.

    WAARSCHUWING
    • Zorg dat u de lading zorgvuldig vastzet, bijvoorbeeld met de
    middelste veiligheidsgordel. Dit om het risico te beperken dat
    de lading bij een remmanoeuvre of een aanrijding wordt weggeslingerd en verwondingen veroorzaakt.
    • Voor het behoud van de normale rijeigenschappen van de
    auto, mag u de maximale laadcapaciteit van de auto niet overschrijden (zie blz. 274).

  • Page 145

    Interieur
    Verankeringsogen, Sport Estate
    In de bagageruimte vindt u verankeringsogen waaraan u de eventuele lading kunt
    vastzetten. Zorg dat u de lading zo ver
    mogelijk naar voren schuift en zo laag
    mogelijk houdt.
    Rijden met een geopende bagageklep
    (zie blz. 196).

    145

    Lading verankeren
    WAARSCHUWING
    • Schuif de zware tassen en koffers
    altijd zo ver mogelijk naar voren in de
    bagageruimte, dat wil zeggen tegen
    het ruggedeelte van de achterbank
    aan.
    • Stapel de bagage nooit zo hoog op,
    dat deze boven de rugleuning uitsteekt (voor zover u geen
    bagagerek 3 hebt).
    • Veranker de bagage altijd om te voorkomen dat deze bij een krachtige remmanoeuvre of een aanrijding naar
    voren kan worden geslingerd.
    • Wanneer u losse of zware bagage in
    de bagageruimte vervoert, neemt het
    gevaar voor verwondingen toe bij een
    krachtige remmanoeuvre, snelle uitwijkmanoeuvres of een aanrijding.
    • Maak gebruik van de verankeringsogen en passende sjorbanden 3 om
    de lading zo goed mogelijk vast te zetten.
    • Zorg voor een gelijkmatige belasting
    van de verankeringsogen. Zet daarom
    niet meer dan één sjorband aan een
    verankeringsoog vast.

  • Page 146

    146

    Interieur

    • Dek scherpe randen af om schade
    aan de sjorbanden te voorkomen.

    Bagagenet 3
    WAARSCHUWING

    • Klap bij het vervoer van zware bagage
    de achterbank niet neer, omdat de
    verankeringsmogelijkheden bij een
    neergeklapte achterbank beperkt zijn.
    Alleen een opgeklapte achterbank
    kan bij een aanrijding voorkomen
    dat de lading verschuift.

    • Belast het bagagenet 3 nooit overmatig. Als de elastische banden knappen kunt u verwondingen oplopen.
    Gebruik geen bagagenet dat tekenen
    van slijtage vertoont.

    • Verbeter de bescherming door de veiligheidsgordels op de buitenste zitplaatsen achterin vast te zetten. Controleer of er geen rode kleur zichtbaar
    is bij de beide openingshendels. Als
    de rode kleur wel zichtbaar is, is het
    ruggedeelte namelijk niet vergrendeld!

    • Maak nooit gebruik van een elastisch
    vloernet of een ander elastisch net in
    de bagageruimte, wanneer u de achterbank hebt neergeklapt. Deze
    netten zijn uitsluitend bestemd om
    lichtere voorwerpen in op te bergen en
    lenen zich niet voor het vastzetten van
    lading.

    • Stem uw snelheid en rijstijl af op de
    belading. Bij vervoer van lading in de
    bagageruimte kan de wegligging veranderen, omdat het zwaartepunt van
    de auto verschuift.
    • Een voorwerp met een gewicht van
    25 kg heeft een gewicht van 1000 kg
    tijdens een frontale botsing bij een
    snelheid van 50 km/h.
    • Stem de belading (inzittende(n) en
    lading) van de auto dusdanig af dat het
    totaalgewicht van de auto of de asdruk
    niet wordt overschreden (zie blz. 274).

    • Zet eventuele lading in de bagageruimte stevig vast. Het gebruik van
    een bagagenet vormt geen vrijbrief
    om de lading niet vast te zetten.
    • Een bagagenet is alleen bedoeld om
    te voorkomen dat lichte voorwerpen in
    de bagageruimte bij een krachtige
    remmanoeuvre de passagiersruimte
    in worden geslingerd.

  • Page 147

    Interieur

    147

    Bagagenet, verticaal, 9-3 Sport Estate

    Monteer het net achter de rugleuning van de
    achterbank.
    1 Verwijder de achterste dekplaatjes aan
    het plafond.
    2 Monteer de bovenste twee bevestigingen van het net aan de achterste twee
    bevestigingspunten aan het plafond.
    3 Bevestig de haken van het net aan de
    twee verankeringsogen bij de achterbank. Span de banden aan.
    U kunt het bagagenet ook achter de voorstoelen monteren, wanneer de achterbank
    in zijn geheel neergeklapt is.

    Bevestiging van het bagagenet aan het
    plafond

    Bagagenet bevestigd aan voorste verankeringsoog

    1 Verwijder de voorste dekplaatjes aan
    het plafond.
    2 Monteer de bovenste bevestigingen van
    het net aan de voorste twee bevestigingspunten aan het plafond.
    3 Verleng de banden met de bijgeleverde
    extra banden. Bevestig de haken aan de
    buitenste twee ogen die achter aan de
    vloerrails van de voorstoelen zitten (zie
    blz. 30 voor de positie van deze ogen).
    Span de banden aan.

    Opbergen van bagagenet

    Opbergen

    Berg het bagagenet in de bijbehorende zak
    op, als u het niet hoeft te gebruiken. Leg de
    zak op de vloer van de bagageruimte, tegen
    het ruggedeelte van de achterbank aan en
    zet de zak met de stukken klittenband aan
    de voorste verankeringsogen vast.

  • Page 148

    148

    Interieur

    Bagagenet, voor vloerbevestiging,
    9-3 Sport Estate 3

    1 Klap de vloerplaat omhoog. Plaats de
    zijkant van de vloerplaat in de uitsparingen van de zijstukken.
    2 Plaats de koffer/tas op de onderliggende vloer en bevestig de haken van
    het net aan de opgeklapte vloerplaat.

    Bagagenet, voor vloerbevestiging,
    9-3 Sport Estate

    1 Bovenste bevestiging. Zorg dat de rubberbanden niet gedraaid zitten
    2 Onderste bevestigingspunt

    Bagagenet, voor vloerbevestiging,
    9-3 Sport Estate met subwoofer

    1 Bovenste bevestiging. Zorg dat de rubberbanden niet gedraaid zitten
    2 Onderste bevestigingspunt
    Bevestig de onderste band van het net in de
    twee bevestigingsschroeven van de basluidspreker.

  • Page 149

    Interieur
    Ruggedeelte passagiersstoel
    neerklappen 3
    WAARSCHUWING
    Laat niemand op de achterbank achter de
    passagiersstoel plaatsnemen, wanneer
    het ruggedeelte van de stoel neergeklapt
    is.
    Om het vervoer van lange en smalle voorwerpen te vereenvoudigen kunt u het ruggedeelte van de passagiersstoel naar voren
    toe neerklappen.
    1 Zet de hoofdsteun in de laagste stand
    (zie blz. 27).
    2 Duw de stoel naar achteren zodat het
    ruggedeelte volledig kan worden neergeklapt en daarbij niet tegen het dashboard aankomt.
    3 Til de hendel aan de buitenste zijkant
    van het ruggedeelte op om het ruggedeelte naar voren toe neer te klappen.
    Wanneer het ruggedeelte volledig neergeklapt is, wordt het automatisch
    vergrendeld.

    149

    Rechtop zetten

    1 Ontgrendel het ruggedeelte met de
    hendel aan de buitenste zijkant van het
    ruggedeelte.
    2 Bij het rechtop zetten hoort u een klik
    wanneer het ruggedeelte weer goed
    rechtop staat.
    Lading verankeren (zie blz. 145).

    Ruggedeelte passagiersstoel naar voren
    toe neergeklapt

    1 Hendel om het ruggedeelte naar voren neer
    te klappen

  • Page 150

    150

    Interieur

    Bagagerolhoes 3,
    9-3 Sport Estate
    N.B.
    Leg geen voorwerpen op een uitgerolde
    bagagerolhoes. De rolhoes dient alleen
    om inkijk te voorkomen en is niet bedoeld
    om er zaken op te leggen.
    Monteren

    • Pak de cassette dusdanig beet dat het
    uitrolbare stuk naar achteren wijst.
    • Houd de cassette links en rechts boven
    de pen (1). Duw de cassette omlaag en
    draai deze iets naar voren, totdat u een
    “klik” hoort.
    • Controleer of de cassette goed vastzit
    door na te gaan of u de cassette recht
    omhoog kunt trekken. De cassette moet
    stevig vastzitten.

    WAARSCHUWING
    Een verkeerd gemonteerde cassette kan
    losraken en letsel veroorzaken tijdens
    een aanrijding, krachtig remmen e.d.

    Bagagerolhoes monteren

    1 Pen waarop de cassette moet worden
    gemonteerd
    2 Handgreep voor demontage van de cassette

    Demonteren

    • Laat de bagagerolhoes terugrollen in de
    cassette.
    • Trek de handgreep (2) naar achteren en
    til de cassette een stukje op. Doe dit ook
    aan de andere kant.

    Open de bagagerolhoes om het in- en uitladen te vergemakkelijken.

    Bagagerolhoes openen

    1 Druk het achterste deel van de bagagerolhoes naar beneden, bijvoorbeeld met
    de elleboog.
    2 De bagagerolhoes gaat dan langs de
    groeven in de achterste stijlbekledingen
    omhoog, zodat het laden wordt vergemakkelijkt.
    3 Duw de bagagerolhoes daarna zo ver
    mogelijk omlaag en controleer of de
    hoes goed in deze stand vasthaakt.

  • Page 151

    Starten en rijden

    151

    Starten en rijden
    Contactslot __________
    Stuurslot ____________
    Motor starten _________
    Belangrijke informatie
    voor het rijden_______
    Tanken ______________
    Inrijperiode___________
    Handbak _____________
    Automaatbak 3 _______
    Cruisecontrol 3 _______
    Remmen _____________
    Traction Control System
    (TCS) ______________
    Electronic Stability
    Program (ESP®) 3 ___
    Handrem_____________
    Parkeren_____________
    3 Een sterretje geeft aan dat de uitrusting niet op
    alle auto’s is aangebracht (afhankelijk van het
    model, het motortype, de marktspecificatie, de
    gekozen opties en/of accessoires).

    152
    153
    153

    Akoestisch
    parkeerhulpsysteem 3
    Zuinig rijden __________
    Rijden tijdens de winter _

    156
    160
    165
    166
    167
    173
    175

    Rijden tijdens de zomer _
    Rijden met een
    aanhanger 3 _________
    Rijden met lading op het
    dak _________________
    Rijden met belading ____
    Rijden met een
    geopende bagageklep _
    Rijden door diepe
    waterplassen ________
    Slepen _______________
    Starthulp met hulpaccu _
    Voordat u lange reizen
    maakt_______________

    177
    179
    181
    182

    184
    187
    189
    191
    192
    195
    195
    196
    196
    196
    200
    202

  • Page 152

    152

    Starten en rijden

    Contactslot

    N.B.

    Het contactslot zit in de middenconsole
    tussen de voorstoelen.

    N.B.
    Vuil, kruimels en vocht kunnen schade
    aan het contactslot veroorzaken. Gebruik
    de middenconsole dan ook niet om spullen op weg te zetten.
    Zorg dat er geen sneeuw in het contactslot kan komen en daar smelt. Hierdoor
    kan het contactslot vastvriezen.

    WAARSCHUWING
    • Neem altijd de afstandsbediening uit
    het contact, wanneer u kinderen
    alleen in de auto achterlaat.
    • Trek de handrem aan, voordat u de
    afstandsbediening uit het contact
    neemt.
    • Neem de afstandsbediening nooit tijdens het rijden uit het contactslot. Het
    stuurslot treedt dan in werking, zodat
    de auto onbestuurbaar wordt.
    Om te zorgen dat alle verschillende systemen van de auto registreren dat u de
    afstandsbediening in het contact hebt
    gestoken, moet u de afstandsbediening pas
    na ca. 0,5 seconden omdraaien.

    Stand LOCK
    Het is mogelijk de stadslichten, de alarmlichten en de binnenverlichting in te schakelen.
    Modellen met een automaatbak

    U kunt de afstandsbediening alleen in deze
    stand uitnemen.
    Modellen met een handbak

    U kunt de afstandsbediening altijd uitnemen, ongeacht de stand van de versnellingspook.

    Stand OFF
    Delen van het elektrische systeem zijn ingeschakeld. Verwijder de afstandsbediening als de motor niet draait.
    Modellen met een automaatbak: De keu-

    zehendel is niet geblokkeerd (zie ook
    blz. 167).

    Als u de afstandsbediening vanuit stand
    ON naar OFF draait voordat de auto tot
    stilstand is gekomen, kan de afstandsbediening mogelijk niet naar stand LOCK
    gedraaid worden. Draai in dat geval de
    afstandsbediening naar stand ON, totdat
    het controlelampje voor ABS dooft
    (ca. 2 seconden). Draai de afstandsbediening vervolgens terug naar stand OFF.

    Stand ON
    Het hele elektrische systeem is ingeschakeld. Verwijder de afstandsbediening als
    de motor niet draait.

    Wanneer u de afstandsbediening naar
    stand ON draait, gaan er waarschuwingsen controlelampjes op het hoofdinstrument
    branden. Deze lampjes moeten ca.
    3 seconden later weer doven.
    Modellen met een dieselmotor: Start de
    motor als het controlelampje
    is
    gedoofd.

    Stand ST
    De startmotor wordt ingeschakeld (bij
    modellen met een automaatbak moet de
    keuzehendel in stand P of N staan). Zodra
    u de afstandsbediening loslaat, veert deze
    weer terug naar stand ON.
    De auto is voorzien van een elektronische
    beveiliging tegen doorstarten. Als het niet
    lukt om de motor te starten, moet u de
    afstandsbediening eerst in een stand
    tussen OFF en LOCK draaien, voordat u
    een nieuwe startpoging kunt doen.

  • Page 153

    Starten en rijden

    Stuurslot
    Het stuurslot werkt elektrisch. Het treedt in
    werking, wanneer u de afstandsbediening
    uit het contactslot neemt. Het stuurslot
    wordt opgeheven, wanneer u de afstandsbediening in het contactslot steekt. U hoort
    een klikkend geluid, wanneer het stuurslot
    in werking treedt of wordt opgeheven.
    Als u de auto dusdanig geparkeerd hebt dat
    het ene voorwiel bijvoorbeeld tegen een
    trottoirband aankomt, moet u bij het insteken van de afstandsbediening mogelijk iets
    aan het stuurwiel draaien om het stuurslot
    op te heffen. Als dat u niet in een keer lukt,
    moet u de afstandsbediening uitnemen,
    voordat u het nogmaals probeert. Draai aan
    het stuurwiel en steek de afstandsbediening
    weer in het contactslot.
    Zolang het stuurslot actief is, kunt u de
    afstandsbediening in het contactslot niet
    omdraaien.
    De volgende aanduiding verschijnt op het
    SID:
    Pull out key, turn
    steering wheel. Restart.
    (Neem sleutel uit en draai aan
    stuurwiel. Opnieuw starten.)

    Als er een storing optreedt die de werking
    van het stuurslot kan beïnvloeden,
    verschijnt de volgende melding op het SID:
    Steering lock malfunc.
    Make a safe stop. (Storing
    stuurslot. Breng auto veilig
    tot stilstand.)

    Als er een storing in het stuurslot optreedt
    terwijl de afstandsbediening in het contactslot steekt, wordt het stuurslot mogelijk niet
    geactiveerd bij het uitnemen van de
    afstandsbediening of dat de motor, wanneer deze eenmaal afgezet is, niet opnieuw
    kan worden gestart.
    Als u de auto in dat geval moet achterlaten,
    moet u de auto vergrendelen door de vergrendelknoppen op de portieren omlaag te
    duwen. Vergrendel het linker voorportier
    daarna vanaf de buitenzijde met de traditionele sleutel (zie blz. 51). De auto is dan vergrendeld. Als de auto is uitgerust met diefstalarm, is het alarm echter niet
    geactiveerd.

    153

    Motor starten
    WAARSCHUWING
    • Let op het volgende bij het starten van
    de motor:
    – Ga op de bestuurdersstoel zitten.
    – Trap het koppelingspedaal volledig in.
    Wanneer de versnellingspook/keuzehendel niet in de neutrale stand staat,
    moet u het koppelingspedaal altijd zo
    ver mogelijk intrappen. Dit om te voorkomen dat de auto plotseling naar
    voren of achteren schiet met mogelijke ongelukken als gevolg.
    – Probeer de motor nooit van buitenaf,
    bijvoorbeeld via een geopend zijruit,
    te starten. Ernstig letsel is daarbij niet
    uitgesloten.
    • Koolmonoxide (CO) is een onzichtbaar, geurloos en giftig gas. Let op het
    gevaar voor koolmonoxidevergiftiging, wanneer u de motor in een
    garage start. Open daarom altijd eerst
    de garagedeuren.
    • Ook een lekkend uitlaatsysteem kan
    gevaar voor koolmonoxidevergiftiging
    opleveren.
    Bij het verversen van olie en/of het vervangen van het oliefilter kan er lucht in het
    smeersysteem dringen. Dit kan zich ook
    voordoen, als de auto langere tijd geparkeerd gestaan heeft.

  • Page 154

    154

    Starten en rijden

    In dat geval kunt u de eerste 15 minuten na
    het starten de hydraulische klepstoters duidelijk horen tikken. Dit houdt echter niet in
    dat er iets mis is met de motor.
    Laat de motor echter geen hogere toeren
    maken dan 3000 omw/min, zolang u het tikkende geluid hoort.

    Motor starten
    Zolang de motor niet op bedrijfstemperatuur
    is, moet u niet te veel gas geven en de motor
    niet te zwaar belasten. Rijd pas met de auto
    weg, wanneer alle waarschuwings- en controlelampjes weer zijn gedoofd.
    De motor is uitgerust met een automatische
    koudestartinrichting en moet als volgt
    worden gestart.
    Modellen met een handbak

    1 Zorg dat u de handrem hebt aangetrokken.
    2 Trap het koppelingspedaal en het
    rempedaal tegelijkertijd in. Kom niet aan
    het gaspedaal.
    Opmerking! Wanneer de motor is
    aangeslagen, zal het rempedaal iets
    omlaagkomen. Dit is volkomen normaal.
    3 Start de motor. Laat de afstandsbediening vanuit de startstand terugveren,
    wanneer de motor is aangeslagen en
    regelmatig loopt.
    Laat de motor ca. 10 seconden lang stationair lopen. Geef pas volgas, als er

    3 minuten zijn verstreken nadat de motor is
    aangeslagen.

    Tips voor het starten

    Modellen met een automaatbak

    Benzinemotor

    1 Zorg dat de keuzehendel in stand P of N
    staat.
    2 Trap op het rempedaal en houd het in
    deze stand vast.
    Opmerking! Wanneer de motor is
    aangeslagen, zal het rempedaal iets
    omlaagkomen. Dit is volkomen normaal.
    3 Start de motor. Laat de afstandsbediening vanuit de startstand terugveren,
    wanneer de motor is aangeslagen en
    regelmatig loopt.
    Laat de motor ca. 10 seconden lang stationair lopen. Geef pas volgas, als er
    3 minuten zijn verstreken nadat de motor is
    aangeslagen.

    Als het u na verscheidene pogingen bij
    strenge vorst nog niet gelukt is om de motor
    te starten, moet u het volgende doen:
    1 Draai het contactslot naar stand ON (het
    is uitermate belangrijk dat u het contactslot naar stand ON draait, voordat u op
    het gaspedaal trapt).
    2 Trap het gaspedaal helemaal in en
    houdt het in deze stand terwijl de startmotor 5–10 seconden loopt om te voorkomen dat de motor een te rijk brandstof
    krijgt (wanneer u het gaspedaal helemaal intrapt, wordt de brandstoftoevoer
    afgesloten).
    3 Start de motor vervolgens op de gebruikelijke manier. Trap niet op het gaspedaal.
    Als de motor meteen na de start weer
    afslaat (als u de koppeling bijvoorbeeld te
    snel laat opkomen), moet u bij een volgende
    startpoging het gaspedaal met rust laten.
    Als uw auto uitgerust is met een standverwarming op brandstof (accessoire), zal de
    standverwarming nadat de motor is aangeslagen automatisch worden ingeschakeld
    bij een koelvloeistoftemperatuur lager dan
    84 °C. Dit om ervoor te zorgen dat de motor
    en het interieur sneller op temperatuur
    komen.

  • Page 155

    Starten en rijden
    Dieselmotor 3

    Starten tijdens de winter (dieselmotor)

    Bij strenge vorst is het mogelijk dat de startmotor tot maar liefst 60 seconden lang moet
    draaien.

    Bij langdurig verblijf in landen met een koud
    klimaat wordt het gebruik van motorverwarming geadviseerd.

    Laat de motor ca. 10 seconden lang stationair lopen. Geef pas volgas, als er
    2-3 minuten zijn verstreken nadat de motor
    is aangeslagen.

    Bij lage temperaturen (lager dan –25 °C)
    moet u de startmotor net zolang laten
    draaien, dat de motor op eigen kracht ca.
    1000 omw/min maakt.

    Om te zorgen dat de motor sneller aanslaat
    bij een lage koelvloeistoftemperatuur en om
    de uitstoot van uitlaatgassen te beperken is
    er in iedere cilinder een gloeibougie aangebracht. Bij een koelvloeistoftemperatuur
    lager dan +5 °C gaat het controlelampje
    “Controlelampje, gloeibougie (modellen
    met een dieselmotor)” branden, zodra u de
    afstandsbediening naar stand ON draait
    (zie blz. 88).

    Zelfs als het er aanvankelijk naar uitziet dat
    de motor al na enkele seconden aanslaat,
    moet u de startmotor mogelijk aanzienlijk
    langer laten werken voordat de motor op
    eigen kracht kan blijven draaien. Het is
    mogelijk dat de startmotor tot 60 seconden
    lang moet werken (zie ook “Rijden tijdens de
    winter” op blz. 189).

    De tijd dat de gloeibougies actief zijn, hangt
    af van de koelvloeistoftemperatuur. Bij
    +4 °C werken de gloeibougies ca.
    1 seconde lang, terwijl ze bij –20 °C
    10 seconden lang actief zijn.

    155

    Benzinemotor bestemd voor het gebruik
    van E85 3
    Bij temperaturen van ca. 0 °C of lager:

    • Gebruik zo mogelijk motorverwarming
    – Tijdens een koude start bij temperaturen
    van –10 tot –20 °C, dient u de motorverwarming ca. 1 uur voor de start in te
    schakelen.
    Als de buitentemperatuur veel lager is
    dan –20 °C, dient u de motorverwarming eveneens veel langer voor de start
    in te schakelen.
    – Het gebruik van een motorverwarming
    bij temperaturen hoger dan –10 °C is
    goed voor het milieu en het brandstofverbruik.
    • Als gebruik van een motorverwarming
    niet mogelijk is
    – Bij temperaturen van ca. –10 °C en
    lager, dient u het gehalte aan benzine te
    verhogen om te voorkomen dat de
    motor moeilijker start.
    Starten bij warm weer:

    • Start de motor op de gebruikelijke manier.

  • Page 156

    156

    Starten en rijden

    Belangrijke informatie
    voor het rijden
    Modellen met turbobenzinemotor

    1 Tijdens het starten en rijden.
    • Trek niet volgas op, voordat de motor
    op bedrijfstemperatuur is gekomen. Dit
    om overmatige slijtage van te voorkomen. Als de turbodrukmeter herhaaldelijk tot in het rode vak uitslaat, kan de
    motor plotseling aan vermogen verliezen omdat een beveiligingsfunctie de
    laaddruk automatisch beperkt. U wordt
    geadviseerd contact op te nemen met
    een erkende Saab-werkplaats.
    • Onder bepaalde atmosferische
    omstandigheden (bij een hoge buitentemperatuur en/of op grote hoogte) kan
    de wijzernaald tot in het rode veld
    uitslaan. Dit duidt echter niet op een
    storing.
    • Een beveiligingsfunctie (onderbreking
    van de brandstoftoevoer) beperkt het
    motortoerental.

    2 Bij het afzetten van de motor.
    • Geef niet te veel gas vlak voordat u de
    motor afzet. Laat de motor altijd eerst
    tot het stationaire toerental teruglopen,
    voordat u de motor afzet.
    3 Regeling van de laaddruk.
    • Het systeem werkt optimaal bij gebruik
    van benzine met een octaangetal van
    95 (RON). Een voordeel van de laaddrukregeling is, dat de motor ook op
    benzine met een lager octaangetal kan
    lopen. Om de motor niet te beschadigen mag u echter geen benzine gebruiken met een octaangetal lager dan
    91 (RON). Bij gebruik van benzine met
    een laag octaangetal levert de motor
    iets minder goede prestaties, zodat u
    een te zware belading moet voorkomen en niet in een te lage versnelling
    moet wegrijden. Voor de beste prestaties moet u gebruik maken van de
    aanbevolen brandstofkwaliteit.
    • De maximale laaddruk van de turbocompressor hangt af van de klopneigingen van de motor. Als de motor
    korte tijd klopt, is dat volkomen
    normaal. De motor kan gaan kloppen
    bij een krachtige verhoging van de
    belasting rond 3000 omw/min. De
    ernst hangt af van de gebruikte brandstofkwaliteit.

    • Wanneer u benzine gebruikt met een
    lager octaangetal dan aanbevolen wordt,
    klopt de motor mogelijk van tijd tot tijd.
    Een dergelijke beheerste vorm van kloppen gevolgd door een bepaalde compensatie van de laaddruk is niet schadelijk
    voor de motor en geeft aan dat de laaddrukregeling naar behoren functioneert.

    N.B.
    • Als de motor abnormale geluiden
    maakt, is er een storing opgetreden.
    U wordt geadviseerd contact op te
    nemen met een erkende Saabwerkplaats.
    • Het gebruik van brandstof met een te
    laag octaangetal kan ernstige motorschade veroorzaken.

  • Page 157

    Starten en rijden
    Limited performance.
    (Beperkte prestaties.)

    Het lampje 3 brandt als er een storing in de
    motor of versnellingsbak (auto’s met automaatbak) is ontstaan die tijdens het rijden
    voor problemen kan zorgen maar die niet
    van invloed is op de uitlaatgasreiniging. Er
    kan nog steeds met de auto worden gereden, maar misschien met beperkte prestaties.
    Neem te gelegener tijd contact op met een
    werkplaats. U wordt geadviseerd daarvoor
    contact op te nemen met een erkende
    Saab-werkplaats.

    157

    Limp-Home
    Het motorstuursysteem van de auto heeft
    een diagnosefunctie, die nadat de motor is
    afgeslagen meerdere interne functies controleert. Als er iets mis is met de smoorklep,
    zal het motorstuursysteem deze klep in de
    Limp-Home-modus zetten. Dit betekent dat:
    • de motor minder goed stationair loopt (de
    motor loopt onregelmatig, omdat deze
    alleen via de ontsteking en de brandstoftoevoer wordt bijgeregeld);
    • de motor minder goede prestaties levert;
    • de cruisecontrol niet werkt;
    • de A/C-compressor een beperkte capaciteit heeft.
    Als de diagnosefunctie een storing in het
    motorstuursysteem registreert, zal het
    lampje
    “Storingsmelding, motor
    (CHECK ENGINE)” op het hoofdinstrument
    gaan branden (zie blz. 85). Laat de auto in
    dat geval zo spoedig mogelijk nakijken in
    een werkplaats. U wordt geadviseerd contact op te nemen met een erkende Saabwerkplaats.

    N.B.
    Als het waarschuwingslampje
    “Storingsmelding, motor (CHECK ENGINE)”
    gaat knipperen (om aan te geven dat de
    motor dusdanig overslaat, dat er gevaar
    voor schade aan de katalysator bestaat),
    moet u iets gas terugnemen. Het lampje
    kan vervolgens doven of continu gaan
    branden. Als het lampje echter blijft knipperen ondanks dat u gas teruggenomen
    hebt, is het mogelijk door te rijden. U
    wordt echter geadviseerd de laagst
    mogelijke snelheid aan te houden die de
    verkeerssituatie toelaat. Laat de auto zo
    spoedig mogelijk nakijken in een werkplaats. U wordt geadviseerd contact op te
    nemen met een erkende Saabwerkplaats.

  • Page 158

    158

    Starten en rijden

    Belangrijke informatie over
    modellen met een benzinemotor
    De katalysator vormt een onderdeel van het
    systeem voor de uitlaatgasreiniging en is in
    het uitlaatsysteem gemonteerd. Het actieve
    gedeelte van de katalysator bestaat uit een
    keramisch element met een cellenstructuur
    waarvan de wanden overtrokken zijn met
    een legering van edelmetalen.

    N.B.
    Maak alleen gebruik van ongelode (loodvrije) benzine. Bij gebruik van gelode
    (loodhoudende) benzine lopen de katalysator en de zuurstofsensor schade op en
    levert de motor een minder groot vermogen.
    Voor een goede werking van de katalysator
    en om schade aan de katalysator en de
    omringende onderdelen te voorkomen,
    moet u op het volgende letten:
    • Zorg dat u de auto altijd in een goede
    conditie houdt door regelmatig onderhoud te plegen zoals beschreven in het
    Onderhoudsprogramma.

    • Let erop dat de motor altijd soepel loopt
    en gebruik maakt van alle cilinders. Let er
    tevens op dat de motor niet aan vermogen verliest en controleer of er symptomen zijn die erop duiden dat de motor
    minder goed functioneert. Als u vermoedt
    dat er is niet in orde is, moet u snelheid
    matigen en zo snel mogelijk contact
    opnemen met een werkplaats. U wordt
    geadviseerd contact op te nemen met
    een erkende Saab-werkplaats.

    • Parkeer de auto niet op droog gras of op
    andere brandbare materialen. De katalysator kan bijzonder heet worden en brand
    veroorzaken.

    • Wanneer u starthulp nodig hebt, zoals bij
    zeer strenge vorst of een uitgeputte accu,
    kunt u de auto aanslepen (modellen met
    een handbak) of de motor starten met een
    hulpaccu. De motor moet echter meteen
    na de start op alle cilinders lopen. Als dat
    niet het geval is, kunt u de motor
    5 minuten lang stationair laten lopen om
    de motor de gelegenheid te geven regelmatig te gaan draaien. Als de motor na
    deze periode nog steeds niet regelmatig
    loopt, moet u de motor afzetten om
    ernstige schade aan de katalysator te
    voorkomen. U wordt geadviseerd in dat
    geval contact op te nemen met een Saabwerkplaats voor advies.

    Als u de bovenstaande aanwijzingen niet
    opvolgt, kunnen de katalysator en de omringende onderdelen schade oplopen. Bovendien kunnen er dan beperkingen in de dekking van de garantie gelden.

    • Ga niet rijden, als de motor overslaat!
    • Wanneer u de auto aansleept terwijl de
    motor op temperatuur is, moet de motor
    meteen op alle vier de cilinders gaan
    lopen. Stop de aansleeppoging, als de
    motor niet meteen aanslaat.

  • Page 159

    Starten en rijden
    Belangrijke informatie over
    modellen met een dieselmotor

    N.B.
    Wanneer u de brandstoftank helemaal
    leegrijdt, bestaat het gevaar dat er met de
    brandstof mee lucht de motor in wordt
    gepompt. De temperatuur in de katalysator kan daardoor zo hoog oplopen dat
    deze beschadigd raakt.

    WAARSCHUWING
    Bij het rijden op zogeheten testbanken of
    vermogenstestbanken moeten de motorruimte en de onderzijde van de auto met
    extra toegevoegde lucht worden gekoeld,
    overeenkomend met de rijwind bij de
    actuele snelheid.

    159

    Voor dieselmodellen met
    roetfilter geldt het volgende 3

    N.B.

    N.B.

    • Gebruik alleen dieselolie. Dieselmotoren moeten op dieselolie lopen die voldoet aan de Europese norm NENEN590. Gebruik geen RME (ook wel
    biodiesel genoemd), omdat de onderdelen van het brandstofsysteem daardoor schade oplopen.

    • Tijdens de regeneratie stijgt de temperatuur in het gehele uitlaatsysteem.
    Parkeer de auto daarom niet op een
    plaats waar brandbaar materiaal in
    contact kan komen met het uitlaatsysteem.

    • Het brandstofsysteem raakt beschadigd door benzine in de dieselolie. Rijd
    daarom niet verder, als u per ongeluk
    benzine hebt getankt. U moet het
    brandstofsysteem in het gegeven
    geval helemaal laten leeglopen en
    schoonspoelen met dieselolie.
    • Gebruik geen additieven.
    • Ook als de auto voorzien is van een
    brandstoffilter met waterafscheider
    kunt u beter geen dieselolie met een te
    hoog watergehalte tanken. Vermijd
    ook brandstof met een hoog zwavelgehalte.

    • Het is belangrijk dat het uitlaatsysteem in een goede staat verkeert. Als
    het uitlaatsysteem lekt, kunnen er
    hete uitlaatgassen langs het onderstel
    van de auto stromen en schade veroorzaken.
    • U wordt geadviseerd het originele uitlaatsysteem van Saab te gebruiken,
    aangezien dit speciaal gemaakt is
    voor de temperatuurstijging die bij
    regeneratie ontstaat.
    Het roetfilter is een onderdeel van het uitlaatsysteem. In de dieseluitlaatgassen
    zitten deeltjes die in het filter blijven vastzitten. Deze worden regelmatig geregenereerd (de deeltjes worden verbrand).

  • Page 160

    160

    Starten en rijden

    De regeneratie vindt automatisch plaats. De
    tijd tussen elke regeneratie wordt beïnvloed
    door het type verkeer waarin de auto rijdt.
    Rijden op snelwegen levert de langste intervallen op. Een regeneratie kan max.
    8 minuten duren.

    Als de regeneratie niet wordt geactiveerd,
    verschijnt de volgende melding op het SID:

    De regeneratie start als aan bepaalde voorwaarden is voldaan, bijvoorbeeld:

    U moet dan minimaal 20 minuten op de
    snelweg rijden, anders gaat het lampje
    Check Engine branden wanneer het filter
    vol is en de auto neemt de stand LimpHome in (er kan dan met de auto worden
    gereden, maar de motor levert beperkte
    prestaties). De auto moet zo snel mogelijk
    door een werkplaats worden gecontroleerd.
    Daar kan een handmatige regeneratie
    worden uitgevoerd. U wordt geadviseerd
    daarvoor contact op te nemen met een
    erkende Saab-werkplaats.

    • De motor moet minimaal 5 minuten
    hebben gedraaid (bij koud weer tot
    15 minuten.)
    • De snelheid moet minimaal 25 km/h zijn.
    Als er alleen maar kortere afstanden met de
    auto worden gereden, start de regeneratie
    niet. Om dit te voorkomen, wordt u aangeraden om minimaal elke 1000 km
    20 minuten op de snelweg te rijden. Op die
    manier wordt de regeneratie uitgevoerd.
    Tijdens het regenereren van het filter kan de
    motor iets minder krachtig aandoen. Bij
    stadsritten is het bijvoorbeeld mogelijk dat u
    de motor na het afremmen op de motor
    traag vindt reageren op het gaspedaal.
    Bij ritten op snelwegen is dit het minst
    merkbaar.

    Particulate filter full.
    See Owner's manual. (Roetfilter vol. Zie Instructieboekje.)

    Tanken
    WAARSCHUWING
    Benzinedampen zijn uiterst explosief. Let
    er daarom tijdens het tanken op dat:
    • u tijdens het tanken nooit rookt;
    • u benzine alleen als motorbrandstof
    gebruikt;
    • benzine uiterst brandgevaarlijk is en
    ernstige brandwonden kan veroorzaken (zodat u benzine uit de buurt van
    open vuur moet houden);
    • u tijdens het tanken de mobiele telefoon niet gebruikt;
    • u een eventuele verwarming op
    brandstof moet uitschakelen tijdens
    het tanken.
    Als de brandstof die u bijtankt gaat branden, moet u het vulpistool in de tank laten
    zitten. Sluit de brandstoftoevoer echter
    af. Waarschuw het pomppersoneel. Verlaat onmiddellijk het terrein.

  • Page 161

    Starten en rijden
    Gebruik brandstof van gerenommeerde
    oliemaatschappijen.

    Voor de beste prestaties wordt u geadviseerd gebruik te maken van benzine met
    het onderstaande octaangetal:

    Alle benzinemotoren van Saab kunnen op
    benzine met een octaangetal van 91 (RON)
    en 98 (RON) lopen (RON = Research
    Octane Number).

    • E85 voor auto’s die zijn aangepast

    Het motorstuursysteem registreert het verloop van de verbranding in de motor en
    stemt de regeling automatisch af op de
    gebruikte soort brandstof.

    Motoren die zijn aangepast voor E85
    mogen alleen rijden op brandstof die
    voldoet aan de norm CWA 15293 of
    SS 155480.

    Zorg dat u brandstof van de juiste kwaliteit
    tankt, d.w.z. ongelode benzine met een
    octaangetal van 91–98 (RON).

    N.B.
    • Tank niet zoveel brandstof, dat deze
    tot in de vulpijp staat. De brandstof
    heeft enige ruimte nodig om bij warm
    weer bijvoorbeeld uit te kunnen zetten.
    • Het gebruik van brandstof met een te
    laag octaangetal kan ernstige motorschade veroorzaken.

    • RON 95 voor benzinemotoren .
    voor het gebruik van E85

    • Dieselolie voor dieselmotoren.
    Dieselmotoren moeten op dieselolie
    lopen die voldoet aan de Europese norm
    EN590.
    Er kunnen additieven of dopes aan de benzine zijn toegevoegd die zuurstof bevatten.
    In de meeste gevallen gaat het echter om
    een bepaalde soort alcohol of ether. Informeer naar de voorschriften voor het maximale zuurstofgehalte die in uw land van
    kracht zijn.
    Wanneer u alcohol wilt bijmengen staat
    Saab een maximumgehalte van
    5 volumeprocent methanol of
    10 volumeprocent ethanol toe. De meest
    gebruikelijke ethersoort MTBE (tertiairebutylmethylether) mag bijgemengd worden
    tot een gehalte van maximaal
    15 volumeprocent.
    De tankdop zit achter de tankvulklep in de
    wielkuip rechtsachter.

    161

    Auto’s die zijn aangepast voor het
    gebruik van E85 (85 % ethanol)

    De brandstoftank heeft een inhoud van
    61 liter.
    Als de verkrijgbaarheid van E85 beperkt is,
    kunt u brandstof met een ander ethanolgehalte of gewone RON 95 tanken. Het motorstuursysteem wordt automatisch afgestemd op de hoeveelheid ethanol in de
    brandstof.
    Bij temperaturen van –10 °C of lager dient u
    het benzinegehalte te verhogen. Gebruik
    van zuivere E85 bij lage temperaturen kan
    aanleiding geven tot startproblemen. De
    koudestarteigenschappen worden aanzienlijk verbeterd bij een mengsel met een hoger
    benzinegehalte.
    Rijd na het tanken ten minste 5 minuten in
    de auto. Dit is met name van belang als u
    bijvoorbeeld E85 tankt na een tank met zuivere benzine of andersom. Wanneer u ten
    minste 5 minuten rijdt geeft u het motorstuursysteem de gelegenheid zich aan te
    passen aan het nieuwe brandstofmengsel.
    Rijd rustig gedurende deze periode.
    Bij gebruik van brandstof met ethanol
    gelden er tijdens de opwarmfase van de
    motor (temperaturen tot +50 °C) beperkingen voor het motorkoppel.
    Ethanol heeft een geringere energieinhoud per liter dan benzine en daarom
    ligt het brandstofverbruik bij gebruik van
    E85 hoger dan dat bij gebruik van benzine. Dit houdt in dat u op een tank met
    E85 minder kilometers kunt maken dan
    op een tank met benzine.

  • Page 162

    162

    Starten en rijden
    Tankdop

    N.B.
    Bepaalde benzinetoevoegingen kunnen
    in combinatie met ethanol slechtere rijprestaties veroorzaken. Giet de tank
    daarom om de 10000 km vol met zuivere
    benzine (RON 95). Rijd het merendeel
    van de tankinhoud op voordat u opnieuw
    E85 tankt.

    N.B.
    Houd een jerrycan met reservebrandstof
    gevuld met zuivere benzine (RON 95).
    • Naarmate het E85-gehalte toeneemt stijgen eveneens het motorkoppel en het
    motorvermogen.
    • Bij een hoog E85-gehalte wordt de
    behoefte aan motorverwarming tijdens
    koud weer groter.
    • Wanneer het E85-gehalte hoog is (meer
    dan 50 %) wordt bij vorst het motorkoppel
    begrensd om overslag tegen te gaan. Het
    risico van overslag wordt groter naarmate
    de motor zwaarder belast wordt. De
    koppelbegrenzing is actief bij een ethanolgehalte van meer dan 50 % en een
    motortemperatuur lager dan 50 °C.
    • E85 dient met dezelfde voorzichtigheid te
    worden gehanteerd als benzine.
    • E85 bevat een rode kleurstof. De motorolie krijgt daardoor een rodige kleur.

    Openen: de tankdop is voorzien van
    schroefdraad. Draai de tankdop voorzichtig
    linksom (tegen de klok in).
    Auto’s die zijn aangepast voor het gebruik
    van E85 (85 % ethanol): draai de tankdop
    een kwartslag linksom.
    Sluiten: draai de tankdop rechtsom (met de
    wijzers van de klok mee) totdat u de dop
    driemaal hoort klikken.
    Auto’s die zijn aangepast voor het gebruik
    van E85 (85 % ethanol): draai de tankdop
    rechtsom (met de wijzers van de klok mee)
    totdat u de dop driemaal hoort klikken
    (ongeveer een kwartslag).
    Tankvulklep handmatig openen, Sport
    Sedan (zie blz. 62).
    Tankvulklep handmatig openen,
    Cabriolet (zie blz. 81).

    Verwijderde tankdop om te tanken

    Tanken
    Modellen met een benzinemotor

    1 Zet de motor af.
    2 Draai de tankdop los.
    3 Steek het vulpistool van de brandstofpomp tot voorbij de flens in de vulpijp en
    zorg dat het pistool met het eerste positiemerkje (de ring, de opgegoten nokken
    of de eerste veerwikkeling) op de flens
    rust. Til het vulpistool niet op tijdens het
    tanken.
    4 Probeer niet meer brandstof bij te
    tanken, wanneer de pomp de eerste
    maal afslaat.

  • Page 163

    Starten en rijden
    Modellen met een dieselmotor 3

    N.B.
    Tank niet zoveel brandstof, dat deze tot in
    de vulpijp staat. De brandstof heeft enige
    ruimte nodig om bij warm weer bijvoorbeeld uit te kunnen zetten.
    Om condens in de tank te vermijden (en
    daarmee de kans op motorstoringen te
    beperken) moet u de tank altijd goed gevuld
    houden.
    Anti-condensmiddel in brandstoftank

    (zie blz. 189).

    Gebruik alleen dieselolie die bestemd is
    voor automotoren. Dieselmotoren moeten
    op dieselolie lopen die voldoet aan de Europese norm NEN-EN590. Het gebruik van
    stookolie, dieselolie voor scheepsmotoren
    en dergelijke is niet toegestaan. Zorg dat de
    dieselolie een cetaangetal heeft van minstens 45.
    Voeg geen brandstofdopes (vloeibaarheidsbevorderende middelen) en dergelijke
    aan de dieselolie toe. Tank geen dieselolie
    bij een pomp die voor vrachtwagens
    bestemd is. Een dergelijke pomp heeft een
    veel te hoge capaciteit, waardoor de dieselolie gaat schuimen. Dit heeft tot gevolg dat
    de pomp te vroeg afslaat.
    1 Zet de motor af.
    2 Draai de tankdop los.

    163

    3 Steek het vulpistool van de brandstofpomp tot voorbij de flens in de vulpijp en
    zorg dat het pistool met het eerste positiemerkje (de ring, de opgegoten nokken
    of de eerste veerwikkeling) op de flens
    rust. Til het vulpistool niet op tijdens het
    tanken.
    4 Probeer niet meer brandstof bij te
    tanken, wanneer de pomp de eerste
    maal afslaat.

    N.B.
    Tank niet zoveel brandstof, dat deze tot in
    de vulpijp staat. De brandstof heeft enige
    ruimte nodig om bij warm weer bijvoorbeeld uit te kunnen zetten.
    Bij lage buitentemperaturen kan de paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan de
    nodige startproblemen opleveren.

  • Page 164

    164

    Starten en rijden

    Water in de brandstof 3

    Wanneer u de tank hebt leeggereden

    De dieselolie uit de tank passeert een filter,
    voordat deze de motor bereikt. Als er water
    in de brandstof zit, wordt dat in het filter
    opgevangen. Wanneer de hoeveelheid
    water in het filter te groot wordt, verschijnt
    de volgende melding op het SID:

    Wanneer u de tank van een model met dieselmotor hebt leeggereden, moet u het volgende doen:

    Water in fuel.
    Contact service. (Water in de
    brandstof. Neem contact op
    met een werkplaats.)

    Neem in dat geval contact op met een werkplaats. U wordt geadviseerd contact op te
    nemen met een erkende Saab-werkplaats.

    • Giet minstens 5 liter brandstof in de tank.
    Als de auto op een helling staat of overhelt (door de belading/inzittenden), moet
    u meer brandstof bijvullen.
    • Start de motor op de gebruikelijke manier.
    • Kom niet aan het gaspedaal.

    N.B.
    Laat de startmotor niet onnodig lang
    draaien, wanneer er geen brandstof in de
    tank zit. De hogedrukpomp van het
    brandstofsysteem kan daardoor schade
    oplopen.

    Een jerrycan vullen
    WAARSCHUWING
    Vul een jerrycan nooit terwijl deze in de
    auto staat. De benzinedampen kunnen
    door statische elektriciteit ontbranden.
    Daarbij kunt u zware brandwonden
    oplopen en ook de auto kan beschadigd
    raken. Doe het volgende om schade/letsel te voorkomen:
    • gebruik alleen een goedgekeurde jerrycan;
    • vul een jerrycan nooit vol, wanneer
    deze in de passagiersruimte, de bagageruimte of ergens anders in of op de
    auto staat;
    • zorg dat het vulpistool tegen de vulopening van de jerrycan aankomt, voordat u de jerrycan volgiet en zorg dat
    het vulpistool tijdens het tanken contact met de jerrycan blijft houden;
    • rook niet tijdens het vullen.

  • Page 165

    Starten en rijden

    Inrijperiode
    Zuigers, cilinders en lagers hebben een
    bepaalde inlooptijd nodig om egale en slijtagebestendige glijvlakken te krijgen.
    Een nieuwe motor moet u daarom niet al te
    zwaar belasten. Het inrijproces wordt hierdoor negatief beïnvloed, waardoor de
    levensduur van de auto en vooral die van de
    motor aanzienlijk zal afnemen.
    Modellen met een benzinemotor: laat de

    motor de eerste 2000 km geen hogere
    toeren maken dan 5000 omw/min.

    Modellen met een dieselmotor: laat de

    motor de eerste 5000 km geen hogere
    toeren maken dan 4000 omw/min.

    De eerste 3000 km mag u alleen korte tijd
    volgas geven.

    Inloopperiode van nieuwe
    remblokken
    Nieuwe remblokken zijn voldoende ingelopen na ca. 150 km (stadsverkeer) of 500 km
    (snelweg) rijden.
    Om de levensduur van de remblokken te
    verlengen, moet u deze periode niet al te
    krachtig remmen.

    165

  • Page 166

    166

    Starten en rijden

    Handbak
    Trap bij het schakelen het koppelingspedaal zo ver mogelijk omlaag en laat het
    daarna weer rustig opkomen. Laat uw hand
    tijdens het rijden niet op de versnellingspook rusten. Daardoor kan onnodige slijtage in de versnellingsbak optreden.
    Om de achteruitversnelling (R) in te kunnen
    schakelen moet u eerst de pookknop
    omhoogtrekken en de blokkering opheffen.

    N.B.
    Schakel de achteruitversnelling pas in,
    wanneer de auto helemaal stilstaat en u
    het gaspedaal hebt losgelaten.

    Schakelpatroon, 5-versnellingsbak

    a Turbobenzinemotor
    b Injectiemotor

    Schakelpatroon, 6-versnellingsbak

  • Page 167

    Starten en rijden

    167

    Automaatbak 3
    WAARSCHUWING
    • Om de keuzehendel uit stand P of N te
    kunnen halen moet u op het rempedaal trappen.
    • Zet de keuzehendel nooit tijdens het
    rijden in stand P, R of N. U brengt dan
    niet alleen uzelf en eventuele passagiers maar ook uw medeweggebruikers in gevaar. Ook wanneer u de vergissing probeert te herstellen en een
    nieuwe rijstand kiest, kan de versnellingsbak schade oplopen.
    • Laat de auto nooit met de keuzehendel in een rijstand staan; ook niet als u
    de handrem hebt aangetrokken.
    • Als u de auto verlaat terwijl de motor
    nog loopt, moet u de keuzehendel
    altijd in stand P zetten en de handrem
    aantrekken.
    De automaatbak is uitgerust met en elektronische stuur-unit, die onder meer gegevens
    over de stand van de smoorklep en de snelheid van de auto verwerkt. De stuur-unit
    regelt aan de hand van deze en andere
    gegevens de hydraulische druk in de versnellingsbak af om het schakelen zo soepel
    mogelijk te laten verlopen.

    Indicatie schakelstand op display hoofdinstrument

    Park Brake Shift Lock

    Keuzehendel

    1 Stand voor handmatig schakelen

    U kunt de afstandsbediening alleen uitnemen, als de keuzehendel in stand P staat.
    U kunt de motor alleen starten, wanneer de
    keuzehendel in stand P of N staat.
    Wanneer de auto stilstaat mag u de keuzehendel alleen verzetten, als de motor stationair loopt. Dit om schade aan de versnellingsbak te voorkomen.

    N.B.
    Wacht na het kiezen van een schakelstand, totdat de schakeling is uitgevoerd
    (u voelt dat de versnelling pakt) en geef
    daarna pas gas.

    De versnellingsbak is voorzien van een
    beveiligingsfunctie die Park Brake Shift
    Lock wordt genoemd. Om de keuzehendel
    uit stand P of N te halen, moet u de blokkeerknop op de keuzehendel indrukken en
    het rempedaal ingetrapt houden.

  • Page 168

    168

    Starten en rijden
    ongewenste stijging van de temperatuur in
    de versnellingsbak tegen te gaan.
    Bepaalde varianten maken de eerste
    minuut na de koude start gebruik van een
    speciaal schakelpatroon om te zorgen dat
    de katalysator sneller op temperatuur komt.

    Temperatuurbeveiliging van
    versnellingsbak
    Als de temperatuur van de versnellingsbakolie oploopt tot boven 150 °C, wordt het
    motorkoppel begrensd tot 200 Nm.
    Blokkeerknop keuzehendel

    Voor sommige schakelingen moet u de
    blokkeerknop op de keuzehendel indrukken.
    Om de keuzehendel uit stand P of N te
    kunnen halen moet u op het rempedaal
    trappen.

    Adaptieve schakelpatronen
    Adaptieve (aangepaste) schakelpatronen
    vormen een functie die ervoor zorgt dat alle
    schakelingen zoveel mogelijk worden afgestemd op de heersende rijomstandigheden.
    De stuur-unit van de versnellingsbak registreert hoe zwaar de motor belast wordt en
    hoe hoog de temperatuur in de versnellingsbak is. De stuur-unit kiest op grond daarvan
    het beste schakelpatroon om onnodig open terugschakelen te voorkomen en een

    De volgende aanduiding verschijnt op het
    SID:
    Gearbox too hot. Make a
    safe stop. Open hood.
    (Versnellingsbak te heet.
    Breng auto veilig tot
    stilstand. Open motorkap.)

    Wanneer deze aanduiding verschijnt, moet
    u de auto op een geschikte plek tot stilstand
    brengen en de motor stationair laten lopen,
    totdat de aanduiding weer verdwijnt. De
    keuzehendel moet daarbij in stand P staan.

    Positie van de sportknop

    Sportprogramma 3
    U selecteer het sportprogramma met
    de knop
    , waarna de tekst
    SPORT
    op SID verschijnt. De versnellingsbak zal bij dezelfde stand van het
    gaspedaal iets later opschakelen en iets
    eerder terugschakelen dan bij het normale
    programma.
    Het sportprogramma wordt uitgeschakeld
    wanneer:
    • u nogmaals op de sportknop drukt;
    • u de motor afzet.

  • Page 169

    Starten en rijden
    Lock-up
    De koppelomvormer van de versnellingsbak is voorzien van een zogeheten lock-up.
    Dit houdt in dat de koppelomvormer in
    bepaalde versnellingen wordt uitgeschakeld, waardoor het motortoerental en het
    brandstofverbruik afnemen.

    Kickdown
    Wanneer u het gaspedaal helemaal intrapt,
    zal de versnellingsbak terugschakelen om
    sneller te kunnen optrekken. De kickdown is
    bijvoorbeeld handig tijdens het inhalen.
    Er wordt daarna opgeschakeld naar de volgende, hogere versnelling, zodra het motortoerental de optimale waarde heeft bereikt
    of eerder bij het loslaten van het gaspedaal.

    Rijden in heuvelachtig terrein
    met een zware belading
    Bij een zware belasting van de versnellingsbak kan de versnellingsbakolie te heet worden. Dit kan zich voordoen bij het klimmen
    of afdalen met een aanhanger achter de
    auto. Om oververhitting van de versnellingsbakolie te voorkomen moet u in dergelijke gevallen met de keuzehendel in stand
    D rijden, zodat de adaptieve schakelpatronen geactiveerd worden.
    Ook een hoge luchttemperatuur of een
    defecte oliekoeler kan ertoe leiden dat de
    olietemperatuur te hoog oploopt. Bij oververhitting gaat de olie minder lang mee.

    WAARSCHUWING
    Om de remmen te ontzien bij lange en/of
    steile afdalingen moet u zoveel mogelijk
    op de motor afremmen (keuzehendel in
    stand 1, 2 of 3).
    Bij oververhitting van de remmen kunnen
    de remmen volledig uitvallen!

    Slepen
    Voor het slepen van modellen met een automaatbak (zie blz. 196).

    169

    Heuvelafwaarts rijden
    Als de snelheid van de auto toeneemt bij het
    afdalen van steile hellingen, hoewel u niet
    op het gaspedaal trapt, zal de stuur-unit
    terugschakelen naar een lagere versnelling. Om krachtiger op de motor af te
    remmen moet u handmatig een lagere versnelling kiezen (zie blz. 172).

    Limp-Home
    N.B.
    Niet met een aanhanger rijden, wanneer
    Limp-Home actief is.
    Als er een storing in de versnellingsbak
    optreedt, zal de bijbehorende stuur-unit de
    functie Limp-Home activeren. Dit kan de
    rijeigenschappen in verschillende mate
    beïnvloeden. U wordt geadviseerd voor
    controle/reparatie contact te nemen op met
    een erkende Saab-werkplaats.

  • Page 170

    170

    Starten en rijden

    Modellen met een vijftraps automaatbak

    Park Brake Shift Lock

    In deze stand kunt u alleen de 2de en 5de
    versnelling inschakelen. Gebruik de 2de
    versnelling op lage snelheden en de 5de
    versnelling op hoge snelheden. De 2de versnelling is alleen handmatig in te schakelen.
    De 5de versnelling is zowel handmatig in te
    schakelen als automatisch met de keuzehendel in stand D (zie blz. 172).

    De versnellingsbak is voorzien van een
    beveiligingsfunctie die Park Brake Shift
    Lock wordt genoemd. Om de keuzehendel
    uit stand P of N te halen, moet u de blokkeerknop op de keuzehendel indrukken en
    het rempedaal ingetrapt houden.

    Modellen met een zestraps
    automaatbak 3

    • Het kan zijn dat de auto buitengewoon
    futloos aandoet. Laat de auto in dat geval
    bergen en in een werkplaats nakijken.

    Park Brake Shift Lock tijdelijk buiten
    werking stellen

    Bij elektrische storingen is het mogelijk dat
    u de keuzehendel niet uit stand P kunt zetten. Als dat gebeurt, moet u om de auto bijvoorbeeld over een korte afstand te kunnen
    verslepen het volgende doen.

    • Het kan zijn dat de auto futloos aandoet,
    maar het is mogelijk deze voorzichtig
    naar een werkplaats te rijden voor
    controle.

    1 Trek de handrem aan.

    • Het kan zijn dat de rijeigenschappen
    nagenoeg onveranderd blijven.

    3 Onder de vloerplaat van het opbergvak
    zit een gele hefboom van kunststof.
    Gebruik een smal stuk gereedschap,
    bijvoorbeeld een schroevendraaier, om
    deze gele hefboom omlaag te duwen en
    ondertussen de keuzehendel vanuit
    stand P in stand N te zetten.

    Hoe u de rijeigenschappen ook ervaart,
    moet u de auto altijd ter controle en/of reparatie naar een werkplaats brengen.

    2 Til de rubbermat in het opbergvak voor
    de keuzehendel op.

    4 Verwijder de schroevendraaier.
    5 Haal de auto van de handrem, als de
    auto meteen daarop moet worden
    versleept. Laat de handremhendel in
    alle andere gevallen in de aangetrokken
    stand staan.
    Controleer zekering 6 in de relais- en zekeringhouder in de motorruimte. Als de zeke-

    Tijdelijk buiten werking stellen van Park
    Brake Shift Lock

    ring intact is, is de accu mogelijk uitgeput. U
    wordt geadviseerd voor controle/reparatie
    contact te nemen op met een erkende
    Saab-werkplaats.

  • Page 171

    Starten en rijden
    Schakelstanden
    P

    De keuzehendel en de versnellingsbak zijn
    geblokkeerd.
    U kunt de motor starten.
    Om de keuzehendel uit stand P of N te halen, moet
    u de blokkeerknop op de keuzehendel indrukken
    en het rempedaal ingetrapt houden.
    U mag de keuzehendel alleen in stand P zetten,
    wanneer de auto stilstaat.
    R

    U mag de keuzehendel alleen in stand R zetten,
    wanneer de auto stilstaat. U kunt de hendel alleen
    in deze stand zetten, als u de blokkeerknop
    indrukt.
    Wacht met gas geven, totdat de achteruitversnelling is ingeschakeld.

    171

    N

    Om de keuzehendel uit stand N te halen, moet u
    het rempedaal ingetrapt houden.
    Wanneer de keuzehendel in stand N staat, is er
    geen sprake van krachtoverbrenging tussen de
    motor en de versnellingsbak. U kunt de motor starten. Om te voorkomen dat de auto in beweging
    komt, moet u de handrem hebben aangetrokken.
    Om te voorkomen dat de temperatuur in de motor
    en de versnellingsbak te hoog oploopt, moet u bij
    langdurige stilstand (bijvoorbeeld een verkeersopstopping) de keuzehendel in stand N zetten.
    Laat de keuzehendel in stand D staan, wanneer u
    voor de verkeerslichten staat te wachten.
    D

    Stand D vormt de gebruikelijke stand om vooruit
    te rijden. De versnellingsbak kiest automatisch de
    juiste versnelling. Wanneer er precies wordt
    geschakeld hangt onder meer af van de stand van
    het gaspedaal en de rijsnelheid.
    Wacht met gas geven, totdat de versnelling is
    ingeschakeld.

  • Page 172

    172

    Starten en rijden
    Sentronic, handmatig schakelen

    Zet de hendel in stand M (naar links vanuit
    stand D) om handmatig te kunnen schakelen.
    Schakel een hogere versnelling in door de keuzehendel naar voren te duwen of juist een lagere versnelling door de hendel naar achteren te halen. Na
    iedere schakeling veert de keuzehendel automatisch terug naar stand M.
    Tijdens het rijden kunt u handmatig schakelen om
    bijvoorbeeld tijdens het inhalen langer in de ingeschakelde versnelling te blijven rijden.
    Bij gladheid kunt u ervoor kiezen om in de 2de of
    3de versnelling weg te rijden om zo het risico te
    beperken dat de wielen doorslippen.
    Op steile, aflopende hellingen moet u een lagere
    versnelling kiezen om krachtiger op de motor te
    kunnen afremmen en daarmee de remmen zoveel
    mogelijk te ontzien.
    Wanneer u handmatig schakelt, staat dat op het display van het
    hoofdinstrument aangegeven. De letter M en de ingeschakelde
    versnelling staan aangegeven.
    In stand M reageert de motor sneller op het gaspedaal dan in
    stand D. De gevoeligheid van het gaspedaal wordt gewijzigd.
    Bij het terugschakelen kunt u de keuzehendel in de gewenste
    lagere versnelling zetten. De versnellingsbak schakelt echter
    pas terug, wanneer het toerental het juiste is om overtoeren te
    voorkomen.

    Stuurknoppen om handmatig te
    schakelen 3

    Op sommige varianten zitten er toetsen op het stuurwiel, waarmee
    u handmatig kunt schakelen. U kunt in dat geval handmatig schakelen met zowel de keuzehendel als de toetsen op het stuurwiel. U
    kunt alleen gebruik maken van de toetsen op het stuurwiel, wanneer
    de keuzehendel in stand M staat.
    Kies een hogere versnelling door op de rechter toets op het stuur te
    drukken of een lagere versnelling door op de linker toets te drukken.

  • Page 173

    Starten en rijden

    Cruisecontrol 3

    Het lampje CRUISE op het hoofdinstrument
    brandt, wanneer u de schuifknop in stand
    ON zet. Als u de motor afzet met de cruisecontrol in stand ON, zal het systeem ook de
    volgende keer dat u de motor inschakelt in
    stand ON staan.

    (kruissnelheidsregeling)

    WAARSCHUWING
    Maak geen gebruik van de cruisecontrol
    bij een nat en/of glad wegdek, in druk verkeer of op bochtige wegen.
    Om veiligheidsredenen (vanwege de
    werking van het remsysteem) moet u
    nadat de motor is aangeslagen eerst
    eenmaal remmen, voordat u de cruisecontrol kunt activeren.

    De volgende aanduiding verschijnt op het
    SID:
    Tap brakes lightly
    before using cruise ctrl.
    (Vóór activering van Cruise
    control lichtjes op rempedaal
    trappen.)

    173

    Instellen van de snelheid
    1 Duw de schuifknop in stand ON.
    2 Duw de hendel in stand SET/+ of
    SET/–, wanneer de auto op de
    gewenste snelheid rijdt (minstens
    25 km/h).
    Bedieningshendel cruisecontrol

    U bedient de cruisecontrol met een terugverende schakelaar die de volgende standen
    kent:
    1 ON: inschakelen
    2 OFF: uitschakelen
    3 SET/+: gewenste snelheid instellen en
    ingestelde snelheid verhogen
    4 SET/–: gewenste snelheid instellen en
    ingestelde snelheid verlagen
    5 RESUME: ingestelde snelheid
    hervatten

    Verhogen van ingestelde
    snelheid
    U kunt de snelheid op een van de volgende
    manieren verhogen:
    • Trek op totdat de gewenste snelheid
    bereikt is. Duw de hendel daarna korte tijd
    in stand SET/+ of SET/–.
    • Elke keer dat u de hendel vervolgens
    korte tijd in stand SET/+ duwt, verhoogt u
    de snelheid met 1,6 km/h (1 mph) voor
    zover u de cruisecontrol hebt geactiveerd.
    • Houd de hendel in stand SET/+, totdat de
    gewenste, hogere snelheid is bereikt
    (voor zover u de cruisecontrol hebt geactiveerd).

  • Page 174

    174

    Starten en rijden

    Verlagen van ingestelde snelheid

    Tijdelijk de snelheid verhogen

    Ingestelde snelheid hervatten

    U kunt de snelheid op een van de volgende
    manieren verlagen:

    Geef bij het inhalen bijvoorbeeld gas bij
    zonder terug te schakelen (modellen met
    een handbak). Wanneer u het gaspedaal
    vervolgens weer loslaat, zal de auto automatisch de ingestelde snelheid hervatten.

    Duw de schuifknop in stand RESUME om
    de eerder ingestelde snelheid te hervatten.
    U moet daarbij sneller rijden dan 25 km/h.

    Tijdelijk uitschakelen

    De cruisecontrol wordt uitgeschakeld:

    Duw de schuifknop zo ver naar links, in de
    richting van stand OFF, dat de cruisecontrol
    uitgeschakeld wordt. De schuifknop veert
    vervolgens terug.

    • wanneer u op het rem- of koppelingspedaal (modellen met een handbak) trapt;

    • Rem af totdat de gewenste snelheid
    bereikt is. Duw de hendel korte tijd in
    SET/+ of SET/–.
    • Elke keer dat u de hendel vervolgens
    korte tijd in stand SET/– duwt, verlaagt
    u de snelheid met 1,6 km/h (1 mph).
    • Houd de hendel in stand SET/–, totdat de
    gewenste, lagere snelheid is bereikt.

    Uitschakelen

    • wanneer u de schuifknop in de stand OFF
    duwt;
    • wanneer het TCS/ESP® -systeem
    actief is;
    • wanneer u de keuzehendel in stand N zet
    (modellen met een automaatbak).

  • Page 175

    Starten en rijden

    Remmen
    Controleer tijdens het rijden zo nu en dan de
    werking van de remmen. Dit is vooral van
    belang, wanneer u bij hevige regenval, door
    grote waterplassen of op natte wegen door
    sneeuw al dan niet vermengd met wegenzout rijdt. Onder dergelijke omstandigheden
    kan de remwerking tijdelijk afnemen. Maak
    de remschijven dan droog door zo nu en
    dan lichtjes te remmen. Doe dit ook bij
    extreem vochtig weer en meteen na het
    schoonspuiten van de auto.
    Om te voorkomen dat de remmen oververhit raken (bijvoorbeeld bij afdalingen met
    een niveauverschil van honderden meters),
    moet u op de motor afremmen door een
    lagere versnelling in te schakelen. Als uw
    auto een automaatbak heeft, kunt u de keuzehendel in stand 1 of 2 zetten.
    De remmen gaan langer mee, als u tijdens
    het rijden zo kort en krachtig remt als nodig
    is.

    175

    Anti-blokkeerremsysteem (ABS)
    WAARSCHUWING
    WAARSCHUWING

    Om de auto te remmen wanneer de motor
    is afgezet (bijvoorbeeld tijdens het slepen), moet u ca. 4 keer harder op het
    rempedaal trappen dan normaal. Het
    rempedaal voelt dan star en stug aan.
    Hetzelfde geldt voor de besturing, zodat
    het u veel meer moeite kost om te sturen.

    Het ABS kan de natuurwetten niet opheffen. Ga er dan ook niet vanuit dat u sneller
    kunt rijden, omdat uw auto is voorzien van
    ABS.

    Het wordt afgeraden om tijdens de wintermaanden opengewerkte velgen te
    gebruiken, omdat dergelijke velgen de
    onderdelen van het remsysteem onvoldoende beschermen tegen opspattende
    modder en wegenzout.

    koppelen en zo nodig een uitwijkmanoeuvre uitvoeren .

    Bij oververhitting van de remmen kunnen
    de remmen volledig uitvallen!

    Om de remweg onder alle omstandigheden zo kort mogelijk te houden en een
    goede richtingsstabiliteit te verkrijgen,
    moet u zo hard mogelijk remmen, ont-

    Het ABS (= Antilock Braking System) regelt
    automatisch voor ieder wiel de remdruk af.
    Wanneer een wiel op het punt staat te blokkeren, verlaagt het ABS de remdruk tijdelijk
    om deze vervolgens weer te verhogen tot
    de druk waarbij het wiel net niet blokkeert.
    De elektronica-unit van het remsysteem
    krijgt iedere decimeter die de auto rijdt
    nieuwe informatie binnen. Deze informatie
    wordt voortdurend verwerkt om de remdruk
    zo nauwkeurig mogelijk af te stemmen op
    de situatie. De remdruk wordt tot 12 keer
    per seconde aangepast.

  • Page 176

    176

    Starten en rijden

    Het remsysteem is voorzien van een elektronische regeling (EBD = Electronic Brakeforce Distribution), die de remdruk dusdanig
    verdeelt over de voor- en achterwielen, dat
    het remvermogen ongeacht de snelheid en
    de belading altijd optimaal is.
    Het ABS heeft een ingebouwde diagnosefunctie die zorgt dat het waarschuwingslampje voor het ABS oplicht, als er een storing optreedt (zie blz. 84).
    Als er iets mis is met het ABS, verschijnt de
    volgende melding op het SID (en het bijbehorende symbool op het hoofdinstrument):
    Antilock brake malfunc.
    Contact service. (Storing
    anti-blokkeerremsysteem.
    Bezoek een werkplaats.)

    Het ABS levert geen kortere remweg op bij
    het rijden over los grind en sneeuw of ijs.
    Omdat de wielen echter nooit helemaal
    blokkeren, blijft de auto altijd bestuurbaar.

    Remmen met ABS.
    U merkt dat het ABS werkt aan de pompende beweging van het rempedaal en
    het tikkende geluid dat u hoort

    U merkt dat het ABS werkt aan de
    pompende beweging van het rempedaal en
    het tikkende geluid dat u hoort. Dit is volkomen normaal.
    Trap het rempedaal volledig in (u kunt het
    rempedaal niet hard genoeg intrappen) en
    houd het in deze stand vast. Ontkoppel vervolgens en voer zo nodig een uitwijkmanoeuvre uit.
    Laat het rempedaal nooit los, voordat de
    auto helemaal stilstaat of het gevaar
    geweken is!

    Het bovenstaande is uiterst belangrijk.

    Remmen met ABS – uitwijkmanoeuvre

    Bij gladheid wordt het ABS reeds geactiveerd wanneer u lichtjes op het rempedaal
    trapt. Op die manier kunt u controleren hoe
    glad het wegdek is en uw rijstijl erop afstemmen.
    Test het ABS gerust eens uit op een daarvoor geschikte plaats, bijvoorbeeld op het
    slipcircuit van een autorijschool.

  • Page 177

    Starten en rijden

    Traction Control
    System (TCS)
    Anti-doorslipregeling

    WAARSCHUWING
    Onder normale rijomstandigheden helpt
    het TCS de stabiliteit van de auto te verhogen. Beschouw het systeem echter
    niet als een vrijbrief om sneller te gaan rijden. Tref altijd de nodige veiligheidsmaatregelen bij het nemen van bochten
    en het rijden over gladde wegen.

    177

    Werking van het systeem

    Controlelampje, TCS

    Het Traction Control System (aandrijfregelsysteem) zorgt dat de wielen niet gaan spinnen, waardoor een optimale trekkracht
    wordt verkregen en de grip en de wegligging
    worden verbeterd.

    Wanneer u de afstandsbediening in stand
    ON zet, voert het systeem een zelfdiagnose
    uit en gaat het lampje ca. 4 seconden lang
    branden.

    Het TCS gebruikt informatie van de wielsensoren voor het ABS om te bepalen of de
    aandrijfwielen soms sneller draaien dan de
    achterwielen. Als de aandrijfwielen sneller
    draaien dan de achterwielen, wordt het
    motorkoppel dusdanig verlaagd (gas teruggenomen) dat de wielen niet meer doorslippen.
    De voordelen van het TCS zijn het duidelijkst, wanneer de voorwielen zo weinig grip
    op het wegdek hebben dat één of beide
    voorwielen sneller gaan draaien dan de
    achterwielen, bijvoorbeeld:
    • wanneer de beide aandrijfwielen niet op
    dezelfde ondergrond staan tijdens het
    wegrijden en optrekken. Het systeem
    werkt dan als een elektronisch differentieelslot om te zorgen dat de voorwielen
    allebei even snel ronddraaien. Het
    systeem werkt tevens tijdens het achteruitrijden.
    • wanneer bij het nemen van een bocht het
    binnenste aandrijfwiel sneller gaat
    draaien dan de andere wielen.

    Het controlelampje
    op het hoofdinstrument gaat branden zodra het TCS-systeem
    actief is, d.w.z. wanneer één of meer wielen
    de grip op het wegdek verloren hebben.
    Als het TCS actief is, hebben de banden
    minder grip op het wegdek en moet u extra
    voorzichtig zijn.

  • Page 178

    178

    Starten en rijden

    TCS OFF

    TCS tijdelijk uitschakelen

    Het controlelampje
    op het hoofdinstrument gaat branden als:

    Wanneer u de motor start, zal het TCS
    worden ingeschakeld.

    • u het systeem handmatig uitschakelt (bij
    snelheden lager dan 60 km/h);
    • er zich een storing in het ABS voordoet;
    • er iets mis is met het TCS en de volgende
    melding op het SID staat:
    Traction control failure.
    Contact service. (Storing
    aandrijfregelsysteem.
    Bezoek een werkplaats.)

    Het uitschakelen van het systeem kan
    noodzakelijk zijn als u bijvoorbeeld vastzit.
    Als er zich een storing in het ABS voordoet,
    zal het TCS worden uitgeschakeld.
    De cruisecontrol 3 wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het TCS actief is.

    U schakelt het systeem uit onder Settings
    (Instellingen).
    1 Kies Settings (Instellingen) met de
    stuurknoppen,
    of
    .
    2 Houd de knop SET ingedrukt totdat er
    een geluidssignaal klinkt.
    3 Kies voor TCS .
    4 Druk de SET-knop in.
    5 Kies ON (Aan) of OFF (Uit).
    Sluit af met een druk op de knop SET.
    Ga achteruit/terug met de CLR-knop.

  • Page 179

    Starten en rijden

    Werkwijze van het ESP®-systeem

    Electronic Stability
    Program (ESP®) 3

    Electronic Stability Program kan het risico
    beperken dat de auto gaat slippen door één
    of meer wielen af te remmen zonder dat u
    op het rempedaal trapt. Ook het motorvermogen wordt tijdelijk beperkt om de mate
    van doorslippen van de aangedreven
    wielen te reduceren. Er zitten sensoren in
    de auto die de snelheid van de verschillende wielen, de gierhoeksnelheid, de
    dwarsversnelling, de uitslag van het stuurwiel en de remdruk meten. Aan de hand van
    deze signalen wordt de werkelijke en
    gewenste koers van de auto berekend en
    wordt bepaald of het ESP® moet worden
    geactiveerd.

    Stabiliteitsprogramma

    WAARSCHUWING
    Bij normale rijomstandigheden helpt het
    ESP® -systeem om de stabiliteit van de
    auto te verbeteren. Dit moet echter niet
    worden beschouwd als een mogelijkheid
    om sneller te rijden. Betracht altijd de
    nodige voorzichtigheid bij het nemen van
    bochten en het rijden over gladde wegen.
    Het Electronic Stability Program (ESP)
    maak gebruik van zowel het Antilock Braking System (ABS) als het Traction Control
    System (TCS). Het vormt een systeem dat
    u helpt om de auto stabiel te houden in lastige verkeerssituaties die u anders moeilijker het hoofd kunt bieden.

    179

    De afbeelding geeft aan welk(e) wiel(en)
    het systeem afremt om het risico van een
    slippartij te voorkomen

    De werkelijke koers wordt vervolgens vergeleken met de koers die u met het stuurwiel hebt gekozen. Als de beide koersen
    niet met elkaar overeenkomen, wordt het
    ESP® ingeschakeld.
    Met ESP® hebt u een grotere kans om de
    auto in een kritieke situatie onder controle te
    houden.

    Controlelampje, ESP®
    Wanneer u de afstandsbediening in stand
    ON zet, voert het systeem een zelfdiagnose
    uit en gaat het lampje ca. 4 seconden lang
    branden.
    Het controlelampje
    op het hoofdinstrument gaat branden wanneer het ESP®
    actief is.

  • Page 180

    180

    Starten en rijden

    Als het ESP®-systeem actief is, hebben de
    banden minder grip op het wegdek en dient
    u verder extra voorzichtig te zijn.

    ESP® OFF
    Het controlelampje
    op het hoofdinstrument gaat branden als:
    • u het systeem handmatig uitschakelt (bij
    snelheden lager dan 60 km/h);
    • er zich een storing in het ABS voordoet;
    • er iets mis is met het systeem en de
    volgende melding op het SID staat:
    Stability control failure.
    Contact service. (Storing
    stabiliteitsprogramma.
    Bezoek een werkplaats.)

    ESP® tijdelijk uitschakelen
    Wanneer u de motor start, zal het ESP
    worden ingeschakeld.
    Het uitschakelen van het systeem kan
    noodzakelijk zijn als u bijvoorbeeld vastzit.
    Het ESP® is altijd actief tijdens het remmen,
    ook al hebt u het systeem handmatig uitgeschakeld. Bij een storing in het ABS wordt
    het ESP echter uitgeschakeld.
    De cruisecontrol 3 wordt automatisch uitgeschakeld als het ESP® actief is.

    N.B.
    Wijzigingen in het chassis, zoals het
    geval is bij het vervangen van de wielen,
    schokdempers of vering, kunnen de werking van het ESP® -systeem nadelig beïnvloeden.
    U wordt geadviseerd contact te nemen op
    met een erkende Saab-werkplaats, voordat u chassisonderdelen vervangt.

    U schakelt het systeem uit onder Settings

    (Instellingen).

    1 Kies Settings (Instellingen) met de
    stuurknoppen,
    of
    .
    2 Houd de knop SET ingedrukt totdat er
    een geluidssignaal klinkt.
    3 Kies voor ESP .
    4 Druk de SET-knop in.
    5 Kies ON (Aan) of OFF (Uit).
    Sluit af met een druk op de knop SET.
    Achteruit/terug met de CLR-knop.

  • Page 181

    Starten en rijden

    Bij het aanhalen van de handrem kunt u
    beter niet op het rempedaal trappen of net
    genoeg om te voorkomen dat de auto
    wegrolt.

    Handrem
    WAARSCHUWING

    U kunt de auto gemakkelijker van de handrem halen, wanneer u eerst op het rempedaal trapt en het in deze stand vasthoudt.
    Dit geldt met name wanneer de auto op een
    helling geparkeerd staat.

    • Trek bij het parkeren altijd de handrem aan. Zie blz. 183. als u de auto
    langdurig wilt parkeren.
    • Trek altijd de handrem aan, voordat u
    de afstandsbediening uit het contact
    neemt.

    Als u wegrijdt met de handrem aangetrokken, verschijnt de volgende melding op het
    SID:

    • Gebruik de handrem niet tijdens het
    rijden.
    • Pak de handremhendel dusdanig
    beet, dat u niet met uw vingers
    bekneld raakt bij het lossen van de
    handrem.

    181

    Correcte manier van beetpakken

    De handremhendel vindt u tussen de beide
    voorstoelen. De handrem werkt op de
    achterwielen. Wanneer u de handremhendel aantrekt, zal het controlelampje voor de
    handrem op het hoofdinstrument gaan
    branden.
    Om de handrem te lossen, moet u de hendel
    iets omhoogtrekken en de knop indrukken.
    Laat de hendel vervolgens zakken.

    Release park brake.
    (Haal auto van handrem.)

  • Page 182

    182

    Starten en rijden
    Parkeren op een helling

    Parkeren
    N.B.
    WAARSCHUWING
    • Laat kinderen of huisdieren nooit in de
    auto achter. Bij warm weer kan de
    temperatuur in de passagiers- en
    bagageruimte oplopen tot maar liefst
    70–80 °C.
    • Parkeer de auto altijd zo, dat deze
    geen hinder of gevaar oplevert voor
    het overige verkeer.
    • Parkeer de auto niet op droog gras of
    op andere brandbare materialen. De
    katalysator kan bijzonder heet worden
    en brand veroorzaken.
    • Zet de auto op de handrem, neem de
    afstandsbediening uit het contactslot
    en vergrendel de auto.

    Haal alles van waarde uit de auto en let
    erop dat:
    • u een mobiele telefoon, camera,
    laptop e.d. nooit zichtbaar in de auto
    laat liggen;
    • rondslingerende kleren, pakjes en
    tassen dieven aantrekken;
    • u evenmin kleinere spullen van
    waarde in de auto achterlaat zoals
    cd’s, zonnebrillen, kleingeld e.d.;
    • u zoveel mogelijk parkeert op een
    goed verlichte en open parkeerplaats;
    • de gelegenheid de dief maakt.

    Bij het parkeren op een steile helling kunt u
    de voorwielen het best dusdanig schuin zetten, dat de auto, als deze mocht gaan rollen,
    tegen de trottoirband tot stilstand komt.
    Wanneer de auto met het ene voorwiel
    tegen een trottoirband aan geparkeerd
    staat, moet u mogelijk iets aan het stuurwiel
    draaien om het stuurslot op het heffen bij het
    insteken van de afstandsbediening.

  • Page 183

    Starten en rijden

    183

    Langdurig parkeren
    Als u van plan bent de auto gedurende een
    langere periode (ca. 3–4 maanden) niet te
    gebruiken, wordt geadviseerd de volgende
    maatregelen te treffen:
    • Tap de sproeiervloeistof uit het reservoir
    en de slangen af.
    • Spuit de auto schoon en zet deze in de
    was. De afdichtrubbers bij de motorkap,
    de bagageklep en de portieren kunt u
    schoonmaken en insmeren met glycerine.
    • Na het wassen moet u de remschijven
    “droogremmen” om roestvorming te voorkomen.
    • Om condens in de brandstoftank te voorkomen moet u de tank helemaal vullen.
    • Vul zo nodig koelvloeistof bij en controleer voor het begin van de winter het antivriesgehalte.
    • Stal de auto in een overdekte, droge
    ruimte met een goede ventilatie. Trek de
    handrem niet aan!
    • Cabriolet: Bij langdurig parkeren moet
    de kap zijn gesloten.
    • Breng ze nodig stopblokken voor of
    achter de wielen aan.
    • Neem de klem van de minpool van de
    accu los. Bij kans op vorst moet u de accu
    uit de auto verwijderen en in een vorstvrije
    ruimte opslaan.

    1 Aflopende helling met
    trottoirband . Draai de
    voorwielen in de richting
    van het trottoir en rijd
    voorzichtig zo ver vooruit
    dat de wielen net tegen
    de trottoirband aankomen.

    2 Oplopende helling met
    trottoirband. Draai de
    voorwielen van de trottoirband af en rijd de auto
    zo ver achteruit, dat het
    wiel net tegen de trottoirband aankomt.

    • Als u geen steunbokken hebt om de auto
    op te plaatsen, moet u de bandenspanning verhogen tot ca. 3 bar (43 psi).
    Zet de zijruiten een stukje open en leg een
    dekkleed over de auto (echter geen kunststof kleed).

    3 Op- of aflopende
    helling zonder trottoirband. Draai de voorwie-

    len naar de berm toe,
    zodat de auto, als deze
    mocht gaan rollen, niet
    naar het midden van de
    weg rolt.

  • Page 184

    184

    Starten en rijden

    Akoestisch
    parkeerhulpsysteem 3
    (Saab Parking Assistance)

    WAARSCHUWING
    Als u bij het achteruitrijden wordt aangereden of schade veroorzaakt, bent u
    altijd schadeplichtig.
    • Het akoestisch parkeerhulpsysteem
    helpt u bij het achteruitrijden.
    • Let erop dat het systeem een kind dat
    op de grond ligt en/of kleine obstakels
    zoals een paaltje niet altijd kan ontdekken.
    Het parkeerhulpsysteem helpt u bij het parkeren en achteruitrijden. In de achterbumper zijn vier sensoren aangebracht, die
    eventuele obstakels tot op 1,8 meter achter
    de auto kunnen waarnemen.

    Zijaanzicht van het meetgebied van de
    sensoren

    Als de auto zwaarbeladen is kan het gebeuren dat het systeem ten onrechte aangeeft
    dat er zich een obstakel binnen het meetgebied bevindt. Dit komt doordat de sensoren
    bij een groot gewicht op de achterkant van
    de auto schuin omlaag “kijken”.
    Het systeem is gebaseerd op het principe
    dat de vier sensoren in de achterbumper
    ultrasone geluiden uitzenden die weerkaatsen tegen de eventuele obstakels achter de
    auto en in dat geval weer door de sensoren
    worden opgevangen. Het systeem kan
    kleine en/of smalle obstakels niet altijd
    registreren, omdat het weerkaatsingsoppervlak van een buis bijvoorbeeld dat naar
    de auto gericht is te gering kan zijn.

    Bovenaanzicht van het meetgebied van
    de sensoren

    Het systeem wordt automatisch ingeschakeld, wanneer u de achteruitversnelling
    inschakelt. Er klinkt een geluidssignaal en
    op het SID verschijnt de tekst:
    Parking assistance active. (Parkeerhulpsysteem actief.)

    Als er een waarschuwingsmelding zoals die
    voor de gordelwaarschuwing op het SID
    verschijnt terwijl u de achteruitversnelling
    inschakelt, worden de geluidssignalen van
    het parkeerhulpsysteem niet doorgegeven
    omdat waarschuwingsmeldingen een
    hogere prioriteit genieten.
    Zodra de sensoren een obstakel in het
    meetgebied registreren, klinken er geluidssignalen (- - - - -). De geluidssignalen

  • Page 185

    Starten en rijden
    volgen elkaar sneller op naarmate u het
    obstakel dichter nadert.
    Als u de auto in de achteruitversnelling tot
    stilstand brengt, vallen de geluidssignalen
    na 2 seconden weg. Wanneer u vervolgens
    verder achteruitrijdt, worden er weer
    geluidssignalen afgegeven. Als de auto
    vooruitrijdt met de achteruitversnelling ingeschakeld, vallen de geluidssignalen weg.
    Wanneer de afstand tot het obstakel kleiner is dan ca. 30 cm, hoort u één lange
    toon.

    Wanneer het obstakel op ca. 90 cm achter
    de auto ligt, veranderen de akoestische signalen merkbaar van karakter (de geluidssignalen volgen elkaar sneller op). Een
    afstand van ca. 90 cm is ideaal om bagage
    in en uit de bagageruimte te laden.

    N.B.
    Voor de beste werking van het systeem
    moet u de sensoren schoonhouden. Vuil,
    sneeuw en ijs kunnen de gevoeligheid
    van de sensoren verlagen.
    Wanneer er grote hoeveelheden sneeuw
    of vuil op de sensoren zitten, kan het
    gebeuren dat het parkeerhulpsysteem
    helemaal geen obstakels kan registreren.
    Spuit niet met een hogedrukreiniger
    tegen de sensoren aan om schade aan
    de sensoren te voorkomen.

    Langs en muur achteruitrijden

    Als de afstand tussen een obstakel en de
    wielsensoren 2 seconden lang niet merkbaar verandert, bijvoorbeeld als u langs een
    muur achteruitrijdt, houden de sensoren
    alleen het gebied recht achter de auto in de
    gaten. Wanneer de afstand tot de muur
    echter kleiner wordt, zal het systeem u
    waarschuwen.

    185

    U kunt het parkeerhulpsysteem als volgt
    tijdelijk uitschakelen:
    • Druk nadat u de achteruitversnelling hebt
    ingeschakeld op de knop CLR van de
    bedieningseenheid voor het SID.
    De volgende keer dat u de achteruitversnelling inschakelt, is het systeem opnieuw
    actief.

    Modellen met een trekhaak

    Storingsmelding

    Als uw auto voorzien is van een trekhaak en
    de bijbehorende bedrading correct aangesloten is op de elektrische installatie van de
    auto, zal het akoestische parkeerhulpsysteem er rekening mee houden dat de trekhaak achter de auto uitsteekt.

    Als er iets mis is met het systeem verschijnt
    de volgende melding op het SID:

    Bij het gebruik van een aanhanger wordt het
    systeem automatisch uitgeschakeld op
    voorwaarde dat de bedrading van de trekhaak correct aangesloten is op de elektrische installatie van de auto.

    Parking assistance
    malfunction. Service. (Storing parkeerhulpsysteem.
    Bezoek een werkplaats.)

    Als er storingen in het optreden door invloeden van buitenaf, verschijnt de volgende
    melding op het SID:
    Parking assistance
    sensor interference. (Sensor
    parkeerhulpsysteem
    gestoord.)

    Wanneer de bovenstaande aanduiding verschijnt, moet u de sensoren schoonmaken.
    U vindt ze in de zwarte sierstrip op de achterbumper.

  • Page 186

    186

    Starten en rijden

    U kunt het systeem uitschakelen onder
    Settings (Instellingen).
    1 Kies Settings (Instellingen) met de
    stuurknoppen,
    of
    .
    2 Houd de knop SET ingedrukt totdat er
    een geluidssignaal klinkt.
    3 Kies voor Park Assistance (Parkeerhulp).
    4 Druk de SET-knop in.
    5 Kies ON (Aan) of OFF (Uit).
    6 Sluit af met een druk op de knop SET.
    Park Assistance (Parkeerhulp)

    ON (Aan)
    OFF (Uit)

    Uitleg bij ON (Aan) en OFF (Uit).
    ON (Aan)

    Het parkeerhulpsysteem wordt automatisch geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling. Het
    systeem waarschuwt als u tijdens het
    achteruitrijden een obstakel achter de
    auto te dicht nadert.
    Als u een aanhanger aansluit en de
    elektrische aansluiting op de auto is
    correct, dan wordt de parkeerhulp uitgeschakeld.
    Tijdelijk uitschakelen is ook mogelijk
    met de knop CLR als u de achteruitversnelling hebt gekozen en het systeem
    actief is.
    OFF (Uit)

    Het parkeerhulpsysteem is uitgeschakeld.

  • Page 187

    Starten en rijden

    Zuinig rijden
    Factoren die van invloed zijn op
    het brandstofverbruik
    Het brandstofverbruik wordt in hoge mate
    beïnvloed door factoren zoals de rijomstandigheden, het klimaat, de conditie van de
    wegen, de conditie van de auto, de snelheid
    en de rijstijl.

    Inrijperiode
    Tijdens de inrijperiode (de eerste 5000–
    7000 km) kan het brandstofverbruik iets
    hoger liggen dan de aangegeven brandstofverbruikswaarden.

    Klimaat
    Tijdens de zomermaanden rijdt u zuiniger
    dan tijdens de wintermaanden. Het verschil
    in brandstofverbruik kan oplopen tot ca.
    10 procent. Het brandstofverbruik neemt
    toe bij koude, omdat het dan langer duurt
    voordat de motor op temperatuur is. Ook de
    onderdelen van de aandrijflijn zoals de versnellingsbak en de wielnaven hebben langere tijd nodig om op temperatuur te komen.
    Ook de afgelegde afstand is van invloed op
    het brandstofverbruik. Bij ritjes over afstanden korter dan 5–8 km komt de motor niet
    snel genoeg op de juiste temperatuur. De
    windsterkte speelt ook een belangrijke rol
    voor het brandstofverbruik.

    187

    U leest de grafiek als volgt (het voorbeeld
    geldt voor modellen met een benzinemotor):
    Als het brandstofverbruik bij een volledig
    opgewarmde motor 1,0 liter/10 km
    bedraagt, is het werkelijke verbruik 5 km na
    de koude start:
    – 1,2 liter/10 km (20 % meer) bij een
    buitentemperatuur van +20 °C;
    – 1,6 liter/10 km (60 % meer) bij een
    buitentemperatuur van 0 °C;
    – 2,0 liter/10 km (100 % meer) bij een
    buitentemperatuur van –20 °C.
    Zoals uit de grafiek blijkt, zijn de afstand en
    de buitentemperatuur na de koude start van
    grote invloed op het brandstofverbruik.
    Als u meestal korte ritten van 5–8 km rijdt,
    bijvoorbeeld wanneer u de auto voor het
    vervoer van en naar uw werk gebruikt, zal
    het gemiddelde brandstofverbruik 60–
    80 procent boven het normale verbruik liggen.

    Toename van het brandstofverbruik bij de
    koude start vergeleken met een auto met
    een motor op bedrijfstemperatuur.

    Rijstijl
    • Om zo zuinig mogelijk te rijden (zowel wat
    het brandstofverbruik betreft als de mate
    van slijtage) moet u regelmatig onderhoud plegen aan uw auto.
    • Wanneer u te snel rijdt, onnodig snel
    optrekt, te vaak afremt en terugschakelt,
    neemt het brandstofverbruik toe.
    • Ook wanneer u vaak in stadsverkeer rijdt,
    de motor veelvuldig koud start en gebruik
    maakt van winterbanden, een imperiaal
    of een aanhanger neemt het brandstofverbruik toe.

  • Page 188

    188

    Starten en rijden

    • Laat de motor niet warmdraaien wanneer
    de auto stilstaat.
    Bij stationair toerental komt de motor
    slechts zeer langzaam op temperatuur.
    De motorslijtage is het grootst tijdens de
    opwarmfase. Rijd daarom zo snel mogelijk weg nadat de motor is aangeslagen,
    maar laat de motor niet te hoge toeren
    maken.
    • Rijd zo rustig en anticiperend mogelijk.
    Stem uw rijstijl af op de heersende
    verkeersomstandigheden.
    • Zorg dat u altijd de hoogst mogelijke
    versnelling inschakelt (gelet op de
    verkeerssituatie) om het motortoerental
    zo laag mogelijk te houden en het brandstofverbruik zoveel mogelijk te beperken.
    • Controleer eenmaal per maand de
    bandenspanning. Bij een verkeerde
    bandenspanning neemt de slijtage toe.
    Een iets te hoge bandenspanning is
    minder schadelijk voor de banden dan
    een te lage spanning. Bij een te lage
    bandenspanning, stijgt het brandstofverbruik.
    • Controleer van tijd tot tijd het brandstofverbruik.
    Een toename in het brandstofverbruik
    kan duiden op een storing. Laat de auto in
    dat geval nakijken in een werkplaats. U
    wordt geadviseerd contact op te nemen
    met een erkende Saab-werkplaats.

    De praktijk heeft uitgewezen dat u aanmerkelijk zuiniger rijdt, als u de bovenstaande
    aanwijzingen opvolgt.

    WAARSCHUWING
    Zet de motor nooit tijdens het rijden af,
    omdat het remvermogen en de stuurbekrachtiging dan aanzienlijk afnemen.

    Wegdek
    Bij het rijden over natte wegen en grindwegen ligt het brandstofverbruik iets hoger dan
    bij het rijden over droge en egale, geasfalteerde wegen. Ook in sterk glooiende
    gebieden verbruikt de auto meer brandstof.
    De hoeveelheid brandstof die u tijdens het
    afdalen bespaart, weegt namelijk niet op
    tegen de hoeveelheid extra brandstof die de
    motor nodig heeft om te klimmen.

    Motorverwarming 3
    Het gebruik van een motorverwarming is
    goed voor uw auto en het milieu. Hier volgt
    een aantal voordelen:
    • het brandstofverbruik neemt af;
    • de motor slijt minder;
    • de passagiersruimte komt sneller op
    temperatuur;
    • bij korte ritten neemt de uitstoot van
    uitlaatgassen aanmerkelijk af.
    De motorverwarming heeft het meeste
    effect bij buitentemperaturen tot maar liefst
    +15 – +20 °C. Hoe warmer het buiten is, hoe
    korter de tijd dat de motorverwarming moet
    werken. Wanneer de verwarming langer
    dan 1,5 uur werkt, wegen de voordelen van
    de verwarming niet op tegen de kosten.
    Bewaar een eventueel losse, elektrische
    interieurverwarming in de bagageruimte,
    wanneer u de verwarming niet gebruikt.

  • Page 189

    Starten en rijden

    Rijden tijdens de winter
    Onder koude weersomstandigheden moet
    u rekening houden met het volgende:
    • Controleer voordat u wegrijdt of de ruitenwisserbladen soms zijn vastgevroren.
    • Zorg dat de luchtinlaatopening van het
    verwarmingssysteem tussen de motorkap en de voorruit vrij is van sneeuw.
    • Spuit zo nodig een speciale olie in de
    portiersloten om bevriezing te voorkomen. Gebruik bij voorkeur molybdeendisulfideolie (MoS2). Als de sloten
    desondanks toch bevriezen, moet u voorzichtig zijn bij het (handmatig) ontgrendelen om te voorkomen dat de sleutel
    afbreekt. Verwarm de sleutel of spuit
    slotontdooier in het slot.
    • Bij gladheid is het van groot belang dat de
    remmen en de banden in goede staat
    verkeren.
    • Controleer het antivriesgehalte van de
    koelvloeistof (zie blz. 216).
    • Giet voor de wintermaanden enkele
    malen anti-condensmiddel in de tank om
    te voorkomen dat eventuele condens in
    de tank kan bevriezen en voor verstopping van de brandstofleidingen kan
    zorgen. De kans op condensvorming is
    het kleinst wanneer u de tank tot het maximum gevuld houdt.
    Wanneer het vriest en de auto buiten
    geparkeerd staat, heeft het echter geen

    zin om een dergelijk anti-condensmiddel
    in de tank te gieten. Het middel is namelijk
    niet in staat om het reeds gevormde ijs te
    doen smelten. Laat de auto in dat geval
    enige tijd in een warme ruimte staan,
    zodat eventuele ijskristallen kunnen
    smelten. Giet daarna tijdens het voltanken anti-condensmiddel in de tank.
    Condens ontstaat onder invloed van
    temperatuurschommelingen (de buitentemperatuur varieert sterk of u parkeert
    de auto nu eens binnen in de garage dan
    weer buiten).
    Modellen met een dieselmotor: ga na of
    de brandstof die u gebruikt geschikt is
    voor de wintermaanden. Bij extreem lage
    buitentemperaturen kan de paraffine in
    de brandstof uitvlokken met als gevolg
    dat het brandstoffilter verstopt raakt en de
    motor geen brandstof meer krijgt. Parkeer
    de auto in dat geval enige tijd in een
    warme ruimte, zodat de paraffinevlokken
    weer oplossen (zie ook “Modellen met
    een dieselmotor 3” op blz. 163).
    • Cabriolet: Bedien de kap bij voorkeur
    niet bij temperaturen lager dan –5 °C.

    189

    Uw auto is voorzien van banden die zijn
    ontwikkeld voor optimale grip op zowel
    droge als natte wegen. Dergelijke banden
    bieden echter een minder goede grip op
    sneeuw en ijs. U wordt dan ook geadviseerd
    tijdens de wintermaanden gebruik te maken
    van speciale winterbanden. Winterbanden
    zijn iets minder geschikt voor gebruik op
    sneeuwvrije wegen.
    Als vuistregel geldt dat winterbanden de
    beste grip bieden bij sneeuw en ijzel. Winterbanden zijn met name effectief in combinatie met speciale spikes.
    Informeer naar de wettelijke bepalingen
    ten aanzien van het gebruik van verschillende typen winterbanden en sneeuwkettingen. In sommige landen zijn
    banden met spikes niet toegestaan. Als u

    winterbanden gebruikt, moet u op alle vier
    de wielen dezelfde soort banden monteren.
    Neem contact op met een werkplaats bij u
    in de buurt voor informatie over de beste
    bandenkeus. U wordt geadviseerd contact
    op te nemen met een erkende Saabwerkplaats.

  • Page 190

    190

    Starten en rijden

    Let erop dat rubber een product met een
    beperkte houdbaarheid is. Zo is het mogelijk dat u de winterbanden al moet vervangen, voordat ze zijn versleten. Naarmate
    rubber ouder wordt, neemt de grip op het
    wegdek af.
    Voor modellen met een handbak geldt het
    volgende: als de voorwielen mochten gaan
    slippen, kunt u dit het beste ondervangen
    door te ontkoppelen en de wielen te laten
    uitrollen (d.w.z. de wielen worden niet aangedreven en evenmin geremd). Stuur de
    auto vervolgens voorzichtig in de gewenste
    richting.
    Als uw auto is uitgerust met een automaatbak, moet u in het gegeven geval het gaspedaal even loslaten en de auto in de
    gewenste richting sturen.
    Wanneer de achterwielen doorslippen,
    moet u het stuur in dezelfde richting als het
    achtereind van de auto draaien.

    Rijden met sneeuwkettingen 3
    Het omleggen van sneeuwkettingen is
    alleen toegestaan bij gebruik van velgen en
    banden met de maten die geadviseerd
    worden in het hoofdstuk “Technische gegevens” (zie blz. 273).
    U wordt geadviseerd contact op te nemen
    met een erkende Saab-dealer voor informatie over goedgekeurde sneeuwkettingen.

    WAARSCHUWING
    • Rijd niet sneller dan 50 km/h bij
    gebruik van sneeuwkettingen.
    • Bij gebruik van sneeuwkettingen kan
    de stabiliteit in dwarsrichting afnemen.
    • Leg geen sneeuwkettingen om de
    achterbanden.

    N.B.
    • Controleer regelmatig de slijtage van
    de schakels van de sneeuwkettingen.
    • Controleer of de sneeuwkettingen niet
    tegen het wielhuis aankomen, wanneer u het stuur helemaal naar links of
    rechts draait.
    • Zie het hoofdstuk “Technische gegevens”, blz. 273, voor meer informatie
    over de toelaatbare bandenmaat bij
    gebruik van sneeuwkettingen.

  • Page 191

    Starten en rijden

    Rijden tijdens de zomer
    Controleer altijd het koelvloeistofpeil, voordat u vertrekt. Bij een koude motor dient de
    koelvloeistof ter hoogte van het merkje
    KALT/COLD (op de deellijn van het expansiereservoir) of daar net boven te staan.
    Laat de motor na afloop van de rit
    2-3 minuten stationair lopen.
    Als de naald van de temperatuurmeter tot in
    het rode gebied uitslaat, verschijnt de volgende melding op het SID:
    Hot engine. Make a
    safe stop. Idle engine. (Motor
    heet. Breng auto veilig tot
    stilstand. Laat motor stationair lopen.)

    1 Breng de auto tot stilstand, maar laat de
    motor doorlopen. Draai de dop van het
    expansiereservoir niet los, ook al is het
    reservoir leeg. Als de temperatuur blijft
    stijgen ondanks dat de motor stationair
    loopt, moet u de motor afzetten.

    2 Laat de motor stationair doorlopen en
    wacht totdat de temperatuurmeter
    aangeeft dat de temperatuur normaal is
    (de naald zakt tot ongeveer halverwege
    de schaalverdeling). Zet de motor
    vervolgens af. Als u koelvloeistof moet
    bijvullen, moet u de dop van het expansiereservoir voorzichtig losdraaien.
    Giet vervolgens een mengsel in het
    reservoir dat voor 50 % uit antivries en
    voor 50 % uit water bestaat. Gebruik
    een antivriessoort die door Saab is
    goedgekeurd.

    WAARSCHUWING
    • Als het koelsysteem van de motor
    kookt, moet u de motorkap voorzichtig
    openen. Draai de dop van het expansiereservoir nooit helemaal los, wanneer de motor nog heet is.
    • Er heerst een bepaalde overdruk in
    het koelsysteem, zodat er hete koelvloeistof en stoom vrij kan komen.
    Daarbij kunt u oogletsel en brandwonden oplopen. Draai de dop van het
    expansiereservoir daarom langzaam
    open om de druk van het systeem te
    halen, voordat u de dop verwijdert.

    191

    3 Laat het koelsysteem in een werkplaats
    nakijken. U wordt geadviseerd contact
    op te nemen met een erkende Saabwerkplaats.
    Voor modellen met een dieselmotor
    geldt: Een speciale beveiligingsfunctie
    zorgt dat oververhitting van de motor bij
    een zware belasting niet mogelijk is.
    Wanneer de temperatuurmeter uitslaat
    tot in het rode gebied, wordt het motorvermogen begrensd.

  • Page 192

    192

    Starten en rijden

    Rijden met een
    aanhanger 3
    WAARSCHUWING
    • Koppel geen aanhanger achter de
    auto bij een hellingspercentage van
    meer dan 15 %. De druk op de aangedreven wielen (voorwielen) wordt dan
    zo laag, dat ze kunnen doorslippen en
    hun grip op de weg verliezen.
    • De handrem is niet altijd krachtig
    genoeg om de auto plus de aanhanger
    tegen te houden. De wielen kunnen
    over het wegdek wegglijden.
    • Trek altijd de handrem van de aanhanger aan, voordat u de aanhanger loskoppelt. Als u dat niet doet, kunt u
    letsel oplopen of schade aan de
    bumper veroorzaken als de aanhanger mocht gaan rollen.
    Informeer naar de voorschriften en
    bepalingen die in uw land van kracht zijn
    ten aanzien van de maximale snelheid,
    het aanhangergewicht, het remsysteem
    van de aanhanger en het type rijbewijs
    bij het rijden met een aanhanger.

    Trekhaak 3
    Als extra accessoire is een trekhaak leverbaar. Deze is bedoeld voor een aanhangergewicht van max. 1600 kg, voor 9-3 TiD 8v
    geldt 1500 kg en voor 9-3 1.8i geldt 1400 kg.
    Een elektrische aansluiting 3 voor de trekhaak en een elektronica-eenheid vindt u in
    de relais- en zekeringhouder links in de
    bagageruimte.
    Als de auto voorzien is van een originele,
    13-polige elektrische aansluiting van Saab,
    is het mogelijk een aanhanger/caravan uit
    te rusten met mistachterlichten en achteruitrijlichten. Het is bovendien mogelijk eventuele inwendige en uitwendige verlichting
    op de caravan te gebruiken, wanneer de
    auto niet op contact staat. Let er in dat
    geval wel op dat de accu niet te lang achtereen belast wordt en daardoor uitgeput
    raakt, omdat de motor dan niet meer kan
    worden gestart.
    Ook tijdens het rijden is het mogelijk spanning voor de caravan af te nemen om bijvoorbeeld de accu in de caravan bij te
    laden.
    Om een aanhanger met een 7-polig contact
    te kunnen aankoppelen hebt u een
    adapter 3 nodig.
    Een eventueel akoestisch parkeerhulpsysteem wordt buiten werking gesteld, als u
    een aanhanger achter de auto hangt en op
    het originele aanhangercontact van Saab
    aansluit.

    N.B.
    • Gebruik alleen een trekhaak die goedgekeurd is voor montage op de auto.
    U wordt geadviseerd de montage van
    een trekhaak over te laten aan een
    erkende Saab-werkplaats, waar ze u
    tevens informatie kunnen verstrekken
    over het geldende aanhangergewicht
    e.d. De erkende Saab-werkplaats kan
    u informeren over de wijze waarop de
    trekhaak gemonteerd moet worden en
    aangeven of er andere maatregelen
    moeten worden genomen die van
    invloed zijn op het koelsysteem of
    andere uitrusting.
    • U wordt geadviseerd contact op te
    nemen met een erkende Saab-werkplaats voor adviezen over een passende trekhaak voor uw auto en de
    elektrische aansluiting van de
    trekhaak.

  • Page 193

    Starten en rijden
    • Sommige aanhangers/caravans zijn
    uitgerust met een ander soort elektrische uitrusting dan de gebruikelijke
    buitenverlichting (zoals binnenverlichting, ventilator of acculader). Als deze
    uitrusting via het aanhangercontact is
    aangesloten op de auto, moet de aanhanger/caravan met een 13-polige
    connector worden aangesloten die
    voldoet aan de ISO-norm 11446 om in
    de benodigde individuele voeding te
    voorzien.
    • Wees voorzichtig wanneer u op oneffen wegen rijdt of met een zwaar beladen auto (met aanhanger) tegen trottoirbanden oprijdt. Dit geldt met name
    bij gebruik van 18" wielen.

    193

    Adviezen voor modellen met een
    automaatbak
    In de onderstaande tabel staan de beperkingen qua rijtijd bij hoge buitentemperaturen van ca. +30 °C. Dit met het oog op de
    capaciteit van het koelsysteem.
    HellingsMax. aanhan- Tijdslimiet
    percentage gergewicht (kg) (minuten)
    (%)
    6–8

    1500

    geen

    9–11

    1400

    max 15

    12–14

    1200

    max 15

    max 15

    1000

    max 15

    Wanneer uw auto een automaatbak heeft
    en u over grote afstanden moet klimmen,
    moet u op het volgende letten.
    Als de koelvloeistoftemperatuur stijgt, geeft
    de temperatuurmeter op het hoofdinstrument dat aan.
    Het volgende vindt plaats naarmate de
    motortemperatuur oploopt:
    • er treden wijzigingen op in de schakelpatronen van de versnellingsbak;
    • de A/C-compressor wordt uitgeschakeld;
    • het maximale motorkoppel wordt
    begrensd.

  • Page 194

    194

    Starten en rijden

    De volgende aanduiding verschijnt op het
    SID, als de versnellingsbakolie te warm
    wordt:
    Gearbox too hot. Make a
    safe stop. Open hood.
    (Versnellingsbak te heet.
    Breng auto veilig tot
    stilstand. Open motorkap.)

    Wanneer deze aanduiding verschijnt, moet
    u de auto op een geschikte plek tot stilstand
    brengen en de motor stationair laten lopen,
    totdat de aanduiding weer verdwijnt. De
    keuzehendel moet daarbij in stand P staan.
    Wanneer u daarna weer verder rijdt, moet u
    handmatig een lage versnelling kiezen die
    een motortoerental rond 3500 omw/min
    oplevert en wachten totdat het hellingspercentage afneemt (zie blz. 172).

    WAARSCHUWING
    Om de remmen te ontzien bij lange en/of
    steile afdalingen moet u zoveel mogelijk
    op de motor afremmen (stand M1, M2 of
    M3).
    Bij oververhitting van de remmen kunnen
    de remmen volledig uitvallen!

    Adviezen voor modellen met een
    handbak
    Als de koelvloeistoftemperatuur stijgt, geeft
    de temperatuurmeter op het hoofdinstrument dat aan.
    Wanneer de wijzernaald tot net voor het
    rode gebied uitslaat, zal bij bepaalde motorvarianten de A/C-compressor worden uitgeschakeld en het maximale motorkoppel
    worden begrensd.
    Wanneer u daarna weer verder rijdt, moet u
    handmatig een lage versnelling kiezen die
    een motortoerental rond 3500 omw/min
    oplevert ligt en wachten totdat het hellingspercentage afneemt.

    WAARSCHUWING
    Om de remmen te ontzien bij lange en/of
    steile afdalingen moet u zoveel mogelijk
    op de motor afremmen (keuzehendel in
    stand 1, 2 of 3).
    Bij oververhitting van de remmen kunnen
    de remmen volledig uitvallen!

    Kogeldruk
    Voor de beste wegligging van de totale
    combinatie van de auto plus aanhanger,
    moet u de aanhanger of de caravan op een
    bepaalde manier laden. Bij een aanhanger
    met twee wielen, moet u de lading zoveel
    mogelijk boven de wielen aanbrengen en zo
    laag mogelijk houden.
    Laad de aanhanger of caravan zo dat de
    druk op de kogel 50–75 kg bedraagt. Let
    erop dat u dit gewicht van het maximale
    laadvermogen van de auto moet aftrekken.
    Het is dan ook mogelijk dat u hetzelfde
    gewicht aan bagage uit de bagageruimte
    moet nemen.

  • Page 195

    Starten en rijden

    Rijden met lading op het
    dak
    WAARSCHUWING
    • Wanneer u lading op de daklastdrager
    vervoert, treden er wijzigingen op in
    het zwaartepunt en de aerodynamische eigenschappen van de auto.
    Houd daar rekening mee bij het
    nemen van bochten en bij het rijden
    met zijwind.
    Verdeling van de bagage in de caravan

    a Licht
    b Middelzwaar
    c Zwaar

    • Stem uw snelheid daarom af op de
    heersende omstandigheden.
    U mag lading met een gewicht tot maximaal
    100 kg op het dak vervoeren. Let erop dat
    het gewicht van de lading op het dak is inbegrepen bij de maximaal toelaatbare laadcapaciteit/de asdruk van de auto.
    Er is een speciaal geconstrueerde
    lastdrager 3 verkrijgbaar die bestand is
    tegen zware belastingen. U wordt geadviseerd contact op te nemen met een erkende
    Saab-werkplaats. Zorg dat u de lading altijd
    goed vastzet.

    195

    Rijden met belading
    De rijeigenschappen van uw auto hangen af
    van de wijze waarop u de lading hebt aangebracht.
    • Zorg dat u de zwaarste bagage zoveel
    mogelijk voor in de bagageruimte
    aanbrengt en zo mogelijk plat neerlegt.
    • Zet de lading vast aan de verankeringsogen (zie blz. 140).
    • Bij een zware belading verschuift het
    zwaartepunt van de auto naar achteren,
    zodat de auto sterker overhelt bij snelle
    uitwijkmanoeuvres.
    • Vervoer nooit meer lading in een skibox 3
    dan toegestaan is, ook al is de box nog
    niet gevuld.
    • Zorg dat de bandenspanning de juiste is
    – een iets te hoge bandenspanning is
    minder schadelijk dan een te lage (zie ook
    blz. 250 en 282).
    • Bij het rijden met belading neemt de
    remweg altijd toe. Houd daarom
    voldoende afstand aan tot het verkeer dat
    voor u rijdt.
    • Zorg bij het inladen dat u het totaalgewicht van de auto of de asdruk niet overschrijdt (zie blz. 274).
    • Het vervoer van lading op het dak kan
    de telefooncommunicatie negatief beïnvloeden.

  • Page 196

    196

    Starten en rijden

    Rijden met een
    geopende bagageklep
    Rijd bij voorkeur niet met een bagageklep
    die geheel of gedeeltelijk openstaat om te
    voorkomen dat er uitlaatgassen de passagiersruimte in worden gezogen.
    Als u echter gedwongen bent om met een
    geopende bagageklep te rijden, moet u alle
    ruiten en een eventueel zonnedak sluiten
    en de interieurventilator op de maximale
    snelheid instellen.

    Rijden door diepe
    waterplassen
    N.B.
    Rijd niet door waterplassen die dieper zijn
    dan 20 cm. Matig uw snelheid tot het stationaire toerental om te voorkomen dat de
    motor water aanzuigt. De motor kan ernstig beschadigd raken, wanneer er water
    in het inlaatsysteem komt.

    Voorste sleepoog

    Slepen
    WAARSCHUWING
    • Let erop dat de rembekrachtiging niet
    werkt, als de motor is afgezet. Om te
    remmen moet u dan ook veel harder
    dan normaal op het rempedaal drukken.
    • Ook de stuurbekrachtiging werkt niet,
    als de motor is afgezet. Het kost u
    daarom veel meer moeite om de auto
    te besturen.
    • Zorg dat de auto die aansleept altijd
    zwaarder is dan de auto die wordt
    gesleept.
    • Laat geen passagiers meerijden in de
    auto zitten die wordt gesleept.
    • Roep voor berging van de auto altijd
    professionele hulp in.
    • Zet het contactslot in stand ON, als u
    de auto versleept met de motor afgezet.
    • Zorg dat het stuurslot is opgeheven,
    voordat u gaat slepen.
    • Het stuurslot wordt alleen opgeheven,
    wanneer de afstandsbediening in het
    contactslot steekt en de accuspanning
    in orde is.

    WAARSCHUWING
    • Zorg dat het voorste sleepoog goed
    vastzit. Let erop dat het sleepoog van
    linkse schroefdraad is voorzien!
    • Het sleepoog is bestemd om de auto
    over de weg te slepen, niet om de auto
    bijvoorbeeld uit een greppel omhoog
    te trekken.
    • Zorg dat omstanders op veilige
    afstand staan voor het geval dat het
    sleepoog of de sleepkabel afbreekt of
    knapt. Het sleepoog of de sleepkabel
    kan losschieten en omstanders ernstige verwondingen toebrengen.
    • Laat het trekoog na het slepen nooit in
    de voorbumper zitten, maar leg deze
    terug op de daarvoor bestemde
    plaats.

  • Page 197

    Starten en rijden

    197

    Het voorste sleepoog ligt naast het reservewiel. Rechts in de bumper vindt u een
    dekplaatje waarachter de steun voor het
    sleepoog zit.
    1 Werk de onderkant van het dekplaatje
    los met bijvoorbeeld een schroevendraaier. Beschadig de lak niet.
    2 Draai het sleepoog vast. Het sleepoog
    is voorzien van linkse schroefdraad!
    3 Steek de dopsleutel door het sleepoog
    om het goed strak vast te draaien.
    Dekplaatje terugplaatsen: breng eerst de
    bovenkant van het dekplaatje in positie en
    duw vervolgens de onderkant aan.

    Voorste sleepoog gemonteerd.
    Het sleepoog is voorzien van linkse
    schroefdraad!

    Achterste sleepoog

    Achterste sleepoog
    Het achterste sleepoog zit onder de bumper
    vast en is niet los te schroeven.
    Als uw auto is uitgerust met een trekhaak,
    kunt u ook de trekhaak gebruiken om een
    andere auto te verslepen.

  • Page 198

    198

    Starten en rijden

    Auto slepen

    Modellen met een automaatbak

    N.B.

    N.B.

    Maak nooit gebruik van de sleepogen om
    de auto te bergen.

    • U mag de auto niet achteruit wegslepen.

    Zet de versnellingspook in de neutrale
    stand (op modellen met een automaatbak
    moet de keuzehendel in stand N staat).
    Schakel de stadslichten in.
    Rijd voorzichtig en zorg dat u de maximale snelheid voor het slepen nooit
    overschrijdt.

    Probeer de sleepkabel altijd strak te houden. Dit om te voorkomen dat de kabel
    knapt, wanneer er plotseling te veel spanning op de kabel komt te staan. Om de kabel
    tijdens het rijden strak te trekken kan de
    bestuurder van de auto die op sleeptouw
    wordt genomen voorzichtig remmen.

    • Los de handrem, als de auto bij het
    wegslepen met de voorwielen van de
    grond getakeld wordt.
    Houd u aan de voorschriften die in uw land
    gelden ten aanzien van de snelheid tijdens
    het slepen. De maximale snelheid tijdens
    het slepen bedraagt 50 km/h (voor zover dit
    in overeenstemming is met de wettelijke
    voorschriften). De auto mag over een
    afstand van maximaal 50 km worden weggesleept. Voor langere afstanden moet u de
    hulp van een bergingsvoertuig inroepen.
    Het is niet mogelijk de motor aan te slepen
    of te duwen. U kunt de motor in geval van
    nood starten volgens de aanwijzingen in het
    hoofdstuk “Starthulp met hulpaccu”
    (zie blz. 200).

    Maak nooit gebruik van de sleepogen om
    de auto te bergen.

  • Page 199

    Starten en rijden

    Bergen

    Rijden met een
    reservewiel

    Bij het transport van de auto op een ander
    voertuig moet u de auto met passende verankeringen vastzetten. Het onderstel van
    de auto is voorzien van de benodigde
    bevestigingspunten. Ze bestaan uit langwerpige openingen die dusdanig verstevigd
    zijn dat ze bestand zijn tegen de krachten
    die bij dergelijke transporten kunnen ontstaan.

    Zie blz. 253.

    Bandenreparatieset 3
    Op sommige markten is het reservewiel vervangen door een bandenreparatieset. Met
    deze reparatieset kunt u een lekke band
    herstellen en oppompen zonder het wiel
    daarvoor te hoeven demonteren
    (zie blz. 259).

    Vervoeren van de auto
    Bevestigingspunten voor verankeringen

    N.B.
    Bij het vervoer van een model met een
    verlaagd chassis (sportchassis) (op een
    transportvoertuig) moet u extra voorzichtig zijn om schade aan de spoiler en/of het
    onderstel van de auto te voorkomen.

    199

  • Page 200

    200

    Starten en rijden
    2 Zet ook de motor van de auto met de
    hulpaccu af.

    Starthulp met hulpaccu

    3 Sluit eerst de pluspool van de hulpaccu
    op de pluspool van de lege accu aan.

    WAARSCHUWING
    • Bij werkzaamheden aan de accu van
    de auto kan een explosief gas worden
    gevormd. Als er een vonk ontstaat,
    kan dit knalgas dat rond de accu wordt
    gevormd exploderen. Vermijd daarom
    altijd vonken en open vuur bij werkzaamheden in de onmiddellijke omgeving van de accu.
    • De accu bevat bijtend zwavelzuur.
    Gebruik daarom altijd een gezichtsmasker of een veiligheidsbril bij werkzaamheden aan de accu.
    • Als het zuur in contact komt met uw
    ogen, huid of kleding, moet u het
    getroffen gebied onmiddellijk afspoelen met een ruime hoeveelheid water.
    Wanneer u zuurspatten in de ogen
    hebt gekregen of als een grotere hoeveelheid op de huid terechtgekomen
    is, moet u een arts raadplegen.

    4 Sluit daarna de minpool van de
    hulpaccu op een massapunt aan in de
    auto met de lege accu.
    5 Start eerst de motor van de auto met de
    hulpaccu.

    Starthulp met hulpaccu

    Om vonkvorming te voorkomen moet u bij
    het geven van starthulp de hulpaccu op de
    juiste manier aansluiten.

    N.B.
    De startkabels moeten minstens een
    kabeldoorsnede van 16 mm2 hebben bij
    benzinemodellen en minstens 25 mm2 bij
    dieselmodellen.
    Gebruik geen kabels met een lengte
    groter dan 3 m.
    1 Schakel het contact en alle stroomverbruikers (verlichting, achterruitverwarming e.d.) uit.

    6 Start vervolgens de motor van de auto
    met de lege accu. Laat de motor een
    poosje lopen en neem daarna de kabels
    in omgekeerde volgorde weer los.
    N.B. Als de spanning van de lege accu
    zeer laag is, moet u mogelijk meerdere
    minuten wachten – met de startkabels
    aangesloten – voordat u de motor kunt
    starten.
    Als de startmotor niet bij de eerste poging
    aanslaat, moet u 3–5 minuten pauze inlassen tussen de startpogingen.

  • Page 201

    Starten en rijden
    Gebruik van acculader 3/
    starthulpeenheid
    Om schade aan de elektrische en elektronische systemen van de auto te voorkomen
    moet u bij gebruik van een acculader/starthulpeenheid op het volgende letten.
    • Als de eenheid verschillende laadspanningen kent (6V/12V/18V/24V), moet u
    een spanning van 12 V gebruiken.
    • Gebruik de eenheid volgens de aanwijzingen van de fabrikant.
    • Zorg dat er tijdens het gebruik van een
    acculader/starthulpeenheid geen andere
    apparatuur van de auto op de netspanning of de massa is aangesloten.
    • Zorg dat de acculader/starthulpeenheid
    in geen geval een spanning afgeeft hoger
    dan:
    • 16 V (continu)
    • 18 V gedurende 60 minuten.
    • Bij twijfel over de karakteristieken van de
    eenheid moet u de kabelklem van de
    pluspool van de accu loskoppelen, voordat u de eenheid op de accu aansluit.

    201

  • Page 202

    202

    Starten en rijden

    Voordat u lange reizen
    maakt
    Saab geeft een speciaal boekje uit met
    adviezen en nuttige tips voor lange reizen.
    Het boekje dat verkrijgbaar is bij een
    erkende Saab-werkplaats, heet “Saab
    European Service Guide” 3 en bevat
    tevens een overzicht van alle erkende
    Saab-werkplaatsen in Europa met de bijbehorende adressen.
    Voordat u aan een lange reis begint, kunt
    u uw auto het best in een werkplaats laten
    nakijken. U wordt geadviseerd daarvoor
    contact op te nemen met een erkende
    Saab-werkplaats.
    Zorg dat u enkele belangrijke reserveonderdelen meeneemt zoals gloeilampen, wisserbladen, zekeringen en een multi-V-riem.
    U kunt voor de reis ook zelf nog de volgende
    controles uitvoeren:
    • Controleer of er geen olie of brandstof uit
    de motor of versnellingsbak lekt.
    • Controleer de conditie van de multi-V-riem
    en vervang de riem als deze tekenen van
    slijtage vertoont.
    • Controleer de ladingstoestand van de
    accu.
    • Controleer het profiel van de banden en
    de bandenspanning. Vergeet daarbij het
    reservewiel niet. Aanbevolen bandenspanningswaarden (zie blz. 282).

    Modellen met halogeenlampen en het
    stuur links: Draai de stelschroef linksom
    om de lichtbundel van de dimlichten voor
    rechtshoudend verkeer in te stellen op
    linksrijdend verkeer.
    De stelschroef zit bij de lamp voor het
    dimlicht. Gebruik bij voorkeur een inbussleutel van 5 mm.

    Modellen met xenonlampen en het stuur
    links: Haal het hendeltje omlaag om de
    lichtbundel van de dimlichten voor rechtshoudend verkeer in te stellen op linksrijdend verkeer.

    • Neem een extra afstandsbediening mee
    en bewaar deze apart van de andere.

    • Als u tijdens de wintermaanden op reis
    gaat, moet u informeren naar de bepalingen voor het gebruik van banden met
    spikes in het land van bestemming.

    • Controleer de maximaal toelaatbare snelheid voor de banden, wanneer u in landen
    zonder snelheidsbeperking rijdt (zie het
    hoofdstuk " Bandaanduidingen" op
    blz. 251).
    • Controleer de werking van de remmen.
    • Controleer of alle lichten het doen.
    • Controleer het gereedschap in de auto.

    • Zorg dat de gevarendriehoek in de auto
    ligt. Informeer naar de bepalingen voor
    het gebruik van een gevarendriehoek in
    het/de land(en) van bestemming.

  • Page 203

    Starten en rijden
    Auto’s met bochtverlichting 3

    U stelt de lichtbundel voor het dimlicht op
    SID in op links- of rechtshoudend verkeer.
    1 Kies Settings (Instellingen) met de
    stuurknoppen,
    of
    .
    2 Houd de knop SET ingedrukt totdat er
    een geluidssignaal klinkt.
    3 Kies Cornering headlights (Bochtverlichting) met de stuurknoppen.
    4 Druk de SET-knop in.
    5 Kies LEFT HAND TRAFFIC (LINKSRIJDEND VERKEER) of RIGHT HAND
    TRAFFIC (RECHTSRIJDEND
    VERKEER) met de stuurknoppen.
    6 Sluit af met een druk op de knop SET.
    Achteruit/terug met de CLR-knop.
    Iedere keer dat u de afstandsbediening
    naar stand ON draait, zal SID eraan herinneren dat u de lichtbundel van koplampen
    hebt bijgesteld en bijvoorbeeld de volgende
    melding weergeven:
    Cornering headlights (Bochtverlichting)
    set to left hand traffic. (ingesteld op linksrijdend verkeer.)

    Vergeet niet de lichtbundel weer in de oorspronkelijke stand af te stellen.

    203

  • Page 204

    204

    Starten en rijden

    (Hier is met opzet een lege bladzijde ingevoegd.)

  • Page 205

    Onderhoud van de auto

    205

    Onderhoud van de auto

    3 Een sterretje geeft aan dat de uitrusting niet op
    alle auto’s is aangebracht (afhankelijk van het
    model, het motortype, de marktspecificatie, de
    gekozen opties en/of accessoires).

    Motorkap ____________
    Motor _______________
    Benzinemotor,
    turbomotor _________
    Dieselmotor 3 ________
    Motorolie ____________
    Luchtfilter____________
    Versnellingsbakolie ___
    Koelvloeistof _________
    Rem-/
    koppelingsvloeistof en
    remblokken _________

    206
    207

    Stuurbekrachtiging ____
    Accu ________________
    Aandrijfriem __________
    Wissers en sproeiers __
    Wisserbladen _________
    Gloeilampen vervangen
    Zekeringen ___________

    219
    220
    222
    223
    223
    225
    240

    209
    211
    213
    215
    215
    216

    218

    Automatische
    bandenspanningscontrole 3 ___________
    Wielen _______________
    Reservewiel ___________
    Banden verwisselen ____
    Veiligheidsgordels _____
    Bekleding_____________
    Vloermatten ___________
    Motorruimte ___________
    Wassen ______________
    In de was zetten en
    oppoetsen ___________
    Herstellen van lakschade
    Bescherming tegen
    corrosie _____________
    Onderhoudsprogramma
    Recycling van
    automaterialen _______
    Airconditioning (A/C) ___

    247
    250
    253
    256
    264
    264
    265
    267
    265
    267
    268
    268
    269
    270
    270

  • Page 206

    206

    Onderhoud van de auto

    Motorkap
    De handgreep voor het ontgrendelen van
    de motorkap zit aan bestuurderszijde onder
    het dashboard. U kunt de motorkap als volgt
    openen:
    1 Trek aan de handgreep.
    2 De motorkap komt iets omhoog, waarna
    de motorkap alleen nog wordt tegengehouden door een blokkering aan de
    voorkant van de motorkap.
    3 Druk het plaatje van de blokkering
    omhoog en til tegelijkertijd motorkap op.
    Wanneer u de motorkap sluit, moet u deze
    vanaf een hoogte van ca. 30 cm in het slot
    laten vallen, zonder deze dicht te duwen.

    Handgreep voor ontgrendeling van de
    motorkap

    Drukplaatje van de motorkapblokkering

  • Page 207

    Onderhoud van de auto

    Motor
    Benzinemotor, injectiemotor 3
    De benzinemotor bestaat uit een dwarsgeplaatste lijnmotor met vier cilinders, dubbele, bovenliggende nokkenassen en
    16 kleppen.
    De versnellingsbak en de motor zijn tot een
    eenheid geïntegreerd. De versnellingsbak
    vindt u op de linkerzijde van de motor.

    Benzinemotor, turbomotor
    De benzinemotor bestaat uit een dwarsgeplaatste lijnmotor met vier cilinders, dubbele, bovenliggende nokkenassen en
    16 kleppen.
    De motor is uitgerust met twee balansassen
    die de trillingen van de motor dempen.
    De balansassen worden door een ketting
    aangedreven en draaien tweemaal zo snel
    rond als de krukas. Ze zorgen voor een
    tegenwerkende kracht in verhouding tot de
    beweging van de zuigers en de zuigerstangen van de motor. Dit tegenwerkende effect
    zal tweemaal per motoromwenteling plaatsvinden, waardoor de trillingen van de bewegende delen van de motor zullen worden
    gedempt. Ook het motorgeluid neemt hierdoor af.
    De versnellingsbak en de motor zijn tot een
    eenheid geïntegreerd. De versnellingsbak
    vindt u op de linkerzijde van de motor.

    207

    Benzinemotor, V6

    Dieselmotor 3

    De V6-motor met turbocompressor is
    geheel uit aluminium gemaakt en voorzien
    van cilinderrijen die onder een hoek van
    60° staan, 4 kleppen per cilinder en 2 nokkenassen per rij.

    De dieselmotor bestaat uit een dwarsgeplaatste lijnmotor met vier cilinders. De dieselmotor is verkrijgbaar in drie turbovarianten: één met 8 kleppen en een enkele,
    bovenliggende nokkenas en twee met
    16 kleppen en dubbele, bovenliggende
    nokkenassen.

    De nokkenassen worden aangedreven met
    een ketting. De motor is voorzien van een
    turbocompressor met een turbinewiel dat
    uitlaatgassen aanvoert vanaf de beide cilinderrijen.
    Voor goede prestaties, een laag brandstofverbruik en lage emissiewaarden is de
    motor uitgerust met CVCP (Continuous
    Variable Cam Phasing). Dit houdt in dat de
    inlaatnokkenassen te verstellen zijn voor
    optimaal motorrendement. Het verstelmechanisme werkt hydraulisch.

    Eén variant is voorzien van een enkelvoudige turbocompressor met variabele leidschoepen (VNT). De tweede variant is uitgerust met een dubbele turbocompressor,
    waarbij een uitermate kleine turbocompressor voor snelle reacties op lage motortoeren
    zorgt. Bij hogere motortoeren wordt een
    grote turbocompressor geactiveerd zodat
    de motor een hoog vermogen kan leveren.
    Op die manier kunnen goede prestaties
    over een breed toerentalgebied worden
    gecombineerd met een laag brandstofverbruik en lage emissies.
    De versnellingsbak en de motor zijn tot een
    eenheid geïntegreerd. De versnellingsbak
    vindt u op de linkerzijde van de motor.

  • Page 208

    208

    Onderhoud van de auto

    Benzinemotor, injectiemotor 3
    1 Vloeistofreservoir, stuurbekrachtiging
    2 Expansiereservoir van het koelsysteem
    3 Reservoir voor rem- en
    koppelingsvloeistof
    4 Accu
    5 Relais- en zekeringhouder
    6 Sproeiervloeistofreservoir
    7 Oliepeilstok, motorolie
    8 Olievuldop

  • Page 209

    Onderhoud van de auto

    209

    Benzinemotor, turbomotor
    1 Olievuldop
    2 Expansiereservoir van het koelsysteem
    3 Reservoir voor rem- en
    koppelingsvloeistof
    4 Accu
    5 Relais- en zekeringhouder
    6 Sproeiervloeistofreservoir
    7 Vloeistofreservoir, stuurbekrachtiging
    8 Oliepeilstok, motorolie

  • Page 210

    210

    Onderhoud van de auto

    Benzinemotor, V6
    1 Vloeistofreservoir, stuurbekrachtiging
    2 Expansiereservoir van het koelsysteem
    3 Reservoir voor rem- en
    koppelingsvloeistof
    4 Accu
    5 Relais- en zekeringhouder
    6 Sproeiervloeistofreservoir
    7 Olievuldop
    8 Oliepeilstok, motorolie

  • Page 211

    Onderhoud van de auto

    211

    Dieselmotor 3
    1 Olievuldop
    2 Expansiereservoir van het koelsysteem
    3 Reservoir voor rem- en
    koppelingsvloeistof
    4 Accu
    5 Relais- en zekeringhouder
    6 Sproeiervloeistofreservoir
    7 Vloeistofreservoir, stuurbekrachtiging
    8 Oliepeilstok, motorolie

  • Page 212

    212

    Onderhoud van de auto

    Dieselmotor TTiD 3
    1 Olievuldop
    2 Expansiereservoir van het koelsysteem
    3 Reservoir voor rem- en
    koppelingsvloeistof
    4 Accu
    5 Relais- en zekeringhouder
    6 Sproeiervloeistofreservoir
    7 Vloeistofreservoir, stuurbekrachtiging
    8 Oliepeilstok, motorolie

  • Page 213

    Onderhoud van de auto

    213

    Motorolie
    Oliepeil controleren
    Controleer het oliepeil van de motor regelmatig.
    1 Parkeer de auto daarbij op een egale
    ondergrond.
    2 Zet de motor af en wacht 2–5 minuten
    (dieselmotoren 5 minuten). De motor
    moet op bedrijfstemperatuur zijn.
    3 Neem de peilstok uit de houder en veeg
    deze aan een schone doek af, voordat u
    het peil controleert.
    De olie mag niet onder het MIN-streepje op
    de peilstok staan en evenmin boven het
    MAX-streepje, omdat dit kan leiden tot een
    abnormaal groot olieverbruik.
    De afstand tussen het MIN- en het MAXstreepje komt overeen met een hoeveelheid
    olie van ongeveer 1,0 liter.

    N.B.
    Een te hoog oliepeil kan tot schade aan
    de motor leiden.

    Olievuldop en -peilstok, injectiemotor

    2.0 turbo (210 pk): Bij het starten van de
    motor wordt het peil van de motorolie
    gecontroleerd. Als het peil te laag is,
    verschijnt de volgende melding op het SID:
    Low engine oil level.
    Fill oil now. (Peil motorolie
    laag. Vul zo spoedig mogelijk
    olie bij.)

    Wanneer dat gebeurt, moet u eerst het oliepeil controleren. Vul olie bij als het peil te
    laag is.

    Olievuldop en -peilstok,
    turbobenzinemotor
    1.9TiD, 1.9 TTiD en V6: De motor is uitgerust met een niveausensor voor de motorolie. De sensor is actief, terwijl de motor
    loopt. Als het peil te laag wordt, verschijnt de
    volgende melding op het SID:
    Low engine oil level.
    Fill oil now. (Peil motorolie
    laag. Vul zo spoedig mogelijk
    olie bij.)

    Wanneer dat gebeurt, moet u eerst het oliepeil controleren. Vul olie bij als het peil te
    laag is.

  • Page 214

    214

    Onderhoud van de auto
    Aanbevolen oliekwaliteit (zie het Garantie- en Onderhoudsinspectieboekje van de
    auto).

    Zorg dat u na het bijvullen de olievuldop
    weer stevig vastdraait om motorstoringen te
    voorkomen.
    Het is normaal dat een motor een bepaalde
    hoeveelheid olie verbruikt. Het is dan ook
    niet ongewoon dat u tussen de reguliere
    onderhoudsbeurten door olie bij moet vullen. Controleer het oliepeil daarom regelmatig.
    Olievuldop en -peilstok, V6

    Olievuldop en peilstok, dieselmotor

    Tijdens de inrijperiode (van ca. 5000 km),
    bij het rijden op hoge snelheden en het
    gebruik van een aanhanger, kan het olieverbruik verder toenemen.

  • Page 215

    Onderhoud van de auto
    WAARSCHUWING
    • Langdurig en herhaald contact met
    motorolie kan leiden tot beschadiging
    van de huid en verhoogt de kans op
    kanker.
    • Probeer zoveel mogelijk te voorkomen dat uw huid in contact komt met
    olie. Als dit toch gebeurt, moet u de
    huid goed schoonwassen met water
    en zeep.
    • Bewaar de olie buiten het bereik van
    kinderen.
    • Raak het turboaggregaat en/of het uitlaatspruitstuk niet aan. Deze onderdelen kunnen na een rit bijzonder heet
    zijn.
    • Zorg dat u geen olie morst op hete
    onderdelen van de motor. Dit om
    brand te voorkomen. Afgewerkte olie
    ontvlamt zeer snel.
    • Denk aan het milieu. Loos geen olie in
    de natuur of in het rioleringssysteem.
    Zamel afgewerkte olie en oliefilters op
    een milieuvriendelijke manier in.

    N.B.

    Luchtfilter

    • Laat de motor niet lopen bij een te laag
    oliepeil.
    • Ververs de motorolie en vervang het
    oliefilter zoals aangegeven in het
    onderhoudsprogramma.
    • Maak uitsluitend gebruik van het aanbevolen olietype.
    Houd de bovenstaande drie punten aan
    om ernstige motorschade te voorkomen.
    Aanbevolen olietype (zie het Garantie- en
    Onderhoudsinspectieboekje van de
    auto).

    215

    WAARSCHUWING
    Voor een goede werking moet u voor het
    vervangen van het luchtfilter gebruik
    maken van een merk dat door Saab Automobile AB aanbevolen wordt. U wordt
    geadviseerd contact op te nemen met
    een erkende Saab-werkplaats.

    Versnellingsbakolie
    Handbak

    Ververs de motorolie zoals aangegeven in
    het Onderhoudsprogramma.
    Automaatbak

    Ververs de motorolie zoals aangegeven in
    het Onderhoudsprogramma.

  • Page 216

    216

    Onderhoud van de auto

    Koelvloeistof
    WAARSCHUWING
    • Als het koelsysteem van de motor
    kookt, moet u de motorkap voorzichtig
    openen. Draai de dop van het expansiereservoir nooit helemaal los, wanneer de koelvloeistof nog heet is.
    • Er heerst een bepaalde overdruk in
    het koelsysteem, zodat er hete koelvloeistof en stoom vrij kan komen.
    Daarbij kunt u oogletsel en brandwonden oplopen.
    • Wees voorzichtig tijdens het bijvullen
    van ethyleenglycol. Ethyleenglycol op
    hete oppervlakken kan aanleiding
    geven tot brand.
    Er heerst overdruk in het koelsysteem. De
    temperatuur van de koelvloeistof kan
    daarom zo nu en dan oplopen tot meer dan
    100 °C.
    Als het koelvloeistofpeil te laat wordt, verschijnt de volgende melding op het SID:
    Coolant level low.
    Refill. (Peil koelvloeistof laag.
    Bijvullen vereist.)

    De koelvloeistof gaat even lang mee als de
    auto zelf. U hoeft de koelvloeistof dan ook
    nooit te verversen.

    De koelvloeistof bestaat voor 45 % uit antivries en een corrosiewerend middel en voor
    de rest uit water. Een dergelijke mengverhouding geeft het beste koeleffect. Om corrosie te voorkomen moet u bij voorkeur
    geen lagere concentratie gebruiken.
    Het gebruik van koelvloeistoffen van een
    ander merk kan schade aan de motor en het
    koelsysteem veroorzaken. U wordt daarom
    geadviseerd een koelvloeistof te gebruiken
    die door Saab is goedgekeurd.
    Als u een leeg expansiereservoir bijvult,
    moet u de motor daarna eerst een poosje
    laten warmdraaien zodat de thermostaat
    opent. Vul het reservoir vervolgens opnieuw
    bij.

    N.B.
    Als u antivries moet bijvullen, moet u
    eerst koelvloeistof aanmaken door gelijke
    delen antivries en drinkwater of gedestilleerd water te mengen.
    Als u zuivere (onaangelengde) antivries
    bijvult, is de kans nog steeds aanwezig
    dat de motor bevriest. Dit omdat de antivries zich niet snel genoeg met de aanwezige koelvloeistof kan mengen. De circulatie is namelijk pas maximaal, als de
    thermostaat is opengegaan.

    Expansiereservoir koelsysteem,
    4-cilindermotor

  • Page 217

    Onderhoud van de auto

    Expansiereservoir koelsysteem, V6-motor

    Modellen met een 4-cilindermotor: Het
    expansiereservoir is gemaakt van doorschijnend materiaal, zodat u het peil
    eenvoudig kunt controleren.

    Bij een koude motor moet de koelvloeistof
    op of net boven het merkteken KALT/COLD
    (de deelnaad tussen het onderste en
    bovenste gedeelte van het reservoir (zie
    afbeelding)) staan.
    Vul zo nodig koelvloeistof bij die uit gelijke
    delen water en een door Saab goedgekeurde geconcentreerde koelvloeistof
    bestaat. U wordt geadviseerd contact op te
    nemen met een erkende Saab-werkplaats.

    Peilaanduidingen, V6-motor
    1 HOT
    2 COLD

    Modellen met V6-motor: Het expansiereservoir is niet doorzichtig. De dop moet eraf
    worden gedraaid om het vloeistofniveau te
    kunnen controleren.
    Als de motor koud is, moet het niveau op of
    net boven het merkteken COLD staan.

    217

  • Page 218

    218

    Onderhoud van de auto
    De voetrem en de handrem zijn zelfstellen.

    Rem-/
    koppelingsvloeistof en
    remblokken

    U zult dan ook niet aan de hand van een
    abnormaal grote beweging van het rempedaal of de handremhendel kunnen ontdekken dat de remblokken versleten zijn en
    moeten worden vervangen. Het is om die
    reden van groot belang dat u de dikte van de
    remblokken regelmatig laat controleren
    zoals aangegeven in het Onderhoudsprogramma.

    Peil controleren
    Ververs de remvloeistof volgens de aanwijzingen in het Onderhoudsprogramma (zie
    het Garantie- en Onderhoudsinspectieboekje dat bij de auto hoort).
    Het reservoir voor de rem- en koppelingsvloeistof is gemaakt van doorschijnend
    materiaal, zodat u het peil eenvoudig kunt
    controleren.
    De vloeistof moet tussen de MAX- en MINstreepjes staan.
    Als het vloeistofpeil te laag is, verschijnt de
    volgende melding op het SID:
    Brake fluid level low.
    Make a safe stop. (Peil remvloeistof laag. Breng auto
    veilig tot stilstand.)

    Vul zo nodig remvloeistof bij van het type
    DOT 4. Gebruik geen DOT 5.
    De remvloeistof waarmee u het reservoir
    bijvult, moet in een goed afgesloten fles of
    bus zijn bewaard.
    Naarmate de remblokken afslijten, zal het
    remvloeistofpeil dalen. Het MAX-niveau
    van het reservoir komt overeen met de hoeveelheid remvloeistof die nodig is bij mon-

    N.B.
    Vloeistofreservoir remsysteem

    tage van nieuwe remblokken. Bij een
    geringe daling van het vloeistofpeil als
    gevolg van slijtage van de remblokken is het
    niet nodig om remvloeistof bij te vullen.
    Laat de remvloeistof bij een werkplaats
    verversen. U wordt geadviseerd contact
    op te nemen met een erkende Saabwerkplaats.

    Zorg dat u geen remvloeistof op de lak
    morst. Remvloeistof kan de lak aantasten.
    Laat de remblokken vervangen door een
    werkplaats. U wordt geadviseerd contact op te nemen met een erkende Saabwerkplaats.

  • Page 219

    Onderhoud van de auto

    219

    Stuurbekrachtiging
    Het peil in het reservoir voor de stuurbekrachtigingsvloeistof moet worden gecontroleerd zoals aangegeven in het Onderhoudsprogramma.
    Zorg dat de wielen bij de controle van het
    peil in de rechtuitstand staan.
    Veeg het gebied rond de dop goed schoon,
    voordat u de dop losdraait. Veeg ook de
    peilstok af. Draai de dop vervolgens stevig
    op het reservoir vast om het peil te controleren.
    Bij een vloeistoftemperatuur van ca. +20 °C
    moet de vloeistof tussen de MAX- en MINstreepjes staan. Als de vloeistof kouder of
    warmer is dan dat, kan de vloeistof iets lager
    of juist hoger staan.
    Gebruik voor het bijvullen “Stuurbekrachtigingsvloeistof CHF 11S” of “CHF 202”.

    Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging,
    injectiemotor en dieselmotor

    Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging,
    V6-motor

    Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging,
    turbobenzinemotor

  • Page 220

    220

    Onderhoud van de auto
    Controleer van tijd tot tijd het vloeistofpeil in
    de accu en de ladingstoestand.

    Accu
    WAARSCHUWING
    • Bij werkzaamheden aan de accu van
    de auto kan een explosief gas worden
    gevormd. Als er een vonk ontstaat,
    kan dit knalgas dat rond de accu wordt
    gevormd exploderen.
    Vermijd daarom altijd vonken en open
    vuur bij werkzaamheden in de onmiddellijke omgeving van de accu.
    • De accu bevat bijtend zwavelzuur.
    Gebruik daarom altijd een gezichtsmasker of een veiligheidsbril bij werkzaamheden aan de accu.
    • Als het zuur in contact komt met uw
    ogen, huid of kleding, moet u het
    getroffen gebied onmiddellijk afspoelen met een ruime hoeveelheid water.
    Wanneer u zuurspatten in de ogen
    hebt gekregen of als een grotere hoeveelheid op de huid terechtgekomen
    is, moet u een arts raadplegen.

    N.B.
    Omdat een ontladen accu kan stukvriezen, moet u een accu in een vorstvrije
    ruimte opslaan.
    Bij vele korte ritten achtereen moet de accu
    mogelijk nog eens extra worden bijgeladen.
    U doet dat met een acculader. U kunt ook
    een langere rit van enkele tientallen kilometers over de snelweg maken.
    Als de accu niet wordt opgeladen tijdens het
    rijden, verschijnt de volgende melding op
    het SID:
    Battery not charging.
    Make a safe stop. (Accu wordt
    niet bijgeladen. Breng auto
    veilig tot stilstand.)
    Aandrijfriem controleren (zie blz. 222).
    Als de aandrijfriem beschadigd is, kan de
    motor oververhit raken, wordt de accu niet
    bijgeladen, werkt de A/C-compressor niet
    en de stuurbekrachtigingspomp (modellen
    met een dieselmotor) evenmin.

    Sluit altijd de (rode) pluskabel aan op de
    pluspool van de accu en de (zwarte) minkabel op de minpool van de accu. Bij gebruik
    van een snellader moet u beide kabels van
    de accu losnemen.

    Controle van het vloeistofpeil in de accu.
    Bij een donker- of groengekleurde indicator is het vloeistofpeil in orde.
    Als de indicator licht van kleur is, moet u
    de accu vervangen.

  • Page 221

    Onderhoud van de auto
    N.B.
    • Zorg dat u de poolklemmen (+ en –)
    van de accu niet verwisselt.

    • De elektrische systemen van de auto
    kunnen schade oplopen, als u een van
    de accupolen of een van de kabels
    van de dynamo losmaakt terwijl de
    motor nog loopt.
    • Modellen met een benzinemotor:
    Wees extra voorzichtig bij het demonteren en monteren van de poolklem
    van de pluspool om schade aan de
    hoofdschakelaar 3 te voorkomen.
    Een model met standaarduitrusting en een
    opgeladen accu kunt u maximaal 40 dagen
    laten staan zonder dat de startspanning
    daarbij terugloopt. Bij montage van eventuele extra uitrusting zoals een alarmsysteem of een mobiele telefoon kan deze tijd
    teruglopen tot ca. 15 dagen.

    De twee bevestigingen een kwartslag verdraaien om het accudeksel te ontgrendelen.

    Accusteun

    221

  • Page 222

    222

    Onderhoud van de auto

    Hoofdschakelaar 3

    Aandrijfriem

    WAARSCHUWING
    Wanneer de hoofdschakelaar de spanning heeft verbroken, mag u de hoofdschakelaar pas na een visuele inspectie
    van de elektrische installatie terugstellen.
    Bij zichtbare schade aan het systeem
    moet u de auto eerst in een werkplaats
    laten nakijken. U wordt geadviseerd contact op te nemen met een erkende Saabwerkplaats.
    Bij een aanrijding kan er kortsluiting in de
    dynamo en/of de startmotor ontstaan. Bij de
    pluspool van de accu zit een hoofdschakelaar, die de spanning voor de dynamo en de
    startmotor verbreekt op het moment dat de
    airbags en de gordelspanners worden
    opgeblazen.

    N.B.
    Modellen met een benzinemotor: Wees
    extra voorzichtig bij het demonteren en
    monteren van de poolklem van de
    pluspool om schade aan de hoofdschakelaar te voorkomen.

    WAARSCHUWING
    • Pas op uw handen en zorg dat loshangende kledingstukken niet door de
    aandrijfriem kunnen worden gegrepen, wanneer de motor loopt.
    • Zet altijd de motor af, voordat u de
    aandrijfriem controleert.
    Hoofdschakelaar met terugstelknop

    • De koelventilator werkt op stroom en
    kan ook nadat u de motor hebt afgezet
    aanslaan.

    N.B.
    De elektrische systemen van de auto
    kunnen schade oplopen, als u een van de
    kabels van de dynamo losmaakt terwijl de
    motor nog loopt.
    De wisselstroomdynamo zit aan de rechterzijde van de motor. De dynamo wordt via
    een multi-V-riem vanaf de krukaspoelie
    door de motor aangedreven.

  • Page 223

    Onderhoud van de auto
    Een slippende of gebroken multi-V-riem kan
    ertoe leiden dat:

    Wissers en sproeiers

    • de motor onvoldoende wordt gekoeld
    (modellen met een dieselmotor);

    Wisserbladen

    • de accu niet wordt bijgeladen;
    • de A/C-compressor niet werkt;
    • de besturing niet meer wordt bekrachtigd
    (modellen met een dieselmotor).
    Het is van groot belang dat de aandrijfriem
    de juiste spanning heeft. De automatische
    riemspanner zorgt dat dit altijd het geval is.

    223

    Controleer alle wisserbladen regelmatig en
    maak ze zo nodig goed schoon. U wordt
    geadviseerd de wisserbladen schoon te
    maken met sproeiervloeistof.
    Als de ruitenwissers niet goed wissen, moet
    u de voorruit schoonmaken met sproeiervloeistof. Dit geldt in het bijzonder voor als
    u de auto in een wasstraat hebt gewassen.
    Bij een eventuele behandeling met was kan
    er namelijk ook was op de voorruit terecht
    zijn gekomen.
    Als de wissers nadat u de voorruit hebt
    gereinigd nog steeds niet goed wissen,
    moet u de wisserbladen vervangen.

    Voorruit
    1 Duw de twee pallen in.
    2 Houd de wisserarm beet terwijl u het
    wisserblad naar buiten toe en schuin
    omhooghaalt.
    Monteren

    1 Pas de geleidenok van de wisserarm in
    de bijbehorende uitsparing van het
    wisserblad.
    2 Duw het blad tegen de wisserarm aan
    totdat de twee pallen in het wisserblad
    grijpen. Controleer of het blad goed
    vastzit.

  • Page 224

    224

    Onderhoud van de auto
    Sproeiers
    Het sproeiervloeistofreservoir heeft een
    inhoud van 5,8 liter.
    Wanneer er minder dan 1 liter sproeiervloeistof in het reservoir zit, worden de koplampsproeiers niet langer geactiveerd om
    de resterende vloeistof alleen voor het
    sproeien van de voorruit te gebruiken.
    Tegelijkertijd verschijnt de volgende melding op het SID:
    Washer fluid level low.
    Refill. (Peil sproeiervloeistof
    laag. Bijvullen vereist.)

    Achterruit, Sport Estate
    1 Haal het blad van de arm los door vanaf
    de onderkant op de bevestiging van het
    blad te drukken.
    2 Monteer een nieuw blad door de as van
    het blad in de bevestiging van de arm te
    drukken.
    De sproeikop, die bij het hoog geplaatste
    remlicht zit, is niet afstelbaar.

    Koplampsproeiers zijn alleen verkrijgbaar
    op bepaalde markten/varianten.
    Vul het reservoir bij met sproeiervloeistof
    vermengd met water zoals aangegeven in
    de tabel op de verpakking om bevriezing te
    voorkomen en een optimaal reinigingseffect
    te verkrijgen (zie ook blz. 108).

    WAARSCHUWING
    Wees voorzichtig met sproeiervloeistof
    op hete oppervlakken. De vloeistof kan
    brandgevaarlijke stoffen zoals alcohol
    bevatten.

    Sproeiervloeistofreservoir

  • Page 225

    Onderhoud van de auto

    Gloeilampen vervangen
    WAARSCHUWING
    Voordat u een gloeilamp in de koplampen
    vervangt, moet u de motor afzetten. Dit
    om te voorkomen dat u zich verwondt aan
    draaiende onderdelen in de motorruimte.
    De koelventilator van de motor kan ook
    als u de motor hebt afgezet gaan draaien.

    225

    Lampcontrole
    De gloeilampen buiten worden door de
    lampcontrole bewaakt. Als een van deze
    lampen kapot gaat (voor de kentekenplaatverlichting moeten beide lampen kapot
    zijn), verschijnt er een melding op het SID
    (Saab Information Display).
    Zo kan de volgende aanduiding verschijnen
    op het SID:
    Left dipped beam failure.
    (Dimlicht links defect.)

    Sproeikoppen

    N.B.

    Sport Estate

    De verstelbare sproeikoppen kunt u zo
    nodig met een naald schoonmaken.

    Om kortsluiting te voorkomen moet u de
    motor afzetten, voordat u een gloeilamp
    vervangt.

    De achterlichten en remlichten bestaan uit
    leds. Als ongeveer driekwart van de leds
    aan één kant kapotgegaan zijn, verschijnt er
    een melding op SID.
    Als er een remlicht kapotgaat

    Sport Sedan: Als een van de gloeilampen in
    de remlichten kapotgaat, zal, om veiligheidsredenen, de gloeilamp in het achterlicht naast de kapotte gloeilamp dienstdoen
    als remlicht. Vervang de kapotte gloeilamp
    bij een passende gelegenheid.

  • Page 226

    226

    Onderhoud van de auto

    Als de verkeerde gloeilamp gemonteerd
    is

    Als u een van de gloeilampen voor het groot
    licht of het dimlicht door exemplaar met een
    te hoge wattage vervangt, zal er een melding op het SID verschijnen dat de gloeilamp kapot is (bij een te hoge wattage kan
    de reflector schade oplopen).
    Als de volgende aanduiding verschijnt
    ondanks dat de lamp waarnaar de aanduiding verwijst brandt, hebt u waarschijnlijk
    een verkeerde gloeilamp gemonteerd.
    Right main beam failure.
    (Groot licht rechts defect.)
    Opmerking!
    Breng bij het vervangen van kapotte
    gloeilampen altijd een lamp van hetzelfde type aan (bijvoorbeeld Long-Life).

    Xenonlamp, groot licht en
    dimlicht 3
    WAARSCHUWING
    De xenonlampen werken op een uiterst
    hoge spanning. Laat alle werkzaamheden. inclusief het vervangen van de gloeilampen, over aan werkplaatspersoneel.
    Xenonlampen geven ongeveer tweemaal
    zoveel licht als halogeenlampen. Ze gaan
    bovendien aanzienlijk langer mee dan halogeenlampen.
    De lampeenheid bestaat uit een gasontladingslamp die xenongas bevat. Wanneer u
    de lampen inschakelt, wordt het xenongas
    in de lamp door een zeer hoge spanning
    ontstoken. De lamp bereikt na korte tijd de
    maximale lichtsterkte.
    Modellen met xenonlampen zijn uitgerust
    met automatische koplamphoogteregeling.
    De verstelling bestaat uit twee sensoren één voor en één achter op de auto - en een
    stuur-unit bij de relais- en zekeringhouder in
    de motorruimte. De koplamphoogte wordt
    continu afgestemd op de belading van de
    auto om tegenliggers niet te verblinden.
    Als er iets mis is met het ESP verschijnt de
    volgende melding op het SID:
    Headlight levelling
    malfunction. (Storing koplamphoogteregeling.)

    U wordt geadviseerd contact op te nemen
    met een erkende Saab-werkplaats voor
    het vervangen van een xenonlamp

  • Page 227

    Onderhoud van de auto

    Dimlicht, halogeen
    Linkerzijde

    1 Til de slang opzij die langs de lange kant van het accudeksel
    loopt.

    227

    3 Vervang de gloeilamp zonder daarbij het lampglas van de
    nieuwe lamp aan te raken. Steek de lamphouder in de reflector
    en draai de houder rechtsom in de geblokkeerde stand vast.
    4 Breng de dop weer op de achterzijde van het koplamphuis aan.
    Linkerzijde

    2 Draai de twee bevestigingen aan de voorkant van het deksel los
    (kwartslag linksom) en verwijder het deksel.

    5 Plaats de luchtbuis aan de voorkant van de accubak terug.

    3 Haal de vulbuis voor de sproeiervloeistof omhoog.

    7 Plaats het accudeksel en de slang terug.

    4 Verwijder de luchtbuis aan de voorkant van de accubak.
    5 Til de relais- en zekeringhouder voor de accu op (bepaalde
    varianten) (zie blz. 246).
    Beide zijden

    1 Verwijder de dop aan de achterzijde van het koplamphuis.
    2 Draai de lamphouder iets linksom en trek de houder uit de
    reflector.

    6 Plaats de vulbuis voor de sproeiervloeistof terug.

    N.B.
    Gebruik geen gloeilampen met een nominaal vermogen hoger
    dan 55 W. De koplampreflector en de bedrading van de auto zijn
    namelijk niet afgestemd op het gebruik van lampen met een hoger
    vermogen.

  • Page 228

    228

    Onderhoud van de auto

    Linkerzijde

    Groot licht, halogeen
    Linkerzijde
    1 Til de slang opzij die langs de lange kant van het accudeksel
    loopt.
    2 Draai de twee bevestigingen aan de voorkant van het deksel los
    (kwartslag linksom) en verwijder het deksel.
    3 Haal de vulbuis voor de sproeiervloeistof omhoog.
    4 Verwijder de luchtbuis aan de voorkant van de accubak.
    5 Til de relais- en zekeringhouder voor de accu op (bepaalde
    varianten) (zie blz. 246).
    Beide zijden
    1 Verwijder de dop aan de achterzijde van het koplamphuis.
    2 Draai de lamphouder iets linksom en trek de houder uit de
    reflector.
    3 Vervang de gloeilamp zonder daarbij het lampglas van de
    nieuwe lamp aan te raken. Steek de lamphouder in de reflector
    en draai de houder rechtsom in de geblokkeerde stand vast.

    4 Breng de dop weer op de achterzijde van het koplamphuis aan.

    5 Plaats de luchtbuis aan de voorkant van de accubak terug.
    6 Plaats de vulbuis voor de sproeiervloeistof terug.
    7 Plaats het accudeksel en de slang terug.

    N.B.
    Gebruik geen gloeilampen met een nominaal vermogen hoger
    dan 65 W. De koplampreflector en de bedrading van de auto zijn
    namelijk niet afgestemd op het gebruik van lampen met een hoger
    vermogen.

  • Page 229

    Onderhoud van de auto
    Stadslichten

    229

    Beide zijden

    1 De lamphouder is voorzien van een
    bajonetfitting. Draai de lamphouder iets
    linksom en trek deze naar buiten toe.

    De stadslichten bestaan uit lichtdioden
    (leds). Neem voor vervanging contact op
    met een werkplaats.

    2 Ook de lamp heeft een bajonetfitting.
    Druk de lamp iets aan en draai deze
    linksom los.
    3 Vervang de gloeilamp.
    4 U kunt de nieuwe gloeilamp gemakkelijker aanbrengen, als u vanaf een punt
    vóór de auto recht in de gloeilamp kijkt.
    Controleer of de nieuwe lamp stevig
    vastzit.

    Lamp voorste richtingaanwijzers
    Linkerzijde

    1 Til de slang opzij die langs de lange kant
    van het accudeksel loopt.
    2 Draai de twee bevestigingen aan de
    voorkant van het accudeksel los en
    verwijder het deksel.
    3 Haal de vulbuis voor de sproeiervloeistof omhoog.
    4 Verwijder de luchtbuis aan de voorkant
    van de accubak.

    Linkerzijde

    5 Plaats de luchtbuis aan de voorkant van
    de accubak terug.
    6 Plaats de vulbuis voor de sproeiervloeistof terug.
    7 Plaats het accudeksel en de slang terug.

  • Page 230

    230

    Onderhoud van de auto
    1 Draai een bout uit de wielkuip los. Klap
    de luchtafbuigplaat omlaag.
    2 Verwijder het beschermkapje. Haak de
    twee borgveren los, waarmee de gloeilamp vastzit.
    3 Maak de connector los.
    4 Vervang de gloeilamp. Kom niet met uw
    vingers aan het lampglas.
    U kunt de lichtbundel hoger of lager afstellen door een schroevendraaier in het gat in
    de onderste grille bij het lampglas te steken.

    Zijrichtingaanwijzer
    1 Duw het lampglas naar voren, zodat u
    het achterste gedeelte kunt lostrekken.
    2 Draai de lamphouder iets linksom en
    trek de lamphouder uit het lamphuis.
    Vervang de gloeilamp.
    3 Bij het monteren moet u de twee haken
    aan de achterkant van het lamphuis
    eerst in het gat aanbrengen. Duw
    vervolgens de voorkant van het lamphuis zo ver aan dat uitsparing in de veer
    rond de metalen rand grijpt.

    Voorste mistlichten 3
    WAARSCHUWING
    • Kruip nooit onder de auto, wanneer
    deze slechts op een krik steunt. Maak
    altijd gebruik van steunbokken.
    • Zie de informatie over het gebruik van
    een krik op blz. 256 en 257.

  • Page 231

    Onderhoud van de auto

    Sport Sedan
    1
    2
    3
    4
    5

    Richtingaanwijzers
    Achterlichten/remlichten
    Achteruitrijlichten
    Mistachterlicht (linkerzijde)
    Hoog geplaatst remlicht

    Sport Sedan: Als een van de gloeilampen in
    de remlichten kapotgaat, zal, om veiligheidsredenen, de gloeilamp in het achterlicht naast de kapotte gloeilamp dienstdoen
    als remlicht. Vervang de kapotte gloeilamp
    bij een passende gelegenheid.

    Cabriolet
    1
    2
    3
    4
    5

    Richtingaanwijzers
    Achterlichten/remlichten
    Achteruitrijlichten
    Mistachterlicht (linkerzijde)
    Hoog geplaatst remlicht

    Sport Estate
    1
    2
    3
    4
    5

    Richtingaanwijzers
    Achterlichten/remlichten
    Achteruitrijlichten
    Mistachterlicht (linkerzijde)
    Hoog geplaatst remlicht

    231

  • Page 232

    232

    Onderhoud van de auto

    Remlichten, achterlichten en
    richtingaanwijzers, Sport Sedan
    1 Open het klepje in de bekleding achter
    het lamphuis.
    Rechterzijde: Haal de kunststof klinknagel los door de centrale pen 3 mm in te
    drukken (niet meer). Pak de kraag van
    de klinknagel vervolgens beet en trek de
    klinknagel naar buiten (zie ook blz. 233).
    2 Duw de kunststof tong op het lamphuis
    waarmee de lamphouder vastzit
    omhoog.
    3 Haal de lamphouder voorzichtig in zijn
    geheel uit het lamphuis. Vervang de
    lamp.
    4 Plaats de lamphouder terug. Duw de
    lamphouder in de buurt van de kunststof
    tong aan, zodat de lamphouder vastklikt.

    Remlichten, achterlichten en
    richtingaanwijzers, Cabriolet
    1 Verwijder het dekplaatje.
    2 Haal de lamphouder met de kapotte
    lamp naar buiten toe. De lamphouder zit
    met een bajonetsluiting vast.
    3 Vervang de gloeilamp.
    4 Plaats de lamphouder en het dekplaatje
    terug.

  • Page 233

    Onderhoud van de auto

    Richtingaanwijzers,
    achteruitrijlicht en
    mistachterlicht, Sport Estate
    1 Verwijder het dekplaatje.
    2 Haal de lamphouder met de kapotte
    lamp naar buiten toe. De lamphouder zit
    met een bajonetsluiting vast.
    3 Vervang de gloeilamp.
    4 Plaats de lamphouder en het dekplaatje
    terug.

    Achteruitrijlichten en
    mistachterlicht, Sport Sedan
    Bekleding op bagageklep verwijderen

    1 Draai de twee schroeven los, waarmee
    de binnenste sluithandgreep op de
    bagageklep vastzit.
    2 Haal de kunststof klinknagels los, door
    de centrale pennen 3 mm in te duwen
    (niet meer). Trek de klinknagels vervolgens aan de kraag naar buiten.
    Om de kunststof klinknagels te verwijderen
    kunt u gebruik maken van de uitstulping die
    op het heft van de schroevendraaier uit de
    gereedschapsset zit.
    Gloeilampen vervangen

    1 Duw de kunststof tong op de lamphouder omlaag.

    233

    2 Haal de lamphouder voorzichtig in zijn
    geheel uit het lamphuis. Vervang de
    lamp.
    3 Plaats de lamphouder terug. Duw de
    kunststof tong zo ver omlaag, dat de
    lamphouder vastklikt.
    Bekleding bagageklep terugplaatsen

    1 Trek de centrale pen van de kunststof
    klinknagels uit.
    2 Pas de bekleding in ten opzichte van de
    bagageklep.
    3 Breng de kunststof klinknagels aan. Zet
    de klinknagels vast door de centrale pen
    zo ver in te duwen, dat deze even hoog
    als de kraag van de klinknagels ligt.

  • Page 234

    234

    Onderhoud van de auto

    Achteruitrijlichten en
    mistachterlicht, Cabriolet
    Bekleding op bagageklep verwijderen

    1 Haal de kunststof klinknagels los, door
    de centrale pennen 3 mm in te duwen
    (niet meer). Trek de klinknagels vervolgens aan de kraag naar buiten.
    Om de kunststof klinknagels te verwijderen
    kunt u gebruik maken van de uitstulping die
    op het heft van de schroevendraaier uit de
    gereedschapsset zit.
    Gloeilampen vervangen

    1 Haal de lamphouder met de kapotte
    lamp naar buiten toe. De lamphouder zit
    met een bajonetsluiting vast.
    2 Vervang de gloeilamp.
    3 Plaats de lamphouder terug.
    Bekleding bagageklep terugplaatsen

    1 Trek de centrale pen van de kunststof
    klinknagels uit.
    2 Pas de bekleding in ten opzichte van de
    bagageklep.
    3 Breng de kunststof klinknagels aan. Zet
    de klinknagels vast door de centrale pen
    zo ver in te duwen, dat deze even hoog
    als de kraag van de klinknagels ligt.

  • Page 235

    Onderhoud van de auto

    Plafondverlichting, voor, Sport
    Sedan en Sport Estate
    1 Trek het lampglas aan de achterkant
    omlaag.
    2 Vervang de gloeilamp.
    3 Pas de geleidenokken aan de voorkant
    in en duw het lampglas omhoog.

    Plafondverlichting, Cabriolet

    235

    Deksel openen om het middelste gloeilampje te vervangen.

    1 Trek de complete armatuur aan de
    achterkant omlaag.
    2 Open het deksel dat de gloeilampjes
    afdekt, als u het middelste lampje wilt
    vervangen. Trek het gloeilampje uit de
    lamphouder.
    Keer de complete armatuur om, als u
    een van de buitenste lampjes wilt
    vervangen. De buitenste lampjes die
    vanaf de achterkant moeten worden
    vervangen zijn voorzien van een bajonetfitting.
    3 Pas de voorkant van de armatuur in en
    duw deze tegen de voorruitbalk
    omhoog.

    De afbeelding geeft de achterkant van de
    armatuur weer. De pijlen geven de positie
    van de buitenste gloeilampen aan.

  • Page 236

    236

    Onderhoud van de auto

    Plafondverlichting, achter, Sport
    Sedan en Sport Estate
    1 Neem de complete plafondconsole los
    door deze eerst aan de achterkant
    omlaag te trekken en daarna aan weerszijden van de voorkant.
    2 Vervang de gloeilamp.

    Kentekenplaatverlichting

    Verlichting, dashboardkastje 3

    1 Draai de twee schroeven los en verwijder de lens.

    1 Haal het lamphuis los met een korte
    schroevendraaier.

    2 Vervang de gloeilamp.

    2 Vervang de gloeilamp.

    3 Zorg dat de afdichting op de lens in de
    juiste positie ligt.

    3 Bij het terugplaatsen van het lamphuis
    moet u eerst de connector inbrengen.

    4 Schroef de lens vast met de twee
    schroeven.

  • Page 237

    Onderhoud van de auto

    Bagageruimteverlichting,
    Cabriolet
    1 Haal het lamphuis aan de achterkant
    los.
    2 Vervang de gloeilamp.
    3 Bij het terugplaatsen van het lamphuis
    moet u eerst de connector inbrengen.

    Bagageruimteverlichting,
    Sport Estate
    1 Trek het lamphuis iets naar voren en
    licht het aan de achterkant op. Gebruik
    daarvoor een dun en breed stuk gereedschap.
    2 Vervang de gloeilamp. De gloeilamp is
    in de houder gestoken.
    3 Breng eerst de voorkant van het lamphuis in en duw vervolgens de achterkant
    naar binnen.

    237

    Instapverlichting/
    vloerverlichting 3
    1 Haal het lamphuis aan een kant los met
    een schroevendraaier.
    2 Vervang de gloeilamp.
    3 Bij het terugplaatsen van het lamphuis
    moet u eerst de connector inbrengen.

  • Page 238

    238

    Onderhoud van de auto
    Overige lampen
    Voor het vervangen van de overige lampen
    dient u contact op te nemen met een werkplaats. U wordt geadviseerd contact op te
    nemen met een erkende Saab-werkplaats.

    Bagageruimteverlichting, Sport
    Sedan
    U vindt het lamphuis voor de bagageruimteverlichting onder de hoedenplank.
    1 Haal het lamphuis los door het aan een
    van de korte zijden omlaag te trekken.
    2 Voordat u de gloeilamp kunt vervangen,
    moet u de lens verwijderen. Werk de
    borgtong van de afscherming los met
    een kleine schroevendraaier.
    3 Vervang de gloeilamp.
    4 Plaats de lens terug door eerst de borgtong in de bevestiging tussen de
    contactplaatjes aan te brengen. Houd
    de afscherming in positie terwijl u de
    andere kant ervan aandrukt.
    5 Bij het terugplaatsen van het lamphuis
    moet u eerst de connector inbrengen.

  • Page 239

    Onderhoud van de auto

    239

    Gloeilampentabel
    Nr. Aanduiding Watt

    1 H7

    55 Groot licht (modellen met
    xenonverlichting)
    Dimlicht (modellen met
    halogeenverlichting)

    2 H8

    35 Voorstet mistlichten 3

    3 H9

    65 Groot licht (modellen met halogeenverlichting)

    4 P21W

    21 Achteruitrijlichten

    5 PR21W, rood

    21 Mistachterlicht; remlichten; achterlichten

    6 PY21W,
    oranje

    21 Voorste en achterste richtingaanwijzers

    7 R10W

    10 Plafondverlichting, achterin;
    instapverlichting 3; verlichting dashboardkastje; bagageruimteverlichting,
    Cabriolet

    8 R5W

    5 Kentekenplaatverlichting;
    bagageruimteverlichting, Sport Sedan

    9 T4W

    4 Leeslampje, achterin

    10 WY5W/
    W5W

    Zijrichtingaanwijzers (oranje); plafond5 verlichting, voorin; bagageruimteverlichting, Sport Estate (xenon)

    N.B.
    Gebruik alleen lampen met het aangegeven wattage (zie tabel)
    om schade aan de bedrading of de elektronica in de auto te
    voorkomen.

  • Page 240

    240

    Onderhoud van de auto

    Zekeringen
    WAARSCHUWING
    Om kortsluiting/brand in de elektrische
    installatie van de auto te voorkomen moet
    u op het volgende letten.
    • U wordt geadviseerd contact op te
    nemen met een erkende Saab-werkplaats, voordat u wijzigingen aanbrengt in de elektrische uitrusting of
    nieuwe uitrusting aansluit. Een verkeerde aansluiting kan aanleiding
    geven tot schade aan de elektrische
    installatie.
    • Gebruik geen zekeringen met een
    hogere “nominale waarde” dan aangegeven is (zie blz. 242). De kleur van
    de zekering geeft aan om welke
    “nominale waarde” het gaat.
    • Als dezelfde zekering vaak doorbrandt, moet u de elektrische installatie van de auto in een werkplaats laten
    nakijken. U wordt geadviseerd contact
    op te nemen met een erkende Saabwerkplaats.
    • Als een MAXI-zekering doorbrandt, is
    er sprake van een ernstige storing in
    de elektrische installatie van de auto.
    Laat de auto in dat geval in een werkplaats nakijken. U wordt geadviseerd
    contact op te nemen met een erkende
    Saab-werkplaats.

    De zekeringen zijn ondergebracht in drie
    relais- en zekeringhouders: één links achter
    een luikje aan de korte kant van het dashboard, één in de motorruimte (op bepaalde
    varianten zit er nog een kleine vóór de accu)
    en één links in de bagageruimte. Aan de
    binnenkant van het luikje dat links aan de
    korte kant van het dashboard zit, kunt u
    enkele reservezekeringen bewaren.

    Intacte zekering/doorgebrande zekering

    Een zekering is kapot, als het metalen
    draadje in de zekering is doorgebrand. Om
    dit te kunnen zien, moet u de zekering eerst
    uit de houder trekken.

  • Page 241

    Onderhoud van de auto
    MAXI-zekeringen
    De grote zekeringen worden MAXI-zekeringen genoemd en moeten voorkomen dat er
    ernstige schade aan de elektrische systemen van de auto ontstaat. Elke MAXI-zekering beveiligt meerdere elektrische systemen en heeft daarom een hogere “nominale
    waarde” dan de gewone zekeringen. Reservezekeringen van dit type zijn niet bij de uitrusting van de auto inbegrepen.

    N.B.
    Relais- en zekeringhouder aan de korte
    kant van het dashboard

    U verwijdert de zekeringen eenvoudig met
    de speciale tang, die u aan de binnenkant
    van het luikje links in het dashboard vindt.
    Plaats de tang over de zekering heen, klem
    de zekering stevig vast en trek deze recht
    omhoog los.
    Het kan zijn dat er enkele zekeringen en
    relais zijn aangebracht die geen functie vervullen binnen de elektrische installatie van
    de auto.

    Als een MAXI-zekering doorbrandt, is er
    sprake van een ernstige storing in de
    elektrische installatie van de auto. Laat
    de auto in dat geval in een werkplaats
    nakijken. U wordt geadviseerd contact op
    te nemen met een erkende Saabwerkplaats.

    241

  • Page 242

    242

    Onderhoud van de auto

    Relais- en zekeringhouder aan korte kant
    dashboard
    Nr. Amp. Functie
    1
    15
    Stuurslot
    2
    5
    Stuurkolomeenheid; contactslot
    3
    10
    Handsfree 3; Bluetooth™ Phone 3
    4
    10
    Hoofdinstrument, automatisch verwarmingssysteem (ACC)
    5
    7,5 Stuur-unit in voorportieren; Park Brake Shift Lock
    (modellen met een automaatbak)
    6
    7,5 Remlichtcontact
    7
    20
    Relais- en zekeringhouder in dashboard; tankvulklep
    8
    30
    Stuur-unit in voorste passagiersportier
    9
    10
    Relais- en zekeringhouder in dashboard

    10

    30

    11
    12
    13
    14
    15
    16
    17
    18
    19
    20

    15
    15
    30
    20
    30

    7,5
    7,5

    7,5

    21

    7,5

    22
    23
    24
    25
    26

    30
    40
    7,5

    5

    Aanhangerkoppeling 3 ; elektrische aansluiting in
    opbergvak tussen voorstoelen
    Diagnoseaansluiting
    Binnenverlichting incl. verlichting dashboardkastje
    Accessoire(s)
    Versterker 2, sound system 3
    Stuur-unit in bestuurdersportier

    Tolheffingssysteem 3
    Ventilator, standverwarming 3

    Schakelaar, handbediende
    koplamphoogteregeling 3
    Handsfree 3 ; remlichtschakelaar; handbediende
    klimaatregeling; schakelaar, koppelingspedaal
    Aansteker 3
    Interieurventilator
    Stuur-unit, airbags

    Gyrosensor 3

  • Page 243

    Onderhoud van de auto

    243

    Relais- en zekeringhouder in bagageruimte

    Relais- en zekeringhouder in bagageruimte, Sport Sedan

    Nr. Amp. Functie
    1–5 MAXI –
    6 30 Stuur-unit in linker achterportier
    7 30 Stuur-unit in linker achterportier
    8 20 Aanhanger
    9


    10 30 Remlicht, linksachter; richtingaanwijzer, rechtsachter; achterlicht, rechts; achteruitrijlicht, rechts; hoog
    geplaatst remlicht; verlichting aanhanger
    11


    12


    13


    14 15 Achterruitwisser 3
    15 15 Elektrische stoelverwarming, links 3
    16 15 Elektrische stoelverwarming, rechts 3
    17
    7,5 Achteruitkijkspiegel/zijspiegels met automatische
    anti-verblindingsregeling 3 ; regensensor 3;
    zonnedak 3
    18 15 Zonnedak 3
    19


    20
    7,5 TMC-ontvanger 3
    21
    7,5 Akoestisch parkeerhulpsysteem (SPA) 3 ; stuurunit, achterportieren; binnenverlichting, Cabriolet
    22 30 Radio; navigatie 3
    23
    7,5 TPMS (automatische bandenspanningscontrole) 3
    24 10 Bewegingsmelder 3 , hellingssensor 3, sirene
    (diefstalalarm 3); binnenverlichting, Cabriolet

  • Page 244

    244

    Onderhoud van de auto

    25

    30

    26

    30

    27

    10

    28
    29

    15


    Elektrisch bediende bestuurdersstoel met
    geheugen 3
    Remlicht, rechtsachter; richtingaanwijzer, linksachter; achterlicht, links; mistachterlicht; achteruitrijlicht,
    links; kentekenplaatverlichting; bagageruimteverlichting; verlichting aanhanger
    Lendensteun elektrisch bediende
    bestuurdersstoel 3
    Telematica 3


    Relais- en zekeringhouder in bagageruimte, Cabriolet

  • Page 245

    Onderhoud van de auto

    Relais- en zekeringhouder in motorruimte
    Nr. Amp. Functie
    1 30 Motorstuursysteem, dieselmotor
    2 10 Motorstuursysteem, benzinemotor; stuur-unit, automaatbak
    3 20 Claxon
    4 10 Motorstuursysteem, benzine- en dieselmotor;
    hoofdschakelaar 3
    5 – –
    6 10 Keuzehendel, automaatbak; schakelaar koppelingspedaal
    7 10 Bochtverlichting, links 3
    8 5 Relais voor vacuümpomp (remsysteem) 3
    9 – –
    10 – –
    11 – –

    12
    13
    14
    15
    16

    10
    10

    30
    30

    17
    18
    19
    20
    21
    22
    23
    24
    25
    26

    30
    30
    20
    10

    30

    20
    20
    30

    27 MAXI
    –37

    245

    Sproeierpomp voor achterruit 3
    A/C-compressor, diesel

    Sproeierpomp 3, koplampen
    Stadslicht, rechtsvoor; richtingaanwijzer, rechtsvoor;
    zijrichtingaanwijzers, links en rechts; groot licht,
    rechts; dimlicht, links; mistlicht, linksvoor
    Elektromotor voorruitwisser, lage snelheid
    Elektromotor voorruitwisser, hoge snelheid
    Standverwarming 3; hulpverwarming 3
    Koplamphoogteregeling 3; bochtverlichting , rechts 3

    Sproeierpomp, voorruit

    Verstralers 3
    Versterker 1, sound system 2 en 3 3
    Richtingaanwijzer, linksvoor; stadslicht, linksvoor;
    mistlicht, rechtsvoor; dimlicht, rechts; groot licht, links

  • Page 246

    246

    Onderhoud van de auto

    Relais
    R 1 Sproeierpomp, voorruit
    R 2 A/C-compressor, diesel
    R 3 –
    R 4 Brandstoffilter, dieselmotor (voorverwarming)
    R 5 Verstralers
    R 6 Claxon
    R 7 Stuur-unit, motorstuursysteem, dieselmotor; inspuiting,
    dieselmotor
    R 8 Startmotor
    R 9 Voorruitwissers AAN/UIT
    R10 Sproeierpomp, achterruit 3
    R11 Contact +15
    R12 Voorruitwissers, hoge/lage snelheid
    R13 –
    R14 Sproeierpomp 3 , koplampen

    Relais- en zekeringhouder vóór de accu 3
    Nr. Amp. Functie
    1 60 Luchtpomp, secundaire luchttoevoer 3
    2 20 Brandstofpomp; voorverwarming, zuurstofsensoren
    3 10 A/C-compressor
    4 30 Hoofdrelais, motorstuursysteem
    Relais
    1 Luchtpomp, secundaire luchttoevoer 3
    2 A/C-compressor
    3 Voorverwarming, zuurstofsensor
    4 Hoofdrelais, motor (ECM/EVAP/injectiesysteem)

  • Page 247

    Onderhoud van de auto

    Automatische
    bandenspanningscontrole 3
    WAARSCHUWING
    De bandenspanningscontrole is bestemd
    om u te helpen. Als bestuurder bent u er
    altijd verantwoordelijk voor dat u met de
    juiste bandenspanning rijdt.
    Voor maximale veiligheid en comfort en
    minimale kosten moet u de bandenspanning regelmatig controleren, ook als de
    automatische bandenspanningscontrole
    geen alarm heeft geslagen.
    Het systeem bestaat uit sensoren op elk van
    de vier wielen en een ontvanger. De sensoren zitten binnen in de banden bij de ventielen.
    Zorg dat u bij het verwisselen van banden
    een nieuwe band met sensor monteert, als
    er automatische bandenspanningscontrole
    op de auto zit.

    247

    N.B.
    Wees uiterst voorzichtig tijdens het verwisselen van de banden om de sensoren
    die in de ventielen zijn aangebracht niet te
    beschadigen.
    • Demonteer de achterkant het eerst.
    • Begin bij het demonteren van de band
    in het gebied recht tegenover het ventiel.
    • Kom niet met de hulpstukken van de
    bandenwisselaar binnen een straal
    van ±10° rond het ventiel.

    Ventiel met sensor

    • Begin de montage op 20° voorbij het
    ventiel en eindig op 20° vóór het ventiel.

    De gegevens over de bandenspanning
    worden draadloos doorgegeven aan de
    ontvanger.

    • Pomp de band niet harder op dan tot
    een spanning van 7 bar (102 psi).

    Het systeem controleert de bandenspanning bij snelheden hoger dan 30 km/h.
    Het systeem is intelligent, wat betekent dat
    u de wielen onderling van plaats kunt verwisselen zonder dat u daarvoor instellingen
    moet verrichten. In het reservewiel zit geen
    sensor.
    Het batterijtje van de sensoren gaat ca.
    10 jaar of 160 000 km lang mee. Het batterijtje is niet te vervangen, zodat u altijd de
    sensor in zijn geheel moet vervangen.
    Het systeem waarschuwt niet als de bandenspanning te hoog is.

  • Page 248

    248

    Onderhoud van de auto
    Als de bandenspanning echter blijft dalen
    en een waarde bereikt die 0,8 bar (12 psi)
    onder de aanbevolen of laagst toelaatbare
    waarde ligt, verschijnt de volgende alarmmelding op het SID.
    Er verschijnt tevens een alarmmelding
    wanneer de bandenspanning met meer dan
    0,2 bar/minuut (3 psi/minuut) afneemt.
    Flat tyre front right.
    Make a safe stop. (Lekke band
    rechtsvoor. Stop z.s.m.)

    Ventiel zonder sensor

    Als de bandenspanning daalt
    Als de bandenspanning in één of meer
    banden 0,4 bar (6 psi) onder de aanbevolen
    waarde daalt, verschijnt een waarschuwing
    op het SID die aangeeft om welke band(en)
    het gaat.
    Tyre pressure low,
    rear left. Check tyres. (Bandenspanning laag, linksachter. Controleer banden.)

    Corrigeer de bandenspanning bij de eerste
    de beste gelegenheid.

    Matig uw snelheid (vermijd krachtige remmanoeuvres of te grote stuurbewegingen)
    en breng de auto zo snel mogelijk op een
    geschikte plaats tot stilstand. Vervang het
    defecte wiel. De foutmelding kan tot
    10 minuten na het herstarten van de motor
    blijven staan. Als de bandenspanning van
    het nieuwe wiel correct is, verdwijnt de melding echter.

    Controleer de bandenspanning van de
    overige wielen en neem passende actie,
    wanneer er een foutmelding verschijnt.
    Let erop dat de bandenspanning ook kan
    dalen zonder dat er sprake is van een lek.
    De spanning kan ca. 0,2 bar (3 psi) dalen
    gedurende een periode van drie maanden.
    Ook de buitentemperatuur is van invloed op
    de bandenspanning. Voor iedere 10 °C dat
    de temperatuur stijgt of daalt neemt de bandenspanning ca. 0,1 bar (1,5 psi) toe c.q. af.
    Meer informatie over de bandenspanning (zie blz. 250).

    Het kan tot 10 minuten duren voordat het
    TPMS de positie van de vier wielen/sensoren linksvoor, rechtsvoor, linksachter en
    rechtsachter heeft bepaald. Zolang dat nog
    niet het geval is, kan het systeem waarschuwen voor een te lage bandenspanning.

  • Page 249

    Onderhoud van de auto

    249

    Storingen
    Tyre pressure system
    failure. Contact service. (Storing bandenspanningscontrole. Bezoek een werkplaats.)

    De bovenstaande melding verschijnt op het
    SID, als:
    • er een wiel zonder druksensor gemonteerd werd (zoals een reservewiel);
    • één à drie druksensoren defect zijn of
    ontbreken;
    • er een storing in de ontvanger is opgetreden;
    • er een systeemstoring is opgetreden.
    De bovenstaande melding verschijnt niet,
    als geen van de wielen op de auto een druksensor bevat. Er wordt dan verondersteld
    dat u bijvoorbeeld winterbanden zonder
    sensoren hebt gemonteerd.

    Banden demonteren

    Banden monteren

    Demonteer de band met een bandenwisselaar. Het is belangrijk dat u daarbij de bedieningsinstructies van dit bandenwisselaar
    opvolgt.

    Monteer de band met een bandenwisselaar. Het is belangrijk dat u daarbij de bedieningsinstructies van dit bandenwisselaar
    opvolgt.

    • Plaats de hulpstukken van de bandenwisselaar niet binnen een straal van ±10°
    rond het ventiel.

    • Begin met monteren op ca. 20° ná het
    ventiel.

    • Begin bij het demonteren van de band in
    het gebied recht tegenover het ventiel.
    • Demonteer de achterkant het eerst.

    • Eindig met monteren op 20° vóór het
    ventiel.
    • Pomp de band niet harder op dan tot een
    spanning van 7 bar (102 psi).

  • Page 250

    250

    Onderhoud van de auto

    Wielen
    N.B.
    Let er bij gebruik van brede velgen en/of
    banden met een geringe bandhoogte op
    dat:
    • de banden en velgen schade kunnen
    oplopen door gaten in het wegdek
    e.d.;
    • de veren, schokdempers, wiellagers
    en carrosseriebevestigingen overmatig belast kunnen worden;
    • de banden in contact kunnen komen
    met onderdelen van het chassis en de
    carrosserie;
    • de functie in Electronic Stability Program (ESP ®) wordt geactiveerd.
    Zorg dat u de snelheidsindex en de index
    van het draagvermogen van de band niet
    overschrijdt (zie blz. 251).
    Geen velgen groter dan 18" monteren.
    Velgen met een bolling van 41 mm
    gebruiken.

    Alternatieve banden en velgen
    Het wordt geadviseerd te informeren naar
    de mogelijkheden, voordat u wielen/banden
    met andere maten monteert. U wordt geadviseerd daarover contact op te nemen met
    een erkende Saab-werkplaats (zie ook
    blz. 279).
    Velg/bandcombinaties (maten) die niet door
    de voertuigfabrikant worden aanbevolen,
    kunnen een negatieve invloed hebben op
    de spoorvorming, de bestuurbaarheid en
    het remmen van de auto, zowel op een natte
    als een droge ondergrond.

    Bandenspanning
    WAARSCHUWING
    Controleer de bandenspanning minstens eenmaal per maand of voorafgaand aan een lange rit/vakantiereis. Een
    te lage bandenspanning kan ertoe leiden
    dat:
    • de banden lek raken;
    • de loopvlakken van de banden loslaten;

    Banden en velgen zijn zorgvuldig afgestemd op het karakter van de auto en zijn
    van grote betekenis voor de goede rijeigenschappen van de auto.

    • de zijwanden van de banden beschadigd raken;

    Ga er niet zonder meer van uit dat een
    bepaalde combinatie van velgen en banden
    een goede keuze is, wanneer het mogelijk
    is ze op de auto te monteren.

    • de wegligging van de auto
    verslechtert.

    Om te zorgen dat de snelheidsmeter zo
    nauwkeurig mogelijk werkt, moet u bij een
    wijziging in de bandenmaat de snelheidsmeter omprogrammeren. U wordt geadviseerd contact op te nemen met een erkende
    Saab-werkplaats.

    • de velgen beschadigd raken op
    slechte wegen;

    Opmerking! Bij een te lage bandenspanning slijten de banden voortijdig en neemt
    het brandstofverbruik toe.

    Stem de bandenspanning af op de belading
    van de auto en de snelheid waarmee u
    doorgaans rijdt (zie blz. 282).
    De aanbevolen waarden gelden voor
    koude banden. Met koude banden worden
    banden bedoeld die dezelfde temperatuur
    hebben als de omgeving.
    De bandenspanning bij warme banden (bijvoorbeeld na een snelle rit over de snelweg)

  • Page 251

    Onderhoud van de auto
    ligt ca. 0,3 bar (4 psi) hoger dan die bij
    koude banden. Bij een verhoging van de
    bandentemperatuur van 10 °C, stijgt de
    bandenspanning met 0,1 bar (2 psi).
    Verlaag de bandenspanning nooit, wanneer
    de banden nog warm zijn. Als u de bandenspanning controleert wanneer de banden
    warm zijn, mag u de spanning zo nodig
    alleen verhogen.
    Een te lage bandenspanning is slechter
    voor de banden dan een iets te hoge spanning.
    Als een ventiel gaat lekken, zoals na het
    controleren van de bandenspanning, kunt u
    dit ventiel eenvoudig losdraaien en vervangen.
    Opmerking! Vergeet niet de bandenspanning volgens de adviezen aan te passen,
    wanneer u de belading van de auto of de
    snelheid waarmee u rijdt drastisch wijzigt
    (zie blz. 282).

    Banden verwisselen
    WAARSCHUWING
    Bij montage van één nieuw bandenpaar,
    moet u dit paar op de achteras monteren.
    Dit omdat de richtingsstabiliteit (tijdens
    het remmen/slippen) het best is, als het
    minst versleten paar banden op de achteras zit. Als u de oude achterbanden op
    de vooras monteert, moet u deze als volgt
    wisselen: rechtsachter naar rechtsvoor,
    linksachter naar linksvoor zodat de draairichting van het wiel gelijk blijft.
    Bij voorwielaandrijving slijten de banden op
    de vooras meer dan die op de achteras. Bij
    het vervangen van versleten banden moet
    u beide banden van een as door nieuwe vervangen om het verschil in kwaliteit minimaal
    te houden.
    Wanneer u van zomerbanden op winterbanden overgaat (of andersom), moet u de
    wielen merken met L (links) en R (rechts).
    Zo zorgt u dat de banden, wanneer u ze
    opnieuw monteert, dezelfde kant op
    draaien. Monteer het minst versleten bandenpaar op de achteras.
    Bewaar de wielen liggen of hangend, niet
    staand.

    251

    Bandaanduidingen
    Bij een band met de aanduiding
    195/60 R15 88V is:
    195 de breedte van de band in mm
    60 de verhouding tussen de hoogte en
    breedte van de band in procenten
    R de aanduiding voor radiaalbanden
    15 diameter van de velg 15 inch
    88 de index van het draagvermogen
    V de snelheidsindex
    Indices van het draagvermogen
    91 band goedgekeurd voor
    max. 615 kg
    93 max. 650 kg
    94 max. 670 kg
    95 max. 690 kg
    97 max. 730 kg
    Snelheidsindices
    Q band goedgekeurd voor
    max. 160 km/h
    S max. 180 km/h
    T max. 190 km/h
    H max. 210 km/h
    V max. 240 km/h
    W max. 270 km/h
    Y max. 300 km/h

  • Page 252

    252

    Onderhoud van de auto

    Slijtage-indicatoren

    Datumcode van de banden

    De banden zijn voorzien van zogeheten slijtage-indicatoren. Wanneer er nog maar
    1,6 mm van het loopvlak over is, komen er
    dwarse richels zonder profiel tevoorschijn.
    U moet de banden in dat geval vervangen.

    Banden zijn slechts “beperkt houdbaar”.
    Naarmate de banden ouder worden,
    worden de banden steeds harder. Daarbij
    neemt de grip op de weg af. Dit fenomeen is
    met name merkbaar bij gebruik van winterbanden.

    Informeer naar de bepalingen die in uw
    land gelden wat de minimaal toelaatbare
    profieldiepte en de toegestane soorten
    winterbanden betreft.

    Op de band staat een datumcode die aangeeft wanneer de band geproduceerd is. De
    twee eerste cijfers geven het weeknummer
    aan en de twee laatste cijfers staan voor het
    jaartal, gevolgd door een gevuld driehoekje.
    Slijtage-indicatoren

    Draairichting van de banden
    De draairichting is voor de meeste soorten
    banden van belang. De draairichting staat
    aangegeven aan de zijkant van de band.
    De aanduiding kan bestaan uit het opschrift
    “Tyre rotation” met een pijl of uit “Facing
    out”. Zorgt dat een band gedurende zijn
    levensduur dezelfde draairichting houdt.

  • Page 253

    Onderhoud van de auto

    Reservewiel
    WAARSCHUWING
    Berg het reservewiel of de lekke band in
    de daarvoor bestemde ruimte onder het
    vloerluik in de bagageruimte en zet het
    met de bevestigingsmoer vast.

    Reservewiel (thuiskomer)
    Gebruik het reservewiel alleen als een van
    de normale banden van de auto lekgeraakt
    is. U mag maximaal 3500 km met het reservewiel rijden.

    N.B.
    Om schuurschade aan lichtmetalen
    velgen te voorkomen kunt u het wiel met
    de lekke band in de ruimte voor het reservewiel leggen en wel zo dat de buitenkant
    van het wiel omhoogwijst. Dit is echter
    alleen toegestaan, wanneer u de auto ter
    reparatie naar de dichtstbijzijnde werkplaats rijdt.
    Houd u aan de vuistregel dat alle zware
    voorwerpen in de bagageruimte stevig
    moeten worden vastgezet (zie blz. 140).
    Het reservewiel ligt samen met het nodige
    gereedschap en de krik met slinger (op
    bepaalde markten wordt er met een bandenreparatieset gewerkt in plaats van een

    Sport Sedan

    reservewiel) onder de vloerplaat in de bagageruimte.
    Wanneer u de mat naar voren toe opklapt,
    zijn het gereedschap en het reservewiel
    eenvoudiger uit de bagageruimte te halen.
    Op het handvat van de schroevendraaier zit
    een “uitstulping” om tweetraps kunststof
    pluggen te kunnen demonteren. Dergelijke
    pluggen moet u verwijderen bij het vervangen van de gloeilamp in de bagageklep
    (Sport Sedan en Cabriolet) en van het rechter achterlicht (Sport Sedan) (zie blz. 233).

    253

  • Page 254

    254

    Onderhoud van de auto

    Sport Estate

    Sport Estate met subwoofer

  • Page 255

    Onderhoud van de auto
    Gevarendriehoek 3

    Rijden met een reservewiel

    Berg de gevarendriehoek rechts achter in
    de bagageruimte op.

    WAARSCHUWING

    Om bij een volgeladen bagageruimte de
    gevarendriehoek gemakkelijker te kunnen
    pakken, kunt u het smalle ruggedeelte van
    de achterbank vooroverklappen en de
    gevarendriehoek door de opening in de
    achterbank verwijderen. Ruggedeelte achterbank neerklappen, Sport Sedan
    (zie blz. 138).

    Zorg dat u tijdens het wegslepen niet
    sneller rijdt dan 80 km/h. Bij hogere snelheden kunnen de banden oververhit
    raken en verslechteren de rijeigenschappen van de auto.
    Zorg dat u een bandenspanning aanhoudt van 4,2 bar (60 psi).
    Let bij het gebruik van een thuiskomer op
    het volgende:
    • Rijd niet langer met de thuiskomer dan
    strikt noodzakelijk is. U mag maximaal ca.
    3500 km met het reservewiel rijden.
    • Vervang het reservewiel bij de eerste de
    beste gelegenheid door een standaardwiel.
    Niet vergeten bij het gebruik van een thuiskomer:
    • De bodemspeling van de auto is kleiner
    dan normaal.
    • Het gebruik van meer dan één thuiskomer
    is niet toegestaan.
    • Zorg dat u niet met de thuiskomer tegen
    de trottoirbanden aan rijdt.
    • Het gebruik van sneeuwkettingen is niet
    toegestaan.

    255

    • Plaats geen wieldop op de thuiskomer
    terug om te zorgen dat de waarschuwingstekst duidelijk zichtbaar blijft.
    Als uw auto is uitgerust met cruisecontrol
    kunt de functie “Snelheidswaarschuwing”
    activeren, omdat u met een reservewiel niet
    sneller mag rijden dan 80 km/h.

    Bandenreparatieset 3
    Op sommige markten is het reservewiel vervangen door een bandenreparatieset. Met
    deze reparatieset kunt u een lekke band tijdelijk herstellen en oppompen zonder het
    wiel daarvoor te hoeven demonteren
    (zie blz. 259).

  • Page 256

    256

    Onderhoud van de auto

    Banden verwisselen
    WAARSCHUWING
    • Gebruik de krik van de auto alleen
    voor het verwisselen van banden of
    omleggen van sneeuwkettingen. De
    krik is niet bestemd voor onderhoud en reparaties.
    • Kruip nooit onder de auto, wanneer
    deze slechts op een krik steunt. Maak
    altijd gebruik van steunbokken.
    • Wees extra voorzichtig, als de auto op
    een helling geparkeerd staat. N.B.
    Maak gebruik van wigvormige stopblokken!
    • Zet de stopblokken vóór en achter het
    wiel dat het verst af ligt van het wiel dat
    u moet verwisselen.
    • Zet altijd de alarmlichten aan, als u
    met de auto langs de kant van de weg
    staat om een band te verwisselen.
    • Trek de handrem aan en schakel de
    eerste versnelling of de achteruitversnelling in, als uw auto voorzien is van
    een handbak. Zet de keuzehendel in
    stand “P”, als u een automaatbak hebt
    • Laat eventuele passagiers uit de auto
    stappen, voordat u de auto opkrikt.

    • Start nooit de motor, wanneer u de
    auto hebt opgekrikt.
    • Zorg dat de krik zoveel mogelijk op
    een egale en stevige ondergrond
    staat.
    • Bewaar de krik op de juiste manier
    onder de vloermat in de bagageruimte. Laat de krik niet los in de bagageruimte liggen, omdat de krik bij een
    aanrijding of een “koprol” de passagiersruimte in kan worden geslingerd
    en verwondingen kan toebrengen.
    • De krik van de auto is alleen bestemd
    voor gebruik op uw Saab 9-3.
    • Er kan zand, wegenzout of roest onder
    in de schroefdraad zitten, als u jaren
    achtereen met lichtmetalen velgen
    hebt gereden.
    Wanneer u vervolgens overgaat op
    het gebruik van stalen velgen, moet u
    de schroefdraad voor de wielbouten in
    de remnaven eerst schoonmaken en
    pas daarna de wielen met de dunnere
    stalen velgen monteren. Doet u dat
    niet, dan bestaat het gevaar dat u de
    nieuwe wielen niet stevig genoeg kunt
    vastzetten, ondanks dat u het juiste
    aanhaalmoment hanteert.

  • Page 257

    Onderhoud van de auto

    257

    Bij het opkrikken van de auto moet u de krik
    onder een van de vier steunpunten (voor of
    achter) onder aan de drempelbalken
    aanbrengen.
    Als u gebruik maakt van een zogeheten
    garagekrik, moet u de hefplaat onder de
    gebruikelijke steunpunten voor een krik
    aanbrengen (zie afbeelding op blz. 258).
    Als uw auto is voorzien van een trekhaak,
    kunt u de krik ook onder de trekhaak aanbrengen.

    N.B.
    Plaats de krik alleen op de aangegeven
    punten onder de carrosserie.

    Pijl die positie steunpunt aangeeft

    1 Trek de handrem aan en schakel de eerste versnelling of de achteruitversnelling
    in (stand P als u een automaatbak hebt).
    2 Breng de krik iets omhoog, voordat u
    deze onder de uitsparing onder de
    drempelbalk plaatst. De pijlen op de
    drempelbalk geven aan waar de steunpunten zitten (zie afbeelding).
    Controleer of de kop van de krik goed in
    de uitsparing van de drempelbalk komt
    te zitten en ga na of de voet van de krik
    stevig op de grond staat. Zorg dat de krik
    niet op sneeuw of ijs komt te staan.
    Krik de auto zo ver op, dat de wielen net
    van de grond komen.

    Steunpunten voor krik

    3 Gesloten wieldoppen hoeven niet te
    worden verwijderd.
    Als dat toch moet, moet u de buitenkant
    van de wieldop vastpakken en naar
    buiten trekken.
    Verwijder de plastic kappen en maak de
    wielbouten een halve slag los.

  • Page 258

    Onderhoud van de auto

    IB4529

    258

    Kunststof doppen verwijderen

    4 Krik de auto vervolgens zo ver omhoog,
    dat het wiel helemaal van de grond
    loskomt. Draai de wielbouten nu volledig
    los en verwijder het wiel.
    5 Ontdoe de contactvlakken tussen de
    velg en de remschijf van vuil/roestaanslag. Laat het vet in het hart van het wiel
    echter zitten.

    Steunpunten voor een garagekrik

    6 Monteer het wiel en bevestig de bouten.
    Draai de bouten nog niet helemaal vast.
    Zorg dat de velg en de bouten in de
    juiste stand komen te zitten.
    7 Breng de auto omlaag en zet de wielbouten kruiselings vast met het juiste
    aanhaalmoment.
    Aanhaalmoment:
    Lichtmetalen velg: 110 Nm.
    Stalen velg: 110 Nm.
    Smeer de boutkop met wat vaseline of
    iets dergelijks in en plaats de kunststof
    doppen terug op de wielbouten. Door de
    vaseline gaat dat gemakkelijker.

    Ontdoe de contactvlakken tussen de velg
    en de remschijf van vuil/roestaanslag

    N.B.
    • Als u de wielbouten met een pneumatische sleutel te strak vastdraait, kan
    het wiel beschadigd raken en kunt u
    de wielbouten niet meer met handgereedschap losdraaien.
    • Bij montage van een gesloten wieldop
    moet u ervoor zorgen dat het ventiel
    van de band altijd in de gemarkeerde
    uitsparing van de wieldop komt te
    zitten.

  • Page 259

    Onderhoud van de auto

    Het vet in het hart van het wiel laten zitten

    8 Trek de wielbouten na enkele tientallen
    kilometers rijden nog een keer goed na.
    Aanhaalmoment:
    Lichtmetalen velg: 110 Nm.
    Stalen velg: 110 Nm.
    Het wordt afgeraden om tijdens de wintermaanden opengewerkte lichtmetalen
    velgen te gebruiken, omdat dergelijke
    velgen de onderdelen van het remsysteem
    onvoldoende beschermen tegen opspattende modder en wegenzout.

    Smeer de schroefdraden met een dun
    laagje vet

    Als u van bandenmaat verandert, kunt u de
    snelheidsmeter laten omprogrammeren om
    de snelheidsaanduiding zo nauwkeurig
    mogelijk te houden. U wordt geadviseerd
    contact op te nemen met een erkende
    Saab-werkplaats.

    Rijden met sneeuwkettingen 3
    (zie blz. 190)

    259

    Aanhaalvolgorde, wielbouten

    Bandenreparatieset 3
    WAARSCHUWING
    Omdat de motor stationair moet lopen bij
    het herstellen van de band moet u om
    ernstig letsel te voorkomen zorgen dat
    niemand tegen bijvoorbeeld de versnellingspook/keuzehendel aan kan komen.
    Maak geen gebruik van de reparatieset
    als:
    • het lek in de band groter is dan 4 mm;
    • de velg beschadigd geraakt is.
    Beperk uw maximale snelheid tot
    80 km/h wanneer u een van de banden
    van de auto met de reparatieset hebt
    hersteld.

  • Page 260

    260

    Onderhoud van de auto

    N.B.
    Vervang de lekke band zo spoedig mogelijk.
    Vul de reparatieset bij een werkplaats. U
    wordt geadviseerd contact op te nemen
    met een erkende Saab-werkplaats. Het
    flesje met afdichtmiddel moet om de vier
    jaar worden vervangen (zie de datumstempel op het flesje).
    De rijeigenschappen van de auto kunnen
    negatief worden beïnvloed.
    Wanneer u met een te lage bandenspanning of een lekke band rijdt, kan er schade
    aan de band ontstaan die niet met het
    afdichtmiddel te repareren is.
    Het reservewiel is vervangen door een
    reparatieset. Met deze set kunt u een lekke
    band tijdelijk herstellen en oppompen
    zonder het wiel te hoeven demonteren.
    Geringe vormen van schade aan de band
    zoals vreemde voorwerpen die in de band
    zijn gedrongen zijn tijdelijk te herstellen met
    de reparatieset. Verwijder de vreemde
    voorwerpen daarbij niet. Lekkage groter
    dan 4 mm of schade in de zijkant van de
    band kunt u niet met de reparatieset herstellen.
    Volg de aanwijzingen die bij de reparatieset
    zijn geleverd nauwkeurig op.

    Als de compressor abnormale geluiden
    maakt of ongewoon warm wordt, moet u die
    ten minste 30 minuten lang afzetten.
    Bescherm de compressor tegen vocht.
    Het flesje met afdichtmiddel is bestemd
    voor eenmalig gebruik. Vervang een
    gebruikt flesje bij een werkplaats door een
    nieuw. U wordt geadviseerd contact op te
    nemen met een erkende Saab-werkplaats.
    De reparatieset is te gebruiken tot een temperatuur van –30 °C. Bij lage temperaturen
    wordt het afdichtmiddel stroperiger, waardoor het moeilijker wordt om de wat grotere
    lekken af te dichten.

    1 Laat de motor stationair lopen.

    Bij reparatie van een lekke band met de
    reparatieset geldt het volgende:

    2 Neem de reparatieset uit de bagageruimte.

    • Laat de motor stationair lopen. De
    compressor zal enige stroom afnemen.
    • Trek de handremhendel aan.
    • Schakel de alarmknipperlichten in.
    • Plaats een gevarendriehoek om het
    overige verkeer te waarschuwen.
    De reparatieset vindt u onder de vloer in de
    bagageruimte.

  • Page 261

    Onderhoud van de auto

    3 Haal de voedingskabel en de luchtslang
    uit de vakken in de onderzijde van de
    compressor.

    261

    4 Sluit de luchtslang van de compressor
    op de aansluiting op de fles aan.

    7 Sluit de luchtslang van het flesje op het
    ventiel van de lekke band.

    5 Duw het flesje in de uitsparing in de
    compressor.

    8 Zorg dat de schakelaar op de compressor in stand 0 staat.

    6 Draai het ventieldopje van de lekke
    band.

    9 Sluit de voedingskabel van de compressor op de 12V-aansluiting (aansteker) in
    de auto aan.

  • Page 262

    262

    Onderhoud van de auto
    14 Zoek de onderdelen van de reparatieset
    bij elkaar en leg ze op de daarvoor
    bestemde plaats in de auto terug.
    15 Veeg eventueel afdichtmiddel dat naar
    buiten gelekt is met een doek af.
    16 Plaats de gevarendriehoek in de auto
    terug.
    17 Plak de bijgeleverde sticker met daarop
    de toelaatbare maximumsnelheid op
    een punt dat u vanaf de bestuurdersplaats kunt zien.

    10 Schakel de compressor in.
    11 Terwijl het flesje met afdichtmiddel
    wordt geleegd (ca. 30 seconden) zal de
    manometer van de compressor korte tijd
    een druk tot 6 bar aangeven. De druk zal
    daarna dalen.
    12 Wanneer het flesje leeg is, moet u de
    band oppompen tot de aanbevolen
    bandenspanning (zie blz. 282). U hoeft
    het flesje daarvoor niet te verwijderen.
    13 Binnen 10 minuten moet de band op de
    juiste spanning zijn. Schakel de
    compressor uit, wanneer de spanning
    correct is.

    Als de juiste bandenspanning niet binnen
    10 minuten is bereikt, is het lek in de band
    te groot om met het afdichtmiddel te worden
    hersteld. Parkeer de auto in dat geval op
    een geschikt punt en roep assistentie in.
    Als de druk te hoog oploopt, kunt u die verlagen door op de knop bij de manometer op
    de compressor te drukken.
    Laat de compressor niet langer dan
    10 minuten achtereen werken.

    18 Rijd na de reparatie meteen door om het
    afdichtmiddel gelijkmatig over de
    binnenkant van de band te verdelen.

  • Page 263

    Onderhoud van de auto
    19 Stop na ca. 10 km (op zijn hoogst
    10 minuten) om de bandenspanning te
    controleren. Daarbij moet u de luchtslang van de compressor rechtstreeks op
    het ventiel van de band aansluiten.
    Als de spanning hoger is dan 1,3 bar
    (19 psi) moet u deze corrigeren (zie
    blz. 282). U moet zo nodig vaker controleren totdat u bij de werkplaats aankomt.
    Als de spanning is gedaald tot een
    waarde lager dan 1,3 bar (19 psi), mag
    u niet langer met de auto rijden. Roep
    assistentie in.
    Het drukverlies treedt waarschijnlijk op
    doordat de schade aan de band te groot
    is om met de reparatieset te herstellen.
    20 Leg de reparatieset op de daarvoor
    bestemde plaats in de auto terug.

    263

    “Flat spots” op banden
    Tijdens het rijden worden alle banden
    warm, vooral bij lange ritten op hoge snelheid. Als u de auto na een dergelijke rit parkeert, kunnen er bij het afkoelen van de
    banden zogeheten “flat spots” (platte plekken) ontstaan. Dit fenomeen kan zich ook
    voordoen, wanneer u de auto voor langere
    tijd parkeert.

    Aan de onderzijde van de compressor zitten
    vier verschillende adapters waarmee het
    mogelijk is de compressor te gebruiken om
    fietsbanden, luchtbedden, voetballen e.d.
    op te pompen.

    Concreet houden “flat spots” in dat het
    gedeelte van de band dat in contact komt
    met de ondergrond iets wordt afgeplat.
    Daardoor kunnen er trillingen in het stuurwiel optreden, alsof de wielen niet goed zijn
    uitgebalanceerd.
    De “flat spots” verdwijnen weer als de
    banden na 20–25 km rijden over de snelweg op temperatuur zijn. Bij lage buitentemperaturen is daarvoor een langere afstand
    vereist.

  • Page 264

    264

    Onderhoud van de auto

    Veiligheidsgordels
    WAARSCHUWING
    Wijzig of herstel de veiligheidsgordels
    nooit zelf, maar laat dergelijke werkzaamheden aan een werkplaats over. U wordt
    geadviseerd contact op te nemen met
    een erkende Saab-werkplaats.
    Laat veiligheidsgordels, gordelspanners
    en bijbehorende onderdelen na een aanrijding in een Saab-werkplaats nakijken.
    U wordt geadviseerd contact op te nemen
    met een erkende Saab-werkplaats.
    Controleer van tijd tot tijd of de veiligheidsgordels naar behoren werken. U doet dat
    als volgt:
    • Doe de gordel om en geef een stevige ruk
    aan het diagonale gedeelte van de
    gordel. De gordel moet daarbij blokkeren, zodat u de gordel niet verder kunt
    uittrekken.
    De bevestigingspunten op de vloer mogen
    niet roestig zijn.
    De gordels mogen bovendien nergens rafelen.
    Zorg dat u geen schuurmiddel, olie of
    andere chemicaliën op de veiligheidsgordels morst. Als de gordels vuil zijn, kunt u ze
    schoonmaken met een lauwe zeepoplossing of vervangen.

    Bekleding
    Stof, haren of kruimels op de bekleding van
    de stoelen, de achterbank, de armleuningen en het plafond kunt u verwijderen met
    een pluisvrije, vochtige doek of een kleerborstel. Vlekken verwijdert u met een doek
    die u met een zeepoplossing hebt bevochtigd. Gebruik altijd lauw water.
    Bij het verwijderen van vlekken is het van
    belang dat u de vlekoplosser van buiten
    naar binnen in de vlek wrijft om te voorkomen dat er kringen ontstaan. Mocht dit toch
    gebeuren, of als er vuil achterblijft, kunt u dit
    meestal verhelpen door de vlek nog een
    keer na te spoelen met een lauwe zeepoplossing of lauw water.
    Frisdrankvlekken, kruipolievlekken e.d.
    moet u zo snel mogelijk verwijderen met
    absorberend materiaal zoals keukenpapier.
    Maak het gebied daarna schoon met een
    vlekverwijderaar.
    Voor olievlekken en dergelijke wordt terpentine geadviseerd. Neem een middelharde
    borstel om de vlek te verwijderen.

    Reiniging en onderhoud van
    leren bekleding 3
    Leer wordt in de eerste plaats behandeld
    om het elegante uiterlijk te onderstrepen,
    maar ook om een beschermende laag aan
    te brengen. Vooral bij de lichtere tinten zal
    door slijtage en stof het oppervlak verkleuren. Hoewel dit de slijtvastheid van het leer
    niet zal beïnvloeden – een bepaald slijtpatina is vaak een gewenst effect wat leer
    betreft – kan een al te vuil oppervlak de kwaliteitsindruk beïnvloeden. Gebruik regelmatig een stofzuiger met een zachte borstelkop om loszittend vuil en stof van de
    bekleding te halen.
    Maak de leren bekleding dan ook in ieder
    geval tweemaal per jaar (voorjaar en
    najaar) schoon en behandel deze met een
    leerverzorgingsmiddel. In landen met een
    zeer warm en droog klimaat moet u vaker
    gebruik maken van een leerverzorgingsmiddel. Gebruik normale leerverzorgingsproducten. Volg de aanwijzingen op de verpakking.
    Gebruik geen poetsmiddelen met een schurende werking, oplosmiddelen, sprays,
    krassende zeepsoorten of heet water.
    Semi-aniline is een gepigmenteerde leersoort met een dunne beschermlaag en is
    daarom gevoeliger dan gedekverfd leer.

  • Page 265

    Onderhoud van de auto

    Vloermatten
    Maak de vloermatten regelmatig schoon
    met een stofzuiger. U kunt ze ook met een
    stevige borstel afborstelen of met een
    spons en textielshampoo schoonmaken.
    Stofzuigers zonder geaarde stekker mag u
    niet buitenshuis gebruiken.

    Wassen
    Was de carrosserie regelmatig schoon.
    Wanneer de auto nog nieuw is, moet u deze
    met koud water en een schone, zachte borstelkop met de hand schoonmaken. Was de
    auto in het begin niet in een automatische
    wasstraat. De lak is namelijk pas na
    5-6 maanden goed uitgehard. U kunt desgewenst een geschikte soort autoshampoo
    aan het water toevoegen. Gebruik lauw
    water.
    Vogelpoep moet u zo snel mogelijk verwijderen om verkleuring van de lak te voorkomen. Leg een natte prop papier op de vlek
    en wacht enkele minuten. U kunt de vlek
    daarna gemakkelijk verwijderen.
    Teervlekken kunt u verwijderen met een
    doekje dat u met terpentine bevochtigd
    hebt. Gebruik geen sterke schoonmaakmiddelen om uitdroging van de lak te
    voorkomen.

    N.B.
    • Gebruik geen schoonmaakmiddelen
    op alcoholbasis voor de kunststof
    lenzen van de voorste en achterste
    lamphuizen, omdat dergelijke middelen aanleiding kunnen geven tot
    scheurvorming.
    • Zorg dat u de zijspiegels inklapt, wanneer u de auto in een wasstraat
    schoonmaakt.
    • Controleer na een wasbeurt altijd de
    remmen. Bij natte remschijven neemt
    de remwerking af.
    • Vaste antennes voor bijvoorbeeld
    mobiele telefoons moet u verwijderen,
    voordat u de wasstraat binnenrijdt.
    • Modellen met akoestisch parkeerhulpsysteem: Spuit niet met een hogedrukreiniger te dicht op de sensoren
    (niet dichter dan ca. 20 cm) om
    schade aan de sensoren te voorkomen.
    • Als de auto is uitgerust met een vaste
    radioantenne moet u ook het dekplaatje aan de voet van de antenne
    losschroeven om te voorkomen dat
    deze losraakt.

    265

    Ook de bodemplaat van de auto moet u
    regelmatig schoonspoelen en dit vooral na
    het winterseizoen. Als de autowasstraat
    geen onderspoeling heeft, moet u de
    bodemplaat van de auto na een aantal
    bezoekjes aan de autowasstraat zelf zorgvuldig schoonspoelen.
    Was de auto niet in direct zonlicht. Laat de
    auto evenmin in de zon drogen, maar droog
    deze meteen na het wassen af met een
    schone zeemleren lap om vlekken te voorkomen.
    Maak de ruiten van binnen schoon met een
    ruitenpoetsmiddel. Dit is met name van
    belang wanneer de auto nog nieuw is,
    omdat de bekleding van het interieur aanvankelijk nog enigszins kan uitdampen.
    Wanneer u de ruiten goed schoon houdt,
    hebt u tevens minder last van beslagen ruiten.
    Maak de ruiten van buiten schoon met
    sproeiervloeistof. Dit is met name van
    belang na een bezoek aan de autowasstraat. Dit omdat er bij een eventuele wasbehandeling was op de voorruit kan achterblijven. Als u de was niet verwijdert, werken
    de ruitenwissers minder goed.

  • Page 266

    266

    Onderhoud van de auto

    Cabriolet
    Bij gebruik van een hogedrukreiniger geldt
    het volgende:
    • onderkant van de auto (tot aan de portierhandgrepen): max. druk 100 bar en min.
    afstand 20 cm.
    • bovenkant van de auto: max. druk
    100 bar en min. afstand 80 cm.
    • Was de auto bij voorkeur niet in een automatische autowasstraat.

    WAARSCHUWING
    • Lees en volg de aanwijzingen die op
    de verpakkingen van de aanbevolen
    reinigings- en impregneringsmiddelen
    staan. U wordt geadviseerd contact op
    te nemen met een erkende Saabwerkplaats over de aanbevolen reinigings- en impregneringsmiddelen.
    • Behandel de kap nooit met warme
    was of iets dergelijks.

    • Gebruik voor het reinigen nooit petrochemische oplosmiddelen. Gebruik
    alleen water in combinatie met een
    aanbevolen reinigingsmiddel. Petrochemische oplosmiddelen kunnen
    schade aan de kap veroorzaken die
    niet kan worden gerepareerd.
    • Gebruik nooit een hogedrukreiniger bij
    het reinigen van de kap. Gebruik
    alleen waterdruk die in een normaal
    huishouden aanwezig is.

    N.B.
    • Bedien de kap alleen als deze schoon
    en droog is.
    • Open de kap niet als deze vochtig is.
    Hierdoor kunnen vouwen en drukplekken ontstaan. Als de kap zeer vuil is,
    kan het vuil schuurplekken veroorzaken die niet kunnen worden gerepareerd.
    • Gebruik alleen water, aanbevolen reinigingsmiddelen en een microvezeldoek als de kap al beschadigd is.
    Anders kan de schade verergeren.
    • Bij vouwen in de stof, naden en randen
    van ruiten moet u vanuit de vouwen,
    naden en randen in de richting van de
    kap reinigen.

    Als de kap slechts licht vuil is, moet de
    methode op de verpakking van het reinigingsmiddel worden gebruikt. Er is geen
    borstel nodig.
    Controleer de impregnering van de kap af
    en toe door er wat water op te spuiten. Als
    het water er niet in parels op gaat liggen
    maar snel in de stof verdwijnt, wordt een
    normale wasbeurt gevolgd door een
    impregnering geadviseerd.
    Als de kap erg vuil is en het reinigen op de
    aanbevolen manier geen merkbare verbetering laat zien, moet het volgende worden
    uitgevoerd.
    De hieronder vermelde reinigingsmethode
    mag alleen worden gebruikt als de kap erg
    vuil is en niet vaker dan twee keer per jaar.
    1 Stop met het normale reinigen.
    2 Spoel het grove vuil met een ruime
    hoeveelheid water af.
    3 Spuit de zojuist afgespoelde kap met het
    aanbevolen reinigingsmiddel in en laat
    dit 15–20 minuten inwerken.

  • Page 267

    Onderhoud van de auto
    4 Beweeg de wasborstel heen en weer,
    niet kriskras of in cirkels. Gebruik een
    zachte borstel, van het type kleerborstel
    of een microvezeldoek, zodat het reinigingsmiddel schuimt. Gebruik nooit
    borstels met metaal.
    5 Spoel de kap vervolgens met warm
    water af en borstel met de zachte borstel
    in de lengterichting van de auto, totdat
    alle schuim is weggespoeld. Borstel
    voorzichtig, zodat de stof niet beschadigd raakt.

    WAARSCHUWING
    Water warmer dan 37 °C kan schadelijk
    zijn voor de huid en huidirritatie en/of
    letsel veroorzaken. Draag geschikte
    bescherming.
    6 Droog de kap met een schoon zeemleer
    of een doek die geen pluizen op de kap
    achterlaat.

    7 Laat de kap helemaal drogen. Voel na
    een tijdje met de hand. Als de stof vochtig aanvoelt, moet u het nog langer later
    drogen.
    8 Als er nog steeds vlekken aanwezig zijn,
    kunt u de behandeling op deze vlekken
    herhalen volgens de eerdere beschrijving. Druk slechts licht met de borstel,
    zodat de stof niet beschadigd raakt!
    Werk niet te hard met de borstel. De stof
    kan dan zo beschadigd raken dat reparatie niet meer mogelijk is. Herhaal de
    behandeling niet meer dan twee keer.
    9 Als de kap helemaal droog is, moet deze
    zo snel mogelijk worden geïmpregneerd. Gebruik uitsluitend het aanbevolen impregneringsmiddel. Werk volgens
    de aanwijzing op de verpakking.
    10 Voor een gelijkmatige en goede impregnering moet de auto 24 uur na de
    behandeling gesloten worden gehouden. Raak de stof niet aan en plaats er
    geen voorwerpen op.

    267

    Motorruimte
    Maak de motorruimte schoon met een
    motorreinigingsmiddel en spoel de motor
    daarna af met warm water. Dek hierbij de
    koplampen aan de achterzijde af. Maak
    geen gebruik van een hogedrukreiniger.
    Blijf uit de buurt van elektrische componenten en aansluitingen.
    Gebruik geen benzine als schoonmaak- of
    oplosmiddel bij reparaties of onderhoudswerkzaamheden. Maak gebruik van
    een milieuvriendelijk ontvettingsmiddel.

    In de was zetten en
    oppoetsen
    Een nieuwe auto dient u de eerste
    3-4 maanden niet in de was zetten. De lak
    hoeft niet opgepoetst te worden voordat de
    lak is gaan oxideren en mat wordt. Gebruik
    alleen in uitzonderingsgevallen een
    poetsmiddel met schuurmiddel op een
    nieuwe auto. Voordat u de auto in de was
    zet of oppoetst, moet u de lak goed schoonmaken.

  • Page 268

    268

    Onderhoud van de auto

    Herstellen van
    lakschade
    Lakschade moet u zo spoedig mogelijk herstellen. De garantie tegen doorroesten geldt
    niet voor roestschade die het gevolg is van
    onbehandelde lakschade. Hoe eerder u de
    schade herstelt, des te kleiner is de kans dat
    er roestvorming optreedt.
    Lakschade die ontstaan is tijdens een aanrijding, is meestal van dien aard dat u deze
    voor het beste resultaat in een spuiterij moet
    laten herstellen.
    Geringe beschadigingen als gevolg van
    steenslag en kleine krasjes kunt u zelf herstellen. De benodigde kwastjes, lak en
    primer e.d. zijn in de handel verkrijgbaar. U
    wordt geadviseerd contact op te nemen met
    een erkende Saab-werkplaats.
    Als de lakschade niet tot op het onderliggende plaatwerk is doorgedrongen en er
    nog een onbeschadigde laklaag aanwezig
    is, kunt u de nieuwe lak meteen aanbrengen. Verwijder wel eerst vuil e.d. met de
    punt van een mes.
    Als er roestvorming is opgetreden, bijvoorbeeld door steenslag, moet u eerst alle
    roest van het oppervlak schrapen met de
    punt van een mes. Zo mogelijk moet u het
    beschadigde gebied tot op het plaatwerk
    schoonschrapen. Behandel het gebied
    daarna met twee dunne laagjes grondlak
    (primer).

    Breng als laatste een nieuw laagje lak aan.
    Zorg dat u de lak in meerdere laagjes en
    even dun/dik aanbrengt als de omringende
    lak.
    Zowel de primer als de lak moet u voor het
    gebruik goed omroeren. Laat de lak goed
    drogen, voordat u een nieuwe laag aanbrengen.

    Tweelaagslak
    De deklak bestaat uit twee lagen. De onderste laag, de basislak, bevat o.a. pigment,
    metaalschilfers en bindmiddel. De bovenste
    laag bestaat uit een speciale, blanke lak die
    voor de glans zorgt en de basislak
    beschermt tegen vocht en invloeden van
    buitenaf.
    Steenslagschade kunt u als volgt herstellen.
    Maak het beschadigde gebied schoon en
    breng een laagje primer aan. Breng daarna
    de basislak aan en als laatste de blanke lak.
    U krijgt het beste resultaat, als u de primer
    in twee of drie lagen opbrengt.

    Bescherming tegen
    corrosie
    Tijdens de fabricage wordt de auto op verschillende stations tegen roestvorming
    beschermd, o.a. tijdens de elektrocoating,
    het opspuiten van de pvc-laag op de
    bodemplaat tegen steenslag en corrosie en
    het aanbrengen van een dun, penetrerend
    corrosiewerend middel in de holle ruimten
    en balken van de carrosserie.
    Uw auto is niet alleen voorzien van de
    gebruikelijke bescherming tegen corrosie in
    de vorm van de lak, de bodembescherming
    en de verzegeling van de holle ruimten. Het
    merendeel van de carrosserieplaten is verzinkt, waaronder de motorkap, de portieren
    en de bodemplaat.
    Vooral de beschermingslaag op de bodemplaat en in de wielhuizen staat voortdurend
    bloot aan slijtage en raakt al snel beschadigd afhankelijk van de rijomstandigheden.
    Opspattend vuil maar vooral wegenzout
    krijgt door dergelijke beschadigingen de
    mogelijkheid om tot het onderliggende
    plaatwerk door te dringen, zodat er corrosie
    kan optreden.
    Spoel de onderzijde van de auto daarom
    regelmatig af en controleer de conditie van
    de bodembeschermingsplaat. Ook nadat
    de garantie tegen doorroesten is verlopen,
    moet u de bescherming tegen corrosie
    onderhouden en deze zo nodig herstellen.

  • Page 269

    Onderhoud van de auto
    Wanneer u bij het schoonmaken beschadigingen ontdekt, moet u de beschadigde
    gebieden eerst laten drogen en ze daarna
    bijwerken met een dikke laag corrosiewerend middel. Breng het middel met een
    kwastje op of gebruik een spuitbus.

    Onderhoudsprogramma
    Periodiek onderhoud
    Iedere auto heeft behoefte aan service en
    onderhoud, om de bedrijfszekerheid te
    waarborgen. Er is een onderhoudsprogramma samengesteld met maatregelen
    die noodzakelijk zijn voor uw auto en die
    met bepaalde intervallen moeten worden
    uitgevoerd.

    Ook nadat de garantie tegen doorroesten is
    verlopen, moet u de bescherming tegen
    corrosie onderhouden en deze zo nodig
    herstellen om roestschade op termijn te
    voorkomen.
    De gelakte plaatfelsen van de carrosserie,
    vooral die van de portieren, de motorkap, de
    tankvulklep en de bagageklep, zijn gevoelig
    voor corrosievorming door vuil en pekel van
    buitenaf en door vocht van binnenuit en dan
    met name door condensvorming. Houd de
    felsen daarom zorgvuldig schoon. Bij de
    eerste tekenen van corrosievorming moet u
    een dun, corrosiewerend middel op de
    felsen aanbrengen. Gebruik hiervoor een
    kwastje of een spuitbus. U wordt geadviseerd contact op te nemen met een erkende
    Saab-werkplaats.

    269

    Opbouw van de oppervlaktebehandeling
    1
    2
    3
    4
    5
    6
    7

    Plaatwerk
    Zink (bepaalde onderdelen) 7,5 µm
    Fosfaatlaag 3–5 µm
    Cataforeselaag (ED) 23 µm
    Tussenlak 35 µm
    Basismetalliclak/basisunilak 11 µm
    Blanke lak 45 µm

    Het onderhoudsprogramma is samengesteld om uw auto op een efficiënte en voordelige manier de beste verzorging te geven.

    N.B.
    De intervallen voor de onderhoudspunten
    zijn vastgesteld om te zorgen dat uw auto
    altijd veilig, betrouwbaar en zuinig in het
    gebruik is en voldoet aan de geldende
    voorschriften voor de uitlaatgasreiniging.

  • Page 270

    270

    Onderhoud van de auto

    Om de inruilwaarde zo hoog mogelijk te
    houden en aanspraken te kunnen maken op
    de garantie, moet u het onderhoud bij de
    aangegeven kilometerstanden en op een
    vakkundige manier laten uitvoeren.
    Geef het Garantie- en Onderhoudsinspectieboekje af, wanneer u uw auto voor een
    onderhoudsbeurt naar de garage brengt en
    controleer na afloop of het Garantie- en
    Onderhoudsinspectieboekje op de juiste
    plaats van een stempel is voorzien.

    Recycling van
    automaterialen
    Op www.saab.com vindt u informatie over
    sloop en recycling van automaterialen.

    Airconditioning (A/C)
    WAARSCHUWING
    • Laat het A/C-systeem repareren en
    afstellen bij een werkplaats dat dergelijke werkzaamheden mag verrichten.
    U wordt geadviseerd contact op te
    nemen met een erkende Saabwerkplaats.

    Het is niet uitgesloten dat het onderhoudsprogramma na verloop van tijd wordt
    aangepast wat de onderhoudspunten en
    omvang betreft. U wordt geadviseerd contact op te nemen met een erkende Saabwerkplaats. Daar beschikt men altijd de
    over de meest recente gegevens die van
    toepassing zijn op uw auto.

    • In het A/C-systeem heerst een
    bepaalde overdruk. Maak daarom
    geen aansluitingen van het
    A/C-systeem los.

    Wanneer het tijd is voor een onderhoudsbeurt, verschijnt de volgende melding
    op het SID:

    N.B.

    Time for service.
    (Tijd voor onderhoud.)

    • Weglekkend gas kan oogletsel of
    ander letsel veroorzaken.

    • Het A/C-systeem van de auto is
    bestemd voor het gebruik van het koudemiddel R134a.
    • Voor de hantering van dit koudemiddel hebt u speciaal gereedschap
    nodig. Bovendien moet het koudemiddel volgens een speciale methode
    worden ververst.
    • Meng het koudemiddel R134a nooit
    met andere middelen.

  • Page 271

    Onderhoud van de auto
    Opsporen van storingen
    Als er zich een storing in de airconditioning
    voordoet, kunt u zelf de onderstaande controles uitvoeren. Als de airconditioning
    daarna nog steeds niet naar volle tevredenheid werkt, moet u contact opnemen met
    een werkplaats. U wordt geadviseerd contact op te nemen met een erkende Saabwerkplaats.
    Opmerking!

    Wanneer de A/C-compressor werkt, wordt
    de binnenkomende lucht van vocht ontdaan. Het vocht slaat neer op het verdamperhuis en wordt via afvoeropeningen
    onder de auto afgevoerd. Wanneer u de
    auto parkeert, kan het dan ook zijn dat er
    een plasje water onder de auto ontstaat.
    Hoe warmer de buitenlucht en hoe hoger de
    luchtvochtigheidsgraad, hoe groter de plas
    water onder de auto.

    Als de koeling ontoereikend is
    a Controleer of de warmtewisselaar (vóór
    de radiateur) soms verstopt is geraakt
    door vuil of insecten.
    b Controleer of de aandrijfriem van de
    compressor soms doorslipt (zie
    blz. 222).
    c Ga na of de zekeringen voor de koelventilatoren en de compressor intact zijn
    (zie blz. 242).

    Onderhoud en service
    N.B.
    Gebruik geen hogedrukreiniger voor het
    schoonmaken van de condensor en de
    radiateur om schade aan deze onderdelen te voorkomen.
    • Let erop dat de aandrijfriem van de
    compressor tijdens iedere geplande
    onderhoudsbeurt wordt gecontroleerd.
    • Houd de warmtewisselaar en de radiateur
    vrij van insecten en ander vuil. Bij het
    wassen van de auto moet u ook de radiateur en de warmtewisselaar (vóór de
    radiateur) goed schoonspoelen en dat
    zowel vanaf de buitenkant (via de grille)
    als vanuit de motorruimte. Gebruik hiervoor geen hogedrukreiniger.
    Spuit de onderdelen bij voorkeur niet
    schoon, zolang de motor nog heet is.

    271

    Let erop dat u de radiateur niet mag afschermen met een stuk gaas of iets dergelijks,
    omdat hierbij het koelvermogen aanzienlijk
    afneemt. Alleen bij extreem lage temperaturen mag u gebruik maken van een radiateurscherm.
    Opmerking!

    U kunt de airconditioning niet inschakelen
    bij een buitentemperatuur lager dan 0 °C.
    Schakel de A/C daarom in, terwijl de auto in
    een verwarmde ruimte staat opgesteld. Het
    is het handigst om de knop AC altijd ingedrukt te houden, omdat het A/C-systeem
    dan automatisch bij de juiste temperatuur
    wordt ingeschakeld.

  • Page 272

    272

    Onderhoud van de auto

    (Hier is met opzet een lege bladzijde ingevoegd.)

  • Page 273

    Technische gegevens

    273

    Technische gegevens
    Algemene gegevens ___
    Motor _______________
    Motorolie ____________
    Brandstof ____________
    Motorvarianten _______
    Elektrisch systeem ____
    Remsysteem _________
    Velgen en banden _____

    3 Een sterretje geeft aan dat de uitrusting niet op
    alle auto’s is aangebracht (afhankelijk van het
    model, het motortype, de marktspecificatie, de
    gekozen opties en/of accessoires).

    274
    276
    276
    277
    277
    278
    278
    279

    Plaatjes en stickers_____
    Functies die naar wens
    af te stellen zijn_______
    Waarschuwingen en
    aanduidingen die op
    het SID kunnen
    verschijnen __________
    Hulpverwarming en
    standverwarming 3 ___
    Bevestigingspunten voor
    een originele trekhaak
    van Saab 3 __________
    Trefwoordenregister ____

    283
    284

    285
    288

    290
    291

  • Page 274

    274

    Technische gegevens

    Algemene gegevens
    Totale lengte, incl. bumpers
    Sport Sedan en Cabriolet ____________
    Sport Estate ______________________
    Totale breedte incl. zijspiegels__________
    Max. hoogte _______________________
    Wielbasis__________________________
    Spoorbreedte
    voor_____________________________
    achter ___________________________
    Bodemspeling bij totaalgewicht _________
    Aantal zitplaatsen, incl. bestuurdersstoel:
    Sport Sedan ______________________
    Cabriolet _________________________
    Sport Estate ______________________
    Draaicirkel, gemeten aan de uiterste hoeken
    van de auto _______________________
    Lengte bagageruimte, Sport Sedan:
    opgeklapte achterbank ______________
    neergeklapte achterbank ____________
    Lengte bagageruimte, Cabriolet ________

    Totaalgewicht

    4647 mm
    4670 mm
    2038 mm
    1543 mm
    2675 mm
    1524 mm
    1506 mm
    ca. 120 mm
    5
    4
    5
    11,9 m
    1036 mm
    1774 mm
    740 mm

    Max. treingewicht
    (= totaalgewicht + max.
    aanhangergewicht)
    Max. asdruk voor
    Max. asdruk achter

    Let erop dat u de maximaal toelaatbare asdruk op voor- of achteras niet mag overschrijden.
    Toelaatbaar gewicht (benevens gewicht bestuurder) = totaalgewicht – rijklaar
    gewicht.
    Het bedrijfsgewicht (rijklaar gewicht + bestuurder à 75 kg) en de laadcapaciteit staan
    aangegeven op de autopapieren (Certificate of Conformity).

    Chassisnummerplaatje

    Lengte bagageruimte, Sport Estate:
    opgeklapte achterbank ______________
    neergeklapte achterbank ____________
    Rijklaar gewicht:
    (incl. het gewicht van de maximale hoeveelheid brandstof, sproeiervloeistof, het
    nodige gereedschap en een reservewiel):
    Sport Sedan ______________________
    Cabriolet _________________________
    Sport Estate ______________________
    Totaalgewicht:
    Sport Sedan ______________________
    Cabriolet _________________________

    1013 mm
    1777 mm

    1370–1640 kg
    1580–1705 kg
    1405–1575 kg
    1910–2090 kg
    2020–2140 kg

  • Page 275

    Technische gegevens
    Sport Estate ______________________
    Max. asdruk:
    Sport Sedan, voor__________________
    Sport Sedan, achter ________________
    Cabriolet, voor ____________________
    Cabriolet, achter ___________________
    Sport Estate, voor __________________
    Sport Estate, achter ________________
    Gewichtsverdeling:
    Sport Sedan, Cabriolet en Sport Estate
    rijklaar gewicht, voor/achter __________
    Sport Sedan en Cabriolet,
    totaalgewicht, voor/achter ____________
    Max. toelaatbaar gewicht op het dak, Sport
    Sedan en Sport Estate ______________
    Max. gewicht aan lading in de
    bagageruimte:
    Sport Sedan ______________________
    Cabriolet _________________________
    Sport Estate ______________________

    275

    1970–2150 kg
    1150 kg
    1010 kg
    1160 kg
    1050 kg
    1150 kg
    1100 kg

    ca. 60/40 %
    ca. 50/50 %
    100 kg

    80 kg
    80 kg
    80 kg

    WAARSCHUWING
    Het toelaatbare totaalgewicht en de asdruk mogen nooit worden
    overschreden. Let erop dat u bij montage van bepaalde accessoires (bijvoorbeeld een trekhaak of een cd-wisselaar) de laadcapaciteit met het gewicht van de accessoires moet verlagen.
    Wanneer u goederen in de auto vervoert, is het belangrijk dat u
    deze goederen goed vastzit. Dit geldt met name wanneer u de
    achterbank geheel of gedeeltelijk hebt neergeklapt.
    Aanhangergewicht
    Geremde aanhanger
    max. 1600 kg
    Voor de 1.9TiD 8v geldt
    max. 1500 kg
    Voor de 1.8i geldt
    max. 1400 kg
    Ongeremde aanhanger
    max. 750 kg
    Voor de 1.8i geldt
    max. 720 kg
    Aanbevolen kogeldruk
    50–75 kg
    Technisch toelaatbare maximumsnelheid
    met geremde aanhanger
    100 km/h
    Hoogst toelaatbare snelheid met ongeNationale wetgeving
    remde aanhanger
    is van toepassing
    Bij gebruik van een aanhanger moet u de
    bandenspanning van de achterwielen met
    0,2 bar (3 psi) verhogen.
    Bovenstaande waarden voor het maximale gewicht en de maximale snelheid zijn de waarden die Saab Automobile AB toestaat.
    Let erop dat de geldende voorschriften en bepalingen in uw land
    deze waarden verder kunnen begrenzen (zie ook blz. 192).

  • Page 276

    276

    Technische gegevens

    Motor
    Type:
    Benzinemotor, 1,8l (1.8i)_____________ 4-cilindermotor,
    2 bovenliggende
    nokkenassen,
    16 kleppen
    Benzinemotor, 2,0l (1.8t, 2.0t en
    4-cilindermotor,
    2.0Turbo) ________________________ 2 bovenliggende
    nokkenassen,
    16 kleppen, dubbele balansassen
    (en een dubbel
    vliegwiel op
    bepaalde varianten)
    Benzinemotor, V6 __________________ 6-cilindermotor,
    4 bovenliggende
    nokkenassen,
    24 kleppen, cilinderrijen onder een
    hoek van 60°
    Dieselmotor, 8v ____________________ 4-cilindermotor,
    1 bovenliggende
    nokkenas, 8 kleppen, dubbel vliegwiel
    Dieselmotor, 16v ___________________ 4-cilindermotor,
    2 bovenliggende
    nokkenassen,
    16 kleppen, dubbel
    vliegwiel
    Cilinderinhoud:
    Benzinemotor, 1,8l (1.8i)_____________ 1,796 dm3

    Benzinemotor, 2,0l _________________
    Benzinemotor, V6 __________________
    Dieselmotor ______________________

    1,998 dm3
    2,792 dm3
    1,910 dm3

    Motorolie
    Informatie over de juiste motorolie staat in het Garantie- en
    Onderhoudsinspectieboekje van de auto.
    Hoeveelheid olie, incl. filter (tijdens het verversen):
    Benzinemotor, 1,8l (1.8i) ____________ 4,25 liter
    Benzinemotor, 2,0l _________________ 6,0 liter
    Benzinemotor, V6 __________________ 6,0 liter
    Dieselmotor ______________________ 4,3 liter

  • Page 277

    Technische gegevens
    Brandstof
    Benzinemotor:
    Inhoud brandstoftank _______________
    Aanbevolen octaangetal _____________
    Auto’s die zijn aangepast voor ethanol:
    Inhoud brandstoftank _______________
    Aanbevolen brandstofkwaliteit ________

    277

    Motorvarianten
    58 liter
    Ongelood 95 (RON)

    61 liter
    E85
    (ook brandstof met
    een lager gehalte
    aan ethanol)
    Motoren die zijn aangepast voor E85 mogen alleen rijden op
    brandstof die voldoet aan de norm CWA 15293 of SS 155480.
    Dieselmotor:
    Inhoud brandstoftank _______________ 58 liter
    Gebruik alleen dieselolie die bestemd is voor automotoren.
    Dieselmotoren moeten op dieselolie lopen die voldoet aan de
    Europese norm NEN-EN590. Het gebruik van stookolie, dieselolie voor scheepsmotoren en dergelijke is niet toegestaan.
    Zorg dat de dieselolie een cetaangetal heeft van minstens 45.

    1.8i injectiemotor
    Vermogen, EEG bij 5800 omw/min ____
    Max. koppel, EEG bij 3800 omw/min ___

    90 kW (122 pk)
    167 Nm (16,9 kpm)

    1.8t Ecopower
    Vermogen, EEG bij 5500 omw/min ____ 110 kW (150 pk)
    Max. koppel, EEG bij 2000-3500 omw/min 240 Nm (24,5 kpm)
    2.0t Ecopower
    Vermogen, EEG bij 5500 omw/min ____ 129 kW (175 pk)
    Max. koppel, EEG bij 2500-4000 omw/min 265 Nm (26,9 kpm)
    2.0 Turbo Ecopower
    Vermogen, EEG bij 5300 omw/min ____ 154 kW (210 pk)
    Max. koppel, EEG bij 2500-4000 omw/min 300 Nm (30,5 kpm)
    2.8 V6 Ecopower
    Vermogen, EEG bij 5500 omw/min ____
    Max. koppel, EEG bij
    1800–4500 omw/min _______________

    184 kW (250 pk)
    350 Nm (35,7 kpm)

  • Page 278

    278

    Technische gegevens
    Elektrisch systeem

    1.9 TiD 8v
    Vermogen, EEG bij 4000 omw/min_____ 88 kW (120 pk)
    Max. koppel, EEG bij 2000-2750 omw/min 280 Nm (28,5 kpm)
    1.9 TiD 16v
    Vermogen, EEG bij 4000 omw/min_____ 110 kW (150 pk)
    Max. koppel, EEG bij 2000-2750 omw/min 320 Nm (32,5 kpm)
    1.9 TTiD Twin-stage Turbo 16v
    Vermogen, EEG bij 4000 omw/min_____
    Max. koppel voor auto’s met een handbak, EEG bij 2000–2500 omw/min _____
    Max. koppel voor auto’s met een automaatbak, EEG bij 2000–2500 omw/min _
    1.8t BioPower
    Vermogen, EEG bij 5500 omw/min_____
    Max, koppel, EEG bij
    2500–4000 omw/min _______________
    2.0t BioPower
    Vermogen, EEG bij 5500 omw/min_____
    Max, koppel, EEG bij
    2500–4000 omw/min _______________

    Spanning _________________________
    Accucapaciteit _____________________

    Remsysteem
    Voetrem met ABS en EBD ____________

    132 kW (180 pk)
    400 Nm (40,6 kpm)
    370 Nm (37,6 kpm)
    Handrem__________________________
    129 kW (175 pk)
    265 Nm (27,0 kpm)

    147 kW (200 pk)
    300 Nm (30,5 kpm)

    12 V
    60, 70 of 85 Ah
    afhankelijk van de
    motorvariant

    Remvloeistof_______________________

    Hydraulisch
    bediende schijfremmen met vacuümrembekrachtiging,
    diagonaal gescheiden tweekringssysteem, geventileerde
    schijven voor (op
    bepaalde varianten
    ook achter), EBD
    zie blz. 176.
    Werkt op
    achterwielen
    Volgens DOT 4.
    Geen DOT 5
    gebruiken.

  • Page 279

    Technische gegevens
    Hydraulische eenheid voor kapbediening,
    Cabriolet
    Hoeveelheid olie ____________________
    Type olie __________________________

    0,6 liter
    CHF 11S

    Velgen en banden
    Zomerbanden
    6,5x15 ___________________________
    6,5x15 ___________________________
    6,5x16 ___________________________
    7x17 ____________________________

    195/65 R15 91 H
    215/60 R15 94 V
    215/55 R16 93 V
    225/45 R17 94 W
    RF/XL
    7,5x17 ___________________________ 235/45 R17 94 W/
    225/45 R17 94 W
    RF/XL
    7,5x18 3 _________________________ 225/45 R18 95 W
    RF/XL
    Het wordt geadviseerd te informeren naar de mogelijkheden,
    voordat u wielen/banden met andere maten monteert. U wordt
    geadviseerd daarover contact op te nemen met een erkende
    Saab-werkplaats.

    Winterbanden
    6,5x15___________________________

    6,5x16___________________________
    7x17 ____________________________
    7,5x17___________________________
    Reservewiel (thuiskomer) 3
    Velg ____________________________
    Banden __________________________
    Bandenspanning __________________
    Max. aantal kilometer _______________
    Max. snelheid _____________________
    Reservewiel 3
    Velg ____________________________
    Banden __________________________

    Velg ____________________________
    Banden __________________________
    Bandenspanning en maximumsnelheid _

    279

    195/65 R15 91 Q
    M+S of
    205/65 R15 94 Q
    215/55 R16 93 Q
    M+S
    225/45 R17 94 Q
    RF/XL M+S
    235/45 R17 94 Q
    M+S
    4x16
    125/85 R16 99 M
    4,2 bar (60 psi)
    3500 km
    80 km/h
    6,5x15
    195/65 R15 91H
    of
    215/60 R15 94V
    6,5x16
    215/55 R16 93V
    zie bandenspanningstabel, blz. 282.

  • Page 280

    280

    Technische gegevens

    N.B.

    N.B.

    Sneeuwkettingen

    Het gebruik van velgen met een diameter groter dan 18" is niet toegestaan.

    Sneeuwkettingen zijn alleen te gebruiken in combinatie met de
    volgende soorten wielen/banden:
    Velg

    Band

    6,5x15________ 195/65 R15 M+S of 195/65 R15
    6,5x16________ 215/55 R16 M+S of 215/55 R16
    U wordt geadviseerd contact op te nemen met een erkende Saabwerkplaats voor informatie over passende velgen voor sneeuwkettingen. Sommige varianten zijn uitgerust met grotere remschijven die niet te combineren zijn met bepaalde velgen.
    U wordt geadviseerd contact op te nemen met een erkende Saabdealer voor informatie over geschikte sneeuwkettingen.
    De maximale snelheid bij het gebruik van sneeuwkettingen
    bedraagt 50 km/h.
    Het gebruik van sneeuwkettingen op velgen groter dan 16" is niet
    toegestaan.
    U mag geen sneeuwkettingen om de achterbanden leggen.

    Wees voorzichtig wanneer u op oneffen wegen rijdt of met een
    zwaar beladen auto (met aanhanger) tegen trottoirbanden oprijdt.
    Dit geldt met name bij gebruik van 18" wielen.
    De maximaal toelaatbare bolling van de velgen bedraagt 41 mm.

  • Page 281

    Technische gegevens
    Aanbevolen bandensoort per motorvariant

    1.8i
    Zomerbanden
    195/65 R15 91 H

    2
    2
    2
    2
    2
    2

    1.8t

    2.0t

    2.0 Turbo

    1)

    2)

    3)

    2
    2
    2
    2
    2
    2


    2
    2
    2
    2
    2

    V6

    1.9 TiD 8v 1.9 TiD 16v

    24)
    2
    2
    2
    2
    2


    215/60 R15 94 V
    2
    215/55 R16 93 V
    2
    225/45 R17 94 W RF/XL
    2
    235/45 R17 94 W
    2
    225/45 R18 95 W RF/XL
    2
    Winterbanden
    195/65 R15 91 Q *)
    24)
    2
    2
    2


    24)
    4)
    205/65 R15 94 Q
    2
    2
    2


    2
    24)
    215/55 R16 93 Q
    2
    2
    2
    2
    2
    2
    2
    225/45 R17 94 Q RF/XL
    2
    2
    2
    2
    2
    2
    2
    235/45 R17 94 Q
    2
    2
    2
    2
    2
    2
    2
    Velgmaat
    6,5x15, staal en lichtmetaal
    24)
    2
    2
    2


    24)
    6,5x16, staal
    2
    2
    2
    2
    2
    2
    2
    6,5x16, lichtmetaal
    2
    2
    2

    2
    2
    2
    7x17, lichtmetaal
    2
    2
    2
    2
    2
    2
    2
    7,5x17, lichtmetaal
    2
    2
    2
    2
    2
    2
    2
    7,5x18, lichtmetaal
    2
    2
    2
    2
    2
    2
    2
    *) Af te raden in combinatie met een sportchassis.
    1) ook 1.8t BioPower. 2) optie voor 1.8t BioPower. 3) ook 2.0t BioPower.4) uitgezonderd Cabriolet.
    RF/XL = “Reinforced”, banden met verstevigde zijwanden of “Extra Load”, banden met een extra hoog draagvermogen.



    2
    2
    2



    2

    2
    2

    1.9 TTiD




    2
    2
    2


    2
    2
    2

    2

    2
    2
    2

    281

  • Page 282

    282

    Technische gegevens

    Aanbevolen minimumbandenspanning, koude banden

    Bandenmaat

    Belading/snelheid
    (km/h)
    195/65 R15 91 H
    1–3 inz./0–160
    4–5 inz./0–160
    1–5 inz./160–
    Voor een lager brandstofverbruik
    215/60 R15 94 V
    1–3 inz./0–160
    4–5 inz./0–160
    1–5 inz./160–
    Voor een lager brandstofverbruik
    215/55 R16 93 V
    1–3 inz./0–160
    4–5 inz./0–160
    1–5 inz./160–
    Voor een lager brandstofverbruik
    225/45 R17 94 W
    1–3 inz./0–190
    RF/XL
    4–5 inz./0–190
    1–5 inz./190–
    Voor een lager brandstofverbruik
    235/45 R17 94W
    1–3 inz./0–190
    4–5 inz./0–190
    1–5 inz./190–
    Voor een lager brandstofverbruik
    225/45 R18 95 W
    1–3 inz./0–190
    RF/XL
    4–5 inz./0–190
    1–5 inz./190–
    Voor een lager brandstofverbruik

    Voor
    bar/psi
    2,3/33
    2,3/33
    2,6/38
    2,6/38
    2,4/35
    2,4/35
    2,8/41
    2,8/41
    2,2/32
    2,2/32
    2,6/38
    2,6/38
    2,4/35
    2,4/35
    2,8/41
    2,8/41
    2,4/35
    2,4/35
    2,8/41
    2,8/41
    2,4/35
    2,4/35
    2,8/41
    2,8/41

    Achter
    bar/psi
    2,3/33
    2,3/33
    2,6/38
    2,6/38
    2,2/32
    2,2/35
    2,6/38
    2,6/38
    2,2/32
    2,2/32
    2,6/38
    2,6/38
    2,4/35
    2,4/35
    2,8/41
    2,8/41
    2,4/35
    2,4/35
    2,8/41
    2,8/41
    2,4/35
    2,4/35
    2,8/41
    2,8/41

    195/65 R15 91 Q
    1–3 inz./0–160
    2,4/35
    2,4/35
    winterbanden
    4–5 inz./0–160
    2,8/41
    2,8/41
    205/65 R15 94 Q
    1–3 inz./0–160
    2,4/35
    2,4/35
    winterbanden
    4–5 inz./0–160
    2,8/41
    2,8/41
    215/55 R16 93 Q
    1–3 inz./0–160
    2,4/35
    2,4/35
    winterbanden
    4–5 inz./0–160
    2,8/41
    2,8/41
    225/45 R17 94 Q
    1–3 inz./0–160
    2,5/36
    2,5/36
    RF/XL
    4–5 inz./0–160
    2,9/42
    2,9/42
    winterbanden
    235/45 R17 94 Q
    1–3 inz./0–160
    2,4/35
    2,4/35
    winterbanden
    4–5 inz./0–160
    2,8/41
    2,8/41
    Max. 80
    4,2/60
    4,2/60
    125/85 R16 99 M 3
    reservewiel
    195/65 R15 91H 3 Wanneer het reservewiel dezelfde maten
    215/60 R15 94V 3 heeft als de resterende wielen van de auto,
    215/55 R16 93V 3 gelden dezelfde limieten qua belading en
    reservewiel
    snelheid als die voor de originele banden.
    Met koude banden worden banden bedoeld die dezelfde temperatuur hebben als de omgeving.
    De bandenspanningswaarden in de tabel gelden bij 20 °C.
    Wanneer de bandentemperatuur stijgt (bijvoorbeeld na een snelle
    rit op de snelweg), neem de bandenspanning toe. Omgekeerd
    geldt dat de bandenspanning afneemt naarmate de bandentemperatuur daalt.
    Bij een wijziging van de bandentemperatuur van 10 °C stijgt of daalt
    de bandenspanning met 0,1 bar (10 kPa, 2 psi).
    De snelheidsindex die in de tabel staat is de laagste snelheidsindex
    die toelaatbaar is. Zie blz. 251 voor de snelheidsindices.

  • Page 283

    Technische gegevens
    Plaatjes en stickers
    Wanneer u contact opneemt met een werkplaats kan het handig zijn als u het chassisnummer, het motornummer en het versnellingsbaknummer van de auto bij de hand
    hebt of weet te vinden.
    1 Chassisnummer en streepjescode, aan
    de binnenzijde van de voorruit
    2 Versnellingsbaknummer
    3 Motornummer
    4 Sticker voor bandenspanning en kleurcodes (bekleding en lak)
    5 Chassisnummer met nummer
    EU-typegoedkeuring
    6 Chassisnummer (in carrosserie
    geslagen)

    283

  • Page 284

    284

    Technische gegevens
    • Mogelijkheid om de auto automatisch te
    laten ontgrendelen, wanneer u de auto tot
    stilstand hebt gebracht en de afstandsbediening uit het contactslot neemt.

    Diefstalalarm 3

    U wordt geadviseerd contact op te nemen
    met een erkende Saab-werkplaats.

    • Mogelijkheid om de bagageklep te
    vergrendelen wanneer u wegrijdt of
    30 seconden na het sluiten.

    • Mogelijkheid om de binnenverlichting in
    te schakelen, wanneer het diefstalalarm
    afgaat.

    Centrale vergrendeling

    • Mogelijkheid om de lengte van de afgegeven bevestigingssignalen (licht en geluid)
    bij te stellen.

    • Mogelijkheid om de claxon of de sirene
    van het diefstalalarm te gebruiken voor
    het afgeven van geluidssignalen.

    • Mogelijkheid om de bagageklep wel of
    niet te ontgrendelen, wanneer u de portieren ontgrendelt.

    • Mogelijkheid om een paniekfunctie in
    te bouwen op modellen zonder
    diefstalalarm.

    “Follow Me Home”

    Automatische klimaatregeling (ACC) 3

    Functies die naar wens af te
    stellen zijn
    Sommige autosystemen kunt u laten
    afstemmen op uw individuele behoeften.

    Sommige functies zijn wettelijk verplicht en
    mogen in dat geval niet worden gewijzigd.
    U wordt geadviseerd contact op te nemen
    met een erkende Saab-werkplaats voor
    informatie.
    Hier volgt een aantal voorbeeld van de functies die u naar wens kunt laten afstellen.
    • Mogelijkheid om een geluidssignaal te
    krijgen bij vergrendeling/ontgrendeling.
    • U kunt de functie van TSL kiezen; standaardfunctie:
    De functie wordt automatisch geactiveerd
    wanneer u de auto vergrendelt met een
    druk op de knop
    van de afstandsbediening (waarna de portieren niet vanaf
    de binnenzijde te openen zijn.)
    Aangepaste functie van TSL:
    U schakelt de TSL in door tweemaal
    binnen 5 seconden op de bijbehorende
    knop te drukken. De eerste maal dat u op
    de knop drukt, vergrendelt u de auto op de
    “gebruikelijke” manier (de portieren zijn
    dan nog vanaf de binnenzijde te openen).

    • Mogelijkheid om aan te geven hoe lang
    de verlichting moet blijven branden.
    • Mogelijkheid om aan te geven of de
    achteruitrijlichten of de achterlichten in
    combinatie met het dimlicht moeten gaan
    branden.

    Hier volgt een aantal voorbeeld van de functies die u naar wens kunt laten afstellen.

    • Om de hoeveelheid lucht uit de dashboard- en vloeropeningen te verhogen
    bestaat de mogelijkheid om geen lucht
    naar de ontwasemingsopeningen te laten
    sturen (kan wenselijk zijn in een warm
    klimaat).
    • Cabriolet: Mogelijkheid om de A/Ccompressor niet uit te laten schakelen bij
    het openen van de kap.

  • Page 285

    Technische gegevens
    Waarschuwingen en
    aanduidingen die op het SID
    kunnen verschijnen
    Welke waarschuwingen en aanduidingen er
    kunnen verschijnen hangt af van de motorvariant en het uitrustingsniveau.
    De waarschuwingen/meldingen met een
    uitroepteken verschijnen samen met een
    waarschuwings- of controlelampje op het
    hoofdinstrument.
    Symbool

    Tekst
    Antilock brake malfunc.
    Contact service. (Storing antiblokkeerremsysteem. Bezoek
    een werkplaats.)
    Brake malfunction.
    Make a safe stop. (Storing remmen. Breng auto veilig tot stilstand.)
    Brake fluid level low.
    Make a safe stop. (Peil remvloeistof laag. Breng auto veilig tot stilstand.)
    Release park brake. (Haal auto
    van handrem.)
    Oil pressure low.
    Make a safe stop. (Oliedruk
    laag. Breng auto veilig tot stilstand.)

    Low engine oil level.
    Fill oil now. (Peil motorolie
    laag. Vul zo spoedig mogelijk
    olie bij.)
    Water in fuel.
    Contact service. (Water in de
    brandstof. Neem contact op
    met een werkplaats.)
    Reduced engine power.
    Contact service. (Beperkt
    motorvermogen. Bezoek een
    werkplaats.)
    Limited performance.
    (Beperkte prestaties.)
    Coolant level low.
    Refill. (Peil koelvloeistof laag.
    Bijvullen vereist.)
    Hot engine. Make a
    safe stop. Idle engine. (Motor
    heet. Breng auto veilig tot stilstand. Laat motor stationair
    lopen.)
    Airbag malfunction.
    Contact service. (Storing airbags. Bezoek een werkplaats.)
    Use your seatbelt. (Doe veiligheidsgordel(s) om.)
    Gearbox too hot. Make a
    safe stop. Open hood.
    (Versnellingsbak te heet.
    Breng auto veilig tot stilstand.
    Open motorkap.)

    285

    Battery not charging.
    Make a safe stop. (Accu wordt
    niet bijgeladen. Breng auto veilig tot stilstand.)
    Headlight levelling
    malfunction. (Storing koplamphoogteregeling.)
    Cornering headlights (Bochtverlichting)
    malfunction (storing)
    Tap brakes lightly
    before using cruise ctrl. (Vóór
    activering van Cruise control
    lichtjes op rempedaal trappen.)
    Traction control failure.
    Contact service. (Storing aandrijfregelsysteem. Bezoek een
    werkplaats.)
    Stability control failure.
    Contact service. (Storing
    stabiliteitsprogramma. Bezoek
    een werkplaats.)
    Washer fluid level low.
    Refill. (Peil sproeiervloeistof
    laag. Bijvullen vereist.)
    Key not accepted.
    Contact service. (Sleutel niet
    geaccepteerd. Bezoek een
    werkplaats.)
    Remote control battery
    low. Replace battery. (Batterijtje afstandsbediening uitgeput. Vervang batterijtje.)

  • Page 286

    286

    Technische gegevens
    Number of keys:
    Active key number:
    (Aantal sleutels:
    Actief sleutelnummer:)
    Steering lock malfunc.
    Make a safe stop. (Storing
    stuurslot. Breng auto veilig tot
    stilstand.)
    Pull out key, turn
    steering wheel. Restart. (Neem
    sleutel uit en draai aan stuurwiel. Opnieuw starten.)
    Theft protection failure.
    Contact service. (Storing diefstalbeveiliging. Bezoek een
    werkplaats.)
    Alarm tripped during
    last arming period. (Alarm
    afgegaan tijdens voorgaande
    activeringsduur.)
    Rear left seat
    backrest unlocked. (Linker
    ruggedeelte achterbank niet
    vergrendeld.)
    Rear right seat
    backrest unlocked. (Rechter
    ruggedeelte achterbank niet
    vergrendeld.)
    Parking assistance
    malfunction. Service. (Storing
    parkeerhulpsysteem. Bezoek
    een werkplaats.)

    Parking assistance
    sensor interference. (Sensor
    parkeerhulpsysteem
    gestoord.)
    Close doors.
    (Sluit portieren.)
    Left brake light failure.
    (Remlicht links defect.)
    Left main beam failure.
    (Groot licht links defect.)
    Left dipped beam failure.
    (Dimlicht links defect.)
    Rear fog light failure. (Mistachterlicht defect.)
    Right brake light failure.
    (Remlicht rechts defect.)
    Right main beam failure.
    (Groot licht rechts defect.)
    Right dipped beam failure.
    (Dimlicht rechts defect.)
    High mounted stop
    light failure. (Storing hoog
    geplaatst remlicht.)

    Left front direction
    indicator failure. (Storing richtingaanwijzer links voor.)
    Left rear direction
    indicator failure. (Storing richtingaanwijzer links achter.)
    Right front direction
    indicator failure. (Storing richtingaanwijzer rechts voor.)
    Right rear direction
    indicator failure. (Storing richtingaanwijzer rechts achter.)
    Right side-mounted
    direction indicator fail. (Storing rechts gemonteerde richtingaanwijzer.)
    Left side-mounted
    direction indicator fail. (Storing links gemonteerde richtingaanwijzer.)
    Left front position
    light failure. (Storing parkeerlicht links voor.)
    Right front position
    light failure. (Storing parkeerlicht rechts voor.)
    Left front fog light
    failure. (Storing mistlamp links
    voor.)
    Right front fog light
    failure. (Storing mistlamp
    rechts voor.)

  • Page 287

    Technische gegevens
    Left reversing light
    failure. (Storing achteruitrijlicht links.)
    Right reversing light
    failure. (Storing achteruitrijlicht rechts.)
    Number plate light
    failure. (Storing kentekenplaatverlichting.)
    Left rear tail light
    failure. (Storing achterlicht
    links achter.)
    Right rear tail light
    failure. (Storing achterlicht
    rechts achter.)
    Tyre pressure low,
    rear left. Check tyres. (Bandenspanning laag, linksachter.
    Controleer banden.)
    Tyre pressure low,
    rear right. Check tyres. (Bandenspanning laag, rechtsachter. Controleer banden.)
    Tyre pressure low,
    front right. Check tyres. (Bandenspanning laag, rechtsvoor.
    Controleer banden.)
    Tyre pressure low,
    front left. Check tyres. (Bandenspanning laag, linksvoor.
    Controleer banden.)

    Flat tyre rear left.
    Make a safe stop. (Lekke band
    linksachter. Stop z.s.m.)
    Flat tyre rear right.
    Make a safe stop. (Lekke band
    rechtsachter. Stop z.s.m.)
    Flat tyre front left.
    Make a safe stop. (Lekke band
    linksvoor. Stop z.s.m.)
    Flat tyre front right.
    Make a safe stop. (Lekke band
    rechtsvoor. Stop z.s.m.)
    Tyre pressure system
    failure. Contact service. (Storing bandenspanningscontrole. Bezoek een werkplaats.)
    Time for service.
    (Tijd voor onderhoud.)

    287

  • Page 288

    288

    Technische gegevens

    Hulpverwarming en
    standverwarming 3
    WAARSCHUWING
    • Zet de standverwarming op brandstof uit tijdens het tanken.
    • Maak nooit gebruik van de standverwarming op brandstof,
    wanneer de auto in een garage of iets dergelijks geparkeerd
    staat.

    Standverwarming op brandstof
    Modellen met een dieselmotor

    Op bepaalde markten zijn auto’s met een dieselmotor uitgerust met
    een hulpverwarming 3. Deze hulpverwarming werkt op dieselolie
    en start automatisch bij het aanslaan van de motor, als de koelvloeistoftemperatuur lager is dan 75 °C en het buiten kouder is dan 8 °C.
    De hulpverwarming zorgt ervoor dat de motor sneller op bedrijfstemperatuur komt.
    Voor dergelijke auto’s is als accessoire een standverwarmingsset
    verkrijgbaar. Deze set maakt het mogelijk om de hulpverwarming
    ook als standverwarming te gebruiken.
    Standverwarming 3, op dieselolie of benzine

    De starttijd van de standverwarming wordt geregeld op het SID
    (Settings (Instellingen)) (zie blz. 289). De klimaatregeling wordt
    gelijktijdig met de verwarming geactiveerd. Handmatige instellingen
    (zie blz. 116).
    N.B. De standverwarming neemt een geringe hoeveelheid stroom
    af. U wordt daarom geadviseerd na een aantal uren gebruik te
    hebben gemaakt van de verwarming, minstens evenveel uren met

    de auto te rijden om de accu weer voldoende op te laden. Dit geldt
    in het bijzonder bij lage buitentemperaturen en bij intensief gebruik
    van de accu. Controleer van tijd tot tijd de ladingstoestand van de
    accu en laad de accu zo nodig bij.
    Schakel de standverwarming ook ’s zomers eenmaal per maand
    even in. Zo voorkomt u dat stilstaande benzine kan verdampen en
    voor aanslag in het systeem kan zorgen. Dergelijke aanslag kan
    namelijk aanleiding geven tot functiestoringen.
    De standverwarming heeft een maximale bedrijfstijd van 30 minuten.
    Als u een kortere bedrijfstijd wenst, bijvoorbeeld 15 minuten, dan
    kunt u de starttijd instellen op 15 minuten voor het vertrek. De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer de ingestelde
    temperatuur bereikt is.
    De verwarming kan niet starten, als er minder dan 10 liter brandstof
    in de tank zit.
    Wanneer de standverwarming actief is, verschijnt het volgende
    symbool op het hoofdinstrument:

    .

    Modellen met een benzinemotor

    Als de auto is uitgerust met standverwarming 3 doet deze tevens
    dienst als hulpverwarming. De hulpverwarming start automatisch bij
    het aanslaan van de motor, als de koelvloeistoftemperatuur lager is
    dan 75 °C en het buiten kouder is dan 8 °C. De hulpverwarming
    zorgt dat de motor sneller op bedrijfstemperatuur komt.

    Elektrische motorverwarming
    met 230V-aansluiting in het interieur 3
    Het is mogelijk de starttijd van de elektrische motorverwarming te
    regelen met het SID. U hebt daarvoor een speciale accessoirekit
    nodig. U wordt geadviseerd contact op te nemen met een erkende
    Saab-werkplaats.

  • Page 289

    Technische gegevens
    Wanneer u de elektrische motorverwarming
    inschakelt, activeert u tegelijkertijd
    de 230V-aansluiting in het interieur (voor
    zover uw auto een dergelijke aansluiting
    heeft).
    Bij gebruik van de speciale accessoirekit
    voor tijdsturing geldt het volgende:
    De elektrische motorverwarming heeft een
    bedrijfstijd van maximaal 180 minuten.
    Als u een kortere bedrijfstijd wenst, bijvoorbeeld 30 minuten, dan kunt u de starttijd
    instellen op 30 minuten voor het vertrek. De
    verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de motor start.

    Block Heater
    (Motorverwarming) 3 / Park
    Heater (Standverwarming) 3
    Als de auto is uitgerust met standverwarming op brandstof of elektrische motorverwarming, kunt u de starttijden in Settings
    (Instellingen) instellen onder de kopjes
    Block Heater (Motorverwarming)/Park
    Heater (Standverwarming).
    Verricht de instelling binnen 3 minuten
    nadat u de motor hebt afgezet en de
    afstandsbediening hebt uitgenomen. Wanneer u binnen deze 3 minuten aan het
    instellen begint, wordt de beschikbare tijd in
    stappen van 30 seconden verlengd. Anders
    moet u de afstandsbediening weer in het
    slot steken, naar stand ON draaien en
    wachten totdat de tekst “Checking” gedoofd
    is. Daarna kunt u de afstandsbediening
    terugdraaien, uitnemen en opnieuw beginnen.
    1 Kies Settings (Instellingen) met de
    stuurknoppen,
    of .

    289

    Om de verwarming nu te starten,
    MANUAL CONTROL
    (Handmatige bediening) (de verwarming
    is uitgeschakeld)

    1 Druk de SET-knop in.
    2 Kies voor MANUAL CONTROL
    (Handmatige bediening).
    3 Sluit af met een druk op de knop SET.
    Achteruit/terug met de CLR-knop.
    Om de starttijd te kiezen, Timer A, B or C
    (Timer A, B of C) (de verwarming is uitgeschakeld)

    1 Druk de SET-knop in.
    2 Kies Timer A, B or C (Timer A, B of C)
    met de stuurknoppen.
    3 Druk de SET-knop in. De starttijd van de
    verwarming kan nu worden afgesteld
    met de stuurknoppen. Druk vervolgens
    op de SET-knop, START en de gekozen
    starttijd verschijnt.
    4 Sluit af met een druk op de knop SET.

    2 Houd de knop SET ingedrukt totdat er
    een geluidssignaal klinkt.

    Achteruit/terug met de CLR-knop.

    3 Kies Block Heater (Motorverwarming)
    of Park Heater (Standverwarming).

    Om de verwarming uit te schakelen als
    deze aan is

    Achteruit/terug met de CLR-knop.

    1 Druk de SET-knop in.
    2 Kies voor OFF (Uit).
    3 Sluit af met een druk op de knop SET.
    Achteruit/terug met de CLR-knop.

  • Page 290

    290

    Technische gegevens

    Bevestigingspunten voor een originele trekhaak van Saab 3

    De maten tussen haakjes gelden voor de
    9-3 Sport Estate

  • Page 291

    Trefwoordenregister

    Trefwoordenregister

    A
    Aanbevolen brandstofkwaliteit ____
    Aanbevolen sneeuwkettingen _____
    Aandrijfriem _______________
    Aanhaalmoment voor wielen _____
    Aanstaande moeders _________
    Aansteker ________________
    Aantal afstandsbedieningen
    controleren _______________
    ACC ___________________
    ACC, Cabriolet _____________
    ACC, condenswater __________
    Accu ___________________
    Acculader/starthulpeenheid ______
    Achterbank neerklappen, Sport Estate
    Achterbank neerklappen,
    Sport Sedan ______________
    Achterbank, kinderzitje monteren ___
    Achterbank, neerklappen,
    Sport Estate ______________
    Achterruitverwarming__________
    Achterste sleepoog ___________
    Achteruitkijkspiegel ___________
    Achteruitkijkspiegel en zijspiegels __
    Achteruitkijkspiegel met automatische
    anti-verblindingsregeling _______
    Achteruitrijlichten ____________

    161
    279
    222
    259
    19
    135
    54
    112
    120
    115
    220
    201
    142
    138
    30
    142
    116
    197
    129
    128
    129
    107

    Activeren van het alarm ________ 57
    Adaptieve schakelpatronen _____ 168
    Adviezen voor de bediening
    van de kap _______________ 64
    Adviezen voor modellen met een
    automaatbak, rijden met een
    aanhanger ______________ 193
    Adviezen voor modellen met een
    handbak, rijden met een aanhanger 194
    Afstandsbediening____________ 48
    Afstandsbediening,
    batterijtje vervangen __________ 54
    Afstelling, ACC _____________ 119
    Airbag ___________________ 35
    Airconditioning onderhouden ____ 271
    Akoestisch parkeerhulpsysteem ___ 184
    Alarm ___________________ 56
    Alarm, SID ________________ 98
    Alarmlichten ______________ 107
    Alarmtijd instellen, SID _________ 98
    Algemene informatie over kinderen en
    veiligheid ________________ 29
    Algemene veiligheidsvoorschriften,
    Cabriolet ________________ 64
    Alternatieve banden en velgen ___ 250
    Anti-blokkeerremsysteem ______ 175
    Anti-blokkeerremsysteem (ABS) __ 175
    Anti-doorslipregeling _________ 177
    Asbakken ________________ 135
    Auto slepen_______________ 198
    Automaatbak ______________ 167
    Automaatbak, sportprogramma ___ 168

    291

    Automatische anti-verblindingsregeling
    achteruitkijkspiegel __________ 129
    Automatische klimaatregeling (ACC) 112
    Autovervoer _______________ 199

    B
    Bagageklep geforceerd ontgrendelen,
    Cabriolet _________________ 82
    Bagageklep handmatig ontgrendelen,
    Cabriolet _________________ 82
    Bagageklep, openen ___________ 52
    Bagageklep, rijden met een geopende 196
    Bagagenet _______________ 146
    Bagagenet, voor vloerbevestiging __ 148
    Bagagerolhoes, Sport Estate _____ 150
    Bagageruimte ______________ 138
    Bagageruimteverlichting _____ 134, 140
    Bagageruimteverlichting, Cabriolet __ 81
    Bandaanduidingen ___________ 251
    Banden _________________ 250
    Banden verwisselen _______ 251, 256
    Banden, draairichting _________ 252
    Bandenmaten ______________ 279
    Bandenreparatieset __________ 259
    Bandenspanning ____________ 250
    Bediening achterste zijruiten buiten
    werking stellen, Sport Sedan en
    Sport Estate ______________ 126
    Bekerhouder ______________ 134
    Bekleding, reinigen ___________ 264

  • Page 292

    292

    Trefwoordenregister

    Bekleding, schoonmaken _______
    Belangrijke informatie over
    modellen met een benzinemotor __
    Belangrijke informatie voor het rijden
    Belangrijke informatie, modellen
    met een dieselmotor _________
    Benzinekwaliteit _____________
    Benzinemeter ______________
    Bergen __________________
    Bescherming bij aanrijdingen
    van opzij ________________
    Bescherming tegen corrosie _____
    Bescherming tegen hoofdletsel ____
    Bestuurdersstoel met geheugen ___
    Bevestigingsogen ____________
    Bewegingsmelder, diefstalalarm ___
    Binnenverlichting ____________
    Binnenverlichting, Cabriolet ______
    Blikhouder ________________
    Bochtverlichting _____________
    Boordcomputer, SID __________
    Brandstof tanken ____________
    Brandstofkwaliteit ____________
    Brandstofmeter _____________
    Buitenlandse reizen __________
    Buitenspiegels _____________
    Buitentemperatuur ___________

    264

    C

    158
    156

    Cabriolet _________________ 63
    Cabriolet wassen ___________ 266
    Cabriolet, wassen ___________ 266
    Centrale vergrendeling _________ 48
    Cetaangetal, diesel __________ 277
    Chassisnummer ____________ 283
    Claxonknop_______________ 124
    Claxonneren ______________ 124
    Comfortsluiten van zijruiten,
    Sport Sedan en Sport Estate ____ 126
    Compressor, bandenreparatieset __ 259
    Condenswater, ACC _________ 115
    Contactslot _______________ 152
    Controlelampjes _____________ 84
    Controleren, koppelingsvloeistof __ 218
    Cruisecontrol ______________ 173

    159
    277
    92
    199
    40
    268
    40
    25
    140
    58
    133
    80
    134
    104
    93
    160
    277
    92
    202
    128
    94

    D
    Dagteller, resetten ____________ 93
    Daklastdrager monteren _______ 195
    Dashboard, overzicht ___________ 3
    Dashboardkastje____________ 136
    Datum op SID instellen ________ 101
    Datumcode van de banden _____ 252
    Datumcode, banden _________ 252
    Diefstalalarm _______________ 56
    Diefstalalarm geforceerd laten afgaan 59

    Diepe waterplassen, rijden door ___ 196
    Doorsteekluik, Sport Estate ______ 144
    Doorsteekluik, Sport Sedan ______ 139
    Draairichting van de banden _____ 252
    Drukmeter _________________ 91

    E
    “Easy Entry”, Cabriolet _________ 75
    Een jerrycan vullen ___________ 164
    Electronic Stability Program, ESP® _ 179
    Elektrisch bediende stoelen_______ 24
    Elektrisch bediende voorstoelen ____ 24
    Elektrisch bediende zijruiten _____ 125
    Elektrisch bediende zijruiten kalibreren,
    Sport Sedan en Sport Estate ____ 127
    Elektrisch bediende zijruiten vooraan
    met klembeveiliging afstellen,
    Cabriolet _________________ 80
    Elektrisch bediende zijruiten, Cabriolet 79
    Elektrisch stuurslot ___________ 153
    Elektrisch systeem,
    technische gegevens ________ 278
    Elektrische bediening van zijruit
    passagiersportier buiten werking
    stellen, Cabriolet ____________ 79
    Elektrische motorverwarming _____ 188
    Elektronische startblokkering ______ 56
    ESP® , stabiliteitsprogramma _____ 179
    Exterieur, overzicht ___________ 4
    Extra aansluiting ____________ 135

  • Page 293

    Trefwoordenregister

    F
    Factoren die van invloed zijn op het
    brandstofverbruik ___________
    Filter, roetfilter ______________
    “Flat spots”, banden __________
    “Follow Me Home”-verlichting _____
    Functies, ACC ______________
    Functies, diefstalalarm _________

    187
    159
    263
    103
    116
    60

    G
    Garagekrik ________________
    Gebruik van acculader/
    starthulpeenheid ___________
    Geforceerd openen, tankvulklep,
    Sport Sedan ______________
    Geheugen, bestuurdersstoel _____
    Geheugenfunctie, elektrisch bediende
    bestuurdersstoel ___________
    Geluidssignalen van verschillende
    systemen ________________
    Gereedschap en reservewiel _____
    Gevarendriehoek ____________
    Gloeibougie, dieselmotor _______
    Gloeilamp bagageruimteverlichting,
    vervangen _______________
    Gloeilamp kentekenplaatverlichting,
    vervangen _______________

    Gloeilamp plafondverlichting,
    vervangen ______________ 236
    Gloeilampen vervangen _______ 225
    Gloeilampentabel ___________ 239
    Gordelgeleider, Sport Sedan en Sport
    Estate __________________ 18
    Gordelspanners _____________ 20
    Gordelwaarschuwing __________ 16
    Gordijnairbag, Sport Sedan ______ 41
    Grootlichtsignalen ___________ 102

    H
    257
    201
    62
    25
    25
    106
    253
    107
    88
    238
    236

    Handbak ________________ 166
    Handmatig bediende stoelen _____ 22
    Handmatig openen, tankvulklep,
    Cabriolet ________________ 81
    Handmatig schakelen _________ 172
    Handmatig sluiten van kap, Cabriolet _ 70
    Handrem ________________ 181
    Hanteren en verschroten van airbags
    en gordelspanners ___________ 44
    Hellingssensor ______________ 58
    Hellingssensor, diefstalalarm _____ 58
    Herstellen van lakschade _______ 268
    Hoofdinstrument _____________ 84
    Hoofdschakelaar____________ 222
    Hoofdsteun ________________ 27
    Hoofdsteun, Cabriolet __________ 76
    Hulpaccu, starthulp met _______ 200
    Hulpverwarming ____________ 288

    293

    I
    Immobilisatiefunctie ___________ 56
    In de was zetten en oppoetsen ____ 267
    Indices van het draagvermogen,
    banden _________________ 251
    Inloopperiode van nieuwe remblokken 165
    Inrijperiode _______________ 165
    Instapverlichting ____________ 237
    Instellen, datum ____________ 101
    Instellingen in speciale
    weersomstandigheden, ACC ____ 119
    Instrumenten en bediening _______ 83
    Instrumentenverlichting, afstelling __ 103
    Interieur _________________ 123
    Interieur, overzicht ____________ 5
    Interieurverlichting ___________ 133
    Interieurverlichting, Cabriolet ______ 80
    ISOFIX, bevestigingspunten voor
    kinderzitjes _______________ 34

    K
    Kap bedienen _______________ 65
    Kap geforceerd sluiten, Cabriolet ___ 70
    Kap handmatig sluiten, Cabriolet____ 70
    Kap impregneren ____________ 266
    Kap openen, Cabriolet __________ 66
    Kap sluiten, Cabriolet __________ 68
    Kickdown ________________ 169

  • Page 294

    294

    Trefwoordenregister

    Kilometerteller ______________
    Kinderen en veiligheid _________
    Kinderslot, achterportier ________
    Kinderzitjes _______________
    Kinderzitjes van Saab _________
    Klembeveiliging, elektrisch bediende
    zijruiten, Sport Sedan en
    Sport Estate ______________
    Klembeveiliging, zonnedak ______
    Kleurcodes, bekleding en carrosserie
    Klok ____________________
    Knop voor accessoire, Sport Sedan
    en Sport Estate ____________
    Knoppen op het bestuurdersportier _
    Koelvloeistof ____________________
    Kogeldruk, trekhaak __________
    Koplampen _______________
    Koplampen, gloeilampen vervangen _
    Koplamphoogteregeling ________
    Koplampsproeiers ___________
    Krik ____________________
    Kruissnelheidsregeling _________
    Kwaliteit, brandstof ___________

    93
    28
    53
    28
    29

    126
    132
    283
    101
    107
    52
    216
    194
    102
    227
    103
    109
    256
    173
    277

    L
    Lading verankeren ___________
    Lakschade herstellen__________
    Lampcontrole, waarschuwings- en
    controlelampjes ____________
    Langdurig parkeren ___________

    140
    268
    90
    183

    Lange reizen ______________ 202
    Lastdragers, dak, Sport Sedan ___ 195
    Leeslampjes, Cabriolet _________ 80
    Lekke band, band verwisselen ___ 256
    Lekke band, reparatieset _______ 259
    Leren bekleding, reinigen ______ 264
    Lichtbundel instellen, links-/
    rechtshoudend verkeer _______ 203
    Lichtbundel, instellen op links-/
    rechtshoudend verkeer _______ 203
    Lichtsignalen geven __________ 102
    Limp-Home _______________ 157
    Limp-Home, automaatbak ______ 169
    Lock-up, automaatbak ________ 169
    Luchtfilter ________________ 215

    M
    Maatregelen in speciale
    weersomstandigheden, ACC ____ 119
    Make-upspiegel ____________ 134
    Maten en gewichten __________ 274
    MAXI-zekeringen ___________ 241
    Meldingen op SID, Cabriolet ______ 73
    Mistachterlicht _____________ 105
    Mistlampen achter ___________ 105
    Modellen met passagiersairbag ____ 30
    Motor starten ______________ 153
    Motor, beschrijving __________ 207
    Motor, technische gegevens _____ 276
    Motorkap ________________ 206

    Motornummer ______________ 283
    Motorolie, kwaliteit ___________ 276
    Motorolie, peil controleren ______ 213
    Motorruimte, dieselmotor, overzicht __ 9
    Motorruimte, injectiemotor, overzicht _ 6
    Motorruimte, schoonmaken ______ 267
    Motorruimte, turbobenzinemotor,
    overzicht _________________ 7
    Motorvarianten _____________ 277
    Motorverwarming _________ 188, 288
    Multi-V-riem _______________ 222

    N
    Naar voren toe neerklappen van
    ruggedeelte passagiersstoel _____ 26
    Neerklappen, achterbank,
    Sport Sedan ______________ 138
    Night Panel ________________ 97
    Niveausensor, diefstalalarm ______ 58
    Noodbediening zonnedak _______ 132

    O
    Octaangetal, benzine _________ 277
    Onderdelen van het airbagsysteem __ 35
    Onderhoud van het airbagsysteem __ 43
    Onderhoudsprogramma ________ 269
    Ontgrendeling op afstand werkt niet __ 51

  • Page 295

    Trefwoordenregister
    Op afstand openen van zijruiten,
    Sport Sedan ______________
    Opbergvakken _____________
    Openen van kap, Cabriolet ______
    Openingshandgreep __________
    Oppoetsen en in de was zetten ____
    Opsporen van storingen in A/C
    en ACC _________________

    Quickguide, afstandsbediening ____ 49
    Quickguide, led en SID-melding ____ 61

    270

    R

    P
    Paniekalarm, diefstalalarm ______
    Park Brake Shift Lock _________
    Park Brake Shift Lock, tijdelijk buiten
    werking stellen ____________
    Parkeerhulp _______________
    Parkeerrem _______________
    Parkeren _________________
    Parkeren op een helling ________
    Passagiersairbag ____________
    Periodiek onderhoud __________
    Plaatjes en stickers, positie ______
    Plafondverlichting ____________
    Portierhandgreep ____________
    Portierspiegel inklappen ________
    Positie van vergrendelde
    veiligheidsgordels ___________
    Prioritering van geluidssignalen____
    Profiler, ACC ______________

    Q

    125
    136
    66
    48
    267

    59
    167
    170
    184
    181
    182
    182
    39
    269
    283
    133
    48
    128
    17
    106
    120

    Recycling van automaterialen ____ 270
    Regeneratie roetfilter, modellen met
    een dieselmotor ___________ 159
    Regensensor ______________ 109
    Reinigen van bekleding ________ 264
    Relais- en zekeringhouder aan de
    korte kant van het dashboard ___ 242
    Relais- en zekeringhouder in
    bagageruimte _____________ 243
    Relais- en zekeringhouder in
    motorruimte ______________ 245
    Remmen ________________ 175
    Remvloeistof, controleren ______ 218
    Remvloeistof, kwaliteit ________ 278
    Reservewiel ______________ 253
    Reservewiel (thuiskomer) ______ 253
    Resetknop, dagteller __________ 93
    Resterende hoeveelheid brandstof __ 92
    Richtingaanwijzerhendel _______ 106
    Rijden door diepe waterplassen ___ 196
    Rijden in andere landen _______ 202
    Rijden in het buitenland________ 202

    295

    Rijden in heuvelachtig terrein met
    een zware belading _________ 169
    Rijden met belading __________ 195
    Rijden met een aanhanger ______ 192
    Rijden met een geopende
    bagageklep ______________ 196
    Rijden met een reservewiel ______ 199
    Rijden met lading op het dak _____ 195
    Rijden tijdens de winter ________ 189
    Rijden tijdens de zomer ________ 191
    Rijstijl __________________ 187
    Roetfilter _________________ 159
    Roetfilter, dieselmotor _________ 159
    Rolbeugels, Cabriolet __________ 78
    Roll-over-bescherming _________ 78
    Roll-over-bescherming, Cabriolet ___ 78
    Ruggedeelte passagiersstoel naar
    voren toe neerklappen _________ 26
    Ruggedeelte van passagiersstoel,
    neerklappen _______________ 26
    Ruggedeelte voorste passagiersstoel
    neerklappen ______________ 149
    Ruggedeelte, neerklappen,
    Sport Estate ______________ 142
    Ruggedeelte, neerklappen,
    Sport Sedan ______________ 138
    Ruitensproeiers _____________ 108

  • Page 296

    296

    Trefwoordenregister

    S
    Saab Information Display _______ 92
    Saab Parking Assistance _______ 184
    SAHR, actieve hoofdsteun ______ 27
    Schade aan tweelaagslak herstellen _ 268
    Schakelaars _______________ 102
    Schoonmaken, veiligheidsgordels __ 264
    Schuifdak ________________ 130
    Sensor, voorruitwissers ________ 109
    Sentronic, handmatig schakelen ___ 172
    SID ____________________ 92
    SID, boordcomputer __________ 93
    Signalen wanneer het alarm afgaat _ 57
    Skiluik, Sport Estate __________ 144
    Skiluik, Sport Sedan __________ 139
    Slepen __________________ 196
    Sleutel __________________ 48
    Slijtage-indicatoren, banden ______ 252
    Sloten __________________ 48
    Sloten en diefstalalarm _________ 47
    Sluiten van kap, Cabriolet _______ 68
    Snelheidsindices, banden _______ 251
    Snelheidsmeter _____________ 90
    SPA, parkeerhulp ____________ 184
    Spanning, banden ________ 250, 281
    Spoiler op bagageklep, Cabriolet ___ 82
    Sportprogramma, automaatbak ____ 168
    Sproeiers ________________ 108
    Sproeiers, koplampen _________ 109
    Sproeiervloeistof ____________ 223

    Sproeiervloeistofreservoir, inhoud__ 224
    Sproeikoppen _____________ 225
    Stabiliteitsprogramma _________ 179
    Stadslichten ______________ 102
    Standverwarming ___________ 288
    Standverwarming op brandstof ___ 288
    Starten bij koud weer, ACC _____ 118
    Starten bij warm weer, ACC _____ 118
    Starten tijdens de winter (dieselmotor) 155
    Starthulp met hulpaccu ________ 200
    Stickers en plaatjes, positie _____ 283
    Stoel, elektrisch bediend ________ 24
    Stoelen __________________ 22
    Stoelverwarming ____________ 119
    Stuurbekrachtigingsvloeistof, peil
    controleren ______________ 219
    Stuurslot ________________ 153
    Stuurwielverstelling __________ 124
    Symbolen die u in uw auto kunt
    aantreffen ________________ 13
    Systeeminstellingen ___________ 98

    T
    Tankdop ________________ 162
    Tanken _________________ 160
    Tankvulklep handmatig openen,
    Cabriolet ________________ 81
    Tankvulklep handmatig openen,
    Sport Sedan ______________ 62
    TCS ___________________ 177

    Te hanteren taal in Profiler _______ 98
    Technische gegevens _________ 273
    Temperatuurbeveiliging van
    versnellingsbak ____________ 168
    Temperatuurmeter, motor ________ 91
    Temperatuurregeling, ACC ___ 113, 114
    Temperatuurzones, ACC _______ 114
    Tijdelijke functiestoringen, centrale
    vergrendeling ______________ 51
    Tijdens de winter rijden ________ 189
    Tips voor het starten, benzinemotor _ 154
    Toerenteller ________________ 90
    Traction Control System (TCS) ____ 177
    Trekhaak ________________ 192
    Turbodrukmeter _____________ 91

    V
    Veel voorkomende vragen over de
    werking van airbags __________ 44
    Veiligheid _________________ 15
    Veiligheidsgordels ____________ 16
    Veiligheidsgordels op achterbank,
    Cabriolet _________________ 77
    Veiligheidsgordels, achterbank,
    Sport Sedan en Sport Estate _____ 21
    Veiligheidsgordels, controle______ 264
    Veiligheidsgordels, onderhoud ____ 264
    Veiligheidsgordels, voor _________ 18
    Velgen en banden, maten _______ 279
    Velgmaten ________________ 281

  • Page 297

    Trefwoordenregister
    Verankeren van lading _________
    Verankeringsogen, Sport Estate ___
    Verankeringsogen, Sport Sedan ___
    Vereenvoudigde achterinstap,
    Cabriolet ________________
    Vergrendelen als de accu uitgeput is
    Vergrendelen/ontgrendelen ______
    Vergrendelfuncties wijzigen ______
    Verlichting ________________
    Verlichting in bagageruimte, Cabriolet
    Verlichting, dashboardkastje _____
    Verlichting, gloeilampen vervangen _
    Versnellingsbak, automatisch _____
    Versnellingsbak, handgeschakeld __
    Versnellingsbaknummer ________
    Verstelling van stoel __________
    Verstelling, stuurwiel __________
    Vervangen van gloeilampen ______
    Verversen, versnellingsbakolie ____
    Vervoeren van de auto _________
    Verwarming, op brandstof _______
    Verwisselen van banden ________
    Via het smalle ruggedeelte toegang
    tot de bagageruimte verschaffen,
    Sport Sedan ______________
    Viscositeit, motorolie __________
    Vloeistofpeil controleren,
    stuurbekrachtiging __________
    Vloermatten, schoonmaken ______
    Vloerverlichting _____________
    Voordat u lange reizen maakt _____
    Voorruitwissers _____________

    140
    145
    140
    75
    52
    50
    54
    102
    81
    236
    225
    167
    166
    283
    22
    124
    225
    215
    199
    288
    256

    141
    276
    219
    265
    237
    202
    108

    Voorste mistlichten __________ 106
    Voorste sleepoog ___________ 196
    Voorwoord _________________ 2

    W
    Waarschuwingen en meldingen op SID,
    Cabriolet ________________ 73
    Waarschuwingslampje airbag _____ 43
    Waarschuwingslampjes ________ 84
    Waarschuwingsstickers_________ 11
    Wanneer gaat het alarm af? ______ 57
    Wassen _________________ 265
    Wassen van motorruimte _______ 267
    Water in de brandstof (diesel) ____ 164
    Wielen _________________ 250
    Windscherm, Cabriolet _________ 82
    winterbanden______________ 279
    Wisselen groot licht/dimlicht _____ 102
    Wisserbladen _____________ 223
    Wisserbladen vervangen _______ 223
    Wissers _________________ 108

    X
    Xenonlamp _______________ 226

    297

    Z
    Zekeringen _______________
    Zekeringentabel ____________
    Zet goederen vast ___________
    Zijruiten op afstand openen ______
    Zijruiten op afstand sluiten,
    Sport Sedan ______________
    Zijruiten openen ____________
    Zijruiten sluiten _____________
    Zijspiegel inklappen __________
    Zijspiegels ________________
    Zonnedak ________________
    Zonnedak handmatig sluiten _____
    Zonnedak op afstand openen ____
    Zonnedak op afstand sluiten,
    Sport Sedan en Sport Estate ____
    Zonnedak openen ___________
    Zonnedak sluiten ____________
    Zonneklep ________________
    Zuinig rijden _______________

    240
    242
    145
    125
    126
    125
    126
    128
    128
    130
    132
    131
    131
    130
    131
    134
    187

  • Page 298

    298

    Trefwoordenregister

    (Hier is met opzet een lege bladzijde ingevoegd.)

  • Page 299

    Notities

    Notities

    299

  • Page 300

    300

    Notities

  • Page 301

    Notities

    301

  • Page 302

    302

    Notities

  • Page 303

    Notities

    303

  • Page 304

    304

    Notities




Missbrauch melden von Frage und/oder Antwort

Libble nimmt den Missbrauch seiner Dienste sehr ernst. Wir setzen uns dafür ein, derartige Missbrauchsfälle gemäß den Gesetzen Ihres Heimatlandes zu behandeln. Wenn Sie eine Meldung übermitteln, überprüfen wir Ihre Informationen und ergreifen entsprechende Maßnahmen. Wir melden uns nur dann wieder bei Ihnen, wenn wir weitere Einzelheiten wissen müssen oder weitere Informationen für Sie haben.

Art des Missbrauchs:

Zum Beispiel antisemitische Inhalte, rassistische Inhalte oder Material, das zu einer Gewalttat führen könnte.

Beispielsweise eine Kreditkartennummer, persönliche Identifikationsnummer oder unveröffentlichte Privatadresse. Beachten Sie, dass E-Mail-Adressen und der vollständige Name nicht als private Informationen angesehen werden.

Forenregeln

Um zu sinnvolle Fragen zu kommen halten Sie sich bitte an folgende Spielregeln:

Neu registrieren

Registrieren auf E - Mails für Saab 9-3 wenn:


Sie erhalten eine E-Mail, um sich für eine oder beide Optionen anzumelden.


Holen Sie sich Ihr Benutzerhandbuch per E-Mail

Geben Sie Ihre E-Mail-Adresse ein, um das Handbuch zu erhalten von Saab 9-3 in der Sprache / Sprachen: Holländisch als Anhang in Ihrer E-Mail.

Das Handbuch ist 21,77 mb groß.

 

Sie erhalten das Handbuch in Ihrer E-Mail innerhalb von Minuten. Wenn Sie keine E-Mail erhalten haben, haben Sie wahrscheinlich die falsche E-Mail-Adresse eingegeben oder Ihre Mailbox ist zu voll. Darüber hinaus kann es sein, dass Ihr ISP eine maximale Größe für E-Mails empfangen kann.

Andere Handbücher von Saab 9-3

Saab 9-3 Bedienungsanleitung - Englisch - 292 seiten

Saab 9-3 Kurzanleitung - Holländisch - 28 seiten


Das Handbuch wird per E-Mail gesendet. Überprüfen Sie ihre E-Mail.

Wenn Sie innerhalb von 15 Minuten keine E-Mail mit dem Handbuch erhalten haben, kann es sein, dass Sie eine falsche E-Mail-Adresse eingegeben haben oder dass Ihr ISP eine maximale Größe eingestellt hat, um E-Mails zu erhalten, die kleiner als die Größe des Handbuchs sind.

Ihre Frage wurde zu diesem Forum hinzugefügt

Möchten Sie eine E-Mail erhalten, wenn neue Antworten und Fragen veröffentlicht werden? Geben Sie bitte Ihre Email-Adresse ein.



Info